Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2014, 2624Overige besluiten van algemene strekking
OMGEVINGSVERORDENING GELDERLAND
Gedeputeerde Staten van Gelderland Gelet op het besluit van Provinciale Staten, PS2014-51, d.d. 24 september 2014;
BESLUITEN
De tekst van de Omgevingsverordening (NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst) te publiceren.
Omgevingsverordening Gelderland
Vastgesteld door PS op 24 september 2014
Inhoudsopgave
Regels 8
Hoofdstuk 1 Algemeen 9
1.1 Begripsbepaling
Hoofdstuk 2 Ruimte 11
  • 2.
    1 Inleidende bepalingen
  • 2.
    2 Wonen
2.2.1 Wonen
2.2.2 Recreatiewoningen
2.3 Bedrijvigheid
2.3.1 Kantoren
2.3.2 Bedrijventerreinen
2.3.3 Detailhandel
2.4 Glastuinbouw
2.4.1 Begripsbepaling
2.4.2 Glastuinbouwontwikkelingsgebied
2.4.3 Regionaal cluster glastuinbouw
2.4.4 Zoekzone regionaal cluster glastuinbouw
2.4.5 Extensiveringsgebied glastuinbouw
2.4.6 Glastuinbouw als neventak/gemengd bedrijf
2.4.7 Overig glastuinbouw
2.4.8 Tijdelijk verbod glastuinbouw
2.5 Veehouderij
2.5.1 Begripsbepaling
2.5.2 Grondgebonden veehouderij: Agrarisch gebied
2.5.3 Niet-grondgebonden (melk)rundveebedrijf en (melk)rundveetak:
het Agrarisch gebied
2.5.4 Niet - grondgebonden veehouderij : verwevingsgebieden
2.5.5 Niet grond- grondgebonden veehouderij: extensiveringsgebieden
2.5.6 Niet grond- grondgebonden veehouderij: landbouwontwikkelingsgebieden
2.6 Grond- en Drinkwater
2.6.1 Waterwingebied
2.6.2 Grondwaterbeschermingsgebied
2.6.3 Intrekgebied
2.7 Natuur en Landschap
2.7.1 Beschermingsregime Gelders Natuurnetwerk (GNN)
2.7.2 Beschermingsregime Groene Ontwikkelingszone (GO)
2.7.3 Herbegrenzing GNN en GO
2.7.4 Bescherming landschap
2.7.5 Nieuwe Hollandse Waterlinie
2.7.6 Romeinse Limes
2.8 Energie
2.8.1 Windturbines
2.8.2 Molenbiotoop
2.8.3 Locaties voor biomassavergistingsinstallaties
2.9 Ontheffing wegens bijzondere omstandigheden
Hoofdstuk 3 Milieu en Ontgrondingen 36
  • 3.
    1 Algemeen
  • 3.
    2 Gebruik gesloten stortplaatsen
  • 3.
    3 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning
3.3.1 Algemeen
3.3.2 Waterwingebieden
3.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden
3.3.4 Boringsvrije zones
3.3.5 Overige bepalingen
3.4 Bodem
3.4.1 Boringen
3.4.2 Bodemsanering
3.4.3 Ontgrondingen
  • 3.
    5 Geluidhinder
  • 3.
    6 Vergoeding van kosten en schade
Hoofdstuk 4 Water 63
  • 4.
    1 Algemeen
  • 4.
    2 Vaarwegen
4.2.1 Toedeling (vaarweg)beheer
4.2.2 Gebruik en instandhouding vaarwegen
  • 4.
    3 Regionaal waterplan
  • 4.
    4 Handelingen in watersystemen
Hoofdstuk 5 Verkeer 67
5.1 Wegen
5.1.1 Algemene bepalingen
5.1.2 Onderhoud van en werkzaamheden aan wegen
5.1.3 Gebruik van de weg
5.1.4 Vergunningen
  • 5.
    2 Vervoer gevaarlijke stoffen
  • 5.
    3 Luchtvaartregeling
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
5.3.2 Luchthaven Ziekenhuis Rivierenland te Tiel
5.3.3 Luchthaven Wide Angle Management B.V. te Lunteren
5.3.4 Luchthaven Gidding Holding B.V. te Kootwijkerbroek
5.3.5 Luchthaven Terlet te Arnhem
5.3.6 Luchthaven Bos te Lunteren
5.3.7 Luchthaven Markerink te Eibergen
5.3.8 Luchthaven UMC St Radboud te Nijmegen
5.3.9 Luchthaven Vonk te Winssen
5.3.10 Luchthaven Wikselaar Satellite te Harskamp
5.3.11 Luchthaven M.E.C. Jansen te Lunteren
5.3.12 Luchthaven ULV-terrein Stakenborgweg te Voorst
5.3.13 Luchthaven Jules Verne te Arnhem
5.3.14 Luchthaven Tuitel te Terwolde
5.3.15 Luchthaven Cattlefarm Aero Service te Asperen
5.3.16 Luchthaven Maldens Vlak te Malden
5.3.17 Luchthaven Swets te Empe
Hoofdstuk 6 Ontheffingen 81
  • 6.
    1 Ontheffingsbepalingen ten behoeve van hoofdstuk 2 Ruimte
  • 6.
    2 Ontheffingsbepalingen ten behoeve van hoofdstuk 3 Milieu en Ontgrondingen
6.2.1 Algemene bepalingen
6.2.2 Ontheffingsbepalingen inzamelplicht afvalwater
6.2.3 Ontheffingsbepaling gebruik gesloten stortplaatsen
Hoofdstuk 7 Handhaving 85
  • 7.
    1 Handhaving milieu
  • 7.
    2 Handhaving water
  • 7.
    3 Handhaving wegen
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen 86
8.1 Intrekking
8.1.1 Intrekking
  • 8.
    2 Overgangs- en slotbepalingen hoofdstuk 2 Ruimte
  • 8.
    3 Overgangsbepalingen hoofdstuk 3 Milieu en ontgrondingen
8.3.1 Algemeen
8.3.2 Overgangsbepalingen voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones
  • 8.
    4 Overgangsbepalingen hoofdstuk 4 Water
  • 8.
    5 Overgangs- en slotbepalingen hoofdstuk 5 Verkeer
8.5.1 Wegen
8.5.2 Vervoer gevaarlijke stoffen
8.5.3 Luchthavenregeling
  • 8.
    6 Inwerkingtreding
  • 8.
    7 Slotbepaling
Regels
Hoofdstuk 1 Algemeen
1.1 Begripsbepaling
Artikel 1.1.1 Begripsbepaling
In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt (mede) verstaan onder:
1 Bestemmingsplan
  • a.
    plan ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);
  • b.
    beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening;
  • c.
    omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang, tenzij uit de betreffende bepaling uitdrukkelijk anders volgt; en
  • d.
    projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.
2 Boringsvrije zone
Beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet Milieubeheer.
De geometrische plaatsbepaling van de boringsvrije zones is vervat in het GML bestaand NL.IMRO.9925.PVOmgevingsverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Water en Milieu.
3 Gedeputeerde Staten
Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
4 Grondwaterbeschermingsgebied
Beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet Milieubeheer.
De geometrische plaatsbepaling van de grondwaterbeschermingsgebieden is vervat in het NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Water en Milieu.
5 Intrekgebied
Beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet Milieubeheer.
De geometrische plaatsbepaling van de intrekgebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Water en Milieu.
6 Provinciale Staten
Provinciale Staten van de provincie Gelderland.
7 Waterwingebied
Beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer.
De geometrische plaatsbepaling van de waterwingebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Water en Milieu.
Hoofdstuk 2 Ruimte
2.1 Inleidende bepalingen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, Hoofdstuk 2 Ruimte.
Artikel 2.1.1 Begripsbepaling
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
1 Bedrijfsmatige exploitatie
Het door middel van een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon beheren of exploiteren van recreatiewoningen, waarbij voor recreatiewoningen geldt dat daar permanent wisselende recreatieve ( nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.
2 Beeldkwaliteitsplan
Plan dat voor een beheer- of ontwikkellocatie de na te streven beeldkwaliteit beschrijft en dat is gebaseerd op ten minste de ruimtelijke en visuele kenmerken van het gebied. In het plan worden randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen voor de inrichting van de beheer -of ontwikkellocatie geformuleerd.
3 Bestaande bebouwing
Fysiek aanwezige legale bebouwing.
4 Bestaand stedelijk gebied
Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
5 Biomassavergistingsinstallatie
Installatie voor de opwekking van energie door middel van vergisting van mest of andere organische producten.
6 Bouwen
Plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk of een standplaats.
7 Bouwperceel
Aaneengesloten stuk grond waarop krachtens bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.2.2 een zelfstandige, bij elkaar behorende, bebouwing is toegestaan.
8 Extensiveringsgebied glastuinbouw
Als zodanig begrensd gebied waarbinnen na 22 januari 2011 nog eenmalig een uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven mogelijk is.
De geometrische plaatsbepaling van de extensiveringsgebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
9 Detailhandel
Bedrijfsmatig verkopen of leveren van fysieke goederen voor persoonlijk gebruik aan de consument.
10 Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang.
De geometrische plaatsbepaling van het GNN is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Natuur.
11 Glastuinbouwontwikkelingsgebied
Gebied bedoeld voor glastuinbouwontwikkeling waarbinnen uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven en, in geval van het concentratiegebied Bommelerwaard, van bedrijven voor paddenstoelenteelt, mogelijk is, met inbegrip van bijbehorende bedrijfswoningen en van bebouwing en voorzieningen voor bedrijfsgerelateerde activiteiten.
De geometrische plaatsbepaling van de glastuinbouwontwikkelingsgebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
12 Groene Ontwikkelingszone (GO)
Zone die bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het GNN en daar functioneel mee samenhangen en waarin wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden.
De geometrische plaatsbepaling van de Groene Ontwikkelingszone is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Natuur.
13 Intergemeentelijk bedrijventerrein
Bedrijventerrein ten behoeve van meer gemeenten waarop bedrijven zich kunnen vestigen die qua aard, schaal en functie passen bij, of een goede aanvulling zijn op, het bestaande productiemilieu en de werkgelegenheidstructuur.
14 Kas
Constructie van glas, kunststof of een andere materiaalsoort voor een overkapte teelt of veredeling van gewassen.
15 Kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk
Aanwezige en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied zoals beschreven in de bijlage kernkwaliteitenNatuur en landschap.
16 Kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone
De bestaande en te ontwikkelen kwaliteiten voor het gebied zoals beschreven in de bijlage kernkwaliteiten Natuur en landschap.
17 Kwalitatief Woonprogramma
Door Gedeputeerde Staten vastgesteld programma met als doel het woningaanbod op regionaal niveau, zowel kwantitatief als kwalitatief, zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte aan woningen.
18 Kwantitatieve opgave wonen
Door Gedeputeerde Staten vastgesteld aantal (netto) aan de woningvoorraad toe te voegen woningen met als doel het woningaanbod op regionaal niveau kwantitatief zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte aan woningen.
19 Landelijk gebied
Grondgebied van de provincie Gelderland met uitzondering van het bestaand stedelijk gebied.
20 Lokaal bedrijventerrein
Bedrijventerrein waarop kleinschalige bedrijven met een lokale functie en een milieucategorie van ten hoogste categorie 3 kunnen worden geaccommodeerd.
21 Molen
Door windkracht aangedreven krachtwerktuig met de status van monument ingevolge de Monumentenwet, inclusief het bouwwerk waarin bedoeld werktuig zich bevindt, dat specifiek is opgericht, bestemd of geschikt voor de uitoefening van het maalbedrijf.
22 Molenbiotoop
Omgeving van een molen gelegen binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen.
De geometrische plaatsbepaling van de molenbiotoop is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Erfgoed.
23 Nationaal landschap
Gebied met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten, en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten.
24 Permanente bewoning
Gebruik van een gebouw als hoofdverblijf ingevolge de Wet gemeentelijke basisadministratie.
25 Perifere detailhandelslocatie
Detailhandelslocatie buiten binnenstedelijke winkelcentra, veelal aan de rand van de stad.
26 Regionaal bedrijventerrein
Bedrijventerrein dat een regionale opvangfunctie heeft en als zodanig is vastgelegd in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionale Programma Bedrijventerreinen.
27 Regionaal cluster glastuinbouw
Gebied voor glastuinbouwontwikkeling buiten de glastuinbouwontwikkelingsgebieden.
De geometrische plaatsbepaling van de regionale clusters glastuinbouw is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
28 Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebied
Reserveringsgebied voor uitbreiding van een als zodanig begrensd glastuinbouwontwikkelingsgebied dat pas wordt ontwikkeld als de locaties binnen het glastuinbouwontwikkelingsgebied zijn ontwikkeld of indien wordt aangetoond dat voor een nieuwe ontwikkeling in het glastuinbouwontwikkelingsgebied geen ruimte is.
De geometrische plaatsbepaling van de reserveglastuinbouwontwikkelingsgebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
29 Ruimtelijk landschappelijk ontwerp
Integraal ontwerp voor het gebied waarop de beoogde ontwikkeling effect heeft, gebaseerd op de ruimtelijke kenmerken van het landschap, de aard en de schaal van het landschap en de cultuurhistorische achtergronden van het landschap.
30 Toelichting bij een bestemmingsplan
Toelichting ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. In deze verordening wordt onder toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan:
  • a.
    de onderbouwing bij een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang, en
  • b.
    de toelichting bij een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening.
31 Waardevol open gebied
Gebied waar grootschalige openheid als kernkwaliteit geldt.
De geometrische plaatsbepaling van de waardevol open gebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landschap.
32 Waterhuishouding
Wijze waarop water in een bepaald gebied wordt opgenomen, zich verplaatst, gebruikt, verbruikt en afgevoerd wordt.
33 Windturbine
Door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt.
34 Windturbinepark
Park bestaande uit tenminste drie windturbines.
35 Zelfstandige kantoren
Kantoren die geen onderdeel uitmaken van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor niet uitsluitend een ondersteunende functie heeft
36 Zoekzone regionaal cluster glastuinbouw
Reserveringsgebied voor uitbreiding van een regionaal cluster glastuinbouw dat pas wordt ontwikkeld als de locaties binnen het aanliggende regionaal cluster glastuinbouw zijn ontwikkeld.
De geometrische plaatsbepaling van de zoekzones regionaal cluster glastuinbouw is vervat in hetGML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
2.2 Wonen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.2 Wonen.
2.2.1 Wonen
Artikel 2.2.1.1 Nieuwe woonlocaties
In een bestemmingsplan worden nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.
2.2.2 Recreatiewoningen
Artikel 2.2.2.1 Solitaire recreatiewoningen
In een bestemmingsplan worden solitaire recreatiewoningen slechts toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd.
Artikel 2.2.2.2 Permanente bewoning van recreatiewoningen
In een bestemmingsplan wordt permanente bewoning van recreatiewoningen uitgesloten.
Artikel 2.2.2.3 Bedrijfsmatige exploitatie recreatiewoningen
  • 1.
    In bestemmingsplannen wordt nieuwvestiging en uitbreiding van recreatiewoningen alleen toegestaan indien daaraan de eis van bedrijfsmatige exploitatie wordt verbonden.
  • 2.
    In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt onderbouwd op welke wijze de bedrijfsmatige exploitatie duurzaam is verzekerd.
2.3 Bedrijvigheid
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.3 Bedrijvigheid.
2.3.1 Kantoren
Artikel 2.3.1.1 Kantoren
  • 1.
    In bestemmingsplannen worden nieuwe zelfstandige kantoorvestigingen op bedrijventerreinen niet mogelijk gemaakt.
  • 2.
    In afwijking van het eerste lid kunnen zelfstandige kantoren in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt indien de betreffende kantoorvestiging goed ontsloten is door een hoogwaardige OV-verbinding.
2.3.2 Bedrijventerreinen
Artikel 2.3.2.1 Bedrijventerreinen
In bestemmingsplannen wordt de bestemming tot bedrijventerreinen slechts toegestaan ìndien dit past in de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraken ten aanzien van de programmering van bedrijventerreinen (Regionaal Programma Bedrijventerreinen).
Artikel 2.3.2.2 Regionale bedrijventerreinen
  • 1.
    In bestemmingsplannen wordt op regionale bedrijventerreinen de mogelijkheid van vestiging van bedrijfsfuncties uit milieucategorie 1 en 2 en bedrijfsfuncties die gemengd kunnen worden met andere functies uitgesloten.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in een bestemmingsplan de mogelijkheid van vestiging van de in het eerste lid bedoelde bedrijfsfuncties worden toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
    • a.
      deze bedrijven en bedrijfsfuncties een ondersteunende functie vervullen voor de bedrijven op het regionale bedrijventerrein; of
    • b.
      de vestiging van deze bedrijven vanwege milieuzonering of op grond van overwegingen van ruimtelijke kwaliteit gewenst is.
Artikel 2.3.2.3 Intergemeentelijke bedrijventerreinen
  • 1.
    In bestemmingsplannen kan binnen nieuwe intergemeentelijke bedrijventerreinen een kavelgrootte worden toegestaan van ten hoogste 0,75 hectare.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ruimere kavelgrootte worden toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat sprake is van een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een ruimere kavelgrootte noodzakelijk maakt.
Artikel 2.3.2.4 Lokale bedrijventerreinen
  • 1.
    In bestemmingsplannen kan binnen nieuwe lokale bedrijventerreinen een kavelgrootte worden toegestaan van ten hoogste 0,5 hectare.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ruimere kavelgrootte worden toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat er sprake is van een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een ruimere kavelgrootte noodzakelijk maakt.
Artikel 2.3.2.5 Kadegebonden bedrijventerrein
  • 1.
    In bestemmingsplannen worden bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten, bestemd voor kadegebonden bedrijvigheid.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in een bestemmingsplan een bestemming voor andere dan kadegebonden bedrijvigheid mogelijk worden gemaakt indien:
    • a.
      een bestemming tot kadegebonden bedrijvigheid om ruimtelijke of milieuhygiënische redenen niet gewenst is; of
    • b.
      in een behoefteonderzoek wordt aangetoond dat er geen behoefte aan kavels voor kadegebonden bedrijvigheid bestaat.
