﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36800-K-D/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>36 800</dossiernr>
        <begrotingshoofdstuk>K</begrotingshoofdstuk>
      </dossiernummer>
      <titel>Vaststelling van de begrotingsstaat van het Defensiematerieelbegrotingsfonds voor het jaar 2026</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer kamer="1">D</ondernummer>
      </stuknr>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datumtekst>Ontvangen <datum isodatum="2026-05-21">21 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Hierbij bieden wij u de antwoorden aan op de set schriftelijke vragen gesteld over de Ontwerbegroting DMF(K) over het jaar 2026.</al>
            <al>Mochten naar aanleiding van de beantwoording nog nadere vragen bestaan, dan lichten wij deze desgewenst mondeling toe. Wij gaan namelijk graag het gesprek met u aan, indien het uw kamer ook uitkomt, voor het zomerreces.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Defensie,</functie>
            <naam>
              <voornaam>D.</voornaam>
              <achternaam>Yeşilgöz-Zegerius</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Defensie,</functie>
            <naam>
              <voornaam>D.G.</voornaam>
              <achternaam>Boswijk</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>
            <nadruk type="ondlijn">Antwoorden op schriftelijke vragen over de Ontwerpbegroting over het DMF (K) over het jaar 2026 (Kamerstuk </nadruk>
            <dossierref dossier="36800-K">
              <nadruk type="ondlijn">36 800-K</nadruk>
            </dossierref>
            <nadruk type="ondlijn">)</nadruk>
          </titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">1.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De regering stelde in de behandeling in de Tweede Kamer dat de licentieovereenkomsten op de korte termijn zodanig noodzakelijk waren dat deze binnen de 40%- en 50%-doelstellingen zouden moeten vallen. A) Welk aandeel hebben licentieovereenkomsten op dit moment in de totale aanschaf van defensiematerieel? B) En kan de regering cijfers geven over hoeveel procent van de huidige aanschaf van materieel gezamenlijk (bilateraal, multilateraal of op EU-niveau) gebeurt en hoeveel procent van het aangeschafte materieel van Nederlandse of Europese bodem (exclusief licentieovereenkomsten)?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Het kabinet informeert uw Kamer in de Stand van Defensie over de doelstellingen die in het Coalitieakkoord zijn opgenomen. In de Stand van Defensie rapporteert Defensie tot op heden over het percentage materieelprojecten dat Defensie gezamenlijk met Europese partners inkoopt en over het percentage contracteringen dat bij Nederlandse bedrijven plaatsvindt. Deze getallen bieden echter nog beperkt inzicht in de locatie van de productie van het materieel. Dit geldt ook voor het aandeel van producten en/of componenten die onder licenties van bedrijven uit derde landen vallen. Defensie onderzoekt momenteel hoe het binnen de informatievoorziening in de Stand van Defensie zo goed mogelijk inzicht kan bieden in de voortgang van het beleidsdoel om de strategische autonomie van Nederland en Europa te versterken op het gebied van defensieproductie en opschaling. Defensie streeft er naar dat deze nieuwe cijfers gereed zijn voor de Stand van Defensie in het najaar van 2026. In de Stand van Defensie van het voorjaar van 2026 houdt Defensie nog vast aan de eerder gehanteerde getallen.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">2.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Is de 50%-doelstelling een minimum, een streefwaarde of een plafond? Zo nee, waarom lijkt de regering het woord «minstens» niet expliciet te willen gebruiken? Is de regering voorstander van het in de toekomst verder verhogen van deze norm?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Europa moet meer verantwoordelijkheid nemen voor de eigen veiligheid. Daarom werken Defensie en partners aan de versterking van de defensie-industrie, zodat deze kan voorzien in de behoefte van de krijgsmacht. Zoals opgenomen in de Beleidsbrief Defensie van 24 april jl. (Kamerstuk <extref doc="kst-36800-X-78" soort="document" status="actief">36 800 X, nr. 78</extref>) zet Defensie nog meer in op snellere productie en het opschalen van de Nederlandse en Europese Defensie-industrie. Dit stimuleren we door ernaar te streven om minstens 50% van ons materieel aan te schaffen in Nederland en Europa. Ook maken we slimme afspraken met internationale partners om de Nederlandse en Europese strategische autonomie te vergroten en streven naar minstens 40% gezamenlijke aanschaf.