Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201935007 nr. A

35 007 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs

A VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP1

Vastgesteld 29 januari 2019

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Genoemde leden hebben enkele vragen.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsontwerp 35 007, dat niettegenstaande zijn bescheiden omvang al de nodige aandacht heeft getrokken. Zij willen daarover graag aan de regering nog enige vragen voorleggen.

De leden van de PVV-fractie hebben van het wetsvoorstel kennisgenomen. Zij hebben nog een vraag.

De leden van de fractie van de SP hebben met zorgen kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog vragen aan de regering.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel 35007 dat gaat over een wijziging van de Wet Studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs. De aan het woord zijnde leden hebben nog enkele vragen over dit wetsvoorstel.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van het voorstel de rentemaatstaf voor studieleningen feitelijk te verhogen door een koppeling aan de 10-jaarsrente. Ze hebben daarover enige vragen, mede indachtig de motie die op 10 juli 2018 bij gelegenheid van het debat over de verlaging van het collegegeld door de Eerste Kamer werd aangenomen, waarin de regering werd gevraagd bij de toelichting op toekomstig voor te hangen AMvB's te streven naar op onderzoek gebaseerde argumentaties – waarbij uiteraard voor wetsvoorstellen hetzelfde geldt – en de eisen die de Comptabiliteitswet stelt aan wetgeving.2

2. Hoofdlijnen van het voorstel

De leden van de VVD-fractie hebben er kennis van genomen dat dit wetsvoorstel is gebaseerd op de maatregel uit het regeerakkoord om de rente op studieleningen onder het studievoorschot te baseren op de 10-jaarsrente in plaats van op de 5-jaarsrente. Dit heeft tot doel de financiële houdbaarheid van het stelsel te verbeteren. In het algemeen zal in een normale «yield-curve» het 10-jaarstarief structureel hoger liggen dan het 5-jaarstarief, om het langer uitlenen te belonen en om het inflatierisico te compenseren. Er zijn historisch echter omstandigheden waarin de yield-curve inverteert, zodat het 10-jaarstarief onder het 5-jaarstarief daalt. Dit kan bijvoorbeeld optreden wanneer er door bepaalde oorzaken veel belangstelling ontstaat voor langetermijncontracten of wanneer centrale banken de kortetermijnrente verhogen. In dat geval, dus wanneer de 10-jaarsrente lager is dan de 5-jaarsrente, kan de voorgestelde overgang naar een 10-jaarstarief leiden tot een saldoverslechtering voor de overheid ten opzichte van het basispad bij ongewijzigd beleid. Het gestelde doel van deze wetswijziging, te weten verbetering van de financiële houdbaarheid van het stelsel, wordt dan niet bereikt, hetgeen raakt aan de doelmatigheid ervan. Kan de regering dit bevestigen? Hoe apprecieert de regering dit risico? Is het verdisconteerd in de effectberekening van dit wetsvoorstel, te weten een structurele gemiddelde opbrengst van 226 miljoen euro?

De regering stelt in dit wetsvoorstel de rente bij om het renteverlies dat zij op de leningen lijdt te beperken. Wat is naar verwachting de gemiddelde looptijd van de leningen? Heeft de regering overwogen het rentetarief te koppelen aan het reële tarief van genoemde gemiddelde looptijd van de leningen en zo ja of nee, waarom? Hoeveel marge zit er naar verwachting tussen het beoogde 10-jaarstarief en het tarief passend bij de reële looptijd van de leningen, uitgedrukt in procentpunt en nominaal in euro’s?

Nu de studenten een rente gaan betalen die dichter ligt bij de reële kostprijs van de lening wordt opnieuw de vraag actueel in hoeverre studenten ook zelf invloed kunnen uitoefenen op de kostprijs van de studie. Kan de regering hier inzicht in geven? Hoe ontwikkelt zich de medezeggenschap met betrekking tot de instellingsbegrotingen in het hoger onderwijs inmiddels in de praktijk, na de laatste (wets)wijzigingen ter zake?

