﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36663-C/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>36 663</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) </titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer kamer="1">C</ondernummer>
      </stuknr>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datumtekst>Ontvangen <datum isodatum="2026-07-02">2 juli 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het verslag bij het voorstel van wet tot wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim). In de beantwoording zijn vanwege de overlap, het voorkomen van herhaling en ten behoeve van de leesbaarheid de vragen van de leden en de antwoorden thematisch gebundeld. Daarbij is de onderverdeling van de memorie van toelichting aangehouden.</al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Kern van het voorstel (doelmatigheid en effectiviteit)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen de regering nader uiteen te zetten in hoeverre de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk de kern van het probleem raken. Zij vragen de regering concreet te onderbouwen op welke wijze uitbreiding van registratieverplichtingen en signaleringsstructuren ertoe leidt dat leerlingen sneller passende begeleiding of onderwijs ontvangen. (CDA 1)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SP vragen de regering of zij kan toelichten hoe deze wet zich verhoudt tot bredere structurele problemen, zoals tekorten in het passend onderwijs, wachtlijsten in het speciaal onderwijs en personeelstekorten? In hoeverre verwacht de regering dat deze wet zonder oplossingen voor die knelpunten daadwerkelijk zal leiden tot minder thuiszitters? (SP 5)</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De regering werkt naast dit wetsvoorstel ook aan de verbeteraanpak passend onderwijs (inclusief wachtlijsten in het speciaal onderwijs) en de aanpak van het lerarentekort om te komen tot voldoende en goed opgeleid personeel. Deze wet is een belangrijke randvoorwaarde om te kunnen werken aan het verbeteren van passend onderwijs. De insteek van het wetsvoorstel helpt scholen en samenwerkingsverbanden om langdurig verzuim te voorkomen en te verminderen. Het wetsvoorstel beoogt bovendien een preventiegerichte verzuimaanpak van scholen te stimuleren; voorkomen is tenslotte beter dan genezen. Op basis van onderzoek en de praktijk blijken drie factoren essentieel in het voorkomen en tegengaan van verzuim: een effectief verzuimbeleid, inzicht in verzuim en een sterke samenwerking tussen de school, leerplichtambtenaar en het samenwerkingsverband. Dit wetsvoorstel bevat de procedurele waarborgen die hiervoor nodig zijn: het versterken van het verzuimbeleid, inzicht bieden in verzuimcijfers, en het mogelijk maken van vroegtijdige interventies op zorgelijk ongeoorloofd verzuim.</al>
            <al>In onderzoek wordt, in de eerste plaats, effectief verzuimbeleid genoemd als een van de werkzame aanpakken om schoolverzuim daadwerkelijk te kunnen terugdringen.<noot id="ID-1258994-d40e111" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld Roelofs et al (2021), Ziekteverzuim en kortdurend ongeoorloofd verzuim in het onderwijs: Kwantitatief en kwalitatief onderzoek in primair, voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs, KBA Nijmegen en Sleeuwen, W. van en D. Heyne (2020), Schoolverzuim aanpakken: een wetenschappelijke onderbouwing.</noot.al></noot> Daarbij worden enkele elementen genoemd waaruit het verzuimbeleid in ieder geval zou moeten bestaan, te weten: het signaleren of monitoren van verzuim, het analyseren van het verzuim en de interventies bij verzuim. Verder is de kans op schoolverzuim kleiner voor leerlingen die naar een school gaan met een goede verzuimregistratie omdat de school zicht heeft op het verzuim.<noot id="ID-1258994-d40e120" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Onder meer Kearney, C.A., Graczyk, P. A (2014), Response to Intervention Model to Promote School Attendance and Decrease School Absenteeism en W. van en D. Heyne (2020), Schoolverzuim aanpakken: een wetenschappelijke onderbouwing.</noot.al></noot> Door zicht op verzuim en verzuimpatronen van leerlingen kan de school (preventiegerichte) maatregelen treffen om verder verzuim te voorkomen, zoals het alert zijn op risicomomenten, waaronder overgangsperiodes en toetsweken, het tegengaan van pestgedrag, het versterken van de mentor-leerlingrelatie en het stimuleren van ouderbetrokkenheid.</al>
            <al>Daarnaast kan de school, als spil in het sociaal domein, vroegtijdig andere partners, zoals de leerplichtambtenaar, het samenwerkingsverband, de jeugdarts en het wijkteam, betrekken om erger verzuim te voorkomen. De school is als vindplaats (zoals ook de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd de school in haar rapport typeert) namelijk bij uitstek de geschikte plek om verzuim en onderliggende problematiek te signaleren en partners te betrekken.<noot id="ID-1258994-d40e132" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2022–2024, <extref doc="kst-31839-964" soort="document" status="actief">31 839-964</extref>.</noot.al></noot> Uit onderzoek is ook bekend dat ketensamenwerking een belangrijke voorwaarde is voor een effectieve aanpak van schoolverzuim.<noot id="ID-1258994-d40e143" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Ton Eimers (2022). Zicht op aanpak ongeoorloofd schoolverzuim. De toepassing van de Methodische Aanpak Schoolverzuim in de praktijk. Nijmegen: BBSO en KBA.</noot.al></noot> Om die reden schrijft het wetsvoorstel voor dat scholen in hun verzuimbeleid opnemen welke stappen worden genomen bij verzuim, wie deze neemt en hoe scholen de samenwerking met partners vormgeven. Een sterke samenwerking tussen de school, de gemeente, de jeugdarts en het samenwerkingsverband is van belang omdat zij alle een rol hebben in de aanpak van verzuim; afhankelijk van de oorzaak en de reden. In het geval van ziekteverzuim is dat bijvoorbeeld de jeugdarts, in het geval van een gebrek aan passende ondersteuning het samenwerkingsverband en in het geval van ongeoorloofd verzuim de leerplichtambtenaar die adviseert over de in te zetten interventies op scholen.</al>
            <al>Het wetsvoorstel versterkt deze samenwerking daarnaast met de informatieverstrekking van verzuim aan gemeenten en samenwerkingsverbanden, zodat zij beter uitvoering kunnen geven aan hun taken.</al>
            <al>Tot slot beoogt het wetsvoorstel om het aantal langdurige vrijstellingen van de leer- of kwalificatieplicht op grond van lichamelijke of psychische gronden<noot id="ID-1258994-d40e159" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Hiermee wordt een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de Leerplichtwet 1969 of artikel 14, onderdeel a, van de Leerplichtwet BES bedoeld.</noot.al></noot> te beperken, zodat een leerling niet verstoken raakt of blijft van onderwijs vanwege een (vermeend of tijdelijk) gebrek aan passend onderwijs. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de artsen die verantwoordelijk zijn voor deze afgifte niet altijd kennis hebben over het onderwijsaanbod in de regio<noot id="ID-1258994-d40e168" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Onderzoek naar de groei van vrijstellingen 5 onderdeel a, Regioplan, bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, <extref doc="kst-31497-221" soort="document" status="actief">31 497, nr. 221</extref>.</noot.al></noot>, wat ertoe kan leiden dat een jongere een vrijstelling heeft of krijgt, terwijl er voor hem of haar wel onderwijsmogelijkheden bestaan in de regio. Daarom regelt het voorstel dat een arts, pedagoog of psycholoog het onderwijskundig perspectief betrekt bij de verklaring die nodig is voor een dergelijke vrijstelling. Het onderwijskundig perspectief is extra van belang om meer maatwerk te kunnen bieden. De regering benadrukt daarbij dat het wetsvoorstel onderdeel uitmaakt van een bredere verzuimaanpak, samen met onder andere het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel dat beoogt meer maatwerk mogelijk te maken in het onderwijs. Met deze bredere verzuimaanpak beoogt de regering de onderwijsdeelname van jongeren te vergroten.</al>