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">3.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Kan de regering omwille van de volgbaarheid hiervan per jaar vanaf 2026 in de Stand van Defensie een tabel opnemen met: a. het aandeel gezamenlijke inkoop, b. het aandeel Europese inkoop (ex. licentieproductie), c. het aandeel Europese licentieproductie van niet-Europese systemen. Zo nee, hoe kan het parlement de voortgang in dit dossier goed volgen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Zie het antwoord op vraag 1.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">4.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Kan de regering bevestigen dat een systeem niet als «Europees» wordt meegeteld indien de operationele inzet, software-updates, reservedelen, cloudtoegang of munitievoorziening in beslissende mate afhankelijk blijven van een niet-Europees moederbedrijf of exportregime?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Zie het antwoord op vraag 1.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">5.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Hoe voorkomt de regering dat Europese samenwerking in de praktijk vooral wordt ingevuld als «Europese assemblage van niet-Europese technologie», terwijl zodoende de strategische afhankelijkheid juist in stand kan houden, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>In EU-programma’s voor defensie-industrie zoals EDIP worden verschillende eisen opgenomen die dit moeten tegengaan. Ten eerste moet 65 procent van de componenten uit de EU komen. Ten tweede moet de hoofdaannemer uit de EU komen en juridisch bevoegd zijn om componenten uit derde landen te vervangen voor EU-alternatieven.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">6.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Een Europese pijler binnen de NAVO en geloofwaardige afschrikking vereist het opbouwen van allerhande capaciteiten, waaronder zeer belangrijk de enablers voor (gezamenlijk) militair optreden. Erkent de regering dat Artificial Intelligence (AI) eveneens een enabler is of zal worden voor militair optreden, en welke stappen zet de regering om in Europees verband AI-toepassingen voor wapensystemen te ontwikkelen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De rol van AI in het militair optreden wordt steeds belangrijker. Defensie zet daarom stappen om de gevechtskracht te versterken met AI. In dit kader wordt onder meer ingezet op de ontwikkeling van AI voor wapensystemen, maar ook voor andere doeleinden wordt AI ontwikkeld. Vanwege operationele veiligheid kan niet gedeeld worden welke stappen worden gezet in de ontwikkeling van wapensystemen. Deze vertrouwelijkheid komt voort uit het moeten afschermen van capaciteiten van Defensie om hiermee de effectiviteit van het militair optreden te borgen.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">7.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Wat doet de regering om samen met Europese partners AI-toepassingen voor defensiesystemen te ontwikkelen, die onze technologische afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech verminderen om onze strategische autonomie te vergroten? Is de regering bijvoorbeeld bezig om – samen met Europese en andere NAVO-bondgenoten – Europese alternatieven te helpen ontwikkelen voor Palantirs Maven Smart System (MSS) NATO?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Het vergroten van strategische autonomie heeft prioriteit voor Defensie. Strategische autonomie is daarbij geen doel op zichzelf, maar een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen. Daarom worden in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven contractuele, organisatorische en technische maatregelen getroffen. Daarnaast onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen voor MSS.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">8.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het MSS NATO wordt recent gebruikt in samenhang met Claude LLM van het eveneens Amerikaanse bedrijf Anthropic, zo constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. In hoeverre is het mogelijk om het MSS NATO – als Nederland of als Europese pijler binnen de NAVO – te gebruiken in samenhang met een alternatieve, Europese LLM zoals Le Chat van het Franse bedrijf Mistral?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Dat is mogelijk.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">9.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij een overzicht kan geven van:</nadruk>
