35 303 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 28 november 2019

Het voorbereidend onderzoek geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel overige fiscale maatregelen 20202. Graag stellen zij de volgende vragen.

De leden van de fractie van het CDA hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel overige fiscale maatregelen 2020. Zij wensen van de gelegenheid gebruik te maken om nog enkele vragen te stellen.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen aan de regering naar aanleiding van het voorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen aan de regering naar aanleiding van het voorstel.

2. Aanpassen S&O-afdrachtvermindering

Heeft de regering overwogen om de aanvragen in het kader van de S&O-afdrachtsvermindering ook op continue basis te laten plaatsvinden, in plaats van de voorgestelde vier keer per jaar, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Is dat uiteindelijk niet handzamer? Kan worden aangegeven hoe deze maatregel uitpakt voor jonge, nieuwe bedrijven (waaronder startups & scaleups)?

3. Openbaar maken vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps-of bedrijfsmatig bijstand verleenden

De leden van de VVD-fractie lezen in het wetsvoorstel de opgenomen maatregel tegen degenen die beroeps- of bedrijfsmatig belastingontduiking en het met (voorwaardelijke) opzet foutief aanvragen van toeslagen faciliteren. Daartoe wordt voorgesteld om bepaalde onherroepelijk geworden vergrijpboeten die aan beroepsbeoefenaars op grond van medeplegen zijn opgelegd, openbaar te maken. Opdat het publiek een beter geïnformeerde keuze voor een adviseur kan maken3.

«Naming and shaming» is een verregaande maatregel die «met pek en veren» en «schandpalen» gelijkstaat. Ware het niet dat tegenwoordig de schade ook nog eens voor eeuwig op internet zal blijven bestaan. «Belastingadviseur» is geen beschermd beroep, de beroepsgroep is wel goed georganiseerd. Waarom is er niet voor gekozen om in samenspraak met de beroepsgroep een alternatief uit te werken zodat het berokkenen van schade aan adviseurs voorkomen kan worden?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om een reactie op de brief van de voorzitter van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), namens de NOB, het Register Belastingadviseurs (RB) en de SRA naar aanleiding van het voornemen om de boetebeschikking waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd4 openbaar te maken. Wat is de mening van de regering over de in deze brief gestelde bezwaren? Is zij voornemens om in te gaan op het voorstel van deze organisaties om het gesprek aan te gaan en te bespreken op welke wijze door middel van minder verstrekkende maatregelen toch aan de doelstelling van deze maatregel kan worden voldaan? Ook vragen deze leden in dit verband de regering de door de NOB gestelde vraag 61 alsnog te beantwoorden5.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering bij de overweging ter zake van het openbaar maken van vergrijpboeten nader heeft gekeken van de staande regulering van het vak van de fiscale adviseurs. Zijn daar aangrijpingspunten te vinden voor het doel dat de regering heeft met deze openbaarmaking? De openbaarmaking grijpt aan bij het opleggen van een vergrijpboete. Indien onherroepelijk wordt deze boete openbaar gemaakt. Nu is een vergrijpboetes niet de enige sanctie die aan medeplegende adviseurs kan worden opgelegd. Kan de regering hierin nader inzicht bieden en aangeven hoe de voorgestelde maatregel hierop toeziet?

De regering wil de vergrijpboetes die zijn opgelegd aan malverserende medeplegers (fiscale intermediairs) die hun cliënten adviseren bij belastingontduiking of ontwijking, openbaar maken. De leden van de ChristenUnie-fractie begrepen uit dat deze «naming & shaming» aanpak zowel voor kantoornamen als voor individuele beroepsbeoefenaren geldt. Hoe wordt dit onderscheid in de praktijk gehanteerd en hoe wordt het proportionaliteitsbeginsel in de integrale afweging gewogen? Welke rol spelen anonimiteitsvereisten? Wat is de reactie van de regering op de afwijzende (en vorige week aangescherpte) houding van de brancheorganisaties? Is er aangepast beleid rond boetevrije inkeer? Hoe weegt de regering, zo merken de leden van de ChristenUnie-fractie op, bij dit alles dat er geen eenduidige omschrijving van het beroep van belastingadviseur bestaat?