  • 1.
    In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt onderbouwd dat aan de in het tweede lid, onder a of b genoemde voorwaarden wordt voldaan.
2.3.3 Detailhandel
Artikel 2.3.3.1 Detailhandel
  • 1.
    In een bestemmingsplan worden geen nieuwe locaties voor detailhandel mogelijk gemaakt die leiden tot een duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelstructuur.
  • 2.
    Voor zover er voor het betreffende gebied een regionale afspraak is gemaakt over de programmering van detailhandel, is de bestemming detailhandel in een bestemmingsplan alleen mogelijk als deze ontwikkeling niet in strijd is met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraak.
  • 3.
    In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe een nieuwe detailhandelontwikkeling zich verhoudt tot het bepaalde in het eerste lid en een eventuele intergemeentelijke samenwerking op het gebied van detailhandel.
Artikel 2.3.3.2 Perifere detailhandellocaties
  • 1.
    In een bestemmingsplan kunnen detailhandelsvoorzieningen slechts op perifere detailhandellocaties worden toegestaan indien deze vanwege specifieke ruimtelijke eisen - volumineuze goederen - en veiligheidseisen binnenstedelijk moeilijk inpasbaar zijn.
  • 2.
    In een bestemmingsplan wordt vestiging van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen op perifere locaties niet toegestaan.
  • 3.
    In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid zijn op perifere detailhandellocaties, grootschalige detailhandelvoorzieningen met een bovenlokale functie en een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m², slechts toegestaan als hierover regionale afstemming heeft plaatsgevonden.
  • 2.
    4 Glastuinbouw
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.4 Glastuinbouw.
2.4.1 Begripsbepaling
Artikel 2.4.1.1 Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
1 Hervestiging
Situatie waarbij sprake is van verplaatsing van een bestaand, in Gelderland gevestigd glastuinbouwbedrijf.
2 Nieuwvestiging
De vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf anders dan bedrijfsverplaatsing of vestiging van een buiten Gelderland gelegen glastuinbouwbedrijf.
3 Glastuinbouwbedrijf
Een bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van een glasopstand van minimaal 2.500 m².
2.4.2 Glastuinbouwontwikkelingsgebied
Artikel 2.4.2.1 Glastuinbouwontwikkelingsgebied
  • 1.
    In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven slechts toegestaan binnen Glastuinbouwontwikkelingsgebieden. Hervestiging van een glastuinbouwbedrijf in een Glastuinbouwontwikkelingsgebied is alleen mogelijk indien kan worden aangetoond dat de glasopstanden op de vertreklocatie worden verwijderd en de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf op de vertreklocatie planologisch onmogelijk wordt gemaakt. Bij verplaatsing binnen een Glastuinbouwontwikkelingsgebied behoeft de glastuinbouwbestemming op de vertreklocatie niet te worden gewijzigd.
  • 2.
    In bestemmingsplannen die toezien op Glastuinbouwontwikkelingsgebieden kunnen tuinbouwgelieerde activiteiten worden toegestaan indien in de toelichting op het bestemmingsplan onderbouwd wordt dat:
    • a.
      sprake is van een directe, aantoonbare relatie met de bedrijfsvoering van bestaande glastuinbouwbedrijven;
    • b.
      de activiteiten geen belemmering vormen voor een goede verkaveling van het glastuinbouwontwikkelingsgebied; en
    • c.
      de activiteit is opgenomen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionaal Programma Bedrijventerreinen.
Artikel 2.4.2.2
In een bestemmingsplan wordt aan de in de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden vrijgekomen percelen geen bestemming gegeven die de ontwikkeling van de glastuinbouw kan belemmeren.
Artikel 2.4.2.3
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.2.2 kan in een bestemmingsplan, aan een perceel dat in een Glastuinbouwontwikkelingsgebied is gelegen, een andere bestemming worden toegekend indien:
  • a.
    de andere bestemming bijdraagt aan realisatie van de herstructurering van de glastuinbouwsector; of
  • b.
    de andere bestemming sociaal maatschappelijke knelpunten oplost die verband houden met de herstructurering van de glastuinbouwsector.
Artikel 2.4.2.4 Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebieden
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebieden wordt geen nieuwvestiging of hervestiging toegestaan, tenzij:
    • a.
      de vestigingsmogelijkheden in het aansluitende Glastuinbouwontwikkelingsgebied volledig zijn benut; of
    • b.
      wordt aangetoond dat voor een nieuwe ontwikkeling in deze gebieden geen ruimte is; en
    • c.
      wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.4.2.1 met dien verstande dat in de plaats van "Glastuinbouwontwikkelingsgebied" wordt gelezen "Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebied".
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebieden wordt uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven met meer dan 20% niet toegestaan indien daardoor een goede verkaveling van de glastuinbouw in het Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebied wordt belemmerd.
Artikel 2.4.2.5
In een bestemmingsplan wordt aan de in de Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebieden vrijgekomen percelen geen bestemming gegeven die de ontwikkeling van de glastuinbouw in het gebied kan belemmeren.
2.4.3 Regionaal cluster glastuinbouw
Artikel 2.4.3.1 Regionaal cluster glastuinbouw
De bestemming van Regionaal cluster glastuinbouw wordt in een bestemmingsplan alleen mogelijk gemaakt binnen de bestaande regionale clusters en binnen de zoekzones voor de regionale clusters.
Artikel 2.4.3.2
In een bestemmingsplan wordt de hervestiging van een glastuinbouwbedrijf in een Regionaal cluster glastuinbouw alleen mogelijk gemaakt als kan worden aangetoond dat de glasopstanden op de vertreklocatie worden verwijderd en de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf op de vertreklocatie planologisch onmogelijk wordt gemaakt. Bij verplaatsing binnen een Regionaal cluster glastuinbouw behoeft de glastuinbouwbestemming op de vertreklocatie niet te worden gewijzigd.
Artikel 2.4.3.3
In een bestemmingsplan wordt aan de in een Regionaal cluster glastuinbouw vrijgekomen percelen geen bestemming gegeven die de ontwikkeling van glastuinbouw kan belemmeren.
2.4.4 Zoekzone regionaal cluster glastuinbouw
Artikel 2.4.4.1 Zoekzone regionaal cluster glastuinbouw
In bestemmingsplannen wordt in een Zoekzone regionaal cluster glastuinbouw geen hervestiging toegestaan tenzij:
  • a.
    de hervestigingsmogelijkheden in het aansluitende Regionaal cluster glastuinbouw volledig zijn benut; of
  • b.
    wordt aangetoond dat er voor een nieuwe ontwikkeling geen ruimte is in deze gebieden; en
  • c.
    wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.4.3.2, met dien verstande dat in de plaats van "Regionaal cluster glastuinbouw" wordt gelezen "Zoekzone regionaal cluster glastuinbouw".
2.4.5 Extensiveringsgebied glastuinbouw
Artikel 2.4.5.1 Extensiveringsgebied glastuinbouw
  • 1.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Extensiveringsgebied glastuinbouw kan na 22 januari 2011 éénmalig uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven worden toegestaan.
  • 2.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Extensiveringsgebied glastuinbouw wordt geen hervestiging toegestaan.
2.4.6 Glastuinbouw als neventak/gemengd bedrijf
Artikel 2.4.6.1 Glastuinbouw als neventak/gemengd bedrijf
In een bestemmingsplan kan aan bedrijven met glastuinbouw als neventak of in gemengde bedrijfsvoering de mogelijkheid worden geboden om de glasopstand éénmalig te vergroten met maximaal 20% van de op 29 juni 2005 bestaande omvang van de glasopstanden.
Artikel 2.4.6.2
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.6.1 kan in een bestemmingsplan uitbreiding van glasopstanden met meer dan 20% worden toegestaan, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
  • a.
    de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf; en
  • b.
    de verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied dan wel een Regionaal cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is.
2.4.7 Overig glastuinbouw
Artikel 2.4.7.1
  • 1.
    In een bestemmingsplan kan aan glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden, de Extensiveringsgebieden glastuinbouw en de Regionale clusters glastuinbouw de mogelijkheid worden geboden de glasopstand éénmalig uit te breiden met maximaal 20% van de 29 juni 2005 bestaande omvang van de glasopstanden.
  • 2.
    De geometrische plaatsbepaling van het gebied zoals bedoeld in het eerste lid is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
Artikel 2.4.7.2
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.7.1 kan in een bestemmingsplan uitbreiding met meer dan 20% worden toegestaan, indien:
  • a.
    deze uitbreidingsmogelijkheid is opgenomen in een op 3 november 2009 vigerend bestemmingsplan dat door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd na 29 juni 2005; of
  • b.
    er sprake is van uitbreiding van kassen voor onderwijs, onderzoek en ontwikkeling en de kassen fysiek gekoppeld zijn aan de nabijheid van onderzoeks- of onderwijsinstelling.
Artikel 2.4.7.3
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.7.1 kan in een bestemmingsplan uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf met meer dan 20% worden toegestaan, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
  • a.
    de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf;
  • b.
    de verplaatsing naar een Glastuinbouwontwikkelingsgebied dan wel een Regionaal cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is; en
  • c.
    de uitbreiding zich verdraagt met ter plaatse van belang zijnde gebiedskwaliteiten van natuur, landschap en water.
2.4.8 Tijdelijk verbod glastuinbouw
Artikel 2.4.8.1 Tijdelijk verbod nieuwvestiging glastuinbouw
  • 1.
    Zolang geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 8.2.1 in werking is getreden, is nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden verboden.
  • 2.
    De geometrische plaatsbepaling van het gebied zoals bedoeld in het eerste lid is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
Artikel 2.4.8.2 Tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw
  • 1.
    Zolang geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 8.2.1 in werking is getreden, is uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden, de Extensiveringsgebieden glastuinbouw en de Regionale clusters met meer dan 20% verboden.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is uitbreiding met meer dan 20% mogelijk, indien deze uitbreidingsmogelijkheid is opgenomen in een op 3 november 2009 vigerend bestemmingsplan dat door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd na 29 juni 2005.
  • 3.
    Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, indien wordt aangetoond dat:
    • a.
      de uitbreiding zich verdraagt met ter plaatse van belang zijnde gebiedskwaliteiten van natuur, landschap en water;
    • b.
      de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf; en
    • c.
      verplaatsing naar een Glastuinbouwontwikkelingsgebied dan wel een Regionaal cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is.
  • 1.
    De geometrische plaatsbepaling van dit gebied is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
Artikel 2.4.8.3 Tijdelijk verbod hervestiging
  • 1.
    Zolang geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 8.2.1 in werking is getreden, is hervestiging van glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden, Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebieden, Zoekzones regionale clusters en Regionale clusters verboden.
  • 2.
    De geometrische plaatsbepaling van het gebied zoals bedoeld in het eerste lid is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Glastuinbouw.
  • 2.
    5 Veehouderij
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.5 Veehouderij
2.5.1 Begripsbepaling
Artikel 2.5.1.1 Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
1 Agrarisch bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge een vigerend bestemmingsplan agrarische bebouwing met inbegrip van een bedrijfswoning is toegestaan.
2 Agrarisch gebied
De totale oppervlakte agrarische cultuurgrond in Gelderland, met inbegrip van de agrarische bouwpercelen.
3 Extensiveringsgebied
Een gebied waarbinnen nieuwvestiging is verboden, hervestiging is toegestaan en uitbreiding van de niet-grondgebonden veehouderijtak slechts onder zeer strikte voorwaarden mogelijk is.
De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landbouw.
4 Grondgebonden veehouderijbedrijf
Agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken.
5 Grondgebonden veehouderijtak
Onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren.
6 Grondgebruiksplan
Plan waarin de ondernemer informatie biedt over de grondgebondenheid van het veehouderijbedrijf of de veehouderijtak.
7 Hervestiging veehouderijbedrijf
De vestiging van een nieuw op te richten of een van elders te verplaatsen veehouderijbedrijf op een bestaand agrarisch bouwperceel.
8 Landbouwontwikkelingsgebied
Gebied waar uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alsmede de hervestiging van een niet - grondgebonden veehouderijbedrijf is toegestaan. Nieuwvestiging in dit gebied is alleen mogelijk voor veehouderijbedrijven die al een bouwaanvraag hebben ingediend voor 14 mei 2013.
De geometrische plaatsbepaling van de landbouwontwikkelingsgebieden is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landbouw.
9 Nevenactiviteit
Activiteit die in ruimtelijk en bedrijfseconomisch opzicht ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie op een bouwperceel.
10 Niet-grondgebonden veehouderijbedrijf
Een veehouderijbedrijf waarvan de agrarische productie voor het grootste deel afkomstig is uit de niet - grondgebonden veehouderijtak(ken).
11 Niet-grondgebonden veehouderijtak
Onderdeel van een agrarisch bedrijf dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien.
12 Nieuwvestiging
Het planologisch voorzien in de vestiging van een agrarisch veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwperceel.
13 Omschakeling
De overgang van een grondgebonden veehouderijtak naar een niet-grondgebonden veehouderijtak.
14 Uitbreiding
Een vergroting van de agrarische bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel al dan niet gepaard gaande met een vergroting van het bouwperceel.
15 Verwevingsgebied
Een gebied waarbinnen meerdere functies in verweven vorm voorkomen en waarin uitbreiding en hervestiging van niet - grondgebonden veehouderijbedrijven onder voorwaarden is toegestaan maar nieuwvestiging van niet - grondgebonden veehouderijbedrijven is verboden.
De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landbouw.
2.5.2 Grondgebonden veehouderij: Agrarisch gebied
Artikel 2.5.2.1 Nieuwvestiging grondgebonden veehouderijbedrijf
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op het Agrarisch gebied wordt nieuwvestiging van grondgebonden veehouderijbedrijven niet toegestaan.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het Agrarisch gebied nieuwvestiging van een grondgebonden
    veehouderijbedrijf worden toegestaan indien:
    • a.
      dit een verbetering van de landbouwstructuur oplevert en aangetoond is dat hervestiging op een bestaand agrarisch bouwperceel ondoelmatig is; of
    • b.
      indien een bestaand bedrijf moet worden verplaatst op initiatief van de overheid ten behoeve van het realiseren van ruimtelijke doelen van algemeen maatschappelijk belang.
  • 1.
    In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid dient de nieuwvestiging ruimtelijk aanvaardbaar te zijn en moet voorzien zijn in een goede landschappelijke inpassing.
Artikel 2.5.2.2 Uitbreiding
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op het Agrarisch gebied wordt uitbreiding van de grondgebonden veehouderijtak toegestaan indien de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en voorziet in een goede landschappelijke inpassing.
  • 2.
    In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt voor ( melk) rundveehouderij bovendien dat :
    • a.
      geen sprake is van omschakeling; en
    • b.
      aan de uitbreiding een grondgebruiksplan ten grondslag ligt.
Artikel 2.5.2.3 Nevenactiviteiten
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op het Agrarisch gebied worden nevenactiviteiten toegestaan, mits:
    • a.
      sprake is van verkoop van zelf geteelde of geproduceerde agrarische producten, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving en deze nevenactiviteiten geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven; of
    • b.
      de nevenactiviteiten geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
  • 1.
    In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid dient de nevenactiviteit ruimtelijk aanvaardbaar te zijn en moet voorzien zijn in een goede landschappelijke inpassing.
2.5.3 Niet-grondgebonden (melk)rundveebedrijf en (melk)rundveetak: het Agrarisch gebied
  • 1.
    De artikelen 2.5.4.2, 2.5.5.2 en 2.5.6.2 zijn niet van toepassing op niet- grondgebonden (melk)rundveebedrijven en niet-grondgebonden (melk)rundveetakken.
  • 2.
    In bestemmingsplannen wordt uitbreiding ten behoeve van het houden van een of meer runderen van niet-grondgebonden (melk)rundveebedrijven en niet-grondgebonden (melk)rundveetakken niet toegestaan.
2.5.4 Niet - grondgebonden veehouderij : verwevingsgebieden
Artikel 2.5.4.1 Nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijven
In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer Verwevingsgebieden wordt nieuwvestiging van niet – grondgebonden veehouderijbedrijven niet toegestaan.
Artikel 2.5.4.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak
In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer verwevingsgebieden kan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel worden toegekend van ten hoogste 1,0 hectare.
2.5.5 Niet grond- grondgebonden veehouderij: extensiveringsgebieden
Artikel 2.5.5.1 Nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijf
In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer Extensiveringsgebieden wordt nieuwvestiging van niet – grondgebonden veehouderijbedrijven niet toegestaan.
Artikel 2.5.5.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer Extensiveringsgebieden wordt de uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de niet- grondgebonden veehouderijtak niet toegestaan.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een of meer Extensiveringsgebieden uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de niet- grondgebonden veehouderijtak worden toegestaan, indien:
    • a.
      de extra bebouwing noodzakelijk is om voor de aanwezige dieren te kunnen voldoen aan welzijnseisen; of
    • b.
      het agrarisch bedrijf een omvang heeft van 70 NGE waarvan minimaal 40 NGE voortkomend uit de niet - grondgebonden veehouderijtak en het bedrijf op het moment van vaststelling van de reconstructieplannen door Provinciale Staten van Gelderland (Achterhoek- Liemers op 5 april 2005, Veluwe op 5 juli 2005 en Gelderse Vallei op 1 maart 2005 ) reeds deze minimale bedrijfsgrootte van 70 NGE waarvan minimaal 40 NGE voortkomend uit de niet - grondgebonden veehouderijtak bezat.