            <al>Ook regelt het wetsvoorstel dat er variatie mogelijk is in de duur van de vrijstelling op grond van een lichamelijke of psychische beperking. Uit het hierboven genoemde onderzoek blijkt namelijk dat het belangrijk is om in te zetten op tijdelijke vrijstellingen en het in beeld houden van de leerlingen, omdat vooraf niet altijd is te overzien hoe een kind zich ontwikkelt. Met deze twee maatregelen – het betrekken van het onderwijskundig perspectief en het minder rigide maken van de duur van de vrijstelling – wordt gekeken naar hoe de jongere wel onderwijs kan volgen en zich daarbinnen kan ontwikkelen.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de SP-fractie vragen verder de regering of zij kan uiteenzetten hoe wordt voorkomen dat leerlingen met psychische problemen, een beperking of een gebrek aan passend onderwijs sneller in een traject van drang of dwang terechtkomen, terwijl de noodzakelijke ondersteuning nog niet beschikbaar is? (SP 3)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Deze leden wijzen op de stelling van de regering dat het signaal «zorgelijk verzuim» bedoeld is om eerder hulp en samenwerking mogelijk te maken. Welke concrete ondersteuning kan in die fase daadwerkelijk worden geboden die verder gaat dan registratie en toezicht, vragen deze leden? Acht de regering deze mate van ondersteuning voldoende en, zo ja, hoe wordt dit geborgd? (SP 4) Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om al vóór het bereiken van de wettelijke meldgrens een signaal af te geven aan de leerplichtambtenaar bij zorgelijk verzuim. Hoe voorkomt de regering dat hierdoor in de praktijk de nadruk te veel komt te liggen op handhaving en het strafrechtelijke spoor in plaats van op ondersteuning en preventie? (SP 7)</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Het voorstel beoogt een preventiegerichte verzuimaanpak van scholen te stimuleren; voorkomen is tenslotte beter dan genezen. Verzuim moet in deze context worden gezien als een mogelijk signaal voor achterliggende problematiek, zoals psychische problemen of gebrek aan passend onderwijs. Door scholen aan te zetten beter verzuimbeleid te voeren door de oorzaken van verzuim te analyseren, te evalueren en de samenwerking met het samenwerkingsverband en de gemeente te stimuleren worden de scholen in staat gesteld tijdig de noodzakelijke ondersteuning te bieden aan leerlingen.</al>
            <al>Het voorstel maakt het voor scholen mogelijk om eerder contact te leggen met de leerplichtambtenaar bij zorgelijk verzuim, zodat tijdig met ondersteunende en laagdrempelige inzet van de gemeente naar oplossingen voor het verzuim kan worden gezocht. Het is belangrijk daar vroegtijdig op actief te worden. Hoe eerder ingegrepen wordt, hoe groter de kans dat begeleiding effect heeft en problemen niet verergeren.<noot id="ID-1258994-d40e191" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Eke Krijnen e.a., Zicht op thuiszitten: Geschillen over toelating, verwijdering of ontwikkelingsperspectief van (dreigende) thuiszitters., Kohnstamm Instituut 2021.</noot.al></noot></al>
            <al>Het doel van het signaal zorgelijk verzuim is om samen met een leerplichtambtenaar oplossingen voor onderliggende problemen te zoeken om het verzuim te verhelpen, eventueel door relevante partners in te schakelen in de gemeente, zoals het wijkteam. Voorbeelden van situaties van zorgelijk verzuim zijn leerlingen die altijd het eerste uur te laat zijn op school, leerlingen die afwezig zijn omdat zij hun moeder helpen om een broer of zus naar school te brengen of leerlingen die regelmatig uren afwezig zijn van school om geld te verdienen. Dit zijn situaties waarin de wettelijke meldingsgrens van zestien uur in vier weken niet wordt bereikt, maar er wel zorgen zijn over de afwezigheid van een leerling en mogelijke achterliggende problemen of hulpbehoeftes. Hoe eerder in zulke situaties hulp kan worden geboden, hoe groter de kans dat begeleiding effect heeft en problemen niet verergeren. In deze situaties kan ondersteunende en laagdrempelige inzet van de gemeente, vanuit haar verantwoordelijkheid voor het sociaal domein, gewenst zijn. Wat er nodig is kan per situatie verschillen. Een voorbeeld is het bieden van een aangepaste vervoersvoorziening of -bekostiging omdat een leerling door de vervoersomstandigheden regelmatig te laat komt<noot id="ID-1258994-d40e203" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Zie artikel 4 WPO, artikel 4 WEC en artikel 8.28 en 8.29 WVO 2020 voor de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor leerlingenvervoer.</noot.al></noot>; of advies van de jeugdarts over de belastbaarheid van de leerling en de behoefte aan een aangepast onderwijsprogramma; of het bieden van hulp bij slaapproblemen<noot id="ID-1258994-d40e212" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>JGZ-richtlijn Slaap – Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.</noot.al></noot>.</al>
            <al>Deze werkwijze sluit aan bij de Methodische Aanpak Schoolverzuim<noot id="ID-1258994-d40e224" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>In de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS) hebben Ingrado, stichting Halt, het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Kinderbescherming een aanpak ontwikkeld om schoolverzuimtegen te gaan. Dit biedt duidelijkheid over wie wat doet in welke fase.</noot.al></noot>, die in steeds meer gemeenten wordt gehanteerd. In deze visie staat niet de strafrechtelijke kant centraal, maar wordt primair ingezet op preventie en vrijwillige (jeugd)hulp. Kern hiervan is dat de leerplichtambtenaar een meer ondersteunende en maatschappelijke rol neemt en minder zijn repressieve (handhavende) bevoegdheid benut. Het uiteindelijke doel is toeleiding naar een passend onderwijsprogramma, al dan niet met de inzet van (jeugd)hulp. De regering stimuleert deze veranderende praktijk, onder andere via een instellingsubsidie aan Ingrado (de branchevereniging van leerplichtambtenaren). Ook heeft de regering recent onderzoek laten doen naar de veranderende rol van de leerplichtambtenaar, als onderdeel van een bredere verkenning naar de Leerplichtwet 1969, schoolverzuim en strafrecht gericht op effectieve aanpak van schoolverzuim. De Tweede Kamer wordt hier parallel aan deze nota over geïnformeerd.</al>
