Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2018-2019
Kamerstuk 35000-XV nr. 2

Gepubliceerd op 18 september 2018 15:16



35 000 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2019

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

       

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

4

       
 

2.

BELEIDSAGENDA

8

 

2.1

Beleidsprioriteiten

8

 

2.2

Budgettaire ontwikkeling Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

24

 

2.3

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

29

 

2.4

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

31

 

2.5

Overzicht van risicoregelingen

32

       
 

3.

BELEIDSARTIKELEN

34

   

Artikel 1 Arbeidsmarkt

34

   

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

47

   

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

64

   

Artikel 4 Jonggehandicapten

73

   

Artikel 5 Werkloosheid

79

   

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

87

   

Artikel 7 Kinderopvang

95

   

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

104

   

Artikel 9 Nabestaanden

113

   

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

118

   

Artikel 11 Uitvoering

123

   

Artikel 12 Rijksbijdragen

130

   

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

133

       
 

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

141

   

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

141

   

Artikel 98 Algemeen

145

   

Artikel 99 Nog onverdeeld

147

       
 

5.

DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

148

 

5.1

Sociale fondsen SZW

148

 

5.2

Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

152

 

5.3

Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden

177

       
 

6.

BIJLAGEN

178

   

Bijlage 6.1 Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen

178

   

Bijlage 6.2 Verdiepingsbijlage

180

   

Bijlage 6.3 Moties en toezeggingen

207

   

Bijlage 6.4 Subsidieoverzicht

243

   

Bijlage 6.5 Evaluatie- en overig onderzoek

246

   

Bijlage 6.6 Lijst van afkortingen

265

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het jaar 2019 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2019. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2019.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

B. BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1: LEESWIJZER

Opbouw begroting

De begroting van SZW is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV), die zijn gestoeld op de Comptabiliteitswet 2016. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 5 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 6 de bijlagen.

Beleidsagenda

In de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW in de huidige kabinetsperiode beschreven. In de daarop volgende paragrafen wordt ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven die onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid vallen en zijn enkele ingevolge de RBV verplichte tabellen opgenomen en toegelicht.

Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2019 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zes van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie er voor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2019 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2019 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat drie niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven en de middelen die niet rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden gekoppeld.

Departementspecifieke informatie

Voor de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomensaspecten» zijn geen RBV-modellen voorgeschreven. De horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden bevat een interdepartementaal overzicht van doelstellingen op dit beleidsterrein en is op de RBV gebaseerd, hoewel voor deze bijlage geen model is voorgeschreven.

Bijlagen

De begroting van SZW bevat zes bijlagen. De eerste vijf van deze bijlagen zijn op basis van de RBV verplicht. Deze bijlagen betreffen de Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en de Zelfstandige Bestuursorganen, de Verdiepingsbijlage, de bijlage Moties en Toezeggingen, het Subsidieoverzicht en het overzicht Evaluaties en Overig Onderzoek. De lijst van afkortingen is niet verplicht.

Duurzame Ontwikkelingsdoelen

Het kabinet heeft zich verbonden aan het behalen van de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in 2030. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking coördineert de Nederlandse inzet op de SDG’s. In deze begroting is het daarvoor noodzakelijke beleid opgenomen voor wat betreft het domein van SZW. Het gaat met name om doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding, gendergelijkheid, goede banen en het verminderen van ongelijkheid.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. Hij is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid) en in de verdiepingsbijlage wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De analyse in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid komt inhoudelijk in belangrijke mate overeen met de in de RBV voor de beleidsagenda voorgeschreven overzichtstabel van belangrijke beleidsmutaties. Laatstgenoemde tabel is daarom niet in de begroting 2019 van SZW opgenomen.

Comptabiliteitswet 2016

Groeiparagraaf

Per 1 januari 2018 is de nieuwe Comptabiliteitswet 2016 ingegaan. De Comptabiliteitswet is uitgewerkt in de RBV 2018, waar deze begroting op stoelt.