De leden van de D66-fractie begrijpen dat het wetsontwerp geïnspireerd is door overwegingen van algemene lange termijn houdbaarheid van overheidsfinanciën, en zouden vanuit dat perspectief graag nader geïnformeerd willen worden over de resterende onzekerheden rond de financiële opbrengsten van het voorstel onder verschillende rentescenario’s, en over de wijze waarop die in het voorstel zijn verwerkt. Zij begrijpen dat het wetsontwerp daarnaast beoogt een einde te maken aan een onbedoelde rentesubsidie die vanwege de rijksoverheid verstrekt zou worden aan de lenende studenten, en zouden graag geïnformeerd willen worden over de omvang en berekeningswijze van deze rentesubsidie. Is voorzien dat de renteverhoging de neiging tot lenen bij studenten zal doen afnemen? Hoe zal de onder dit wetsontwerp voorspelde rentelast voor afbetalenden zich nu gaan verhouden tot wat ooit bij de invoering van het leenstelsel werd voorzien? Destijds bij studenten gewekte verwachtingen van continuïteit worden nu niet gehonoreerd. Is de houdbaarheid van het leenstelsel achteraf onjuist ingeschat? Hoe beoordeelt de regering verwijten van onbetrouwbaar overheidsgedrag?

Waar het gaat om de effecten van de bepleite maatregel, weegt voor de leden van de fractie van D66 het mogelijke effect op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs het zwaarst. Deze leden onderschrijven de hoge prioriteit die de Minister aan dat onderwerp toekent en vernemen gaarne waarop het vertrouwen is gebaseerd dat deze toegankelijkheid niet in het geding zal komen, ook niet als de rente in de verdere toekomst tot thans onvoorziene hoogte zou stijgen. Welke rol speelt de (in het kader van dit voorstel te verhogen) aanvullende beurs daar nu en straks bij? Ligt aan het vertrouwen ook prospectief onderzoek ten grondslag? Kan de regering toezeggen de feitelijke ontwikkeling op dit terrein kritisch te zullen volgen en daarover aan de Kamer te rapporteren? Welke aanpak stelt zij zich daarbij voor?

De leden van de fractie van D66 zouden graag nader geïnformeerd willen worden over (het spectrum van) de mogelijke inkomenseffecten van de beoogde maatregelen. Klopt de berichtgeving dat het hier onder alle omstandigheden nooit meer zal betreffen dan een extra last van € 12 per maand? Zo nee, hoe valt de onzekerheid naar boven dan te kwantificeren? Welke aannamen gaan daarachter schuil? Kan de regering aangeven in welke zin en in welke mate de beoogde maatregelen een nivellerend effect zullen hebben en lage inkomens ongemoeid zullen laten? In welke mate wordt het negatieve inkomenseffect van de renteverhoging gecompenseerd door het positieve inkomenseffect van de eerder gegunde collegegeldverlaging?

De leden van de fractie van D66 zouden ook graag nader geïnformeerd willen worden over het effect dat de beoogde maatregel zal hebben voor de positie van de afbetalenden op de woningmarkt. Kan de regering aanduiden wat het ingeschatte effect is op de maximale hypothecaire lening waarop verschillende inkomensgroepen van afbetalenden een beroep zullen kunnen doen, en hoe dat zich verhoudt tot hun huidige perspectief? Hoe zal de aangepaste wegingsfactor voor hypotheken hierin doorwerken? Zouden de participanten in het huidige systeem van dat laatste ook nog kunnen gaan profiteren? En wat is de reden dat de studieschuld – als risicofactor voor afbetalenden – wel doorwerkt in hun hypothecaire leencapaciteit en toch voor deze groep buiten het BKR wordt gehouden?

Ten slotte zouden de leden van de fractie van D66 graag vernemen hoe de regering inmiddels de schuldinvordering bij buitenlandse studenten beoordeelt. Om welke aantallen, om welke bedragen en om welke risico’s zou het daarbij (kunnen) gaan?

