Niet-dossierstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-20182018D31770

2018D31770 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat heeft een aantal vragen en opmerkingen aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd over de geannoteerde agenda van de Telecomraad op 8 juni 2018 in Luxemburg (Kamerstuk 21 501-33, nr. 703) en het verslag van de Telecomraad van 4 december 2017 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 690).

De voorzitter van de commissie, Diks

De adjunct-griffier van de commissie, Kruithof

Inhoudsopgave

blz.

 

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II

Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris

7

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Telecomraad (formeel) op 8 juni 2018. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie zijn blij dat er niet is gekozen voor een gehaaste en gelijktijdige invoering van de e-Privacyverordening met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze leden lezen dat er nog geen gemeenschappelijk standpunt is geformuleerd binnen de Raad en daarom is er gekozen om een beleidsdebat te agenderen.

De leden van de VVD-fractie merken in dit verband op dat bij sommige landen de zorg bestaat dat de nieuwe regels te weinig ruimte laten voor innovatie. Deze leden vinden dat er een afgewogen pakket aan regels moet zijn waaraan nieuwe producten moeten voldoen om zodoende de privacy van mensen te garanderen. De regels moeten werkbaar zijn. Als de klantenservice van bijvoorbeeld Booking.com bij contact via een chat op de website elke keer toestemming moet vragen na een reactie om deze gegevens te verwerken, wordt dat onwerkbaar.

De leden van de VVD-fractie benadrukken het belang van duidelijkheid omtrent de ontwikkelingen inzake Internet of Things (IoT) en privacy. Dit is in het belang van personen, bedrijven, organisaties en zelfs de staatsveiligheid. Zij verzoeken de Staatssecretaris dit in de onderhandelingen voorop te stellen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet wil dat de eindgebruiker van software zelf een keuze kan maken met betrekking tot de privacy-instellingen bij de installatie van de software, in plaats van dat zoals in de Raad werd voorgesteld alleen de gebruiker over de privacy-instellingen wordt geïnformeerd. Deze leden van de VVD-fractie ondersteunen dit standpunt.

De leden van de VVD-fractie vinden het van belang dat de «nieuwe» e-Privacyverordening aansluit op de AVG. Hierover bestaan momenteel nog enkele onduidelijkheden op het gebied van definities en grondslagen, maar ook inzake de implementatie in nationale wetgeving. Deze leden zijn van mening dat de regering in de verdere onderhandeling behoort te pleiten voor de AVG als juridische basis voor het uitwerken van de e-Privacyverordening. Zo ontstaan er geen onduidelijkheden in de regelgeving voor bedrijven en consumenten.

De richtlijn Herziening Richtlijn Hergebruik Overheidsinformatie beoogt overheidsdata beter en sneller beschikbaar te maken voor burgers en bedrijven. De leden van de VVD-fractie constateren dat Nederland kritisch is op de aanpak van de Europese Commissie inzake deze richtlijn. Deze leden delen de zorgen van het kabinet, maar staan wel achter het initiële doel van de herziening. Wat zal vanuit Nederland de verdere inzet zijn op dit dossier? Verwacht de Staatssecretaris een coalitie van lidstaten te kunnen vormen om het voorstel een betere vorm te geven?

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat ten aanzien van de herziening van het regelgevend kader voor elektronische communicatie op dit moment nog gediscussieerd wordt over de ruimte die toezichthouders krijgen voor regulering van toegang tot vaste telecomnetwerken en het reguleren van de tarieven voor internationaal bellen tussen lidstaten. Wat is de huidige inzet van Nederland op deze twee punten?

In het kader van de herziening wordt ook gesproken over de uitrol van 5G. De leden van de VVD-fractie vinden het van groot belang dat het 5G-netwerk zo spoedig mogelijk beschikbaar komt in Nederland. In hoeverre kan de nieuwe richtlijn eraan bijdragen dat het 5G-netwerk in Nederland sneller uitgerold kan worden? Op verzoek van de Raad zijn er in het Commissievoorstel aanpassingen gedaan om in te kunnen blijven spelen op nationale omstandigheden en doelen. Over welke aanpassingen gaat het hier? Had Nederland specifieke wensen met betrekking tot aanpassingen, en in hoeverre zijn deze ingewilligd? Kan de Staatssecretaris voorbeelden noemen van nationale omstandigheden en doelen waarvoor aanpassingen nodig waren?