2.5.6 Niet grond- grondgebonden veehouderij: landbouwontwikkelingsgebieden
Artikel 2.5.6.1 Nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijf
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer
    Landbouwontwikkelingsgebieden wordt nieuwvestiging van niet-grondgebonden
    veehouderijbedrijven niet toegestaan.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is nieuwvestiging van niet-
    grondgebonden veehouderijbedrijven mogelijk voor ondernemers die vóór 14 mei 2013:
    • a.
      een subsidiebeschikking voor verplaatsing van het bedrijf op basis van de subsidieregeling Verplaatsing Intensieve Veehouderij (VIV) van de provincie Gelderland beschikking hebben ontvangen; of
    • b.
      een schriftelijk ( principe) verzoek, een aanvraag om een omgevingsvergunning of een aanvraag om bestemmingsplanherziening tot vestiging bij de gemeente hebben ingediend, welke voldoen aan de (ontvankelijkheids)vereisten die de betreffende gemeente daaraan stelt.
Artikel 2.5.6.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak
In bestemmingsplannen die betrekking hebben op een of meerdere landbouwontwikkelingssgebieden kan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel worden toegekend van ten hoogste 1,5 hectare.
Artikel 2.5.6.3 Nieuwe bestemmingen in landbouwontwikkelingsgebieden
In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer Landbouwontwikkelingsgebieden worden geen nieuwe bestemmingen toegestaan die de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven beperken.
2.6 Grond- en Drinkwater
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.6 Grond- en drinkwater
2.6.1 Waterwingebied
Artikel 2.6.1.1 Waterwingebied
In een bestemmingsplan krijgen Waterwingebieden geen bestemmingen die negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het grondwater.
2.6.2 Grondwaterbeschermingsgebied
Artikel 2.6.2.1 Grondwaterbeschermingsgebied
  • 1.
    In een bestemmingsplan krijgen Grondwaterbeschermingsgebieden een bestemming die hetzelfde of een lager risico voor het grondwater met zich meebrengt dan de vigerende bestemming.
  • 2.
    In de toelichting bij bestemmingsplannen voor grondwaterbeschermingsgebieden wordt beschreven hoe een nieuwe bestemming zich verhoudt tot het bepaalde in het eerste lid.
2.6.3 Intrekgebied
Artikel 2.6.3.1 Intrekgebied
In een bestemmingsplan krijgen Intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt.
2.7 Natuur en Landschap
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.7 Natuur en Landschap
2.7.1 Beschermingsregime Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Artikel 2.7.1.1 Beschermingsregime GNN
  • 1.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt, tenzij:
    • a.
      geen reële alternatieven aanwezig zijn;
    • b.
      sprake is van redenen van groot openbaar belang;
    • c.
      de negatieve effecten op de kernwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de
      samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en
    • d.
      de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de
      oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
  • 1.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen binnen het GNN nieuwe bebouwing of terreinverharding binnen omheinde militaire terreinen mogelijk maken, indien:
    • a.
      de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en
    • b.
      de overblijvende effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
  • 1.
    Compensatie als bedoeld in het eerste en tweede lid:
    • a.
      wordt gerealiseerd op gronden die nog geen natuurbestemming hebben in of grenzend aan de GO of grenzend aan het GNN of in het zoekgebied van 7300 ha nieuwe natuur in het GNN.
    • b.
      wordt, voor zover mogelijk, gerealiseerd aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat;
    • c.
      wordt planologisch verankerd in hetzelfde dan wel in een ander gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan;
    • d.
      vindt plaats in een compensatiepoule, indien combinatie van de ingreep en de compensatie in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen plan niet mogelijk is;
    • e.
      vindt plaats op afstand van het gebied, indien fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied en compensatie van gelijkwaardige natuur in een compensatiepoule niet mogelijk is.
  • 1.
    De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het aangetaste areaal waarbij een toeslag op de omvang van het aangetaste areaal wordt berekend, zowel in oppervlak, als in budget, te onderscheiden in de categorieën:
    • a.
      natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;
    • b.
      tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
    • c.
      tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
    • d.
      bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer zijn maatwerk.
  • 1.
    Indien fysieke compensatie aantoonbaar niet, of niet volledig mogelijk is, wordt een financiële compensatie bepaald aan de hand van:
    • a.
      de kosten van de aanschaf en de verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats;
    • b.
      de kosten van de basisinrichting; en
    • c.
      de kosten van het ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd.
  • 1.
    De kosten als bedoeld in het vierde en vijfde lid worden gelabeld aan de betreffende ingreep in het provinciaal compensatiefonds gestort.
Artikel 2.7.1.2 Uitbreiding
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het GNN kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk worden gemaakt indien in de toelichting bij het plan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Artikel 2.7.1.3 Compensatieplan
  • 1.
    Voor de onderbouwing met betrekking tot mitigatie en compensatie als bedoeld in artikel 2.7.1.1 wordt een compensatieplan vastgesteld, waarin in ieder geval wordt ingegaan op de voorwaarden als bedoeld in artikel 2.7.1.1., eerste, tweede en derde lid.
  • 2.
    In het compensatieplan wordt tevens ingegaan op:
    • a.
      de wijze waarop wordt verzekerd dat de mitigatie en de compensatie daadwerkelijk worden uitgevoerd;
    • b.
      de wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging van de mitigatie en de compensatie.
  • 1.
    De uitvoering van het compensatieplan wordt binnen vijf jaar na de besluitvorming over de betreffende ingreep afgerond. Indien sprake is van bedreigde soorten of leefgebied dienen de mitigatie en de compensatie direct te worden gerealiseerd.
  • 2.
    Bij het compensatieplan wordt eveneens een digitale verbeelding van de locatie van de ingreep enerzijds en de locatie waar de mitigatie en de compensatie zal plaatsvinden anderzijds, gevoegd.
  • 3.
    De uitvoering van het bepaalde in een compensatieplan wordt verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in het betreffende bestemmingsplan dan wel door het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld.
Artikel 2.7.1.4 Wijzigingsbevoegdheid
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het GNN wordt bepaald dat burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigen in de bestemming natuur, indien:
  • a.
    de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;
  • b.
    een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of
  • c.
    Gedeputeerde Staten hebben besloten aan Provinciale Staten voor te stellen om de Kroon te verzoeken een onteigeningsbesluit te nemen als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet en Gedeputeerde Staten een kopie van hun besluit aan burgemeester en wethouders hebben gezonden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.
2.7.2 Beschermingsregime Groene Ontwikkelingszone (GO)
Artikel 2.7.2.1 Beschermingsregime GO
  • 1.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij:
    • a.
      geen reële alternatieven aanwezig zijn;
    • b.
      sprake is van redenen van groot openbaar belang;
    • c.
      de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en
    • d.
      de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.7.1.1, derde tot en met zesde lid, en 2.7.1.3.
  • 1.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits:
    • a.
      in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; en
    • b.
      deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Artikel 2.7.2.2 Uitbreiding
  • 1.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk worden gemaakt, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt en deze versterking is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in een bestemmingsplan de uitbreiding van bestaande grondgebonden landbouwbedrijven en van extensieve openluchtrecreatie met meer dan 30 % mogelijk worden gemaakt, indien:
    • a.
      uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en
    • b.
      deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel in een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
  • 1.
    Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet, voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Toelatingsbesluit Natuurschoonwet.
  • 2.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30% mogelijk worden gemaakt, indien:
    • a.
      uit de toelichting blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en
    • b.
      deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander,
    • c.
      gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.
Artikel 2.7.2.3 Het vellen van een houtopstand
  • 1.
    In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO wordt een functie, ten behoeve waarvan een houtopstand als bedoeld in de Boswet dient te worden verwijderd, anders dan in het kader van de normale bosexploitatie, slechts mogelijk gemaakt indien wordt voorzien in een extra compensatie voor het areaal bos dat verloren gaat.
  • 2.
    De compensatie als bedoeld in het eerste lid:
    • a.
      wordt gerealiseerd in of grenzend aan de GO;
    • b.
      voor zover mogelijk wordt gerealiseerd aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat;
    • c.
      planologisch wordt verankerd in hetzelfde danwel in een ander gelijktijdig vast te
      stellen bestemmingsplan;
    • d.
      plaats vindt in een compensatiepoule, indien combinatie van ingreep en compensatie in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen plan niet mogelijk is;
    • e.
      plaats vindt op afstand van het gebied, indien fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied en compensatie van gelijkwaardige natuur in een compensatiepoule niet mogelijk is.
  • 1.
    De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het aangetaste areaal waarbij op de volgende wijze een toeslag op de omvang van het aangetaste areaal wordt berekend, zowel in oppervlak, als in budget, te onderscheiden in de categorieën:
    • a.
      natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;
    • b.
      natuur met een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
    • c.
      natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
    • d.
      bij natuur met een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk.
  • 1.
    Indien fysieke compensatie aantoonbaar niet, of niet volledig mogelijk is, wordt een financiële compensatie bepaald aan de hand van:
    • a.
      de kosten van aanschaf en verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats;
    • b.
      de kosten van basisinrichting;
    • c.
      de kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd.
  • 1.
    De kosten als bedoeld in het tweede en derde lid worden gelabeld aan de betreffende ingreep in het provinciaal compensatiefonds gestort.
2.7.3 Herbegrenzing GNN en GO
Artikel 2.7.3.1 Wijziging begrenzing GNN en GO
Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het GNN en de GO als bedoeld in artikel 2.1.1 sub 10 en sub 12 wijzigen:
  • a.
    ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het GNN en de GO, voor zover:
  • i.
    de kernkwaliteiten van het GNN en de GO worden behouden; en
  • ii.
    de oppervlakte van het GNN ten minste gelijk blijft;
  • a.
    ten behoeve van de toepassing van artikel 2.7.1.1 of artikel 2.7.1.2.
  • c.
    voor zover er op het moment van vaststelling van deze verordening sprake was van een onherrroepelijk vigerend bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van de GNN en GO.
Artikel 2.7.3.2 Rapportage
Ten behoeve van de wijziging van de begrenzing van het GNN en de GO als bedoeld in artikel 2.7.3.1 wordt door het college van burgemeester en wethouders jaarlijks een overzicht naar Gedeputeerde Staten gestuurd waarin wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 2.7.1.1, 2.7.1.2, 2.7.2.1 of 2.7.2.2.
2.7.4 Bescherming landschap
Artikel 2.7.4.1 Waardevol open gebied
  • 1.
    Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Waardevol open gebied maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan geen bestemmingen mogelijk die de openheid van de waardevolle open gebieden aantasten.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een bestemmingsplan binnen een waardevol open gebied voorzien in de mogelijkheid tot het oprichten van een windturbinepark met meer dan drie windturbines voor zover het bestemmingsplan is voorzien van een ruimtelijk ontwerp en is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.8.1.1, tweede en derde lid.
  • 3.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is uitbreiding van agrarische bebouwing binnen of aansluitend aan het bestaande agrarische bouwperceel toegestaan.
  • 4.
    Indien de uitbreiding als bedoeld in het derde lid een omvangrijke uitbreiding betreft, die aansluitend, maar wel buiten het bestaande agrarische bouwperceel, plaatsvindt, moet het bestemmingsplan zijn voorzien van een beeldkwaliteitsplan en een ruimtelijk landschappelijk ontwerp dat als toelichting bij het bestemmingsplan is opgenomen.
Artikel 2.7.4.2 Nationaal landschap
  • 1.
    Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap en buiten de GO, het GNN en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of versterken. Deze kernkwaliteiten zijn vastgelegd in bijlage 5 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van deze verordening.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn activiteiten die afbreuk doen aan de kernkwaliteiten of deze kernkwaliteiten niet versterken mogelijk:
    • a.
      als er geen reële alternatieven zijn;
    • b.
      er sprake is van redenen van groot openbaar belang; en
    • c.
      er compenserende maatregelen worden getroffen ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage 5 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen.
  • 1.
    De geometrische plaatsbepaling van het bepaalde in dit artikel is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landschap.
2.7.5 Nieuwe Hollandse Waterlinie
Artikel 2.7.5.1 Aanwijzing en begrenzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie
Het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde de Nieuwe Hollandse Waterlinie betreft het als zodanig aangeduide gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 meter zijn vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landschap.
Artikel 2.7.5.2 Beschrijving van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie
  • 1.
    De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn:
    • a.
      het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit:
    • i.
      inundatiegebieden;
    • ii.
      zones met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten, betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving;
    • iii.
      voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten;
    • iv.
      waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden;
    • v.
      overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten; de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;
    • vi.
      de historische vestigingsstructuur van de vestingssteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem;
    • a.
      de grote openheid;
    • b.
      het groene en overwegend rustige karakter.
  • 1.
    Gedeputeerde Staten geven een nadere beschrijving van de kernkwaliteiten van de Nieuw Hollandse Waterlinie in de Gelderse Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie – uitwerking en toepassing.
Artikel 2.7.5.3 Bescherming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie
  • 1.
    Een bestemmingsplan voor gronden die onderdeel uitmaken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals aangegeven op de kaart Regels Landschap maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten zoals bedoeld in artikel 2.7.5.2, eerste en tweede lid, aantasten.
  • 2.
    De toelichting op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden, het door de gemeente te voeren beleid en van de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan. Bij de beschrijving van de verschillende waarden wordt gebruik gemaakt van de nadere beschrijving van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals bedoeld in artikel 2.7.5.2, tweede lid.
2.7.6 Romeinse Limes
Artikel 2.7.6.1 Aanwijzing en begrenzing Romeinse Limes
Het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde de Romeinse Limes betreft het als zodanig aangeduide gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Landschap.
Artikel 2.7.6.2 Beschrijving kernkwaliteiten Romeinse Limes
De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn te omschrijven als : de Limes is de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt naast de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:
  • i.
    forten (castella), burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden;
  • ii.
    militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens;
  • iii.
    scheepswrakken.
Artikel 2.7.6.3 Bescherming Romeinse Limes
  • 1.
    Een bestemmingsplan voor gronden die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes die op kaart zijn aangegeven als terreinen met een beschermde status, maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten zoals bedoeld in artikel 2.7.6.2, eerste en tweede lid, aantasten.
  • 2.
    De toelichting op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden, het door de gemeente te voeren beleid en de onderbouwing hiervan.
  • 3.
    De wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan, wordt vervat in daartoe strekkende planregels in het bestemmingsplan.
  • 4.
    Bij de beschrijving van de waarden wordt gebruik gemaakt van de beschrijving van de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes als bedoeld in artikel 2.7.6.2.
  • 2.
    8 Energie
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 2.8 Energie.
2.8.1 Windturbines
Artikel 2.8.1.1 Windturbines
  • 1.
    In een bestemmingsplan kan de oprichting van één of meer windturbines mogelijk worden gemaakt voorzover het bestemmingsplan is voorzien van een ruimtelijk ontwerp.
  • 2.
    In het ruimtelijk ontwerp wordt aandacht besteed aan de relatie tussen windturbine of windturbines en:
    • a.
      de ruimtelijke kenmerken van het landschap;
    • b.
      de maat, schaal en inrichting in het landschap;
    • c.
      de visuele interferentie met een nabij gelegen windturbine of windturbines;
    • d.
      de cultuurhistorische achtergrond van het landschap;
    • e.
      beleving van de windturbine of windturbines in het landschap.
  • 1.
    Het ruimtelijk ontwerp wordt als toelichting in het bestemmingsplan opgenomen.
Artikel 2.8.1.2 Uitsluiting windturbines
In bestemmingsplannen wordt niet voorzien in de mogelijkheid tot het oprichten van één of meerdere windturbines binnen de gebieden die zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en zijn verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Windenergie.
2.8.2 Molenbiotoop
Artikel 2.8.2.1 Molenbiotoop
  • 1.
    In bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de Molenbiotoop wordt geen nieuwe bebouwing danwel beplanting toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt.
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de molens staande en gelegen in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.
2.8.3 Locaties voor biomassavergistingsinstallaties
Artikel 2.8.3.1 biomassavergistingsinstallaties
  • 1.
    In bestemmingsplannen die zien op het landelijk gebied kunnen biomassavergistingsinstallaties, mestbewerkingsinstallaties en mestverwerkingsinstallaties worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen van een agrarisch bedrijf, bestaande bouwpercelen van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf of vrijkomende agrarische locaties in overig agrarisch gebied indien:
    • a.
      de installaties in hoofdzaak gebruik maken van biomassastromen uit de directe omgeving; en
    • b.
      de installatie landschappelijk en infrastructureel kan worden ingepast in het bestaande landschap.
  • 1.
    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn biomassavergistingsinstallaties, mestbewerkingsinstallaties en verwerkingsinstallaties die niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid wel toegestaan in het landelijk gebied indien in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd wordt dat de locatiekeuze voor de installaties gebaseerd is op de volgende aflopende voorkeursvolgorde:
    • a.
      op of grenzend aan een bedrijventerrein, een glastuinbouwgebied of locaties bij soortgelijke bedrijven, zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties of mestverwerkers die op een solitaire bedrijfslocatie zijn gevestigd;
    • b.
      op bestaande agrarische bouwpercelen van een agrarisch bedrijf, bestaande bouwpercelen van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf of vrijkomende agrarische locaties in overig agrarisch gebied.
2.9 Ontheffing wegens bijzondere omstandigheden
Artikel 2.9.1 Ontheffing wegens bijzondere omstandigheden
Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in dit hoofdstuk voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.
Hoofdstuk 3 Milieu en Ontgrondingen
3.1 Algemeen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.1 Algemeen.
Artikel 3.1.1 Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1 Grondwateronttrekker
Houder van een inrichting als bedoeld in artikel 15.34, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
3.2 Gebruik gesloten stortplaatsen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.2 Gebruik gesloten stortplaatsen.
Artikel 3.2.1 Begripsbepaling
In deze titel wordt verstaan onder:
1 Gesloten stortplaats
Stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.
2 Nazorgvoorzieningen
Maatregelen ter bescherming van het milieu, als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer.
3 Werk
Werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.2.2 Verbodsbepalingen
  • 1.
    Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar nazorgvoorzieningen worden uitgevoerd:
    • a.
      werken te maken of te behouden;
    • b.
      stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;
    • c.
      andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.
  • 1.
    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:
    • a.
      het treffen van nazorgvoorzieningen;
    • b.
      handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.
Artikel 3.2.3 Ontheffing
  • 1.
    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 3.2.2, eerste lid gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
  • 2.
    Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben:
    • a.
      de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
    • b.
      aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
    • c.
      te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.
  • 3.
    3 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.3 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning.
3.3.1 Algemeen
Artikel 3.3.1.1 Begripsbepaling
In deze titel wordt verstaan onder:
1 Achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk
Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit en artikel 4.4.1 van de Regeling bodemkwaliteit.
2 Bodemenergiesysteem
Open of gesloten bodemenergiesysteem.
3 Boorput
Met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering.
4 Buisleiding
Buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgas), olie of chemicaliën alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën.
5 Diepinfiltratie
Een techniek waarbij afvloeiend hemelwater door middel van een geperforeerde buis rechtstreeks geïnfiltreerd wordt in dieper gelegen watervoerende bodemlagen.
6 Drinkwaterbedrijf
Drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.
7 Potentieel voor het grondwater schadelijke stof
Stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
8 Extensieve beweiding
Beweiding door maximaal anderhalf grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar.
9 Gesloten bodemenergiesysteem
Bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en artikel 1.1, eerste lid van het Waterbesluit.
10 Grond- of funderingswerken
Werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies.
11 Inrichting
Inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
12 Meststoffen
Meststoffen in de zin van artikel 1, eerste lid, onder d. van de Meststoffenwet.
13 Niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting
Inrichting waarop een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing is en die niet tevens vergunningplichtig is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
14 NRB
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming.
15 Open bodemenergiesysteem
Bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1. eerste lid van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en artikel 1.1 eerste lid van het Waterbesluit.
16 Omgevingsvergunning
Omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
17 Schadelijke stoffen
Stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater (kunnen) verontreinigen. Hiertoe behoren in elk geval de stoffen of combinaties van stoffen, vermeld in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning onderdeel A.
18 Verwaarloosbaar bodemrisico
Situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt.
Artikel 3.3.1.2 Aanwijzing beschermingsgebieden
  • 1.
    Als gebieden bedoeld in artikel 1.2. tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer worden de volgende gebieden aangewezen:
    a. gebieden aangegeven op de kaarten in Bijlage 4 Gebieden aangewezen met het oog op de bescherming van de kwaliteiten van het grondwater met het oog op de waterwinning met de nummers 1 tot en met 7, 9 tot en met 16, 18, 20, 21, 24 tot en met 27, 29, 31 tot en met 41, 43 tot en met 45, 47, 49 tot en met 56.
    b. de als intrekgebieden aangegeven gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOMGverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening horende kaart Regels Water en Milieu.
  • 2.
    De in het eerste lid aangewezen gebieden kunnen bestaan uit één of meer waterwingebieden, een grondwaterbeschermingsgebied, een (zeer) kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied, een boringsvrije zone en een intrekgebied. Deze zijn op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig aangegeven.
  • 3.
    Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwateren die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied borden die bij het betreffende gebied horen en waarvan het model is vastgesteld in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel C.
Artikel 3.3.1.3 Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot wijzigen grenzen gebieden
  • 1.
    Gedeputeerde Staten kunnen de grenzen van de gebieden als bedoeld in artikel 3.3.1.2 wijzigen als sprake is van:
    • a.
      wijzigingen op perceelsniveau;
    • b.
      verkleining of opheffing van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een drinkwaterwinning;
    • c.
      verkleining van een gebied bij voorzienbare sluiting van een drinkwaterwinning;
    • d.
      vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m³ grondwater.
  • 1.
    Eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden worden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.
  • 2.
    De betrokken grondwateronttrekker wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.3.1.4 Zorgplicht
  • 1.
    Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 3.3.1.2 is aangewezen, kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
  • 2.
    In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater dient diegene bedoeld in het eerste lid, Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan terstond in kennis te stellen.
  • 3.
    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
    • a.
      voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald;
    • b.
      met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald.
3.3.2 Waterwingebieden
Artikel 3.3.2.1 Werkingssfeer
Deze paragraaf is niet van toepassing op waterwingebieden aangewezen op de in bijlage " 4 Gebieden aangewezen met het oog op de bescherming van de kwaliteiten van het grondwater met het oog op de waterwinning " behorende kaarten genummerd, 53, 55 en 56.
Artikel 3.3.2.2 Regels voor inrichtingen
  • 1.
    Het is verboden in een Waterwingebied een inrichting op te richten indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
  • 2.
    Het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
Artikel 3.3.2.3 Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen
  • 1.
    Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een Waterwingebied in ieder geval de beperkingen en voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
  • 2.
    Het bevoegd gezag kan afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.2.4 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
  • 1.
    Het is verboden in een Waterwingebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist op te richten, in werking te hebben, te veranderen of de werking ervan te veranderen.
  • 2.
    Het eerste lid geldt niet voor het oprichten van een inrichting voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
  • 3.
    Het eerste lid geldt niet voor het inwerkinghebben, veranderen of de werking veranderen indien wordt voldaan aan de beperkingen en voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.
  • 4.
    Het bevoegd gezag kan afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid door maatwerkvoorschriften te stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.2.5 Regels voor activiteiten buiten inrichtingen
  • 1.
    Het is in Waterwingebieden verboden:
    • a.
      schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die die handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
    • b.
      een constructie of werk van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee schadelijke stoffen in de bodem worden verspreid of geloosd dan wel de beschermende werking van bodemlagen wordt aangetast of kan worden aangetast;
    • c.
      grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;
    • d.
      handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd. Hieronder wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem;
    • e.
      de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld.
  • 1.
    Voor toepassing van het eerste lid onder a worden onder schadelijke stoffen in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet, gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
  • 2.
    Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, gebouwen in de zin van de Woningwet, (water- en spoor-)wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, kampementen, recreatiecentra, leidingen, voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.
  • 3.
    Het in het eerste lid, onder a, b en c, gestelde verbod geldt niet voor:
    • a.
      het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
    • b.
      het aanleggen, hebben en gebruiken van aardgasleidingen die dienen voor huishoudelijk gebruik;
    • c.
      het gebruiken van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;
    • d.
      hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voorzover dit aanwezig is in en benodigd is voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
    • e.
      het vervoeren van schadelijke stoffen voorzover dit gebeurt in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
    • f.
      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
    • g.
      het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van extensieve beweiding;
    • h.
      het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit;
    • i.
      het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming;
    • j.
      veranderingen of vernieuwingen van gebouwen, alsmede voor verbouwingen of de oprichting van gebouwen waarvoor geen omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist.
  • 1.
    Het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
  • 2.
    Het verbod in het eerste lid, onder b, geldt ook voor het wijzigen of uitbreiden van:
    • a.
      een voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater;
    • b.
      (water- en spoor-) wegen;
    • c.
      parkeergelegenheden voor motorvoertuigen;
    • d.
      kampeerterreinen, kampementen, recreatiecentra;
    • e.
      woningen.
  • 1.
    Het verbod in het eerste lid, onder b geldt ook voor het plegen van onderhoud aan wegen en parkeergelegenheden voor motorvoertuigen buiten het bestaande wegprofiel.
3.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden
Artikel 3.3.3.1 Werkingssfeer
Deze paragraaf is, met uitzondering van artikel 3.3.3.2 en artikel 3.3.3.12 Warmtetoevoeging en -onttrekking niet van toepassing op grondwaterbeschermingsgebieden aangewezen op de in bijlage 4 Gebieden aangewezen met het oog op de bescherming van de kwaliteiten van het grondwater met het oog op de waterwinning behorende kaarten genummerd 53, 55 en 56.
Artikel 3.3.3.2 Verbod warmtetoevoeging en -onttrekking binnen een inrichting
  • 1.
    Het is verboden binnen een inrichting in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de grond of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  • 2.
    Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.
Artikel 3.3.3.3 Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, indien die inrichting behoort tot één of meer categorieën van inrichtingen die zijn aangewezen in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel B.
  • 2.
    Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.
Artikel 3.3.3.4 Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen
  • 1.
    Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een Grondwaterbeschermingsgebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
  • 2.
    Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.3.5 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist op te richten, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen indien die inrichting behoort tot één of meer categorieën van inrichtingen die zijn aangewezen in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel B.
  • 2.
    Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen, tenzij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.
  • 3.
    Het bevoegd gezag kan afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid door maatwerkvoorschriften te stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.3.6 Activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden: werkingssfeer
De artikelen 3.3.3.7 tot en met 3.3.3.14 hebben uitsluitend betrekking op activiteiten die in een Grondwaterbeschermingsgebied en buiten een inrichting worden ondernomen tenzij in deze verordening anders is bepaald.
Artikel 3.3.3.7 Boorputten en grond- of funderingswerken
  • 1.
    Het is in een Grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben.
  • 2.
    Indien en voor zover het VKB protocol 2006 Mechanisch boren in acht wordt genomen, geldt het eerste lid niet voor boorputten voor:
    • a.
      de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare
      drinkwatervoorziening;
    • b.
      het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming, of
    • c.
      tijdelijke horizontale bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken
  • 1.
    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 2 meter of meer onder het maaiveld.
  • 2.
    Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften:
    • a.
      bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste twee meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken;
    • b.
      voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruik gemaakt wordt van:
    • i.
      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;
    • ii.
      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of
    • iii.
      schroefpalen.
  • 1.
    Van het voornemen tot het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken onder de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding.
  • 2.
    Ten aanzien van deze melding is artikel 3.3.5.4 van toepassing.
Artikel 3.3.3.8 Buisleidingen, voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding en voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.
  • 2.
    Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een andere constructie of een ander werk dan genoemd onder het eerste lid van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als dat leidt of kan leiden tot verspreiding of lozing van schadelijke stoffen in de bodem danwel tot aantasting van de beschermende werking van bodemlagen.
  • 3.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor het aanleggen, hebben, vervangen, veranderen of verleggen van een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater indien voldaan wordt aan de volgende algemene voorschriften:
    • a.
      Het riool moet bestaan uit een duurzaam vloeistofdicht buizenstelsel;
    • b.
      De aanleg moet voldoen aan de richtlijnen, zoals opgesteld in NPR 3218 (Buitenriolering onder vrij verval) of NPR 3221 (Buitenriolering onder over- en onderdruk);
    • c.
      Vóór in gebruik name moet een inspectie plaatsvinden op vloeistofdichtheid (bijvoorbeeld door afpersing);
    • d.
      De riolering mag niet anders worden gebruikt dan waarvoor het is bestemd. Stoffen die de toegepaste materialen kunnen aantasten, mogen niet worden getransporteerd via het stelsel;
    • e.
      De riolering moet worden beheerd overeenkomstig de richtlijn NPR3220 (Buitenriolering beheer) en NPR3221 (Buitenriolering over- en onderdruk);
    • f.
      Indien door lekkage, verstopping of anderszins de bodem wordt verontreinigd, moeten door de beheerder maatregelen getroffen worden om de verontreiniging op te heffen.
  • 1.
    Het eerste lid geldt niet voor het aanleggen, hebben, vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding, niet zijnde een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, indien voldaan wordt aan de volgende algemene voorschriften:
    • a.
      er worden geen schadelijke stoffen door worden vervoerd, of
    • b.
      in geval buisleidingen worden gebruikt ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieproducten en afvalwater, deze zodanig worden aangelegd en onderhouden dat het gehele stelsel duurzaam vloeistofdicht is en dat leidingen voor de ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar worden geïnspecteerd op vloeistofdichtheid.
  • 1.
    Het eerste lid geldt niet voor het hebben van een buisleiding of voorziening voor inzameling en transport van afvalwater die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening is aangelegd met een ontheffing op grond van bepaling 3.2.3 van bijlage 10, onderdeel B, van de Provinciale milieuverordening Gelderland.
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor het vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding of een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, indien met een door een deskundige opgestelde risicoanalyse is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.
  • 3.
    Van het voornemen tot het aanleggen, hebben, vervangen, veranderen of verleggen van de buisleiding of de voorziening voor inzameling en transport van afvalwater onder de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde voorschriften doet degene die de activiteit onderneemt, een melding.
  • 4.
    Ten aanzien van de melding is artikel 3.3.5.4 van toepassing.
Artikel 3.3.3.9 Afstromend hemelwater van gebouwen, (spoor)wegen en andere verhardingen
  • 1.
    Het is in een Grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen, (spoor)wegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen en terreinen voor gemotoriseerd verkeer op of in de bodem te lozen.
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van gebouwen:
    • a.
      indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen, of
    • b.
      indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.
  • 1.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt evenmin ten aanzien van (spoor)wegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen en terreinen voor gemotoriseerd verkeer: indien voldaan wordt aan de algemene voorschriften uit bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel E.
  • 2.
    Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem als bedoeld in het tweede en derde lid doet degene die de activiteit onderneemt, een melding.
  • 3.
    Ten aanzien van deze melding is artikel 3.3.5.4 van toepassing.
  • 4.
    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.
  • 5.
    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden op eigen terrein te parkeren of parkeergelegenheid voor motorvoertuigen aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. Het verbod geldt niet indien het een parkeergelegenheid betreft met maximaal vier parkeerplaatsen.
Artikel 3.3.3.10 Meststoffen en zuiveringsslib
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied meststoffen en zuiveringsslib op of in de bodem te brengen;
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor het op of in de bodem brengen van:
    • a.
      dierlijke meststoffen;
    • b.
      anorganische meststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
    • c.
      kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Artikel 3.3.3.11 Begraafplaatsen
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben.
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste geldt niet voor het uitbreiden van een begraafplaats en een uitstrooiveld als bedoeld in de vorige zin, indien voor die uitbreiding de Inspectierichtlijn Wet op de lijkbezorging van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne Staatstoezicht op de Volksgezondheid, laatste druk, in acht wordt genomen, voor zover die richtlijn van belang is voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
  • 3.
    Degene die een begraafplaats of een strooiveld uitbreidt, doet daarvan een melding aan Gedeputeerde Staten.
  • 4.
    Artikel 3.3.5.4 is op deze melding van toepassing.
Artikel 3.3.3.12 Warmtetoevoeging en -onttrekking
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de grond of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  • 2.
    Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.
Artikel 3.3.3.13 IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.
  • 2.
    Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen.
  • 3.
    Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie:
    • a.
      op of in de bodem:
    • i.
      indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt, danwel de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;
    • ii.
      de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen, en
    • iii.
      de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.
    • a.
      in oppervlaktewater:
    • i.
      indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt;
    • ii.
      de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A, en
iii. de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.
  • a.
    bij toepassing in een omvang van meer dan 5000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie:
  • i.
    bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;
  • ii.
    bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt;
    • 1.
      Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de toepassing van baggerspecie voor zover het baggerspecie betreft die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit.
    • 2.
      Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen.
    • 3.
      Ten aanzien van deze melding is artikel 3.3.5.4 van toepassing.
Artikel 3.3.3.14 Schadelijke stoffen
  • 1.
    Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren dan wel op of in de bodem te brengen.
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste lid, geldt niet voor:
    • a.
      het gebruik van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;
    • b.
      het hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen voorzover dit nodig is voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
    • c.
      het vervoeren van schadelijke stoffen, voorzover dit gebeurt in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
    • d.
      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden.
3.3.4 Boringsvrije zones
Artikel 3.3.4.1 Verbod warmtetoevoeging en -onttrekking voor inrichtingen
  • 1.
    Het is verboden binnen een inrichting in een boringsvrije zone werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem en/of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  • 2.
    Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.
  • 3.
    Het bevoegd gezag voor een inrichting kan afwijken van het verbod als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.4.2 Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen
  • 1.
    Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
  • 2.
    Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.4.3 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
  • 1.
    Het is verboden in een boringsvrije zone een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen, voorzover niet wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.
  • 2.
    Het bevoegd gezag kan afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het eerste lid door maatwerkvoorschriften te stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D.
Artikel 3.3.4.4 Activiteiten buiten inrichtingen in boringsvrije zones: werkingssfeer
De artikelen 3.3.4.5 en 3.3.4.6 hebben uitsluitend betrekking op activiteiten die in een boringsvrije zone buiten een inrichting worden ondernomen, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
Artikel 3.3.4.5 Boorputten en grond- of funderingswerken
  • 1.
    Artikel 3.3.3.7 is van toepassing in boringsvrije zones, met dien verstande dat in dat artikel voor “grondwaterbeschermingsgebied” wordt gelezen: boringsvrije zone.
  • 2.
    De in het eerste lid van toepassing verklaarde verboden gelden niet indien boven het voor de drinkwaterwinning bestemde grondwater een beschermende kleilaag of andere slechtdoorlatende laag is gelegen en door de boorput of het grond- of funderingswerk die (klei)laag niet wordt doorboord.
Artikel 3.3.4.6 Warmtetoevoeging en -onttrekking
  • 1.
    Het is verboden in een boringsvrije zone werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  • 2.
    Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.
  • 3.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien boven het voor de drinkwaterwinning bestemde grondwater een beschermende kleilaag of andere slechtdoorlatende laag is gelegen en door de in het eerste lid bedoelde handelingen die kleilaag niet wordt doorboord en tevens kan worden aangetoond dat het bodemenergiesysteem buiten de 25- jaars verblijftijdzone ( 3D- boringsvrije zone) van de waterwinning ligt.
  • 4.
    Van het voornemen werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten aanzien waarvan het derde lid van toepassing is, doet degene die de werken tot stand brengt of de handelingen uitvoert, een melding.
  • 5.
    Ten aanzien van de melding is artikel 3.3.5.4 van toepassing.
3.3.5 Overige bepalingen
Artikel 3.3.5.1 Verbod op winning fossiele energie in intrekgebieden
Het is verboden in een Intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas.
Artikel 3.3.5.2 Relatienotagebieden
Deze paragraaf is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer.
Artikel 3.3.5.3 Beperkingen instructieverplichting
De verplichtingen van artikel 3.3.3.4, eerste lid, en 3.3.4.2, eerste lid, tot het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de omgevingsvergunning voor een inrichting gelden niet:
  • a.
    ten aanzien van een inrichting voor zover voor degene die de inrichting drijft, de in deze artikelen bedoelde voorschriften gelden of aan de vergunning dienen te worden verbonden op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling;
  • b.
    voor een omgevingsvergunning voor een inrichting ten aanzien waarvan de Minister van Infrastructuur en Milieu of de Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.
