﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36766-H/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>36 766</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de accijns in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer kamer="1">H</ondernummer>
      </stuknr>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT</titel>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal</al>
            <al>Den Haag, 26 maart 2026</al>
            <al>Tijdens het Eerste Kamerdebat van 24 maart over de RED-III implementatie heb ik uw Kamer toegezegd om terug te komen op een aantal vragen met betrekking tot de inzet van dierlijk vet voor het behalen van de brandstoftransitieverplichting. In deze Kamerbrief kom ik hierop terug.</al>
            <al>In 2024 werd 5,5% van de biobrandstoffen die werden ingezet in de Nederlandse vervoerssector geproduceerd uit dierlijk vet. Dierlijk vet uit de slachtindustrie is een laagwaardig afvalproduct, wat wil zeggen dat het niet voor andere toepassingen gebruikt kan en mag worden. Biobrandstoffen geproduceerd uit deze vetten vervangen fossiele brandstoffen.</al>
            <al>Dierlijk vet wordt in Europa op grond van de wettelijk toegestane toepassingen ingedeeld in drie categorieën. De laagste twee categorieën zijn gelimiteerd toegestaan voor de productie van biobrandstoffen. Deze categorieën mogen niet worden ingezet voor andere toepassingen. De hoogste categorie (dierlijk vet categorie 3) is wel geschikt voor gebruik in cosmetica en wordt in Nederland niet ingezet voor de productie van biobrandstoffen (zie bijlage).</al>
            <al>In het Eerste Kamerdebat over de RED-III implementatie uitte het lid Visseren-Hamakers zorgen over de duurzaamheid en hernieuwbaarheid van dierlijke vetten voor de productie van biobrandstoffen. Allereerst vroeg zij naar de herkomst van het dierlijk vet dat wordt ingezet voor biobrandstoffen om te voldoen aan de brandstoftransitieverplichting. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) rapporteert jaarlijks over de herkomst en samenstelling van hernieuwbare energie in vervoer. In de rapportage hernieuwbare energie voor vervoer in Nederland is te zien dat er in 2024 geen leveringen van biobrandstoffen gemaakt uit dierlijk vet categorie 3 plaatsvonden (zie bijlage). Biobrandstoffen gemaakt uit dierlijk vet categorie 1 kwamen uit Nederland en de rest van West Europa (64%; met name Nederland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk), Oost-Europa (17%) en Azië (19% China, Rusland, Israël). Biobrandstoffen gemaakt uit dierlijk vet categorie 2 kwamen uit West-Europa (92%; vooral Finland) en Oost-Europa (8%).</al>
            <al>Ten tweede vroeg het lid Visseren-Hamakers tijdens het debat naar de mitigerende maatregelen die genomen worden om de nadelen van het gebruik van categorie 3 dierlijk vet voor biobrandstofproductie te verminderen. De overgang naar het nieuwe systeem zou zonder aanpassing ertoe leiden dat de inzet van categorie 3 dierlijk vet laagdrempeliger wordt. Dit zou zich kunnen uiten in een stijgende inzet van de grondstof voor biobrandstofproductie, en in een dalende inzet van de grondstof voor andere toepassingen zoals de cosmetische sector. Vanwege deze reden wordt er op categorie 3 dierlijk vet een dempingsfactor van 0,5 ingesteld. Daarmee tellen biobrandstoffen uit deze dierlijke vetten maar voor de helft mee in het behalen van de brandstoftransitieverplichting. Hiermee houden we de inzet van dierlijke vetten zeer beperkt.</al>
            <al>Ten derde vroeg het lid Visseren-Hamakers naar de meerwaarde van de inzet van dierlijk vet en mest voor de productie van biobrandstoffen. Daarbij vroeg zij specifiek of de klimaat- en milieu-impact van de landbouwsector wordt meegenomen in de CO<inf>2</inf>-reductieberekeningen van deze biobrandstoffen, en of deze grondstof wel echt hernieuwbaar is. De in de Nederlandse vervoerssector ingezette dierlijk vet en mest zijn afvalproducten van de landbouwsector die geen andere toepassingen kennen dan voor biobrandstofproductie. Deze grondstoffen zouden anders ongebruikt weggegooid of verbrand worden. Bovendien leidt inzet van deze biogrondstoffen niet tot het in stand houden van de veestapel of van emissies in de landbouwsector.</al>
            <al>De klimaat- en milieu-impact van de landbouwsector wordt niet meegenomen in de CO<inf>2</inf>-reductieberekeningen. Dit komt doordat het hier gaat om emissies en milieueffecten die al plaatsvinden vóór de winning van de biogrondstoffen. Factoren zoals CO<inf>2</inf>-uitstoot en de milieu-impact van bijvoorbeeld pesticidengebruik, maken volgens de Europese regels geen deel uit van de ketenemissiereductie die wordt toegeschreven aan het gebruik van dierlijk vet en mest. Dit geldt voor de meeste rest- en afvalstromen die ingezet kunnen worden voor de productie van biobrandstoffen. Voor grondstoffen zoals tussengewassen wordt wél gekeken naar de gehele keten van de CO<inf>2</inf>-emissiereductie.</al>
            <al>Wel geldt dat biogrondstoffen zoals dierlijk vet en mest aan strenge (duurzaamheids)eisen moeten voldoen om te mogen worden ingezet voor de brandstoftransitieverplichting. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, leveren zij een aanzienlijke CO<inf>2</inf>-emissiereductie op ten opzichte van fossiele grondstoffen en worden zij als duurzaam beschouwd.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,</functie>
            <naam>
              <voornaam>A.W.H.</voornaam>
              <achternaam>Bertram</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>