Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035303 nr. C

35 303 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 28 november 2019

Inhoudsopgave

Blz.

     

1.

Inleiding

1

2.

Aanpassen S&O-afdrachtvermindering

2

3.

Openbaar maken vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps- of bedrijfsmatig bijstand verleenden

3

4.

Aanpassen inkeerregeling

6

5.

Aanpassen tonnageregeling

6

6.

Aanpassen definitie vaste inrichting het kader van het MLI

7

7.

Herzien van de earningsstrippingbeschikking

8

8.

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

9

9.

Aanpassen belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de erfbelasting

10

10.

Implementatie WLTP-testmethode in de autogerelateerde belastingen

10

11.

Verstrekking van de identificerende gegevens door financiële ondernemingen

12

12.

Wijzigingen Belastingwet BES en Douane- en accijnswet BES

12

13.

Overig

13

1. Inleiding

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA, GroenLinks en de ChristenUnie. Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het voorlopig verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

2. Aanpassen S&O-afdrachtvermindering

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of overwogen is om de aanvragen in het kader van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) op continue basis te laten plaatsvinden, in plaats van de voorgestelde vier keer per jaar en of een dergelijk systeem niet handzamer zou zijn. In de huidige systematiek is het al mogelijk dat bedrijven op ieder gewenst moment een S&O-aanvraag kunnen indienen. Aanvragen dienen echter altijd betrekking te hebben op een tijdvak van minimaal drie maanden en de periode waar aanvragen betrekking op hebben, mogen elkaar niet overlappen. Dat betekent dat meer dan vier aanvragen per jaar doen niet mogelijk is. Binnen dit kader zijn bedrijven echter vrij om zelf te kiezen voor welke periode(s) zij een aanvraag willen doen en met de in het voorstel van wet opgenomen maatregelen, hebben zij voortaan ook de mogelijkheid om het uiterste moment van het indienen van een aanvraag te stellen op de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, in plaats van ten minste een maand voorafgaand aan die periode.1

De S&O-afdrachtvermindering komt in mindering op de loonbelasting. Er is daarom aangesloten bij kalendermaanden omdat de meeste inhoudingsplichtigen de loonbelasting op kalendermaandbasis afdragen. Meer aanvraagmomenten toestaan brengt bovendien extra administratieve lasten met zich mee voor RVO.nl. De verwachting is dat de behoefte aan meer dan vier aanvragen ook gering is, omdat waarschijnlijk maar een beperkt deel van de 14% van de bedrijven met een S&O-aanvraag die nu al drie aanvragen per jaar doet, gebruik zal maken van deze mogelijkheid. Gezien het voorgaande is het kabinet van mening dat met de voorgestelde wijziging op dit moment een goede balans is gevonden tussen flexibiliteit en uitvoerbaarheid van de regeling. Desalniettemin zal RVO.nl monitoren in hoeverre er gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. Na drie jaar zal deze verruiming worden geëvalueerd. Het kabinet kan dan ook bezien of verdere flexibilisering nodig is.

Deze leden vragen verder hoe de maatregel om het aantal aanvraagmomenten voor een S&O-verklaring te vergroten van drie naar vier uitpakt voor jonge, nieuwe bedrijven, waaronder startups & scale-ups. De verwachting is dat juist nieuwe innovatieve bedrijven met veel voorgenomen S&O-projecten profiteren van deze maatregel. Dat komt omdat deze bedrijven vaak nog minder goed kunnen plannen hoeveel en welke S&O-projecten zij op welk moment gaan doen. Dat hangt immers onder andere samen met de beschikbaarheid van kapitaal (voor S&O) en de hoeveelheid S&O-medewerkers die vaak minder zeker en voorspelbaar zijn dan voor bestaande bedrijven, zeker in situaties waarin een start- of scale-up snel groeit. Veel minder innovatieve startende bedrijven hebben als zij voor het eerst gebruik maken van de S&O-afdrachtvermindering echter maar één of een beperkt aantal S&O-projecten en hebben daarom al ruim voldoende aan drie aanvraagmomenten. Overigens geeft RVO.nl bij de beoordeling van de ingediende aanvragen voorrang aan de behandeling van de eerste S&O-aanvraag van startende ondernemingen. Deze aanvragen worden indien compleet in beginsel binnen een maand beoordeeld, terwijl dit voor andere inhoudingsplichtigen binnen drie maanden is.

3. Openbaar maken vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps- of bedrijfsmatig bijstand verleenden

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er niet voor is gekozen om in samenspraak met de beroepsgroep een alternatief uit te werken zodat het berokkenen van schade aan adviseurs kan worden voorkomen. Er heeft twee keer een consultatieronde plaatsgevonden. In de eerste ronde is het beleidsvoornemen aan het publiek voorgelegd. Mede aan de hand van de uitkomsten uit die ronde is een conceptmaatregel gemaakt. Deze conceptmaatregel is in de tweede ronde aan het publiek voorgelegd. In beide rondes hebben onder andere de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en het Register Belastingadviseurs (RB) een onderbouwde en constructieve reactie gegeven. De ontvangen reacties tijdens de internetconsultatie en de adviezen van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Afdeling advisering van de Raad van State hebben tot diverse aanpassingen van de conceptmaatregel geleid. Zo is er voorzien in overgangsrecht, is toepasselijkheid van de maatregel beperkt tot (voorwaardelijk) opzettelijk medeplegen en is afgezien van het openbaar maken van de naam en de vestigingsplaats van het kantoor waaraan de beboete adviseur ten tijde van het begaan van de overtreding was verbonden. Getracht is op deze wijze zoveel mogelijk te komen tot een proportionele maatregel. Desalniettemin valt niet te ontkennen dat de NOB en het RB vanaf het begin geen voorstander zijn geweest van de kern van de voorgestelde maatregel, namelijk de openbaarmaking. Zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting is opgemerkt is een alternatief dat niet in openbaarmaking voorziet, naar het oordeel van het kabinet niet geschikt. Daarbij wordt opgemerkt dat er verschillende beroepsorganisaties bestaan zoals de NOB en het RB, elk met eigen gedragsregels, en zijn niet alle belastingadviseurs bij een van deze beroeporganisaties aangesloten. De beroepsgroep van belastingadviseurs is in die zin dus een heterogene beroepsgroep. Ook om die reden is er naar het oordeel van het kabinet geen geschikt alternatief dat voor alle belastingadviseurs kan gelden.

