﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36800-C-B/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>36 800</dossiernr>
        <begrotingshoofdstuk>C</begrotingshoofdstuk>
      </dossiernummer>
      <titel>Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2026</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer kamer="1">B</ondernummer>
      </stuknr>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datumtekst>Ontvangen <datum isodatum="2026-05-15">15 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <tussenkop kopopmaak="vet">Inleidende opmerkingen</tussenkop>
            <al>Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over het wetsvoorstel tot Vaststelling van de begrotingsstaten van het Provinciefonds voor het jaar 2026. We danken de leden voor hun inbreng en gaan graag in op de in het verslag gestelde vragen.</al>
            <al>In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording van de vragen in gewone typografie. Daarbij is de volgorde van het verslag aangehouden.</al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Inleiding</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fracties van <nadruk type="vetcur">GroenLinks-PvdA</nadruk>, <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk>, <nadruk type="vetcur">PVV</nadruk>, <nadruk type="vetcur">D66</nadruk>, <nadruk type="vetcur">SP</nadruk>, <nadruk type="vetcur">PvdD</nadruk>, <nadruk type="vetcur">OPNL</nadruk> en <nadruk type="vetcur">fractie-Walenkamp</nadruk> hebben met belangstelling kennisgenomen van de begrotingsstaat provinciefonds 2026. Het ontbreken van adequaat inzicht geldt niet alleen voor het gemeentefonds, maar ook voor het provinciefonds. Naar aanleiding daarvan hebben de fracties van <nadruk type="vetcur">GroenLinks-PvdA</nadruk>, <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk>, <nadruk type="vetcur">D66</nadruk>, <nadruk type="vetcur">SP</nadruk>, <nadruk type="vetcur">PvdD</nadruk>, <nadruk type="vetcur">OPNL</nadruk> en <nadruk type="vetcur">fractie-Walenkamp</nadruk> gezamenlijk enkele vragen. Daarnaast hebben de leden van de fracties van de <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk> en <nadruk type="vetcur">PVV</nadruk> nog enkele andere vragen over de begroting van het provinciefonds. De leden van de fracties van <nadruk type="vetcur">CDA</nadruk>, <nadruk type="vetcur">JA21</nadruk> en <nadruk type="vetcur">fractie-Visseren-Hamakers</nadruk> sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA c.s.</nadruk>
            </al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Algemeen</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Onderschrijft de regering de constatering van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, D66, SP, PvdD, OPNL en fractie-Walenkamp en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) dat het adequaat inzicht over de medebewindstaken, de hiervoor beschikbare financiële middelen en de resterende ruimte voor autonome taken in relatie tot artikel 124 van de Grondwet ook ontbreekt bij het provinciefonds? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.</nadruk>
            </al>
            <al>Artikel 2 van de financiële verhoudingswet schrijft voor dat bij beleidsvoornemens die decentrale overheden raken de financiële gevolgen in kaart worden gebracht en dat wordt aangegeven welke bekostigingswijze de financiële gevolgen kunnen worden opgevangen. Op het moment dat wordt gekozen voor bekostiging via het provinciefonds worden hiervoor middelen aan het fonds toegevoegd. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd via de begrotingsstukken en de bijbehorende circulaires.</al>
            <al>De omvang van de fondsen volgt sinds 2024 de ontwikkeling van het nominaal bruto binnenlands product (bbp). De totale groei van het fonds kan dus niet zonder meer aan specifieke taken worden toegerekend. Meer algemeen komen de uitkeringen ten goede aan de algemene middelen van de provincie. Over de besteding van de middelen vanuit het provinciefonds hoeven provincies geen verantwoording af te leggen aan het Rijk. Zij zijn weliswaar verplicht om de benodigde middelen voor medebewindstaken in de begroting op te nemen (art. 193 Gemeentewet), maar hierbij geldt een aanzienlijke ruimte voor effectief en doelmatig beleid. Omdat de middelen uit de fondsen zelf niet geoormerkt zijn, is het mogelijk dat provincies integraal beleid maken over de taakvelden heen. Over de besteding van de middelen leggen gedeputeerde staten verantwoording af aan provinciale staten.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Welke initiatieven heeft de regering ondernomen om tot adequaat inzicht te komen? Wanneer kan de regering dit overzicht aanleveren? Wat is de voorziene planning?</nadruk>
            </al>
            <al>Op 9 januari jongstleden is de kabinetsreactie op de ROB adviezen «Afrekenen met disbalans» en Meters maken met Medebewind «met uw Kamer gedeeld<noot id="ID-1248086-d40e88" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken I, 2025/2026, <dossierref dossier="33047">33 047</dossierref></noot.al></noot>. In de kabinetsreactie is een verkenning aangekondigd. Daarin zal worden verkend hoe monitoring beter kan bijdragen aan het verbeteren van het gesprek over de balans tussen taken en middelen en waar nodig verder ontwikkeld kan worden. De uitkomst van de verkenning zal in de zomer met uw Kamer worden gedeeld.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan de leden van de fractie van de <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk> uiteenzetten of provincies het afgelopen decennium voldoende geld hebben ontvangen voor de extra taken en verantwoordelijkheden die zij kregen? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.</nadruk>
            </al>
            <al>Uw Kamer heeft op 9 mei 2025 een overzicht ontvangen van de financiële impact van bestaand en nieuw rijksbeleid op decentrale overheden<noot id="ID-1248086-d40e101" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>(Kamerstuk I 2024–2025, <extref doc="kst-36000-B-K" soort="document" status="actief">36 000 B, nr. K</extref>)</noot.al></noot>, met daarin alle mutaties in het provinciefonds (zowel structurele als incidentele) en specifieke uitkeringen vanaf 2010. Dit overzicht omvat alle extra taken en verantwoordelijkheden die provincies hebben gekregen. Zoals in de begeleidende brief is aangegeven, wordt bij uitbreiding van of bij nieuwe taken van oudsher artikel 2 Financiële-verhoudingswet toegepast, of als er sprake van nieuwe of aangepaste medebewindstaken artikel 108 lid 3 Gemeentewet dan wel artikel 105 lid 3 Provinciewet. Hierin is vastgelegd dat de financiële gevolgen van beleidsvoornemens onderzocht moeten worden en kwantitatief onderbouwd in de toelichting moeten worden beschreven. Is er sprake van het vorderen van medebewind, dan moeten de kosten door het Rijk vergoed worden.</al>