            <al>Onveranderd blijft dat de leerplichtambtenaar pas een formeel onderzoek instelt op grond van de Leerplichtwet 1969 na ongeoorloofd verzuim van meer dan 16 uur in vier weken, waarna door de leerplichtambtenaar kan worden opgetreden.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De regering laat de concrete criteria voor het signaal zorgelijk verzuim grotendeels aan scholen zelf over, constateren de leden van de CDA-fractie. Zij vragen of hierdoor niet het risico ontstaat op grote verschillen tussen scholen en regio’s, zowel in registratie als in interventies. Verder vragen zij hoe de rechtsgelijkheid wordt gewaarborgd. (CDA 7)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de regering het risico op willekeur bij de nadere invulling van het begrip «zorgelijk verzuim» beoordeelt? Hoe waarborgt de regering de rechtszekerheid van leerlingen op dit punt? (VVD 5)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SP vragen de regering, in het licht van de doelstelling om langduring schoolverzuim te voorkomen en verminderen, of zij concreet kan toelichten welke waarborgen voorkomen dat scholen uit voorzichtigheid juist eerder richting leerplicht en handhaving bewegen? (SP 1)</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>In de huidige praktijk mogen scholen een melding doen bij DUO wanneer er nog geen sprake is van ongeoorloofd verzuim voor de wettelijke meldgrens van 16 uur in vier weken. Dit gaat vaak om gevallen van zorgelijk ongeoorloofd verzuim en luxe verzuim. Hoewel deze melding en bijbehorende gegevensverwerking volgen uit de systematiek van de Wet register onderwijsdeelnemers, ontbreekt een expliciete grondslag in de Leerplichtwet 1969 en de Leerplichtwet BES. De regering heeft ervoor gekozen om deze grondslag als signaalmogelijkheid te expliciteren, om willekeur te voorkomen en om de informatiepositie van de ouders en leerlingen te verbeteren.</al>
            <al>In het wetsvoorstel is geregeld dat een school in de schoolgids beschrijft wanneer zij contact opneemt met de leerplichtambtenaar, vanwege een signaal zorgelijk verzuim. Ouders en leerlingen hebben via de medezeggenschapsraad of het studentenstatuut instemmingsrecht op de inhoud van de schoolgids en daarmee de omstandigheden waaronder de school het signaal zorgelijk verzuim kan doen. Daardoor is er inspraak en is voor de ouders en leerlingen duidelijk wanneer een school contact opneemt met de leerplichtambtenaar. Dat is school- en contextafhankelijk.</al>
            <al>Die afhankelijkheden zijn gerechtvaardigd. Immers, uit onderzoek en de praktijk is bekend dat de redenen achter het verzuim uiteenlopend zijn.<noot id="ID-1258994-d40e253" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Analyse verzuim 2022–2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-31497-475" soort="document" status="actief">31 497, nr. 475</extref>.</noot.al></noot><sup>,</sup> <noot id="ID-1258994-d40e261" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Roelofs, M. e.a., <nadruk type="cur">Beter zicht op verzuim</nadruk>, Nijmegen: KBA Nijmegen 2025. Bijlage bij<nadruk type="cur"> Kamerstukken II</nadruk>, 2025–2026, <extref doc="kst-31497-509" soort="document" status="actief">31 497-509</extref>.</noot.al></noot> Het type verzuim en de oorzaken en vormen ervan kunnen sterk verschillen per school en houden verband met de schoolcultuur, de schoolpopulatie en de onderwijssoort.<noot id="ID-1258994-d40e279" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Halberstadt, R. (2023). Opening the black box of school absenteeism. Erasmus Universiteit.</noot.al></noot> Het adequaat tegengaan van verzuim vraagt daarom om een schoolspecifieke verzuimaanpak en vroegtijdige verzuiminterventies die passen bij het schoolbeleid. De regering kiest ervoor om scholen de ruimte te geven zelf invulling te geven aan het signaal zorgelijk verzuim. Door het signaal niet te definiëren hebben scholen de vrijheid en de mogelijkheid om de invulling van het signaal aan te laten sluiten bij de eigen schoolcontext en regionale afspraken en het regionale (verzuim)beleid.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SP vragen hoe de regering voorkomt dat scholen of instanties in de praktijk toch primair gaan sturen op aanwezigheidscijfers in plaats van op passend onderwijs voor het individuele kind? (SP 6)</nadruk>
            </al>
            <al>Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal de regering inzetten op flankerend beleid dat scholen helpt om het verzuimbeleid goed in te richten. Het doel is uiteindelijk om het verzuim te verminderen door onder meer het bieden van passend onderwijs. Het signaleren en registreren van verzuim zijn middelen om dit doel te bereiken.</al>
            <al>De regering drukt verder in deze context zijn waardering uit voor het werk dat onder andere door het Kennisnetwerk Schoolaanwezigheid – bestaande uit onder andere Ingrado, het Nederlands jeugdinstituut, Steunpunt Passend Onderwijs en de Universiteit Leiden, en in nauwe verbinding met The International Network for School Attendance – wordt uitgevoerd. Zij hebben verschillende bijeenkomsten georganiseerd op het gebied van verzuim, schoolaanwezigheid en data-gestuurd handelen voor leerplichtambtenaren, scholen en andere betrokken partijen. Belangrijk onderdeel van de activiteiten is preventiegericht en focust zich op het monitoren en analyseren van de aanwezigheid en het tijdig signaleren van verzuim. Daarbij is signaleren en registeren in de vorm van cijfers een middel en geen doel.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen de regering hoe in dit wetsvoorstel wordt omgegaan met leerlingen die om uiteenlopende redenen buiten beeld raken van de betrokken instanties en al dan niet onder ongeoorloofd verzuim vallen? Welke aanpak hanteert de regering om dergelijke vormen van verzuim terug te dringen? (VVD 4)</nadruk>
            </al>
            <al>Het wetsvoorstel heeft een preventieve insteek: het doel is om langdurig verzuim te voorkomen en te verminderen. Het legt de nadruk op het registreren en signaleren van schoolverzuim en het analyseren van oorzaken van verzuim. Ook kan de school bij zorgelijk verzuim, dat vaak voorafgaat aan langdurig schoolverzuim, eerder de leerplichtambtenaar inschakelen via het signaal zorgelijk verzuim. Het doel van dit signaal zorgelijk verzuim is om samen met een leerplichtambtenaar oplossingen op onderliggende problemen te zoeken om het verzuim te verhelpen, eventueel door relevante partners in te schakelen in de gemeente zoals het wijkteam. Bovendien beoogt het voorstel de samenwerking tussen onder meer gemeenten, samenwerkingsverbanden en scholen te versterken. Dit moet ertoe leiden dat minder leerlingen uitvallen en buiten beeld raken.</al>
            <al>Voor die leerlingen die thuiszitten met een vrijstelling op grond van vijf, onder a, van de Leerplichtwet 1969 regelt het voorstel dat bij de totstandkoming van deze vrijstelling altijd het advies van het samenwerkingsverband moet worden betrokken door de jeugdarts. Dit moet voorkomen dat bij het afgeven of verlengen van de vrijstelling onterecht wordt aangenomen dat er geen passende plek in het onderwijs is. Zo raken deze jongeren niet onnodig uit beeld van het onderwijs.</al>