Artikel 3.3.5.4 Meldingen
  • 1.
    Indien in dit hoofdstuk het doen van een melding is voorgeschreven, wordt de melding schriftelijk gedaan en wordt in de melding aangegeven:
    • a.
      de naam en het adres van degene die de melding doet;
    • b.
      de dagtekening;
    • c.
      een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;
    • d.
      één of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;
    • e.
      op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.
  • 1.
    De melding wordt gedaan uiterlijk negen weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgaan.
  • 2.
    Een melding ingevolge een voorschrift dat aan een omgevingsvergunning voor een inrichting is verbonden, wordt gedaan aan het bevoegd gezag. In andere gevallen wordt de melding gedaan aan Gedeputeerde Staten.
  • 3.
    Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf. Het bevoegd gezag geeft uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.
  • 4.
    De aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden wordt minimaal twee weken voor aanvang schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld.
  • 5.
    Indien niet binnen zes maanden na ontvangst van de melding met de handeling waarop die melding betrekking had, is begonnen, dient opnieuw een melding te worden gedaan.
Artikel 3.3.5.5 Ontheffingen
  • 1.
    Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft noodzakelijk maakt, kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de artikelen 3.3.2.5, eerste lid, onder e, 3.3.3.7, 3.3.3.8, 3.3.3.9, eerste en zevende lid, 3.3.3.13. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
  • 2.
    Ontheffing kan tevens worden verleend van het bepaalde in artikel 3.3.2.5 eerste lid onder b voorzover het geen begraafplaatsen en terreinen voor uitstrooiing van as betreft.
  • 3.
    Ontheffing kan tevens worden verleend van het bepaalde in artikel 3.3.4.1, eerste lid, indien boven het voor de drinkwaterwinning bestemde grondwater een beschermende kleilaag of andere slechtdoorlatende laag is gelegen en die (klei)laag niet wordt doorboord.
  • 4.
    In aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 6.2.1.9 vermeldt de aanvrager in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang als bedoeld in het eerste lid dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.
  • 5.
    Gedeputeerde Staten stellen de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van een aanvraag om ontheffing en over de beschikking die Gedeputeerde Staten voornemens zijn te geven op grond van artikel 6.2.1.4 of 6.2.1.5:
    • a.
      de inspecteur als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
    • b.
      burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente;
    • c.
      het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, en
    • d.
      de betrokken grondwateronttrekker.
Artikel 3.3.5.6 Mogelijkheid tot afwijken van instructies
  • 1.
    Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit noodzakelijk maakt en de verplichting van de artikelen 3.3.3.4, eerste lid, of 3.3.4.2, eerste lid, tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting daaraan in de weg staat, kan het bevoegd gezag van deze verplichting afwijken. Alsdan worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
  • 2.
    Het bevoegd gezag stelt de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid:
    • a.
      de inspecteur als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
    • b.
      burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente;
    • c.
      het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, en
    • d.
      de betrokken grondwateronttrekker.
  • 3.
    4 Bodem
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.4 Bodem
3.4.1 Boringen
Artikel 3.4.1.1 Herstel boorgaten
  • 1.
    Degene die buiten een inrichting een boorgat in de grond maakt dan wel heeft met een diepte van meer dan 2 meter onder het maaiveld brengt bij beëindiging van de werkzaamheden met het oog waarop het gat is geboord de bodem ter plaatse van dat gat terug in de oorspronkelijke toestand en herstelt daarin doorboorde slecht-doorlatende lagen. Indien de oorspronkelijke beschrijving van de bodem en de afstelstaal van de inrichting van het boorgat verloren is gegaan, dient het gehele gat gevuld te worden met zwelklei.
  • 2.
    Aanvullend op het bepaalde in het eerste lid, eerste volzin, geldt voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrijezones dat tevens een zwelkleiafdichting van voldoende dikte wordt aangebracht ter hoogte van de grondwaterspiegel. Deze zwelkleiafdichting bedraagt tenminste twee meter tenzij de grondwaterspiegel hoger ligt dan twee meter.
3.4.2 Bodemsanering
Artikel 3.4.2.1 Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1 saneringsplan
Plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming.
2 evaluatieverslag
Verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming.
3 nazorgplan
Nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming;
Artikel 3.4.2.2 Meldingsformulier
Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken bij Gedeputeerde Staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door of namens Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.
Artikel 3.4.2.3 Besluitvormingsprocedure
  • 1.
    Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en van een beschikking met betrekking tot de instemming met een saneringsplan is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van degene die de melding heeft ingediend besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast.
  • 3.
    Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het tweede lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, zevende lid van de Wet bodembescherming.
Artikel 3.4.2.4 Inhoud saneringsplan
  • 1.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld:
    • a.
      Algemene gegevens
    • i.
      het adres van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de kadastrale gegevens met bijbehorende actuele kadastrale kaart;
    • ii.
      de huidige eigendomssituatie van de percelen die zijn gelegen binnen het geval van verontreiniging en van de percelen die door de sanering zullen worden beïnvloed;
    • iii.
      het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
    • iv.
      de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;
    • v.
      een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in dit schema in ieder geval de periode is aangegeven waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond;
    • vi.
      indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering met verwachte periode van uitvoering per fase, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren;
    • vii.
      indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming: de redenen daarvoor;
    • viii.
      een overzicht van onderzoeksgegevens en onderzoeksrapporten;
    • ix.
      een kaart met daarop aangegeven de contouren van de bodemverontreiniging en de gehalten in grond en grondwater van de saneringsparameters;
    • x.
      een overzichtstabel met de anal yseresultaten in grond en grondwater van alle uitgevoerde onderzoeken;
    • a.
      Keuze saneringsvariant: de argumentatie voor de gekozen saneringsvariant en het saneringsdoel;
    • b.
      De te nemen maatregelen
    • i.
      een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken;
    • ii.
      een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen en de invloed hiervan op de omgeving;
    • iii.
      een beschrijving van maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten of schade als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;
    • iv.
      indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken, de te verwachten hoeveelheid af te graven verontreinigde grond dan wel te onttrekken hoeveelheid verontreinigd grondwater;
    • v.
      gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;
    • vi.
      een weergave van de ontgravingscontour, de ontgravingsdieptes en het grondwateronttrekkingssysteem, inclusief de grondwaterzuiveringsinstallaties:
      • vanuit bovenaanzicht bezien;
      • op een kaart met controlefilters ten behoeve van een eventuele monitoring
    • i.
      een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd;
    • ii.
      een beschrijving van de wijze waarop de controle van het bereikte eindresultaat plaatsvindt;
    • iii.
      indien verontreinigde grond in depot wordt gezet: een beschrijving van de wijze waarop de verschillende categorieën vrijkomende grond in depot worden gezet, alsmede de beschermende voorzieningen.
  • 1.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien:
    • a.
      bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
    • b.
      daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
    • c.
      die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.
Artikel 3.4.2.5 Bijzondere bepalingen voor oppervlaktelichamen
  • 1.
    In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming bevat het saneringsplan de gegevens als bedoeld in artikel 3.4.2.4, eerste lid, alsmede de volgende gegevens:
    • a.
      de naam en de functie van het oppervlaktewaterlichaam;
    • b.
      de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin zich de verontreiniging bevindt – voor zover deze niet zelf met de sanering is belast – bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken;
    • c.
      de te verwachten hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie (waterbodem).
  • 1.
    In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming is artikel 3.4.2.4, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.4.2.6 Meldingsplichten
  • 1.
    Degene die de sanering feitelijk uitvoert of degene die het saneringsplan heeft ingediend waarmee Gedeputeerde Staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij Gedeputeerde Staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering.
  • 2.
    Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan Gedeputeerde Staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.
  • 3.
    Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon Gedeputeerde Staten op de hoogte van het verwachte tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden, zodra hij van dat tijdstip een redelijk vermoeden heeft en voordat tot aanvulling van de ontgraving wordt overgegaan. Bij ontgraving en aanvulling in gedeelten, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte.
  • 4.
    De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering of de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de sanering schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.
  • 5.
    Indien sprake is van een grondsanering of grondwatersanering waarbij door Gedeputeerde Staten is ingestemd met een aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.
Artikel 3.4.2.7 Melding wijziging saneringsplan
Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming worden de volgende gegevens verstrekt:
  • a.
    alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee Gedeputeerde Staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd;
  • b.
    de inhoud van de wijziging;
  • c.
    de reden van de wijziging;
  • d.
    de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.
Artikel 3.4.2.8 Inhoud evaluatieverslag
  • 1.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld:
    • a.
      Algemene gegevens
    • i.
      het adres van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de kadastrale gegevens, met bijbehorende actuele kadastrale kaart, met daarop ingetekend de contour van de uitgevoerde grondsanering, respectievelijk grondwatersanering;
    • ii.
      de huidige eigendomssituatie van de percelen die zijn gelegen binnen het geval van verontreiniging en van de percelen die betrokken waren bij de uitgevoerde sanering;
    • iii.
      het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, almede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
    • iv.
      een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging;
    • a.
      Genomen maatregelen
    • i.
      gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering;
    • ii.
      voor zover sprake is van wijzigingen van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd en die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming: een beschrijving van de uitvoering van de sanering;
    • iii.
      een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd;
    • iv.
      een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de wijze van monstername, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters;
    • v.
      een kaart met daarop de situering van de controlemonsters en de daarbij gemeten gehalten;
    • vi.
      een kaart met daarop de plaats van de monitoringspeilbuizen voor de controle van de grondwatersanering;
    • a.
      Gebruiksbeperkingen en nazorg
    • i.
      indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven: een beschrijving van deze verontreiniging, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming;
    • ii.
      Indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal (bovenaanzicht);
    • iii.
      Indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, van de Wet bodembescherming noodzakelijk zijn (controle van de voorzieningen, monitoring van het grondwater en/of actieve beheersing van de verontreiniging) een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet.
  • 1.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het evaluatieverslag van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien:
    • a.
      bij de indiening van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
    • b.
      daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
    • c.
      die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag.
Artikel 3.4.2.9 Inhoud nazorgplan
  • 1.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld:
    • a.
      Algemene gegevens
    • i.
      het adres van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de kadastrale gegevens, met bijbehorende actuele kadastrale kaart, met daarop ingetekend de contour van de resterende verontreiniging in grond en/of grondwater waarop de nazorg betrekking heeft;
    • ii.
      de huidige eigendomssituatie van de percelen die zijn gelegen binnen het geval van verontreiniging en van de percelen die betrokken zijn bij de uitvoering van het nazorgplan;
    • iii.
      het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
    • iv.
      een overzicht van bij de nazorg betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval behoren: naam- en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden;
    • v.
      indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt.
    • a.
      Aanvangssituatie
    • i.
      een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging;
    • ii.
      een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater;
    • iii.
      indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de aard van deze voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorzieningen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht);
    • iv.
      indien de restverontreiniging wordt gemonitoord: een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht);
    • v.
      een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en haar omgeving, waaronder in ieder geval: de bodemopbouw, de relevante geohydrologie, de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving en een kaart met daarop aangegeven het grondgebied dat nu en in de toekomst mogelijk door de verontreiniging wordt beïnvloed;
    • a.
      Gebruiksbeperkingen: indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal (bovenaanzicht).
    • b.
      Nazorgmaatregelen:
    • i.
      de doelstelling van de nazorg;
    • ii.
      een beschrijving van de nazorgmaatregelen en de nazorgvoorzieningen, alsmede de verwachte levensduur daarvan;
    • iii.
      indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorzieningen worden beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorzieningen en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, en de wijze waarop gehandeld wordt als de voorzieningen niet naar behoren functioneren;
    • iv.
      indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitord, hoe de resultaten worden geïnterpreteerd, de wijze waarop de monitoringsinstrumenten worden beheerd en onderhouden en hoe gehandeld wordt ls de doelstelling van de nazorg niet wordt bereikt;
    • v.
      een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten;
    • a.
      Rapportage en evaluatie;
    • i.
      de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan;
    • a.
      Financiële aspecten;
    • i.
      een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.
  • 1.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het nazorgplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien:
    • a.
      bij de indiening van het nazorgplan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
    • b.
      daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
    • c.
      die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.
Artikel 3.4.2.10 Sanering door provincie
  • 1.
    Voordat Gedeputeerde Staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast.
  • 2.
    Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan is de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
  • 3.
    Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast.
  • 4.
    Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, doen zij hiervan mededeling overeenkomstig hetgeen bepaald in artikel 3.4.2.3, derde lid.
  • 5.
    Nadat Gedeputeerde Staten de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming van een geval van ernstige verontreiniging hebben uitgevoerd, stellen zij een evaluatieverslag vast.
  • 6.
    Indien na de uitvoering van de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het evaluatieverslag, bedoeld in het vijfde lid, is aangegeven dat maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, van de Wet bodembescherming noodzakelijk zijn, stellen Gedeputeerde Staten een nazorgplan vast.
  • 7.
    Met betrekking tot de inhoud van het saneringsplan, respectievelijk het evaluatieverslag en het nazorgplan zijn de artikelen 39, eerste lid, respectievelijk 39c, eerste lid en 39d, tweede lid, van de Wet bodembescherming en de artikelen 3.4.2.4 respectievelijk 3.4.2.8 en 3.4.2.9 van overeenkomstige toepassing.
3.4.3 Ontgrondingen
Artikel 3.4.3.1 Vrijstellingen
  • 1.
    Geen vergunning is vereist voor:
    • a.
      ontgrondingen van ten hoogste 3 meter diep met een oppervlakte van maximaal
      3.000 m² en een volume van ten hoogste 3.000 m³;
    • b.
      ontgrondingen van ten hoogste 3 meter diep die noodzakelijk zijn ter realisering
      van het geldende bestemmingsplan, inpassingsplan of ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening;
    • c.
      het aanleggen, verwijderen of wijzigen van openbare wegen, spoorwegen, pleinen, parken, plantsoenen, tuinen, sport-, woningbouw-, parkeer-, speel,- vlieg en industrieterreinen, mits alleen de grondlagen tot 3 meter onder het oorspronkelijke niveau aangetast worden;
    • d.
      ontgrondingen gebruikelijk in de normale uitoefening van het landbouw, - tuinbouw,- en bosbouwbedrijf;
    • e.
      ontgrondingen ten behoeve van het realiseren of wijzigen van natuurbouwprojecten van ten hoogste 0,50 meter diep;
    • f.
      het aanleggen, verzwaren en verwijderen van waterkeringen en de daarvoor noodzakelijke voorlandverbetering met uitzondering van dijken die geen waterkerende functie meer hebben;
    • g.
      het aanleggen of verbreden van watergangen ten behoeve van de verbetering van de waterhuishouding van ten hoogste 3 meter diep waarbij bij aanleg en bij verbreding de bovenbreedte ten hoogste 10 meter bedraagt;
    • h.
      de aanleg van natuurvriendelijke oevers mits deze beperkt blijft tot een strook van ten hoogste 10 meter voor iedere oever uit de insteek van de watergang;
    • i.
      het afgraven van depots van bodemmateriaal, tenzij die langer dan 10 jaar geleden zijn gebruikt voor het deponeren of het verkrijgen van bodemmateriaal;
    • j.
      het doen van archeologische opgravingen door een daartoe bevoegde instantie.
    • k.
      het aanleggen, verwijderen of wijzigen van buisleidingen, kabels, funderingen en bouwwerken.
  • 1.
    In de in het eerste lid aanhef, en onder a, b en g genoemde gevallen is het toegestaan ten behoeve van het aanbrengen van een afdichtende kleilaag te ontgronden tot 4,5 meter diep waarbij het uiteindelijke opleveringspeil ten hoogste 3 meter beneden het maaiveld ligt.
Artikel 3.4.3.2 Geen vrijstellingen
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.3.1 is wel een vergunning vereist voor ontgrondingen die primair plaatsvinden ter verkrijging van bodemmateriaal.
Artikel 3.4.3.3 Meldingsplicht
Ontgrondingen die op grond van artikel 3.4.3.1, eerste lid, onder a, b, e, g en h van deze paragraaf zijn vrijgesteld van een vergunningplicht, en waarvan de omvang 1.000 m³ of meer is, moeten worden gemeld aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.4.3.4 Wijze van melden
  • 1.
    De melding wordt gedaan via een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld meldingsformulier.
  • 2.
    De melding wordt uiterlijk 2 weken voorafgaand aan de aanvang van de voorgenomen ontgronding ingediend bij Gedeputeerde Staten.
  • 3.
    Een melding is 2 jaar geldig. Als de werkzaamheden niet binnen 2 jaar uitgevoerd zijn moet opnieuw worden gemeld.
Artikel 3.4.3.5 Vergunning aanvraag
De aanvraag tot verlening van een vergunning wordt in tweevoud gedaan via een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld aanvraagformulier.
Artikel 3.4.3.6
  • 1.
    Een verzoek tot wijziging van een vergunning wordt in tweevoud ingediend.
  • 2.
    Bij het verzoek tot wijziging of intrekking van een vergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
    • a.
      het kenmerknummer van de door Gedeputeerde Staten verleende vergunning of, indien niet beschikbaar een aanduiding van de gemeente waarin de ontgronding plaatsvindt, de vergunninghouder en het karakter van de ontgronding;
    • b.
      indien het een verzoek tot wijziging betreft: een aanduiding van de te wijzigen
      vergunningvoorschriften.
Artikel 3.4.3.7
Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag buiten behandeling laten indien de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden onroerende zaken waarvoor hij vergunning aanvraagt, en niet de schriftelijke toestemming tot ontgronden van de eigenaar heeft overgelegd.
Artikel 3.4.3.8
  • 1.
    Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van een beschikking.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten kunnen andere adviseurs aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking.