4. Aanpassen inkeerregeling

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering de tijdens de behandeling in de Tweede Kamer nog niet beantwoorde vraag 52 van de NOB6 over de aanpassing van de inkeerregeling en de aanvullende vragen A-1 en A-2 te beantwoorden7.

5. Aanpassen tonnageregeling

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de tonnageregeling voor de zeescheepvaart wordt aangescherpt. Kan de regering verduidelijken wat het budgettaire beslag is van de regeling? Hoe wordt de efficiëntie en uitvoerbaarheid van de vigerende regeling ervaren? Gaan deze er onder de nieuwe aanpassing op vooruit?

6. Aanpassen definitie vaste inrichting in het kader van het MLI

De leden van de VVD-fractie lezen dat het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) de mogelijkheid biedt om de «Base Erosion and Profit Shifting» (BEPS)-maatregelen die zien op belastingverdragen op een snelle en efficiënte wijze door te laten werken in de bilaterale belastingverdragen van staten die partij zijn bij het MLI. Op 1 juli 2019 is het MLI voor Nederland van kracht geworden8.

Met het amendement Lodders-Slootweg is artikel 12 van het MLI «uitgevinkt». Hierdoor wordt de vaste inrichtingsdefinitie in gedekte belastingverdragen minder ingrijpend gewijzigd door het MLI. De ratio achter dit amendement was dat deze aangepaste vaste inrichtingsdefinitie er in de praktijk toe zal leiden dat andere staten te veel winst toerekenen aan een aldaar ontstane vaste inrichting van een in Nederland gevestigde vennootschap9. Dit leidt doorgaans tot dubbele belastingheffing. Deze dubbele belastingheffing kan slechts effectief worden opgelost als het verdrag ook een bepaling voor verplichte en bindende arbitrage bevat.

Het probleem van dubbele belasting doet zich ook voor met staten waar Nederland geen belastingverdrag mee heeft. Als Nederland geen belastingverdrag heeft met een staat is een (formele) onderlinge overlegprocedure niet mogelijk. Het zou dan ook consistent zijn met het amendement Lodders-Slootweg om artikel 3, achtste lid van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) niet in te voeren. Dan wel om in beleidsregels op te nemen dat Nederland unilateraal zal terugtreden tot het geschil is opgelost met de betrokken staat of staten middels bilateraal (informeel) overleg, zo stellen de leden van de VVD-fractie.

Op vragen van de Tweede Kamerfractie van de VVD over de inconsistentie van artikel 3, achtste lid van de Wet Vpb 1969 met amendement Lodders-Slootweg wordt geantwoord dat «In verband met een voorbehoud gemaakt naar aanleiding van het amendement van de leden Lodders en Slootweg op de goedkeuringswet bij het MLI (...) de wijzigingen van de bepalingen over de vaste en de onafhankelijke vertegenwoordiger (vooralsnog) niet door[werken] naar de door Nederland onder het MLI aangemelde belastingverdragen. Bij bilaterale verdragsonderhandelingen zal Nederland inzetten op het opnemen van de bepalingen over de vaste en de onafhankelijke vertegenwoordiger in combinatie met een effectieve geschilbeslechting. Wat betreft de effectieve geschilbeslechting wordt opgemerkt dat Nederland een groot voorstander is van de opname in belastingverdragen van het instrument van verplichte en bindende arbitrage als sluitstuk van de onderlinge overlegprocedure. Nederland maakt zich hier internationaal sterk voor, zowel onder het MLI als bij het (her)onderhandelen van belastingverdragen. Verder heeft Nederland recent de [Geschilbeslechtingsrichtlijn] in de nationale wet geïmplementeerd, waarmee de geschilbeslechting binnen de EU wordt verbeterd10