De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen om een reactie op de brief van de voorzitter van de NOB, namens de NOB, het RB en de Samenwerkende Register Accountants en Accountants Administratieconsulenten van 14 november 2019 naar aanleiding van het voornemen om de boetebeschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd openbaar te maken. De leden van de fractie van het CDA vragen wat de mening van het kabinet is over de in deze brief gestelde bezwaren en of het voornemens is om in te gaan op het voorstel van deze organisaties om het gesprek aan te gaan over de vraag op welke wijze door middel van minder verstrekkende maatregelen toch aan de doelstelling van deze maatregel kan worden voldaan. Ook vragen zij in dit verband een door de NOB gestelde vraag alsnog te beantwoorden. In genoemde brief van 14 november 2019 wordt een aantal bezwaren aangevoerd. Het eerste bezwaar in de brief is dat er geen waarborg is tegen de mogelijkheid voor de inspecteur om openbaarmaking als pressiemiddel te gebruiken. Deze waarborgen zijn er naar het oordeel van het kabinet echter wel. Zo wordt in een ministeriële regeling nader uitgewerkt hoe de door de inspecteur te maken belangenafweging plaatsvindt en is het proces met verschillende waarborgen omkleed, zoals het recht voor de betreffende beroepsbeoefenaar om een zienswijze in te dienen voordat dat besluit daadwerkelijk wordt genomen. Ook behoeft de inspecteur voor het nemen van dat besluit toestemming van de directeur van het betreffende onderdeel van de Belastingdienst en van de betreffende directeur-generaal van het kerndepartement. Vooral dit toestemmingsvereiste is een waarborg tegen willekeur en misbruik van bevoegdheid. Tot slot is het besluit voor bezwaar en beroep vatbaar en wordt er pas uitvoering aan het besluit gegeven als het besluit en de boete waarop de openbaarmaking ziet, onherroepelijk vaststaan. Het tweede bezwaar in de brief is dat het als gevolg van de aanwending van rechtsmiddelen dusdanig lang kan duren voordat het daadwerkelijk tot openbaarmaking komt, dat het doel van publieksvoorlichting niet zou worden verwezenlijkt. Op vragen van de leden van de fractie van D66 in de Tweede Kamer is geantwoord dat de enkele omstandigheid dat het lang kan duren voordat daadwerkelijk tot openbaarmaking kan worden overgegaan nog niet betekent dat het publieke belang nooit meer kan zijn gediend bij openbaarmaking. In de voorgestelde maatregel is de voorkeur gegeven aan een zorgvuldige besluitvorming met de mogelijkheid de rechtmatigheid van het besluit in bezwaar en beroep te betwisten. Overigens is de factor tijd onderdeel van de belangenafweging, hetgeen in de ministeriële regeling zal worden opgenomen. Het derde bezwaar in de brief is dat openbaarmaking onmiskenbaar een leedtoevoegend gevolg zou hebben en de facto als een beroepsverbod zou uitwerken. Het kabinet onderkent dat openbaarmaking ingrijpende gevolgen voor de betreffende adviseur kan hebben. Daar wordt evenwel rekening mee gehouden aangezien er in het concrete geval altijd een belangenafweging moet plaatsvinden en diverse waarborgen zijn getroffen. Openbaarmaking vindt slechts plaats in de ernstige gevallen waarin een beroepsbeoefenaar (voorwaardelijk) opzettelijk belastingfraude heeft medegepleegd. Het vierde bezwaar in de brief is dat er voor geen enkele andere strafbare gedraging een openbaar register aanwezig is en openbaarmaking (daarom) zonder meer disproportioneel zou zijn. Het kabinet deelt dit standpunt niet. Andere wetten kennen ook de mogelijkheid van het openbaar maken van een sanctiebesluit.2 Het hangt van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval af of openbaarmaking proportioneel is of niet. Het vijfde bezwaar in de brief is dat de voorgestelde maatregel symboolwetgeving zou zijn omdat het om maar een zeer gering aantal gevallen gaat die door de maatregel kunnen worden getroffen. Het klopt dat de maatregel naar verwachting niet vaak zal worden toegepast. Dat maakt nog niet dat de maatregel dus achterwege kan blijven. Bovendien strookt zeldzame toepassing met de bedoeling om openbaarmaking alleen voor de ernstige gevallen te reserveren. Het kabinet is bereid om het gesprek aan te gaan maar nodigt ook de beroepsorganisaties uit om zelf hun interne reglementen, waaronder het tuchtrecht, te bezien en hierbij adequate publieksvoorlichting te betrekken. De vraag van de NOB, waar de leden van de fractie van het CDA aan refereren, houdt een verzoek in om meer duidelijkheid te ontvangen omtrent