Het beoogde wetsvoorstel, waarbij de rentemaatstaf aangepast zal gaan worden, dient om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren, zo lezen de leden van de PVV-fractie. De opbrengst van deze maatregel zou structureel € 226 miljoen gaan bedragen voor verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs. In tegenstelling tot wat in 2015 bij de invoering van het leenstelsel werd beloofd wordt de rente op studieschuld toch verhoogd, en heeft de besparing die is geïnvesteerd in het onderwijs niet tot een verbetering van de onderwijskwaliteit geleid. Van de beloofde «voorinvesteringen» is helaas niet veel terecht gekomen (rapport Algemene Rekenkamer). Het wetsvoorstel heeft ook gevolgen voor met name starters op de woningmarkt met een aanzienlijke studieschuld. Afgestudeerden krijgen namelijk sinds het ingevoerde leenstelsel en de voorgenomen wijziging van de rentemaatstaf, als starter op de woningmarkt, te maken met minder kansen en problemen bij het afsluiten van een hypotheek. De wetswijziging schiet daarmee z’n doel voorbij. Is de regering het daarmee eens? En zo nee, waarom niet?

Het zal geen geheim zijn dat de leden van de SP-fractie geen voorstander zijn van het leenstelsel. Zij hebben met grote zorg toegezien hoe een relatief goed werkend systeem ten grave werd gedragen in ruil voor verbeteringen in het onderwijs. Aan het laatste schort het. Inmiddels is ook weer op de lumpsum bezuinigd en verlopen de investeringen moeizaam. De inspraak van studenten is nog steeds niet goed geregeld en deze leden moeten helaas constateren dat de doorstroming van het MBO naar het HBO stokt. Het hoger onderwijs heeft te kampen met hoge werkdruk, te grote werkgroepen, overvolle studentenzalen, studenten die met stoom en kokend water door de drie jaar worden geloodst, en het lijkt er niet op dat het de afgelopen drie jaar beter is gegaan in het hoger onderwijs.

In plaats van dat er vanuit de regering hard gewerkt wordt om de afspraken, waar de Senaat zo op heeft gehamerd, tot stand te doen komen, komt zij met het voorstel om de rente te verhogen.

Opnieuw vragen de leden van de fractie van de SP om een financiële bijsluiter, omdat dit een risicovol product is. Immers, de overheid kan zo de voorwaarden wijzigen waaronder de lening is uitgegeven. En als het dan niet geldt voor de lopende leningen, kan het wel degelijk effect hebben voor een loopbaan van een student. Deze leden wijzen op het feit dat MBO’ers die doorstromen vervolgens met het nieuwe regime geconfronteerd worden. Is de regering bereid bij dit product een bijsluiter te doen? Immers, geld lenen kost geld.

Een andere zorgelijke ontwikkeling steekt ook steeds vaker de kop op: overwerkte studenten. 75% van de studenten voelt zich emotioneel uitgeput. Studenten met een burn-out hebben een groter risico op suïcide en overigens ook opnieuw op een burn-out en dan zijn deze jonge mensen nog niet eens begonnen met stappen op de arbeidsmarkt en afbetalen. Het RIVM stelt dat zorgen over de financiën een onderdeel van de oorzaak zijn van deze werkdruk en de psychische belastingen van de studenten. Hoe weegt de regering deze ontwikkeling en de constatering van het RIVM-onderzoek?

De leden van de SP-fractie willen nu ingaan op het voorstel. Wat betreft de houdbaarheid lezen zij in de beantwoording op vragen dat het stelsel niet onhoudbaar is of dat dreigt te worden. De reden voor deze maatregel is dat de houdbaarheid wordt verbeterd. Kan de regering aangeven welk onderzoek of welke analyse aan de noodzaak tot het verhogen van de rente ten grondslag ligt? Een dergelijke ingrijpende wijziging van beleid vraagt om een goede onderbouwing. Graag ontvangen de leden van de SP-fractie deze onderzoeken en/of analyses. De regering geeft in de behandeling in de Tweede Kamer aan dat er nu niets mis is met het systeem van studielening; deze voorstellen zijn voor als het op lange termijn fout gaat. De leden van de SP-fractie vragen de regering welk probleem hier opgelost wordt.