De leden van de VVD-fractie maken uit de geannoteerde agenda op dat de rol van het Body of European Regulators for Electronic Communications (BEREC) beperkt zal blijven. In welke gevallen speelt de BEREC wel een rol? Kan de Staatssecretaris hiervan een duidelijk overzicht naar de Kamer sturen? Met de aangenomen motie-Bosma (Kamerstuk 21 501-33, nr. 624) heeft de Kamer de wens uitgesproken geen bevoegdheden over te dragen naar onafhankelijke toezichthouders en BEREC. Deze leden lezen dat het eindresultaat van de onderhandelingen tegemoet komt aan de motie-Bosma. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom zij dit vindt, aangezien uit de geannoteerde agenda blijkt dat dat de BEREC toch invloed heeft bij bijvoorbeeld de onderlinge beoordeling van spectrumveilingen?

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat Nederland vanaf het begin van de onderhandelingen heeft ingezet op meer mogelijkheden van toezichthouders om toegang tot netwerkonderdelen op te leggen op grond van niet-repliceerbaarheid. Nederland heeft te maken met een vrij unieke situatie, omdat het beschikt over twee landelijk dekkende vaste netwerken. Aangegeven wordt dat het wenselijk zou zijn dat toezichthouders meer instrumenten krijgen om te reguleren. Tegelijkertijd geeft de Staatssecretaris aan dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft aangegeven het netwerk van zowel KPN als VodafoneZiggo te willen reguleren op grond van het huidig Europees kader. Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom Nederland inzet op het verkrijgen van nieuwe bevoegdheden voor toezichthouders, terwijl in de praktijk blijkt dat deze mogelijkheden er al zijn? Kan de Staatssecretaris aangeven welke problemen zij in de toekomst wil oplossen? Waaruit blijkt dat de huidige mogelijkheden van toezichthouders tot nu toe niet toereikend zijn? Zal de Staatssecretaris er zorg voor dragen dat de European Electronic Communications Code (EECC) op een voor Nederland verantwoorde manier zal worden geïmplementeerd, zodat investeringen in de Nederlandse telecommunicatie-infrastructuur niet zullen dalen of wegvallen? Wat zijn de verwachtingen van de Staatssecretaris met betrekking tot de toename van de concurrentie op de Nederlandse telecommunicatiemarkt indien de Europese Commissie de voorgenomen besluiten van de ACM met betrekking tot openstelling van de kabel goedkeurt?

De leden van de VVD-fractie lezen dat op het gebied van de bescherming van gebruikers van communicatiediensten dat gebruikers in de toekomst nog beter beschermd zullen worden en dat gebruikers overal in de EU op dezelfde manier worden beschermd, hierbij inbegrepen dat een nationale kop op EU-regels niet meer nodig is. Deze leden vinden dit vanuit beginsel een goede zaak, maar vragen of Nederlandse gebruikers er op het gebied van bescherming juist niet op achteruitgaan. Hebben Nederlandse gebruikers daadwerkelijk iets te winnen bij deze nieuwe vorm van bescherming? Kan de Staatssecretaris garanderen dat de bescherming minimaal op het huidige niveau blijft? Mocht in de toekomst blijken dat bepaalde lidstaten zich niet aan de regels houden, kan dit dan ook een negatief effect hebben op Nederlandse gebruikers aangezien lidstaten zich allemaal aan hetzelfde niveau van bescherming dienen te houden?

