Provinciaal blad van Noord-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Noord-HollandProvinciaal blad 2016, 6109Verordeningen



Provincie Noord-Holland; Verordening Natura 2000-gebieden Noord-Holland.

 

Besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland van 3 oktober 2016 tot vaststelling van de Verordening Natura 2000-gebieden Noord-Holland.  

Provinciale Staten van Noord-Holland;

Gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 6 september 2016, met kenmerk 837611/836731;

Overwegende dat Provinciale Staten op grond van artikel 2.9, derde lid van de Wet natuurbescherming een verordening kunnen vaststellen op grond waarvan het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is op aangewezen categorieën van projecten, onderscheidenlijk andere handelingen;

Gelet op artikel 2.9, derde lid van de Wet natuurbescherming;

Besluiten vast te stellen:

Verordening Natura 2000-gebieden Noord-Holland

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gebruiker van een melding: geadresseeerde van een geaccepteerde melding;

  • b.

    wet: Wet Natuurbescherming;

  • c.

    ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik: ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart;

  • d.

    paraplu ontheffing helikopters: een parapluontheffing voor één of meerdere starts en/of landingen van bemande helikopters buiten stiltegebieden en (de kritische afstanden rond) Natura 2000-gebieden (zoals vermeld in bijlage 1). Per terrein geldt een maximumgebruik van 2 starts en 2 landingen (2x2) per dag;

  • e.

    locatiegebonden ontheffing helikopters: locatiegebonden ontheffing voor bemande helikopters, bedoeld voor één of meerdere starts en/of landingen op één en hetzelfde terrein ten behoeve van evenementen en projecten;

  • f.

    locatiegebonden ontheffing overige luchtvaartuigen: locatiegebonden ontheffing voor luchtvaartuigen niet zijnde bemande helikopters, bedoeld voor één of meerdere starts en/of landingen op één en hetzelfde terrein;

  • g.

    melding: melding in het kader van het vuurwerkbesluit als bedoeld in artikel 3B.4 onderdeel 4 van de regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit);

  • h.

    gebruiker van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik: de geadresseerde van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik;

  • i.

    ontbrandingstoestemming: toestemming als bedoeld in hoofdstuk 3b van het Vuurwerkbesluit;

  • j.

    gebruiker van een ontbrandingstoestemming: de geadresseerde van een ontbrandingstoestemming.

Artikel 2 Beweiden en bemesten

Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op:

  • a.

    het weiden van vee;

  • b.

    het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Artikel 3 Tijdelijk en uitzonderlijk gebruik helikopters of andere luchtvaartuigen

Het verbod als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de wet is niet van toepassing op het gebruik van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik indien het gebruik van deze ontheffing plaatsvindt op of van terreinen die verder van Natura 2000-gebieden zijn gelegen dan de vastgestelde kritische afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze verordening, waarbij:

  • a.

    voor het gebruik van een paraplu ontheffing helikopters de vastgestelde kritische afstanden gelden zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze verordening.

  • b.

    voor het gebruik van een locatiegebonden ontheffing helikopters en het gebruik van een locatiegebonden ontheffing overige luchtvaartuigen de vastgestelde kritische afstanden gelden zoals opgenomen in kolom 2 van de tabellen in Bijlage 1 van deze verordening.

Artikel 4 Ontbrandingstoestemming of melding

Het verbod als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de wet is niet van toepassing op het gebruik van een ontbrandingstoestemming of melding indien: het gebruik van deze ontbrandingstoestemming of melding plaatsvindt op een terrein dat verder van een Natura 2000-gebied is gelegen dan de vastgestelde kritische afstanden zoals opgenomen in Bijlage 2 van deze verordening.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming) (Stb. 2016, 34), in werking treedt.

Artikel 6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Natura 2000-gebieden.

Haarlem, 3 oktober 2016.

Provinciale Staten van Noord-Holland,

J.W. Remkes, voorzitter.

K.Bolt, statengriffier.

Uitgegeven op 10 november 2016 .

 

Bijlage 1. Minimum afstanden voor helikopterstarts en -landingen nabij Natura 2000-gebieden.

De afstanden in onderstaande tabellen dienen in acht te worden genomen wanneer nabij Natura 2000-gebieden gebruik gemaakt wordt van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik.

Tabel 1 geldt voor het gebruik van deze ontheffing binnen de periode 15 februari-31 augustus. Tabel 2 geldt voor het gebruik van de ontheffing buiten die periode. De afstanden in onderstaande tabellen zijn in meters.

