Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36748 nr. H |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36748 nr. H |
Ontvangen 12 juni 2026
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, VVD, D66, CDA, SP, ChristenUnie, FvD, JA21, Volt, en 50PLUS.
Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de BBB, de VVD, de ChristenUnie en JA21 stellen meerdere vragen over de doorontwikkeling naar een vermogenswinstbelasting. Deze leden vragen naar de duur van het hybride stelsel, naar een invoeringspad voor een vermogenswinstbelasting, zij vragen welke hobbels genomen moeten worden en op welke termijn een vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd. De leden van de fractie van JA21 vragen in dit kader of een horizon- of evaluatiebepaling nodig is. De vermogensaanwasbelasting zal tijdelijk zijn. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting. Het kabinet ervaart brede maatschappelijke en politieke steun voor deze doorontwikkeling, zoals ook door de Tweede Kamer benadrukt met de moties van de leden Inge van Dijk c.s. en Vermeer.1 Het kabinet ziet het voorliggende wetsvoorstel met vermogensaanwasbelasting dus als tussenstap voor de korte termijn. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het wetsvoorstel binnen 3 jaar geëvalueerd wordt, maar de doorontwikkeling is niet afhankelijk van deze evaluatie. Ook een eventuele horizonbepaling is niet nodig om het box 3-stelsel zo spoedig mogelijk door te ontwikkelen naar een volledige vermogenswinstbelasting. We zijn begonnen met de eerste gesprekken met externe stakeholders, waaronder de ketenpartners, over de volledige vermogenswinstbelasting en met het in kaart brengen van de budgettaire gevolgen en de aandachtspunten op het gebied van uitvoerbaarheid en wetgeving. Hierbij betrekken we ook de inzichten van de deskundigen tijdens de Deskundigenbijeenkomst «fiscaliteit, recht en overheid» in de Eerste Kamer op 19 mei 2026.2 Zodra alles goed in beeld is gebracht ontvangt uw Kamer een brief met een concrete en ambitieuze planning voor de wetgeving en implementatie. De eerste stap in de planning zal een hoofdlijnenbrief zijn met een beschrijving van de vormgeving van de volledige vermogenswinstbelasting, zodat het parlement al in een vroeg stadium betrokken is. Parallel hieraan wordt gewerkt aan een ontwerp-wetsvoorstel dat de noodzakelijke stappen zal doorlopen, zoals een uitvoeringstoets en adviezen van het Adviescollege toetsing regeldruk, de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de Rechtspraak, gevolgd door de advisering door de Raad van State en indiening van het wetsvoorstel bij het parlement.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet de mening van diverse deskundigen onderschrijft dat principieel een vermogenswinstbelasting zowel voor burgers als de overheid dezelfde uitkomst heeft als een vermogensaanwasbelasting. Het klopt dat de structurele opbrengst van een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting aan elkaar gelijk is, indien geen rekening wordt gehouden met gedragseffecten.De totale belastinggrondslag over de gehele bezitsperiode van een vermogensbestanddeel is in beide stelsels in beginsel gelijk, het verschil zit enkel in het moment waarop de belasting wordt geheven en in de hiermee verband houdende gedragseffecten. In de praktijk is echter sprake van grote verschillen in uitkomsten voor de burger en de overheid, zoals deze leden ook constateren. Bij een vermogenswinstbelasting betaalt de belastingplichtige de belasting pas op een later moment, wat een liquiditeitsvoordeel oplevert ten opzichte van de jaarlijkse heffing over de waardeontwikkeling bij een vermogensaanwasbelasting. Dit voordeel voor de burger is echter een direct nadeel voor de overheid, die de belastinginkomsten later ontvangt. Hierdoor leidt een volledige vermogenswinstbelasting in de eerste jaren na invoering tot een forse budgettaire derving ten opzichte van het basispad.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of een vermogenswinstbelasting vooral in het voordeel is van hogere vermogens, omdat het uitstellen van belastingheffing voor kleine spaarders niet gunstig is omdat zij dan het jaarlijkse voordeel van het heffingsvrije resultaat missen. Spaarders en beleggers met kleine rendementen profiteren relatief gezien sterker van het heffingsvrije resultaat dan grote beleggers, aangezien het heffingsvrije resultaat bij hen een groter deel van het rendement beslaat of zelfs volledig voorkomt dat zij in de heffing worden betrokken. De mate waarin belastingplichtigen profiteren van het heffingsvrije resultaat is echter wel afhankelijk van de mate waarin het inkomen fluctueert. Een belastingplichtige met een stabiel rendement over meerdere jaren in box 3 zal meer profijt hebben van het heffingsvrije resultaat dan een belastingplichtige die hetzelfde rendement in slechts één jaar realiseert en in de andere jaren geen rendement heeft. Bij een vermogensaanwassystematiek wordt de jaarlijkse waardeontwikkeling in aanmerking genomen, waardoor het rendement over de jaren heen over het algemeen stabieler is dan bij een vermogenswinstsystematiek, waarin op het tijdstip van realisatie de waardeontwikkeling van meerdere jaren in aanmerking wordt genomen. Dit betekent dat het effect van het heffingsvrije resultaat, waar vooral kleine beleggers van profiteren, bij een vermogensaanwassystematiek groter is.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen op welke manier fiscaal gedreven uitstelgedrag kan worden voorkomen. De leden van de fracties van 50PLUS en het CDA vragen om voorbeelden aan wat voor soort maatregelen het kabinet denkt om de kwetsbaarheden van een vermogenswinstsystematiek op het gebied van mogelijkheden om belastingheffing uit te stellen te mitigeren. Het kabinet zal dit nader onderzoeken bij de uitwerking van het wetsvoorstel voor een volledige vermogenswinstbelasting. Mogelijkheden die bijvoorbeeld in de literatuur of door deskundigen worden genoemd zijn een retrospectieve vermogenswinstbelasting, waarbij gerealiseerde waardestijgingen bij het moment van winstneming retrospectief worden toegerekend aan eerdere jaren, een progressief tarief, waardoor belastingplichtigen enige prikkel hebben om vermogenswinsten eerder te realiseren, of een gedifferentieerd tarief tussen reguliere voordelen (rente, dividend) en vermogenswinst, waardoor de prikkel zou kunnen afnemen om reguliere voordelen om te zetten in vermogenswinsten.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de VVD en de ChristenUnie vragen naar de derving van een vermogenswinstbelasting en hoe deze eventueel gedekt gaat worden.
De budgettaire gevolgen van een volledige vermogenswinstbelasting worden in kaart gebracht. De effecten zijn uiteraard afhankelijk van de precieze vormgeving van de vermogenswinstbelasting en het jaar van invoering. Volgens het reguliere politieke proces zal een zorgvuldige besluitvorming plaatsvinden omtrent de dekking.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of een vermogenswinststelsel niet alleen de schatkist benadeelt, maar ook belastingbetalers die wel jaarlijks moeten betalen. De vormgeving van een vermogenswinstbelasting zal nader uitgewerkt moeten worden, het is daarom niet op voorhand te zeggen of belastingbetalers die eerder de winst nemen op vermogen zwaarder belast zullen worden dan belastingplichtigen die de winsten uitstellen. Daarnaast is deze uitkomst zeer afhankelijk van de mate waarin uitstelgedrag optreedt, de dekkingsopgave die ontstaat en de manier waarop er dekking wordt gevonden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of een finale voorheffing bij financiële instellingen is overwogen. Volgens deze leden zou een dergelijke heffing bij een vlak tarief eerlijk zijn. De leden van de fracties van het CDA en van 50PLUS vragen naar aanleiding van het eerder gegeven antwoord3 van het kabinet op de vraag naar een bronheffing of er niet toch voor de overgangsperiode tot aan de invoering van een integrale vermogenswinstbelasting een eenvoudiger systeem is te bedenken. Deze leden vragen in dat kader naar de ervaringen in het buitenland, bijvoorbeeld Duitsland, met een bronheffing over de inkomsten uit vermogen.
Om tot een antwoord op de gestelde vragen te komen schets ik hierna eerst uitgebreid de situatie in Duitsland omtrent de bronheffing over inkomsten uit kapitaalvermogen. Daarbij komen veel aspecten aan de orde die voor de afwegingen van het kabinet om geen voorstander van deze optie te zijn, van belang waren.
De bevrijdende bronheffing (de zogenaamde «Abgeltungsteuer») werd in Duitsland in 2009 geïntroduceerd, onder meer om belastingontduiking tegen te gaan. De toenmalige Duitse Minister van Financiën, Peer Steinbrück, heeft de aanleiding voor deze bronheffing in een zin samengevat: «Lieber 25% von X als 42% auf nix.» (42% was toen het maximumtarief in de Duitse inkomstenbelasting). De bevrijdende bronheffing ziet op inkomsten uit kapitaalvermogen dat bij financiële instellingen wordt aangehouden. Deze heffing wordt door banken en andere financiële instellingen ingehouden en afgedragen aan de Duitse belastingdienst. De bevrijdende bronheffing is onderdeel van de Duitse inkomstenbelasting. Het tarief van die bronheffing is 25%.4 In beginsel is dit een eindheffing en hoeven de inkomsten uit kapitaalvermogen waarover al geheven is, niet in de individuele aangifte inkomstenbelasting worden opgenomen. Echter, voor belastingplichtigen voor wie op grond van het totale inkomen het progressieve inkomstenbelastingtarief lager uit komt dan 25% bestaat de mogelijkheid om een zogenaamde «Günstigerprüfung» (gunstigheidstoets) in het kader van het indienen van een aangifte inkomstenbelasting te laten doen. Daarbij wordt berekend welke fiscale optie in een individuele situatie het meest voordelig is, de bevrijdende bronheffing of het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting. Als blijkt dat het opleggen van een aanslag het meest gunstig is voor de belastingplichtige wordt de door de bank ingehouden belasting als voorbelasting in aftrek gebracht van de verschuldigde (individuele) inkomstenbelasting en het te veel ingehouden deel van de belasting wordt teruggegeven.
Om het opleggen van een aanslag kan bijvoorbeeld ook worden verzocht in situaties waar het bedrag van de vrijstelling («Sparer-Pauschbetrag») niet volledig is toegepast5 of waar een verlies uit inkomsten uit kapitaalvermogen in voorgaande jaren6 nog niet volledig is verrekend. Kosten in samenhang met inkomsten uit kapitaalvermogen die aan de bevrijdende bronheffing zijn onderworpen zijn niet aftrekbaar.
Op basis van de wettelijke bepalingen worden banken en financiële instellingen als een soort uitvoeringsagenten voor overheidstaken ingezet. Dat gaat gepaard met een enorme logistieke, IT-technische en daardoor financiële last voor deze instellingen. Om enkele voorbeelden te noemen: in gevallen waar het vrijstellingsbedrag (Sparer-Pauschbetrag) moet worden toegepast moet een klant een schriftelijke opdracht daarover aan de bank geven (jaarlijks of voor onbepaalde tijd). Banken moeten deze opdrachten toepassen en administreren. In situaties waarin iemand in verband met een laag inkomen helemaal geen belasting verschuldigd is kan degene van de Duitse belastingdienst een verklaring van niet-heffing (Nichtveranlagungsbescheinigung) ontvangen. Ook op het voorliggen van deze verklaringen moet worden toegezien door de financiële instellingen en ook deze moeten worden geadministreerd. Op tijd voor afloop van zo’n verklaring van niet-heffing die in beginsel met een looptijd van drie jaren wordt verstrekt herinneren banken hun klanten eraan om die verklaring opnieuw op te vragen bij de Duitse fiscus. Klanten die kerkbelasting verschuldigd zijn moeten met het betreffende kenmerk in de database van de financiële instelling opgenomen zijn. De daarvoor noodzakelijke informatie moeten financiële instellingen expliciet opvragen bij hun klanten. Wanneer een klant verliezen uit kapitaalvermogen heeft geleden moeten banken deze verliezen voor de verrekening met positieve inkomsten in toekomstige jaren in de gaten houden om tot een juiste berekening van de verschuldigde bevrijdende bronheffing te komen. Nadat de verschuldigde bevrijdende bronheffing berekend is, dient die aangegeven te worden bij en afgedragen te worden aan de Duitse belastingdienst. Over mogelijk niet ingehouden bronheffing dient eveneens een mededeling te worden gemaakt. Banken en financiële instellingen zijn verder verplicht om Steuerbescheinigungen (officieel belastingdocument over de ingehouden bronbelasting) uit te reiken aan hun klanten. Wanneer klanten erom verzoeken geven banken ook officiële documenten over geleden verliezen uit (Verlustbescheinigung). Verder zijn banken en financiële instellingen aansprakelijk voor de in te houden en af te dragen bevrijdende bronheffing. Voor deze diensten mogen zij geen kostenvergoedingen van hun klanten vragen en krijgen voor deze taken ook geen vergoeding van de Duitse overheid.
De introductie van de bevrijdende bronheffing zorgde in Duitsland toen voor enorme opschudding en onrust bij banken en financiële instellingen. Desondanks kwam deze heffing er wel. Nu, 17 jaar later, is de discussie gedoofd en het stelsel van de bevrijdende bronheffing is een volledig geaccepteerde en ingespeelde manier van belastingheffing via de betrokken ketenpartners als uitvoeringsagenten voor de overheid.
In antwoord op de vragen van de leden van de fracties van het CDA en van 50PLUS geef ik op basis van deze toelichting aan dat een bevrijdende bronheffing zeker geen belastingmiddel is dat veel eenvoudiger te introduceren is. In ieder geval de ketenpartners, zoals banken en financiële instellingen, moeten hiervoor een enorme inspanning doen om hun IT-systemen en administratie aan te passen. Daardoor is een dergelijke bronheffing ook niet geschikt om maar voor een overgangsperiode te introduceren.
Het is een volledig nieuw belastingmiddel waar – ondanks dat het meeste werk door banken en financiële instellingen gedaan zou moeten worden – ook nog de nodige aanpassingen aan de systemen van de Belastingdienst zouden moeten worden aangebracht om op dit middel over te stappen. Dit alleen voor een overgangsperiode zou geen efficiënt gebruik van de IV-capaciteit van de Belastingdienst betekenen en ook voor de ketenpartners inefficiënt zijn. Daar komt bij dat het tarief voor een dergelijke bevrijdende bronheffing laag moet zijn, onder meer met het oog daarop dat geen kostenaftrek mogelijk is en om te voorkomen dat te veel belastingplichtigen met een te hoog tarief over hun inkomsten uit kapitaalvermogen belast worden. Verder kan de bevrijdende bronheffing alleen van toepassing zijn op vermogen dat is ondergebracht bij een bank of financiële instelling en niet op ander vermogen, zoals roerende of onroerende zaken, rechten op roerende of onroerende zaken of overige vermogensrechten zoals vorderingen in familieverband of tussen gelieerde personen. Het kabinet ziet in een (tijdelijke) bevrijdende bronheffing dan ook geen realistisch alternatief.
In reactie op de inschatting van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA dat een dergelijke heffing bij een vlak tarief eerlijk zou zijn, geef ik graag het volgende mee: ook in gevallen waarin het persoonlijke belastingtarief hoger is dan 25%, is een Duitse belastingplichtige alleen 25% over zijn inkomsten uit kapitaalvermogen verschuldigd. Het hoogste tarief voor de inkomstenbelasting in Duitsland bedraagt 45%.7 Een belastingplichtige die in deze tariefklasse inkomstenbelasting verschuldigd is, is met de bevrijdende bronheffing dus een duidelijk lagere belasting over de inkomsten uit kapitaalvermogen verschuldigd. Dit is enigszins vergelijkbaar met het huidige box 3-stelsel met tegenbewijsmogelijkheid: belastingplichtigen met hogere rendementen dan de forfaitaire rendementen worden slechts belast op basis van de forfaits en niet over hun werkelijke hogere rendement. Het kabinet ziet deze onevenwichtigheid in het huidige stelsel juist als een belangrijke reden voor invoering van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of burgers die zelf beleggen wel op een eenvoudige wijze jarenlange administratie bijhouden voor een vermogenswinstbelasting. De leden van de fractie van D66 vragen welke gevolgen de overgang van een vermogensaanwasbelasting naar een vermogenswinstbelasting heeft voor burgers, bedrijven en scale-ups. Aandelen in startende ondernemingen vallen op grond van het huidige wetsvoorstel al onder de vermogenswinstbelasting. Voor vermogensbestanddelen die in het huidige wetsvoorstel onder de vermogensaanwasbelasting vallen, zal de overgang naar een vermogenswinstbelasting betekenen dat de waardeontwikkeling niet meer jaarlijks in de heffing wordt betrokken maar pas bij realisatie. Ook bij een volledige vermogenswinstbelasting is het de insteek van het kabinet dat gegevens zoveel mogelijk vooraf ingevuld kunnen worden op basis van gegevens van ketenpartners. Bij het wetsvoorstel voor doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting zullen de gevolgen op het gebied van bijvoorbeeld administratieve lasten en doenvermogen nader in kaart gebracht worden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de mogelijkheid om hypotheekrente af te trekken in box 3 en of in box 3 een aftrek bestaat waar geen bron van inkomen tegenover staat. De leden van de fractie van de BBB vragen welke schulden kwalificeren als een box 3-schuld en of de feitelijke aanwending van de geleende middelen daarbij relevant is. Ook vragen de leden van deze fractie welke kosten en rentelasten expliciet van aftrek worden uitgesloten en of wettelijke beperkingen nodig zijn om te voorkomen dat belastingplichtigen privéconsumptie financieren met schulden waarvan de rente aftrekbaar is. De leden van de fracties van 50PLUS en het CDA vragen waarom rente op consumptieve schulden aftrekbaar is.
Alle schulden die niet in box 1 of box 2 in aanmerking worden genomen, kwalificeren als een box 3-schuld. Dat is op dit moment al zo en het nieuwe stelsel brengt daar geen verandering in. Er wordt in box 3 geen onderscheid gemaakt op basis van de feitelijke aanwending van de geleende middelen. Ook de rente van schulden voor bijvoorbeeld een auto of een caravan is dus aftrekbaar. Dit geldt ook voor rente van een schuld voor een eigen woning waarvoor na 2031 al 30 jaar aftrek is genoten in box 1 of die is aangegaan na 1 januari 2013 en die niet aan de aflossingseis voldoet. Als er wel onderscheid zou worden gemaakt tussen verschillende soorten schulden, dan zou dit het stelsel aanzienlijk complexer maken voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst en veelvuldig discussies en afbakeningsvraagstukken oproepen over de toewijzing van schulden. Om deze reden zijn in box 3 geen wettelijke beperkingen opgenomen om bijvoorbeeld consumptieve schulden uit te sluiten van renteaftrek. Naast de renteaftrek zal er na de invoering van het wetsvoorstel ook kostenaftrek zijn. Hierbij geldt dat gemengde kosten zijn uitgesloten. Met gemengde kosten worden kosten bedoeld die deels zijn gemaakt voor persoonlijke doeleinden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kosten van voedsel, drank en genotmiddelen, kosten voor het voeren van een zekere staat, kosten voor representatie (waaronder kosten voor vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden), kosten voor kleding, verhuiskosten en kosten voor persoonlijke verzorging.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat het forfait van 6% in 2026 voor overige bezittingen een belastingdruk geeft van 2,16% (6% x 36%) en dat dit bijna het dubbele is van de belastingdruk van 1,2% in de periode 2001–2016 (uitgaande van een forfaitair rendement van 4% en een belastingtarief van 30%) en ook bijna het dubbele van de vastgoedbijtelling in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (3,35% x 36% = 1,2%). Deze leden vragen waarom niet voor een meer stabiele tariefstructuur is gekozen. In het onderhavige wetsvoorstel wordt naast de heffing over het directe rendement op onroerende zaken, dat bestaat uit de vastgoedbijtelling of de huurinkomsten, ook het indirecte rendement (de vermogenswinst) belast tegen het tarief van 36%. In bovengenoemd forfait van 6% in het huidige box 3-stelsel is zowel het directe rendement als het indirecte rendement begrepen. Daarnaast kunnen belastingplichtigen in voorkomende gevallen voor onder andere het belastingjaar 2026 gebruikmaken van de tegenbewijsregeling wanneer het werkelijk rendement lager is dan het forfaitair rendement. Volgens het kabinet is dan ook geen sprake van een niet-stabiele tariefstructuur.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of box 2 niet beperkt kan worden tot echte ondernemers die ondernemersrisico dragen en of beleggingen kunnen worden uitgesloten van box 2, hetgeen ook door Professor Heithuis als suggestie is gedaan. Het CPB benoemt in zijn rapport «De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens» het scheiden van ondernemings- en beleggingsvermogen in bv’s als beleidsoptie die zou kunnen zorgen voor minder economische verstoringen en verschillen in belastingdruk bij een gelijk inkomen kleiner maakt. Tegelijkertijd geeft het CPB daarbij aan dat in de praktijk deze vermogens lastig zijn te scheiden en dat het daarom kansrijker is om de fiscale prikkels beter te richten op ondernemerschap, risicobereidheid en innovatie. Het kabinet deelt de opvatting van het CPB dat het in de praktijk lastig zal zijn om ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen in een bv te scheiden en is met het CPB van mening dat het kansrijker is om in te zetten op versoberen en afschaffen van fiscale regelingen en de opbrengst gerichter in te zetten op het stimuleren van innovaties.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen daarnaast naar het voorstel van professor Heithuis over het gelijktrekken van de gecumuleerde tarieven in box 1, box 2 en box 3 en of dat niet kan samenvallen met een integrale route naar een synthetisch stelsel waarin het boxenstelsel verdwijnt en tegelijkertijd verschillende grondslagen voor inkomen uit verschillende bronnen kunnen blijven bestaan. Dit zou volgens de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA belastingarbitrage tegengaan.
Belastingarbitrage is het gevolg van beleidskeuzes om tarieven, vrijstellingen en belastingkortingen al dan niet aan te passen. Dit geldt zowel bij een boxenstelsel als bij een synthetisch stelsel. Het synthetisch stelsel zoals Nederland dat voor 2001 kende, bleek op dat moment verre van ideaal. Sterker, juist belastingarbitrage was een van de belangrijkste redenen om het boxenstelsel in te voeren. Zoals professor Heithuis ook aangeeft waren bij de invoering van het boxenstelsel in 2001 de cumulatieve toptarieven op het inkomen van een werknemer, een ondernemer in de inkomstenbelasting (IB-ondernemer) en een directeur-grootaandeelhouder (dga) vrijwel gelijk aan elkaar. Met de introductie van het het boxenstelsel in 2001 werd een globaal evenwicht in het belasten van inkomen van verschillende type werkenden (werknemers, IB-ondernemer en dga) beoogd en meer neutraliteit in het belasten van vermogen. Het is juist het gevolg van opeenvolgende beleidskeuzes na 2001 geweest, dat tarieven uit elkaar zijn gaan lopen en schijflengtes van tarieven zijn aangepast. Ook is onder andere de MKB-winstvrijstelling ingevoerd. Hoewel de invoering van box 3 met een forfaitaire vermogensrendementsheffing in 2001 op dat moment een forse grondslagverbreding betekende en een einde maakte aan een forse grondslagerosie in de inkomstenbelasting, is het forfaitaire stelsel in box 3 juridisch niet houdbaar gebleken. Het invoeren van een stelsel dat het werkelijk rendement in box 3 belast is dan ook een belangrijke stap in het gelijker belasten van vermogen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen verder of het kabinet een jaarlijkse voorheffing op vermogen in box 2 wil invoeren die bij verkoop wordt verrekend met de vermogenswinstbelasting. Deze gedachte is niet nieuw en is in 2013 in het eindrapport «Naar een activerender belastingstelsel» van de Commissie van Dijkhuizen benoemd. De maatregel zou de prikkel tot belastinguitstel kunnen verminderen. In de «Bouwstenen voor een beter belastingstelsel» uit 2020 is deze maatregel als fiche uitgewerkt. Bij een jaarlijkse voorheffing gaat het om een forfaitaire voorheffing. De vraag is dan welk percentage moet worden gekozen en hoe dat zich verhoudt tot de maatschappelijk breed gedragen wens om het werkelijke rendement te belasten. Daarnaast moet een goede grondslag van de voorheffing worden bepaald. Indien bijvoorbeeld de werkelijke waarde van de onderneming als grondslag wordt gebruikt, zal een schatting van de marktwaarde moeten worden gemaakt, die naar verwachting jaarlijks tot veel discussies tussen Belastingdienst en belastingplichtigen zal leiden. Een voorheffing in box 2 maakt het belastingstelsel complexer en is zeker niet op redelijk korte termijn in te voeren. Er zijn eenvoudigere manieren om belastinguitstel tegen te gaan die binnen het bestaande stelsel passen en snel in zijn te voeren, zoals het verhogen van het lage tarief in de vennootschapsbelasting (Vpb-tarief) en het verder beperken van het lenen van de eigen vennootschap door een aanmerkelijk belanghouder. Ook in het CPB rapport «De hoogste bomen vangen weinig wind: belastingdruk op inkomens en vermogens» worden deze opties benoemd.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben voorts een vraag over de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR). Deze leden vragen of het kabinet de suggestie deelt die regeling om te zetten in een leenfaciliteit. Het kabinet deelt deze suggestie niet. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen,8 kiest het kabinet voor een fiscaal stabiel vestigingsklimaat voor ondernemers en wil dan ook de BOR behouden.
De leden van de fractie van de BBB vragen waarom afwisselend wordt gesproken over «betaalde rente» en «verschuldigde rente» en op welk exact moment recht op aftrek van rente ontstaat. Daarnaast vragen de leden van deze fractie hoe wordt omgegaan met gekapitaliseerde rente en welke anti-misbruikmaatregelen nodig zijn om te voorkomen dat belastingplichtigen timingvoordelen creëren binnen het box 3-stelsel.
Over schulden verschuldigde rente wordt in het wetsvoorstel aangemerkt als negatief regulier voordeel.9 Met betrekking tot het tijdstip waarop de rente aftrekbaar is, kent het wetsvoorstel als hoofdregel het kasstelsel. Dit betekent dat de verschuldigde rente aftrekbaar is op het tijdstip dat de rente betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend wordt.10 Bij het kapitaliseren van rente wordt de onbetaalde rente opgeteld bij de hoofdlening. De belastingplichtige gaat in dat geval de facto een extra schuld aan ter grootte van de onbetaalde rente. De onbetaalde rente wordt dan aftrekbaar op het tijdstip dat deze extra schuld rentedragend wordt. Het wetsvoorstel bevat een anti-misbruikbepaling om te voorkomen dat belastingplichtigen aftrekposten naar voren halen. Deze anti-misbruikbepaling houdt in dat verschuldigde rente die betrekking heeft op een tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvak dat later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar eindigt, tot het resultaat behoort van het kalenderjaar waarop de rente betrekking heeft.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de fiscale behandeling van kosten van onroerende zaken in het wetsvoorstel in een aantal situaties. Onderhoudskosten voor een onroerende zaak in box 3 zijn in elke situatie (verhuur, niet-verhuur of gemengd gebruik) aftrekbaar in het jaar waarin de belastingplichtige deze kosten heeft gemaakt. Bijvoorbeeld de intentie van belastingplichtige, het feitelijke privégebruik, een beperkte verhuurperiode of tijdelijke leegstand zijn hiervoor niet van belang. Verbeteringskosten zijn in elke situatie verrekenbaar met de vermogenswinst wanneer de onroerende zaak de vermogenswinstbelasting bij de belastingplichtige verlaat. Het maken van onderscheid tussen kosten ter verbetering en onderhoudskosten dient op dezelfde wijze plaats te vinden als in de rechtspraak van de Hoge Raad over kosten van onderhoud van een monumentenpand als bedoeld in artikel 6.31 Wet IB 2001 (tekst tot 2019). Dit betekent (i) dat kosten voor werkzaamheden aan een onroerende zaak zijn aan te merken als kosten van onderhoud voor zover die werkzaamheden ertoe hebben gestrekt de zaak zoals die bij aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden; (ii) dat in gevallen waarin bij verbouwingswerkzaamheden aan een pand zowel herstel als vernieuwing plaatsvindt, in de regel een splitsing moet worden gemaakt tussen onderhoud en verbetering; en (iii) dat een dergelijke splitsing niet aan de orde komt als de in de verbouwing betrokken zaak zo radicaal is vernieuwd dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden, in welk geval van onderhoud in het geheel geen sprake is. Verduurzamingsuitgaven zullen in beginsel verbeteringskosten zijn, bijvoorbeeld bij de aanleg van zonnepanelen. Vastgoed gerelateerde investeringen zullen in beginsel of aangemerkt kunnen worden als onderhoudskosten of verbeteringskosten (of een combinatie daarvan). Van een dubbele economische belastingheffing zal dan ook in de praktijk geen sprake zijn. Deze leden vragen specifiek of marketing- en bemiddelingskosten voor recreatief vastgoed aftrekbaar zijn, ook als daadwerkelijke verhuur uiteindelijk beperkt blijft. Deze kosten zijn aan te merken als kosten die uitsluitend zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van de reguliere voordelen en daarmee zijn deze kosten aftrekbaar, ook als de daadwerkelijke verhuur uiteindelijk beperkt blijft.
De leden van de fractie van de BBB vragen of kosten die verband houden met buitenlands vastgoed in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het werkelijke rendement in box 3.
Voor de vaststelling of kosten die worden gemaakt in verband met onroerende zaken in aanmerking worden genomen voor het vaststellen van het werkelijk rendement in box 3 is het niet relevant waar de onroerende zaak is gelegen. Anders gezegd, dezelfde kosten zijn aftrekbaar ongeacht of deze worden gemaakt voor buitenlandse of binnenlandse onroerende zaken. Valutaverliezen die zich voordoen bij de verkoop van buitenlands vastgoed zullen tot uitdrukking komen in de vaststelling van de vermogenswinst. Voor financieringskosten geldt dat rente aftrekbaar is, indien de schuld onderdeel uitmaakt van het box 3-vermogen. Na vaststelling van het totale box 3-inkomen is bij buitenlands onroerend goed van belang of er aanspraak gemaakt kan worden op voorkoming van dubbele belasting op basis van een belastingverdrag dan wel op basis van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de aftrekbaarheid van kosten van vastgoed. Deze leden vragen tevens of de aftrekbaarheid afhangt van de vraag of gedurende perioden geen huurinkomsten worden ontvangen. Deze leden vragen ook of het kabinet het wenselijk acht om een lijst van aftrekbare vastgoedkosten te publiceren. Daarnaast vragen deze leden of een VvE en de eigenaar van een appartementsrecht verschillende administraties nodig hebben. Ook als er gedurende perioden geen huurinkomsten worden ontvangen, kunnen zakelijke kosten die voor rekening komen van de verhuurder aftrekbaar zijn. Het moet dan wel gaan om kosten die uitsluitend zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van de huurinkomsten (reguliere voordelen). Gemengde kosten (kosten die gedeeltelijk om privé-redenen worden gemaakt) zijn niet aftrekbaar. Voor de aftrekbaarheid is het niet noodzakelijk dat de kosten worden gemaakt in een periode waarin er huur wordt ontvangen. Volgens het kabinet volstaat het in een voorgaand antwoord opgenomen onderscheid tussen onderhoud en verbetering en is het opnemen van een limitatieve of illustratieve lijst van aftrekbare en niet-aftrekbare vastgoedkosten niet nodig. Via de administratie van de VvE kan de eigenaar van een appartementsrecht achterhalen wanneer de VvE een deel van het reservefonds uitgeeft aan onderhoudskosten. De eigenaar van een appartementsrecht zal inderdaad, net zoals andere vastgoedbezitters in box 3, zelf ook een administratie moeten bijhouden. De bijdrage aan een VvE is niet aftrekbaar. Op het tijdstip dat een VvE onderhoudskosten maakt voor een onroerende zaak in box 3, is er wel een aftrekpost voor de belastingplichtige naar rato van zijn aandeel in de VvE.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe onder het voorgestelde stelsel wordt omgegaan met vastgoed dat gedeeltelijk privé wordt gebruikt of slechts gedeeltelijk wordt verhuurd. Daarnaast vragen deze leden welke criteria bepalend zijn voor de kwalificatie van recreatief vastgoed (tweede woning) en of sprake is van rendement wanneer de feitelijke verhuur slechts incidenteel plaatsvindt. Wanneer een onroerende zaak in een kalenderjaar wordt verhuurd maar gedurende minder dan 90% van het kalenderjaar, is sprake van «gemengd gebruik». Voor deze situatie is een systematiek voorgesteld waarin ter zake van de onroerende zaak ofwel de voordelen uit verhuur in aanmerking worden genomen, ofwel de vastgoedbijtelling. De hoogste van de voordelen wordt belast: of de huuropbrengst of de vastgoedbijtelling. Als de belastingplichtige de onroerende zaak in een kalenderjaar voor minder dan 90% gebruikt voor verhuur én de huurinkomsten zijn lager dan het bedrag van de vastgoedbijtelling op jaarbasis, dan geldt dus de vastgoedbijtelling. Voor de belastingheffing over woningen die in box 3 vallen, is het niet van belang of sprake is van een recreatieve of een andere (verhuurde) woning.
De leden van de fractie van de BBB vragen op welke wijze het belastbare vervreemdingsresultaat bij verkoop van verhuurd vastgoed exact wordt vastgesteld, in het bijzonder wanneer gedurende de bezitstermijn meerdere investeringen, renovaties en verbeteringen hebben plaatsgevonden. Deze leden vragen verder welke uitgaven expliciet worden uitgesloten van de fiscale verkrijgingsprijs.
Bij verkoop van een onroerende zaak in box 3 wordt de belastbare vermogenswinst bepaald door de overdrachtsprijs minus de verkoopkosten minus de verkrijgingsprijs vermeerderd met verbeteringskosten. De verkrijgingsprijs van een onroerende zaak die de belastingplichtige op 1 januari 2028 al in bezit had, is de WOZ-waarde op 1 januari 2028 (voor woningen), gecorrigeerd met de leegwaarderatio als deze van toepassing is, dan wel de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2028 (voor niet-woningen).
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe belastingplichtigen verbeteringsinvesteringen administratief dienen te onderbouwen indien deze over een lange bezitstermijn verspreid plaatsvinden, en welke bewijsmaatstaf het kabinet daarbij redelijk acht. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot de wettelijke bewaartermijn en hoe belastingplichtigen dienen om te gaan met investeringen waarvoor geen afzonderlijke facturen of historische bewijsstukken meer beschikbaar zijn bij vastgoed dat langdurig in bezit is geweest. De waarde van een onroerende zaak wordt door de belastingplichtige in de aangifte vermeld. Die waarde wordt door de Belastingdienst vervolgens vooraf ingevuld en in een staffel opgenomen zolang de belastingplichtige de onroerende zaak in bezit heeft. Als de belastingplichtige in een jaar investeringen doet in die onroerende zaak, dan moet de belastingplichtige het bedrag van de investeringen vermelden in de staffel. Op deze wijze wordt bijgehouden in welk jaar voor welk bedrag de belastingplichtige heeft geïnvesteerd in die onroerende zaak.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar een redelijke aanvangswaardering, gelet op de praktische moeilijkheid om historische investeringen volledig te reconstrueren, wanneer de WOZ-waarde een onvoldoende reële waarde geeft. De beginwaarde bij inwerkingtreding van het nieuwe stelsel per 1 januari 2028 is voor woningen de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2028. Mocht de WOZ-waarde een onvoldoende reële waarde geven, kan de belastingplichtige in 2029 tijdig bezwaar maken tegen de hoogte van de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2028 van zijn box 3-woning bij de gemeente. Hiermee is in principe voorzien in een mogelijkheid om rekening te houden met de waardeverandering als gevolg van eerdere investeringen.
De leden van de fractie van de BBB vragen of verbeteringsinvesteringen afzonderlijk moeten worden geactiveerd per kalenderjaar, dan wel cumulatief onderdeel vormen van één aangepaste fiscale kostprijs van het vastgoed en wie verantwoordelijk is voor het vastleggen van de aangroei van de kostprijs van het vastgoed. Kosten van verbetering moeten afzonderlijk worden opgenomen in een nog door de Belastingdienst te ontwikkelen staffel in de belastingaangifte. Daarmee verhogen deze kosten de verkrijgingsprijs van de onroerende zaak. De belastingplichtige is zelf, als belanghebbende, verantwoordelijk voor het op juiste wijze vastleggen van zijn verbeteringskosten.
De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet kan verduidelijken hoe de Belastingdienst in de praktijk onderscheid zal maken tussen een tweede woning met een rendementsdoelstelling en vastgoed dat hoofdzakelijk voor privégenot wordt aangehouden. Het wetsvoorstel kent een onderscheid in de wijze waarop het direct rendement van onroerende zaken wordt belast in drie categorieën: 1) gehele jaar verhuur, 2) gehele jaar niet-verhuur en 3) gemengd gebruik. Voor het vaststellen van de heffing is dus niet de rendementsdoelstelling van belang, maar wel de duur van het verhuur en de huurinkomsten. Op basis hiervan kan worden vastgesteld of de vastgoedbijtelling of de huuropbrengsten worden belast. De belastingplichtige zal deze gegevens moeten aanleveren bij de Belastingdienst.
De leden van de fracties van de BBB, het CDA, JA21 en 50PLUS stellen vragen over het wel of niet rekening houden met inflatie bij het belasten van het werkelijke rendement in box 3.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe wordt omgegaan met waardeveranderingen die voortvloeien uit inflatie en of bij de vaststelling van de vervreemdingswinst geen ruimte zou moeten zijn voor een inflatiecorrectie. In dat kader vragen zij tevens waarom niet gekozen is voor een systeem waarbij de verkrijgingsprijs van vermogensbestanddelen jaarlijks wordt geïndexeerd met een objectieve inflatiemaatstaf. Ook vragen deze leden hoe het kabinet belastingheffing over nominaal werkelijk rendement beoordeelt in het licht van fiscale rechtvaardigheid en het draagkrachtbeginsel. Daarnaast vragen zij naar het nominaal in aanmerking nemen van renteaftrek en het voorkomen van asymmetrie tussen nominale belastingheffing en reële financieringslasten.
De vraag of er bij belastingheffing rekening moet worden gehouden met inflatie, wordt niet voor het eerst gesteld. Mijn ambtsvoorganger heeft hier meerdere uitgebreide brieven over gestuurd, die nog steeds relevant zijn.11, 12 In de jaren zeventig, toen de inflatie hoog was, is opdracht gegeven tot het schrijven van een rapport over inflatieneutrale belastingheffing: het rapport Hofstra.13 Hofstra schreef in zijn rapport «zo kunnen inflatoire schijnvoordelen worden belast alsof zij reële inkomsten vormen, en anderzijds reële door de inflatie veroorzaakte voordelen ten onrechte onbelast worden gelaten». De problemen als gevolg van inflatie ontstaan als bij de berekening van het inkomen in een bepaald jaar vergelijkingen van geldbedragen op verschillende tijdstippen een rol spelen.
De voorstellen uit het rapport Hofstra zijn uiteindelijk niet ingevoerd. Het kabinet schreef destijds dat «de problematiek van de inflatieneutrale belastingheffing zo complex van aard is, dat het kabinet meent eerst een beslissing te mogen nemen na een zorgvuldige analyse van deze problematiek en afweging van alle daaraan verbonden aspecten».
In 2002 is inflatieneutrale belastingheffing opnieuw onderzocht naar aanleiding van de motie Renkema c.s.14, 15 bij invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij werd geconcludeerd over een inflatieneutraal (substantialistisch) belastingstelsel: «Het is een breed gedragen mening dat een substantialistisch stelsel weliswaar een theoretisch ideaal is maar in de praktijk welhaast onbereikbaar, vandaar dat de discussie die ontstond na het verschijnen van het rapport Hofstra niet nogmaals zal worden overgedaan.»
Ook in de brief van 29 september 2022 staan de overwegingen omschreven om het nominale in plaats van het reële rendement te belasten.16
Het voorstel is dan ook om het nominale werkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 omschreven en ook blijkt uit de hiervoor aangehaalde onderzoeken en brieven, sluit het belasten van het reële werkelijke rendement het beste aan bij het draagkrachtbeginsel. Het deel van het nominale inkomen dat nodig is om de koopkracht van het vermogen op peil te houden, levert de spaarder immers geen extra draagkracht op ten opzichte van iemand zonder spaargeld. Het vraagstuk van inflatie beperkt zich echter niet tot box 3, maar geldt voor alle onderdelen van het belastingstelsel waar kapitaalinkomsten worden belast. Ook elders in het belastingstelsel is het belasten van het nominale werkelijke rendement de hoofdregel. Als in box 3 het reële werkelijke rendement zou worden belast, zou dat tot verschillen tussen de boxen leiden. Dividenduitkeringen zouden in box 2 bijvoorbeeld nominaal worden belast en in box 3 reëel. Dat kan tot gedragseffecten leiden. Rekening houden met inflatie is dus een vraagstuk op stelselniveau.
Aanpassing hiervan zou het stelsel veel complexer maken voor de belastingplichtige en de Belastingdienst.
Inflatie staat immers niet op de bankafschriften. Rekening houden met inflatie zou naar verwachting aanzienlijke budgettaire gevolgen hebben. Het reële inkomen is immers normaal gesproken lager dan het nominale inkomen. Dit kan in box 3 (geheel of gedeeltelijk) gecompenseerd worden met een lager heffingsvrij resultaat of een hoger tarief. Gemiddeld schieten belastingplichtigen er dan per saldo niets mee op.
Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom het lastig uitlegbaar is extra belasting te heffen bij deflatie. Nominale bedragen zijn voor belastingplichtigen herkenbaar. In het geval van deflatie zou het zo kunnen zijn dat een vermogensbestanddeel voor € 2.000 verkocht is, maar dat vanwege deflatie – als hier rekening mee gehouden zou worden – belastingplichtigen belasting moeten betalen over € 2.100 bij een deflatie van 5%. Het kabinet denkt dat dit lastig uitlegbaar is aan belastingplichtigen.
De leden van de fractie van de BBB vragen ook naar een internationale vergelijking. Het kabinet heeft zelf geen vergelijking gemaakt, maar het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft in 2023 een rapport gepubliceerd over inflatie en belastingen.17 Van de 160 onderzochte landen zijn er slechts negen – waaronder Nederland – die wettelijk hebben vastgelegd dat bedragen in belastingwetten in principe jaarlijks voor inflatie worden gecorrigeerd.
Uit het rapport van het IMF blijkt dat Israël en Brazilië voor bedrijfswinsten systemen hebben gehad die een oplossing probeerden te bieden voor de verstoringen door inflatie. Van het Israëlische systeem is niet duidelijk of het effectief was, omdat de inflatie stevig gedaald was toen het uiteindelijk werd ingevoerd. Het Braziliaanse systeem corrigeerde de inflatie incompleet, waardoor nog steeds voorraadwinsten niet reëel werden belast.
Het IMF concludeert dat inflatie in het kader van belastingheffing op verschillende manieren verstoringen kan veroorzaken. Het corrigeren van parameters voor inflatie is een relatief simpele oplossing, die in Nederland dus al wettelijk is geregeld door middel van de toepassing van de tabelcorrectiefactor. Oplossingen voor timingskwesties in de belastingheffing en het heffen op nominale bedragen, waaronder het verschil tussen reële financieringslasten en nominale belastingheffing waar de leden van de fractie van de BBB naar vragen, zijn echter complex volgens het IMF. Ook wijst het IMF erop dat partiële oplossingen nieuwe verstoringen met zich kunnen brengen.
Tot slot vragen de leden van de fractie van de BBB hoe het ontbreken van inflatiecorrectie zich verhoudt tot de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad over belastingheffing op fictieve of niet-reële rendementen in box 3. De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het kabinet de reactie van rechters inschat die het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) breed toepassen.
In 2019 heeft de Hoge Raad bij de beoordeling of sprake is van een schending van het eigendomsrecht uitdrukkelijk de inflatie buiten beschouwing gelaten.18 In lijn hiermee heeft de Hoge Raad in 2024 bepaald dat bij het bepalen van het werkelijke rendement voor de tegenbewijsregeling geen rekening wordt gehouden met inflatie.19
De leden van de fractie van BBB vragen of het kabinet aan kan geven welk deel van de waardestijging van vastgoed en langjarige beleggingen feitelijk samenhingen met algemene inflatie. Tabel 1 hieronder laat de nominale en reële ontwikkeling zien van een brede aandelen index (MSCI) en van de WOZ-waarde van vastgoed in bezit van verhuurders.
Uit de tabel blijkt dat voor aandelen het reële rendement jaar op jaar 3%-punt lager lag door inflatie, waar dit bij vastgoed 4%-punt was. De precieze cijfers zijn zeer afhankelijk van welke jaartallen worden meegenomen, maar in de regel geldt dat investeringen in aandelen en onroerende zaken reëel in waarde toenemen.
|
|
nominaal |
− |
reëel |
− |
|---|---|---|---|---|
|
MSCI |
WOZ verhuurder |
MSCI |
WOZ verhuurder |
|
|
2018 |
– 10% |
8% |
– 11% |
7% |
|
2019 |
25% |
5% |
23% |
4% |
|
2020 |
– 2% |
7% |
− 3% |
6% |
|
2021 |
23% |
15% |
21% |
13% |
|
2022 |
– 8% |
1% |
− 20% |
− 11% |
|
2023 |
15% |
5% |
12% |
2% |
|
2024 |
8% |
− |
6% |
|
|
2025 |
21% |
− |
18% |
|
|
j-op-j |
8% |
7% |
5% |
3% |
De leden van de fractie van BBB vragen of het kabinet heeft onderzocht welke effectieve belastingdruk ontstaat bij langdurige inflatie, en in hoeverre belastingheffing zonder inflatiecorrectie bij vastgoed cumulatief kan leiden tot hogere effectieve belastingdruk. Het kan voorkomen dat een vastgoedbezitter in een gegeven jaar een nominaal rendement heeft wat onder de inflatie ligt. Tegelijkertijd laat tabel 1 zien dat op de langere termijn het rendement gemiddeld genomen hoger ligt dan inflatie. Het is niet onderzocht in welke mate hoge inflatie kan leiden tot een hogere effectieve belastingdruk. Een heffing op reëel rendement zou waarschijnlijk leiden tot een lagere effectieve belastingdruk bij belastingplichtigen bij een gelijkblijvend heffingsvrij resultaat en tarief, omdat het reële rendement in de regel lager ligt dan het nominale rendement.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de aannames voor de langjarige rendementen op verschillende vermogenscategorieën. Ze willen verder weten welke scenario’s zijn gebruikt en of ook een scenario met negatieve beursrendementen is gesimuleerd. Voor de langjarige rendementen en de spreiding rondom deze gemiddelde rendementen zijn verschillende externe bronnen gebruikt. Zo is voor de woningmarktontwikkeling en renteontwikkeling gebruik gemaakt van cijfers van DNB en voor de spreiding rondom effectenportefeuilles hebben banken gegevens aangeleverd. Deze gegevens zijn aangevuld met onder andere cijfers uit het rapport van de Commissie Parameters en lange termijn ramingen van het CPB. Het simulatiemodel berekent verschillende scenario’s, zo ook een scenario met negatieve beursrendementen. Het model middelt de uitkomsten van de verschillende scenario’s aan de hand van hun waarschijnlijkheid. Het model geeft geen losse reeksen per scenario, alleen het gewogen gemiddelde.
De leden van de fractie van de BBB vragen of de raming van het wetsvoorstel ook gesimuleerd kan worden met historische data en met de rendementen van de afgelopen 15 jaar of de periode na de beurscrash in 2008. Het is niet mogelijk om een reconstructie te maken van wat de Wet werkelijke rendement had opgeleverd in de afgelopen 15 jaar. Hiervoor zijn de werkelijk behaalde rendementen nodig per belastingplichtige en die zijn niet uitgevraagd bij de aangifte. De raming is gebaseerd op een simulatiemodel dat voor iedere belastingplichtige per jaar een rendement simuleert. Er zit veel spreiding tussen de rendementen van belastingplichtigen.
Hierdoor kan het zijn dat in een slecht beursjaar er alsnog belastingplichtigen zijn die (grote) winsten behalen. Gemiddeld genomen zal in een slecht beursjaar de belastingopbrengst van box 3 lager uitvallen. Dit effect is niet lastenrelevant en zal zodoende in het saldo lopen.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de voorspelbaarheid van de belastinginkomsten gegeven dat in sommige jaren de beursrendementen (sterk) negatief kunnen zijn. Verder vragen deze leden welke instrumenten zijn overwogen om deze eventuele opbrengsttekorten het hoofd te bieden. De opbrengst van een belasting op basis van werkelijk rendement is per definitie gevoelig voor conjunctuurschommelingen. In een hoogconjunctuur is het rendement hoger en daarmee ook de belastingopbrengsten. Terwijl in een laagconjunctuur de rendementen lager zijn en daarmee ook de belastingopbrengsten. De raming gaat uit van een gewogen gemiddelde van verschillende scenario’s bij zowel een hoog- als laagconjuctuur. De fluctuaties van de gerealiseerde inkomsten als gevolg van de conjunctuur lopen conform de begrotingsregels in het saldo.
De leden van de fractie van de BBB vragen naar de beoordeling van de Algemene Rekenkamer op het wetsvoorstel. De Algemene Rekenkamer evalueert wet- en regelgeving pas na invoering.
De leden van de fractie van de BBB vragen of scenario’s zijn onderzocht voor invoering van een bredere vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, welke signalen het kabinet heeft ontvangen van financiële instellingen over hun technische capaciteit om een vermogenswinstbelasting per 2028 te ondersteunen, welke gesprekken hierover zijn gevoerd, welke onderdelen van een vermogenswinstbelasting technisch maakbaar zijn per 1 januari 2028, tot welke administratieve lasten dit leidt bij financiële instellingen en onder welke voorwaarden het kabinet bereid zou zijn over te stappen op een bredere vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of financiële instellingen die benodigde gegevens voor een vermogenswinstbelasting wel kunnen bijhouden en op tijd kunnen melden. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting. Naast implementatie door financiële instellingen vergt de overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting tijd voor het wetgevingstraject en de implementatie door de Belastingdienst. Invoering van een bredere vermogenswinstbelasting is niet mogelijk per 1 januari 2028. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft steeds aangegeven dat een vermogensaanwasbelasting eenvoudiger en sneller te realiseren is. Een vermogenswinstbelasting zal dus naar verwachting zorgen voor hogere administratieve lasten bij financiële instellingen. De NVB ondersteunt echter de wens om zo snel mogelijk over te stappen naar een vermogenswinstbelasting. In dit kader heeft de NVB verschillende aandachtspunten gesignaleerd die nadere uitwerking vragen, zoals de dataoverdracht bij een bankenwissel. Het kabinet zal dit betrekken bij de doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting. Uitgangspunt voor de implementatie voor de Belastingdienst en de ketenpartners (banken en verzekeraars) is een termijn van een jaar en negen maanden, gerekend vanaf het moment dat het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer.
De leden van de fractie van de BBB vragen waarom eerder werd aangenomen dat een brede vermogenswinstbelasting uitvoeringstechnisch niet haalbaar zou zijn terwijl het tijdens de parlementaire behandeling leek of er wel ruimte is. Het kabinet wil zo spoedig mogelijk doorontwikkelen naar een brede vermogenswinstbelasting en onderzoekt per wanneer dit uitvoeringstechnisch haalbaar is. Hierbij wil ik graag aangeven dat de beoordeling over de technische uitvoerbaarheid verschillende componenten bevat. Administratie door financiële instellingen is een belangrijke component. Het verzorgen van de gegevenslevering voor een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement is een langlopend project.
Banken kunnen de gegevensaanlevering die nodig is voor de invoering van een belasting over werkelijk rendement op basis van het voorliggend wetsvoorstel sneller realiseren dan de gegevensaanlevering die nodig is voor een vermogenswinstbelasting. Voor het voorliggend wetsvoorstel hoeven minder gegevens te worden aangeleverd over voorliggende jaren en dus ook minder gegevens te worden bewaard. Tegelijkertijd moeten de voor de gegevensaanlevering benodigde technische wijzigingen ook inpasbaar zijn in het ICT portfolio van de Belastingdienst.
De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie vragen of het klopt dat invoering van een vermogenswinstbelasting afhankelijk is van de dekking en wat er gebeurt met het invoeringspad als de dekking niet tijdig wordt gevonden. Daarnaast vragen deze leden of de overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting leidt tot blijvend lagere belastingontvangsten, welke financiële kaders gelden voor het vinden van dekking en of het structurele opbrengstpotentieel van een vermogenswinstbelasting meegewogen kan worden bij de beoordeling van benodigde dekking. Zoals opgenomen in het coalitieakkoord werkt het kabinet aan een zo spoedig mogelijke doorontwikkeling naar een vermogenswinstsystematiek. Er is nog besluitvorming nodig omtrent de dekking, maar dit zal geen vertragende factor zijn voor het kabinet om deze doorontwikkeling met spoed te laten plaatsvinden. Om te voorkomen dat rekeningen worden doorgeschoven, moeten beleidswijzigingen met budgettaire consequenties worden gedekt. De overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting leidt op de korte en middellange termijn tot een budgettaire derving. Deze derving wordt in de jaren die volgen niet meer ingehaald. Structureel – dus in de verre toekomst – leveren een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting evenveel op, indien geen rekening wordt gehouden met gedragseffecten. Er is geen sprake van een structureel opbrengstpotentieel wat meegewogen kan worden.20
De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat de budgettaire derving van een vermogenswinstbelasting voornamelijk incidenteel is. Hun argumentatie hierbij is dat een stelsel dat uitgaat van gerealiseerde vermogenswinsten op de langere termijn tot hogere en stabielere belastingopbrengsten leidt. Het klopt dat een vermogenswinstbelasting voornamelijk tot een incidentele derving leidt en de structurele derving beperkt is. Dit komt echter niet door hogere of stabielere belastingopbrengsten. De incidentele derving die in de eerste jaren van een vermogenswinstbelasting ontstaat wordt nooit meer ingehaald. De grondslag van een vermogenswinstbelasting blijft gelijk aan die van het voorgestelde hybride stelsel. Er is dus geen sprake van een hogere belastingopbrengst. Ook leidt een vermogenswinstbelasting niet per definitie tot stabielere belastingopbrengsten. Een belasting op basis van werkelijk rendement is volatieler dan een belasting op basis van vermogen, onafhankelijk van of het werkelijk rendement op basis van een vermogensaanwas- of vermogenswinstregime wordt belast.
De leden van de fractie van de VVD vragen naar de hoofdlijnen van het overgangsrecht, met name voor vermogensaanwas die al belast is maar nog niet gerealiseerd.
Het huidige box 3-stelsel is gebaseerd op een vermogensaanwassystematiek, waarin de jaarlijkse waardeontwikkeling ofwel forfaitair ofwel via de tegenbewijsregeling wordt belast. Aangezien er op dit moment al een vermogensaanwassystematiek geldt in box 3, is er geen overgangsrecht nodig voor de vermogensbestanddelen waarvoor ook in het nieuwe stelsel een vermogensaanwassystematiek blijft gelden. Bij een heffing over de vermogensaanwas wordt geen belasting geheven over de waardeontwikkeling uit eerdere jaren. Het maakt daarbij niet uit of deze waardeontwikkeling al dan niet is gerealiseerd. Er is wel overgangsrecht nodig voor de vermogensbestanddelen die per 2028 overgaan naar een vermogenswinstsystematiek.
Bij een vermogenswinstsystematiek wordt er wel geheven over de waardeontwikkeling uit eerdere jaren. Daarom voorziet het wetsvoorstel in een zogenoemde step-up bepaling voor onroerende zaken en voor aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen. Voor deze vermogensbestanddelen wordt de historische verkrijgingsprijs verhoogd naar de waarde op 1 januari 2028. Op die manier wordt voorkomen dat er na 2028 wordt geheven over vermogensaanwas van voor 2028 die al is belast op basis van het huidige box 3-stelsel.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan bevestigen dat de aangekondigde novelle geen belemmering vormt voor de overgang naar een vermogenswinstbelasting. Dit kan het kabinet bevestigen.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe gewaarborgd wordt dat de besluitvorming over het invoeringspad transparant en afzonderlijk kan plaatsvinden, gezien de koppeling met het Belastingplan 2027.
Het kabinet wil eventuele aanpassingen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en de budgettaire dekking daarvan betrekken bij de augustusbesluitvorming. Als het kabinet besluit tot aanpassingen die een derving opleveren, dan zal ook een dekkingsmaatregel moeten worden getroffen voor de incidentele en structurele derving van deze maatregelen. Het kabinet is verantwoordelijk voor een sluitende begroting en neemt daarom meestal de lastenverlichting (derving) en dekking in hetzelfde wetsvoorstel op. Het is niet ongebruikelijk dat een dergelijke dekking in een totaalpakket wordt opgenomen met andere maatregelen. In dat geval is geen sprake van een eigenstandig voorstel met een direct daaraan te koppelen dekking. Maatregelen worden altijd afzonderlijk geraamd en toegelicht, ook als ze deel uitmaken van hetzelfde wetsvoorstel. Ook krijgt iedere maatregel zijn eigen uitvoeringstoets. In die zin is het kabinet van mening dat de besluitvorming transparant is. Het kabinet kan toezeggen te streven naar een wetsvoorstel waarin alleen de aanpassingen aan het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en de dekking daarvoor zijn opgenomen. Vanwege het belang dat het kabinet hecht aan verstandig begrotingsbeleid, kan ik dit echter niet garanderen.
Voor de doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting is in ieder geval een eigenstandig wetstraject noodzakelijk.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de uitkomsten van de voortgangsrapportage over de Opgaaf Werkelijk Rendement kan delen en kan aangeven wat deze betekenen voor de uitvoerbaarheid van het stelsel. Ik zal uw Kamer voor de zomer een voortgangsrapportage sturen over het aanvullend herstel box 3, waarin ik onder meer zal ingaan op de effecten van de hersteloperatie op burgers en op de Belastingdienst. Vanaf de aangifte over belastingjaar 2025 is het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement geïntegreerd in de aangifte inkomstenbelasting. Het huidige box 3-stelsel is uitvoerbaar voor de Belastingdienst.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet inwerkingtreding per 1 januari 2028 nog haalbaar acht, mede gelet op de aangekondigde novelle en afhankelijkheden met ketenpartners. Over de mogelijke aanpassingen van de voorliggende wet zal ik uw Kamer voor de zomer een brief sturen. Het uitgangspunt is dat de ingangsdatum haalbaar blijft, dus zal het kabinet geen voorstellen doen die ertoe leiden dat het wetsvoorstel niet meer kan ingaan per 2028.
De leden van de fractie van de VVD vragen welk terugvalscenario er is voorzien als de gegevensaanlevering niet tijdig gereed is. Zoals het kabinet heeft aangegeven is de gegevenslevering van banken en andere financiële instellingen van groot belang voor de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt.
Daarom voert de Belastingdienst intensief overleg met hen zodat de gegevenslevering tijdig is geregeld. De implementatie van de gegevensaanlevering is een project dat ongeveer achttien maanden duurt en op schema ligt om tijdig te zijn voltooid.
De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie vragen hoe eventueel uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 zich verhoudt tot de genoemde derving en de begrotingsregels. Volgens de reguliere begrotingsregels worden beleidsmatige aanpassingen in principe in hetzelfde jaar gedekt als waar de derving ontstaat.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan bevestigen dat de implementatie van box 3 niet ten koste gaat van andere ICT-prioriteiten en dat deze prioriteiten op hun beurt de invoering niet vertragen. Zoals in de (herijkte) uitvoeringstoets staat vermeld, vereist implementatie van het wetsvoorstel ingrijpende wijzigingen in de geautomatiseerde ondersteuning van het aangifteproces voor de inkomensheffing. Hiermee is rekening gehouden bij het opstellen van de prioritering in de ICT-portfolio. Een aantal procesverbeteringen kan pas later (op zijn vroegst in 2029) worden doorgevoerd als gevolg van de implementatie van dit wetsvoorstel. Omdat een deel van de aanpassingen van de geautomatiseerde systemen in 2029 gerealiseerd zal moeten worden, resteert in dat jaar beperkte ruimte voor andere aanpassingen in de inkomstenbelasting. Bovendien zijn er voor 2029 al een aantal (potentiële) wetswijzigingen in beeld, bijvoorbeeld rondom een eventuele verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en de digitalisering van het berichtenverkeer met burgers en bedrijven.
De leden van de fractie van de VVD vragen of er een actuele uitvoeringstoets beschikbaar is voor de huidige vorm van het wetsvoorstel. Met de indiening van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is een (herijkte) uitvoeringstoets meegestuurd. Deze heeft betrekking op het voorliggende wetsvoorstel. Aanpassingen van het wetsvoorstel met betrekking tot startups en scale-ups of wijzigingen in het kader van de verbetering van de vermogensaanwasbelasting zullen van een afzonderlijke uitvoeringstoets worden voorzien.
De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie vragen om uiteen te zetten waarom het doenvermogen bij groepen met weinig vermogen en volatiel rendement, en bij belastingplichtigen die voorheen niet aangifteplichtig waren, niet onevenredig wordt belast. Het kabinet erkent dat de overstap naar een heffing op basis van werkelijk rendement inherent complexer is dan een forfaitair stelsel, omdat er meer gegevens over het gehele kalenderjaar moeten worden vastgelegd en verantwoord. Dit blijkt ook uit de huidige tegenbewijsregeling die gebaseerd is op werkelijk rendement en die veel van het doenvermogen van belastingplichtigen vraagt. Een toename van complexiteit is onvermijdelijk om een rechtvaardiger stelsel te bereiken dat aansluit bij de werkelijke draagkracht. Het doenvermogen van de door de leden van de fractie van de VVD genoemde groepen is door het kabinet benoemd als aandachtspunt. Daarom zal de Belastingdienst bij de invoering van het nieuwe box 3-stelsel een intensief communicatietraject starten, om belastingplichtigen te ondersteunen bij het doen van aangifte. Belastingplichtigen kunnen vragen over de aangifte inkomstenbelasting stellen bij de BelastingTelefoon. Het is staand beleid van de Belastingdienst dat burgers geholpen worden met vragen over en het invullen van de aangifte inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de stelling kan onderbouwen dat belastingplichtigen met complexer vermogen over het algemeen een hoger doenvermogen hebben en vraagt of het kabinet de kosten van professionele bijstand bij mensen met complexer vermogen afgezet tegen het te verwachten rendement proportioneel vindt.
Het kabinet is van mening dat de belasting van het doenvermogen niet onevenredig is omdat belastingplichtigen met een complexere vermogensmix over het algemeen over een hoger doenvermogen beschikken of financieel in staat zijn om een adviseur in te schakelen. Uit aangiftebestanden van de Belastingdienst blijkt dat mensen met kleinere vermogens gemiddeld genomen minder gevarieerd vermogen hebben, vaak in de vorm van enkel een spaarrekening en eventueel een beleggingsrekening. Belastingplichtigen met hogere vermogens en inkomens in box 3 hebben vaker een complexere samenstelling van het vermogen. Uit onderzoek blijkt dat mensen met een hoger huishoudinkomen gemiddeld genomen over meer doenvermogen beschikken.21 Een groot deel van de belastingplichtigen met een gevarieerd vermogen doet overigens nu al aangifte met behulp van een fiscaal dienstverlener. Om de doenbaarheid verder te borgen, zal de Belastingdienst bij de invoering van het nieuwe stelsel een intensief communicatietraject starten en blijft hulp bij het invullen van de aangifte beschikbaar via de BelastingTelefoon, via videobellen en aan de balie in Belastingkantoren en steunpunten.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kabinet voorkomt dat belastingplichtigen zonder fiscale expertise maar met complex vermogen (zoals een geërfde woning, familielening of buitenlands vermogen) worden geconfronteerd met fouten, correcties of verzuimboetes als gevolg van de toegenomen administratieve lasten. Naarmate het vermogen gevarieerder en complexer is, zal het beroep op het doenvermogen groter zijn. De verwachting is daarbij ook dat belastingplichtigen met een gevarieerder en complexer vermogen over het algemeen over een hoger doenvermogen beschikken. Voor vermogenscategorieën die niet vooraf ingevuld kunnen worden, zal de belastingplichtige zelf gegevens die relevant zijn voor het werkelijke rendement moeten verzamelen. Omdat het invullen van de aangifte voor sommige belastingplichtigen een groter beroep doet op het doenvermogen, zal de Belastingdienst bij de invoering van het voorstel een intensief communicatietraject starten. Het doel hiervan is belastingplichtigen te ondersteunen bij het doen van aangifte. De Belastingdienst zal hierbij via algemene communicatiekanalen bekendheid geven aan de veranderingen en hierover uitleg geven. Belastingplichtigen kunnen vragen over de aangifte inkomstenbelasting stellen bij de BelastingTelefoon. Het is staand beleid van de Belastingdienst dat burgers geholpen worden met vragen over en het invullen van de aangifte inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de vastgoedbijtelling, ondanks het forfaitaire karakter, in de ogen van het kabinet verenigbaar is met artikel 1 (Eerste Protocol) EP EVRM en het discriminatieverbod. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet het aanvaardbaar acht dat het stelsel forfaitaire elementen blijft bevatten die tot nieuwe procedures kunnen leiden en hoe dit risico is meegenomen in de raming en de uitvoering. Het bepalen van de economische huurwaarde van een niet voor ten minste 90% van de tijd verhuurde onroerende zaak is zowel voor belastingplichtigen als voor de Belastingdienst erg ingewikkeld. Om redenen van eenvoud, uitvoerbaarheid en doenvermogen is in het wetsvoorstel dan ook voorgesteld om de economische huurwaarde van een onroerende zaak forfaitair te bepalen door middel van de (bruto) vastgoedbijtelling. Een forfaitaire belastingregeling, zoals de vastgoedbijtelling, is in beginsel toegestaan. Volgens de Hoge Raad22 is een zekere ruwheid (en daarmee een zekere ongelijkheid) inherent aan een forfaitaire regeling. Een forfait moet wel voldoende aansluiten bij de werkelijkheid. Daarom heeft extern onderzoek plaatsgevonden naar de hoogte en de spreiding van de huurwaarde van niet-verhuurde box 3-woningen.
De ruwheid die inherent is aan een forfaitaire regeling, zoals genoemd door de Hoge Raad, geeft aanleiding om bij het vaststellen van de bijtelling een aanzienlijke voorzichtigheidsmarge in te bouwen ten opzichte van deze gemiddelde huurwaarde. Aangezien het forfait goed aansluit bij de werkelijkheid en er bovendien een ruime voorzichtigheidsmarge is ingebouwd, is het forfait gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad naar het oordeel van het kabinet juridisch houdbaar. Het staat belastingplichtigen uiteraard vrij om in voorkomende gevallen een bezwaarprocedure te starten en eventueel in beroep te gaan. Hiermee wordt geen rekening gehouden in de raming. Voor de uitvoering geldt dat niet op specifieke onderdelen wordt getoetst, maar een wetsvoorstel als geheel wordt getoetst.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de verwachte gedragseffecten nader kan kwantificeren en dan met name wat het effect is van een verschuiving tussen de box 2 en box 3 rond de 5% aandelenbezit, wat het lock-in effect is bij de vermogenswinstbelasting in box 3 en wat de mogelijke emigratie van vermogen of belastingplichtigen zal zijn. Deze leden vragen of het kabinet het risico ziet dat belastingplichtigen hun gedrag aanpassen door het aandelenbelang in een vennootschap naar 5% te brengen of dat zij vermogen naar het buitenland verplaatsen. Tevens vragen deze leden wat dergelijke grondslagverschuivingen betekenen voor de stabiliteit en robuustheid van de box 3-opbrengst op langere termijn. Het type gedragseffect en de mate waarin gedragseffecten plaats vinden zijn vaak lastig in te schatten. De inschatting van gedragseffect gebeurt idealiter zo veel mogelijk op basis van empirische bevinding of bewezen modelsimulaties. Als er voldoende empirische onderbouwing is voor een bepaalde beleidswijziging, kan het gedragseffect vrij nauwkeurig ingeschat worden. In veel gevallen is dat echter niet mogelijk, omdat betrouwbare studies over de omvang van gedragsreacties van een specifieke beleidswijziging ontbreken.23 Grote vermogens die hoge rendementen hebben zullen waarschijnlijk fiscaal optimaal spreiden tussen box 2 en box 3. Daarbij geldt dat in de afgelopen jaren maatregelen zijn genomen die de verschillende vormen van (inkomen uit) vermogen evenwichtiger belasten, ook met name in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregelen leiden tot een hogere effectieve belastingdruk op box 2-vermogen. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van een gedifferentieerd tarief in box 2 volgend jaar. Dan hebben we daar ook een meer empirisch onderbouwd beeld bij. Het belasten van werkelijk rendement uit box 3-vermogen is in elk geval een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van (inkomsten uit) vermogen. Daarbij is ook in belangrijke mate rekening gehouden met gedragseffecten. Er doen zich immers altijd gedragseffecten voor als gevolg van beleidswijzigingen. In de raming van de Wet werkelijk rendement box 3 is een totaal gedragseffect van 20% van het budgettaire effect verondersteld bij personen die structureel meer belasting gaan betalen onder het nieuwe box 3-stelsel. Dat betreft met name de grotere vermogens die relatief hoge rendementen op beleggingen behalen ten opzicht van het huidige forfaitaire rendement. Onder die 20% vallen allerlei type gedragseffecten zoals meer consumptie, meer schenkingen of giften, het verschuiven van hoogrenderende naar laagrenderende beleggingen of het verplaatsen van vermogen naar een bv of mogelijk weglek naar het buitenland. Het kabinet houdt dus in de ramingen expliciet rekening met het risico van gedragseffecten inclusief die, die de leden van de fractie van de VVD noemen. Het kabinet verwacht niet dat vanwege dit wetsvoorstel personen gaan emigreren of dat zij een substantieel deel van hun vermogen verplaatsen naar het buitenland. Inwoners van Nederland zijn belastingplichtig over hun wereldinkomen en dus ook over hun inkomen uit vermogen dat in het buitenland is ondergebracht.
Voor de handhaving van de Belastingdienst is in dit kader van belang dat hun informatiepositie wordt verbeterd door internationale gegevensaanlevering op basis van de Common Reporting Standard (CRS) en Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA), aangevuld met de DAC8-richtlijn voor crypto-activa. Wat betreft de vraag van de VVD of de gedragseffecten en verschuiving van vermogen van box 3 naar box 2 de stabiliteit en robuustheid van de box 3-ontvangsten aantasten het volgende. Allereerst door nadrukkelijk rekening te houden met gedragseffecten wordt zo realistisch mogelijk geraamd, zowel voor de ontvangsten op korte termijn als in de structurele situatie. Daarbij geldt dat juist het huidige stelsel niet houdbaar is en de stabiliteit en robuustheid van de opbrengst van box 3 aantast. Immers, op dit moment geldt – op basis van de tegenbewijsregeling – dat alleen het werkelijke rendement op vermogen wordt belast als dat rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Als rendementen hoger uitkomen dan het forfaitaire rendement, wordt het lagere forfaitaire rendement belast. In de praktijk hebben we nu een asymmetrisch systeem: in jaren met hoge werkelijke rendementen wordt de belasting gemaximeerd op het forfaitaire rendement, terwijl belastingplichtigen in jaren met lage rendementen kunnen uitgaan van het lagere werkelijke rendement. Deze asymmetrie gaat ten koste van de belastingontvangsten. Het vermindert daarnaast de neutraliteit in het belasten van inkomsten uit vermogen omdat belastingplichtigen met volatiele bezittingen meer profiteren van het tegenbewijsregime dan belastingplichtigen met stabiele rendementen, zoals spaarders. Bovendien worden werkelijke rendementen boven het forfaitaire rendement niet volledig belast, wat het draagkrachtbeginsel ondermijnt. De asymmetrie van het huidige stelsel is een van de belangrijkste redenen waarom het huidige systeem niet langer als houdbaar wordt beschouwd en dus ten koste gaat van de stabiliteit en robuustheid van de belastingontvangsten.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe bij de overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting zal worden voorkomen dat belastingplichtigen te maken krijgen met dubbele heffing, bijvoorbeeld wanneer waardestijgingen eerst jaarlijks in de heffing worden betrokken en later opnieuw bij realisatie. Bij de aanvang van een nieuw stelsel zal niet de oorspronkelijke aankoopprijs (die mogelijk al vele jaren geleden is betaald) worden gehanteerd als beginwaarde, maar in plaats daarvan de waarde bij aanvang van het nieuwe stelsel. Daardoor wordt, bij vermogensbestanddelen waarbij de waardeontwikkeling in een vermogenswinstbelasting wordt gerealiseerd, alleen de waardeontwikkeling in aanmerking genomen die is opgetreden sinds het moment van invoering van de vermogenswinstbelasting.
De leden van de fractie van D66 vragen welke extra gegevens financiële instellingen, platforms en belastingplichtigen moeten aanleveren om het systeem van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 uitvoerbaar te maken. De gegevens die nodig zijn, zijn afhankelijk van de vermogensbestanddelen van de belastingplichtige en van de vraag of deze vermogensbestanddelen binnen de vermogensaanwas- of vermogenswinstsystematiek vallen. Voor banktegoeden en aandelenportefeuilles bij binnenlandse financiële instellingen worden gegevens om het rendement te kunnen berekenen in principe aangeleverd door de financiële instellingen. Voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen zal altijd de beginwaarde, de eindwaarde en het rendement dat is behaald met het vermogensbestanddeel moeten worden aangeleverd. Veelal zal dit moeten worden aangeleverd door de belastingplichtige en niet door een derde.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet waarborgt dat er zo veel mogelijk gegevens vooraf ingevuld kunnen worden in de aangifte. De Belastingdienst werkt aan een aangifte waar zo veel mogelijk vooraf ingevuld wordt. Een stelsel op basis van werkelijk rendement vraagt echter hoe dan ook meer van het doenvermogen van de belastingplichtige en betekent voor de Belastingdienst ook hogere uitvoeringslasten.
De Belastingdienst maakt momenteel afspraken met de financiële instellingen over de gegevens die zij kunnen aanleveren. Daarnaast wordt er ook gesproken met platforms. Voor buitenlandse vermogensbestanddelen zijn er echter zeer beperkt gegevens beschikbaar om vooraf te kunnen invullen in de aangifte.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet waarborgt dat deze tussenstap, gevolgd door een stelsel op basis van vermogenswinst enkele jaren later, niet leidt tot langdurige onzekerheid voor burgers, hogere uitvoeringslasten en een toename van bezwaar- en beroepsprocedures. Het voorliggende wetsvoorstel introduceert een stelsel op basis van werkelijk rendement, waarin een vermogenswinstbelasting is opgenomen voor onroerende zaken en voor aandelen in startende ondernemingen (startups). Een stelsel op basis van werkelijk rendement vraagt meer van het doenvermogen van de belastingplichtige en betekent voor de Belastingdienst ook hogere uitvoeringslasten. De implementatie en uitvoering van een volledige vermogenswinstbelasting zal extra capaciteit vragen van de Belastingdienst. Op basis van een volgend wetsvoorstel zal dit in kaart worden gebracht in een uitvoeringstoets. De Belastingdienst zal burgers bij wijzigingen in het stelsel zo goed mogelijk informeren. Burgers kunnen bij het invullen van hun aangifte inkomstenbelasting ondersteuning krijgen via de BelastingTelefoon, een videogesprek of de balie van een belastingkantoor of steunpunt van de Belastingdienst.
De leden van de fracties van 50PLUS en van het CDA verwijzen naar de nota naar aanleiding van het verslag, waarin het kabinet opmerkt dat ook ongerealiseerde waardestijgingen feitelijk de draagkracht verhogen van belastingplichtigen, en zij vragen hoe deze uitspraak zich verhoudt tot het «praktisch empirisch inkomensbegrip».
De wetgever van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) had een praktisch empirisch inkomensbegrip voor ogen.24 Het fiscale inkomensbegrip uit de Wet IB 1964 leidde echter met name in de sfeer van inkomsten uit vermogen tot uitholling van de belastinggrondslag door een scala aan belastingbesparende beleggingsvormen en gekunstelde fiscale constructies.25 Het doel van de wetgever van de Wet IB 2001 was draagkrachtheffing zodanig te moderniseren dat van elke belastingplichtige – rekening houdend met de aard en de omvang van zijn inkomen en zijn persoonlijke omstandigheden en praktische overwegingen – een bijdrage kan worden gevraagd aan de algemene middelen die, meer nog dan onder de werking van de Wet IB 1964, is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht.26 Daarom heeft de wetgever van de Wet IB 2001 de nodige verbeteringen aangebracht in het inkomensbegrip, waaronder een nieuw inkomensbegrip voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen.27 Het huidige inkomensbegrip in box 3 omvat niet alleen gerealiseerde, maar ook ongerealiseerde waardeontwikkelingen.28 Het draagkrachtbeginsel is een uitvloeisel van het streven naar rechtvaardigheid en rechtsgelijkheid en het begrip «draagkracht» is breder dan de hoeveelheid liquide middelen die een belastingplichtige heeft. Ook ongerealiseerde waardestijgingen vergroten feitelijk de draagkracht van belastingplichtigen. Dat een vermogensaanwasbelasting recht doet aan het draagkrachtbeginsel wordt ook betoogd in de position papers die prof. dr. R.P. van den Dool en prof. dr. B. Jacobs hebben geschreven ter voorbereiding van de Deskundigenbijeenkomst «fiscaliteit, recht en overheid» in de Eerste Kamer op 19 mei 2026.29
De leden van de fracties van CDA en 50PLUS vragen hoe het kabinet aankijkt tegen de opvatting van veel fiscalisten dat bij een vakantiewoning die alleen voor eigen gebruik wordt benut er geen belaste bron van inkomen is, met als gevolg dat dan geen vastgoedbijtelling aan de orde zou moeten zijn en ook geen aftrek van kosten (defiscalisering). Het kabinet deelt deze opvatting niet. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 beoogt het werkelijke rendement te belasten dat een belastingplichtige behaalt uit bezittingen en schulden die tot de box 3-grondslag behoren. Onroerende zaken behoren tot deze bezittingen ongeacht de wijze van gebruik van die onroerende zaak of het antwoord op de vraag of de belastingplichtige de onroerende zaak (hoofdzakelijk) als belegging heeft. Deze leden wijzen vervolgens op het artikel van drs. C. Overduin in het Weekblad voor Fiscaal Recht waarin de vastgoedbijtelling wordt herrekend op basis van actuele marktwaarden en marktinformatie.30 Deze leden vragen het kabinet hierop te reageren. Het kabinet wijst in dit kader op twee op 10 februari 2026 aangenomen moties. Het betreft de motie-Grinwis31 c.s. over het actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage op basis van de meest recente en representatieve data en de motie-Inge van Dijk32 c.s. over een aanvullend onderzoek naar rendementen op vakantiewoningen in eigen bezit en een juridische analyse van een houdbare vastgoedbijtelling voor deze woningen. Het kabinet zal op Prinsjesdag hierop nader ingaan.
De leden van de fracties van het CDA en 50PLUS wijzen erop dat het kabinet in de nota naar aanleiding van het verslag33 stelt dat «de WOZ-waarde bij woningen in veel gevallen overeenkomt met de werkelijke waarde», terwijl in de memorie van toelichting van de op 18 augustus 2025 gepubliceerde internetconsultatieversie34 van de Fiscale Verzamelwet 2027 staat dat «de WOZ-waarde vaak niet gelijk is aan de waarde in het economische verkeer». Deze leden vragen welke bewering volgens het kabinet de juiste is. Volgens het kabinet sluit de WOZ-waarde in de praktijk aan bij de waarde in het economische verkeer. Het kabinet wijst in dit kader op het rapport van de Waarderingskamer uit 2025 over de aansluiting van de WOZ-waarden op marktniveau.35 Uit genoemd rapport blijkt dat de marktwaarde op de waardepeildatum goed wordt weerspiegeld in de WOZ-waarden en dat de marktontwikkeling goed wordt gereflecteerd als de WOZ-waarden in de tijd tegen de verkopen worden afgezet. Mocht de WOZ-waarde in voorkomende gevallen te laag zijn, dan staat het de belastingplichtige uiteraard vrij om in 2029 tijdig bezwaar te maken bij de gemeente tegen de hoogte van de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2028 van zijn box 3-woning. Overigens is in het bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet van de Fiscale Verzamelwet 202736 in de memorie van toelichting de zin dat «de WOZ-waarde vaak niet gelijk is aan de waarde in het economische verkeer» niet meer opgenomen.
De leden van de fracties van het CDA en 50PLUS vragen het kabinet te reageren op de acht punten van kritiek in de vormgeving van de vastgoedbijtelling in het artikel van drs. C. Overduin in het Weekblad Fiscaal Recht. Overduin noemt dit zelf de acht «zwakke plekken». De eerste twee «zwakke plekken» gaan over het actualiseren van de data die ten grondslag liggen aan de vastgoedbijtelling. De auteur wijst in dit kader terecht op de motie-Grinwis37 c.s. die het kabinet oproept om de vastgoedbijtelling te actualiseren en dit periodiek te blijven doen. Het kabinet is voornemens om de hoogte van het forfait periodiek te actualiseren. Daarmee moet het forfait ook in de toekomst aansluiten bij de rechtsoverweging van de Hoge Raad dat met het forfait is getracht de werkelijkheid te benaderen.
Het kabinet is het eens met de auteur dat het actualiseren periodiek kan plaatsvinden (zie «zwakke plek nr. 2»). Op dit moment werkt het kabinet genoemde motie nader uit. Volgens één van de voetnoten in genoemd artikel is het niet toestaan van tegenbewijs «zwakke plek nr. 3». Deze opmerking sluit aan bij de aangenomen gewijzigde motie-Van Eijk c.s.38 waarop het kabinet nader zal ingaan. De «zwakke plek nr. 4» ziet op het verschil tussen de WOZ-waarde voor woningen en de waarde in het economische verkeer van die woningen. Voor een reactie op deze «zwakke plek» verwijst het kabinet naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van deze fracties.
Bij «zwakke plek 5» gaat het over het bestedingsaspect dat naar de mening van het kabinet niet van toepassing is op een onroerende zaak in box 3. Als een belastingplichtige ervoor kiest zijn onroerende zaak in box 3 niet voor minimaal 90% van zijn bezitsperiode in het kalenderjaar te verhuren, dan geniet hij inkomen in natura vanwege het beschikbaar zijn voor gebruik (eigen gebruik, verhuur of andere doeleinden).39 De omvang van dat inkomen wordt vastgesteld op basis van de huurwaarde. Voor de belastingheffing is het niet van belang of de belastingplichtige de onroerende zaak (hoofdzakelijk) als belegging houdt. Het is vervolgens de bedoeling om voor de belastingheffing het rendement in natura in samenhang te blijven zien met het financiële rendement bij verhuur. Bij «zwakke plek nr. 6.» gaat het over het rendement op niet-woningen. De huurwaarde van niet-woningen is doorgaans hoger dan de huurwaarde van woningen. Er kan dan ook wel sprake zijn van uitzonderingen, zoals bij verpachte landbouwgrond vanwege de pachtbescherming, al worden ook daar de pachtprijzen hoger omdat steeds vaker wordt gewerkt met kortdurende pachtcontracten met een hogere pachtprijs. Bij pacht zal in veel gevallen sprake zijn van een situatie waarin de onroerende zaak voor minimaal 90% van de bezitsperiode in het kalenderjaar is verpacht waardoor de vastgoedbijtelling dan niet van toepassing is. Bij «zwakke plek nr. 7» stelt de auteur dat bij woningen een waardebegrip wordt voorgeschreven dat ziet op de waarde in een ander – namelijk het voorafgaande – kalenderjaar. Dit sluit aan bij de huidige situatie. De auteur constateert dat er een mismatch optreedt wanneer de huur wordt gerelateerd aan verschillende jaren en dat die mismatch positief en negatief (en groter en kleiner) kan zijn naarmate de waarde harder stijgt dan de huur zich ontwikkelt. Hij constateert dat er ook verschillen ontstaan tussen objecten waarvoor de WOZ-waarde geldt en objecten waarvoor de waarde in het economische verkeer het uitgangspunt is (bij niet-woningen), omdat bij de WOZ-waarde het jaar t-1 als peildatum wordt genomen en bij de waarde in het economische verkeer het jaar t. Een huur die wordt gerelateerd aan een waarde uit het jaar t-1 geeft een ander percentage dan een huur die gerelateerd wordt aan een waarde uit het jaar t. Het kabinet is het eens met de auteur dat de huur in beginsel moet worden gerelateerd aan het jaar waarin de huur wordt ontvangen. Wanneer een verband wordt gezocht tussen huur en waarde dan moeten de (gemiddelde) huurgegevens van een specifiek jaar worden gekoppeld aan de waardegegevens van datzelfde jaar. Dat is geen exacte wiskunde in de wereld van de datavergelijking. Bijvoorbeeld omdat huren weliswaar elk jaar worden geïndexeerd maar niet op een vaststaand moment van het jaar. Dat wil zeggen dat de ene huur in de volgende maand wordt verhoogd en de andere pas over een jaar. Anderzijds worden de waarden wel naar een peildatum bepaald, maar daarvoor worden vergelijkingen van een jaar eerder en een half jaar later gebruikt. Wanneer men huurgegevens over een jaar vergelijkt met waardegegevens naar één peildatum zit daar dus een zekere rekbaarheid in. Om die reden is het kabinet van mening dat er van een mismatch geen sprake is. Bij «zwakke plek nr. 8» stelt de auteur dat vastgoedbijtelling ten onrechte de situatie negeert dat inzake een onroerende zaak een jaarlijkse erfpachtcanon kan zijn verschuldigd waardoor de grondslag wijzigt. Het kabinet wijst in dit kader op de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 5.20 waarin dit is toegelicht ten aanzien van de leegwaarderatio en de erfpachtcanon.
De vastgoedbijtelling benadert op forfaitaire wijze de economische waarde van de beschikbaarheid voor gebruik (voor verhuur, eigen gebruik of andere doeleinden) van een onroerende zaak. Bij die doelstelling is het niet passend dat het bedrag van de vastgoedbijtelling lager zou worden vanwege de verhuurde staat van een woning (dan wel vanwege de erfpachtcanon).
De leden van de fractie van de SP constateren dat de nadelen van een vermogenswinstbelasting omvangrijker lijken dan de nadelen van een vermogensaanwasbelasting. Deze leden vragen om toe te lichten waarom het kabinet desondanks van oordeel is dat een vermogenswinstbelasting op langere termijn wenselijker is dan een vermogensaanwasbelasting en welke voordelen van een vermogenswinstbelasting het kabinet hierbij doorslaggevend acht. Een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting kennen beide voor- en nadelen die het kabinet heeft afgewogen. Een belangrijke overweging voor het kabinet om het stelsel zo snel mogelijk door te ontwikkelen is het grote maatschappelijke belang dat wordt gehecht aan het punt van liquiditeit. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardeontwikkeling pas belast bij realisatie zoals bij verkoop, waardoor de belastingheffing betaalt kan worden uit de (gerealiseerde) opbrengst. Dit sluit naar verwachting beter aan bij het gepercipieerde inkomensbegrip door burgers en heeft daardoor maatschappelijk meer draagvlak. Bovendien is een vermogenswinstsystematiek meer in lijn met box 1 en box 2 en ook internationaal gezien gangbaarder.
De leden van de fractie van de SP vragen welke groepen, sectoren of maatschappelijke organisaties zorgen naar voren hebben gebracht als het kabinet verwijst naar de maatschappelijke onrust over de effecten van een vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat. Ook vragen deze leden hoe het kabinet gewogen heeft of de zorgen het algemeen belang betroffen of belangen van specifieke groepen zoals beleggers, vermogende belastingplichtigen en financiële instellingen. Daarnaast vragen deze leden met welke organisaties contact is geweest over de besluitvorming om het wetsvoorstel aan te passen en over de uiteindelijke beleidswijziging richting een volledige vermogenswinstbelasting.
Met name internationaal waren er veel signalen over de effecten van een vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. Onder andere in de Washington Post40, Bloomberg41, en The Telegraph42 is zeer kritisch gereageerd op de vermogensaanwasbelasting. Internationaal ontstond het beeld dat Nederland minder aantrekkelijk zou worden als vestigings- en investeringsland. Als dit beeld ontstaat, is het nodig dat het kabinet daarop reageert. Een aantal nationale belangenorganisaties zoals de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), VNO/NCW en de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) hadden eerder al aangegeven voorstander te zijn van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting. Het is in het algemeen belang dat er een breed politiek en maatschappelijk draagvlak is voor een nieuw box 3-stelsel. Om dit draagvlak te realiseren moeten ook de belangen van beleggers worden meegewogen.
Naar aanleiding van de hiervoor genoemde signalen in de (internationale) media heeft het kabinet na onderling overleg aanpassingen aan het wetsvoorstel aangekondigd in de brief van 6 maart 2026.43
De beleidswijziging richting een volledige vermogenswinstbelasting vindt zijn oorsprong in het coalitieakkoord44 en in de moties van de leden Inge van Dijk c.s. en Vermeer, waarin wordt aangedrongen om in de toekomst toe te werken naar een volledige vermogenswinstbelasting voor box 3.45 Het voorliggende wetsvoorstel is een tussenstap in de richting van een volledige vermogenswinstbelasting.
De leden van de fractie van de SP verwijzen naar het nader rapport, waarin wordt opgemerkt dat de maatschappelijke weerstand tegen het box 3-stelsel zich vooral richtte op het forfaitaire karakter daarvan, en niet zozeer op de onderliggende aanwassystematiek. De leden van deze fractie vragen hoe deze observatie zich verhoudt tot de huidige zorgen van het kabinet over het maatschappelijke draagvlak voor een vermogensaanwasbelasting.
Het huidige forfaitaire karakter van box 3 stuit nog steeds op maatschappelijke weerstand en het blijft wenselijk om zo spoedig mogelijk over te stappen naar een box 3-stelsel dat gebaseerd is op werkelijk rendement. Tegelijkertijd is inmiddels duidelijk geworden dat er zowel politiek als maatschappelijk een breed gedragen wens is voor een box 3-stelsel op basis van een vermogenswinstsystematiek. Dit blijkt onder andere uit de moties van de leden Inge van Dijk c.s. en Vermeer die zijn aangenomen in de Tweede Kamer en uit de motie van het lid Van Rooijen die in uw Kamer is aangenomen.46 Tijdens de deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer op 19 mei 2026 hebben meerdere belangenorganisaties gepleit voor een box 3-stelsel dat volledig gebaseerd is op een vermogenswinstsystematiek.47 Het kabinet streeft naar een breed maatschappelijk en politiek draagvlak. Daarom zal, zoals in het coalitieakkoord is afgesproken, het kabinet werken aan het zo snel mogelijk invoeren van een vermogenswinstsystematiek.
De leden van de fractie van de SP vragen waarom het kabinet niet heeft gekozen voor een progressief stelsel in box 3. De leden van deze fractie vragen tevens welke nadelen een progressief tarief op basis van het draagkrachtbeginsel zou hebben.
Het huidige box 3-stelsel heeft een degressief effect, aangezien inkomen dat hoger is dan het forfaitaire rendement niet wordt belast terwijl bij een lager inkomen gebruikgemaakt kan worden van de tegenbewijsregeling. Op basis van het voorliggende wetsvoorstel wordt het box 3-inkomen proportioneel belast voor zover dit inkomen hoger is dan het heffingsvrije resultaat. In het kader van het draagkrachtbeginsel is dit een verbetering.
De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet een aantal scenario’s te schetsen waarin investeringen in vastgoed financieel meer rendabel zijn in het nieuwe stelsel dan het oude stelsel. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet een effect op de particuliere huurwoningvoorraad verwacht door de uitzonderingspositie van vastgoed in deze wetswijziging. Onder het huidige stelsel in box 3 wordt het forfaitaire rendement belast. Daarbij is van belang dat belastingplichtigen de mogelijkheid hebben om tegenbewijs te leveren als het werkelijke rendement op hun totale bezittingen in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement in het betreffende belastingjaar. Voor zover het werkelijke rendement hoger is dan het forfaitaire rendement hoeft de belastingplichtige daar geen inkomstenbelasting over te betalen. Het voorgestelde stelsel voor box 3 beoogt het werkelijke rendement te belasten. Bij een hoog rendement betaalt de belastingplichtige relatief meer belasting over het werkelijke rendement na inwerkingtreding van het nieuwe box 3-stelsel. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige volgens het wetsvoorstel gebruik kan maken van de aftrek voor onderhoudskosten en van de met de vermogenswinst verrekenbare verbeteringskosten.
Met de uitzonderingspositie voor vastgoed bedoelen deze leden waarschijnlijk dat onroerende zaken in het nieuwe box 3-stelsel worden belast volgens de vermogenswinstsystematiek en niet volgens de vermogensaanwassystematiek. In de situatie dat onroerende zaken in het nieuwe box 3-stelsel volgens de vermogensaanwassystematiek belast zouden worden, zouden mogelijk meer vastgoedbeleggers hun verhuurde woning gaan verkopen. Dat zou een negatief effect hebben op de huurwoningvoorraad.
De fractie van FvD merkt op dat vanwege de belastingheffing met name kleine beleggers een lager eindvermogen opbouwen en vraagt hoe dit effect zich verhoudt tot de wens om burgers juist meer vermogensopbouw te laten ontwikkelen. Ook vraagt de fractie van FvD of het beleid particuliere vermogensopbouw ontmoedigt en op die manier het verschil vergroot tussen burgers mét en zonder toegang tot kapitaal.
Het beleid strekt er niet toe om vermogensopbouw te ontmoedigen. Het doel van het wetsvoorstel is om belastingplichtigen met inkomen uit vermogen op basis van het draagkrachtbeginsel bij te laten dragen aan de algemene middelen. Het wetsvoorstel is budgetneutraal vormgegeven en zorgt ervoor dat de heffing over inkomen uit vermogen beter aansluit bij het draagkrachtbeginsel dan nu het geval is. Ten eerste blijven op dit moment vanwege het forfaitaire stelsel met een tegenbewijsregeling hogere rendementen dan het forfait onbelast, terwijl belastingplichtigen in jaren dat ze een lager rendement hebben dan het forfait tegenbewijs kunnen leveren. Deze asymmetrie wordt in het voorliggende wetsvoorstel weggenomen door de box 3-heffing te baseren op het werkelijke rendement. Ten tweede is er in het huidige box 3-stelsel geen kostenaftrek mogelijk. Bij een op draagkracht gebaseerde heffing over het inkomen is het passend dat de kosten die gemaakt worden om dat inkomen te genieten afgetrokken kunnen worden. In het wetsvoorstel wordt daarom kostenaftrek geïntroduceerd in box 3. Ten derde kunnen verliezen in box 3 op dit moment niet worden verrekend met inkomen uit andere jaren. Het kabinet stelt voor om in het nieuwe stelsel verliesverrekening mogelijk te maken. Hiermee worden grote schommelingen in box 3-inkomen enigszins gemitigeerd en is het genietingsmoment van het inkomen minder van belang voor de belastingdruk. In reactie op de zorgen van de leden van de fractie van FvD over kleine beleggers wordt opgemerkt dat in het wetsvoorstel een heffingsvrij resultaat van € 1.800 is opgenomen. Kleine beleggers hebben relatief meer voordeel van het heffingsvrije resultaat dan grote beleggers.
De leden van de fractie van FvD vragen het kabinet hoe het wetsvoorstel bijdraagt aan het verminderen van de vermogensongelijkheid in Nederland terwijl juist startende en middenklassebeleggers worden geconfronteerd met een jaarlijkse belasting op ongerealiseerde waardestijgingen. Tevens vragen deze leden of het nieuwe stelsel het voor personen zonder groot startvermogen het juist moeilijker maakt dan voor personen met grote vermogens om via langtermijnbeleggingen vermogen op te bouwen. Het kabinet herkent niet dat startende dan wel middelgrote beleggers in het nieuwe box 3 stelsel slechter af zijn. Zowel niet ten opzichte van het huidige box 3 stelsel als ten opzichte van grote vermogens. In het huidige stelsel wordt de belasting op hoge werkelijke rendementen gemaximeerd op het lagere forfaitaire rendement, terwijl de belasting op lage rendementen uitgaat van het lagere werkelijke rendement. Juist de personen met grote vermogens kunnen hun vermogen optimaal spreiden in meer en minder risicovolle beleggingen en verschillende beleggingsproducten en halen daardoor gemiddeld genomen hogere rendementen over een langere termijn. Deze hoge rendementen worden in de huidige situatie relatief minder belast dan lagere rendementen. Het huidige stelsel met een asymmetrische behandeling van hoge versus lagere rendementen dankzij de tegenbewijsregeling vergroot verschillen tussen personen met grote vermogens en kleinere vermogens.
Werkelijke rendementen boven het forfaitaire rendement worden niet belast, wat het draagkrachtbeginsel ondermijnt en dus onrechtvaardig uitpakt voor personen. Het nieuwe stelsel maakt juist een einde aan deze asymmetrie. Ook absoluut gezien zijn mensen met middengrote vermogens die gemiddeld genomen minder hoge rendementen halen beter af. Voor personen met bijvoorbeeld € 100.000 aan beleggingsvermogen die op dit moment minder dan 4,2% aan werkelijk rendement behalen zal het nieuwe box 3-stelsel voordeliger zijn dan het huidige stelsel en dat geldt ook voor personen met bijvoorbeeld € 200.000 aan beleggingsvermogen die minder dan 5,1% werkelijk rendement behalen. Sowieso geldt dat de eerste € 1.800 aan rendement in het nieuwe box 3-stelsel onbelast is.
De leden van de fractie van FvD vragen naar de rechtvaardiging voor het niet kunnen aftrekken van eigen arbeid en tijd in box 3, bijvoorbeeld tijd die beleggers zelf investeren in onderzoek en administratie, terwijl professionele partijen deze kosten in box 2 of de vennootschapsbelasting wel kunnen verrekenen. Deze leden vragen of hierdoor een scheve verhouding ontstaat waarbij de overheid profiteert van de behaalde rendementen, maar tegelijkertijd geen erkenning geeft aan de inspanning van burgers om vermogen op te bouwen. Hoewel een vennootschap loonkosten voor arbeid inderdaad kan verrekenen, staat daar tegenover dat de vennootschap daadwerkelijk kosten maakt, gebonden is aan uitgebreide administratieve verplichtingen en dat het toegekende loon elders als belastbaar inkomen in aanmerking wordt genomen. Op basis van het wetsvoorstel is het niet mogelijk om fictieve kosten, zoals de kosten voor eigen tijd, af te trekken. Het toestaan van aftrek van fictieve kosten zoals eigen inzet van tijd zou zorgen voor uitholling van de belastingopbrengst en complexiteit in de uitvoering aangezien sprake is van subjectieve en lastig te verifiëren posten. Voor de afbakening van niet-aftrekbare kosten is in het wetsvoorstel aansluiting gezocht bij de bestaande aftrekbeperkingen in box 1, wat de consistentie binnen de inkomstenbelasting bevordert. De heffing zorgt naar het oordeel van het kabinet niet voor een scheve verhouding ten opzichte van de benodigde inspanning van burgers om vermogen op te bouwen. Door te heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor wordt van elke belastingplichtige – rekening houdend met de aard en de omvang van zijn inkomen – een bijdrage gevraagd aan de algemene middelen die is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht.
De leden van de fractie van FvD vragen hoe het kabinet kijkt naar de mogelijke wisselwerking tussen monetair beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) en het gezamenlijke fiscale beleid van de eurozone-lidstaten, waaronder het aanhouden van structurele begrotingstekorten. De ECB is verantwoordelijk voor het monetaire beleid in de eurozone. Haar doelen zijn stabilisatie van prijsontwikkeling en het waarborgen van financiële stabiliteit. Het kabinet voert beleid met andere doelstellingen, zoals het versterken van werkgelegenheid, arbeidsaanbod of inkomensondersteuning. De maatregelen die het kabinet hierin neemt, kunnen vervolgens een invloed hebben op inflatie en in bredere zin financiële stabiliteit. De ECB heeft geen mandaat om direct rekening te houden met begrotingstekorten. Als toenemende begrotingstekorten van lidstaten in de eurozone ertoe leiden dat de inflatie toeneemt, kan de ECB besluiten om verkrappend monetair beleid te voeren om de inflatie te beperken. Wanneer deze situatie zich in de eurozone voordoet, is de ECB onafhankelijk in deze keuze.
De leden van de fractie van JA21 vragen of een vermogenswinstbelasting in de eerste jaren miljarden euro’s minder opbrengt dan het voorgestelde stelsel en in hoeverre de keuze voor vermogensaanwasbelasting vooral is ingegeven door budgettaire opbrengsten.
Ook vragen de leden van deze fractie waarom het gerechtvaardigd is om belasting te heffen over ongerealiseerde vermogenswinsten, terwijl het kabinet tegelijkertijd aangeeft uiteindelijk toe te willen naar belastingheffing op basis van daadwerkelijk gerealiseerde winst.
Het klopt dat een vermogenswinstbelasting in de eerste jaren miljarden euro’s minder opbrengt dan het huidige wetsvoorstel. Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel hebben echter meerdere redenen een rol gespeeld. Bij een vermogensaanwasbelasting wordt de waardeontwikkeling jaarlijks belast en niet pas bij verkoop. Dit betekent dat er fiscaal geen prikkel is om verkoop van beleggingen uit te stellen. Een vermogensaanwasbelasting is daarom economisch niet verstorend. Daarnaast is een vermogensaanwasbelasting constructiebestendig. Direct rendement (zoals rente en dividend) en indirect rendement (de waardeontwikkeling) worden op dezelfde manier in de heffing betrokken. Dit voorkomt allerlei fiscale constructies waarin beleggingen alleen indirect rendement opleveren en belastingheffing steeds wordt uitgesteld. Bij een vermogensaanwasbelasting zijn alleen gegevens nodig over het jaar waarover belasting wordt betaald. Daardoor kan een groot deel van de benodigde gegevens vooraf ingevuld worden en wordt er een kleiner beroep gedaan op het doenvermogen van de belastingplichtige dan bij een vermogenswinstbelasting het geval zou zijn. Banken kunnen de gegevensaanlevering sneller realiseren. Belastingplichtigen en financiële instellingen hoeven niet langdurig gegevens bij te houden. Alhoewel er dus een aantal voordelen verbonden zijn aan een vermogensaanwasbelasting, hecht het kabinet veel waarde aan de overweging dat een vermogenswinstbelasting aansluit bij het realisatiebeginsel. Een heffing op het tijdstip van verzilvering van de waardeontwikkeling heeft maatschappelijk meer draagvlak dan een vermogensaanwasbelasting. Daarom wil het kabinet het box 3-stelsel zo snel mogelijk doorontwikkelen naar een volledige vermogenswinstbelasting. Tegelijkertijd bevat het voorliggende wetsvoorstel een aantal belangrijke verbeteringen, die niet mogen worden vertraagd vanwege de wens voor een volledige vermogenswinstbelasting. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om per 2028 de overstap te maken naar een stelsel op basis van werkelijk rendement. Dit is een langgekoesterde wens, ook vanuit het parlement. Andere in het wetsvoorstel opgenomen verbeteringen zijn: de invoering van kostenaftrek, verliesverrekening en een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken en voor aandelen in startende ondernemingen.
De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet een juridische toets heeft verricht over de houdbaarheid van een vermogensaanwasbelasting en of de uitkomst hiervan ter beschikking gesteld kan worden. Het wetsvoorstel is als onderdeel van het gebruikelijke wetgevingsproces voorgelegd voor een constitutionele toets door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de rijksbrede wetgevingstoets door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waarbij ook aandacht is voor de verenigbaarheid van het voorstel met grondrechten. Deze toetsen leiden niet tot rapportages, maar de inzichten daaruit zijn verwerkt in (de toelichting op) het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel leidt tot een gerechtvaardigde regulering van het eigendomsrecht. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.48 Daarnaast heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies uitgebracht over het voorliggende wetsvoorstel. Eén van de kerntaken van de Afdeling advisering van de Raad van State is het uitvoeren van een constitutionele en juridische analyse, waarbij het voorgelegde wetsvoorstel wordt getoetst aan de verhouding tot hoger recht, waaronder mensenrechtenverdragen. Dit advies is met een reactie van de regering opgenomen in het nader rapport bij dit wetsvoorstel.49
De leden van de fractie van JA21 vragen of er een impactanalyse is verricht op het vestigingsklimaat na introductie van een vermogensaanwasbelasting en zo nee, of het kabinet dit op zeer korte termijn wil uitvoeren. Er is geen impactanalyse gemaakt van het effect op het investeringsklimaat. Het doel van dit wetsvoorstel is door middel van een robuust stelsel het werkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten. Dit leidt tot een rechtvaardige belastingheffing met zo min mogelijk economische verstoringen.
Het kabinet verwacht geen nadelige gevolgen voor het Nederlandse investeringsklimaat van de voorgestelde gedeeltelijke vermogensaanwasbelasting. Onder het huidige forfaitaire stelsel wordt immers ook al de vermogensaanwas van vermogensbestanddelen belast en de overgang naar het nieuwe stelsel wordt budgettair neutraal vormgegeven. Een vermogensaanwasbelasting is economisch gezien weinig verstorend omdat alle vormen van rendement jaarlijks op gelijke wijze in de heffing worden betrokken. Dit voorkomt een fiscale prikkel om vermogenswinsten uit te stellen. Overigens zal een groot deel van de investeerders in Nederlandse kapitaalmarkten niet belastingplichtig zijn in box 3, bijvoorbeeld in het geval van institutionele beleggers of buitenlandse beleggers. Box 3 betreft particulieren en het particuliere vermogen van ondernemers en is op voorhand niet van belang voor internationale beleggers of ondernemers in hun hoedanigheid als ondernemer. Box 3 ziet namelijk niet op ondernemingsvermogen. Internationale beleggers die als particulieren in Nederland beleggen worden alleen in box 3 aan belastingheffing onderworpen, wanneer zij in vermogen investeren waarover in internationale verdragen het heffingsrecht aan Nederland is toegewezen. Dat is bij box 3-vermogen doorgaans alleen het geval bij onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen. Voor onroerende zaken voorziet het voorliggende wetsvoorstel in de vermogenswinstsystematiek. Daarbij wordt pas belasting over de waardeverandering geheven, wanneer een onroerende zaak wordt verkocht. Ook beleggingen in aandelen en winstbewijzen van startende ondernemingen vallen onder de vermogenswinstsystematiek. Het kabinet acht het risico van nadelige effecten voor het Nederlandse investeringsklimaat dan ook zeer beperkt.
De leden van de fractie van Volt vragen naar het vastleggen van bewijsstukken voor het bepalen van de vermogenswinst in de toekomst. Deze leden geven het voorbeeld van de verkoop van een onroerende zaak in 2050 en vragen hoe het startpunt van de vermogenswinstbelasting kan worden bewezen. Het startpunt, de beginwaarde van de bezitting, op 1 januari 2028 (bij inwerkingtreding van het box 3-stelsel per 1 januari 2028) moet afzonderlijk worden opgenomen in een nog door de Belastingdienst te ontwikkelen staffel in de belastingaangifte.
De leden van de fractie van Volt vragen ook naar de beschikbaarheid van WOZ-waarden. De WOZ-waarde wordt jaarlijks door de gemeente verstrekt aan zowel de eigenaar van de onroerende zaak als aan de Belastingdienst, zoals ook onder de huidige wetgeving gebeurt.
De leden van de fractie van Volt vragen naar aandelen in startups in verband met het bepalen van de vermogenswinst. Voor aandelen in startende ondernemingen (oftewel startups) zal altijd de beginwaarde, de eindwaarde en het rendement dat is behaald met het vermogensbestanddeel moeten worden aangeleverd. Veelal zal dit moeten worden aangeleverd door de belastingplichtige en niet door een derde.
De leden van de fractie van Volt vragen hoe de huidige voorstellen verdisconteren dat er over bepaalde vermogensinkomsten in het buitenland al (bron)belasting is betaald en of een belastingbetaler hier actief iets voor moet doen om dubbele belasting te vermijden.
Het huidige wetsvoorstel verandert niets aan de werkwijze voor belastingplichtigen om aanspraak te maken op voorkoming van dubbele belasting.
De belastingplichtige moet zowel het Nederlandse als het buitenlandse inkomen (samen is dat het wereldinkomen) opgeven bij het doen van de aangifte voor de inkomstenbelasting. Vervolgens bestaat mogelijk recht op voorkoming van dubbele belasting op basis van een belastingverdrag dan wel op basis van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Indien Nederland op basis van die regels voorkoming moet geven, kan dit tijdens het doen van aangifte worden aangegeven. Indien het andere land op grond van een belastingverdrag voorkoming moet verlenen, kan de belastingplichtige in dat land navragen op welke wijze hij die belasting terug kan krijgen. Voor de volledigheid merk ik hierbij nog op (zoals ook al in de memorie van toelichting aangegeven) dat het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting 2001 per 1 januari 2028 zal worden aangepast zodat die regels aansluiten bij het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de fractie van Volt vragen of het kabinet nog mogelijkheden ziet voor flankerende maatregelen om het draagvlak voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te vergroten.
Zoals in de Kamerbrief van 6 maart 2026 aangegeven wil het kabinet eventuele aanpassingen van het voorliggende wetsvoorstel en de budgettaire dekking daarvan betrekken bij de augustusbesluitvorming. De aanpassingen zullen vooral gericht zijn op een aanpassing van de effecten van de systematiek van vermogensaanwasbelasting per 2028, juist met het oog op het realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak. Het kabinet onderzoekt onder andere het invoeren van achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029 zoals ook voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen50 en de motie Eerdmans/Bikker51 over achterwaartse verliesverrekening.
De leden van de fractie van Volt vragen of het kabinet mogelijkheden ziet om een (aangepaste) vorm van de in Zweden bestaande ISK-regeling in te voeren.
De Investeringssparkonto (ISK)-rekening is een fiscaal aantrekkelijke spaar- en beleggingsrekening. In de Kamerbrief kabinetsinzet kapitaalmarktunie van 17 maart 2025 heeft het kabinet zich positief uitgesproken over mogelijkheden om consumenten die veel sparen en verantwoord meer zouden kunnen beleggen, aan te moedigen om te (beginnen met) beleggen.52 Op dit moment worden, conform de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025,53 de mogelijkheden van een Europese beleggingsrekening onderzocht. Eén van de mogelijkheden is fiscale stimulering van de Europese beleggingsrekening. Dit is ook opgenomen in het coalitieakkoord en het nader onderzoek loopt. Over de uitkomsten van dat onderzoek wordt het parlement in de loop van dit jaar geïnformeerd. Het is niet mogelijk om vóór de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel in 2028 een extra fiscale stimulans op te nemen voor de Europese beleggingsrekening of een variant hierop.
De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg
Over dat bedrag wordt nog de solidariteitstoeslag van 5,5% en – voor zover van toepassing – kerkbelasting (afhankelijk van de deelstaat waarin de belastingplichtige woont 8% of 9%) gerekend.
Voor inkomsten uit kapitaalvermogen geldt een vrijstelling van € 1.000 per belastingplichtige, voor echtgenoten gezamenlijk € 2.000.
Verliezen uit kapitaalvermogen mogen uitsluitend met verliezen uit deze zelfde inkomstenbron worden verrekend en over de jaren heen is alleen verliesverrekening met toekomstige verliezen mogelijk (verliezen uit kapitaalvermogen kunnen dus niet terug gewenteld worden naar voorgaande jaren).
Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA. Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 31, bijlagen, p. 29.
Beer, Sebastian, Mark Griffiths, and Alexander Klemm, 2023, Tax Distortions from Inflation: What are they and How to Deal with them?, IMF Working Papers 23/18.
Jacobs, «Geeft een vermogenswinstbelasting grotere belastingopbrengsten dan een vermogensaanwasbelasting? Nee», d.d. 27 februari 2026.
Uit het onderzoek «de rol van grenzen aan doenvermogen bij rondkomen, financiële zorgen en problemen» van Wil Tiemeijer blijkt dat mensen met een hoger huishoudinkomen gemiddeld genomen over meer doenvermogen beschikken.
C. Overduin, «Vastgoedbijtelling actualiseren? Dan wordt 3,35% nu 2,25% en wordt 5,06% nu 3,40%!» WFR 2026/118.
Onderzoek aansluiting WOZ-waarden op marktniveau 2018–2022, Waarderingskamer (8 april 2025).
Tenzij de huuropbrengst hoger is dan de vastgoedbijtelling; in die situatie is de huuropbrengst belast.
Inbreng van belangenorganisaties tijdens de totstandkoming van het coalitieakkoord is te vinden op https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten.
Over dat bedrag wordt nog de solidariteitstoeslag van 5,5% en – voor zover van toepassing – kerkbelasting (afhankelijk van de deelstaat waarin de belastingplichtige woont 8% of 9%) gerekend.
Voor inkomsten uit kapitaalvermogen geldt een vrijstelling van € 1.000 per belastingplichtige, voor echtgenoten gezamenlijk € 2.000.
Verliezen uit kapitaalvermogen mogen uitsluitend met verliezen uit deze zelfde inkomstenbron worden verrekend en over de jaren heen is alleen verliesverrekening met toekomstige verliezen mogelijk (verliezen uit kapitaalvermogen kunnen dus niet terug gewenteld worden naar voorgaande jaren).
Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA. Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 31, bijlagen, p. 29.
Beer, Sebastian, Mark Griffiths, and Alexander Klemm, 2023, Tax Distortions from Inflation: What are they and How to Deal with them?, IMF Working Papers 23/18.
Jacobs, «Geeft een vermogenswinstbelasting grotere belastingopbrengsten dan een vermogensaanwasbelasting? Nee», d.d. 27 februari 2026.
Uit het onderzoek «de rol van grenzen aan doenvermogen bij rondkomen, financiële zorgen en problemen» van Wil Tiemeijer blijkt dat mensen met een hoger huishoudinkomen gemiddeld genomen over meer doenvermogen beschikken.
C. Overduin, «Vastgoedbijtelling actualiseren? Dan wordt 3,35% nu 2,25% en wordt 5,06% nu 3,40%!» WFR 2026/118.
Onderzoek aansluiting WOZ-waarden op marktniveau 2018–2022, Waarderingskamer (8 april 2025).
Tenzij de huuropbrengst hoger is dan de vastgoedbijtelling; in die situatie is de huuropbrengst belast.
Inbreng van belangenorganisaties tijdens de totstandkoming van het coalitieakkoord is te vinden op https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36748-H.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.