              </al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="vet">het aandeel van alle defensie-uitgaven dat terechtkomt bij Nederlandse, Europese en niet-Europese bedrijven;</nadruk>
                  </al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="vet">het aandeel dat specifiek naar Amerikaanse en Israëlische defensiebedrijven gaat?</nadruk>
                  </al>
                </li>
              </lijst>
            </al-groep>
            <al>Uw Kamer wordt in de Stand van Defensie tot op heden geïnformeerd over het percentage contracteringen bij Nederlandse bedrijven. Het overige aandeel vindt plaats bij niet-Nederlandse bedrijven. In het coalitieakkoord streeft Defensie er naar om «50 procent in te kopen bij Nederlandse en Europese ondernemers» (inclusief licentieproductie en onderhoud). Zoals toegelicht onder vraag 1, herziet Defensie momenteel de informatievoorziening op dit thema en deelt nieuwe cijfers met uw Kamer in de Stand van Defensie in het najaar van 2026. Gelet op de beleidsdoelstelling om meer verantwoordelijkheid voor de Europese veiligheid te nemen, ziet Defensie geen noodzaak dit overige aandeel verder uit te splitsen in de Stand van Defensie. Over de uitgaven van Defensie aan materieel van producenten en leveranciers uit Israël en de VS gedurende de afgelopen jaren is uw Kamer reeds geïnformeerd met de brieven van 17 juni 2025 (<extref doc="kst-36725-X-6" soort="document" status="actief">36 725 X, nr. 6</extref>) en 16 april 2026 (MINDEF20260028717).</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">10.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Met welke Amerikaanse en Israëlische bedrijven zijn voor 2026 en latere jaren contracten afgesloten, en wat is de omvang daarvan in euro’s voor elk contract?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Defensie communiceert enkel openbaar over een beoogde leverancier – en daarmee het land van herkomst – als het betreffende bedrijf daarmee instemt. De inhoud van contracten waaronder de contractwaarde, is commercieel vertrouwelijk. Uw Kamer wordt in het Defensie Projectenoverzicht 2026 geïnformeerd over de beoogde leveranciers. Hiermee geeft Defensie binnen de mogelijkheden invulling aan de motie-Piri c.s. over elke voorgenomen verwerving van defensiematerieel bij leveranciers van buiten de EU melden aan de Kamer (<extref doc="kst-36800-X-34" soort="document" status="actief">36 800 X-34</extref>) van 10 maart 2026. Voor toekomstige projecten wordt uw Kamer conform de afspraken uit het DMP geïnformeerd over de voorgenomen aanschaf.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">11.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Hoe verhouden de aankopen van wapens en wapensystemen van defensiebedrijven van buiten de EU zich tot het streven naar versterking van de Europese defensie-industrie en strategische autonomie? Is de regering bereid ervoor te zorgen dat het aandeel van uitgaven aan materieel geleverd door bedrijven buiten de EU substantieel en op de kortst mogelijke termijn substantieel naar beneden gaat</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Defensie bereidt zich voor op het scenario waarbij het bondgenootschappelijk grondgebied actief moet worden verdedigd. Daarom versterkt Defensie met urgentie haar gevechtskracht met gerichte investeringen. Voor specifieke capaciteiten geldt dat er geen Europese marktpartijen zijn die kunnen voorzien in de urgente behoefte van de Nederlandse krijgsmacht. In die gevallen verwerft Defensie deze capaciteiten buiten Europa, ten behoeve van onze operationele gereedheid en de veiligheid van onze militairen. Dit laat onverlet dat Defensie in samenwerking met verschillende partners werkt aan een vitale Nederlandse en Europese defensie-industrie om nu en in de toekomst het voortzettingsvermogen van de Nederlandse en Europese krijgsmachten te garanderen.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">12.