Tabel 1. Starts en landingen tijdens het broedseizoen (15 februari - 31 augustus)

Gebied

Kritische afstanden paraplu ontheffing helikopters (in meters)

Kritische afstanden locatiegebonden ontheffing helikopters en overige luchtvaartuigen (in meters)

Duinen en Lage Land Texel

2150

2150

Polder Zeevang

2150

2150

Abtskolk & De Putten

250

2150

Waddenzee

2150

2150

Noordzeekustzone

2150

2150

IJsselmeer

2150

2150

Markermeer & IJmeer

2150

2150

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

2150

2150

Zwanenwater & Pettemerduinen

2150

2150

Eilandspolder

2150

2150

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

2150

2150

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

2150

2150

Naardermeer

2150

2150

Oostelijke Vechtplassen

2150

2150

 

 

 

Tabel 2. Starts en landingen buiten het broedseizoen (1 september - 14 februari)

Gebied

Kritische afstanden paraplu ontheffing helikopters (in meters)

Kritische afstanden locatiegebonden ontheffing helikopters en luchtvaartuigen (in meters)

Duinen en Lage Land Texel

250

250

Polder Zeevang

250

2150

Abtskolk & De Putten

250

2150

Waddenzee

250

2150

Noordzeekustzone

250

2150

IJsselmeer

250

2150

Markermeer & IJmeer

250

2150

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

250

2150

Zwanenwater & Pettemerduinen

250

2150

Eilandspolder

250

2150

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

250

2150

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

250

2150

Naardermeer

250

2150

Oostelijke Vechtplassen

250

2150

 

 

 

Bijlage 2. Minimumafstanden voor het gebruik van een ontbrandingstoestemming of melding nabij Natura 2000-gebieden.

De afstanden in onderstaande tabel dienen in acht te worden genomen wanneer gebruik wordt gemaakt van een ontbrandingstoestemming of melding nabij Natura 2000-gebieden. De afstanden in onderstaande tabellen zijn in meters.

Tabel 1: Overzicht veilige afstanden (in meters) van Natura 2000-gebieden. Afstanden gelden voor drie categorieën: professioneel vuurwerk (donkergrijze kolom), consumentenvuurwerk (lichtgrijze kolom) en theatervuurwerk (witte kolom)

Gebiedsnummer

N2000-gebied

Binnen broedseizoen (15 feb-31 aug)

 

Buiten broedseizoen (1 sept-14 feb)

1

Waddenzee

700

350

200

 

250

125

100

2

Duinen en Lage Land Texel

700

350

200

 

50

50

50

72

IJsselmeer

700

350

200

 

250

125

100

73

Markermeer & IJmeer

700

350

200

 

250

125

100

77

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

700

350

200

 

250

125

100

85

Zwanenwater & Pettemerduinen

700

350

200

 

250

125

100

89

Eilandspolder

700

350

200

 

250

125

100

90

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

700

350

200

 

250

125

100

92

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

700

350

200

 

250

125

100

93

Polder Zeevang

250

125

100

 

250

125

100

94

Naardermeer

700

350

200

 

250

125

100

95

Oostelijke Vechtplassen

700

350

200

 

250

125

100

162

Abtskolk & De Putten

50

50

50

 

250

125

100

 

 

 

Toelichting

Algemeen

Wettelijke context

Op grond van artikel 2.9, derde lid van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om een verordening vast te stellen op grond waarvan het verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten die de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren, niet van toepassing is op aangewezen categorieën van handelingen. Dit verbod is vervat in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming.

Provinciale context

Op basis van de Wet natuurbescherming vigeren naast de Provinciale verordening gebiedsbescherming drie separate verordeningen: de Provinciale verordening vrijstelling schadeveroorzakende soorten, de Provinciale verordening faunabeheer en de Provinciale verordening houtopstanden. Daarnaast is de invulling van een aantal uit de Wet natuurbescherming voortvloeiende bevoegdheden van gedeputeerde staten uitgewerkt in de Beleidsregel Wet natuurbescherming.

De bevoegdheden van gedeputeerde staten op grond dan wel krachtens de Wet natuurbescherming hebben relaties met onder meer het door hen gevoerde beleid ten aanzien van de afgifte van zogenaamde TUG-ontheffingen op grond van de Wet luchtvaart en de afgifte van ontbrandingstoestemmingen en meldingen op grond van het Vuurwerkbesluit.