De leden van de VVD-fractie ondersteunen het kabinet in het standpunt dat het onwenselijk is dat BEREC een instituut met de status van EU-agentschap zal worden. Op dit moment worden er nog discussies gevoerd over andere het opnemen van het feit dat BEREC geen bindende beslissingen kan opleggen en met welke meerderheid BEREC documenten kan vaststellen. Wat is de positie van Nederland op deze twee punten? Kan de Staatssecretaris een verwachting uitspreken over de termijn waarop deze discussie beslecht zal zijn? Zijn naar de mening van de Staatssecretaris de bevoegdheden van nationale toezichthouders genoeg gewaarborgd in het voorstel dat nu voorligt?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie lezen ten aanzien van de e-Privacyverordening in de geannoteerde agenda dat er onvoldoende draagvlak is voor gerechtvaardigd belang als extra verwerkingsgrondslag bij op het communicatiegeheim en bij de cookiebepaling. Hoe kijkt Nederland hier tegenaan? Is toestemming als grondslag voor verwerking van gegevens volgens de Staatssecretaris altijd het meest geëigende instrument voor het waarborgen van privacy? Zou bijvoorbeeld op het gebied van verkeersveiligheid («connected car») of fraudebestrijding niet naar andere grondslagen gekeken moeten worden? Dient niet beter onderscheid gemaakt te worden tussen ongewenste inbreuk op communicatie en toegang tot communicatiedata om alle functionaliteiten van de dienst te kunnen gebruiken zonder dat gebruikers eerst voor elke functie afzonderlijk toestemming moeten geven?

De leden van de CDA-fractie lezen verder dat er wel ruimte is voor specifieke aanvullende grondslagen. Aan welke grondslagen kan dan worden gedacht naast het genoemde voorbeeld genoemd in de geannoteerde agenda? Tevens lezen deze leden dat de vrees bestaat bij grote landen dat de nieuwe regels te weinig ruimte laten voor innovatie. Zou de Staatssecretaris kunnen toelichten waarom Nederland deze vrees niet deelt? Zou de Staatssecretaris kunnen aangeven of ontwikkelingen als kunstmatige intelligentie met de nieuwe regels kunnen worden belemmerd? Deze leden zijn verder benieuwd welke veranderingen het voorstel meebrengt voor het huidige cookiebeleid in Nederland. Wat zijn de grootste verschillen? Komen er meer cookiebanners in Nederland? Kan de Staatssecretaris hierbij aangeven of gebruikers met meer toestemming wel beter worden beschermd? Is niet het gevolg dat gebruiker meer gaan wegklikken door de grote hoeveelheden toestemming die gevraagd wordt?

De leden van de CDA-fractie vragen bovendien of de Staatssecretaris nader kan toelichten waarom een snelle besluitvorming van belang is. Is dit in belang van Nederland? Leidt dit niet tot een oplossing met veel uitzonderingen op de basisregel en daarmee tot een lastig werkbare regelgeving? Deze leden zijn daarnaast benieuwd hoe om zal worden gegaan tussen overlap in reikwijdte tussen de AVG en e-Privacyverordening. Klopt het indien een mogelijke tegenstrijdigheid wordt geconstateerd de e-Privacyverordening leidend is?

De leden van de CDA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat Nederland conform motie-Paternotte c.s over verplichtte certificering (Kamerstuk 21 501-30, nr. 422) pleit om in de verordening inzake het European Union Agency for Network and Information Security (ENISA) en cybersecurity certificering de mogelijkheid te creëren om in de toekomst verplichte certificering mogelijk te maken voor producten, processen en/of diensten die in bijzonder kwetsbaar blijken vanwege zwakke veiligheid. Hoe komt het dat Nederland hierin geïsoleerd staat? Welke argumentatie wordt hierbij gegeven? Verwacht de Staatssecretaris in de toekomst hiervoor meer steun?

