﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-ek-252613/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamervragen>
    <kamervraagkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamervragen</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="overig">
							Vragen gesteld door de leden der Kamer
						</tekstregel>
    </kamervraagkop>
    <kamervraagnummer>252613</kamervraagnummer>
    <kamervraagomschrijving type="vraag">Vragen van het lid <naam><achternaam>Van de Sanden</achternaam></naam> (Fractie-Van de Sanden) op <datum isodatum="2026-06-30">30 juni 2026</datum> medegedeeld aan de Minister van Buitenlandse Zaken <kamervraagonderwerp>over de inzet van de omnibusprocedure en het ontbreken van effectbeoordelingen in vervolg op eerder gestelde vragen over dit onderwerp d.d. 2 juni 2026.</kamervraagonderwerp></kamervraagomschrijving>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 1</nr>
      <al>Is de Minister bekend met het arrest van het Hof van Justitie (Grote Kamer) van 4 oktober 2024 in gevoegde zaken C 541/20 tot en met C 555/20 (Litouwen e.a. tegen Parlement en Raad, het ««Mobiliteitspakket»-arrest»), waarbij een bepaling van EU-wetgeving nietig is verklaard juist omdat het Parlement en de Raad niet konden aantonen dat zij over voldoende informatie beschikten om de evenredigheid ervan te beoordelen en zij geen beroep hadden gedaan op een «bijzondere situatie» ter rechtvaardiging van het ontbreken van een effectbeoordeling?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 2</nr>
      <al>Is de Minister het ermee eens dat dit dezelfde juridische toets is als waarop hij in zijn antwoord steunt en dat dit ook de toets is waarop de EU-wetgever in dit geval het onderspit heeft gedolven?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 3</nr>
      <al>Heeft de Minister de omnibuspakketten – in het bijzonder de Digitale Omnibus – specifiek aan deze maatstaf getoetst en niet slechts aan het algemene beginsel dat een effectbeoordeling niet in alle omstandigheden strikt vereist is?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 4</nr>
      <al>Is de Minister bekend met het besluit van de Europese Ombudsman van 27 november 2025 (zaak 983/2025/MAS, in samenhang met zaken 2031/2024/VB en 1379/2024/MIK), waarin zij heeft vastgesteld dat het brede gebruik van «urgentie» door de Commissie om effectbeoordelingen te omzeilen en raadpleging in te korten – ook in het kader van de omnibusprocedures – neerkwam op onbehoorlijk bestuur («maladministration»)?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 5</nr>
      <al>Is de Minister voorts bekend met het vervolgbesluit dat de Ombudsman op 25 juni 2026 heeft uitgebracht, waarin zij vaststelt dat de reactie van de Commissie en haar nieuwe communicatie inzake betere regelgeving haar twijfels over het vermogen van de Commissie om transparante, op bewijs gebaseerde en inclusieve wetgeving tot stand te brengen niet hebben weggenomen en waarin de Ombudsman uitdrukkelijk stelt dat veranderende politieke prioriteiten van de Commissie geen rechtvaardiging kunnen vormen voor het afwijken van de procedurele voorschriften die de verdragen vereisen?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 6</nr>
      <al>Handhaaft de Minister in het licht van het voorgaande zijn standpunt dat er «geen reden is om aan te nemen» dat het volgen van een omnibusprocedure zonder effectbeoordeling een grond voor onrechtmatigheid oplevert?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 7</nr>
      <al>Op welke grond acht de Minister de herhaalde – en meest recentelijk opnieuw bevestigde – bevindingen van onbehoorlijk bestuur door de Ombudsman ter zake van juist deze praktijk verenigbaar met dat oordeel?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 8</nr>
      <al>Is de Minister bekend met de wetenschappelijke analyse van prof. Alberto Alemanno (HEC Paris), getiteld The Legality of Omnibus Legislation Under EU Law, waarin hij vaststelt dat de huidige inzet van de omnibusprocedure een constitutionele functieverschuiving inhoudt namelijk van incidenteel administratief hulpmiddel voor technische consolidatie naar geprefereerde procedure in het kader van een brede deregulerings- en vereenvoudigingsagenda?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 9</nr>
      <al>Onderschrijft de Minister de analyse dat dit geen kwestie van schaalvergroting is, maar een verandering van constitutionele functie die structurele risico’s oplevert voor de democratische en procedurele integriteit van de Unie, waaronder de omzeiling van specifieke effectbeoordelingen, de verzwakking van de rol van vakcommissies van het Europees Parlement en het ontstaan van logrolling-effecten waarbij controversiële wijzigingen «meeliften» op minder omstreden onderdelen? Zo nee, op welke gronden wijkt het kabinet af van deze analyse?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 10</nr>
      <al>Prof. Alemanno waarschuwt dat normalisering van de huidige omnibuspraktijk zonder duidelijke grenzen dreigt te leiden tot constitutional drift – een permanente verschuiving van de institutionele balans tussen Commissie, Raad en Parlement – en pleit voor een specifiek, restrictief juridisch regime of interinstitutioneel kader dat heldere grenzen stelt aan wanneer en hoe omnibuswetgeving mag worden ingezet. Is de Minister bereid, mede gelet op zijn eigen uitgesproken bezorgdheid over het ontbreken van effectbeoordelingen, zich actief in te zetten voor de totstandkoming van een dergelijk interinstitutioneel kader – en zo ja, op welke termijn en via welke gremia?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 11</nr>
      <al>Is de Minister voorts bereid de implicaties van deze constitutionele dimensie mee te nemen in zijn standpuntbepaling ten aanzien van de Digitale Omnibus en toekomstige omnibuspakketten?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 12</nr>
      <al>De Minister stelt dat het erop zal aandringen dat de Commissie een «overtuigende rechtvaardiging» geeft wanneer een effectbeoordeling achterwege blijft. Kan de Minister nader specificeren wat het onder een dergelijke rechtvaardiging verstaat, onder verwijzing naar de maatstaf die het Hof in het Mobiliteitspakket-arrest heeft aangelegd (voldoende informatie, dan wel een ingeroepen «bijzondere situatie»)?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 13</nr>
      <al>Is de Minister bereid zijn eigen beoordeling van die rechtvaardiging aan beide Kamers beschikbaar te stellen voordat standpunten in de Raad worden ingenomen?</al>
    </vraag>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 14</nr>
      <al>Gelet op de drie hierboven geschetste ontwikkelingen – het Mobiliteitspakket-arrest, de bevindingen van de Ombudsman en de constitutionele analyse van prof. Alemanno – is de Minister bereid zijn eerdere conclusie dat er «geen meerwaarde» bestaat in een adviesvraag aan de Raad van State te heroverwegen?</al>
    </vraag>
  </kamervragen>
</officiele-publicatie>