            <al>De regering erkent, in antwoord op de vraag van de VVD, dat voor die leerlingen die reeds langere tijd thuis zitten zonder passend aanbod er meer nodig is. In deze situaties zijn vaak in een eerder stadium signalen gemist of is niet gekomen tot een passend aanbod. Bekend is dat verzuim in die situaties kan verergeren en overgaan in een langere periode waarin kinderen geen schoolinschrijving hebben en zo buiten beeld raken. Zodoende werkt de regering naast inzet op preventie en signalering aan het wetsvoorstel Maatwerk in het funderend onderwijs dat er expliciet op gericht is om scholen meer mogelijkheden te geven om het onderwijsaanbod onder meer op een andere locatie, in combinatie met zorg, of digitaal aan te bieden. Bovendien versterkt dat wetsvoorstel de mogelijkheden voor samenwerkingsverbanden om hier ook op het snijvlak van onderwijs en zorg aan bij te dragen. De regering borgt zo de huidige inzet via onder meer het experiment onderwijszorgarrangementen en de subsidieregelingen Wel in ontwikkeling en Digitale school. Daarnaast werkt de regering aan de transitie van passend naar inclusief onderwijs, waarbij het uitgangspunt is dat alle kinderen op een school dichtbij huis goed onderwijs krijgen, vormgegeven vanuit een sterk schoolklimaat en een goede pedagogische basis op school én daarbuiten.<noot id="ID-1258994-d40e310" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II 2025–26</nadruk>, <extref doc="kst-31497-513" soort="document" status="actief">31 497, nr. 513</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen de regering of zij «best practices» uit andere landen met betrekking tot het terugdringen van schoolverzuim heeft verwerkt in dit wetsvoorstel? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? (VVD 3)</nadruk>
            </al>
            <al>De regering heeft bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel geput uit wetenschappelijk onderzoek en ervaringen uit andere landen. De best practises die zijn meegenomen betreffen onder meer het belang van interventies op schoolniveau en het zicht krijgen op verzuim.<noot id="ID-1258994-d40e327" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>OECD (2026), <nadruk type="cur">Every Day Counts: Understanding, Preventing and Responding to School Attendance Problems</nadruk>, OECD Publishing, Paris, <extref soort="URL" doc="https://doi.org/10.1787/7c6f6c3e-en" status="actief">https://doi.org/10.1787/7c6f6c3e-en</extref></noot.al></noot> Overeenkomstig het wetsvoorstel worden ook het registeren en signaleren van verzuim en het omzetten van analyses naar interventies in andere landen als essentieel gezien om grip te krijgen en handvatten te geven in het tegengaan en voorkomen van verzuim. In de vormgeving van de regeling ten aanzien van een goed verzuimbeleid op scholen is eveneens gekeken naar best practices. Het belang van monitoring en evaluatie wordt bijvoorbeeld erkend als belangrijke randvoorwaarde in andere landen.<noot id="ID-1258994-d40e340" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>OECD (2026), <nadruk type="cur">Every Day Counts: Understanding, Preventing and Responding to School Attendance Problems</nadruk>, OECD Publishing, Paris, <extref soort="URL" doc="https://doi.org/10.1787/7c6f6c3e-en" status="actief">https://doi.org/10.1787/7c6f6c3e-en</extref></noot.al></noot></al>
            <al>Tot slot is in de voorbereiding van het wetsvoorstel veelvuldig contact geweest met andere landen zoals Engeland, Ierland en Noorwegen, onder meer in het kader van de OECD waar ambtenaren van het Ministerie van OCW hebben geparticipeerd in verschillende bijeenkomsten met als thema schoolverzuim. Ook is veelvuldig overleg gevoerd met partijen betrokken bij de aanpak van schoolverzuim, onder meer het Kennisnetwerk schoolaanwezigheid. Al deze ervaringen zijn meegenomen en hebben meegewogen bij de keuzes die hebben geleid tot het voorstel dat voorligt.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Consultatie en toetsing</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen zich af waarom voor deze wet geen uitvoeringstoets is verricht. (GL-PvdA 1) Op welke wijze heeft de regering zich verzekerd van de inbreng van de uitvoerende instanties die hierbij betrokken zijn? (GL-PvdA 2) Met welke waarborgen is de afstemming tussen wetgeving en uitvoering geborgd, zodat de wet ook daadwerkelijk het beoogde doel, het terugdringen van het aantal thuiszitters, bereikt? (GL-PvdA 3)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen welke uitvoeringstoetsen inmiddels zijn verricht of nog zullen worden verricht ten aanzien van de voorgenomen algemene maatregelen van bestuur en welke risico’s daarin naar voren zijn gekomen. Zij vragen de regering hierop in te gaan en tevens aan te geven of uitvoeringstoetsen zullen worden verricht indien deze nog niet zijn uitgevoerd. (CDA 3)<noot id="ID-1258994-d40e363" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Ten tijde van het stellen van de vragen nog GroenLinks-PvdA, thans Progressief Nederland.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>DUO en de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) hebben een uitvoeringstoets gedaan op het wetsvoorstel, door mij ontvangen op 29 juni 2023. In de conclusie van de uitvoeringstoets geven DUO en de inspectie aan dat zij de wijzigingen die met het wetsvoorstel gepaard gaan uitvoerbaar achten. De regering verwacht daarom dat DUO de wijzigingen die nodig zijn in de systemen kan uitvoeren en dat de inspectie voldoende toegerust is om te voorzien in het toezicht op de naleving van dit voorstel.</al>
              <al>DUO en de inspectie hebben ook een uitvoeringstoets gedaan op de onderliggende algemene maatregel van bestuur en zij achten deze eveneens uitvoerbaar. Er zijn geen risico’s uit de uitvoeringstoets op de algemene maatregel van bestuur naar voren gekomen. Wel stelde de inspectie een aantal (verduidelijkings)vragen ten aanzien van nalevingsaspecten, uitvoerbaarheidsaspecten en rechtmatigheidsaspecten. Deze vragen zijn in een gesprek met de inspectie beantwoord.</al>
            </al-groep>
            <al>Naast de uitvoeringstoetsen spreken mijn ambtenaren op reguliere basis met DUO en de inspectie om te borgen dat de regelingen uit de wet, de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regeling gerealiseerd kunnen worden. Met DUO zijn bijvoorbeeld afspraken gemaakt over het organiseren van het leveren en verstrekken van geaggregeerde verzuimgegevens van onderwijsinstellingen naar samenwerkingsverbanden passend onderwijs en de colleges van burgemeester en wethouders.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarop de Minister het positieve oordeel van de AP baseert? (GL-PvdA 4) Op welke wijze is de Minister tegemoetgekomen aan de eerder geuite kritiek? (GL-PvdA 5) Is nadien opnieuw contact geweest met de AP en, zo ja, hoe luidden de bevindingen? (GL-PvdA 6)</nadruk>
            </al>