Nieuwe kerncijfers over re-integratie UWV

De Minister heeft tijdens het wetgevingsoverleg over het Jaarverslag 2017 toegezegd om te bezien hoe de informatie in begroting en jaarverslag over re-integratie door het UWV kan worden verbeterd. Vanaf deze begroting staat er een tabel in de beleidsprioriteiten over re-integratie-inspanningen door het UWV. Artikel 3 «Arbeidsongeschiktheid» presenteert tevens een extracomptabele tabel met de verdeling van de re-integratiemiddelen bij het UWV over begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde middelen.

Gewijzigde kerncijfers in de beleidsprioriteiten

Met ingang van deze begroting staan enkele tabellen met kerncijfers niet meer in de beleidsprioriteiten, maar in de beleidsartikelen. De paragraaf beleidsprioriteiten kan op deze wijze gerichter en leesbaarder worden gemaakt, zonder dat informatie verloren gaat. De volgende tabellen zijn verplaatst:

  • «Werkloosheid», naar artikel 1 – Arbeidsmarkt;

  • «Re-integratie gemeenten» naar artikel 2 – Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet;

  • «Netto arbeidsparticipatie van ouders», naar artikel 7 – Kinderopvang;

  • «Gewerkte uren van moeders en vrouwen», naar artikel 7 – Kinderopvang.

De kerncijfers over de sectorplannen vervallen. Het Ministerie van SZW blijft over de sectorplannen rapporteren door middel van voortgangsbrieven aan de Kamer. Tevens vervallen de kerncijfers «Beloningverschillen tussen mannen en vrouwen» omdat de meest recente beschikbare cijfers uit 2014 zijn. Na Prinsjesdag publiceert het CBS de cijfers over 2016. Alle overige tabellen blijven in de paragraaf beleidsprioriteiten gehandhaafd, waarvan een deel in de vorm van grafieken.

SZA-kader wordt Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De startnota bij het regeerakkoord bepaalt dat het SZA-kader vervalt en plaatsmaakt voor het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid (SZ). De feitelijke ontwikkeling van de sociale zekerheidsuitgaven wordt in de komende jaren getoetst aan de hand van dit plafond. De regelingen die onder het SZA-kader vielen, vallen ook onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid (SZ). Daarnaast vallen nu ook de regelingen in de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid. Het gaat om het Lage-inkomensvoordeel (LIV), de Loonkostenvoordelen (LKV) en het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV). De uitgaven onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid komen aan bod in paragraaf 2.2.

Andere presentatiewijze van koopkracht- en inkomensontwikkeling

De presentatie van de koopkracht- en inkomensontwikkeling is sinds deze begroting anders dan voorheen. De wijziging is het resultaat van overleg tussen het CPB en de ministeries van SZW, Financiën en EZK. In de paragraaf over koopkracht en specifieke inkomensaspecten (5.2) staan nu zogenoemde boxplots in plaats van de tabel met enkel mediane koopkrachtontwikkeling. De presentatie van de koopkrachtontwikkelingen sluit aan bij die van het CPB. Uitgebreide uitleg over de wijzigingen is te vinden in het tekstkader in paragraaf 5.2.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet is in artikel 3.2 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid». De Staatssecretaris wordt hier niet expliciet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de Comptabiliteitswet niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in de begroting zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. macrobudgetbudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 7 (kinderopvang), 9 (Anw), 10 (tegemoetkoming ouders) en 11 (uitvoeringskosten SVB).

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen (Tweede Kamer, 2010–2011, 21 501-20 nr. 537). Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbevelingen.

HOOFDSTUK 2: BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten: naar een arbeidsmarkt met kansen voor iedereen

Na jaren van crisis groeit de Nederlandse economie in een stevig tempo. De positieve economische ontwikkelingen van de laatste jaren zijn duidelijk zichtbaar op de arbeidsmarkt. De werkgelegenheid stijgt, het aantal openstaande vacatures neemt toe. De werkloosheid daalt in 2019 tot 3,4 procent van de beroepsbevolking, dit is het laagste niveau sinds 2001. De contractloonstijging loopt op. Werknemers krijgen vaker een bonus of een hogere schaal en wisselen vaker van baan. Sinds 2017 neemt ook het aantal vaste contracten weer toe. In het tweede kwartaal van 2018 zijn er 159.000 meer werknemers met een vaste arbeidsrelatie dan een jaar eerder, een groei van 3,1 procent. Sinds 2014 merken huishoudens langzaam maar zeker het herstel. Het consumentenvertrouwen neemt toe, net als het vertrouwen in elkaar.