het toetsingskader ten behoeve van openbaarmaking en de suggestie om toe te voegen dat de inspecteur toestemming moet vragen aan een onafhankelijke instantie zoals de Nationale ombudsman. Als gezegd wordt het toetsingskader nader uitgewerkt in een ministeriële regeling. Daarin zullen factoren worden opgenomen die de inspecteur3 in elk geval moet meewegen in het kader van de door hem te maken belangenafweging. Genoemde suggestie heeft het kabinet niet overgenomen. Door het accessoire karakter van openbaarmaking (zonder boete geen openbaarmaking) ligt het in de rede dat met betrekking tot openbaarmaking hetzelfde toestemmingsvereiste geldt als voor de boete. Daarnaast zorgt dat vereiste voor voldoende waarborg tegen willekeur van de inspecteur. Tot slot kan het besluit tot openbaarmaking, net als het boetebesluit zelf, aan de rechter worden voorgelegd, waarmee bij uitstek sprake is van beoordeling door een onafhankelijke instantie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe bij de «naming and shaming»-aanpak in de praktijk het onderscheid tussen kantoornamen en individuele beroepsbeoefenaren wordt gehanteerd en hoe het proportionaliteitsbeginsel in de integrale afweging wordt gewogen. Verder vragen zij welke rol anonimiteitsvereisten spelen en hoe het kabinet bij dit alles weegt dat er geen eenduidige omschrijving van het beroep van belastingadviseur bestaat. Vooropgesteld zij dat het doel van de voorgestelde maatregel niet «naming and shaming» is maar een adequate voorlichting van het publiek bij het maken van een keuze voor een adviseur. Er is geen onderscheid tussen kantoornamen en individuele beroepsbeoefenaren in die zin dat de inspecteur een vergrijpboete oplegt aan de persoon die volgens de inspecteur opzettelijk medepleger is. Deze persoon, de normadressaat van de boetebeschikking, kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. Anonimiteit van de betreffende adviseur is gelet op fiscale geheimhouding nog steeds het uitgangspunt, maar in ernstige gevallen moet die anonimiteit gelet op het zwaarwegende maatschappelijke belang bij de aanpak van belastingontduiking en het doel van publieksvoorlichting kunnen worden doorbroken. Bij de voorgestelde maatregel is daarbij de balans gezocht tussen adequate publieksvoorlichting en het wettelijk vereiste van dataminimalisatie. Dat er geen eenduidige omschrijving van het beroep van belastingadviseur is, is voor het kabinet reden geweest om ervoor te kiezen in de wet te spreken van een overtreder. Het gaat bij de voorgestelde maatregel immers altijd om gevallen waarin sprake is van de overtreder (medepleger) in de zin van artikel 5:1, tweede lid, Awb. Daar komt bij dat onder het overtredersbegrip ook andere beroepsgroepen zoals advocaten, notarissen en accountants vallen. Dat is ook uitdrukkelijk de bedoeling van het kabinet.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet bij de overweging voor het openbaar maken van vergrijpboeten nader heeft gekeken naar de staande regulering van het beroep van belastingadviseur. Zij vragen of daar aangrijpingspunten zijn te vinden voor het doel dat het kabinet heeft met deze openbaarmaking. Verder vragen zij of het kabinet nader kan aangeven hoe de voorgestelde maatregel erop toeziet dat een vergrijpboete niet de enige sanctie is die aan medeplegende adviseurs kan worden opgelegd. De voorgestelde maatregel geeft uitvoering aan een onderdeel van het pakket aan maatregelen in de strijd tegen belastingontwijking en belastingontduiking dat het kabinet in zijn brief van 17 januari 2017 met de Tweede Kamer heeft gedeeld.4 Belastingadviseur is geen beschermd beroep en in zoverre is geen sprake van regulering van het beroep van belastingadviseur. Wel zijn er enige beroepsorganisaties waarvan een groot deel van de belastingadviseurs lid is, maar dus niet alle. Het kabinet nodigt de beroepsorganisaties uit om zelf hun interne reglementen en gedragscodes, waaronder het tuchtrecht, te bezien en hierin adequate publieksvoorlichting te betrekken. In die zin kan met betrekking tot zelfregulering van aangrijpingspunten met het doel van de voorgestelde maatregel worden gesproken. Een medeplegende adviseur kan ook strafrechtelijk worden vervolgd, bijvoorbeeld voor valsheid in geschrifte. Strafrechtelijke vervolging sluit beboeting uit. De mogelijkheid van openbaarmaking van een vergrijpboete kan daarom een rol spelen bij het tripartite overleg tussen Belastingdienst, Openbaar Ministerie en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst.

4. Aanpassen inkeerregeling

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet de tijdens de behandeling in de Tweede Kamer nog niet beantwoorde vraag van de NOB over de aanpassing van de inkeerregeling en de aanvullende vragen te beantwoorden. De genoemde vraag strekt ertoe toe te lichten waarom niet is gekozen voor behoud van de zinsnede «in het buitenland opgekomen». Op vragen van de leden van de fractie van de VVD in de Tweede Kamer is geantwoord dat handhaven van het onderscheid naar de plaats waar het inkomen is opgekomen Unierechtelijk kwetsbaar is. Daar komt bij dat het onderscheid ook schuurt met het gelijkheidsbeginsel, omdat het verzwijgen van in het binnenland opgekomen inkomen niet minder kwalijk is dan het verzwijgen van in het buitenland opgekomen inkomen. In beide situaties wordt namelijk inkomen verzwegen, en dat is de beboetbare gedraging ter zake waarvan kan worden ingekeerd. Daarom is ervoor gekozen die zinsnede te laten vervallen. Met de aanvullende vraag wil de NOB weten of het kabinet van mening is dat mensen die zelf tot inkeer komen, beter moeten worden behandeld dan belastingontduikers die dat niet doen en ervoor kiezen om af te wachten. Het kabinet deelt inderdaad die mening. Dat komt ook tot uitdrukking in de wettelijke bepaling dat inkeer een boetematigende omstandigheid is.5 De voorgestelde maatregel brengt daar geen verandering in. In de tweede aanvullende vraag werpt de NOB de vraag op of het kabinet het risico ziet dat door de voorgestelde maatregel goedwillende directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) minder vaak bijvoorbeeld een mogelijke verkapte dividenduitdeling zullen gaan melden. De NOB vreest dat de voorgestelde maatregel tot gevolg kan hebben dat dga’s dergelijke kwesties minder zullen melden bij de Belastingdienst. Wat genoemd risico betreft, moet voor ogen worden gehouden dat de inkeerregeling alleen van toepassing kan zijn indien een beboetbaar feit is gepleegd waarvoor een vergrijpboete kan worden opgelegd. Het betreft derhalve gevallen waarbij een belastingplichtige grofschuldig of opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of het anderszins aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Dit betreft dus ook gevallen waarin grofschuldig of opzettelijk een verkapte winstuitdeling niet is aangegeven. Bij goedwillendheid lijkt van grove schuld of opzet echter geen sprake te zijn. Ook de omstandigheid dat een dga zich laat bijstaan door een adviseur op wiens deskundigheid en zorgvuldige taakuitoefening hij mocht vertrouwen, kan met zich brengen dat geen sprake is van een beboetbare gedraging. Zonder een beboetbare gedraging is er niets ter zake waarvan kan worden ingekeerd. Het kabinet deelt daarom niet de vrees van de NOB dat genoemd risico werkelijkheid wordt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er aangepast beleid is rond boetevrije inkeer. De wet bepaalt in welke gevallen boetevrij kan worden ingekeerd. In die zin is er, afgezien uiteraard van de voorgestelde maatregel, dus geen sprake van aangepast beleid ter zake van boetevrije inkeer. In de overige gevallen is op grond van de wet bij inkeer boetematiging mogelijk. In hoeverre een boete kan worden gematigd is uitgewerkt in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). De voorgestelde maatregel zal ook in het BBBB zijn weerslag krijgen.

5. Aanpassen tonnageregeling

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in het kader van de aanpassing van de tonnageregeling voor winst uit zeescheepvaart naar het budgettaire beslag, de efficiëntie en de uitvoerbaarheid van deze regeling. Ook vragen deze leden of de efficiëntie en de uitvoerbaarheid er met de voorgestelde aanpassing op vooruit gaan.

De tonnageregeling voor winst uit zeescheepvaart bestaat in Nederland sinds 1996 en is een internationaal gebruikelijke fiscale stimuleringsmaatregel voor de zeescheepvaart. Vrijwel alle Europese maritieme landen, zoals Duitsland, Denemarken, Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk en Italië hebben soortgelijke regelingen. Doordat deze regelingen moeten voldoen aan Europese richtsnoeren ontstaat een zo gelijk mogelijk speelveld in de Europese Unie (EU). Het budgettaire beslag van de tonnageregeling bedraagt circa € 120 miljoen op jaarbasis. De voorgestelde aanpassingen hebben geen invloed op het budgettaire beslag van deze regeling. De voorgestelde wijzigingen van de tonnageregeling leiden tot een op onderdelen wat complexere regeling dan de bestaande tonnageregeling en raken een zeer beperkte groep bedrijven in de maritieme sector. Naar verwachting hebben de aanpassingen geen effecten op de regeldruk voor deze groep. Voor de uitvoerbaarheid hebben de voorgestelde aanpassingen slechts beperkte gevolgen, zoals blijkt uit de uitvoeringstoets bij dit wetsvoorstel. Overigens is een van de voorgestelde aanscherpingen van de tonnageregeling enigszins versoepeld als gevolg van het amendement Lodders6 waardoor de complexiteit voor de Belastingdienst van de tonnageregeling op dat punt nog iets verder toenam. Daarom is de verwachting dat de aanpassingen ook nauwelijks gevolgen hebben voor de doeltreffendheid en efficiëntie van de tonnageregeling. De effectiviteit en doelmatigheid van de tonnageregeling worden periodiek geëvalueerd en gedeeld met de Staten-Generaal. De laatste evaluatie van de tonnageregeling heeft plaatsgevonden in 2014.7 De economische crisis heeft destijds effect gehad op de uitkomsten van de doeltreffendheid van deze regeling in deze periode. De volgende evaluatie van deze regeling moet nog worden gepland.