            <al>Verder ben ik continu met provincies in gesprek over hun financiële positie en de balans tussen taken, middelen en uitvoeringskracht. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de financiële positie van provincies in het Integraal Overzicht Financiën Provincies. Daaruit blijkt dat de financiële positie van provincies goed is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Welke kortingen zijn het afgelopen decennium aangebracht op uitkeringen uit het Provinciefonds? Vindt de regering deze nog terecht en rechtvaardig?</nadruk>
            </al>
            <al>In bijlage 1 treft u een overzicht van de uitnamen uit het provinciefonds (groen gearceerd) en de toelichting uit de bijbehorende circulaires bij deze mutaties. Deze uitnamen zijn het gevolg van overheveling van taken van provincies naar een andere overheid (bijvoorbeeld bij de muskusratbestrijding van provincies naar waterschappen) of naar een andere financieringsvorm (bijvoorbeeld projecten verkeer en vervoer van een decentralisatie-uitkering naar een specifieke uitkering). Een andere reden is dat provincies soms meebetalen aan een dienst waar ze mede gebruik van maken, bijvoorbeeld aan de Generieke Digitale Infrastructuur.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Tussen 1997 en 2017 bestond de Raad voor de financiële verhoudingen om de regering te adviseren over de financiële ondersteuning van gemeenten en provincies. Heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur deze taak formeel overgenomen? Zou het voor de continuïteit en praktische uitwerking beter zijn een wettelijke adviesorganisatie op te richten? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.</nadruk>
            </al>
            <al>De taken van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) zijn per 1 juli 2017 formeel ondergebracht bij de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). Daarmee adviseert de ROB sindsdien over de financiële verhoudingen tussen Rijk en decentrale overheden, naast zijn bredere taak om te adviseren over de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur, hierbij is bijzondere aandacht voor de beginselen van democratie en rechtsstaat.</al>
            <al>Uit recente externe evaluaties<noot id="ID-1248086-d40e123" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.raadopenbaarbestuur.nl/actueel/nieuws/2026/02/3/evaluatie-raad-voor-het-openbaar-bestuur-rob" soort="URL" status="actief">Evaluatie Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) | Raad voor het Openbaar Bestuur</extref></noot.al></noot> blijkt dat de ROB haar taak adequaat en consistent uitvoert. Het oprichten van een afzonderlijke wettelijke adviesorganisatie is niet wenselijk, omdat dit zou bijdragen aan versnippering van het adviesstelsel en de integrale benadering van bestuurlijke en financiële verhoudingen zou verzwakken.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Beleidsagenda</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan de leden van de fractie van de <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk> toelichten of door de groei van het aantal en de omvang van specifieke uitkeringen (SPUK’s) de financiering van de provincies niet te «complex» is geworden? Vindt de regering het terugbrengen van de SPUK’s wenselijk? Zo ja, hoe wil de regering dit doen?</nadruk>
            </al>
            <al>Het is van belang om terughoudend om te gaan met het instellen van nieuwe of het verlengen van bestaande specifieke uitkeringen. Zowel om de administratieve- en controlelasten te beperken alsmede de beleids- en bestedingsvrijheid van medeoverheden te bevorderen.</al>
            <al>Om vermindering van specifieke uitkeringen verder te bevorderen, is het instellen of verlengen van specifieke uitkeringen alleen mogelijk op basis van een kabinetsbesluit<noot id="ID-1248086-d40e145" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>(Kamerstuk II 2025/2026, <extref doc="kst-36915-1" soort="document" status="actief">36 915, nr. 1</extref>), p.25</noot.al></noot>. Op basis van een afwegingskader besluit het kabinet of de verstrekking van een specifieke uitkering voldoende onderbouwd is. Ook vindt overleg plaats met de koepels. De Kamer wordt over nieuwe specifieke uitkeringen dan wel verlenging van bestaande specifieke uitkeringen geïnformeerd. Daarnaast wordt er gewerkt aan het aanpassen van de Financiële-verhoudingswet. In het wetsvoorstel wordt de decentralisatie-uitkering aangepast naar een nieuwe uitkeringsvorm: de bijzondere fondsuitkering. De bijzondere fondsuitkering kan een alternatief bieden voor de specifieke uitkering. In het wetsvoorstel wordt naast de nieuwe uitkeringsvorm ook ingezet op het verminderen van de lasten die samenhangen met specifieke uitkeringen zodat de specifieke uitkering een minder belastende uitkeringsvorm wordt, voor zowel medeoverheden als het Rijk.</al>
            <al>Op 23 maart 2026 heeft de Raad van State haar advies gepubliceerd over het wetsvoorstel.<noot id="ID-1248086-d40e157" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/maart/advies-wijziging-financiele-verhoudingen/" soort="URL" status="actief">Advies over wetswijziging financiële verhoudingen tussen het Rijk en medeoverheden - Raad van State</extref> (W04.26.00003/I.herziening)</noot.al></noot> Het streven is om het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in te dienen bij de Tweede Kamer.