﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12422/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamervragen>
    <kamervraagkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamervragen</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="overig">
							Vragen gesteld door de leden der Kamer
						</tekstregel>
    </kamervraagkop>
    <kamervraagnummer>2026Z12422</kamervraagnummer>
    <kamervraagomschrijving type="vraag">Vragen van de leden <naam><achternaam>Stoffer</achternaam></naam> (SGP) en <naam><achternaam>Ceder</achternaam></naam> (ChristenUnie) aan de Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie en Veiligheid over <kamervraagonderwerp>het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»</kamervraagonderwerp> (ingezonden <datum isodatum="2026-06-09">9 juni 2026</datum>).</kamervraagomschrijving>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 1</nr>
      <al>Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?<noot id="ID-2026Z12422-d41e55" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Website NOS, 29 mei 2026, «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen», (<extref soort="URL" doc="https://nos.nl/artikel/2616341-om-gaat-toch-ouders-die-kinderen-thuishouden-van-school-vervolgen" status="actief">https://nos.nl/artikel/2616341-om-gaat-toch-ouders-die-kinderen-thuishouden-van-school-vervolgen</extref>)</noot.al></noot></al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 2</nr>
      <al>Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 3</nr>
      <al>Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?<noot id="ID-2026Z12422-d41e72" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-33537-3" soort="document" status="actief">33 537, nr. 3</extref>, p. 19–20.</noot.al></noot></al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 4</nr>
      <al>Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 5</nr>
      <al>Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 6</nr>
      <al>Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?<noot id="ID-2026Z12422-d41e95" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Raad van State, 18 maart 2009; ECLI:NL:RVS:2009:BH6321.</noot.al></noot></al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 7</nr>
      <al>Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 8</nr>
      <al>Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?<noot id="ID-2026Z12422-d41e112" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Hoge Raad, 17 december 2019; ECLI:NL:HR:2019:1925.</noot.al></noot></al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 9</nr>
      <al>Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?<noot id="ID-2026Z12422-d41e124" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Parket bij de Hoge Raad, 4 november 2025; ECLI:NL:PHR:2025:1164; overweging 3.44.</noot.al></noot></al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 10</nr>
      <al>Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?<noot id="ID-2026Z12422-d41e136" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>J. Sperling, <nadruk type="cur">Moet jij niet naar school? Een onderzoek naar de juridische aspecten van thuisonderwijs vanuit Nederlands en rechtsvergelijkend perspectief</nadruk> (Rotterdam, 2010) p. 21–22.</noot.al></noot></al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 11</nr>
      <al>Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 12</nr>
      <al>Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 13</nr>
      <al>Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 14</nr>
      <al>Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 15</nr>
      <al>Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 16</nr>
      <al>In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 17</nr>
      <al>Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?</al>
    </vraag>
  </kamervragen>
</officiele-publicatie>