Niet-dossierstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-20122011D50180

2011D50180

INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

In de commissie voor de Rijksuitgaven en in de vaste commissie voor Financiën bestond bij enkele fracties de behoefte om een aantal aanvullende vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Financiën over zijn brief van 10 juni 2011 (Kamerstuk 32 755, nr. 3) bevattende antwoorden op aan de regering gestelde vragen over het rapport «Staatsbalans, zicht op Staatsvermogen» van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 32 755, nr. 2).

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Van Gerven

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Dezentjé Hamming-Bluemink

De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Groen

Inhoudsopgave

  • I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

  • II. Reactie van de minister

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de regering over de «Staatsbalans: zich op staatsvermogen» en de discussie daarover tijdens het door de Algemene Rekenkamer in samenwerking met het ministerie van Financiën op 12 september 2011 georganiseerde symposium. Deze leden hebben in de brief aanleiding gezien tot het maken van enkele opmerkingen en het stellen van vragen.

De leden van de VVD-fractie zijn het met de regering eens dat voor een goede beoordeling van de vraag of de overheid op lange termijn aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen, niet alleen dient te worden gekeken naar de omvang van de staatsschuld en de overheidsactiva op een bepaald moment, maar ook naar de ontwikkeling van de inkomsten en uitgaven van de overheid in de toekomst. De leden van de VVD-fractie stellen het dan ook op prijs dat, naast de manieren en instrumenten waarop de Kamer hierover wordt geïnformeerd, inmiddels ook een stresstest (schokproef Nederlandse overheidsfinanciën) is geïntroduceerd.

De leden van de VVD-fractie begrijpen ook dat er een soort voortdurende discussie gevoerd wordt of en hoe een Staatsbalans hier nog een rol in speelt of kan spelen.

Graag vernemen de leden van de VVD-fractie van de regering of en in welke mate de nieuwe balans van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die wel de gehele overheid bestrijkt, een alternatief kan zijn voor de Staatsbalans. De keerzijde van deze vraag is, dat diezelfde overheidsbalans van het CBS (die vanaf 2014 ook een memorandumpost bevat voor de AOW) ook de vraag oproept, of de minister mogelijkheden ziet om met gebruik maken van deze informatie de Staatsbalans tot een interessanter en relevanter document te maken in plaats van te koersen op een mogelijk afscheid van het instrument Staatsbalans-in-huidige-vorm.

Voorts zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd hoe de regering aankijkt tegen het voorbeeld van Nieuw-Zeeland, waar een vorm van Staatsbalans bestaat die als sturingsinstrument is ingebed in de begrotings- en verantwoordingscyclus.

In de EU speelt op dit moment de discussie over de waarderingsgrondslag. Kan de minister van Financiën de Kamer informeren over de stand van de discussie? Wat is het standpunt van de Nederlandse regering over een mogelijke invoering van de IPSAS-richtlijn en wat betekent dat voor de discussie over de Staatsbalans?

De Algemene Rekenkamer beveelt aan om in de toelichting bij de Staatsbalans duidelijk te maken hoe de Staatsbalans zich tot andere informatie uit het Financieel Jaarverslag Rijk verhoudt. Wat vindt de minister van Financiën van deze aanbeveling? Tegelijkertijd roept dit de vraag op hoe de minister zich voorstelt hoe de (relatief) nieuwe instrumenten Garantieoverzicht van het Rijk en Schokproef in de toekomst een plek vinden in de begrotings- en verantwoordingscyclus.

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de antwoorden van de minister op vragen van de Kamer naar aanleiding van de publicatie «Staatsbalans: zicht op staatsvermogen» van de Algemene Rekenkamer. De leden van deze fractie zijn voorts erkentelijk voor de voortvarende manier waarop de Algemene Rekenkamer deze kwestie ter hand heeft genomen en voor de samenwerking die hierbij is gezocht met het ministerie van Financien, zoals ook bleek uit de gezamenlijke studiemiddag die begin september 2011 werd belegd.

Sinds die studiemiddag zijn de twijfels over nut, noodzaak en haalbaarheid van een klassieke Staatsbalans (dat wil zeggen gericht op volledige meting van het staatsvermogen) bij de leden van de PvdA-fractie verder toegenomen. De uitkomst van de laatste meting, een negatief netto vermogen van 14,5 miljard euro in 2010, nemen deze leden met een korrel zout. Dit alleen al vanwege het feit dat er gerekend wordt met verschillende discontovoeten om toekomstige verplichtingen en ontvangsten contant te maken. Zo worden aan de verplichtingenkant de uitstaande leningen van het Rijk tegen marktwaarde (lage actuele rente) gewaardeerd, terwijl de toekomstige gasbaten tegen een veel hogere discontovoet contant worden gemaakt, namelijk een reële discontovoet van 4%. Hoe zou het netto vermogen van de staat er uit zien als aan beide zijden van de balans dezelfde discontovoet wordt gehanteerd, zo vragen de leden van de PvdA-fractie?