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan deze leden aangeven of zij bereid is, ter versterking van de provinciale democratie en bovenop de ondersteuning op grond van de nieuw voorgestelde Wet financiering politieke partijen, ook in het Provinciefonds hiervoor een geoormerkte component op te nemen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Voor de uitvoering van de Wet op de Politieke Partijen (Wpp) is € 8,15 mln. per jaar gereserveerd voor subsidie aan decentrale politieke partijen. Streven is om de Wpp per 2028 in werking te laten treden. Tot die tijd is er geen wettelijke grondslag om deze middelen uit te keren. Tijdens de begrotingsbehandeling 2026 van BZK in de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn de volgende amendementen m.b.t. dit budget voor 2026 aangenomen:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Gewijzigd amendement van de leden Sneller en Meulenkamp ter vervanging van nr. 36 over extra middelen voor ProDemos<noot id="ID-1248086-d40e179" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Kamerstuk II 2025/2026, <extref doc="kst-36800-VII-93" soort="document" status="actief">36 800 VII, nr. 93</extref>)</noot.al></noot> – a € 1,5 mln.</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Gewijzigd amendementvan het lid Meulenkamp ter vervanging van nr. 34 over een pilot om AI toe te passen bij het verwerken van WOO-verzoeken<noot id="ID-1248086-d40e191" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Kamerstuk II 2025/2026, <extref doc="kst-36800-VII-92" soort="document" status="actief">36 800 VII, nr. 92</extref>)</noot.al></noot>  – a € 1 mln.</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Gewijzigd amendement van de leden Clemminck en Tijs van den Brink ter vervanging van nr. 16 over een decentralisatie-uitkering ten gunste van lokale politieke partijen<noot id="ID-1248086-d40e203" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Kamerstuk II 2025/2026, <extref doc="kst-36800-B-19" soort="document" status="actief">36 800 B, nr. 19</extref>)</noot.al></noot> – a € 5,45 mln.</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Bij elkaar opgeteld komen deze amendementen op een totaal van € 7,95 mln. Het overige bedrag zal worden ingezet voor onderzoek in aanloop naar de Wpp. De aangenomen amendementen laten binnen de gereserveerde budgetten geen ruimte voor aanvullende middelen voor het provinciefonds in 2026.</al>
                </li>
              </lijst>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Beleidsartikelen</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Leidde de invoering van het op het onderzoek van CEBEON gebaseerde verdeelmodel tot grote financiële gevolgen voor sommige provincies? Kan de regering aan de leden van de fractie van de <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk> aangeven wat zij eraan kan doen om deze gevolgen te verzachten?</nadruk>
            </al>
            <al>De tussenstap per 1 januari 2026 is geheel conform het ontvangen voorstel van het Interprovinciaal overleg (IPO) vormgegeven. Deze tussenstap is in overleg met de provincies zo vorm gegeven dat er geen verder verzachtende maatregelen nodig waren. Uw Kamer is per brief d.d. 3 juli 2025 (Kamerstukken I 2024/25, <extref doc="kst-34568-1" soort="document" status="actief">34 568, nr. 1</extref>) over dit voorstel geïnformeerd.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan deze leden aangeven welke verschillen er zijn tussen de «verdeelsleutels» voor het Provincie- en Gemeentefonds om te berekenen hoeveel beide financieel worden gesteund door het Rijk? Welke elementen staan in beide?</nadruk>
            </al>
            <al>De uitgangspunten voor de mate van financiële steun aan een gemeente dan wel provincie door het Rijk zijn identiek en staan los van de omvang van beide fondsen en de verdeelmodellen. Financiering van gemeenten en provincies door het Rijk kan door toevoeging van middelen aan het gemeentefonds/provinciefonds of middels een specifieke uitkering. De ontwikkeling van de omvang van het gemeentefonds en het provinciefonds is dan ook afhankelijk van de aan hen toegekende taken die via het gemeentefonds/provinciefonds worden gefinancierd.</al>
            <al>Het is van belang dat provincies en gemeenten over voldoende middelen (financieel als qua bevoegdheden) en uitvoeringskracht (menskracht, praktisch uitvoerbaar/organisatie) beschikken bij de uitvoering van hun taken. Gemeenten en provincies moeten dan ook op grond van de Gemeente- en Provinciewet betrokken worden bij de beleidsontwikkeling en de besluitvorming over taken die door het Rijk bij gemeenten en provincies worden neergelegd. Bij uitbreiding van of bij nieuwe taken wordt van oudsher artikel 2 Financiële-verhoudingswet of als er sprake is van nieuwe of aangepaste medebewindstaken artikel 108 lid 3 Gemeentewet dan wel artikel 105 lid 3 Provinciewet toegepast. Hierin is vastgelegd dat de financiële gevolgen van beleidsvoornemens onderzocht moeten worden en kwantitatief onderbouwd in de toelichting moeten worden beschreven. Is er sprake van het vorderen van medebewind, dan moeten de kosten door het Rijk worden vergoed.</al>
            <al>Financiering van gemeenten en provincies door het Rijk kan dan, zoals bij het begin van dit antwoord reeds aangegeven, door toevoeging van middelen aan het gemeentefonds/provinciefonds of middels een specifieke uitkering.</al>
            <al>Daar waar financiering plaatsvindt via het gemeentefonds dan wel provinciefonds geldt dat de systematiek en de uitgangspunten van de beide fondsen identiek zijn. Voor beide fondsen geldt dat de omvang van het fonds het bruto binnenlands product volgt. In beide gevallen komt de verdeling van de middelen over gemeenten dan wel provincies bij een nieuwe of gewijzigde taak tot stand in overleg met de koepel, te weten de Vereniging Nederlandse Gemeenten dan wel het Interprovinciaal Overleg.</al>
            <al>De verdeelmodellen van beide fondsen hebben als uitgangspunt iedere gemeente/provincie een gelijkwaardige financiële uitgangspositie te geven, zodat gemeenten/provincies een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiseren tegen gelijke belastingdruk. Aan de uitgavenkant bij de verdeling van de middelen van het gemeentefonds/provinciefonds wordt rekening gehouden met de kosten die gemeenten/provincies moeten maken, gegeven de objectieve kostenbepalende kenmerken van elke gemeente/provincie (kostenoriëntatie). Daarnaast wordt aan de inkomstenkant rekening gehouden met verschillen in de mogelijkheden die gemeenten/provincies hebben om een deel van hun uitgaven uit eigen middelen te bekostigen (inkomstenverevening).</al>