De opbrengst van de voorgestelde maatregel zou € 226 miljoen moeten zijn. De regering baseert deze 226 miljoen op een complexe rekensom. In de eerste plaats baseert zij het op het aantal studenten in het hoger onderwijs dat geraamd wordt tot 2060. De leden van de fractie van de SP willen graag weten hoe hard deze aannames zijn. Welke onzekerheidsmarges zijn hierin meegenomen? Hoe realistisch is het om zover vooruit berekeningen te maken? Ook gaat de regering ervan uit dat de gemiddelde studieschuld bij afstuderen 21.000 euro is. Maar in de schriftelijke beantwoording in de Tweede Kamer spreekt de Minister al van 21.500 euro, door de renteverhoging. Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een toelichting op deze discrepantie.

Met deze berekening komt de regering op een totale studieschuld van 33,5 miljard in 2060. Om te zien wat het wetsvoorstel gaat opleveren maakt de regering een inschatting voor het verschil tussen 5-jaarsobligaties en 10-jaarsobligaties. De regering gaat hierbij uit van een rentepercentage van 0,75%, wat het gemiddelde van de afgelopen 10 jaar is. Dan is de rekensom: 0,75% van 33,5 miljard = 261,3 miljoen. Dan gaat de regering er nog van uit dat slechts 86,4% van de studenten daadwerkelijk gaat afbetalen en kom je op 86,4% van 261,3 miljoen = 226 miljoen. Welke maatregelen zijn voorzien wanneer de rekenrente anders uitvalt in werkelijkheid? Dat kan ten voordeel maar ook ten nadeel zijn. Dat is niet ondenkbaar. Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een reactie van de regering.

De regering stelt ook dat aanpassing van de rente nodig is omdat er sprake zou zijn van «rentesubsidie». Zij wijst erop dat de rente die de overheid over de staatsschuld betaalt hoger is dan de 5-jaarsrente die studenten betalen. De leden van de fractie van de SP willen graag weten hoe groot dat verschil is.

Deze leden wijzen er echter op dat het huidige leenstelsel pas 4 jaar bestaat. Het is dan ook logisch om te kijken hoeveel de overheid betaalt voor leningen sinds 2015 en komende jaren. Uit de cijfers van de afgelopen jaren blijkt dat inderdaad een beperkte rentesubsidie plaatsvindt. De overheid leent dit jaar geld voor een gemiddelde rente van 6,3-jaarsobligaties, en leent dit door aan studenten tegen 5-jaarsrente. Als volgend jaar de 10-jaarsrente ingaat, betekent dat echter dat de overheid in 2019 goedkoper geld leent dan ze doorleent aan studenten. In theorie zou de overheid dan geld verdienen aan het leenstelsel. Erkent de regering dat dit effect zou kunnen plaatsvinden? Wat is haar visie hierop?

De leden van de fractie van de SP willen graag weten wat de verschillende inkomensgroepen gaan betalen aan extra kosten door dit stelsel. Want 12 euro extra per maand is een gemiddelde. Het klopt toch dat iemand met een modaal inkomen (37.000 euro) en een studieschuld van 11.000 euro in totaal 2.500 euro aan rente betaalt? Dat is bijna 23% meer. Een inkomen van 42.000 euro en een studieschuld van 16.000 euro en de student betaalt 4.200 euro meer, zelfs 28% meer. Vindt de regering het niet zorgelijk dat zulke grote verschillen zichtbaar zijn? Hoe weegt zij deze conclusie? En hoe weegt zij dit in het licht van het feit dat nu al de doorstroming van het MBO naar het HBO is gezakt? We zien dat met name MBO’ers uit gezinnen met middeninkomens achterblijven. Heeft de regering gekeken naar de effecten van de renteverhoging op de doorstroming? Zo nee, is zij bereid dit alsnog te doen? Wil zij dan ook kijken naar de effecten van het feit dat MBO’ers die nu nog onder de 5-jaarsrente studeren, bij doorstroming naar de 10-jaarsrente gaan?