Reikwijdte

Met deze verordening bepalen Provinciale Staten dat voor een aantal categorieën van handelingen, verricht onder de in de verordening genoemde voorwaarden, geen vergunningplicht geldt op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën:

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In artikel 1.1 zijn een aantal in de verordening veel gebruikte begrippen gedefinieerd.

Artikel 2 Beweiden en bemesten

De vrijstelling van de vergunningplicht voor beweiden en bemesten is een voortzetting van de bestaande landelijke vrijstelling, zoals die was neergelegd in artikel 3a van het Besluit Vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. De vrijstelling ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest.

Verwacht wordt dat de kwaliteit van habitats door beweiding of bemesting niet zal verslechteren. In het kader van de Meststoffenwet zijn de normen voor bemesten de afgelopen jaren al aanzienlijk aangescherpt. Zo kan er minder mest per hectare worden uitgereden en zijn de stikstofgebruiksnormen verlaagd. In het programma aanpak stikstof 2015–2021 is bovendien rekening gehouden met de stikstofdepositie als gevolg van bestaande beweiding en bemesting, en vastgesteld dat deze depositie in het licht van de voorziene maatregelen in het programma niet leidt tot verslechtering van de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen.

Artikel 3 Vergunningvrije afstanden bij tijdelijk en uitzonderlijk gebruik helikopters of andere luchtvaartuigen

Dit artikel heeft betrekking op het gebruik van ontheffingen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart. Het zijn de zogenaamde TUG-ontheffingen die door gedeputeerde staten op aanvraag worden afgegeven om het mogelijk te maken om met helikopters of andere luchtvaartuigen te starten en te landen op plekken die geen luchthaven zijn. Zonder een TUG-ontheffing is het ingevolge artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart verboden om met een luchtvaartuig te starten of te landen op plekken die geen luchthaven zijn.

Het beleid met betrekking tot de afgifte van TUG-ontheffingen werd door gedeputeerde staten neergelegd in de Beleidsregel TUG-starts en -landingen luchtvaartuigen op een terrein buiten een luchthaven. In deze Beleidsregel TUG werd bepaald dat, wanneer de aangevraagde starts en landingen plaatsvonden op of van terreinen welke verder van Natura 2000-gebieden zijn gelegen dan vooraf vastgelegde kritische afstanden, de vergunningplicht op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 niet gold. Deze kritische afstanden zijn vastgesteld op basis van een door Bureau Waardenburg uitgevoerd onderzoek. De berekeningen die aan deze afstanden ten grondslag liggen zijn opgenomen in het door Bureau Waardenburg opgestelde rapport ‘Kritische afstanden voor starten en landen van helikopters nabij Natura 2000-gebieden in Noord-Holland’.

Met de Wet natuurbescherming is geen verandering gekomen in de reeds op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 geldende vergunningplicht voor handelingen die significante gevolgen kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen voor Natura2000-gebieden. Deze vergunningplicht is in de Wet natuurbescherming opgenomen in artikel 2.7, tweede lid. Het door gedeputeerde staten op grond van de Beleidsregel TUG gevoerde beleid ten aanzien van deze vergunningplicht, wordt met deze Verordening vrijstellingen gebiedsbescherming omgezet in een vrijstelling van de vergunningplicht. Formeel betekent dit dat de in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming opgenomen vergunningplicht onder de gelding van de Verordening vrijstellingen gebiedsbescherming niet geldt in de in deze verordening geregelde situaties.

Indien een start of een landing van een helikopter of luchtvaartuig, waarvoor een TUG-ontheffing is verkregen, plaatsvindt op of van terreinen welke verder van Natura 2000-gebieden zijn gelegen dan de in de Bijlage 1 van de Verordening genoemde afstanden, dan geldt niet de vergunningplicht van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming.

In vergelijking met de Beleidsregel TUG gelden voor de na te noemen Natura 2000-gebieden geen afstandsbeperkingen meer omdat de bescherming van de voorheen Beschermde Natuurmonumenten met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming is vervallen. Het betreft de voorheen beschermde natuurmonumenten gelegen binnen de Natura 2000-gebieden: Kennemerland-Zuid, Schoorlse Duinen, Polder Westzaan, Noordhollands Duinreservaat en Duinen Den Helder-Callantsoog.

Habitatsoorten zoals bijvoorbeeld meervleermuis en Noordse woelmuis, ondervinden geen effecten van het gebruik van een TUG-ontheffing omdat zij nachtactief zijn en een dergelijke ontheffing uitsluitend overdag wordt gebruikt. Habitatsoorten zoals vissen, insecten en gastropoda (o.a. nauwe korfslak, zeggenkorfslak) ondervinden op voorhand geen effecten van het gebruik van een TUG-ontheffing daar zij niet gevoelig zijn voor vliegverkeer.