Artikel 3.4.3.9 Procedure voor ontgrondingen van eenvoudige aard
  • 1.
    Op aanvragen om verlening of intrekking van een vergunning voor ontgrondingen van eenvoudige aard of verzoeken voor niet ingrijpende wijzigingen, beslissen Gedeputeerde Staten binnen 13 weken na ontvangst zonder toepassing van artikel 10, eerste en tweede lid van de Ontgrondingenwet.
  • 2.
    Van de beschikkingen tot verlening, weigering, wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan. Kennisgeving blijft achterwege indien andere belangen dan die van de aanvrager of verzoeker niet betrokken zijn.
  • 3.
    5 Geluidhinder
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.5 Geluidhinder
Artikel 3.5.1 Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
  • a.
    toestel en motorvoertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
  • b.
    openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip “wegen”, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers;
  • c.
    geluidsapparaat: een apparaat, bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid;
  • d.
    bromfiets: een bromfiets in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
  • e.
    kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
Artikel 3.5.2 Aanwijzing gebieden
  • 1.
    De gebieden waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder betreffen het als stiltegebied aangeduide gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Water en Milieu.
  • 2.
    Gedeputeerde staten kunnen een op de aangegeven grens nader bepalen.
  • 3.
    Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de in het eerste lid aangewezen gebieden als zodanig goed zichtbaar zijn aangeduid door middel van borden, volgens het model in Bijlage 8 Bord Stiltegebied
  • 4.
    De in het derde lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.
Artikel 3.5.3 Toepassingsbereik
  • 1.
    In een gebied dat in artikel 3.5.2 aangewezen, gelden de in de artikel 3.5.4 tot en met 3.5.5 omschreven regels.
  • 2.
    Het eerste lid is niet van toepassing op:
    a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet;
    b. handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.
Artikel 3.5.4 Toestellen
  • 1.
    Het is verboden een toestel te gebruiken waardoor het ervaren van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.
  • 2.
    Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval:
    a. airgun- en andere knalapparatuur;
    b. een omroepinstallatie, sirene, hoorn of een ander daarmee vergelijkbaar toestel, bestemd om een geluid te versterken of voort te brengen;
    c. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door eenverbrandingsmotor;
    d. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;
    e. een jet-ski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor.
Artikel 3.5.5 Terreinrijden
Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer open staande wegen of terreinen.
Artikel 3.5.6 Uitzonderingsbepalingen
  • 1.
    De verboden in de artikelen 3.5.4 en 3.5.5 zijn niet van toepassing op toestellen dan wel motorvoertuigen die gebruikt worden:
    • a.
      in het kader van de bedrijfsmatige land-, tuin- en bosbouw, jacht en visserij;
    • b.
      voor normaal onderhoud en beheer, ter verwezenlijking van een bestemmings- of landinrichtingsplan of ter effectuering van een vergunning of machtiging verleend op basis van de Woningwet of Ontgrondingenwet;
    • c.
      in het kader van het normale wonen en voor de uitoefening van een aan huis gebonden ambacht of beroep;
    • d.
      in een beschermd natuurmonument, voorzover het handelingen betreft die ingevolge artikel 12 van de Natuurbeschermingswet zijn toegestaan;
    • e.
      op kampeerterreinen in de zin van artikel 1 van de Wet op de openluchtrecreatie.
  • 1.
    Het verbod in artikel 3.5.5 is niet van toepassing op het gebruik van motoren in of aan vaartuigen voorzover deze motoren dienen en feitelijk gebruikt worden voor de normale voortstuwing van vaartuigen tot een snelheid van ten hoogste 8 kilometer per uur.
  • 3.
    6 Vergoeding van kosten en schade
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.6 Vergoeding van kosten en schade.
Artikel 3.6.1 Werkingssfeer
Deze titel is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 van de Wet Milieubeheer met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van de artikelen 3.1.1 tot en met 3.4.2.10 van dit hoofdstuk.
Artikel 3.6.2 Inhoud aanvraag
De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens:
  • a.
    de bepalingen bedoeld in artikel 3.6.1 door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;
  • b.
    de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade;
  • c.
    de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.
Artikel 3.6.3 Deskundigen advies en betrokkenheid grondwateronttrekker
  • 1.
    Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 3.6.1
  • 2.
    Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.
  • 3.
    Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken, voor zover deze deskundigen zijn aangewezen.
  • 4.
    Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van Titel 3.3 van deze verordening en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.
  • 5.
    De deskundigen brengen advies uit inzake:
    • a.
      de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen bedoeld in artikel 3.6.1;
    • b.
      de omvang van de kosten dan wel de schade;
    • c.
      de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;
    • d.
      de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;
    • e.
      de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;
    • f.
      de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
  • 1.
    De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in artikel 3.6.3, vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.
Artikel 3.6.4 Betrokkenheid grondwateronttrekker indien geen deskundigenadvies
Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 3.6.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van Titel 3.3 toekennen.
Artikel 3.6.5 Inhoud verzoek van ander bestuursorgaan
  • 1.
    Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud als instructie is aangegeven in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning, onderdeel D Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren in milieubeschermingsgebieden, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:
    • a.
      indien het bevoegd gezag een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken;
    • b.
      indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;
    • c.
      indien het bevoegd gezag een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;
    • d.
      het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bevoegd gezag de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.
  • 1.
    Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de betrokken grondwaterontrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van het verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.6.3 tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.
Hoofdstuk 4 Water
4.1 Algemeen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 4.1 Algemeen.
Artikel 4.1.1 Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1 Dagelijkse besturen
Colleges van dijkgraaf en heemraden van de waterschappen Vallei en Veluwe, Rijn en IJssel en Rivierenland.
2 Minimaal benodigde vaarwegdiepte
De vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling.
3 Minister
Minister van Infrastructuur en Milieu.
4 Pompcapaciteit
Maximum wateropbrengend vermogen van een onttrekkingsinrichting in kubieke meters per uur.
5 Regionaal waterplan
Plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet.
6 Schip
Schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet.
7 Vaarweg
Elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B in bijlage 1 Lijst met vaarwegen.
8 Vaarwegbeheer
Overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken.
9 Vaarwegbeheerder
Bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B in bijlage 1 Lijst met vaarwegen.
10 Vaarwegprofiel
Voor een vlotte en veilige scheepvaart minimaal noodzakelijke breedte en diepte van de vaarweg.
11 Vaarwegenlijst A
Lijst met vaarwegen in beheer bij de provincie zoals opgenomen in de bij deze verordening behorende bijlage 1 Lijst met vaarwegen, onder Lijst A.
12 Vaarwegenlijst B
Lijst met binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd, en onder toezicht van de prvovincie, zoals opgenomen in de bij deze verordening behorende bijlage 1 Lijst met vaarwegen, onder Lijst B.
4.2 Vaarwegen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 4.2 Vaarwegen.
4.2.1 Toedeling (vaarweg)beheer
Artikel 4.2.1.1 Toedeling (vaarweg)beheer
  • 1.
    Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het reglement van het betreffende waterschap.
  • 2.
    Op de bij deze verordening behorende Vaarwegenlijst B is aangegeven welk overheidslichaam is belast met het vaarwegbeheer van regionale wateren.
4.2.2 Gebruik en instandhouding vaarwegen
Artikel 4.2.2.1 Werkingssfeer
Deze titel en de daarop berustende bepalingen zijn, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, van toepassing op de vaarwegen die zijn opgenomen in Vaarwegenlijst A en Vaarwegenlijst B en de bijbehorende werken.
Artikel 4.2.2.2 Vaarwegprofiel
  • 1.
    Gedeputeerde Staten stellen de vaarwegprofielen vast van de vaarwegen die zijn opgenomen in Vaarwegenlijst A en Vaarwegenlijst B. Zij nemen daarbij de Richtlijnen Vaarwegen RVW 2011 als uitgangspunt, tenzij dit vanwege de plaatselijke situatie niet mogelijk is.
  • 2.
    Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 4.2.2.3 Vaarwegonderhoud
  • 1.
    De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de vaarwegprofielen, vastgesteld krachtens artikel 4.2.2.2.
  • 2.
    Het onderhoud, bedoeld in het eerste lid, omvat in elk geval:
    • a.
      het houden of brengen van de vaarweg op de vastgestelde afmetingen;
    • b.
      het in goede staat houden of brengen van de oevers, oevervoorzieningen en kunstwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijven;
    • c.
      het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten, voorzover dit voor de bruikbaarheid van de vaarweg noodzakelijk is. De vaarwegbeheerder van een op de Vaarwegenlijst B voorkomende vaarweg rapporteert Gedeputeerde Staten elke vijf jaar over de staat van onderhoud van de vaarweg. Indien gebreken worden geconstateerd wordt aangegeven hoe deze zullen worden opgeheven.
Artikel 4.2.2.4 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer
De vaarwegbeheerder zendt een afschrift van het besluit tot het blijvend onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg of een gedeelte daarvan zoals opgenomen in de Vaarwegenlijst B voor alle schepen aan Gedeputeerde Staten.
4.3 Regionaal waterplan
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 4.3 Regionaal waterplan.
Artikel 4.3.1 Procedure
  • 1.
    Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van de vaststelling van het regionaal waterplan, ten minste overleg met de dagelijkse besturen, de hoofd-ingenieur directeuren van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van de vaststelling van het regionaal waterplan de Minister, Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en, met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende watersystemen, de ten aanzien van die watersystemen bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
  • 3.
    Op de voorbereiding van de vaststelling van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat naast de belanghebbenden ook de ingezetenen van de provincie de gelegenheid hebben hun zienswijze op het regionaal waterplan naar voren te brengen.
  • 4.
    Gedeputeerde Staten sturen het vastgestelde regionale waterplan aan de in het eerste en tweede lid genoemde bestuursorganen.
Artikel 4.3.2 Uitwerking
  • 1.
    In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.
  • 2.
    Het uitwerkingsbesluit van Gedeputeerde Staten maakt deel uit van het regionaal waterplan.
  • 3.
    Artikel 4.3.1 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit. 
  • 4.
    4 Handelingen in watersystemen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 4.4 Handelingen in watersystemen.
Artikel 4.4.1 Grondwaterregister
Gedeputeerde Staten houden een grondwaterregister bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.
Artikel 4.4.2 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
  • 1.
    Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het grondwaterregister inschrijven.
  • 2.
    Indien de ambtshalve inschrijving in het grondwaterregister plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.
Hoofdstuk 5 Verkeer
5.1 Wegen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 5.1 Wegen
5.1.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.1.1.1 Toepasselijkheid
  • 1.
    Deze titel is van toepassing op wegen die ingevolge de Wegenwet in beheer en onderhoud zijn bij de provincie.
  • 2.
    Voor de toepassing van deze titel behoren tot de weg:
    • a.
      de rijbanen, (brom)fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- en (bus)halteplaatsen, vlucht en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen en bermsloten;
    • b.
      de zich daaronder, daarin, daarop en daarboven bevindende werken zoals verkeersregelinstallaties, kunstwerken, duikers, kabels en leidingen, beplantingen, bebakeningen, wegverlichting en alle op enigerlei wijze met de weg verbonden voorzieningen.
Artikel 5.1.1.2 Bescherming
Deze titel stelt regels voor wegen ter bescherming van de bruikbaarheid en instandhouding van de bij de provincie in beheer zijnde wegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die wegen.
5.1.2 Onderhoud van en werkzaamheden aan wegen
Artikel 5.1.2.1 Onderhoud van wegen
  • 1.
    Tenzij krachtens wet of overeenkomst een andere regeling geldt, berust de verplichting tot onderhoud van de weg bij Gedeputeerde Staten.
  • 2.
    Het onderhoud van de weg omvat alle werkzaamheden die nodig zijn voor de instandhouding van de weg zodat deze voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs te stellen zijn en een veilig gebruik ervan door het verkeer is gewaarborgd.
Artikel 5.1.2.2 Werkzaamheden aan wegen
  • 1.
    Het is verboden zonder vergunning:
    • a.
      een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen;
    • b.
      kabels of leidingen, niet zijnde kabels ten behoeve van telecommunicatie als bedoeld in de Telecommunicatiewet, te leggen, verleggen of in stand te houden;
    • c.
      andere werkzaamheden te verrichten dan bedoeld onder sub a en b op, aan, in, onder of boven de weg, waarbij de verharding van de weg veranderd wordt of anderszins wijzigingen aan te brengen op, aan, in, onder of boven de weg.
  • 1.
    Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen van uitwegen dat geschiedt door of namens de provincie.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels de criteria voor het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.
5.1.3 Gebruik van de weg
Artikel 5.1.3.1 Gebruik van de weg
  • 1.
    Het is verboden zonder vergunning:
    • a.
      de weg anders te gebruiken dan voor verkeersdoeleinden, zonder dat daarbij wijzigingen worden aangebracht op, aan, in, onder of boven de weg;
    • b.
      handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats;
    • c.
      op de weg roerende zaken op te slaan;
    • d.
      de weg anders dan onder sub a tot en met c te gebruiken voor het storten, plaatsen, aanbrengen of hebben van voorwerpen en stoffen.
  • 1.
    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
    • a.
      de provincie bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;
    • b.
      voorwerpen en stoffen waarop gedachten of gevoelens geopenbaard worden zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, mits deze voorwerpen of stoffen qua omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging geen schade, gevaar of hinder toebrengen aan de weg of anderszins de belangen beschadigen die deze verordening beschermt;
    • c.
      borden of andere aanduidingen binnen de bebouwde kom, voor zover deze zijn bevestigd aan de gevels van de langs de weg gelegen bouwwerken op een hoogte van ten minste 2,20 meter en niet meer dan 1 meter uit de gevel reiken;
    • d.
      voorwerpen en stoffen die kortstondig op de weg aanwezig zijn in verband met laad- en loswerkzaamheden, mits deze voorwerpen of stoffen niet schadelijk, gevaarlijk of hinderlijk zijn of anderszins de belangen beschadigen die deze verordening beschermt;
    • e.
      voor zover toestemming is verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de wegenverkeerswetgeving of artikel 5.1.2.2 van deze verordening.
  • 1.
    Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels de criteria voor het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.
Artikel 5.1.3.2 Uitwerking op de weg
  • 1.
    Het is verboden zonder vergunning de in artikel 5.1.3.1, eerste lid, genoemde handelingen te verrichten buiten de weg indien daardoor schade, hinder of overlast wordt toegebracht aan en op de weg of daardoor de belangen die deze verordening beschermt in het geding zijn of komen.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels de criteria voor het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.
5.1.4 Vergunningen
Artikel 5.1.4.1 Aanvraag
  • 1.
    Een vergunning wordt op aanvraag verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze titel en de vergunning niet in strijd is met de belangen die deze titel beoogt te beschermen.
  • 2.
    Een vergunning op grond van deze titel, als bedoeld in:
    • a.
      artikel 5.1.2.2, eerste lid, onder a;
    • b.
      artikel 5.1.3.1, eerste lid, onderdeel b, voor zover de handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd op of aan een onroerende zaak;
    • c.
      artikel 5.1.3.1, eerste lid, onderdeel c, wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de betreffende handelingen plaatsvinden, tenzij op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.
  • 1.
    Behoudens het bepaalde in het tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten vergunning verlenen als bedoeld in deze titel.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten stellen nadere regels inzake de bij de aanvraag van de in derde lid bedoelde vergunningen over te leggen gegevens en bescheiden.
  • 3.
    Voor de verlening van de vergunningen bedoeld in het tweede lid, zijn Gedeputeerde Staten het aangewezen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2.26, derde lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 5.1.4.2 Voorschriften en beperkingen
Aan een krachtens deze titel verleende vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de belangen die deze titel beschermt.
Artikel 5.1.4.3 Intrekking of wijziging van vergunningen
  • 1.
    Een vergunning als bedoeld in artikel 5.1.4.1, tweede lid, kan worden ingetrokken of gewijzigd:
    • a.
      indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
    • b.
      indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
  • 1.
    Een vergunning als bedoeld in artikel 5.1.4.1, derde lid, kan worden ingetrokken of gewijzigd:
    • a.
      indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
    • b.
      indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
    • c.
      indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een termijn van twaalf maanden;
    • d.
      indien de houder van de vergunning dit verzoekt.
  • 5.
    2 Vervoer gevaarlijke stoffen
Artikel 5.2.1
Als provinciaal net van wegen bedoeld in artikel 16 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen worden aangewezen alle provinciale wegen in de provincie Gelderland, met uitzondering van de in bijlage 6 Lijst niet aangewezen provinciale wegen of gedeelten daarvan genoemde wegen.
5.3 Luchtvaartregeling
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 5.2 Luchtvaart.
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.1.1 Begripsbepalingen
In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:
1.Daglichtperiode
Het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau.
1.Exploitant
De houder van een luchthavenregeling.
1.Gebruiker
Een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert.
1.Luchthaven
Een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart.
1.Modelvliegtuig
Een luchtvaartuig van geringe afmeting, waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kilogram bedraagt.
1.Motorvliegtuig
Klein vliegtuig dat wordt voortbewogen door een motor.
1.Motorzweefvliegtuig
Vliegtuig dat bij uitgeschakelde motor de eigenschappen heeft van eenzweefvliegtuig.
1.Schermvliegtuig
Zweeftoestel zonder starre hoofdstructuur dat kan worden gedragen en slechts gestart en geland kan worden door gebruik te maken van de benen van de bestuurder.
1.Schermzweeftoestel
Ongemotoriseerd schermvliegtuig.
1.TMG (Touring Motor Glider)
Motorzweefvliegtuig met een integraal gemonteerde niet intrekbare motor en een niet intrekbare propeller, dat in staat is om op eigen kracht op te stijgen en te klimmen.
1.Vliegbeweging
Een start of landing met een luchtvaartuig.
1.Zweeftoestel
Luchtvaartuig, niet zijnde TMG, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door aerodynamische reactiekrachten en waarvan de vrije vlucht niet afhankelijk is van een motor.
1.Zweefvliegtuig
Zweeftoestel met een vaste vleugel.