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">In hoeverre is er sprake van strategische afhankelijkheden van derde landen bij kritieke defensietechnologie en -infrastructuur? En om welke landen en wat voor soort afhankelijkheden gaat het dan?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Onderwerpen die inzicht geven in operationele belangen worden om veiligheidsredenen alleen in beslotenheid besproken. Dit betreft bijvoorbeeld gedetailleerde informatie over onze operationele gereedheid, specifieke operationele effecten, aantallen of de levertijd van het defensiematerieel. Het uitganspunt blijft een goede informatievoorziening, zodat het parlement haar controlerende taak kan uitoefenen en een goede afweging kan maken. Indien nodig wordt daarom informatie verstrekt in een vertrouwelijke bijlage of via een vertrouwelijke (technische) briefing. In samenspraak met uw Kamer, de Tweede Kamer en andere departementen willen we de juiste balans tussen vertrouwelijkheid en transparantie vinden.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">13.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">In hoeverre is er sprake van strategische afhankelijkheden van derde landen bij kritieke defensietechnologie en -infrastructuur? En om welke landen en wat voor soort afhankelijkheden gaat het dan?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Defensie doet in het openbaar geen uitspraken over eventuele afhankelijkheden ten aanzien van kritieke defensietechnologie en -infrastructuur.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">14.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Welke middelen worden in 2026 besteed aan AI, autonome systemen en digitale capaciteiten binnen Defensie, en hoe wordt geborgd dat de inzet daarvan in overeenstemming is met internationaal recht en ethische normen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Defensie rapporteert via de gebruikelijke kanalen over de besteding van middelen. In algemene zin is er in 2026 een centraal budget van 76,2 miljoen euro beschikbaar voor AI en autonome systemen. De inzet van AI, autonome systemen en digitale capaciteiten wordt altijd aan vigerend recht getoetst, zoals de AVG, de AI verordening en/of het internationaal recht. Zo toetst Defensie nieuwe middelen en methoden van oorlogvoering altijd aan het internationaal recht, waaronder ook met een AI-component. Deze toetsing vindt plaats conform Artikel 36 van het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. Naast deze toetsing vooraf beschikt Defensie over juridische ondersteuning op alle niveaus, waaronder juridisch adviseurs die commandanten ondersteunen bij de inzet van wapens en munitie. Daarnaast onderschrijft Defensie de door de NAVO geformuleerde principes voor het verantwoord gebruik van AI. Deze principes maken deel uit van het Defensiebeleid ten aanzien van AI. Daarnaast hanteert Defensie een standaard werkwijze voor de ontwikkeling van AI waarmee verantwoorde ontwikkeling wordt geborgd.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">15.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Kan de regering ingaan op in hoeverre zij voornemens is gebruik te maken van systemen van bedrijven zoals Palantir Technologies? Kan de regering toelichten wat de «pilot» met het Maven Smart System (MSS) van Palantir, zoals bericht in de NRC3, precies inhoudt, en wanneer met deze Pilot zal worden gestart en wanneer verwacht wordt dat deze wordt afgerond? Welke waarborgen met betrekking tot privacy en democratische controle worden hierbij op welke wijze in achtgenomen? Zijn er ook nog andere dergelijke pilots voorzien?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Hoewel Europese autonomie prioriteit heeft voor Defensie kan het vanuit operationele overwegingen wenselijk zijn om systemen te verwerven die door niet-Europese bedrijven ontwikkeld zijn, bijvoorbeeld omdat op korte termijn geen Europese alternatieven bestaan. Vanwege operationele veiligheid kan ik niet ingaan op de vraag wat de pilot met MSS precies inhoudt. Wel kan ik stellen dat het uitvoeren van pilots gebeurt altijd met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, waaronder de AVG.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">16.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De leden van de Volt-fractie vragen de regering of zij een overzicht kan geven van de investeringen die Nederland van plan is te doen om binnen de NAVO onafhankelijker van niet-Europese partners te worden op het gebied van «command and control»-infrastructuur. Hoe zit dit met additionele investeringen op het gebied van militaire inlichtingen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere bondgenoten.