            <al>Echter aangezien de taken (uitgaven) en inkomsten van gemeenten en provincies verschillen, verschillen ook de verdeelmaatstaven tussen beide modellen. Gezien de wettelijke taak van gemeenten ten aanzien van de bijstand en Wet maatschappelijke ondersteuning ontvangen gemeenten waar bijvoorbeeld relatief veel mensen in de bijstand zitten of relatief veel ouderen wonen extra middelen. Provincies hebben deze taken niet en kennen dan ook niet deze maatstaven. Aan de inkomstenkant geldt dat gemeenten met een lage WOZ-waarde per inwoner hogere bijdragen uit het gemeentefonds ontvangen. Bij provincies geldt dat provincies met lage opcenten per inwoner een hogere bijdrage uit het provinciefonds ontvangen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ziet de regering mogelijkheden om voor provincies en gemeenten meer op dezelfde manier hun financiële bijdrage van het Rijk te gaan berekenen?</nadruk>
            </al>
            <al>Sinds 2023 wordt in het kader van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden stelselmatig bij nieuw beleid of aanpassing van bestaand beleid nagegaan, of deze balans is tussen ambitie, taken, middelen (financieel als qua bevoegdheden) en uitvoeringskracht (menskracht, praktisch uitvoerbaar/organisatie) er is.</al>
            <al>Uitgangspunt hierbij is dat de (koepels van) decentrale overheden vanaf de start betrokken worden om mee te denken over de vormgeving van het beleid en daarbij bovengenoemde balans te bewaken. Waar nodig worden uitvoeringstoetsen uitgevoerd, zodat duidelijk wordt of en hoe het nieuwe beleid uitvoerbaar is voor gemeenten en provincies. Bij nieuwe of aangepaste beleidsvoornemens met gevolgen voor gemeenten wordt als onderdeel van de UDO, zoals al van oudsher gebruikelijk was, ook artikel 2 Financiële-verhoudingswet toegepast of in geval van medebewindstaken artikel 108 lid 3 Gemeentewet dan wel artikel 105 lid 3 Provinciewet. De wijze van berekening van de benodigde middelen verschilt van taak tot taak. Dit komt doordat elke taak uniek is en eigen specifieke omstandigheden kent.</al>
            <al>De uitkomsten van een UDO – inclusief achterliggende onderzoeken, zoals een uitvoeringstoets – zijn openbaar en worden met de Kamer gedeeld, bijvoorbeeld doordat ze zijn opgenomen in de memorie van toelichting of in een brief aan de Kamer over het onderwerp waar de UDO betrekking op heeft.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ziet de regering kansen voor een vereenvoudiging van deze complexe systematiek?</nadruk>
            </al>
            <al>Het streven van het Kabinet is om uw Kamer steeds zo transparant en navolgbaar mogelijk te informeren over beleidsvoornemens die medeoverheden raken inclusief de daarmee gepaard gaande beschikbare financiële middelen. In zoverre deze middelen aan het gemeentefonds/provinciefonds worden toegevoegd, wordt uw Kamer daar via de begrotingsstukken en daarbij behorende circulaires van het gemeentefonds/provinciefonds expliciet nader over geïnformeerd. Evenzo ontvangt uw Kamer jaarlijks in mei het Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen, waarin u een overzicht vindt van de door het Rijk verstrekte specifieke uitkeringen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering toelichten of het totaal van het Provinciefonds nu jaarlijks voor de inflatie/deflatie gecorrigeerd wordt? Zo niet, waarom gebeurt dit niet en in hoeverre worden de provincies hierdoor (net als de gemeenten) benadeeld? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.</nadruk>
            </al>
            <al>Vanaf 2024 volgen het gemeente- en provinciefonds meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bruto binnenlands product (bbp). De ontwikkeling wordt gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen wordt gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt. Het prijsdeel volgt de prijsontwikkeling van het bbp van het lopende jaar. Conform Rijksbrede systematiek wordt de index in het voorjaar van het lopende jaar definitief vastgesteld.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">5.</nr>
              <titel>Provinciefonds in breder perspectief</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De provincies worden nu deels gefinancierd vanuit de opcenten op de brandstof. Doordat steeds meer auto’s elektrisch rijden wordt deze financiering onzeker. Kan de regering aan de leden van de fractie van de <nadruk type="vetcur">BBB</nadruk> aangeven welke opties zij ziet om de inkomsten van de provincies uit te breiden met specifieke, in de wet op te nemen, provinciale belastingen? Zijn er wellicht Europese landen die al een oplossing voor dit probleem hebben gevonden? Zo ja, welke oplossingen zijn er gevonden en wat kan Nederland hiervan leren? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.</nadruk>
            </al>
            <al>In 2021 heeft uw Kamer het rapport van de werkgroep Herziening provinciaal belastinggebied ontvangen.<noot id="ID-1248086-d40e260" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>(Kamerstuk I 2020/2021, <dossierref dossier="35570-C">35 570 C</dossierref>)</noot.al></noot> In dit rapport staan opties om het provinciaal belastinggebied verder uit te breiden. Mochten gemeenten en/of provincies behoefte hebben aan verruiming van het lokaal belastinggebied, dan ben ik bereid daarover met hen in gesprek te gaan.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan deze leden aangeven welke verschillen er zijn tussen provincies in hoeveel (percentages) belastingen zij heffen, zoals bij de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting (MRB)? Hoe groot zijn de verschillen? Heeft de regering wettelijke bevoegdheden om hierin in te grijpen, zoals door verschillen binnen bandbreedtes te houden? Wil de regering dat hier meer wettelijke bevoegdheden voor zijn?</nadruk>
            </al>
            <al>Jaarlijks bevat de meicirculaire van het provinciefonds in Bijlage 9 een overzicht van de opcenten en de opbrengst van de opcenten per provincie.</al>
            <al>Deze was voor het jaar 2024 als volgt.</al>
            <plaatje>
              <illustratie kleur="nee" type="lijn" uitlijning="start" formaat="png" naam="kst-36800-C-B-001.png" positionering="block" breedte="110mm" hoogte="68mm" />
            </plaatje>
            <al>Een «opcent» is een opslagpercentage op een wettelijk vastgesteld basistarief van de motorrijtuigenbelasting. De provincie Groningen heeft dus in 2024 95,7% van het vastgestelde basistarief geheven.</al>