In de verordening wordt uitgegaan van een onderscheid tussen binnen broedseizoen (15 februari-31 augustus) en buiten broedseizoen (1 september-14 februari). Dit is een generieke aanduiding die ten behoeve van de praktische uitvoerbaarheid wordt gehanteerd. De in de bijlage van de verordening opgenomen data zijn daarmee niet in alle gevallen identiek aan het broedseizoen van de betreffende vogelsoorten en/of het voorkomen van niet-broedvogelsoorten. De nu gehanteerde perioden en de daaraan gekoppelde afstandscriteria zijn echter in lijn met de specifieke kwetsbare periodes van de betreffende soorten.

In de verordening is geregeld dat de gebruiker van de TUG-ontheffing uiterlijk een week van tevoren door middel van een modelformulier aan gedeputeerde staten kenbaar moet maken dat er van een TUG-ontheffing gebruik gemaakt zal worden en waar dat zal gebeuren. Dit is van belang voor het toezicht op en de handhaving van de Wet natuurbescherming.

Artikel 4 Ontbrandingstoestemming of melding

Dit artikel ziet op het gebruik maken van de door gedeputeerde staten op grond van hoofdstuk 3b van het Vuurwerkbesluit afgegeven ontbrandingstoestemmingen of meldingen. Zonder een dergelijke ontbrandingstoestemming of melding is het verboden om evenementen of voorstellingen te laten plaatsvinden waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding worden gebracht.

Bij de verlening van ontbrandingstoestemmingen of meldingen voeren gedeputeerde staten het beleid dat er geen vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is indien de locatie waar vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht is gelegen buiten een kritische afstand ten opzichte van een Natura2000-gebied. Deze kritische afstanden zijn vastgesteld op basis van een door Bureau Waardenburg uitgevoerd onderzoek. De berekeningen die aan deze afstanden ten grondslag liggen zijn opgenomen in het door Bureau Waardenburg opgestelde rapport ‘Afwegingskader vuurwerkevenementen in Noord-Holland en de Natuurbeschermingswet’ van 2 april 2014 (rapportnummer 14-043).

Met de Wet natuurbescherming is geen verandering gekomen in de op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 geldende vergunningplicht voor handelingen die significante gevolgen kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen voor Natura2000-gebieden. In de Wet natuurbescherming is deze vergunningplicht opgenomen in artikel 2.7, tweede lid. Het door gedeputeerde staten gevoerde beleid ten aanzien van deze vergunningplicht bij de gebruikmaking van ontbrandingstoestemmingen of meldingen, wordt met deze Verordening vrijstellingen gebiedsbescherming omgezet in een vrijstelling van de vergunningplicht. Formeel betekent dit dat de in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming opgenomen vergunningplicht onder de gelding van de Verordening vrijstellingen gebiedsbescherming niet geldt in de in deze Verordening geregelde situaties.

Indien het gebruik van een ontbrandingstoestemming of melding plaatsvindt op een locatie welke verder van Natura 2000-gebieden is gelegen dan de in de Bijlage 2 genoemde afstanden, dan geldt niet de vergunningplicht van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming.

In de verordening is geregeld dat de gebruiker van de ontbrandingstoestemming uiterlijk een week van tevoren door middel van een modelformulier aan gedeputeerde staten kenbaar moet maken dat er van een ontbrandingstoestemming of melding gebruik gemaakt zal worden en waar dat zal gebeuren. Dit is van belang voor het toezicht op en de handhaving van de Wet natuurbescherming.

De in eerder beleid ten aanzien van ontbrandingstoestemmingen of meldingen gehanteerde perioden voor “binnen broedseizoen” en “buiten broedseizoen” zijn in lijn gebracht met de perioden zoals geldend voor TUG-ontheffingen. De redenen daarvoor zijn hiervoor reeds besproken.

In vergelijking met het voorheen geldende beleid ten aanzien van ontbrandingstoestemmingen en meldingen gelden voor de na te noemen Natura 2000-gebieden geen afstandsbeperkingen meer omdat de bescherming van de voorheen beschermde natuurmonumenten met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming is vervallen. Het betreft de voorheen beschermde natuurmonumenten in de Natura 2000-gebieden : Kennemerland-Zuid, Schoorlse Duinen, Polder Westzaan, Noordhollands Duinreservaat en Duinen Den Helder-Callantsoog.