Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2016, 4917Beleidsregels



Wijziging Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016

Bekendmaking van het besluit van 30 augustus 2016 – zaaknummer [2014-016804] tot wijziging van de

 

Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016

 

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

 

Gelet op artikel 9 van de Uitvoeringswet EFRO;

 

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;

 

Gelet op de goedkeuring van de voorgestelde wijziging van deze beleidsregel door het Comité van Toezicht op 6 juli 2016 op grond van artikel 110, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347/320);

 

BESLUITEN

 

ARTIKEL I

 

De Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016 als volgt te wijzigen:

 

Paragraaf 3.3 Grote R&D-samenwerkingsprojecten

 

Artikel 3.3.1

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op experimentele ontwikkeling of het verrichten van industrieel onderzoek in combinatie met experimentele ontwikkeling.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde activiteiten zijn gericht op:

    • a.

      algemene innovatie, of

    • b.

      koolstofarme innovatie.

 

Artikel 3.3.2

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 3.3.1, tweede lid, aanhef en onder a, zijn gericht op de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen of de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen in combinatie met een:

    • i.

      andere S3-sector, of

    • ii.

      ondersteunende sector;

  • b.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 3.3.1, tweede lid, aanhef en onder b, zijn gericht op de sector Energie en Milieutechnologie of de sector Energie en Milieutechnologie in combinatie met een:

    • i.

      andere S3-sector, of

    • ii.

      ondersteunende sector;

  • c.

    minimaal 25% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling wordt gemaakt en betaald;

  • d.

    geen van de samenwerkende instanties als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, meer dan 70% van de subsidiabele kosten maakt en betaalt;

  • e.

    de mkb-ondernemingen als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, ten minste 30% van de subsidiabele kosten maken en betalen, en

  • f.

    de activiteiten binnen vier maanden na de subsidieverlening aanvangen.

 

Artikel 3.3.3

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan twee of meer instanties die samenwerken, waarvan ten minste één instantie een mkb-onderneming is.

  • 2.

    De instanties zijn ten opzichte van elkaar aan te merken als zelfstandige ondernemingen als bedoeld in bijlage 1 van de verordening 651/2014.

  • 3.

    Onverminderd artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht en de Beleidsregel aanvullende informatie bij tenders wordt een aanvraag slechts in behandeling genomen indien deze:

    • a.

      in een daartoe nader te bepalen periode is ontvangen, en

    • b.

      is vergezeld van één samenwerkingsovereenkomst waaruit in ieder geval blijkt dat de instanties, genoemd in het eerste lid, voor eigen rekening en risico gezamenlijk samenwerken.

 

Artikel 3.3.4

  • 1.

    De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste 40% van zijn deel van de subsidiabele kosten, indien:

    • a.

      de activiteiten zijn gericht op algemene innovatie als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, en

    • b.

      de activiteiten worden aangemerkt als experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek in combinatie met experimentele ontwikkeling.

  • 2.

    De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste 40% van zijn deel van de subsidiabele kosten, indien:

    • a.

      de activiteiten zijn gericht op koolstofarme innovatie als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, en

    • b.

      de activiteiten worden aangemerkt als experimentele ontwikkeling.

  • 3.

    De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste 50% van zijn deel van de subsidiabele kosten, indien:

    • a.

      de activiteiten zijn gericht op koolstofarme innovatie als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, en

    • b.

      de activiteiten worden aangemerkt als industrieel onderzoek.

  • 4.

    De percentages in het tweede en derde lid worden verhoogd met 10% indien de subsidieontvanger een middelgrote onderneming is en met 20% indien de subsidieontvanger een kleine onderneming of een kennisinstelling is. In dit artikel wordt onder een kleine of middelgrote onderneming verstaan een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld artikel 2, eerste en tweede lid, van bijlage I van de verordening 651/2014.

  • 5.

    De subsidie ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.3.1 bedraagt minimaal € 250.000 en maximaal € 1.500.000.

  • 6.

    In afwijking van het vijfde lid bedraagt de maximale subsidie van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.3.1 € 2.500.000, indien:

    • a.

      subsidie aan ten minste drie mkb-ondernemingen wordt verstrekt, en

    • b.

      in afwijking van artikel 3.3.2, aanhef en onder e, de mkb-ondernemingen ten minste 35% van de subsidiabele kosten maken en betalen.

  • 7.

    Aan instanties als bedoeld in het zesde lid en artikel 3.3.3, eerste lid, met uitzondering van kennisinstellingen, wordt niet meer dan één subsidie per vastgestelde subsidieplafond verstrekt.

 

Artikel 3.3.5

De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 5.2.8 van de REES op basis van rangschikking naar geschiktheid verdeeld.

 

Artikel 3.3.6

  • 1.

    Onverminderd artikel 3.3.2, aanhef en onder c, wordt de subsidie met:

    • a.

      25% lager vastgesteld indien minder dan 25% maar meer dan 20% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt en betaald;

    • b.

      50% lager vastgesteld indien maximaal 20% maar meer dan 15% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt en betaald;

    • c.

      75% lager vastgesteld indien maximaal 15% maar meer dan 10% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt en betaald;

    • d.

      100% lager vastgesteld indien maximaal 10% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt en betaald.

  • 2.

    Onverminderd artikel 3.3.2, aanhef en onder d, wordt de subsidie met:

    • a.

      25% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie meer dan 70% maar minder dan 75% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;

    • b.

      50% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 75% maar minder dan 80% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;

    • c.

      75% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 80% maar minder dan 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;

    • d.

      100% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaak en betaald.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing indien de subsidie ingevolge artikel 25 van de verordening 651/2014 lager dan het bepaalde in het tweede lid moet worden vastgesteld.

  • 4.

    Onverminderd artikel 3.3.2, aanhef en onder e, wordt de subsidie met:

    • a.

      25% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen minder dan 30% maar meer dan 25% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald;

    • b.

      50% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 25% maar meer dan 20% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald;

    • c.

      75% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 20% maar meer dan 15% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald;

    • d.

      100% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 15% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald.

  • 5.

    Onverminderd artikel 3.3.4, zesde lid, aanhef en onder b, wordt de subsidie met:

    • a.

      25% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen minder dan 35% maar meer dan 30% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald;

    • b.

      50% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 30% maar meer dan 25% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald;

    • c.

      75% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 25% maar meer dan 20% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald;

    • d.

      100% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 20% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald.

 

Artikel 3.3.7

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt verstrekt met toepassing van artikel 25 van de verordening 651/2014.

 

Artikel II  

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 september 2016.

 

 

Gepubliceerd te Arnhem

Gedeputeerde Staten van Gelderland

C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koning

P.G.G. Hilhorst - secretaris

   

Meer informatie

De geconsolideerde versie van de regeling is beschikbaar op www.Overheid.nl onder “Lokale wet- en regelgeving”.