De regering heeft, zo lezen de leden van de PvdA-fractie, in de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer aangegeven dat zij niet van mening is dat het studiefinancieringsstelsel onhoudbaar is. Het verhogen van de rentemaatstaf moet bijdragen aan de financiële houdbaarheid van de overheidsfinanciën in den brede en op langere termijn. Dit wetsvoorstel komt op een moment dat het economisch goed gaat in Nederland en er in Nederland in 2018 een kasoverschot was van 7,2 miljard euro. De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering toe te lichten wat de noodzaak is om op dit moment de rentemaatstaf aan te passen.

Bij de invoering van het studievoorschot heeft de regering toegezegd de vrijgevallen middelen te benutten voor een kwaliteitsimpuls in het hoger onderwijs. Het lijkt erop dat met dit wetsvoorstel de koppeling verbroken wordt tussen het introduceren van het studievoorschot en het investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. In de memorie van toelichting wordt met geen woord gerept over deze relatie. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de regering de relatie tussen het studievoorschot en de kwaliteit van het hoger onderwijs heeft losgelaten. Klopt het dat enkel financiële motieven vanaf nu leidend zijn voor de inrichting van het studiefinancieringsstelsel?

De regering is van oordeel dat ondanks de wijziging van de rentemaatstaf het stelsel toegankelijk blijft voor iedereen omdat de leenmogelijkheden tijdens de studie voor iedereen beschikbaar blijven en de sociale voorwaarden waarborgen dat studenten ook in de toekomst alleen bij voldoende inkomen een deel van dat inkomen hoeven te besteden aan het aflossen. Feit is dat door het hanteren van de 10-jaarsrentemaatstaf de terug te betalen bedragen voor oud-studenten hoger uit kunnen vallen. Of het hoger onderwijs feitelijk toegankelijk is, hangt af van de invloed van het voorliggende wetsvoorstel op de houding en het gedrag van de potentiële en huidige studenten en hun ouders. De regering heeft in een brief op 29 juni jl. de aanbevelingen van het rapport Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid overgenomen en toegezegd bij nieuwe wetsvoorstellen te onderzoeken wat het effect van een wetsvoorstel is op het doenvermogen van degenen die met het wetsvoorstel te maken krijgen.3 In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer (p. 10) geeft de regering aan dat de gedragseffecten niet zijn onderzocht. Kan de regering aangeven waarom zij – ondanks de voornoemde toezegging aan de Eerste Kamer – niet onderzocht heeft wat de potentiële gedragseffecten van de wijziging van de rentemaatstaf zijn voor studenten en hun ouders?

De regering verwijst in de voornoemde nota naar aanleiding van het verslag naar een onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat de geneigdheid van jongeren om te gaan studeren samenhangt met de hoogte van het inkomen van de ouders.4 Kan de regering zich voorstellen dat het zo snel invoeren van de 10-jaarsmaatstaf na de invoering van de 5-jaarsmaatstaf juist een negatief effect kan hebben op de geneigdheid van potentiële studenten met ouders met een laag inkomen om te gaan studeren en hun vertrouwen in de stabiliteit van de voorwaarden die de overheid aan studenten stelt? Zo ja, wat gaat de regering ondernemen om te voorkomen dat juist deze jongeren afzien van een studie in het hoger onderwijs? Zo nee, waarom niet?

Een groot deel van de afgestudeerde MBO’ers die doorstromen naar het HBO haakt gedurende de studie af en heeft dan wel een studieschuld opgebouwd die afgelost moet worden. Het merendeel van hen stopt in het eerste studiejaar.5 Denkbaar is dat juist deze jongeren af gaan zien van een vervolgstudie in het hoger onderwijs nu de rentemaatstaf verhoogd wordt. Welke maatregelen gaat de regering nemen gericht op deze doelgroep?