6. Aanpassen definitie vaste inrichting het kader van het MLI

De leden van de fractie van de VVD vragen of het niet consistent met het verdragsbeleid zou zijn om het voorgestelde artikel 3, achtste lid, Wet op de vennootschapsbelasting Vpb 1969 (Wet Vpb 1969) niet in te voeren. Voor niet-verdragssituaties wordt voor de definitie van het begrip vaste inrichting aansluiting gezocht bij de meest recente versie van het OESO-modelverdrag en dus ook bij de aanbevelingen in het eindrapport bij actiepunt 7 van het BEPS-project. Naar aanleiding van het in de goedkeuringswet verwerkte amendement Lodders en Slootweg is een aanvullend voorbehoud gemaakt bij het MLI en werken de wijzigingen van de bepalingen over de vaste en de onafhankelijke vertegenwoordiger (vooralsnog) niet door naar de door Nederland aangemelde belastingverdragen onder het MLI. De strekking van het amendement is dat er een effectieve vorm van geschilbeslechting dient te zijn tussen Nederland en haar verdragspartners indien sprake is van onduidelijkheid over de definitie van het begrip vaste inrichting of de winsttoerekening. Het voorbehoud heeft geen gevolgen voor het onderhavige wetsvoorstel, aangezien de voorgenomen wijzigingen van de definitie van het begrip vaste inrichting in niet-verdragssituaties enkel zien op toepassing van de nationale wetgeving. Aan de ene kant gaat het dan om buitenlandse ondernemers die in Nederland activiteiten ontplooien door middel van een vaste inrichting, waarbij het Nederlandse heffingsrecht wordt afgebakend in lijn met het actuele OESO-modelverdrag. Aan de andere kant gaat het om een omschrijving van wat voor de objectvrijstelling onder vaste inrichting wordt verstaan. Het ligt daarom niet voor de hand om in lijn met het verdragsbeleid het voorgestelde artikel 3, achtste lid, Wet Vpb 1969 niet in te voeren.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er niet voor is gekozen om een koppeling te maken met de definitie van het begrip vaste inrichting van artikel 5 OESO-modelverdrag. Een directe en dynamische koppeling in de nationale wetgeving met (nieuwe versies van) het OESO-modelverdrag bij de invulling van de definitie van het begrip vaste inrichting is niet wenselijk. Het kabinet vindt het van belang dat bij de invulling van dit begrip de parlementaire betrokkenheid wordt gewaarborgd, zodat een afweging kan worden gemaakt of en in hoeverre een overname van een dergelijke wijziging in de Nederlandse wet- en regelgeving wenselijk of noodzakelijk is. De artikelen uit het OESO-modelverdrag zijn namelijk opgesteld om als uitgangspunt te dienen bij het onderhandelen van belastingverdragen. Teksten uit het OESO-modelverdrag dienen in voorkomende gevallen dan ook aangepast te worden, zodat deze teksten binnen de systematiek en terminologie van de nationale wetgeving passen. In dit verband kan als voorbeeld worden gewezen op de invulling van het begrip gelieerdheid in het voorgestelde artikel 3, tiende tot en met twaalfde lid, Wet Vpb 1969. Bij toekomstige wijzigingen van het OESO-modelverdrag met betrekking tot de invulling van de definitie van het begrip vaste inrichting kunnen dergelijke vertaalslagen opnieuw nodig zijn.

De leden van de fractie van het CDA vragen in te gaan op de opmerking van de NOB die erop wijst dat – als alternatief voor de plaatsing in de Wet Vpb 1969 – het ook mogelijk is om een uniforme definitie van het begrip vaste inrichting voor toepassing van de Nederlandse wetgeving op te nemen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De voorgestelde definitie van het begrip vaste inrichting is grotendeels ontleend aan de definitie van dat begrip die op dit moment is opgenomen in artikel 15f Wet Vpb 1969. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige systematiek is ervoor gekozen de definitiebepaling in de Wet Vpb 1969 te behouden en in de Wet IB 2001, de Wet LB 1964 en de voorgestelde Wet bronbelasting 2021 naar deze definitiebepaling te verwijzen. Ook zal de definitie van het begrip vaste inrichting in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 hiermee in lijn worden gebracht. Opname in de Wet Vpb 1969 voorkomt tevens dat bijvoorbeeld een uitzondering moet worden gemaakt voor bijvoorbeeld de Wet OB 1968, waar een afzonderlijke definitie van het begrip vaste inrichting voor geldt. Mocht op een later moment blijken dat er behoefte bestaat om de definitie van het begrip vaste inrichting alsnog in de AWR op te nemen, dan kan dit op dat moment alsnog worden overwogen.

7. Herzien van de earningsstrippingbeschikking

De leden van fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet beter kan beargumenteren op basis van welke ervaringen de earningsstrippingmaatregel meer in lijn wordt gebracht met de regeling voor verliesverrekening. Verder vragen deze leden of dit tegemoet komt aan de belangen van belastingplichtigen en de controlefunctie van de Belastingdienst.

De voorgestelde aanpassingen leiden niet tot een materiële wijziging van de earningsstrippingmaatregel. De earningsstrippingbeschikking dient de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van die maatregel te verbeteren. De uitvoerbaarheid van de earningsstrippingmaatregel voor de Belastingdienst is ermee gebaat dat er meer aansluiting wordt gezocht bij de regeling voor verliesverrekening, waarbij gebruik wordt gemaakt van beschikkingen. In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat een beschikking met betrekking tot het voort te wentelen saldo aan renten kan worden herzien als sprake is van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout. De regeling voor verliesverrekening heeft als inspiratiebron gediend voor de wettelijke inbedding van de voortwenteling van het saldo aan renten. Ook wordt geregeld dat hiervoor eenzelfde termijn geldt als ook voor navordering van te weinig geheven belasting geldt. Verder wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat een beschikking wordt gegeven indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een later jaar. Een beschikking dient de belastingplichtige zekerheid te geven over het saldo aan renten dat in latere jaren in aftrek kan worden gebracht. Net als bij de aangifte vennootschapsbelasting geldt altijd dat informatie aan de Belastingdienst duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moet worden verstrekt. In het geval van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout wordt aan het voorgaande niet voldaan. Alleen in die gevallen kan de eerder afgegeven beschikking gemakkelijk worden herzien. Daarnaast dragen de voorgestelde maatregelen bij aan het toezicht door de Belastingdienst en voorkomt discussies in de toekomst over het voortgewentelde saldo aan renten.

8. Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de Belastingdienst een helder beeld heeft van de omvang en samenstelling van de groep die liever per post communiceert en of voor die groep is gewaarborgd dat zij in principe even snel en accuraat moeten worden geholpen als burgers die kiezen voor elektronische verzending. Zij vragen voorts hoe robuust de vereiste keuzeregistratie- en verwerkingsvoorziening eruit gaat zien, wanneer deze operationeel moet zijn en of dit gaat lukken. Er is op dit moment nog geen goed beeld van hoeveel burgers een voorkeur hebben om per post met de Belastingdienst te communiceren. In het onderzoek onder burgers dat wordt uitgevoerd, wordt de vraag naar de voorkeur voor het ontvangen van papieren of digitale post gesteld. Zoals ook in de «Strategie interactie Belastingdienst met burgers, bedrijven en hun intermediairs» is benoemd, blijft voor burgers het niet-digitale kanaal bestaan.8 De keuzeregeling ziet op de wijze van verzending van de uitgaande formele berichten van de Belastingdienst. Als burgers voor papier kiezen krijgen ze hun formele berichten op papier en kunnen zij hun zaken met de Belastingdienst blijven doen via niet-digitale kanalen. In principe worden zij even snel en accuraat geholpen. Dit is uiteraard afhankelijk van de kenmerken van het papieren en het digitale kanaal. Een brief via de papieren post is immers gelet op de aard van het papieren kanaal over het algemeen langer onderweg dan een digitaal bericht. Zoals ook is aangegeven in het algemeen deel van de memorie van toelichting en de uitvoeringstoets wordt de datum van inwerkingtreding bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit moment is mede afhankelijk van wanneer de voorbereiding van een robuuste keuzeregistratie- en verwerkingsvoorziening is afgerond. Op dit moment kan ik nog geen moment noemen waarop de voorbereidingen in de uitvoering zijn voltooid.

Deze leden vragen verder hoe de keuzeoptie naar de doelgroepen wordt gecommuniceerd, hoe deze praktisch wordt vormgegeven en of de keuzeoptie voor alle onderdelen in de communicatieketen tussen Belastingdienst en belastingplichtige geldt. De wijze van invoering is nog in voorbereiding. De Belastingdienst verricht nog onderzoek onder burgers en werkt enkele uitvoeringsvraagstukken nog uit, waarna de wijze van communicatie wordt bepaald. De Tweede Kamer en uw Kamer worden hierover geïnformeerd. Overigens ontvangen burgers met een geactiveerde Berichtenbox vanaf de start van de keuzeregeling tot het moment dat ze een keuze maken hun berichten zowel via papieren post als digitaal in de Berichtenbox, voor zover de Belastingdienst deze digitaal beschikbaar heeft. De door een burger gemaakte keuze voor papier of digitaal geldt voor alle formele berichten van de Belastingdienst. Bij de start van de keuzeregeling zullen echter nog niet alle berichten van de Belastingdienst digitaal beschikbaar zijn. Het kan dus voorkomen dat een burger die kiest voor digitaal ook nog berichten op papier ontvangt.

9. Aanpassen belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de erfbelasting

De leden van de fractie van het CDA vragen met betrekking tot de voorgestelde aanpassing van de regeling van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting en erfbelasting de vragen die de NOB hierover heeft gesteld te beantwoorden. De NOB vraagt of het niet logischer zou zijn om alleen belastingrente in rekening te brengen voor zover de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting conform de ingediende aangifte. Hierbij tekent de NOB aan dat dit resultaat effectief wordt bereikt indien eerst conform de ingediende aangifte een voorlopige aanslag wordt vastgesteld en pas bij de definitieve aanslag een correctie wordt aangebracht. In dat geval wordt belastingrente in rekening gebracht over het per saldo bij te betalen bedrag. Als de inspecteur daarentegen direct afwijkt van de aangifte, wordt belastingrente berekend over het gehele bedrag aan verschuldigde belasting, aldus de NOB. De NOB meent dat voor dit onderscheid geen goede rechtvaardiging bestaat en verzoekt om de belastingrenteregeling op dit punt aan te passen.

In antwoord op deze vraag is het allereerst relevant op te merken dat het doorgaans de prakrijk is dat een voorlopige aanslag conform aangifte wordt vastgesteld en eventuele correcties worden verwerkt in de definitieve aanslag. Hierbij is relevant dat belastingplichtigen de Belastingdienst kunnen verzoeken een (voorlopige) aanslag op te leggen. Ook kan de Belastingdienst worden gevraagd een reeds opgelegde voorlopige aanslag te herzien indien daartoe aanleiding bestaat. Ik zie op dit moment geen directe noodzaak om de belastingrenteregeling op dit punt aan te passen. Verder vraagt de NOB of het niet gepast zou zijn om de belastingrente voor de vennootschapsbelasting gelijk te trekken met de overige belastingrentes. In antwoord hierop verwijs ik naar het onderzoek naar de regeling van de belastingrente, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de hoogte van de rentepercentages.9 In dit onderzoek is berekend dat de budgettaire derving structureel op € 120 miljoen uitkomt indien voor alle belastingmiddelen de belastingrente op 4% wordt vastgesteld (juli 2018). Voor een dergelijke derving zie ik op dit moment geen budgettaire ruimte. Ten slotte vraagt de NOB hoe de regeling eruit komt te zien wanneer de rente negatief wordt. Wanneer de rente negatief wordt, blijven de wettelijk vastgestelde ondergrenzen van de rentepercentages onveranderd.10

10. Implementatie WLTP-testmethode in de autogerelateerde belastingen

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de Belastingdienst klaar is voor de overgang naar de WLTP-meetmethode. Verder vragen deze leden of dit enkel een technische wijziging betreft of een meer ingrijpende aanpassing. De overgang naar de WLTP-meetmethode in de autobelastingen behelst voor de Belastingdienst meer dan enkel technische wijzigingen. De gevolgen voor de Belastingdienst van deze wijzigingen zijn in kaart gebracht aan de hand van de bij het wetsvoorstel bijgevoegde uitvoeringstoets. Deze uitvoeringstoets heeft uitgewezen dat deze wijzigingen uitvoerbaar zijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen onder welke voorwaarden gemonitorde CO2-uitstooteffecten van het overgaan op de WLTP-testmethode kunnen leiden tot aanpassing van de bpm-tarieven. Op basis van onderzoek door TNO wordt per 1 juli 2020 de bpm-tabel budgettair neutraal omgezet naar CO2-uitstoot op basis van de WLTP-testmethode. Door bijvoorbeeld gedragseffecten bij zowel consumenten als producenten kan de bpm-opbrengst hoger op lager worden. Binnen de huidige begrotingsregels betreft dit een endogene opbrengst of derving die niet kan worden aangewend voor lastenverlichting of -verzwaring (via bijvoorbeeld aanpassing van de bpm-tarieven) tenzij deze wordt gedekt door lastenverzwaring of -verlichting elders. TNO geeft echter ook aan dat autofabrikanten onder de WLTP-regelgeving een zogenoemde «declared CO2-value» als officiële CO2-uitstootcijfer van de auto kunnen opgeven. Deze «declared value» mag – bij een controletest door een keuringsinstantie – niet lager blijken dan het daadwerkelijke testresultaat, de «measured value», maar mag wel (onbeperkt) hoger zijn. Op dit moment geven autofabrikanten voor hun WLTP-auto’s «declared values» op die (substantieel) hoger zijn dan de daadwerkelijke testresultaten. TNO spreekt daarom in het onderzoeksrapport van «inflated WLTP-values». TNO verwacht dat fabrikanten, zodra na 2021 de WLTP-uitstootwaarden voor autofabrikanten relevant worden om te voldoen aan de Europese CO2-fabrikantennorm en fabrikanten de WLTP-test «beter onder de knie hebben», lagere WLTP-waarden zullen gaan opgeven die dichter bij de «measured value» zullen liggen. Dit betekent dat de WLTP CO2-uitstootcijfers na 2021 relatief snel kunnen dalen. Om derving van bpm-inkomsten als gevolg van autonome vergroening (bij fossiele auto’s) te voorkomen worden de bpm-tarieven sinds 2012 jaarlijks aangescherpt met de verwachte autonome vergroening van nieuwe auto’s. In de Wet uitwerking Autobrief II is dit geregeld tot en met 2020. Voor de periode na 2020 moet dit nog geregeld worden. Het kabinet zal een externe partij onderzoek laten doen naar de autonome vergroening die in de periode 2021–2025 wordt verwacht. De bedoeling is om de resultaten van dit onderzoek en de daaruit volgende aanscherping van de bpm-tarieven te publiceren vóór de zomer van 2020. Zo heeft de autobranche de gewenste zes maanden voorbereidingstijd om de nieuwe tarieven te implementeren. In dit onderzoek zal ook het effect van de «inflated WLTP-values» meegenomen worden. Bij een eventuele geraamde derving als gevolg van het effect van «inflated WLTP-values» zullen de bpm-tarieven hierop worden aangepast.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen ten aanzien van de budgettair neutrale invoering van de nieuwe WLTP-testmethode wat de uitkomst geweest zou zijn indien als uitgangspunt genomen zou zijn dat de bpm per eenheid CO2 tenminste niet lager zou mogen uitvallen. Wanneer de tarieftabel voor de bpm niet zou worden gecorrigeerd bij de omzetting van de NEDC naar de WLTP, dan zou de totale bpm-opbrengst, als gevolg van de progressieve tariefstructuur, met circa € 2 miljard toenemen. In deze berekening zijn echter nog geen gedragseffecten meegenomen. Bij een abrupte bpm-stijging van dergelijke proporties zullen deze zeker optreden en zal de stijging van de totale bpm-opbrengst aanzienlijk lager uitpakken.

11. Verstrekking van de identificerende gegevens door financiële ondernemingen

De leden van de fractie van de VVD vragen onder verwijzing naar de informatieverplichtingen samenhangend met het Verwijzingsportaal banken en de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/82211 («DAC6») of effectiviteitsonderzoek is gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin de Belastingdienst gebruikmaakt van «derden-informatie». Ook informeren deze leden hoe effectief een overload aan informatie voor de Belastingdienst is. Zij vragen of «Big Brother» werkelijkheid is geworden, hoe wenselijk een «Big Brother-maatschappij» is uit maatschappelijk oogpunt en of deze leden in dit opzicht blij moeten zijn met een matig presterende Belastingdienst. Het voorstel met betrekking tot het Verwijzingsportaal is tot stand gekomen na een belangenafweging en een toets aan de Algemene verordening gegevensbescherming. De Belastingdienst ontvangt op jaarbasis circa 220.000 betalingen die niet kunnen worden gekoppeld aan een belastingschuld. Om deze betalingen toch te kunnen identificeren, maakt de Belastingdienst gebruik van gegevens van de banken. De daarvoor gebruikte voorziening wordt met de introductie van het Verwijzingsportaal banken uitgefaseerd. Met de voorgestelde wijziging van de Invorderingswet 1990 wordt zeker gesteld dat de Belastingdienst in de nieuwe situatie via het Verwijzingsportaal over de gegevens kan blijven beschikken die voor de koppeling van betalingen en belastingschulden nodig zijn. Gebeurt dit niet, dan is het risico dat burgers ten onrechte met voor hen potentieel ingrijpende invorderingsmaatregelen worden geconfronteerd Richtlijn (EU) 2018/822 richt zich op het tegengaan van mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningsconstructies en is onderdeel van een breder pakket van Europese maatregelen. Met name de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen belastingautoriteiten is van wezenlijk belang om die autoriteiten de mogelijkheid te geven ongewenste fiscale praktijken te kunnen vaststellen en daartegen op te treden. Daarbij is uitwerking gegeven aan de daarmee samenhangende aspecten van gegevensbescherming. Ook de vooringevulde aangifte is een voorbeeld van effectief gebruik van derden-informatie door de Belastingdienst. Van een «Big-Brother-maatschappij» is geen sprake en daar wil ik ook niet naar toe. De Belastingdienst wordt overigens ook niet gediend met een «overload» aan informatie en kan informatie bij derden opvragen als hij daartoe op grond van de wet bevoegd is ten behoeve van de belastingheffing en ter uitvoering van de belastingwet. Een door de leden van de fractie van de VVD bedoeld algemeen effectiviteitstoets heeft niet plaatsgevonden.

12. Wijzigingen Belastingwet BES en Douane- en accijnswet BES

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een korte beschouwing over de uitvoerbaarheid en culturele acceptatie van dein te voeren factureringsplicht in Caribisch Nederland (CN). Zij vragen ook hoe dit een eilandelijke economie raakt waar informele transacties gebruikelijk zijn. De maatregel wordt getroffen op verzoek van de uitvoering. Zoals gebruikelijk is er een toets gedaan op de uitvoerbaarheid van deze maatregel, met als resultaat het oordeel dat de maatregel uitvoerbaar is. De invoering van een factureringsplicht draagt bij aan vermindering van fraude. Door de invoering van de factureringsplicht wordt het uitvoeren van controles door de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN) vergemakkelijkt, met name voor de inkomstenbelasting en de algemene bestedingsbelasting. De invoering van de factuurplicht heeft wel een stijging van administratieve lasten tot gevolg. Hierdoor worden structureel circa 1.000 ondernemers geraakt.

Van oudsher vinden er op CN inderdaad veel informele transacties plaats, zonder schriftelijke vastlegging. Het komt regelmatig voor dat op informele basiswerkzaamheden voor derden worden verricht, zonder dat dit schriftelijk wordt vastgelegd. Hierbij vinden wel betalingen plaats, veelal contant. Er is een reële kans dat deze betalingen door de ontvangers niet of niet volledig als inkomsten worden aangegeven, waardoor BCN geen volledig zicht heeft op hun inkomsten. Dat kan ertoe leiden dat er door betrokkenen geen of te weinig betasting wordt betaald. Dat is onwenselijk en om die reden is het van belang dat BCN de fiscale gegevens van burgers en bedrijven op CN beter in beeld krijgt.

Daarbij kan worden opgemerkt dat de reikwijdte van de maatregel beperkt is: de factuurplicht gaat alleen gelden voor administratieplichtigen. Dat zijn lichamen en natuurlijke personen die bedrijfsmatig actief zijn, kort gezegd «professionals». Een eilandelijke economie waar informele transacties gebruikelijk zijn wordt dus in beperkte mate geraakt.

13. Overig

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre het onderhavige wetsvoorstel (Overige fiscale maatregelen 2020) voldoet aan de motie Hoekstra, dat ertoe oproept om separate wetsvoorstellen niet te koppelen.12 Daarnaast vragen deze leden of deze motie bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel door het kabinet is getoetst. Het kabinet betrekt ieder jaar de motie Hoekstra bij het bepalen of een fiscale maatregel opneming rechtvaardigt in een afzonderlijk wetsvoorstel. Om deze reden is er bijvoorbeeld voor gekozen om de voorgenomen afschaffing van de fiscale aftrek scholingsuitgaven op te nemen in een afzonderlijk wetsvoorstel. Daarnaast is er, omdat de fiscale maatregelen ter uitwerking van het Klimaatakkoord inhoudelijke en budgettaire samenhang hebben, voor gekozen om deze gezamenlijk te presenteren in het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel


X Noot
1

Omwille van de uitvoerbaarheid wordt hier een uitzondering op gemaakt met betrekking tot de periode rond Kerstmis en oud en nieuw, zodat gegarandeerd kan worden dat er ook dan vanuit RVO.nl voldoende ondersteuning kan worden geboden ingeval aanvragers daar behoefte aan hebben.

X Noot
2

Artikel 1:97 van de Wet op het financieel toezicht en artikel 32f van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

X Noot
3

Voor «inspecteur» dient uiteraard ook «Belastingdienst/Toeslagen» te worden gelezen.

X Noot
4

Kamerstukken II 2016/17, 25 087, nr. 138.

X Noot
5

Artikel 67n, tweede lid, AWR.

X Noot
6

Kamerstukken II 2019/20, 35 303, nr. 14.

X Noot
7

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014/15, 31 409, nr. 67.

X Noot
8

Bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 31 066, nr. 421.

X Noot
9

Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 99.

X Noot
10

Artikel 30hb, eerste en tweede lid, AWR.

X Noot
11

Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PbEU 2018, L 139).

X Noot
12

Kamerstukken I 2015/16, 34 300, letter O.