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">17.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De regering heeft aangegeven nauwer te willen samenwerken met Frankrijk op het gebied van de nucleaire afschrikking. Tot welke nieuwe investeringen leidt dit? Welke aanpassingen is de regering voornemens te doen aan in Nederland gelegen infrastructuur?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Over de inhoud van deze dialoog kunnen op dit moment publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken worden gedaan, anders dan de informatie uit de <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D09291" soort="URL" status="actief">Kamerbrief strategische samenwerking Frankrijk–Nederland</extref> van 2 maart 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-33279-40" soort="document" status="actief">33 279-40</extref>).</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">18.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De Minister van Financiën heeft onlangs het initiatief aangekondigd voor een «Multilateral Defence Mechanism». Hoe denkt de regering dit vorm te geven? Welke andere structuren is de regering voornemens in te richten voor gezamenlijke aankopen? Hoe verhoudt dit zich tot een EU-inkoopautoriteit? Hoe worden deze samenwerkingen opgenomen in de begroting?</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Hoe voorziet de regering parlementaire controle op de uitgaven aan dit fonds?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>In lijn met het coalitieakkoord verkent het kabinet samen met NAVO-partners binnen en buiten de Europese Unie de mogelijkheid voor het oprichten van een intergouvernementeel defensiemechanisme (Multilateraal Defensiemechanisme, MDM) voor de financiering van gezamenlijke defensieprojecten. Nederland zet er daarbij op in dat het MDM een financieringsinstrument wordt en geen duplicatie vormt van bestaande inkooporganisaties, zoals het NATO Support and Procurement Agency (NSPA). Nederland zet zich er daarom voor in dat het MDM geen uitvoering geeft aan de aanschaf van materieel en verschilt daarmee van een inkoopautoriteit. Defensie wil voor gezamenlijke aankopen daarnaast intensiever gebruikmaken van bestaande internationale samenwerkingsorganisaties, zoals het NSPA, het Europees Defensie Agentschap (EDA) en op termijn Organisation Conjointe de Coopération en matière d’Armement (OCCAR), zodra Nederland is toegetreden.</al>
            <al>Nederland heeft zich nog niet gecommitteerd aan deelname of financiering van een MDM.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">19.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De regering geeft in het coalitieakkoord aan om 40% van het materieel gezamenlijk te willen inkopen met partners, waarvan 50% met Europese partners. In de discussie in de Tweede Kamer beloofde de Staatssecretaris van Defensie duidelijkheid te verschaffen over de vraag of in dit percentage ook productie wordt meegenomen die in licentie van buiten Europa gelegen landen wordt uitgevoerd. Heeft de regering inmiddels een antwoord op die vraag?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De doelstellingen uit het coalitieakkoord zien op het versterken van de Nederlandse en Europese defensie-industrie en strategische autonomie. In de huidige rapportages in de Stand van Defensie wordt reeds gerapporteerd over het percentage materieelprojecten dat Defensie gezamenlijk met Europese partners inkoopt en over het percentage contracteringen dat bij Nederlandse bedrijven plaatsvindt. Daarbij worden momenteel ook licentieproductie en onderhoud meegenomen.</al>
            <al>Defensie onderkent dat deze cijfers op dit moment nog beperkt inzicht bieden in de daadwerkelijke locatie van productie en in het aandeel producten en/of componenten dat onder licentie van bedrijven uit derde landen valt. Daarom onderzoekt Defensie momenteel hoe binnen de informatievoorziening in de Stand van Defensie beter onderscheid kan worden gemaakt tussen gezamenlijke inkoop, Europese productie en Europese licentieproductie van niet-Europese systemen.</al>
            <al>Defensie streeft ernaar deze nieuwe cijfers gereed te hebben voor de Stand van Defensie in het najaar van 2026. Tot die tijd worden de eerder gehanteerde definities en methodieken aangehouden. Daarnaast geldt binnen EU-programma’s voor defensie-industrie dat voorwaarden worden gesteld om strategische afhankelijkheden te beperken, waaronder eisen ten aanzien van het aandeel EU-componenten en het gebruik van Europese hoofdaannemers.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">20.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Voor een gedeelte van het aangeschafte materieel is de daadwerkelijk inzet afhankelijk van toestemming van de landen waar het materieel is aangeschaft. Voor welk percentage van de geplande aanschaf gaat dit op? Is de regering voornemens dit percentage terug te brengen? Heeft Nederland eenzelfde of een gelijkluidend beding op leveranties vanuit Nederland?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Nederland besluit zelf over de inzet van in het buitenland aangeschaft materieel. Defensie is niet bekend met algemene beperkingen die door andere landen worden opgelegd voor de inzet van door Defensie aangeschafte wapensystemen. In sommige gevallen worden wel specifieke afspraken gemaakt omtrent restricties op de doorverkoop van wapensystemen en op de inzet van wapensystemen in bepaalde landen. Het kabinet hanteert eenzelfde beleid voor in Nederland geproduceerd materieel dat door andere landen wordt aangeschaft. Daarnaast geldt op basis van internationale afspraken en EU-wetgeving een vergunningsplicht in Nederland voor de uitvoer van strategische goederen en daaraan gerelateerde diensten.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">21.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Een deel van onze inzetbaarheid is afhankelijk van beschikbaarstelling door private ondernemingen. Dat geldt bijvoorbeeld voor satellietcapaciteit. Heeft Nederland hiervoor contracten onafhankelijk van NAVO-partners? Zijn er boeteclausules in de contracten opgenomen wanneer de private ondernemingen zich niet aan het contract houden?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Satellieten en ruimtetechnologie zijn van cruciaal belang voor de nationale veiligheid en de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Of het nu gaat om operaties op zee, op land, in de lucht of in het cyberdomein, in alle gevallen is de krijgsmacht afhankelijk van informatie vanuit de ruimte. Om kwetsbaarheden te beperken, maakt Defensie gebruik van de diensten van meerdere Europese en niet-Europese private leveranciers van satellietcapaciteit. Met deze leveranciers is een Service Level Agreement afgesloten aangaande tijdige levering en kwaliteit van satellietdata. Indien een leverancier zich niet houdt aan deze overeenkomst, dan compenseert de leverancier dit in toekomstige orders of vindt er geen betaling plaats.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">22.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Overeenkomstig met in NAVO-verband gemaakte afspraken zal Nederland 1,5% van het BNI vrijmaken voor aan defensie gerelateerde investeringen in civiele infrastructuur. Kan de regering aangeven welk budget hiervoor in 2026 beschikbaar is en wat daar precies onder zal vallen? Is de regering bereid om in de toekomst een overzicht van deze investeringen op te nemen in de voorliggende begroting? Kan de gebruikte formule voor de nota «Homogene Groep Internationale Samenwerking» hier een inspiratie voor zijn?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Tijdens de NAVO-top in Den Haag stemden de NAVO-bondgenoten in met het The Hague Defence Investment Plan. Bondgenoten spraken af dat in 2035 1,5% van het bbp dient te worden uitgegeven aan bredere veiligheid- en defensie-gerelateerde uitgaven om de uitvoering van zowel NAVO- als nationale defensieplannen mogelijk te maken. Dit kan gaan om bijvoorbeeld infrastructuur, industriële capaciteiten, weerbaarheid, innovatie en het aanleggen van strategische voorraden. Momenteel werkt het kabinet onder coördinatie van de Minister van Justitie en Veiligheid aan het maken van een nationale doorvertaling van de norm voor veiligheids- en defensiegerelateerde uitgaven (1,5% bbp). Hierover wordt dit jaar voor het eerst gerapporteerd aan de NAVO. Nederland deelt dan ook de verwachte omvang van de reguliere Defensie-uitgaven met de NAVO. Uw Kamer wordt hierover zoals gebruikelijkgeïnformeerd door de Minister van Defensie.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>