Het antwoord van de regering is geen antwoord op de door Tweede Kamerfractie van de VVD gestelde vraag. Om die reden stellen de leden van de VVD-fractie nogmaals de vraag: het voorbehoud dat Nederland door middel van het amendement Lodders-Slootweg heeft gemaakt op artikel 12 van het MLI zal wel werking hebben in de relatie met staten waarmee Nederland een belastingverdrag heeft (en die partij zijn bij het MLI), maar wat betreft de relatie met staten waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft, bevat artikel 3, achtste lid van de Wet Vpb 1969 straks wel de commissionairsbepaling die in artikel 12 van het MLI staat (waar Nederland een voorbehoud op heeft gemaakt). Zou het dan niet consistent zijn met het verdragsbeleid om artikel 3, achtste lid van de Wet Vpb 1969 niet in te voeren? Waarom is er niet voor gekozen om een koppeling te maken van het vaste inrichtingsbegrip aan artikel 5 OESO Modelverdrag?

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering de tijdens de behandeling in de Tweede Kamer nog niet beantwoorde vraag 39 van de NOB over de aanpassing van de definitie van de vaste inrichting in het kader van het MLI11 alsnog te beantwoorden.

7. Herzien van de earningsstrippingbeschikking

Kan de regering beter argumenteren op basis van welke ervaringen de earningstrippingmaatregel wordt aangepast, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Hoe komt dit tegemoet aan de belangen van belastingplichtigen en de controlefunctie van de Belastingdienst?

8. Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat de wens in het regeerakkoord om burgers te laten kiezen voor elektronische communicatie of voor communicatie per post, leidt tot het invoeren van een wettelijke keuzeregeling. Deze regeling corrigeert de nu geldende hoofdregel van digitale verzending. Dat komt kwetsbare groepen met gebrekkige digitale vaardigheden ten goede. Heeft de Belastingdienst een helder beeld van de omvang en samenstelling van de groep die liever per post communiceert?

De leden van de ChristenUnie-fractie willen benadrukken dat burgers die voor de papieren optie kiezen in principe even snel en accuraat geholpen dienen te worden door de Belastingdienst als burgers die kiezen voor de elektronische optie. Is, en zo ja hoe, dit principe geborgd? Hoe robuust gaat in de ogen van de regering de vereiste keuzeregistratie- en verwerkingsvoorziening door de Belastingdienst eruit zien en wanneer moet deze operationeel zijn? Gaat dit lukken, zo vragen deze leden. Hoe wordt de keuzeoptie gecommuniceerd naar de doelgroepen en hoe wordt deze praktisch vormgegeven? Geldt de optie voor alle onderdelen in de communicatieketen tussen overheid en belastingplichtige?

9. Aanpassen belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de erfbelasting

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering de tijdens de behandeling in de Tweede Kamer nog niet beantwoorde vragen 48 tot en met 51 van de NOB over de aanpassing van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de erfbelasting12 alsnog te beantwoorden.

10. Implementatie WLTP-testmethode in de autogerelateerde belastingen

Ten aanzien van de invoering van de nieuwe testmethode WLTP als grondslag van de bpm hanteert de regering het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit. Wat zou de uitkomst geweest zijn indien als uitgangspunt geweest zijn dat de bpm per eenheid CO2 tenminste niet lager zou mogen uitvallen? Kan de regering hier inzicht in geven, zo vragen de leden van GroenLinks-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie nemen er kennis van dat vanaf 2022 de hoogte van de CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s conform de WLTP-methode wordt vastgesteld en niet langer via de NEDC-methode. Is de Belastingdienst klaar voor deze wijziging? Betreft het een technische wijziging of is er sprake van een meer ingrijpende aanpassing? Het gaat hier immers om het bepalen van de hoogte van de CO2-uitstoot van personenauto’s die in het kader van de energietransitie cruciaal is. Onder welke voorwaarden, zo vragen de leden, zullen gemonitorde CO2-uitstooteffecten van het overgaan op de WLTP-testmethode kunnen leiden tot aanpassing van de bpm-tarieven?

11. Verstrekking van de identificerende gegevens door financiële ondernemingen

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de Invorderingswet 1990 wordt voorgesteld om expliciet vast te leggen welke identificerende gegevens van de houder van een bankrekening de Belastingdienst (via het zogenoemde verwijzingsportaal bankgegevens) kan opvragen bij financiële ondernemingen voor het afboeken van een door de Belastingdienst ontvangen betaling op een in te vorderen bedrag. Dit bestendigt de huidige praktijk13. Huidige praktijk is ook dat de Belastingdienst met een beroep op artikel 53 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen alle gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn, kan opvragen. En dat in de praktijk steeds vaker doet en daarmee een steeds groter beslag legt op de capaciteit van de organisaties waar een beroep op wordt gedaan.

Daarbovenop komen de bepalingen van het wetsvoorstel DAC6, die maken dat veel financiële ondernemingen als (hulp)intermediair zullen worden aangemerkt, waardoor de verwachting gerechtvaardigd is dat financiële ondernemingen uit eigen beweging uit voorzorg en uit eigen belang (vanwege hoge strafmaat) alle transacties zullen melden die voorbij komen.

Is er een effectiviteitsonderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin de Belastingdienst gebruik maakt van «derden-informatie»? Hoe effectief is een overload aan informatie voor de Belastingdienst? Is «Big Brother» werkelijkheid geworden? En hoe wenselijk is een «Big Brother-maatschappij» uit maatschappelijk oogpunt? Of moeten we in dit opzicht blij zijn met een matig presterende Belastingdienst, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

12. Wijzigingen Belastingwet BES en Douane- en accijnswet BES

Invoeren factuurplicht BCN

De regering wil een factureringsplicht invoeren in Caribisch Nederland, dit ter controle bij de inkomstenbelasting en de algemene bestedingsbelasting door de Belastingdienst Caribisch Nederland. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben behoefte aan een korte beschouwing over de uitvoerbaarheid en culturele acceptatie van deze factureringsplicht. Gaat dit werken? Hoe raakt dit een eilandelijke economie waar informele transacties gebruikelijk zijn?

13. Overig

Kan de regering, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie, aangeven in welke mate dit wetsvoorstel voldoet aan de Hoekstra-motie14: het tegengaan van het opnemen van uiteenlopende wetsvoorstellen in één wetstekst? Is deze motie bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel door de regering getoetst?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de reactie van de regering – uiterlijk vrijdag 29 november 2019 – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Frentrop

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling: Essers (CDA), Koffeman (PvdD), Backer (D66), Ester (CU), Faber-van de Klashorst (PVV), Van Apeldoorn (SP), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), N.J.J. van Kesteren (CDA), Schalk (SGP), Van Rooijen (50PLUS), Wever (VVD), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), (voorzitter), Geerdink (VVD), Gerbrandy (OSF), Van Huffelen (D66), Karimi (GL), (ondervoorzitter), Van der Linden (FVD), Otten (Fractie-Otten), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL) en Van Wely (FVD).

X Noot
2

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 303, nr. 2.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 303, nr. 3, blz. 3–8.

X Noot
4

Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. «Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020, artikel 67r Algemene wet inzake rijksbelastingen; openbaarmaking vergrijpboetes en toepassing van de medeplegersboete». 14 november 2019

X Noot
5

Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commissie Wetsvoorstellen. «NOB-commentaar Pakket Belastingplan 2020». 4 oktober 2019, blz. 20.

X Noot
6

Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commissie Wetsvoorstellen. «NOB-commentaar Pakket Belastingplan 2020». 4 oktober 2019, blz. 17–18.

X Noot
7

Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commissie Wetsvoorstellen. «Commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op de nota’s van wijziging bij het Pakket Belastingplan 2020». 25 oktober 2019, blz. 6

X Noot
8

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 303, nr. 2, blz. 15.

X Noot
9

Kamerstukken II, 2018–2019, 34 853 (R2096), nr. 8.

X Noot
10

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 303, nr. 6, blz. 16–17.

X Noot
11

Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commissie Wetsvoorstellen. «NOB-commentaar Pakket Belastingplan 2020». 4 oktober 2019, blz. 15.

X Noot
12

Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commissie Wetsvoorstellen. «NOB-commentaar Pakket Belastingplan 2020». 4 oktober 2019, blz. 17.

X Noot
13

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 303, nr. 3, blz. 36.

X Noot
14

Kamerstukken I, 2015–2016, 34 300, O.

Naar boven