            <al>De hoogte van de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting zijn wettelijk begrensd. Op grond van artikel 222 Provinciewet mogen provincies zelfstandig het aantal opcenten vaststellen, mits zij binnen het wettelijk maximum blijven en het aantal opcenten moet voor alle motorrijtuigen binnen één provincie gelijk zijn. Voor het jaar 2026 bedraagt het wettelijk maximum 144,0 opcenten. De provinciale opcenten zijn, zoals in de tabel te zien, (ruim) onder het wettelijk maximum vastgesteld.</al>
            <al>De wettelijke systematiek is mede gebaseerd op provinciale belastingautonomie. Het kabinet kan niet ingrijpen in individuele provinciale tarieven zolang deze onder het wettelijk maximum blijven en voldoen aan de overige wettelijke voorwaarden. Indien verdere harmonisatie wenselijk zou zijn, zou daarvoor aanvullende wetgeving nodig zijn. Bijvoorbeeld door het maximum te verlagen of minimumpercentages voor te schrijven. Daarmee wordt echter de provinciale belastingautonomie verder beperkt.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan deze leden toelichten of de provincies van het Rijk, al dan niet via het Provinciefonds, financiële middelen krijgen om landbouwgrond te gaan gebruiken voor zonneparken en windmolens? Hoeveel geld geeft het Rijk hiervoor jaarlijks aan de provincies? Wat is hiervoor de wettelijke basis?</nadruk>
            </al>
            <al>Nee, provincies ontvangen geen directe financiering van het Rijk om landbouwgronden ter beschikking te stellen voor de realisatie van windturbines en zon-PhotoVoltaic (zon-PV) op land. Jaarlijks kunnen exploitanten van nieuw te realiseren windturbines en grootschalige zon-PV projecten een aanvraag indienen om financiering te ontvangen via de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++).</al>
            <al>Het is aan de provincies en gemeenten om in samenwerking met de lokale Regionale Energie Strategieën (RES’en) zoekgebieden aan te wijzen voor de inpassing van hernieuwbare energie op land. Eerder is in 2023 bestuurlijk afgesproken tussen het Rijk, IPO, VNG, UvW en NBNL dat zon-PV wordt ingepast via de volgordelijkheid van de Aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon, en is het gebruik van landbouwgronden in principe ongewenst verklaard. [Kamerbrief <extref doc="kst-32813-1310" soort="document" status="actief">32 813, nr. 1310</extref>]</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering richting deze leden toelichten of zij zicht heeft op de omvang en waarde van de bezittingen van de provincies, zoals grond en gebouwen? Groeit hun bezit of neemt dit af? Als de regering hier geen goed zicht op heeft, is zij dan bereid hierover een (jaarlijkse) monitor hierover te publiceren? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet heeft hier zicht op. Via Informatie voor Derden (Iv3) leveren provincies jaarlijks balansdata aan, waarop alle bezittingen (activa) in categorieën staan. Via het Integraal Overzicht Financiën Provincies wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de ontwikkeling van het totaal van de immateriële en materiële vaste activa, dat geactiveerde kosten, bijdragen aan activa in eigendom van derden, gronden en terreinen, woonruimten en bedrijfsgebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, vervoermiddelen, machines, apparaten en installaties omvat. Deze groeiden in 2024 met 5,1 procent en sinds 2020 gemiddeld met 5,4 procent per jaar. Er worden in het Integraal Overzicht ook andere kengetallen op basis van balans- en exploitatiedata getoond, zoals netto schuldquote, eigen vermogen en solvabiliteit. (<extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/01/integraal-overzicht-financien-provincies-2025" soort="URL" status="actief">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/01/integraal-overzicht-financien-provincies-2025</extref>)</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de <nadruk type="vetcur">PVV</nadruk> hebben enkele vragen en opmerkingen over de opcenten op de MRB. De regering heeft als mogelijke maatregel in verband met de hoge brandstofprijzen aangekondigd te overwegen de motorrijtuigenbelasting te verlagen.</nadruk>
              <extref doc="#_bookmark0" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">
                  <sup>1</sup>
                </nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur"> Provincies heffen op basis van artikel 222 van de Provinciewet opcenten op de MRB. De hoogte van de opcenten op de MRB is vervolgens weer bepalend voor de verdeling van het provinciefonds.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering aan deze leden toelichten of zij bereid is om de provincies aan te sporen om ook het tarief opcenten op de MRB te verlagen en zo ook de automobilisten financieel meer lucht te geven? Is de regering daarnaast bereid om daarbij te voorkomen dat dit een nadelig effect heeft op de provincies en de verdeling van het provinciefonds?</nadruk>
            </al>
            <al>De regering heeft in de Kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» maatregelen aangekondigd om specifieke groepen weggebruikers financieel tegemoet te komen.<noot id="ID-1248086-d40e310" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>«Verlaging MRB en verhoging onbelaste kilometervergoeding opties voor kabinet», <nadruk type="cur">Taxlive </nadruk>13 april 2026, <extref doc="https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/verlaging-mrb-en-verhoging-onbelaste-kilometervergoeding-opties-voor-kabinet/" soort="URL" status="actief">https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/verlaging-mrb-en-verhoging-onbelaste-kilometervergoeding-opties-voor-kabinet/.</extref></noot.al></noot> Daarbij is onder andere gekozen voor een verlaging van de MRB voor bestelauto’s van ondernemers en voor vrachtauto’s. Voor personenauto’s heeft het kabinet ingezet op andere maatregelen om de betaalbaarheid van mobiliteit te verbeteren en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Zo wordt de openstelling van een inruilregeling voor oude fossiele personenauto’s versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Deze regeling is bedoeld voor huishoudens met lagere (midden)inkomens om een oude fossiele auto te laten slopen en met subsidie een tweedehands elektrische auto aan te schaffen.</al>