Artikel 5.3.1.2 Meteorologische omstandigheden
Het gebruik of doen gebruiken van de luchthaven is alleen toegestaan in Visual Meteorological Conditions.
Artikel 5.3.1.3. Tijden, dagen waarop gevlogen mag worden
De inrichting mag slechts in werking zijn gedurende de daglichtperiode.
Artikel 5.3.1.4 Gebruiksjaar
Het gebruiksjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 5.3.1.5 Logboek
De exploitant houdt een logboek bij waarin zijn opgenomen de aantallen vluchten, het baangebruik, het soort luchtvaartuigen en de bijbehorende data en tijdstippen.
Artikel 5.3.1.6 Jaarlijkse rapportage
Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant een rapportage aan het bevoegd gezag over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De inhoud van de rapportage bevat in ieder geval de in artikel 5.3.1.5 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten gesteld in de Regeling Burgerluchthavens.
5.3.2 Luchthaven Ziekenhuis Rivierenland te Tiel
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.2.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door Ziekenhuis Rivierenland.
Artikel 5.3.2.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de President Kennedylaan 1, 4002 WP Tiel; kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie H, nummer 1624; geografische aanduiding 51.53'21”N – 005.24'49”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 9 .
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.2.3. Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door een helikopter van het type Lifeliner 3 of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk is aan of minder is dan de Lifeliner 3.
Artikel 5.3.2.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 100 vliegbewegingen plaatsvinden.
5.3.3 Luchthaven Wide Angle Management B.V. te Lunteren
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.3.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door Wide Angle Management B.V.
Artikel 5.3.3.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Mijllerweg 13 6741 JV te Lunteren; kadastraal bekend gemeente Lunteren, sectie G nummer 1024; geografische aanduiding 52°07'04,88”N en 005°36'50,04”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 10.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestandNL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.3.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door een helikopter van het type Robinson R44 of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk is aan of minder is dan de Robinson R44.
Artikel 5.3.3.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 416 vliegbewegingen plaatsvinden met een maximum van 8 vliegbewegingen per week.
5.3.4 Luchthaven Gidding Holding B.V. te Kootwijkerbroek
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.4.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd door Gidding Holding B.V., beheerder de heer De Lange.
Artikel 5.3.4.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Kootwijkerbroekerweg 55, 3774 BT Kootwijkerbroek; kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie H, nummer 2348; geografische aanduiding 52.10'25.58”N – 005.41'08.62”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 11.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.4.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door een helikopter van het type Robinson 22 en 44 of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk is aan of minder is dan de Robinson 22 en 44.
Artikel 5.3.4.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 208 vliegbewegingen plaatsvinden met een maximum van 4 vliegbewegingen per week.
5.3.5 Luchthaven Terlet te Arnhem
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.5.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de Stichting Nationaal Zweefvliegcentrum Terlet (SNZT).
Artikel 5.3.5.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Apeldoornseweg 203, 6816 SM te Arnhem, kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie A, nummers 1631, 1641, 1706 en 1707; geografische aanduiding 51°56'9”N en 5°52'19”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 12.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.5.3 Typen luchtvaartuigen
  • 1.
    Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door (motor)zweefvliegtuigen, motorvliegtuigen, modelvliegtuigen en schermzweeftoestellen.
  • 2.
    De begrenzing van het terrrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in bijlage 13.
  • 3.
    Het gebruik door schermzweeftoestellen is toegestaan onder de voorwaarde dat schermzweven slechts wordt beoefend indien geen andere vliegactiviteiten op de luchthaven plaatsvinden.
Artikel 5.3.5.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 19000 gemotoriseerde vliegbewegingen plaatsvinden.
5.3.6 Luchthaven Bos te Lunteren
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.6.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de heer E.J. Bos.
Artikel 5.3.6.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Wouterseweg te Ede; kadastraal bekend gemeente Ede, sectie I, nummer 6540; geografische aanduiding 52°3'46”N en 5°38'45”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 13.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.6.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door gemotoriseerde schermvliegtuigen met hulpmotor (motorvliegtuigen van de klasse micro light airplanes), met een Nederlandse registratie die voldoen aan de voorschriften uit de Regeling MLA's.
Artikel 5.3.6.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 50 vliegbewegingen plaatsvinden, op ten hoogste vijfentwintig, niet aaneengesloten dagen met een maximum van 15 dagen per maand.
5.3.7 Luchthaven Markerink te Eibergen
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.7.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de heer M. Markerink.
Artikel 5.3.7.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Borculoseweg 58 te Eibergen; kadastraal bekend gemeente Eibergen, sectie AA, nummer 280 G; geografische aanduiding 52°6'30,581”N en 006°37'13,917"E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 14.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.7.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door de paramotortrike Fresh Breez Simo of een gelijkwaardig type.
Artikel 5.3.7.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 100 vliegbewegingen plaatsvinden met een maximum van vijfentwintig, niet-aaneengesloten dagen per jaar met een maximum van 3 dagen per maand.
5.3.8 Luchthaven UMC St Radboud te Nijmegen
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.8.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door UMC St Radboud.
Artikel 5.3.8.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op de helihaven gelegen aan het Geert Grooteplein 10 te Nijmegen; kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie B, nummers 4307 (gedeeltelijk), 4016, 4013, 4486 (gedeeltelijk), 4030 (gedeeltelijk) en 4069 (gedeeltelijk); geografische aanduiding 51°49'29”N en 5°51'44”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 15.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.8.3 Baan-aanduiding
  • 1.
    De baan betreft een terrein met afmetingen van 22 x 22 meter.
  • 2.
    De baan is gelegen op een hoogte van 30 meter.
Artikel 5.3.8.4 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de wet en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door de Eurocopter EC135 (lifeliner) of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk of minder is dan voorgenoemde helikopter.
Artikel 5.3.8.5 Aantal vliegbewegingen
Per dag mogen maximaal 10 vliegbewegingen plaatsvinden met een maximum van 15 vliegbewegingen per week.
Artikel 5.3.8.6 Tijden, dagen waarop gevlogen mag worden
In afwijking van artikel 5.3.1.3 mag de luchthaven 24 uur per dag inwerking zijn.
5.3.9 Luchthaven Vonk te Winssen
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.9.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de heer H.J. Vonk.
Artikel 5.3.9.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op de helihaven gelegen aan de Betenlaan 3 te Winssen; kadastraal bekend gemeente Ewijk, sectie F, nummer 543; geografische aanduiding 51°52'5”N en 5°41'52”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 16.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.9.3 Baan-aanduiding
  • 1.
    De baan betreft een terrein met afmetingen van 24 x 24 meter, inclusief de veiligheidsstrook.
  • 2.
    De baan is niet verhoogd aangelegd.
Artikel 5.3.9.4 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door de Robinson R44, Schweizer 300c of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk of minder is dan voorgenoemde helikopters.
Artikel 5.3.9.5 Aantal vliegbewegingen
Per week mogen maximaal 6 vliegbewegingen plaatsvinden.
5.3.10 Luchthaven Wikselaar Satellite te Harskamp
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3 10.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door Wikselaar Satellite Trading B.V., eigenaar de heer D. van Wikselaar.
Artikel 5.3.10.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op de helihaven gelegen aan de Kraaikamperweg 8 te Harskamp; kadastraal bekend gemeente Otterlo, sectie A, nummer 1757; geografische aanduiding 52°08'24”N en 005°44'59”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 17.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.10.3 Baan-aanduiding
  • 1.
    De baan betreft een terrein met afmetingen van minimaal 18 x 18 meter, waarvan 12 x 12 meter verhard is aangelegd.
  • 2.
    De baan is niet verhoogd aangelegd.
Artikel 5.3.10.4 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door de Robinson R22, Robinson R44 Raven 2 of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk of minder is dan voorgenoemde helikopters.
Artikel 5.3.10.5 Aantal vliegbewegingen
Per week mogen maximaal 4 vliegbewegingen plaatsvinden. Per gebruiksjaar mogen maximaal 100 vliegbewegingen plaatsvinden.
5.3.11 Luchthaven M.E.C. Jansen te Lunteren
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.11.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd door/beheerd door de heer M.E.C. Jansen.
Artikel 5.3.11.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Postweg te Lunteren; kadastraal bekend gemeente Lunteren, sectie E, nummer 1172; geografische aanduiding 52°06'08,398”N en 005°33'41,201”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 18.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.11.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door snorvliegtuigen, ofwel schermvliegtuigen met hulpmotor.
Artikel 5.3.11.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 50 vliegbewegingen plaatsvinden met een maximum van 3 dagen per maand op niet-aaneengesloten dagen.
5.3.12 Luchthaven ULV-terrein Stakenborgweg te Voorst
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.12.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd door en beheerd door de heer G.J.W.M. van Uum.
Artikel 5.3.12.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Stakenborgweg te Voorst; kadastraal bekend gemeente Oude IJsselstreek, sectie O, nummer 448; geografische aanduiding 51° 52'43”N en 006° 25'00”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 19 .
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.12.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door Ultra Light Vehicles met een maximum gewicht van 450kg.
Artikel 5.3.12.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 100 vliegbewegingen plaatsvinden voor eigen gebruik, op ten hoogste 25, niet aaneengesloten dagen met een maximum van 3 dagen per maand.
5.3.13 Luchthaven Jules Verne te Arnhem
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.13.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de heer D. Oostland.
Artikel 5.3.13.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op het schip Jules Verne gelegen aan de Rijnkade 26 te Arnhem; geografische aanduiding 51°58'46 “N en 5°54'12”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 20.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.13.3 Baan-aanduiding
  • 1.
    De baan, gelegen op een schip, betreft een terrein met afmetingen van 9 x 9 meter.
  • 2.
    De baan is gelegen op 7 meter hoogte boven de waterlijn.
Artikel 5.3.13.4 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend
gebruikt worden door helikopters met een startgewicht tot 1.200 kg, zoals het type Robinson 22 en 44 of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk of minder is dan voorgenoemde helikopters.
Artikel 5.3.13.5 Aantal vliegbewegingen
Per dag mogen maximaal 3 vliegbewegingen plaatsvinden.
5.3.14 Luchthaven Tuitel te Terwolde
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.14.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de heer A. Tuitel.
Artikel 5.3.14.2 Locatieaanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Wellinkhofweg ongenummerd te Terwolde; kadastraal bekend gemeente Voorst, sectie O, nummer 354; geografische aanduiding 52°15'30"N en 6°5'33"E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 21.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.14.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door gemotoriseerde schermvliegtuigen met hulpmotor.
Artikel 5.3.14.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 100 vliegbewegingen plaatsvinden, op ten hoogste vijfentwintig, niet aaneengesloten dagen met een maximum van 3 dagen per maand.
5.3.15 Luchthaven Cattlefarm Aero Service te Asperen
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.15.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd door en beheerd door Cattlefarm Aero Service, eigenaar de heer H. Sprong.
Artikel 5.3.15.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Heukelumseweg 5, 4147 EW te Asperen; kadastraal bekend gemeente Asperen, sectie A, nummer 1735; geografische aanduiding 51°52'26.79"N en 005°5'49.38"E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 22.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.15.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door de paramotortrike FlyProduct Xenit of een gelijkwaardig type.
Artikel 5.3.15.4 Aantal vliegbewegingen
Per gebruiksjaar mogen maximaal 100 vliegbewegingen plaatsvinden.
5.3.16 Luchthaven Maldens Vlak te Malden
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.16.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd door/ beheerd door Stichting zweefvliegveld Maldens Vlak (voorheen Nijmeegse Aeroclub, NIJAC).
Artikel 5.3.16.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Groesbeekseweg 55a, 6581 BJ te Malden. Het luchthaven referentiepunt van het terrein is vastgesteld op 51 47'09”N 005 52'48”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 23.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.16.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet Luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door zweeftoestellen, (motor)zweefvliegtuigen, één Touring Motor Glider (type Grob 109 of een vervangend toestel) en luchtballonnen.
Artikel 5.3.16.4 Aantal vliegbewegingen
Het aantal vliegbewegingen met zweeftoestellen en (motor)zweefvliegtuigen bedraagt maximaal 5.500 starts (= 11.000 vliegbewegingen) per gebruiksjaar, waarvan het aantal starts met een werkende motor (zogenaamde zelfstarters) wordt beperkt tot enkele tientallen per gebruiksjaar. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de TMG en luchtballonnen.
5.3.17 Luchthaven Swets te Empe
5.3.1 Algemene bepalingen luchthavenregeling
Artikel 5.3.17.1 Exploitant
De luchthaven wordt geëxploiteerd en beheerd door de heer R.P. Swets.
Artikel 5.3.17.2 Locatie-aanduiding
  • 1.
    Deze paragraaf is van toepassing op een terrein gelegen aan de Plagweg te Empe, gemeente Brummen; kadastraal bekend gemeente Brummen, sectie K, nummer 129; geografische aanduiding 52°08'33”N en 006°06'20”E.
  • 2.
    De begrenzing van het terrein zoals genoemd in het eerste lid is weergegeven in Bijlage 24.
  • 3.
    De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVOmgverordening-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Regels Luchtvaart.
Artikel 5.3.17.3 Typen luchtvaartuigen
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen mag de luchthaven uitsluitend gebruikt worden door paramotoren van het merk FreshBreeze, type Monster, of een gelijkwaardig type met een bronvermogen dat gelijk of minder is dan voorgenoemde paramotor.
Artikel 5.3.17.4 Aantal vliegbewegingen
Per dag mogen maximaal 4 vliegbewegingen plaatsvinden. Per gebruiksjaar mogen maximaal 50 vliegbewegingen plaatsvinden met een maximum van 3 dagen per maand op niet aaneengesloten dagen. Er mogen geen gastvliegers gebruik maken van deze luchthaven.
Artikel 5.3.17.5 Tijden, dagen waarop gevlogen mag worden
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.1.3 mag de luchthaven in de maanden april tot en met september slechts in werking zijn van 17.00 uur tot zonsondergang.
Hoofdstuk 6 Ontheffingen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 6 Ontheffingen.
6.1 Ontheffingsbepalingen ten behoeve van hoofdstuk 2 Ruimte
Artikel 6.1.1 Aanvraag tot ontheffing
De aanvraag als bedoeld in artikel 2.9.1 bevat in ieder geval:
  • a.
    een beschrijving van het project waarvoor ontheffing wordt gevraagd;
  • b.
    een motivering waarom een beroep wordt gedaan op de mogelijkheid die het eerste lid biedt;
  • c.
    één of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de locatie waarop de ontheffing betrekking heeft.
    • 6.
      2 Ontheffingsbepalingen ten behoeve van hoofdstuk 3 Milieu en Ontgrondingen
6.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 6.2.1.1 Weigeringsgrond
Een ontheffing wordt geweigerd, indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat wordt beschermd door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.
Artikel 6.2.1.2 Inhoud en eisen ontheffing
  • 1.
    Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend.
  • 2.
    Met betrekking tot de ontheffing en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 2.22, eerste en vijfde lid en tweede lid juncto 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en 5.5, eerste lid, 5.7, tweede en vijfde lid en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.2.1.3 Rechtsopvolging
  • 1.
    Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.
  • 2.
    Indien een ontheffing zal gaan gelden voor een rechtsopvolger meldt de ontheffingshouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag.
  • 3.
    Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, vermeldt de ontheffingshouder:
    • a.
      zijn naam en adres;
    • b.
      de ontheffing of ontheffingen krachtens welke de activiteiten worden verricht;
    • c.
      de naam, het adres en het telefoonnummer van de rechtsopvolger;
    • d.
      een contactpersoon van de rechtsopvolger;
    • e.
      het beoogde tijdstip waarop de ontheffing zal gaan gelden voor de rechtsopvolger.
Artikel 6.2.1.4 Op aanvraag of ambtshalve wijzigen, intrekken of toevoegen van voorschriften
Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van de ontheffinghouder dan wel ambtshalve aan de ontheffing verbonden voorschriften wijzigen of intrekken danwel voorschriften aan de ontheffing toevoegen.
Artikel 6.2.1.5 Op aanvraag of ambtshalve (geheel of gedeeltelijk) intrekken ontheffing
  • 1.
    Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van de ontheffinghouder een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend zich daartegen niet verzet.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
    • a.
      het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend en toepassing van artikel 6.2.1.4 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;
    • b.
      gedurende drie jaren geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de
      ontheffing;
    • c.
      sprake is van rechtsopvolging en bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend.
Artikel 6.2.1.6 Weigeringsgrond, beperkingen en voorschriften bij wijzigen
Met betrekking tot een besluit op grond van artikel 6.2.1.4 of 6.2.1.5 is artikel 1.3, derde lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.2.1.7 Vervallen ontheffing
Een ontheffing vervalt indien de ontheffingshouder aan Gedeputeerde Staten schriftelijk heeft verklaard daarvan geen gebruik te zullen maken.
Artikel 6.2.1.8 Beslistermijn
Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om ontheffing binnen 13 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
Artikel 6.2.1.9 Aanvraag
Een aanvraag bevat in ieder geval:
  • a.
    een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken, alsmede de reden van de gedraging;
  • b.
    één of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden;
  • c.
    een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies;
  • d.
    een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de nadelige
    gevolgen voor het milieu tegen te gaan.
Artikel 6.2.1.10 Procedure
Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.3.5.5, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.3.5.5, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
6.2.2 Ontheffingsbepalingen inzamelplicht afvalwater
Artikel 6.2.2.1 Ontheffing inzamelplicht
De aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden:
  • a.
    het gemeentelijk rioleringsplan als bedoeld in artikel 4.22 van de Wet milieubeheer of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;
  • b.
    een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;
  • c.
    een beschrijving van de gevolgen voor het milieu indien geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen;
  • d.
    een beschrijving van alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen;
  • e.
    indien over het voornemen van de gemeente tot het achterwege laten van de
    voorzieningen overleg is gevoerd met de betrokken beheerder als bedoeld in artikel 1 van de Waterwet: de resultaten van dat overleg.
Artikel 6.2.2.2 Afdeling 3.4 Awb
  • 1.
    Op de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 6.2.2.1 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
  • 2.
    Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, vermeld in artikel 6.2.1.8, voor de beschikking op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 6.2.2.1 eenmaal met ten hoogste twaalf weken verlengen.
  • 3.
    Gedeputeerde Staten stellen de betrokken beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet alsmede de Inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen over de aanvraag om ontheffing en de daarop te nemen beschikking.
6.2.3 Ontheffingsbepaling gebruik gesloten stortplaatsen
Artikel 6.2.3.1 Aanvraag
In de aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 3.2.3 worden de volgende gegevens vermeld:
  • a.
    naam en adres van de aanvrager;
  • b.
    het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin
    nazorgvoorzieningen zijn gelegen;
  • c.
    het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart;
  • d.
    de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c;
  • e.
    een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om
    het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;
  • f.
    de maatregelen die worden getroffen om:
  • i.
    de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
  • ii.
    aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
  • iii.
    anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;
  • a.
    de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.
Hoofdstuk 7 Handhaving
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 7 Handhaving
7.1 Handhaving milieu
Artikel 7.1.1 Verbod
Een gedraging in strijd met een krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening verleende vergunning of ontheffing of een daaraan verbonden voorschrift of een op grond daarvan opgelegde nadere eis, is verboden.
Artikel 7.1.2 Aanduiding strafbare feiten
Een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens titel 3.3 en de artikelen 3.2.2, 3.4.1.1, 3.4.2.6, 7.1.1 is een strafbaar feit.
7.2 Handhaving water
Artikel 7.2.1
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4 van deze verordening zijn de ambtenaren belast zoals aangewezen door Gedeputeerde Staten.
7.3 Handhaving wegen
Artikel 7.3.1 Toezicht
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk Verkeer, titel 5.1 Wegen van deze verordening zijn belast de personen zoals aangewezen door Gedeputeerde Staten.
Artikel 7.3.2 Overtredingen
Overtreding of niet-naleving van de in deze verordening gestelde verboden in de artikelen 5.1.2.2, eerste lid, onderdeel b en c, en artikel 5.1.3.1, eerste lid, onderdelen a en d, of één of meer aan een op grond van deze bepalingen verleende vergunning verbonden voorschriften of beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen
Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 8 Overgangs- en slotbepalingen
8.1 Intrekking
8.1.1 Intrekking
De volgende verordeningen worden ingetrokken:
  • a.
    de Ruimtelijke Verordening Gelderland;
  • b.
    de Provinciale milieuverordening Gelderland;
  • c.
    de Gelderse Ontgrondingenverordening 1997;
  • d.
    de Waterverordening provincie Gelderland;
  • e.
    de Wegenverordening Gelderland 2010;
  • f.
    het Besluit aanwijzing provinciaal wegennet vervoer gevaarlijke stoffen;
  • g.
    Verordening “Luchthavenregeling Ziekenhuis Rivierenland te Tiel”;
  • h.
    Verordening “Luchthavenregeling Wide Angle Management B.V. te Lunteren”;
  • i.
    Verordening “Luchthavenregeling Gidding Holding B.V. te Kootwijkerbroek”;
  • j.
    Verordening “Luchthavenregeling Terlet te Arnhem”;
  • k.
    Verordening “Luchthavenregeling ULV-terrein Stakenborg te Voorst”;
  • l.
    Verordening “Luchthavenregeling Jules Verne te Arnhem”;
  • m.
    Verordening “Luchthavenregeling Markerink te Eibergen”;
  • n.
    Verordening “Luchthavenregeling UMC St Radboud te Nijmegen”;
  • o.
    Verordening “Luchthavenregeling Vonk te Winssen”;
  • p.
    Verordening “Luchthavenregeling Wikselaar Satellite Trading B.V. te Harskamp”;
  • q.
    Verordening “Luchthavenregeling Wisselink te Wijchen”;
  • r.
    Verordening “Luchthavenregeling M.E.C. Jansen te Lunteren”;
  • s.
    Verordening “Luchthavenregeling Swets te Empe”;
  • t.
    Verordening “Luchthavenregeling Cattlefarm te Asperen”;
  • u.
    Verordening “Luchthavenregeling Maldens Vlak te Malden";
  • v.
    Verordening “Luchthavenregeling Tuitel te Terwolde;.
  • w.
    Verordening "Luchthavenregeling Bos te Lunteren.
    • 8.
      2 Overgangs- en slotbepalingen hoofdstuk 2 Ruimte
Artikel 8.2.1 Implementatietermijn
  • 1.
    Het tijdstip waarop een bestemmingsplan in elk geval in overeenstemming met deze Verordening moet zijn vastgesteld, wordt gesteld op de eerste dag nadat twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening is verstreken.
  • 2.
    In afwijking van het bepaalde in artikel 1.1.1, onder 1, wordt onder bestemmingsplan in het eerste lid alleen mede een beheersverordening verstaan.
Artikel 8.2.2 bestaande rechten
  • 1.
    Het bepaalde in Hoofdstuk 2 Ruimte van deze verordening is niet van toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds bestaande rechten.
  • 2.
    Onder bestaande rechten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:
    • a.
      een bestemmingsplan als bedoeld in deze verordening, inclusief de daarin opgenomen ontheffings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden, voorzover dat plan onherroepelijk is, danwel voorzover een ontwerp van dat plan ter inzage is gelegd voor het tijdstip inwerkingtreding van deze verordening en daarop door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend;
    • b.
      een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voorzover dat besluit onherroepelijk is, danwel voorzover een ontwerp van dat besluit ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en daarop door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend;
    • c.
      een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, inclusief de daarin opgenomen vrijstellings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden, voorzover dat plan door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd; of
    • d.
      een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover Gedeputeerde Staten ten behoeve daarvan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in voornoemd wetsartikel hebben verleend.
  • 1.
    Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op het bepaalde in de artikelen 2.4.2.1, 2.4.2.2, 2.4.2.3, 2.4.2.4, 2.4.2.5, 2.4.5.1, 2.4.7.1, 2.4.7.2, 2.4.7.3, 2.4.8.1, 2.4.8.2, 2.4.8.3 alsmede artikel 2.5.2.2 tweede lid.
  • 8.
    3 Overgangsbepalingen hoofdstuk 3 Milieu en ontgrondingen
8.3.1 Algemeen
Artikel 8.3.1.1 Overgangsbepalingen lopende procedures om ontheffingen
Indien de aanvraag om een ontheffing op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland of een aanvraag om wijziging daarvan, alsmede het ambtshalve voornemen daartoe bekend is gemaakt voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijven de regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland hierop van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag was ingediend danwel het voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.
Artikel 8.3.1.2 Overgangsbepalingen ontheffingen gebruik gesloten stortplaatsen
Ontheffingen die zijn verleend op grond van titel 4.4 van de Provinciale milieuverordening Gelderland worden aangemerkt als een ontheffing op grond van Titel 3.2 van deze verordening.
8.3.2 Overgangsbepalingen voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones
Artikel 8.3.2.1 Overgangsbepaling ontheffingen met betrekking tot bescherming grondwater met oog op waterwinning
Ontheffingen die zijn verleend op grond van bijlage 10, onder b, van de Provinciale milieuverordening Gelderland worden aangemerkt als een ontheffing op grond van Titel 3.3 van deze verordening.
Artikel 8.3.2.2 Overgangsbepalingen inrichtingen in waterwingebieden
  • 1.
    De in artikel 3.3.2.2 en 3.3.2.4 gestelde verboden tot het in werking hebben van een inrichting in een waterwingebied zijn niet van toepassing op een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming met de voor die inrichting op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland in werking was.
  • 2.
    Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven de op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland van toepassing:
    • a.
      voor een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend: totdat de in het vierde lid bedoelde voorschriften in werking zijn getreden;
    • b.
      voor een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist: tot de in het vijfde lid bedoelde dag.
  • 1.
    Het is verboden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking van een dergelijke inrichting te veranderen indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering naar aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
  • 2.
    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend, verbindt het bevoegd gezag binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit artikellid aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 3.3.2.3. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat de betreffende voorschriften pas in werking treden met ingang van de eerste dag van het tiende jaar na de inwerkingtreding van deze verordening of zoveel eerder indien dit in het belang van de grondwaterbescherming voor de waterwinning noodzakelijk is.
  • 3.
    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 3.3.2.4, derde en vierde lid, van toepassing met ingang van de eerste dag van het tiende jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 8.3.2.3 Overgangsbepalingen activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden
  • 1.
    Het in artikel 3.3.2.5, eerste lid, onder b gestelde verbod tot het hebben en gebruiken van een constructie of een werk in een waterwingebied is niet van toepassing op een constructie of een werk die respectievelijk dat onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming met de daarvoor tot op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland werd gehouden of gebruikt. Indien de constructie of het werk bestaat uit een gebouw, een weg of een andere verharding is artikel 3.3.3.9 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat de constructie of het werk wordt onderworpen aan herstructurering of groot onderhoud.
  • 2.
    Voor een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 6.1 van bijlage 10 van de Provinciale milieuverordening Gelderland blijven regels van de Provinciale Milieuverordening Gelderland van toepassing zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van deze verordening.
Artikel 8.3.2.4 Overgangsbepalingen verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1.
    Het in artikel 3.3.3.3 gestelde verbod tot het in werking hebben van een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied is niet van toepassing op een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming met de voor die inrichting tot op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland in werking is.
  • 2.
    Artikel 8.3.2.2, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing.
Artikel 8.3.2.5 Overgangsbepalingen niet-verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1.
    Indien sprake is van een inrichting waarop het verbod tot het in werking hebben van een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied niet van toepassing is en die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.3.3.4 of 3.3.3.5 in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland in werking was, blijven de op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland van toepassing:
    • a.
      voor een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend: totdat de in bijlage 3 Grondwaterbescherming met oog op de waterwinning bedoelde voorschriften in werking zijn getreden;
    • b.
      voor een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist: tot de in het derde lid bedoelde dag.
  • 1.
    Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde in het eerste lid eveneens van toepassing met betrekking tot bezwaar en beroep ingesteld tegen een handhavingsbeschikking met betrekking tot deze inrichting die gericht is op naleving van de regels uit de Provinciale milieuverordening Gelderland.
  • 2.
    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, verbindt het bevoegd gezag binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit artikellid aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 3.3.3.3. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat de betreffende voorschriften pas in werking treden met ingang van de eerste dag van het tiende jaar na de inwerkingtreding van deze verordening of zoveel eerder indien dit in het belang van de grondwaterbescherming voor de waterwinning noodzakelijk is.
  • 3.
    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 3.3.3.4 van toepassing met ingang van de eerste dag van het tiende jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 8.3.2.6 Overgangsbepalingen verbod warmtetoevoeging en - onttrekking binnen inrichtingen
  • 1.
    De verboden gesteld in artikel 3.3.3.2 en 3.3.3.12 gelden niet voor een gesloten bodemenergiesysteem dat voor inwerkingtreding van deze verordening bestaat in een gebied dat voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening niet was aangewezen als milieubeschermingsgebied categorie II in de zin van de Provinciale milieuverordening Gelderland.
  • 2.
    Het bepaalde in het eerste lid is tevens van toepassing op open bodemenergiesystemen die overeenkomstig een vergunning op grond van de Waterwet in werking zijn danwel niet vergunningplichtig waren op grond van de Waterwet, met dien verstande dat in dat artikellid voor "gesloten bodemenergiesysteem" wordt gelezen: open bodemenergiesysteem.
Artikel 8.3.2.7 Overgangsbepalingen activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1.
    De artikelen 3.3.3.7, 3.3.3.9 en 3.3.3.12 zijn niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het op de activiteit betrekking hebbende artikel wordt ondernomen in overeenstemming met de voor die activiteit op dat moment geldende regels op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland. Voor de activiteit blijven de op dat moment geldende regels van toepassing.
  • 2.
    Het in artikel 3.3.3.11 gestelde verbod met betrekking tot een begraafplaats, een uitstrooiveld en een dierenbegraafplaats geldt niet voor het hebben van een begraafplaats, een uitstrooiveld of een dierenbegraafplaats, die respectievelijk dat onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.3.3.11 overeenkomstig de daarvoor op dat moment geldende regels op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland wordt gehouden.
Artikel 8.3.2.8 Overgangsbepalingen inrichtingen in boringsvrije zones
  • 1.
    Indien sprake is van een inrichting waarop het verbod tot het in werking hebben van een inrichting in een boringsvrije zone niet van toepassing is en die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.3.4.2 of 3.3.4.3 in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de Provinciale Milieuverordening Gelderland in werking was, blijven de op dat moment geldende regels van de Provinciale Milieuverordening Gelderland van toepassing:
    • a.
      voor een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend: totdat de in het tweede lid bedoelde voorschriften in werking zijn getreden;
    • b.
      voor een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist: tot de in het derde lid bedoelde dag.
  • 1.
    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, verbindt het bevoegd gezag binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 3.3.4.2. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat de betreffende voorschriften pas in werking treden met ingang van de eerste dag van het tiende jaar na de inwerkingtreding van deze verordening of zoveel eerder indien dit in het belang van de grondwaterbescherming voor waterwinning noodzakelijk is.
  • 2.
    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 3.3.4.3 van toepassing met ingang van de eerste dag van het tiende jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 8.3.2.9 Overgangsbepalingen activiteiten buiten inrichtingen in boringsvrije zones
De artikelen 3.3.4.5 en 3.3.4.6 zijn niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het op de activiteit betrekking hebbende artikel wordt ondernomen in overeenstemming met de voor die activiteit op dat moment geldende regels op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland tot de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van dat artikel. Voor de activiteit blijven de bedoelde geldende regels van toepassing tot het in de vorige volzin aangegeven tijdstip.
Artikel 8.3.2.10 Overgangsbepalingen lopende procedures voor omgevingsvergunningen en ontheffingen
  • 1.
    Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag tot wijziging of intrekking daarvan, alsmede een ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijven de voorschriften van de Provinciale milieuverordening Gelderland zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag was ingediend danwel het voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot een vergunning die met toepassing van de vorige volzin tot stand is gekomen, zijn de artikelen 8.3.2.2, 8.3.2.4, 8.3.2.5 en 8.3.2.8, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
  • 2.
    Indien de aanvraag om een ontheffing op grond van een bepaling van Titel 3.3 van deze verordening is ingediend of het wijzigen of intrekken daarvan danwel het ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijven de voorschriften van de Provinciale milieuverordening Gelderland hierop van toepassing zoals deze luidde op het tijdstip waarop de aanvraag was ingediend danwel het voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot een ontheffing die met toepassing van de vorige volzin is tot stand gekomen, zijn de artikelen 8.3.2.3, 8.3.2.7 en 8.3.2.9 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.3.2.11 Overgangsbepaling ontgrondingen
Indien een aanvraag op grond van de Gelderse Ontgrondingenverordening 1997 is ingediend voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijven de voorschriften van de Ontgrondingenverordening 1997 hierop van toepassing zoals deze luidde op het tijdstip waarop de aanvraag was ingediend tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden.
8.4 Overgangsbepalingen hoofdstuk 4 Water
Artikel 8.4.1 Overgangsrecht algemeen
De voor de datum van de inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Waterverordening provincie Gelderland, de Verordening waterbeheer Gelderland, de Verordening waterkering Gelderland, de Grondwaterverordening Gelderland 1997, titel 6.2 "Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodems" van de Provinciale milieuverordening Gelderland en het Besluit Aanwijzen en normeren regionale keringen zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders beslist.
Artikel 8.4.2 Overgangsrecht bodemenergiesystemen
  • 1.
    Op een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b. van de Waterwet met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur en dat geïnstalleerd is voor de datum van de inwerkingtreding van deze verordening, blijft het op dat moment geldende recht van toepassing.
  • 2.
    Het eerste lid is slechts van toepassing op:
    • a.
      een bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor inwerkingtreding van de Waterwet;
    • b.
      een bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd na inwerkingtreding van de Waterwet waarvoor voor de datum van de inwerkingtreding van deze verordening een melding is ingediend als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit en dit systeemovereenkomstig deze melding in werking is.
  • 1.
    De beëindiging van de onttrekking en van het in de bodem terugbrengen van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid, en de datum van afdichting van de bronnen en waarnemingsfilters, worden tenminste vier weken voor de beëindiging aan Gedeputeerde Staten gemeld.
  • 2.
    Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.
  • 3.
    Na buitengebruikstelling van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt binnen een maand na de afdichting een verslag van de afdichting aan Gedeputeerde Staten toegezonden.
  • 8.
    5 Overgangs- en slotbepalingen hoofdstuk 5 Verkeer
8.5.1 Wegen
Artikel 8.5.1.1 Overgangsrecht wegen
  • 1.
    Een vergunning, verleend op grond van de Wegenverordening Gelderland 2010, wordt aangemerkt als een vergunning ingevolge artikelen 5.1.2.2, 5.1.3.1 en 5.1.3.2 van deze verordening.
  • 2.
    Een aanvraag om een vergunning, ingediend krachtens de Wegenverordening Gelderland 2010, wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning ingevolge artikelen 5.1.2.2, 5.1.3.1 en 5.1.3.2 van deze verordening.
8.5.2 Vervoer gevaarlijke stoffen
Artikel 8.5.2.1 Overgangsrecht vervoer gevaarlijke stoffen
De bij Besluit aanwijzing provinciaal wegennet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen provinciale wegen gelden als aangewezen ingevolge artikel 5.2.1 van deze verordening.
8.5.3 Luchthavenregeling
De in artikel 8.1.1 g tot en met w genoemde verordeningen waarbij luchthavenregelingen voor luchthavens zijn vastgesteld gelden als vastgesteld ingevolge paragraafl 5.3.1 tot en met 5.3.17 van deze verordening.
8.6 Inwerkingtreding
Artikel 8.6.1 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in het Provinciaal Blad.
8.7 Slotbepaling
Deze regeling wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Gelderland
Gegeven te Arnhem, 16 oktober 2014, - zaaknummer 2013-007731
Namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,
drs. G.J. Slag
HR & programmamanager Ruimte