In steeds meer sectoren is sprake van krapte op de arbeidsmarkt. De spanning op de arbeidsmarkt is verder toegenomen. Inmiddels geeft bijna één op de vijf bedrijven aan dat ze in hun activiteiten belemmerd worden door een tekort aan personeel. Dit is een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. De personeelskrapte in sommige sectoren en het feit dat er tegelijk grote groepen mensen langs de kant staan of minder uren werken dan zij willen duidt op een mismatch op de arbeidsmarkt. Het is belangrijk dat werkgevers en werkzoekenden op de arbeidsmarkt elkaar gemakkelijk en snel vinden, zeker omdat de tekorten in sectoren als het onderwijs, de zorg en de techniek waarschijnlijk nog verder gaan oplopen. Het actieplan krapte beschrijft de aanpak van het kabinet, die zich richt op het verbeteren van de structuur van de arbeidsmarkt. Krapte is namelijk niet alleen een tijdelijk gevolg van de aantrekkende economie. Juist nu het zo goed gaat, worden de structurele onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt en de uitdagingen op langere termijn extra zichtbaar. Het kabinet pakt deze uitdagingen graag samen met werkgevers en werknemers op.

De koopkracht groeit in 2019. De meeste Nederlanders, 96 procent, gaan er volgend jaar volgens de ramingen in koopkracht op vooruit. Het kabinet heeft met het regeerakkoord ingezet op het meer lonend maken van werk door belastingmaatregelen die vanaf 2019 ingaan. Het betreft onder meer de invoering van een tweeschijvenstelsel in box 1 en een verhoging van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Hierdoor houden huishoudens meer geld over van elke euro die ze verdienen. Ook leidt de krapte op de arbeidsmarkt de komende periode tot hogere lonen. De koopkracht van werkenden groeit volgend jaar met 1,6 procent het sterkst, maar ook gepensioneerden (1,5 procent) en uitkeringsgerechtigden (0,9 procent) gaan er meer op vooruit dan in 2018. De mediane statische koopkracht stijgt in 2018 naar verwachting met 0,4 procent en met 1,5 procent in 2019. De Europese Commissie beveelt Nederland aan om voorwaarden te scheppen voor hogere loongroei.

Nog niet iedereen profiteert mee van het herstel. Het kabinet wil dat alle werkenden het economisch herstel gaan merken in de portemonnee. Werken moet lonen. Ook staan er nog te veel mensen langs de kant. Mensen die mee willen doen maar onvoldoende kansen krijgen, of mensen die het niet helemaal op eigen kracht redden op de arbeidsmarkt. Zoals mensen met een beperking, ouderen, mensen met schulden en mensen met een migratieachtergrond. Het kabinet maakt zich hard voor een inclusieve arbeidsmarkt, waar iedereen kansen krijgt.

De wereld om ons heen verandert en dat vraagt om aanpassingsvermogen.

De samenleving van vandaag is moeilijk te vergelijken met de samenleving van vijftig jaar geleden. De wereld is «kleiner» geworden door digitalisering, informatie gaat sneller, en we merken meer van onrust in de landen om ons heen, bijvoorbeeld door de komst van migranten. Globalisering, technologische ontwikkeling en flexibilisering hebben directe invloed op de samenleving en de arbeidsmarkt. Nieuwe beroepen ontstaan en technologische vooruitgang zorgt ervoor dat we langer leven dan ooit. Dit brengt kansen met zich mee. Tegelijkertijd leidt dit tot het verdwijnen of veranderen van banen en draagt techniek ook bij aan een toegenomen complexiteit waar niet iedereen zich even goed in kan redden. Dit toont de urgentie van een goed werkend stelsel van arbeidsrecht en sociale zekerheid. Om kansen en zekerheid te kunnen bieden in de 21e eeuw zullen niet alleen mensen mee moeten ontwikkelen maar moet ook het beleid worden aangepast. Dit vraagt acties en wetgeving op de korte termijn en een sterke toekomstgerichte agenda om met de onzekere toekomst om te kunnen gaan.

Verandering raakt verschillende groepen in verschillende mate, en dat versterkt scheidslijnen in onze maatschappij. Vrijwel iedereen heeft te maken met de verandering. Sommige groepen profiteren van al die nieuwe ontwikkelingen, anderen kunnen dat tempo niet altijd bijbenen en er zijn mensen die alleen de nadelen ervaren. Een effect is dat de scheidslijnen in de samenleving dieper dreigen te worden en dat daardoor spanningen ontstaan: kansen aan de bovenkant, risico’s aan de onderkant. Het kabinet ziet die ontwikkeling en weet dat niet alles maakbaar is. Maar waar spanningen en tegenstellingen voortkomen uit het gevoel dat mensen in Nederland geen eerlijke kans hebben, of dat de overheid er niet voor alle mensen is, heeft het kabinet een verantwoordelijkheid. Het kabinet wil dat mensen de kans krijgen om scheidslijnen te overbruggen en zet met het regeerakkoord op meerdere terreinen in op het creëren van deze kansen zodat iedereen mee kan doen in een veranderende samenleving. In het onderwijs zet het kabinet in op gelijke kansen door te investeren in vroeg- en voorschoolse educatie en de verbetering van onderwijsachterstanden op scholen. Op de arbeidsmarkt door mensen te helpen zich klaar te maken voor ontwikkelingen van de toekomst door te blijven ontwikkelen, de toegang tot de arbeidsmarkt voor groepen die aan de zijlijn staan makkelijker te maken en om meer werkenden de kans te geven op een contract dat bij hen past.

We staan er goed voor, maar er is ook werk aan de winkel. Juist in deze goede economische tijden moeten we onze arbeidsmarkt moderniseren: stilstand is geen optie. Het kabinet werkt met het regeerakkoord aan kansen voor iedereen met daarbij op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheid twee inhoudelijke hoofdlijnen: 1.) Stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie en 2.) stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving. Hierbij is aandacht voor uitvoering en handhaving essentieel.

2.1.1 Zekerheid en kansen in een nieuwe economie: naar een nieuwe balans

Arbeidsmarkt in balans

We werken naar een arbeidsmarkt die in balans is. De arbeidsmarkt verandert in een vlot tempo. De huidige instituties doen steeds minder wat we van ze verwachten. Vaste werknemers, flexwerkers en zzp-ers zijn onbedoeld concurrenten van elkaar geworden. Een werkgever die fatsoenlijk met zijn werknemers omgaat, ondervindt concurrentienadeel van bedrijven die constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen. Daarom is het belangrijk om nu in te grijpen waar regelgeving onnodig knelt of juist teveel ruimte biedt. Het kabinet heeft een ambitieus programma voor de komende tijd, waarmee het discussies over mismatches die al jaren lopen beslecht en de hoognodige arbeidsmarkthervormingen doorvoert. Voor de uitdagingen op lange termijn wil dit kabinet ook fundamenteler kijken of de verschillende stelsels van het arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit nog aansluiten bij een toekomstbestendige arbeidsmarkt. Daarom stelt het kabinet een onafhankelijke commissie in die zal onderzoeken of ons huidige stelsel nog aansluit op de arbeidsmarkt van de toekomst.

Werkgevers ervaren een drempel bij het geven van vaste contracten, terwijl veel werkenden juist behoefte hebben aan zekerheid. Het economisch herstel is goed te merken op de arbeidsmarkt. De groei van het aantal vaste banen is in de eerste twee kwartalen van 2018 groter dan die van het aantal flexibele banen. Dit is voor het eerst sinds 2009. Het aantal vaste banen hangt echter niet alleen samen met de conjunctuur. Er zijn ook onderliggende problemen. Werkgevers ervaren risico’s bij het aannemen van vast personeel als gevolg van een stapeling van regelingen. Zo ervaren vooral kleine werkgevers de regels rondom ziekte en arbeidsongeschiktheid als risicovol en belastend. Hiermee zijn die regels soms een drempel om vast personeel aan te nemen. Het kabinet wil hier wat aan doen door (kleine) werkgevers te ontlasten op het gebied van ziekte, zonder de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen te laten oplopen. Om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft te nemen slijpt het kabinet ook de scherpe randen van de verplichting tot het betalen van een transitievergoeding. Zo is er in het regeerakkoord geld gereserveerd om de transitievergoeding voor kleine werkgevers te compenseren bij ontslag als gevolg van bedrijfsbeëindiging, pensionering of ziekte. Deze regeling komt bovenop de reeds aangenomen wet waarin de transitievergoeding gecompenseerd kan worden indien een werknemer wordt ontslagen na 2 jaar ziekte.

Met de wet Arbeidsmarkt in Balans wordt het voor werkgevers weer aantrekkelijk om mensen in vaste dienst te nemen. De sleutel voor een evenwichtigere arbeidsmarkt is een gelijktijdige beweging, waarin het minder risicovol wordt om mensen in vaste dienst aan te nemen, maar er ook ruimte is voor flexibiliteit. In het wetsvoorstel Arbeidsmarkt in Balans (WAB) stelt het kabinet een serie maatregelen voor op het terrein van flexibele arbeid, het ontslagrecht en de financiering van de WW. Dit wetsvoorstel gaat in het najaar van 2018 naar de Tweede Kamer. Enerzijds wordt het aantrekkelijker om een vast contract aan te bieden. Daartoe worden de mogelijkheden om een proeftijd aan te gaan verruimd, wordt er een cumulatiegrond toegevoegd aan de redelijke gronden voor ontslag en wordt het verschil in de kosten van ontslag tussen flexibele en vaste contracten verkleind door de opbouw van de transitievergoeding voor vaste en flexibele contracten gelijk te trekken. Bovendien krijgen werkgevers die vaste contracten aanbieden een steuntje in de rug: voor vaste contracten gaan zij een lagere WW-premie afdragen dan voor flexibele contracten. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid voor flexibiliteit uitgebreid. Zo wordt meer ruimte gecreëerd om af te wijken van de ketenbepaling voor terugkerend tijdelijk werk dat ten hoogste gedurende negen maanden in een jaar kan worden verricht. Verder wordt de periode waarna opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd verlengd van twee naar drie jaar. De mogelijkheid voor werkgevers om met oproepcontracten in te kunnen springen op schommelingen in de vraag blijft behouden, maar het kabinet doet wel voorstellen om de positie van oproepkrachten te versterken en om negatieve effecten, zoals permanente beschikbaarheid, te voorkomen. Ten aanzien van payroll behoudt het kabinet het ontzorgende karakter voor werkgevers, maar neemt het ook maatregelen om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen.

Zelfstandige ondernemers leveren een belangrijke bijdrage aan de economie, maar daarnaast pakt het kabinet schijnzelfstandigheid stevig aan. De ontwikkeling richting meer zzp’ers past bij de veranderende arbeidsmarkt. Veel zelfstandigen hebben er bewust voor gekozen om te gaan ondernemen en leveren zo een belangrijke bijdrage aan de samenleving en de economie. Het zzp-schap moet echter wel goed geregeld worden. Het is niet de bedoeling dat mensen zich gedwongen voelen om als zzp’er te werken tegen lage tarieven en er oneerlijke concurrentie ontstaat tussen werkenden. Dit ondermijnt ons systeem van sociale zekerheid en is nadelig voor alle werkenden: werknemers en zelfstandigen. Van belang is dat niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan wordt. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland aan om maatregelen te nemen om de institutionele prikkels te verminderen die leiden tot het werken met tijdelijke contracten en zelfstandigen zonder personeel. De commissie beveelt ook aan om schijnzelfstandigheid aan te pakken en passende sociale bescherming voor zelfstandigen te bevorderen.

Ondernemers en opdrachtgevers hebben behoefte aan meer duidelijkheid en zekerheid. Voor veel zelfstandigen en hun opdrachtgevers is de huidige regelgeving onduidelijk of onnodig ingewikkeld. Duidelijkheid voor zelfstandigen en opdrachtgevers over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking is cruciaal. Daarom komt dit kabinet met maatregelen die meer duidelijkheid geven over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking. Hierbij kan ook aan de bovenkant van de arbeidsmarkt meer zekerheid worden gegeven aan zelfstandige ondernemers die werken tegen een hoog uurtarief. Het maken van nieuwe wetgeving rond zzp is echter geen eenvoudige opgave. De afgelopen maanden is gestart met de uitwerking van maatregelen. Het kabinet is daarin verder gekomen, maar heeft ook nog werk te verrichten. In de kamerbrief Uitwerking maatregelen werken als zelfstandige is aangegeven welke stappen het kabinet de komende periode zet in het wetgevingsproces. Met deze maatregelen pakt het kabinet prangende problemen rondom schijnzelfstandigheid en onzekerheid over een dienstbetrekking aan.

Arbeid en zorg

Het kabinet streeft ernaar dat beide ouders hun werk en de kinderen goed kunnen combineren. Het is belangrijk dat ouders na de geboorte van hun kind tijd met hun gezin door kunnen brengen. Zo maken ouders en kind een betere start. Ook kunnen de taken in en rond het huis vanaf het begin beter en eerlijker verdeeld worden. Deze modernisering op het gebied van arbeid en zorg is hard nodig, ook als we Nederland in een internationaal perspectief bekijken. Door de Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) krijgt de partner van de moeder in het eerste half jaar na de geboorte recht op zes weken geboorteverlof. Ook verlengt het kabinet het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders van vier naar zes weken. Het moet voor ouders niet alleen mogelijk, maar ook normaler worden om langer van geboorteverlof te genieten.

Het kabinet verbetert de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van kinderopvang. Het kabinet verhoogt de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget, om ouders aanvullend te ondersteunen. Het kindgebonden budget voor paren met middeninkomens gaat vanaf 2020 omhoog met bijna € 500 miljoen. Daarnaast verhoogt het kabinet het budget voor de kinderopvangtoeslag met € 248 miljoen per jaar. Ouders die blijven werken of meer gaan werken, zullen zo ook meer geld overhouden. Het budget voor de kinderbijslag gaat vanaf 2019 met structureel € 250 miljoen omhoog. Ook wordt in 2019 verder ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van kinderopvang door onder andere aanpassing van de beroepskrachtkindratio van 1 beroepskracht per 4 baby’s naar 1 beroepskracht per 3 baby’s en de introductie van de pedagogisch beleidsmedewerker. Hiermee zet het kabinet in op de ontwikkeling van kinderen.

Pensioenen

Een goed pensioenstelsel moet passen bij de samenleving en de arbeidsmarkt. Onze samenleving is pluriform en in beweging en hetzelfde geldt voor de arbeidsmarkt. Ons pensioenstelsel moet daarin meebewegen om toekomstbestendig te zijn. We hebben in Nederland een stelsel voor oudedagsvoorziening dat tot de beste ter wereld hoort, en we willen graag dat onze kinderen en kleinkinderen dat ook nog kunnen zeggen. Bij de vernieuwing van het stelsel zal het kabinet de sterke elementen behouden: collectieve uitvoering die zorgt voor lage kosten, risicodeling die levenslange uitkeringen mogelijk maakt, en de verplichtstelling die ervoor zorgt dat een heel groot aantal werknemers aanvullend pensioen opbouwt. Maar om aansluiting te houden bij een veranderende arbeidsmarkt en om te voorkomen dat het draagvlak voor het stelsel langzaam afneemt is verandering nodig. In het regeerakkoord is, in lijn met eerdere SER-rapporten, een ambitieus pakket aan maatregelen opgenomen om het pensioenstelsel te vernieuwen. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland aan om het stelsel van aanvullende pensioenen transparanter, eerlijker tussen de generaties en schokbestendiger te maken.