            <al>De gekozen verlaging van de MRB voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtauto’s heeft geen effect op de provinciale opcenten, aangezien provinciale opcenten niet op deze voertuigcategorieën worden geheven. Daarom heeft de regering geen aanleiding gezien provincies aan te sporen hun tarieven voor de provinciale opcenten te verlagen. Deze maatregel heeft dan ook geen gevolgen voor de inkomstenpositie van provincies en/of voor de verdeling de middelen van het provinciefonds.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering deze leden duiden in hoeverre provincies zelf ruimte hebben om de opcenten per voertuigcategorie te kunnen verlagen, bijvoorbeeld voor dieselwagens nu de diesel onevenredig duur is?</nadruk>
            </al>
            <al>Dat is niet mogelijk. Op grond van artikel 222 Provinciewet stellen provincies zelfstandig het aantal opcenten vast, onder de voorwaarde dat het aantal opcenten voor alle motorrijtuigen binnen één provincie gelijk is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de regering deze leden aangeven in hoeverre zij het wenselijk vindt dat bepaalde provincies hun opcenten jaarlijks automatisch indexeren en daarmee het verhogen van de kosten voor de automobilist niet onderbouwen?</nadruk>
            </al>
            <al>Het vaststellen van de provinciale opcenten maakt onderdeel uit van de provinciale belastingautonomie. Provinciale staten zijn bevoegd om zelf te bepalen op welke wijze zij omgaan met indexatie van tarieven. Het kabinet acht het aan provincies zelf om hierin een afweging te maken en hierover politieke verantwoording af te leggen aan de provinciale staten.</al>
            <al>Het kabinet acht het wel begrijpelijk dat provincies bij de vaststelling van hun tarieven rekening houden met loon- en prijsontwikkelingen. Voor het rijksdeel van de motorrijtuigenbelasting worden de wettelijke tarieven immers ook jaarlijks geïndexeerd. Daarbij is van belang dat het wettelijke maximumaantal opcenten op grond van artikel 222, vijfde lid, Provinciewet jaarlijks automatisch wordt geïndexeerd via de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 Wet inkomstenbelasting 2001. Provincies hebben daarmee ruimte om hun tarieven, binnen het wettelijke maximum, aan te passen aan prijsontwikkelingen.</al>
            <al>Mede namens de Staatssecretaris van Financiën,</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
            <naam>
              <voornaam>P.E.</voornaam>
              <achternaam>Heerma</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
        <bijlage status="goed">
          <kop kopopmaak="vet">
            <label>BIJLAGE</label>
            <nr status="officieel">1</nr>
          </kop>
          <plaatje>
            <illustratie kleur="nee" type="lijn" uitlijning="start" formaat="png" naam="kst-36800-C-B-002.png" positionering="block" breedte="110mm" hoogte="78mm" />
          </plaatje>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Muskusrattenbestrijding meicirculaire 2010</tussenkop>
          <al>In het bestuurlijk overleg van 7 april 2010 is afgesproken dat de muskus- en beverrattenbestrijding per 1 januari 2011 wordt overgedragen van de provincies aan de waterschappen. Uitgangspunt is dat de taakoverdracht tijdig wettelijk geregeld is. De taakoverdracht gaat gepaard met een uitname uit het provinciefonds van € 19 mln. De verdeling van de uitname over de provincies zal via de maatstaven worden meegenomen in het nieuwe verdeelsysteem voor het provinciefonds. De fondsbeheerders streven ernaar om dit systeem per 1 januari 2012 in te laten gaan. Voor 2011 zal de verdeling worden gebaseerd op de verdeling van de toevoeging van de middelen voor de muskusrattenbestrijding in 1994, zie tabel 2 van bijlage 11 van deze circulaire. Om de herverdeeleffecten in 2011 zo klein mogelijk te houden wordt een bedrag van € 31,469 mln. uitgenomen via de uitkeringsfactor. Vervolgens wordt € 12,469 mln. verdeeld via de decentralisatie-uitkering muskusratten. Zie voor de decentralisatie-uitkering bijlage 11 van deze circulaire. De totale uitname voor de muskusratten bedraagt dan € 19 mln. Zonder de uitname van € 19 mln. (maar met uitname van € 290 mln.) zou de uitkeringsfactor 1,452 hebben bedragen. Deze systematiek komt overeen met de systematiek die is gehanteerd bij de uitname van € 290 mln. en de verdeling hiervan (zie paragraaf 4.2).</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) taken (naar GF) decembercirculaire 2013</tussenkop>
          <al>Decentralisatie provinciale taken vergunningverlening, toezicht en handhaving Vanwege de overdracht van taken aan gemeenten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) bij provinciale inrichtingen wordt de algemene uitkering voor de jaren 2014 tot en met 2017 met € 40,758 mln. en vanaf 2018 met structureel € 46,700 mln. verlaagd. In de bedragen is rekening gehouden met de bij provincies achterblijvende wettelijke taak betreffende de coördinatie van de handhavingssamenwerking binnen de provincie en de regie op de kwaliteitscriteria. Het lagere bedrag voor de jaren 2014 tot en met 2017 wordt veroorzaakt door een verrekening van de transitiekosten van de Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s; zie paragraaf 2.2 van de decembercirculaire 2012). De overdracht van taken heeft namelijk gevolgen voor de mate waarin gemeenten en provincies hun transitiekosten kunnen terugverdienen. Tabel 3.3 Decentralisatie-uitkering Natuur 2014 (bedragen in euro’s) 2014 Groningen 9.700.000 Fryslân 25.600.000 Drenthe 19.750.000 Overijssel 21.250.000 Gelderland 24.550.000 Utrecht 11.400.000 Noord-Holland 17.200.000 Zuid-Holland 14.800.000 Zeeland 9.700.000 Noord-Brabant 26.300.000 Limburg 18.950.000 Flevoland 5.800.000 Totaal 205.000.000 Decembercirculaire provinciefonds 2013 10 De uitname vindt plaats via de maatstaven woonruimten (€ – 2,66), land (€ – 5,04) en inrichtingen (€ – 4.557,60) in het cluster Water en milieu. De afgelopen periode is samen met VNG en IPO benut om de financiële consequenties van de overdracht van taken helder te krijgen. Daartoe is onder meer in kaart gebracht welke middelen in het provinciefonds zijn gemoeid met de inrichtingsgebonden VTH-taken en welk deel daarvan moet achterblijven bij de provincies. Ook is een grondslag ontwikkeld voor de verdeling over de afzonderlijke gemeenten en provincies. Deze is gebaseerd op de feitelijke aanwezigheid van inrichtingen en de zwaarte daarvan. De onderzoeken namen onvoorzien extra tijd in beslag waardoor de mededelingen in eerdere circulaires beperkt zijn gebleven. Binnen het cluster Water en milieu sluit een uitname via bovengenoemde maatstaven en gewichten het meest aan bij de uitkomsten van het onderzoek waarin een grondslag is ontwikkeld voor de verdeling over de afzonderlijke gemeenten en provincies. Dat neemt niet weg dat sprake is van verschillen. Op verzoek van het IPO zullen deze in het bredere perspectief van het onderhoudstraject provinciefonds worden bezien.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Landelijk Meldpunt Afval septembercirculaire 2016</tussenkop>