De regering geeft in antwoord op vragen van leden van de Tweede Kamer aan dat de communicatie over de leenmogelijkheden voor studenten niet optimaal is. Opvallend is dat daar waar er vragen in de Tweede Kamer worden gesteld over de voorlichting de regering verwijst naar de website en medewerkers van DUO. Dit is in lijn met de huidige communicatie tussen de rijksoverheid en de studenten over wijzigingen in het hoger onderwijs. Op welke wijze wordt op deze manier de verbetering in de communicatie over de leenmogelijkheden gerealiseerd, zo vragen de aan het woord zijnde leden de regering. Wat gaat de regering nog meer doen om ouders en jongeren die vanwege de potentiële studieschuld twijfelen of studeren een gewenste optie is, adequaat te ondersteunen in hun keuze?

De regering gebruikt in haar argumentatie regelmatig het begrip «rentesubsidie», zo constateren de leden van de GroenLinks-fractie. Omdat dit in de discussie over het studievoorschot geen rol heeft gespeeld, vragen deze leden waar de regering deze term vandaan haalt. Klopt het dat de term zowel in Nederland als in Europa meestal geen negatieve connotatie heeft maar gezien wordt als een bewust beleidsinstrument om bepaalde gewenste ontwikkelingen te stimuleren? Gebruikt de regering het in dit kader op dezelfde wijze? Zo ja, waarom wordt er dan een poging gedaan de rentesubsidie te verminderen? Zo nee, zijn er meer voorbeelden van het gebruik van de term als zijnde een ongewenst financieel effect?

Uit de behandeling in de Tweede Kamer blijkt dat het huidige stelsel door de regering als financieel houdbaar wordt gezien, dat er geen onderzoek of bevindingen van onafhankelijke partijen aan het voorstel ten grondslag liggen, en dat de zogenoemde rentesubsidie niet te kwantificeren is. Kan de regering tegen die achtergrond inzichtelijk maken waarom zij ondanks dit totale gebrek aan onderbouwing toch van mening is dat dit voorstel nodig is om een maatschappelijk probleem op te lossen?

Bij de invoering van het studievoorschot is nadrukkelijk afgesproken dat de opbrengsten daarvan gebruikt zouden worden voor het verbeteren van de onderwijskwaliteit. Waarom worden de hier beoogde extra renteopbrengsten daar dan niet voor ingezet?

Uit de monitoring van studenteninstroom en uit de kwalitatieve rapportage over het verlagen van het collegegeld blijken geen generieke effecten (zoals bij het laatste te verwachten was ondanks de mooie woorden van de regering) op te treden maar wel blijkt met name de doorstroom MBO-HBO een punt van zorg te zijn. Hoe kan de regering dan bij dit wetsvoorstel alle zorg over precies die doorstroming negeren, terwijl die voor deze groep wel gerelateerd is aan financiële argumenten?

De commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet met belangstelling uit naar de memorie van antwoord en ontvangt deze graag binnen vier weken na vaststelling van dit voorlopig verslag.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Vries-Leggedoor

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman


X Noot
1

Samenstelling: Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), De Vries-Leggedoor (CDA), (voorzitter), Ganzevoort (GL), Martens (CDA), Van Strien (PVV), P. van Dijk (PVV), Bruijn (VVD), Gerkens (SP), Van Apeldoorn (SP), Atsma (CDA), Van Hattem (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), Köhler (SP), Nooren (PvdA), Pijlman (D66), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Schnabel (D66), (vice-voorzitter), Bikker (CU), Klip-Martin (VVD), Sini (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV) en Van Zandbrink (PvdA).

X Noot
2

Kamerstukken I 2017/18, 34 911, G.

X Noot
3

Kamerstukken I 2017/18, 34 775, AE.

X Noot
4

Inspectie van het Onderwijs. Ministerie van Onderwijs, cultuur en wetenschap. In- en doorstroommonitor 2008–2017. Toegang van studenten in het hoger onderwijs: wie wel en wie niet? Juni 2018.

X Noot
5

CBS 7-7-2017. Zo stopt 33% van de mbo’ers en 22% van de havisten in het eerste jaar en is na 6 jaar 33% van de mbo’ers en 22% van de havisten gestopt.