            <al>De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) heeft de regering op 6 juni 2022 in haar advies over het concept-wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim geadviseerd om in de toelichting aan te geven welke uitzonderingsgrond van toepassing is en op welke wijze wordt voldaan aan de eisen die de betreffende uitzonderingsgrond stelt, waaronder het noodzakelijkheidsvereiste. Reden hiervan is dat het verwerken van bijzondere persoonsgegevens op grond van de AVG verboden is, tenzij er sprake is van een uitzonderingsgrond. In de toelichting van het wetsvoorstel is conform het advies van de AP nadrukkelijker ingegaan op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Er is aangegeven dat er sprake is van de uitzonderinggrond die is beschreven in artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevenbescherming. Daarnaast is beschreven op welke wijze wordt voldaan aan de uitzonderingsgrond en het noodzakelijkheidsvereiste (zie paragraaf 3 van de memorie van toelichting). Daarmee is de regering tegemoet gekomen aan het advies van de AP. Het is derhalve niet nodig geweest opnieuw contact te hebben met de AP. Over de algemene maatregel van bestuur met nadere regels over de informatiestromen van schoolverzuim is wel contact geweest met de AP. De regering heeft advies gevraagd over deze algemene maatregel van bestuur en de AP heeft daar positief over geadviseerd. De AP ziet met de voorgestelde werkwijze geen risico voor de privacy van leerlingen. De regering is zodoende tegemoetgekomen aan de geuite kritiek door de AP. In het debat met de Tweede Kamer op 26 maart 2026 heb ik aangegeven dat de toelichting van het wetsvoorstel is aangevuld met een nadere uitleg over de inhoud van de algemene maatregel van bestuur.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Gevolgen voor de regeldruk</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoe verhoudt de toename van de lastendruk zich tot andere wetgeving waarin juist wordt beoogd de lastendruk te verminderen, vragen de leden van de fractie van de SGP? (SGP 1)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen de regering op basis van welke gegevens de geschatte 16 uur aan administratieve lasten zijn bepaald? (VVD 1)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie wijzen op de stelling van de regering dat de gevolgen voor de administratieve lasten beperkt blijven, omdat gegevensverstrekking grotendeels geautomatiseerd zal plaatsvinden. Deze leden vragen de regering waarop deze verwachting precies is gebaseerd en verzoeken haar nader in te gaan op de administratieve lasten en regeldruk die met dit wetsvoorstel gepaard gaan. Zij vragen of daarbij rekening is gehouden met verschillen tussen sectoren, schoolgroottes en bestaande leerlingadministratiesystemen en hoe de regering de regeldruk afweegt tegen de effectiviteit van dit wetsvoorstel. (CDA 4) Met name kleine scholen lijken volgens deze leden extra kwetsbaar voor aanvullende registratie- en verantwoordingsverplichtingen, omdat zij organisatorisch vaak over beperkte capaciteit beschikken. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten op welke wijze specifiek rekening is gehouden met de uitvoerbaarheid voor kleine scholen. (CDA 5)</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De regering beoogt de lastendruk van scholen te verminderen. Dit streven is onderdeel van het huidige coalitieakkoord.<noot id="ID-1258994-d40e400" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Coalitieakkoord <nadruk type="cur">Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland</nadruk> (coalitieakkoord D66, VVD en CDA 2026), p. 47.</noot.al></noot> Ook het onderhavige wetsvoorstel houdt op verschillende manieren rekening met de lastendruk. Daarbij merkt de regering op dat stelselmatige inzet op verzuim naar verwachting zal leiden tot tijdswinst. Een doelmatige en preventiegerichte inzet op verzuim voorkomt verergering van verzuimproblematiek van leerlingen en de inzet van zwaardere interventies, aangezien afspraken en regels omtrent verzuim helder zijn voor alle betrokkenen, zorgelijk verzuim eerder in beeld is en scholen (en partners) al vroegtijdig actie kunnen ondernemen. Daardoor zal de lastendruk als gevolg van dit wetsvoorstel naar verwachting op de langere termijn afnemen.</al>
            <al>De lastendruk die met dit wetsvoorstel voor scholen gepaard gaat is het gevolg van de maatregelen ten aanzien van het verzuimbeleid, de verzuimregistratie en de informatieverstrekking aan de Minister. Deze nota gaat in die volgorde in op de gevolgen voor de regeldruk, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de gevolgen voor de regeldruk op de korte termijn en de lange termijn</al>
            <al-groep>
              <al>De regering heeft bij het vormgeven van de onderdelen van het verzuimbeleid zorgvuldig onderzocht welke elementen extra lasten rechtvaardigen. Scholen zijn op grond van de bestaande wetgeving reeds verplicht om een verzuimbeleid ten aanzien van hun leerlingen te hebben. De regering stelt met het onderhavige wetsvoorstel zes onderdelen voor die in elk geval moeten worden opgenomen in het verzuimbeleid. Deze onderdelen staan volgens onderzoek aan de kern van een effectief verzuimbeleid.<noot id="ID-1258994-d40e418" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Schoolbeleid en registratie aanwezigheid en afwezigheid, KBA: Nijmegen, Oberon &amp; Kohnstamm Instituut: Nijmegen 2022.</noot.al></noot> Met het oog op de regeldruk is afgezien van het verplichten van meer elementen in het verzuimbeleid. Zo bevatte het onderzoek ook een voorstel voor een «breder verzuimbeleid» met negen verplichte elementen.<noot id="ID-1258994-d40e427" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Ibid.</noot.al></noot> Daarmee wordt de regeldruk voor scholen om aan de voorschriften over het verzuimbeleid te voldoen beperkt.</al>
              <al>De inzet van 16 uur om aan de voorschriften over het verzuimbeleid te voldoen omvat het verwachte aantal uren inzet voor de inhoudelijke voorwaarden van het verzuimbeleid en de beschrijving van het beleid in de schoolgids. Dit aantal uren is gebaseerd op grond van het Handboek metingen regeldrukkosten<noot id="ID-1258994-d40e439" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Handboek Meting Regeldrukkosten, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat: Den Haag 2023.</noot.al></noot> en gesprekken met diverse veldpartijen. Verwacht wordt dat het opstellen en beschrijven van het verzuimbeleid de eerste keer meer tijd zal kosten dan de schooljaren erna. Het eerste jaar zijn eenmalig meer dan 16 uren nodig. Voor de jaren erna zijn naar verwachting 16 uren nodig.</al>
            </al-groep>
            <al>Om de gevolgen voor de regeldruk verder te minimaliseren zijn in het wetsvoorstel geen nieuwe verplichtingen opgenomen ten opzichte van de reeds bestaande wettelijke eisen aan de verzuimregistratie. De bestaande vereisten over de verzuimregistratie zijn slechts verduidelijkt (geëxpliciteerd) door te regelen dat het verzuim voor leer- en kwalificatieplichtige leerlingen moet worden gecategoriseerd in geoorloofd en ongeoorloofd verzuim in de zin van de Leerplichtwet 1969 en de Leerplichtwet BES. Door aan te sluiten bij deze bestaande verzuimcategorieën is er geen sprake van gevolgen in regeldruk voor scholen in de praktijk. Er zullen ook geen nieuwe verzuimcategorieën worden voorgeschreven in lagere regelgeving, wat initieel wel de bedoeling was. Scholen behouden wel de mogelijkheid om – op basis van hoe veel scholen nu al werken – verzuim te registeren in onderliggende absentieredenen (subcategorieën).</al>