          <al>De provincies en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu hebben een convenant gesloten over de overheveling van de financiering van het Landelijk Meldpunt Afval (LMA) van provincies naar het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu wordt hierdoor vanaf januari 2017 verantwoordelijk voor de opdrachtverlening aan Rijkswaterstaat. Het convenant leidt vanaf 2017 tot een structurele verlaging van de algemene uitkering van € 1,995 mln. In afwachting van de besluitvorming over het nieuwe verdeelmodel, voortvloeiend uit het traject commissie Jansen, vindt verdeling van de uitname plaats via een verlaging van de vaste bedragen voor de ontwikkeltaken, onderdeel Water en milieu – bodem. De bedragen per provincie die in mindering zijn gebracht sluiten aan bij de verdeling die in IPO-verband overeen is gekomen en zijn opgenomen in tabel 2.2.4.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Vervoerregio Amsterdam meicirculaire 2021</tussenkop>
          <al>Het Ministerie van BZK, de provincies en het IPO zijn in overleg over de juiste verwerking van de fusie van de gemeente Haarlemmermeer met de gemeente Haarlemmerliede Spaarnwoude in de maatstaf inwoners vervoerregio. De fusie heeft per 1 januari 2019 plaatsgevonden, maar de verkeer- en vervoertaken op het grondgebied van Haarlemmerliede Spaarnwoude blijven tot 1 januari 2022 uitgevoerd door de provincie Noord-Holland in plaats van de vervoerregio Amsterdam. Haarlemmermeer valt reeds onder de vervoerregio Amsterdam. In afwachting van een bestuurlijk akkoord vanuit het IPO heeft dit naar verwachting in de komende septembercirculaire de volgende twee aanpassingen tot gevolg: 1) Correctie van de maatstaf inwoners vervoerregio met terugwerkende kracht voor de uitkeringsjaren 2019 en 2020, omdat de algemene uitkering van Noord-Holland voor die jaren ten onrechte is gekort ten gunste van de andere provincies. 2) Een structurele uitname uit het provinciefonds vanaf 2022 omdat de verkeer – en vervoertaken van Haarlemmerliede Spaarnwoude per 1 januari 2022 overgaan van de provincie Noord-Holland naar de vervoerregio Amsterdam. In deze uitname zal ook de toekomstige fusie van Weesp met Amsterdam (2022) worden verwerkt, omdat als gevolg van deze fusie de verkeer- en vervoertaken van Weesp eveneens overgaan naar de vervoerregio Amsterdam. In de herijking van het provinciefonds (zie paragraaf 4.4) zal expliciet aandacht worden besteed aan de problematiek ten aanzien van grensverschuivingen tussen provincies en vervoerregio’s in relatie tot het verdeelmodel. Ook zal de afhankelijkheid tussen het provinciefonds en de financiering van de vervoersregio’s in de herijking worden meegenomen.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Projecten verkeer en vervoer meicirculaire 2021</tussenkop>
          <al>Met ingang van 2021 is de decentralisatie-uitkering Projecten verkeer en vervoer omgezet naar een specifieke uitkering. Dit om de rechtmatigheid van de uitkering te waarborgen. De beschikbare middelen bedragen structureel € 22,84 mln. vanaf 2021. Zie voor een toelichting paragraaf 3.2 van de decembercirculaire 2020.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">RA I92 Publieke omroep meicirculaire 2013</tussenkop>
          <al>Met ingang van 2014 is de algemene uitkering met een bedrag van € 142 mln. verlaagd vanwege het centraliseren van het budget voor regionale omroepen (zie ook hoofdstuk 1 van de decembercirculaire 2012). Door deze maatregel uit het Regeerakkoord worden de regionale omroepen niet langer gefinancierd door de provincies, maar door het Rijk. Het budget is overgeheveld van het provinciefonds naar de begroting van het Ministerie van OCW. De uitname vindt plaats naar verhouding van de maatstaven in het cluster Voorzieningen exclusief de maatstaf jongeren. Naar aanleiding van een toezegging van de Staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer wordt momenteel onderzoek gedaan naar de actuele uitgaven van provincies aan de regionale omroepen. Over de uitkomsten zal bestuurlijk overleg plaatsvinden tussen IPO en OCW. Ook vindt afzonderlijk overleg plaats met de provincie Fryslân over Omrop Fryslân.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Jeugdzorg septembercirculaire 2015</tussenkop>
          <al>Bij de decentralisatie van de jeugdzorg is de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg overgegaan van de provincies naar de gemeenten. In het bestuursakkoord 2011–20152 is vastgelegd dat er € 90 mln. van het provinciefonds wordt overgeheveld naar het gemeentefonds. De uitname is gebaseerd op het aantal jongeren op dat moment</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Financiering basisregistratie adressen, gebouwen en topografie septembercirculaire 2008</tussenkop>
          <al>Gezien het rijksbrede belang en het verplicht gebruik van de basisregistratie topografie is in het kader van de begrotingsbesluitvorming dit jaar binnen het kabinet afgesproken de exploitatie van deze basisregistratie budgetgefinancierd te maken. Dit is ook in het nationaal Uitvoeringsprogramma (bij de visie op de dienstverlening) aan de Tweede Kamer gemeld en met de andere overheden besproken in het bestuurlijk overleg Regiegroep Dienstverlening en e-Overheid. De bijdragen zijn gebaseerd op een verdeelsleutel. Uitgangspunt daarbij is dat iedere overheidslaag (departementen, provincies, gemeenten en waterschappen) een bijdrage levert gebaseerd op beleidsbelang en verwacht gebruik en deze bijdrage structureel ter beschikking stelt. Door een uitname uit het provinciefonds en uit het gemeentefonds wordt dit landsbreed geregeld en wordt voorkomen, dat er per gemeente of provincie moet worden afgerekend en er toch weer drempel voor gebruik ontstaan. De provincies en de gemeenten zijn beide als één landsdekkende eenheid opgenomen in de verdeelsleutel voor de topografie. Bij de basisregistratie topografie gaat het om de inwinning- en beheerkosten. Dit is het overgrote deel van de huidige tarieven. De totale kosten hiervoor bedragen € 13,5–15,5mln. per jaar. De verdeling is gebaseerd op het gebruik in 2007 en verwacht gebruik als het gebruik van de basisregistratie topografie vanaf 1-1-2009 verplicht is gesteld. De decentrale overheden zijn elk als één landsdekkende partij opgenomen in de verdeelsleutel. Dit betekent: een uitname uit het gemeentefonds van € 0,810 mln. in 2009, van € 0,738 mln. in 2010 en vanaf 2011 structureel € 0,667 mln. de verdeling over de gemeenten vindt plaats op basis van oppervlakte grondgebied.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Bijdrage aan Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening (NUP) septembercirculaire 2010</tussenkop>
          <al>In het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening en E-overheid werken Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen gemeenschappelijk aan betere dienstverlening. Dit leidt tot een beheer van een aantal landelijke ICT-voorzieningen. In de bestuurlijke regiegroep Dienstverlening en E-Overheid heeft het Rijk een beroep gedaan op de medefinanciering van het beheer. Vanwege het belang dat de provincies hechten aan een goede dienstverlening dragen provincies via het provinciefonds vanaf 2011 € 500.000 structureel bij aan het beheer van deze voorzieningen. De uitname uit het provinciefonds zal plaatsvinden door een verrekening met de uitkeringsfactor</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Verminderen politieke ambtsdragers decembercirculaire 2010</tussenkop>
          <al>Naast de ontwikkeling van het accres, bevat tabel 3.1 nog een andere mutatie die voortvloeit uit het Regeerakkoord. Het betreft het verminderen van het aantal politieke ambtsdragers. Deze maatregel leidt tot een besparing op de loonkosten en de kosten van directe ondersteuning. Vanaf 2015 wordt als gevolg hiervan structureel € 10 mln. uitgenomen. In komende circulaires wordt uitgebreidere informatie opgenomen over de uitwerking van deze maatregel.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Nieuw Handelsregister en Bijdrage budgetfinanciering Basisregistratie Kadaster (BRK) meicirculaire 2012</tussenkop>
          <al>In december 2008 hebben de provincies zich via het NUP-akkoord bestuurlijk verplicht tot invoering van een aantal programmaonderdelen, waaronder de aansluiting op de Basisregistratie Kadaster (BRK) en het Nieuw Handelsregister (NHR) van de Kamers van Koophandel. Daarbij gaat het Rijk over op budgetfinanciering in plaats van tarieffinanciering. Dat betekent dat niet langer per afgenomen product wordt betaald, maar dat de bekostiging plaats vindt via vastgestelde budgetten. De gedachte hierachter is dat er geen belemmeringen moeten zijn voor (overheids)organisaties of burgers om gebruik te maken van de basisregistraties. De bijdrage van de provincies aan de BRK bedraagt € 679.000, gelijk aan het bedrag dat de provincies in 2010 afnamen aan producten. Hiervoor krijgen zij de beschikking over alle gegevens uit de BRK. De bijdrage van de provincies aan het NHR bedraagt € 73.000. Daarmee krijgen de provincies de beschikking over alle informatie uit het NHR. Beide bijdragen zullen worden gerealiseerd door een uitname uit het provinciefonds. Gebruikelijk is dat bij kleine uitnames en toevoegingen de verdeling wordt gebaseerd op de verdeling van de relevante clusters in het provinciefonds. In overleg met het IPO is vastgesteld dat het voor de BRK gaat om het cluster Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening en voor het NHR om het cluster Economische Zaken. Echter, besloten is om de uitname van € 73.000 voor het NHR niet uit het cluster Economische Zaken te halen, maar de uitname te laten verlopen via de uitkeringsfactor. De reden is dat voor de meeste maatstaven binnen dat cluster geldt dat de mutaties in bedragen per eenheid verwaarloosbaar klein zijn (minder dan € 0,01)</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Inputfinanciering handelsregister meicirculaire 2015</tussenkop>
          <al>Voorafgaand aan de invoering van de structurele inputfinanciering Handelsregister heeft het Ministerie van EZ, in samenwerking met alle partijen in de Gebruikersraad Handelsregister, een pilot uitgevoerd om ervaring op te doen met deze financiële systematiek. De pilot liep Meicirculaire provinciefonds 2015 6 over de jaren 2012 en 2013. Deze twee jaar is een bedrag overgeboekt door de betreffende gebruiker naar EZ. Er werden geen facturen meer gezonden tussentijds vanuit de Kamer van Koophandel. Aangezien het een pilot betrof is afgesproken dat eventueel meergebruik of mindergebruik over deze periode zou worden verdisconteerd in de toekomstige bijdrage van betrokkenen. In overleg met het IPO vindt daarom een verhoging van de bijdrage inputfinanciering Handelsregister voor de jaren 2015 tot en met 2019 plaats. Het meergebruik Handelsregister door provincies in 2012 en 2013 betrof in totaal € 34.000. De reeds eerder afgesproken uitname uit het provinciefonds van € 70.000 structureel wordt daarom verhoogd met € 7.000 per jaar in 2015 tot en met 2018 en met € 6.000 in 2019. De bedragen zullen worden uitgenomen via de uitkeringsfactor.</al>
          <tussenkop kopopmaak="vet">Generieke Digitale Infrastructuur (GDI)</tussenkop>
          <al>Binnen de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI; onder andere DigiD, eID, Digipoort en MijnOverheid) zijn tekorten ontstaan, die door haar gebruikers worden opgevangen. In de ministerraad van 6 maart 2015 is besloten de betrokken partijen aan te slaan naar de mate van gebruik (laag, midden en hoog) van de GDI-voorzieningen. De medeoverheden zijn op de hoogte gesteld middels het Nationaal Beraad, één van de ambtelijke voorportalen van de Ministeriële Commissie Digitale Overheid waarin de koepels zijn vertegenwoordigd. Onderling is besloten dat de medeoverheden de volgende verdeelsleutel hanteren: gemeenten 75%, provincies 15% en waterschappen 10%.</al>
        </bijlage>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>