De leden van de CDA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat in het finale compromis voor de herziening van het regelgevend kader voor elektronische communicatie toezichthouders waarschijnlijk meer ruimte krijgen om toegang tot netwerkonderdelen op te leggen op grond van niet-repliceerbaarheid. Deze leden horen graag waar het nog van afhangt of dit definitief zo wordt. Zij zijn verder benieuwd naar de inschatting van de Staatssecretaris of het kans om het netwerk van zowel KPN als VodafoneZiggo te reguleren op grond van het huidig Europees regelgevend kader, zoals de ACM heeft aangegeven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie danken de Staatssecretaris voor de geannoteerde agenda van de Telecomraad van 8 juni 2018 in Luxemburg en hebben over deze agenda nog een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de D66-fractie zien de e-Privacyverordening als een belangrijk middel om de privacy van mensen te beschermen. Als reactie op de recente privacyschandalen vragen mensen om meer mogelijkheden om hun online privacy te beschermen. Dankzij de AVG hebben mensen meer controle gekregen over hun eigen data, maar om de perverse verdienmodellen in de online advertentiewereld om te kunnen vormen, is volgens deze leden meer nodig. Mensen moeten een keuze hebben of ze wel of niet online gevolgd worden. Mensen die verstand van informatietechnologie (IT) hebben kunnen zich via ad-blockers en Virtual Private Networks (VPN’s) beschermen tegen technologiegiganten die al hun data proberen te verzamelen. Slechts een zeer klein gedeelte van de internetgebruikers maakt op dit moment gebruik van deze mogelijkheden, terwijl steeds meer mensen willen beschikken over eenvoudige manieren om zelf te beslissen over hun data.

Wat de leden van de D66-fractie betreft moet dit soort bescherming dan ook voor iedereen relatief eenvoudig beschikbaar zijn. Deelt de Staatssecretaris deze mening? Wat is de inzet van de Staatssecretaris op het verbieden van cookiemuren? Deze leden zijn van mening dat mensen een keuze moeten hebben om persoonsgegevens niet te delen zonder dat daarmee de toegang tot een website, app of andere dienst ontzegd kan worden. Dus als mensen in hun browserinstellingen aangeven geen cookies of andere trackers te accepteren, dan mag hen niet de toegang tot een website, app of andere dienst ontzegd worden. Een dergelijk verbod op cookiemuren is ook aangenomen door het Europees parlement. Is de Staatssecretaris bereid zich hiervoor in te spannen bij de Telecomraad van 8 juni 2018? Is de Staatssecretaris tevens bereid zich, net als het Europees parlement, in te spannen voor standaard privacyvriendelijke instellingen in software? Hoe de Staatssecretaris de verhoudingen binnen de Europese Raad op dit punt? Welk tijdspad voorziet de Staatssecretaris voor de e-Privacyverordening?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie de discussie in de Raad rondom verplichte certificering nader toe te lichten. Welke lidstaten nemen welke positie in? Deelt de Staatssecretaris de mening dat als op Europees niveau geen mogelijkheid bestaat om tot verplichte veiligheidseisen aan IoT-apparaten te komen, Nederland zelf verplichte eisen moet stellen?

De leden van de D66-fractie zijn verheugd over het feit dat er in de trilogen over het regelgevend kader voor elektronische communicatie op sommige delen al compromissen zijn gesloten, waaronder het spectrumbeleid. Duidelijkheid over de minimumtijd van spectrumvergunningen draagt namelijk bij aan investeringszekerheid voor marktpartijen. Gaat de Staatssecretaris haar plannen met betrekking tot spectrumbeleid al in lijn brengen met een nog te sluiten finaal compromis? Hoe verhoudt de implementatietermijn van deze Europese richtlijn zich tot de plannen van deze regering? Verwacht de regering een finaal compromis voor het einde van de legislatuur van deze Europese Commissie en dit Europees parlement?

De leden van de D66-fractie lezen verder dat in dit kader toezichthouders waarschijnlijk meer ruimte krijgen om toegang tot netwerkonderdelen op te leggen op grond van niet-repliceerbaarheid. Voor Nederland heeft dit al betrekking op het netwerk van KPN, maar dit gaat volgens de huidige plannen ook gevolgen hebben voor het netwerk van VodafoneZiggo. Deze leden zijn een voorstander van het faciliteren van concurrentie, als er verwacht mag worden dat dit resulteert in meer keuze, lagere prijzen en een te verwachten behoorlijke kwaliteit voor consumenten en mits dit voorafgegaan is door een relevante marktanalyse. Is de Staatssecretaris van mening dat er uit de marktanalyse een duidelijke marktvraag naar voren is gekomen? In hoeverre speelt het principe van aanmerkelijke marktmacht nog een rol in het voorstel? Deze leden vragen waarom er voor een ex-ante beleid wordt gekozen in plaats van een ex-post beleid, en verzoeken de Staatssecretaris dan ook om hier duidelijkheid over te geven alvorens er een definitief besluit wordt genomen.

