Niet-dossierstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-20102010D16357

2010D16357

Vaststelling van de begrotingsstaat behorende bij de begroting van de Koning (I) voor het jaar 2010

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

De vaste commissie voor Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft een aantal vragen en opmerkingen over de brief van de minister-president, de minister van Algemene Zaken, van 19 maart 2010, over investeringen van leden van het Koninklijk Huis, i.c. de Prins van Oranje (TK 32 123 I nr. 23) ter beantwoording aan de minister-president, de minister van Algemene Zaken voorgelegd.

Deze vragen en opmerkingen, alsmede de daarop op ……… gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Leerdam

Adjunct-griffier van de commissie,

Hendrickx

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de onderhavige brief. Zij hebben daarover enkele samenhangende vragen. Kan de minister-president duidelijk maken waarom naar zijn mening de investering van de kroonprins louter een privéaangelegenheid betreft? Heeft het met de aard van de investering te maken dat er geen sprake is van een investering die het openbaar belang raakt of is de minister-president van mening dat alle investeringen gedaan door leden van het Koninklijk Huis privé-investeringen zijn? Wanneer wordt er met een investering door leden van het Koninklijk Huis wel het openbaar belang geraakt? Hoe wordt het onderscheid tussen een privé-investering en een investering die het openbaar belang raakt precies gemaakt?

Waarom was er in het geval van de investering in een vakantiehuis in Mozambique wel sprake van het informeren van de Kamer en in het onderhavige geval niet?

Deelt de minister-president de mening dat leden van het Koninklijk Huis een voorbeeldfunctie hebben? Zo ja, acht hij in dit verband dan extra voorzichtigheid met het doen van beleggingen op zijn plaats, bijvoorbeeld in het geval er sprake is van een strafrechtelijk onderzoek naar een betrokken projectontwikkelaar? Zo nee, waarom niet?

Heeft de kroonprins de minister-president geïnformeerd over het voornemen tot deze investering? Zo nee, was daar, mede in het licht van de voorgeschiedenis met het vakantiehuis in Mozambique, geen aanleiding toe geweest? Heeft de minister-president met de kroonprins gesproken over diens financiële handelingen en de wijze waarop deze de ministeriele verantwoordelijkheid raken? Heeft de minister-president na het voorval rondom de vakantiewoning in Mozambique afspraken gemaakt over de manier waarop hij vanuit zijn ministeriele verantwoordelijkheid geïnformeerd en gekend wil worden in voornemens tot dergelijke, buitenlandse, investeringen?

In hoeverre kan de beeldvorming over leden van het Koninklijk Huis worden geschaad als zij, zeker in tijden van economische crisis, beleggingen doen in vastgoed in plaats van te kiezen voor meer terughoudendheid? Hoe komt het dat de minister-president er steeds niet in slaagt om te voorkomen dat het Koninklijk Huis op vervelende wijze in de publiciteit komt?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie.

De leden van de SP-fractie hebben met teleurstelling kennis genomen van de brief van de minister-president over het (vastgoed-)project van de kroonprins in Argentinië. De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 21 december 2009 de minister-president verzocht om nadere informatie, naar aanleiding van berichten in de media over mogelijke fraude en integriteitsproblemen. Deze leden menen dat de minister-president in reactie op een dergelijk verzoek uit de Kamer en in een zaak als deze regie moet voeren en onderzoek moet doen. Waarom heeft de minister-president dit nagelaten? Waarom deelt hij niet de opvatting van deze leden dat de kroonprins hiermee onnodige risico’s loopt?

De directeur van het betreffende vakantieoord wordt in verband gebracht met diverse corruptie- en fraudezaken, zo constateren de leden van de SP-fractie. Kan de minister-president deze zaken weerleggen? Was hij hiervan op de hoogte op het moment dat de kroonprins zijn aankoop aankondigde? Zo ja, waarom heeft hij zijn verantwoordelijkheid dan niet genomen? Heeft de minister-president dit project onderzocht voor hij toestemming gaf aan de kroonprins om in dit project deel te nemen? Heeft hij hierover overleg gevoerd met de kroonprins? Wat is het doel van de grondaankoop? Welke bestemming krijgen de twee aangekochte percelen? Is de minister-president bereid de verantwoordelijkheid te nemen voor de deelname door de kroonprins in dit project?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met enige verbazing en zorg kennis genomen van de brief van de minister-president over het vastgoedproject van Z.K.H. prins Willem Alexander in Argentinië. De leden vermoeden dat de minister-president op onjuiste gronden en te lichtvaardig oordeelt dat het hier een privéproject betreft. De leden voelen de dringende behoefte om de minister-president hierop nader te bevragen.

De leden vragen zich af of ten aanzien van de leden van het Koninklijk Huis wel een scheiding te maken valt tussen een publieke en een privé-sfeer als het om substantiële en structurele investeringen gaat. Vanzelfsprekend beogen de leden de privésfeer van de leden van het Koninklijk Huist en de Koninklijke Familie te respecteren, maar gezien de gevolgen van dergelijke investeringsbeslissingen met mogelijke uitstralingseffecten naar het koninklijk gezag en het aanzien van de regering valt niet in te zien waarom dergelijke kwesties buiten de ministeriële verantwoordelijkheid van de minister van Algemene Zaken voor de gedragingen van de leden van het Koninklijk Huis gehouden kunnen worden.

De leden van het Koninklijk Huis hebben volgens de leden zoals gezegd vanzelfsprekend recht op een mate van persoonlijke vrijheid. In die zin volgen ze de lijn van staatsrechtgeleerde L. Prakke in zijn publicatie Ministeriële verantwoordelijkheid versus prinselijke vrijheid in het Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht (1972, pag. 30). De persoonlijke vrijheid van H.M. de Koningin is daarbij, gezien haar staatsrechtelijke positie, aanmerkelijk kleiner dat die van de overige leden van het Koninklijk Huis.

Maar het bestaan van een persoonlijke vrijheid voor de leden van het Koninklijk Huis neemt allerminst de fundamentele verantwoordelijkheid van de minister-president weg om ongelukkige privébeslissingen van leden van het Koninklijk Huis te voorkomen. Dergelijke kwesties raken zonder uitzondering publiek bekend en raken dan onvermijdelijk het koninklijk gezag en de kwaliteit van de regering.

De leden voelen de dringende behoefte om, met inachtneming van de vertrouwelijkheid, een algemeen inzicht te krijgen op welke wijze de minister-president inhoud geeft aan zijn taak om gestructureerd en preventief te overleggen met de afzonderlijke leden van het Koninklijk Huis over de mogelijke gevolgen van hun beslissingen. De leden nemen hierbij de onderhavige casus als voorbeeld.

Wanneer en op welke wijze kreeg de minister-president kennis van dit vastgoedproject, enig lid van het Koninklijk Huis of van de media? Is vooraf door of vanwege de minister-president onderzoek gedaan naar mogelijke bedreigingen voor de koninklijke waardigheid? Zo ja, waaruit bestond dit onderzoek? Is hierbij contact gezocht met de Argentijnse autoriteiten om inzicht te krijgen in de betrouwbaarheid van de zakenpartners waarmee Z.K.H. prins Willem Alexander in zee wilde gaan? Zo nee, waarom niet en zo ja, is dat contact voortgezet? Wanneer en door wie is de minister-president geïnformeerd over het feit dat de directeur van het betreffende vakantieresort in verband wordt gebracht met diverse corruptiezaken? En wat en op welk moment wist de minister-president van de jarenlange juridische strijd van de betrokken projectontwikkelaar met de gemeenteraad van het nabij het vakantieoord gelegen Villa la Angostura om in een ongerept natuurgebied een golfbaan aan te leggen? De leden vinden dat dit signalen zijn waarvan de minister-president vooraf op de hoogte had moeten zijn en waarover hij voorafgaande aan enige bindende beslissing diep en indringend met Z.K.H. prins Willem Alexander over beeldvorming, consequenties e.d. had moeten spreken. Zo ja, heeft een dergelijk overleg plaatsgehad en waaruit blijkt dat? Zijn er bijvoorbeeld preventieve juridische maatregelen getroffen en zo ja, waaruit bestonden en bestaan die? Tot slot vragen deze leden zich af waarom aan dit project begonnen is, terwijl het voorgaande vastgoedproject te Mozambique nog vers in het geheugen ligt? Graag een precieze reactie op de door de leden gestelde vragen.

Al met al vragen de leden de minister-president de eerder verzonden brief te hernemen, en duidelijke criteria aan te geven onder welke omstandigheden en op welke wijze, bij kwesties die de publieke of de privésfeer van leden van het Koninklijk Huis betreffen, hij precies vorm geeft aan zijn taak om vooraf eventuele kansen en bedreigingen voor de koninklijke waardigheid en het aanzien van de regering te inventariseren, en te beoordelen op welke wijze de minister-president intervenieert indien een kwestie, die vooraf als een privékwestie is bestempeld, om moverende redenen toch in de publieke sfeer terecht komt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie.

De leden van de D66-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de brief van de minister-president aangaande het vastgoed project in Argentinië. Deze geeft aanleiding om op een aantal punten vragen te stellen.

Deze leden constateren dat het bijna drie maanden kostte om de brief op te stellen. Zij vragen zich af, waarom het vormgeven van de brief zo lang duurde?

Zij zijn van mening dat de scheidslijn tussen welke activiteiten van de leden van het Koninklijk Huis wel en niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen onduidelijk lijkt naar aanleiding van de naar hun mening verschillende opstelling van de regering ten opzichte van de privé investeringen van de prins in Mozambique en Argentinië. Daarom hebben de eerder genoemde leden de volgende vragen:

Kan de regering aangeven waar precies de ministeriele verantwoordelijkheid inzake vastgoedprojecten van leden van het Koninklijk Huis begint en tot hoe ver het privékarakter van dergelijke investeringen strekt? Kan de regering aangeven op welk moment en onder welke voorwaarden er is ingestemd met dit project van de prins? Is er naar aanleiding van de ervaringen met het vastgoed project in Mozambique een andere aanpak gevolgd in het project in Argentinië? De leden van de D66-fractie ontvangen graag een nadere onderbouwing van het verschil in maatschappelijke relevantie dat aanleiding was om de Tweede Kamer in het eerste geval uitvoeriger te informeren dan bij het recentere project in Argentinië. Zij vragen zich af of het Koninklijk Huis, alles overwegende, niet beter gediend is bij een zo volledig mogelijke openheid van informatie en transparantie aangaande hun investeringen dan bij een reactief beleid?