Op basis van de stukken en de inbreng van de diverse deskundigen twijfelen de leden van de PvdA-fractie sterk aan de zienswijze van accountants dat de overheidsbegroting idealiter op basis van een systeem van baten en lasten wordt opgesteld naar analogie van de winst en verliesrekening bij bedrijven en dat de Staatsbalans direct daarop aansluit en de jaarlijkse mutaties weerspiegelt. Naar de mening van deze leden verschilt daarvoor de aard van de overheid te sterk van die van bedrijven. Daar waar bijvoorbeeld toekomstige pensioenverplichtingen bij bedrijven juridisch hard zijn en waarvoor dus voorzieningen moeten worden getroffen, zijn dergelijke verplichtingen bij de overheid, met uitzondering van de staatsschuld, veelal beleidmatig beïnvloedbaar en dus zachter. Daar komt nog bij dat op het punt van de toekomstige verplichtingen het CPB al uitgebreide studies doet ter zake van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

De leden van de fractie van de PvdA zien af van technische vragen over de verschillende posten op de Staatsbalans. Duidelijk is immers dat de Staatsbalans talloze gebreken en onvolkomenheden kent en dat de waardering van de vele posten in hoge mate arbitrair is.

De vraag is dan hoe toch meer inzicht kan worden verkregen in het staatsvermogen, in casu de financiële reserves dan wel financiële risico’s die in het geding zijn bij overheidsbezittingen.

Naar de mening van deze leden is het wenselijk te kiezen voor een eclectische benadering. De centrale vraag zou moeten zijn: op welke categorieën activa en passiva hebben de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer nu onvoldoende zicht, terwijl die wel van belang kunnen zijn voor het financiële weerstandsvermogen van de overheid? Deze benadering leidt er toe dat bijvoorbeeld de posities van de overheid in gebouwen en ander (in beginsel verhandelbaar) vastgoed in kaart worden gebracht alsmede de risico’s van waardeverandering daarvan. Het betekent ook dat onder meer de vermogens en verplichtingen van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) systematisch in beeld komen en worden gewaardeerd. Dat de meting van het vermogen momenteel beperkt blijft tot de rechtspersoon staat achten de leden van de PvdA-fractie een ernstige omissie.

Deze leden vragen de regering op bovenstaande te reageren en voorstellen te doen voor een aanpak die enerzijds erkent dat een betrouwbare integrale staatsbalans geen haalbare kaart is, maar die anderzijds meer inzicht geeft in het vermogen dat de overheidsactiva vertegenwoordigen en die toch enig recht doet aan de strekking van de motie Van Geel c.s. De vraag is tenslotte welke de rol is van de Algemene Rekenkamer. Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie zou die rol zich niet moeten beperken tot een toets op de juistheid van de waardering van overheidsbezittingen, maar zich ook moeten uitstrekken tot de selectie van de te waarderen activa en passiva.

De leden van de PvdA-fractie vragen aan de regering en ook de Algemene Rekenkamer hun mening over de bovenstaande redeneerlijn.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de fractie van D66 hebben met interesse kennis genomen van het rapport van de Algemene Rekenkamer «Staatsbalans, zicht op staatsvermogen» en van de antwoorden van de minister van Financiën op de feitelijke vragen.

De leden van de fractie van D66 vinden het van groot belang dat inzichtelijk is wat de risico’s en het weerstandvermogen van de Nederlandse overheidsfinanciën zijn. De leden willen de minister danken voor doen van de stresstest voor de overheidsfinanciën. Zij zijn van mening dit een inzichtelijk document waarin veel informatie over de risico’s voor de overheidsfinanciën te vinden is. Deze leden zijn voorts van mening dat deze informatie, gecombineerd met de vergrijzingsommen van het Centraal Planbureau, een goed beeld geeft van de uitdagingen waar de overheidsfinanciën tegenover staan.

Deze leden vinden dat een Staatsbalans niet de manier is waarop deze informatie goed tot zijn recht kan komen. Kan de minister een voorstel doen waarin de stresstest en vergrijzingsommen gecombineerd worden en het voor de Kamer op die manier goed inzichtelijk wordt wat de risico’s zijn?