De leden van de D66-fractie lezen dat de politieke groepen in het Europees parlement nog tot een eensgezind standpunt moeten komen over de tarieven voor internationaal bellen binnen de Europese Unie. Deze leden lezen met instemming dat Nederland, in lijn met de motie-Paternotte (Kamerstuk 21 501-30), de wens om deze tarieven te reguleren steunt en een actieve rol heeft in de onderhandelingen hierover. Kan de Staatssecretaris aangeven wat de standpunten zijn van de acht politieke fracties in het parlement ten aanzien van dit voorstel? Voert de Permanente Vertegenwoordiging een actieve lobby in het Europees parlement om zoveel mogelijk steun te krijgen voor de Nederlandse lijn? Zo nee, waarom niet?

De leden van de D66-fractie zijn teleurgesteld over het feit dat er wederom geen BNC-fiche is ontvangen over een agendapunt van deze Europese Raad, ditmaal over het commissievoorstel betreffende de digitale interne marktstrategie. Deze leden menen dat het zeer wenselijk is wanneer het parlement van gedachten kan wisselen met de regering over nieuwe commissievoorstellen voordat deze besproken worden in een Raad van Ministers c.q. de Europese Raad. De leden respecteren de zorgvuldigheid die nodig is om tot een standpunt te komen, maar wensen te onderstrepen dat ook de Kamer dezelfde zorgvuldigheid moet worden om haar taak naar behoren te kunnen uitvoeren. Deelt de Staatssecretaris deze opvatting? Zo ja, kan zij toezeggen dat vanaf heden BNC-fiches verschijnen alvorens nieuwe commissievoorstellen besproken worden in de raad?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie lezen in het verslag van de Telecomraad van 4 december 2018 dat ook de 5G-roadmap is besproken. Uit de brief van de Staatssecretaris over het beschikbaar stellen van de 3,5 gigahertz (GHz)-band (Kamerstuk 24 095, nr. 438) blijkt dat eind dit jaar een besluit wordt genomen over de toekomst van de 3,5 GHz-band. In de brief over de veiling van megahertz (MHz)-banden (Kamerstuk 24 095, nr. 437) staat dat de veiling van de 3,5 GHz-frequentie hierdoor pas later zal plaatsvinden. De partijen die geïnteresseerd zijn in deze frequenties kunnen echter pas een goed geïnformeerde beslissing nemen over hun bod op de andere frequenties als er meer duidelijkheid is over de toekomst van de 3,5 GHz-frequentie. Dit is niet los te zien van de andere frequenties: voor de bedrijfsvoering van telecombedrijven hangen de frequenties nauw samen. Deelt de Staatssecretaris deze zorgen en heeft de Staatssecretaris ideeën voor een oplossing hiervoor?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de AVG enkele dagen geleden in werking is getreden. Deze leden vragen welke additionele elementen de e-Privacyverordening bevat, bovenop de AVG. Kan de Staatssecretaris dit toelichten?

De leden van de GroenLinks-fractie vernemen dat de AVG ruimere grondslagen biedt voor het verwerken van verkeers- en locatiegegevens dan de nieuwe e-Privacyverordening. Telecomaanbieders worden daarmee geconfronteerd met strengere regels dan IT-bedrijven, wat vanuit hun oogpunt oneerlijk en onwenselijk is. Er wordt dan ook gevraagd om ruimere grondslagen binnen de e-Privacyverordening. Deze leden zijn benieuwd of de Staatssecretaris inderdaad van mening is dat de telecombedrijven hierdoor benadeeld worden. Zo ja, hoe kunnen deze zorgen weggenomen worden?

II Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris