﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36731-8/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>36 731</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»)</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">8</ondernummer></stuknr>
      <titel>AMENDEMENT VAN DE LEDEN SNELLER EN ABDI</titel>
      <datumtekst>Ontvangen <datum isodatum="2026-06-23">23 juni 2026</datum></datumtekst>
      <amendement>
        <al>De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:</al>
        <wijziging>
          <wat>Na artikel I, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:</wat>
          <wijzig-lid>
            <lidnr status="officieel">Aa</lidnr>
            <wat>Aan artikel 237 worden twee leden toegevoegd, luidende:</wat>
            <?xpp qa?>
            <?xpp lead;-1?>
            <wijziging>
              <artikeltekst>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                  <al>De eiser die in het ongelijk wordt gesteld in een geding als bedoeld in de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»), wordt veroordeeld in de volledige kosten die de wederpartij heeft gemaakt, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                  <al>Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op zaken zonder grensoverschrijdende gevolgen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, genoemd in het zesde lid.</al>
                </lid>
              </artikeltekst>
            </wijziging>
          </wijzig-lid>
        </wijziging>
        <divisie opmaak="default">
          <kop kopopmaak="vet">
            <titel>Toelichting</titel>
          </kop>
          <al>SLAPP-zaken worden in belangrijke mate effectief doordat gedaagden ook bij winst een groot deel van hun juridische kosten niet vergoed krijgen. De angst van hoge, niet-verhaalbare kosten leidt tot zelfcensuur, terugtrekking van publicaties en het vermijden van maatschappelijk relevante onderzoeken. Uit onderzoek onder Nederlandse journalisten blijkt dat deze financiële dreiging één van de meest voorkomende factoren is die tot zelfcensuur leidt.<noot id="ID-1258639-d41e138" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-36731-3" soort="document" status="actief">36 731, nr. 3</extref>, pag. 20.</noot.al></noot></al>
          <al>De Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») (anti-SLAPP richtlijn) gaat om die reden uit van een verplichting tot volledige kostenvergoeding wanneer sprake is van kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht gericht op publieke participatie. Het wetsvoorstel laat de bestaande ruime rechterlijke beoordelingsruimte in stand, waarbij volledige vergoeding in de praktijk zelden wordt toegekend. In SLAPP-zaken werkt deze terughoudendheid averechts: zelfs wanneer de vordering (grotendeels) ongegrond blijkt, blijft de wederpartij vaak met aanzienlijke kosten achter. Het blijft in een dergelijke situatie lonend om een SLAPP in te zetten. Zeker in een situatie waarin een vordering deels gegrond wordt verklaard – wat bij SLAPPs regelmatig voorkomt omdat intimidatie en inhoudelijke claims door elkaar lopen – ontbreekt de garantie dat de wederpartij de kosten vergoed krijgt.</al>
          <al>De memorie van toelichting werpt voorts onterecht een hogere drempel voor volledige kostenveroordeling op dan blijkt uit artikel 14 van de richtlijn. In de memorie van toelichting wordt erkend dat op basis van de huidige jurisprudentie, er voor volledige kostenvergoeding, sprake van moet zijn dat het aanspannen van de gerechtelijke procedure een onrechtmatige daad oplevert.<noot id="ID-1258639-d41e138a" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-36731-3" soort="document" status="actief">36 731, nr. 3</extref>, pag. 20.</noot.al></noot> Hiervan kan alleen sprake zijn bij «evident ongegronde vorderingen», van eisers die de onjuistheid daarvan kenden of moesten kennen. Dit kader levert een te nauwe definitie van SLAPPs op, en richt zich alleen op de <nadruk type="cur"> manifestly unfounded </nadruk> procedures, terwijl deze waarborg ook bedoeld moet zijn voor <nadruk type="cur">abusive</nadruk> procedures volgens artikel 14. Het is belangrijk dat het wetsvoorstel een goedwerkende waarborg bevat, zoals beoogd in de richtlijn, gezien het vaak grote gat tussen de toegekende forfaitaire tarieven en de reëele kosten (incluis de tijdsinvestering van de betrokken SLAPP-doelwitten).<noot id="ID-1258639-d41e152" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>«Een onderschat probleem: disproportionele druk op de Nederlandse journalistiek» – Free Press Unlimited | via <extref doc="https://www.freepressunlimited.org/sites/default/files/documents/Een%20onderschat%20probleem%2C%20disproportionele%20juridische%20druk%20op%20de%20Nederlandse%20journalistiek.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.freepressunlimited.org/sites/default/files/documents/<?xpp afbreek?>Een%20onderschat%20probleem%2C%20disproportionele%20juridische%20druk%20op%20de%<?xpp afbreek?>20Nederlandse%20journalistiek.pdf</extref></noot.al></noot></al>
          <al>De Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht stelt daarbij dan ook terecht dat het uitgangspunt van het Nederlandse burgerlijke procesrecht is dat een proceskostenveroordeling niet de volledige proceskosten dekt, en dat voor het toekennen van de volledige kosten niet alleen sprake moet zijn van misbruik van het procesrecht, maar daarbij ook aantoonbaar moet zijn dat er sprake is geweest van kwader trouw, zodat een onrechtmatige daad tot stand komt. Hoewel de Adviescommissie het aannemelijk acht dat de kwader trouw blijkt uit het hier bedoelde misbruik van procesrecht, levert dat een kwetsbaarheid op in de implementatie van de richtlijn. Het genoemde uitgangspunt in het Nederlandse burgerlijke procesrecht komt niet overeen met de bedoeling en formulering van artikel 14, eerste lid, van de richtlijn, dat alleen het misbruik van procesrecht gericht tegen publieke participatie vereist, en niet ook een onrechtmatige daad. Dit onderschrijft andermaal de hierboven genoemde bezwaren jegens de onderbouwing in de memorie van toelichting.</al>
          <al>Ook blijkt uit recente jurisprudentie<noot id="ID-1258639-d41e169" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Rb. Amsterdam 3 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5461.</noot.al></noot>  dat rechters in de richtlijn de lezing van de regering, uiteengezet in de memorie van toelichting, alsmede die van de adviescommissie burgerlijk procesrecht, niet delen wat betreft het al volstaan van het geldend recht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit <nadruk type="cur">Greenpeace vs. Energy Transfer</nadruk>, uitspraak op datum 03-06-2026. In de uitspraak concludeert de rechtbank:  <nadruk type="cur">«de SLAPP Richtlijn in deze zaak geen toepassing kan vinden en ook niet via richtlijnconforme interpretatie een rol kan spelen,</nadruk><nadruk type="cur">terwijl evenmin kan worden aangenomen dat artikel 17 van de SLAPP Richtlijn al geldend recht is in Nederland»</nadruk>. De uitspraak is, als een van de eerste procedures waarin expliciet een beroep gedaan is op een artikel uit de richtlijn, een duidelijk signaal dat de lezing dat het geldende recht volstaat, niet klopt. Het is, gezien de analoge redenering met betrekking tot de andere onderdelen (zoals vroegtijdige afwijzing) uit de memorie van toelichting, aannemelijk dat een vergelijkbare redenering zal volgen met betrekking tot de andere onderdelen van de richtlijn, hetgeen zorgen oproept over toekomstige procedures en een eventuele toekomstige beoordeling in Luxemburg.</al>
          <al>Voorts betreffen verreweg de meeste SLAPP-procedures of dreigementen die nu al spelen in Nederland, nationale kwesties. Dit is in heel Europa het geval (volgens data van CASE is slechts 8.5% van de zaken grensoverschrijdend)<noot id="ID-1258639-d41e229" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Coalition Against SLAPPs in Europe (CASE), 2025 Report «Democracy in the Dock», p. 20, via <extref soort="URL" doc="https://www.the-case.eu/wp-content/uploads/2026/01/CASE-2025-Report-layoutted-vf.pdf" status="actief">https://www.the-case.eu/wp-content/uploads/2026/01/CASE-2025-Report-layoutted-vf.pdf</extref></noot.al></noot>. De Europese Commissie en de Raad van Europa moedigen, zoals het kabinet onderschrijft in de MvT, lidstaten daarom aan om SLAPP-waarborgen ook op puur nationale casussen van toepassing te laten zijn. In navolging daarvan hebben onder andere Frankrijk, België, en Polen in de implementatiewetten gekozen voor nationale toepassing van SLAPP-waarborgen. Zonder nationale toepassing dreigen de nieuwe waarborgen niet alleen doel te missen, maar kan er ook een ongelijke rechtspositie ontstaan bij gelijke gevallen (waarbij het enige verschil het grensoverschrijdende karakter is). Dat staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien ontstaat, nu meerdere Europese (buur)landen wél voor nationale toepassing kiezen, het risico dat Nederland een extra aantrekkelijke jurisdictie wordt voor partijen die SLAPP-zaken initiëren. Tot slot duidt recente rechtspraak er niet op dat, zoals het kabinet veronderstelt, het geldende recht ook in nationale gevallen tot toepassing van de waarborgen uit de richtlijn kan leiden. Zo stelde de rechter recent in een zaak waarin beroep werd gedaan op richtlijnconforme interpretatie<noot id="ID-1258639-d41e238" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Rb. Gelderland 1 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7700.</noot.al></noot>: <nadruk type="cur">De richtlijn is nog niet (voldoende) omgezet in Nederlandse wetgeving en is bovendien alleen van toepassing op burgerlijke of handelszaken met grensoverschrijdende gevolgen. Niet gesteld of gebleken is dat deze zaak grensoverschrijdende gevolgen heeft.</nadruk></al>
          <al>Dit amendement introduceert een duidelijke wettelijke plicht tot volledige kostenvergoeding in SLAPP-zaken, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzet. Zo wordt het gat tussen toegekende forfaitaire tarieven en de reële kosten gedicht. Ook is daarmee de misbruikende eiser die het financiële risico draagt, niet degene die zich verzet tegen juridische intimidatie. Voorts voorzien de indieners bij dit amendement de grootste preventieve werking van het wetsvoorstel, omdat de dreigende kosten van een SLAPP-procedure het vaakst genoemd worden als reden om (delen van) publicaties te schrappen.</al>
        </divisie>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <naam>
              <achternaam>Sneller</achternaam>
            </naam>
            <naam>
              <achternaam>Abdi</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </amendement>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>