            <al>Tot slot komt de verwachting dat de administratieve lasten beperkt blijven – naast bovenstaande redenen – voort uit de voorgenomen werkwijze bij de gegevensverstrekking over verzuim. In de algemene maatregel van bestuur wordt de verplichting tot het doorzenden van de gegevens over de prevalentie van verzuim uit de verzuimadministratiesystemen naar DUO uitgewerkt. Mijn ambtenaren werken samen met DUO en softwareleveranciers om de extra werklast in het verstrekken van verzuimgegevens tot een minimum te beperken door de slimme inzet van software voor scholen. Door deze inzet zullen de administratieve lasten en regeldruk naar verwachting beperkt zijn. Ook het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) heeft aangegeven dat de algemene maatregel van bestuur nauwelijks gevolgen zal hebben voor de regeldruk. Het ATR heeft het besluit daarom niet geselecteerd voor een formeel advies. Bovendien zal toegewerkt worden naar een automatische koppeling tussen scholen en DUO, waardoor de regeldruk nog verder wordt beperkt. Bij de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur wordt ten slotte rekening gehouden met de uitvoering, waaronder de benodigde (tijd voor) aanpassingen van de verzuimadministratiesystemen op de scholen.</al>
            <al>Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA of rekening is gehouden met verschillen tussen sectoren, schoolgroottes en bestaande leerlingadministratiesystemen. De regering is zich bewust van contextverschillen tussen scholen en sectoren en heeft hier in het wetsvoorstel nadrukkelijk rekening mee gehouden. Door slechts voor te schrijven welke onderdelen beschreven moeten worden in het verzuimbeleid laat de regering ruimte om binnen de eigen context vorm te geven aan het verzuimbeleid. Het is voorstelbaar dat het verzuimbeleid in het primair onderwijs andere aandachtspunten heeft dan het voortgezet onderwijs. Zo kan in het voortgezet onderwijs met het verzuimbeleid in het bijzonder aandacht en duidelijkheid worden gegeven over de signalering en monitoring van verzuim. In het primair onderwijs kan met het verzuimbeleid meer focus worden aangebracht in de analyse van de oorzaken van verzuim en de samenwerking met ketenpartners. Het ligt verder in de rede dat op een basisschool met een klein aantal leerlingen en leerkrachten minder uitvoerig ingegaan hoeft te worden op de taakverdeling en afstemming ten aanzien van verzuim, dan op een middelbare school met een groot aantal leerlingen en leerkrachten. Door rekening te houden met de specifieke context van de school wordt voorkomen dat kleinere scholen met grote administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl ze toch voldoende aandacht kunnen geven aan de omgang met verzuim.</al>
            <al>Ten aanzien van de algemene maatregel van bestuur verschillen de inhoudelijke verplichtingen welke gegevens over verzuim scholen leveren per sector. Met betrekking tot de gegevensverstrekking van verzuim aan DUO helpen de eerdergenoemde afspraken kleine scholen om de regeldruk te beperken. Zij kunnen deze verplichting effectief oppakken zonder geconfronteerd te worden met extra regeldruk. De regering voorziet verder geen noodzaak om de werkwijze van de algemene maatregel van bestuur per schoolgrootte of sector te differentiëren, omdat er school- of sectoroverstijgend afspraken zijn gemaakt met DUO en softwareleveranciers om de regeldruk zo beperkt mogelijk te houden. De regering zal tot slot bij de implementatie van het flankerend beleid rekening houden met verschillen per sector.</al>
            <al>Het is belangrijk dat iedere school (ongeacht sector of grootte) goed zicht heeft op het verzuim en beleid ten aanzien van verzuim deugdelijk wordt uitgevoerd. In de context van het wetsvoorstel is met de sectorraden onder andere gesproken over de registratie van verzuim en invulling van het verzuimbeleid. Uit deze gesprekken bleek dat de in dit wetsvoorstel opgenomen nieuwe verplichte onderdelen van het verzuimbeleid over alle sectoren en scholen gelijk kunnen zijn.<noot id="ID-1258994-d40e466" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Schoolbeleid en registratie aanwezigheid en afwezigheid, KBA: Nijmegen, Oberon &amp; Kohnstamm Instituut: Nijmegen 2022.</noot.al></noot> Het doel hiervan is eenduidigheid: het is wenselijk om onderwijsdeelname voor iedere jongere te bevorderen. Op deze manier wordt verder voorkomen dat er lokaal, regionaal en landelijk niet alsnog een gebrekkig beeld over verzuim blijft bestaan.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is ingegaan op de toename van de regeldruk met betrekking tot deze andere werkzaamheden? Kan de regering hiervan alsnog een inschatting geven? (SGP 2) Kan de regering toezeggen dat de toename van de lastendruk zoals weergegeven in de memorie van toelichting de enige toename van de lastendruk betreft? (SGP 3)</nadruk>
            </al>
            <al>De memorie van toelichting omvat een toelichting op de verwachte regeldruk voor scholen met betrekking tot het verzuimbeleid. Het betreft specifiek de invulling van zes elementen die in ieder geval op moeten worden genomen in het verzuimbeleid. Dit betreft, onder meer, analyses naar de oorzaken van verzuim. Deze analyse is daarmee onderdeel van de regeldruk die gepaard gaat met het versterken van het verzuimbeleid. Het opstellen van een verzuimbeleid an sich of het acteren op signalen van verzuim is hier niet in opgenomen, aangezien scholen op grond van de bestaande wetgeving hiertoe reeds verplicht zijn en verantwoordelijk zijn om te onderzoeken of extra ondersteuning of zorg voor een leerling nodig is.</al>
            <al>Er worden geen extra registratieverplichtingen geregeld in het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel brengt een verduidelijking van de registratieplicht van scholen, maar brengt daar geen wijziging in aan. Op grond van artikel 11 en artikel 21 van de Leerplichtwet 1969 moet een school reeds weten of een leerling aanwezig is, geoorloofd afwezig is of ongeoorloofd afwezig is. Leraren hoeven zodoende niet meer te registreren dan zij op grond van de huidige wetgeving moeten registreren. De toename van de lastendruk, zoals weergegeven in de memorie van toelichting, betreft de enige verwachte toename van de lastendruk.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SGP vragen hoe concreet de verwachting is dat vroegtijdig optreden bij zorgelijk verzuim daadwerkelijk leidt tot tijdswinst? Welke onderbouwing bestaat daarvoor? (SGP 4)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat dit wetsvoorstel ontaardt in een puur administratieve invulling? (VVD 2)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen de regering nader te onderbouwen waarom de extra administratieve lasten die voortvloeien uit het wetsvoorstel niet gepaard gaan met aanvullende, al dan niet eenmalige, financiële ondersteuning voor scholen en samenwerkingsverbanden. Deze leden vragen de regering toe te lichten waarom zij van oordeel is dat de betrokken instellingen deze extra uitvoeringslasten binnen de bestaande bekostiging kunnen opvangen. (CDA 8)</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Vroeg signaleren van verzuim is een belangrijke manier voor scholen om persistent schoolverzuim te voorkomen.<noot id="ID-1258994-d40e496" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Krijnen, E., Vaessen, A., &amp; Pater, C. J., Ledoux, G. (2021). Zicht op thuiszitten. Geschillen over toelating, verwijdering of ontwikkelingsperspectief van (dreigende) thuiszitters. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.</noot.al></noot> Dit signaleren van verzuim is nadrukkelijk een middel en geen doel. Uit onderzoek is bekend dat een vroegtijdige en schoolbrede aanpak van verzuim effectief is en dat die begint met helder beleid en een goede registratie.<noot id="ID-1258994-d40e505" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Inspectie van het Onderwijs (2026). Terug naar school: effectieve interventies. Meta-analyse naar aanpakken tegen schoolverzuim, 1990–2024.</noot.al></noot><sup>,</sup><noot id="ID-1258994-d40e515" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Heyne, D.; Keppens, G.; Dvoˇrák, D. From Attendance Data to Student Support: International Practices for Recording, Reporting, and Using Data on School Attendance and Absence. Orb. Sch. 2024, 16, 5–26.</noot.al></noot><sup>,</sup><noot id="ID-1258994-d40e523" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Sälzer, C.; Ricking, H.; Feldhaus, M. Addressing School Absenteeism Through Monitoring: A Review of Evidence-Based Educational Policies and Practices. Educ. Sci. 2024, 14, 1365.</noot.al></noot> Zolang leerlingen niet in beeld zijn, kunnen scholen onvoldoende op verzuim reageren.<noot id="ID-1258994-d40e534" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Ziekteverzuim en kortdurend ongeoorloofd verzuim in het onderwijs, KBA: Nijmegen, 2021.</noot.al></noot> Uit de praktijk is eveneens bekend dat voorlopende scholen in de monitoring, analyse en het bijtijds signaleren van verzuim beter kunnen inspelen op de afwezigheid van leerlingen, doordat vroegtijdig interveniëren mogelijk is en bewust aandacht gegeven kan worden aan contextuele factoren die verzuim beïnvloeden, zoals de sfeer in de klas of uitval van docenten. Uit literatuuronderzoek van het Nederlands Jeugdinstituut blijkt bovendien dat goede preventie in het jeugddomein en op school problemen kan voorkomen en kosten kan besparen, ook specifiek bij schoolverzuim.<noot id="ID-1258994-d40e543" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Nederlands Jeugdinstituut (2025). <nadruk type="cur">De potentie van preventie</nadruk>.</noot.al></noot><sup>,</sup><noot id="ID-1258994-d40e554" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Tuenter, T., Van den Berg, B., &amp; Bastiaanssen, I. (2021). <nadruk type="cur">Effecten van preventie in het jeugdveld. </nadruk>Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.</noot.al></noot> Een doelmatige en preventiegerichte inzet op verzuim voorkomt verergering van verzuimproblematiek van leerlingen en de inzet van zwaardere en tijdsintensieve interventies wanneer de oorzaken zijn verergerd. Het ligt in de lijn der verwachting dat dit op de lange termijn naast kosten- ook tijdbesparend werkt. Ook geeft 78% van de leerplichtambtenaren in het onderzoek naar de rol van de leerplichtambtenaar aan dat een preventieve aanpak van schoolverzuim effectiever is dan een meer handhavende aanpak.</al>
            <al>De regering heeft in de vormgeving van het wetsvoorstel bewust gekozen voor een zo beperkt mogelijke regeldruk voor scholen en samenwerkingsverbanden. De maatregelen uit het wetsvoorstel sluiten aan op reeds bestaande verplichtingen en taken. Zo zijn scholen op grond van bestaande wetgeving reeds verplicht om verzuimbeleid ten aanzien van hun leerlingen te hebben. Ook moeten scholen reeds het verzuim van hun leerlingen registreren. Omdat het wetsvoorstel aansluit op bestaande verplichtingen en de gevolgen voor de regeldruk dienovereenkomstig tot een minimum beperkt zijn, verwacht de regering dat scholen en samenwerkingsverbanden de maatregelen kunnen uitvoeren binnen de reguliere bekostiging.</al>
            <al>Om scholen en andere betrokkenen te ondersteunen bij de implementatie van de maatregelen uit het wetsvoorstel stelt de regering jaarlijks € 0,5 miljoen beschikbaar. Deze middelen worden ingezet voor het stimuleren van flankerend beleid gericht op het helpen en ontlasten van scholen in hun taken met betrekking tot verzuim. Dit gebeurt onder meer door een meerjarig project<noot id="ID-1258994-d40e572" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Onder uitvoering van onder andere Ingrado, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, de Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland, het Steunpunt Passend Onderwijs en de sectorraden. Hierbij worden ook inzichten meegenomen uit onderzoek naar belemmerende en stimulerende factoren in de school voor het tegengaan van verzuim, dat uw Kamer in de bijlage 10 vindt.</noot.al></noot>, een toolkit voor scholen («Van wet naar mindset»)<noot id="ID-1258994-d40e581" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>Ontwikkeld door het Steunpunt Passend Onderwijs.</noot.al></noot> en e-learnings voor leraren.<noot id="ID-1258994-d40e590" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>Ontwikkeld door het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SP vragen op welke wijze de regering gaat monitoren of deze wet in de praktijk inderdaad niet leidt tot extra bureaucratie voor scholen en leraren? Zal hiermee ook rekening worden gehouden bij de tussenevaluatie? En is er ruimte om hierin wijzigingen aan te brengen indien deze noodzakelijk blijken om scholen en leraren te ontlasten? (SP 2)</nadruk>
            </al>
            <al>In het wetsvoorstel is een evaluatiebepaling opgenomen die regelt dat het wetsvoorstel binnen vijf jaar na inwerkingtreding wordt geevalueerd. Verder heeft de Tweede Kamer tijdens de behandeling van het wetsvoorstel unaniem het amendement van het Tweede Kamerlid Ceder<noot id="ID-1258994-d40e604" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II </nadruk>2025–2026, <extref doc="kst-36663-12" soort="document" status="actief">36 663, nr. 12</extref>.</noot.al></noot> aangenomen om het wetsvoorstel drie jaar na inwerkingtreding tussentijds te evalueren. Onderdeel van deze evaluatie zullen de gevolgen voor de regeldruk zijn, alsook de samenhang tussen de verzuimaanpak en een eerste indicatie van in hoeverre de verplichtingen bijdragen aan het voorkomen en verminderen van schoolverzuim. Op basis van de tussenevaluatie en de eindevaluatie kan de wetgeving worden aangepast.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Met betrekking tot Caribisch Nederland lezen de leden van de SGP-fractie dat samenwerkingsverbanden geen middelen ontvangen om te voorzien in ondersteuning voor leerlingen die dat nodig hebben. Deze leden vragen of dit een afweging is die de openbare lichamen maken of dit een besluit van de regering betreft? (SGP 5) Indien het laatste het geval is, wat is dan de afweging om samenwerkingsverbanden in Caribisch Nederland niet van dergelijke middelen te voorzien? (SGP 6)</nadruk>
            </al>
            <al>De regelgeving over jongeren met een ondersteuningsbehoefte verschilt in Caribisch Nederland van Europees Nederland. Het stelsel passend onderwijs is in verband met de kleinschaligheid op de eilanden niet op eenzelfde manier ingevoerd. De samenwerkingsverbanden in Caribisch Nederland hebben, in tegenstelling tot de samenwerkingsverbanden in Europees Nederland, geen rechtspersoonlijkheid en geen wettelijke taken die aan hen zijn opgedragen. De rol die samenwerkingsverbanden in Europees Nederland hebben in het begeleiden van scholen en leerlingen en het uitvoeren van (handelingsgerichte) diagnostiek is op Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgedragen aan de expertisecentra onderwijszorg.<noot id="ID-1258994-d40e622" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>Per openbaar lichaam is er een expertisecentrum onderwijszorg, zie artikel 28 Wet primair onderwijs BES, artikel 11.18 Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 3.4 Wet educatie en beroepsonderwijs BES.</noot.al></noot> Dit is een keuze van de regering geweest bij de invoering van de wetgeving voor het onderwijs in Caribisch Nederland in verband met de Staatkundige wijziging op 10-10-2010. Om die reden moet in Caribisch Nederland voor het samenwerkingsverband gelezen worden: het expertisecentrum onderwijszorg. Er worden dan ook voor de samenwerkingsverbanden geen middelen beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van leerlingen omdat deze verstrekt worden aan de expertisecentra onderwijszorg. De Leerplichtwet BES wordt dienovereenkomstig aangepast. De maatregelen van dit wetsvoorstel zijn voor het expertisecentrum onderwijszorg vooralsnog alleen van toepassing op het verbeteren van de procedure voor de vrijstelling op lichamelijke of psychische gronden. Het expertisecentrum onderwijszorg geeft hierbij advies over het onderwijskundig perspectief van een jongere. In de praktijk zal de jongere al door het expertisecentrum onderwijszorg worden begeleid.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop kopopmaak="vet">
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Onderliggende regelgeving</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen de regering waarom het nodig is dat ook een individuele Minister de mogelijkheid krijgt regels te stellen over het delen van verzuiminformatie. Graag ontvangen zij een nadere onderbouwing van deze positie. (GL-PvdA 7) Hoe kijkt de regering naar de kritische opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State hierover? De leden ontvangen graag een reflectie hierop. (GL-PvdA 8)</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen de regering of voldoende zicht bestaat op de uiteindelijke uitvoerbaarheid, administratieve lasten en gevolgen voor scholen en samenwerkingsverbanden. (CDA 2) Daarnaast vragen deze leden hoe realistisch de implementatietermijnen zijn, mede gelet op de noodzakelijke aanpassing van leerlingadministratiesystemen bij scholen en DUO. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft gewezen op het belang van een realistische invoering per sector. Deze leden vragen de regering in hoeverre nog knelpunten te verwachten zijn bij de implementatie van dit wetsvoorstel. (CDA 6)</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De regering streeft in haar voorstellen steeds naar het vinden van een passende balans tussen het primaat van de wetgever en de doelmatigheid van wetgeving. Om tegemoet te komen aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State heeft de regering het wetsvoorstel aangepast zodat het wetsvoorstel beter recht doet aan het primaat van de wetgever. De verplichte onderdelen van het verzuimbeleid zijn daarom geregeld op wetsniveau in plaats van op het niveau van een algemene maatregel van bestuur. Voorts is afgezien van het stellen van nadere regels over de verzuimregistratie in een algemene maatregel van bestuur, zoals een onderscheid tussen «ongeoorloofd verzuim» en «te laat» zijn. De regels over de wijze van gegevenslevering en informatieverstrekking zijn van een dermate technisch karakter dat zij zich niet lenen voor een regeling in het wetsvoorstel, maar beter passen in een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. In het wetsvoorstel is geconcretiseerd welke regels zullen worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Het besluit is enkel een uitwerking van de in het wetsvoorstel opgenomen wettelijke verplichtingen over het verstrekken en leveren van geaggregeerde informatie over verzuim. In de memorie van toelichting is bovendien, conform het advies van de Raad van State, geschetst welke regeling zal worden getroffen bij algemene maatregel van bestuur. Om een voldoende fijnmazig beeld te creëren van het verzuim zijn louter de categorieën geoorloofd verzuim en ongeoorloofd verzuim niet voldoende, zoals de Raad van State ook aangeeft in haar advies.<noot id="ID-1258994-d40e642" type="voet"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 2024–2025, <extref doc="kst-36663-4" soort="document" status="actief">36 663, nr. 4</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>Het uitgangspunt bij de nadere regels in de algemene maatregel van bestuur is dat het schoolbestuur op basis van de huidige wetgeving reeds beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de doorlevering. De regels die worden gesteld in de algemene maatregel van bestuur zullen niet leiden tot meer (indirecte) registratieverplichtingen. De regering is voornemens het aantal momenten waarop data moet worden aangeleverd in de algemene maatregel van bestuur vast te leggen. De onderdelen die wenselijk zijn om uit te werken in een ministeriële regeling betreffen, onder andere, de momenten waarop en de periode waarover scholen de verzuimgegevens moeten aanleveren. Zo kan in overleg met het veld worden bezien hoe geborgd kan worden dat de aanlevermomenten leiden tot gegevens die onderling vergeleken kunnen worden, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de verschillende vakantieperiodes. De regering is voornemens onder meer de aanlevermomenten te evalueren en indien wenselijk aan te passen. Een dergelijke technische aanpassing is in een ministeriële regeling spoediger en efficiënter door te voeren dan in een algemene maatregel van bestuur.</al>
            <al>De algemene maatregel van bestuur: het Besluit terugdringen schoolverzuim is op 24 november 2025 in internetconsultatie gegaan. De onderwerpen uitvoerbaarheid, administratieve lasten (regeldruk) en gevolgen voor scholen en samenwerkingsverbanden worden in de toelichting bij het besluit uitgebreid beschreven. DUO en de inspectie hebben in de uitvoeringstoets aangegeven het voorstel uitvoerbaar te achten. Parallel aan het wetstraject is uitgebreid met DUO en softwareleveranciers van scholen gesproken. In deze gesprekken zijn afspraken gemaakt om de export van geaggregeerde verzuimgegevens uit het leerling-/studentenadministratiepakket zo laagdrempelig mogelijk te maken. Door deze afspraken zullen de gevolgen voor de regeldruk zoveel mogelijk beperkt worden. Bovendien zal toegewerkt worden naar een automatische koppeling tussen scholen en DUO, waardoor de gevolgen voor de regeldruk nog beperkter zullen zijn.</al>
            <al>Tot slot zijn met scholen en samenwerkingsverbanden (en colleges van burgemeester en wethouders) verschillende gesprekken gevoerd over de waarde en uitvoering van de informatieverstrekking over schoolverzuim. De voorschriften in de algemene maatregel van bestuur zijn in nauwe samenwerking met het veld bepaald om nuttige en getrouwe informatie te krijgen. Zij kunnen door beter zicht op verzuim en betere samenwerking hun taken en rollen beter uitvoeren. Daardoor kunnen zij bijdragen aan de verbetering van het passend onderwijs.</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
            <naam>
              <voornaam>J.Z.C.M.</voornaam>
              <achternaam>Tielen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>