Het is van belang dat het pensioen transparanter wordt voor deelnemers. De herverdeling via de zogenaamde doorsneesystematiek verdwijnt, zodat een ieder op elk moment de pensioenopbouw krijgt die past bij de premie die voor hem of haar is ingelegd. Daarmee wordt het aantrekkelijker voor zzp’ers om mee te doen en gemakkelijker om keuzemogelijkheden te introduceren. Zo onderzoekt het kabinet of het mogelijk is om mensen bij pensionering een deel van hun pensioenvermogen als bedrag ineens op te laten nemen. Het kabinet heeft de SER gevraagd om advies uit te brengen over het pensioenstelsel. Sociale partners hebben hierin een belangrijke rol en verantwoordelijkheid, gezien het arbeidsvoorwaardelijke karakter van het aanvullend pensioen. Het kabinet hoopt en vertrouwt erop op korte termijn samen met de partners de noodzakelijke stappen te kunnen zetten om ons pensioenstelsel te vernieuwen. Na jaren van gezamenlijke probleemanalyse en gemeenschappelijk overleg is nu de tijd gekomen om samen aan de slag te gaan om ons pensioenstelsel klaar te maken voor de toekomst.

Internationaal

Nederland trekt lering uit ontwikkelingen over de grens en voert het gesprek over de toekomst van werk. Het kabinet moderniseert de arbeidsmarkt en kijkt ook naar de toekomst. De discussie over de toekomst van de arbeidsmarkt wordt ook op mondiaal niveau gevoerd. Veel landen moeten inspelen op uitdagingen zoals technologische ontwikkeling, digitalisering en vergrijzing. Maar ook ogenschijnlijke nationale discussies zoals het zzp vraagstuk worden over de landsgrenzen gevoerd. Op het vlak van arbeidsmigratie en grensoverschrijdend dienstenverkeer lopen nationale en Europese discussies in elkaar over. Bij deze discussies is het dilemma hoe de Europese interne markt samen kan gaan met een goede sociale bescherming. Bij deze onderwerpen is samenwerken een welbegrepen eigenbelang, zowel binnen als buiten Europa. Ook het thema «future of work» staat in 2019 internationaal centraal, zowel bij internationale organisaties zoals de ILO, OESO en gremia als de G20, als bij individuele lidstaten (overheden en sociale partners). Nederland is sterk betrokken bij deze discussies en probeert zoveel mogelijk lering te trekken uit de ontwikkelingen over de grens en die te betrekken in nationale beleidsdiscussies. In 2019 zijn ook de Europese Parlementsverkiezingen.

Leven lang ontwikkelen

Door middel van een leven lang ontwikkelen kan iedereen mee blijven doen op de snel veranderende arbeidsmarkt. Op de arbeidsmarkt doen zich flinke verschuivingen voor in gevraagde kennis en vaardigheden. Het is ook hier van belang om vooruit te kijken. Het kabinet wil daarom dat mensen zich niet pas (bij)scholen bij werkloosheid of dreigend baanverlies, maar leren en ontwikkelen zien als vanzelfsprekende onderdelen van hun werk en hun leven. In diverse sectoren op de arbeidsmarkt doet zich krapte voor. Tegelijkertijd kan een deel van de werkzoekenden niet aan het werk komen en dreigen anderen hun baan te verliezen. Mede in het licht van deze ontwikkelingen is een leven lang ontwikkelen een noodzaak.

Het kabinet wil een doorbraak realiseren op het gebied van een Leven Lang Ontwikkelen en een positieve en sterke leercultuur tot stand brengen. Nederland heeft een positieve leercultuur, waarin iedereen de kans krijgt zichzelf te blijven ontwikkelen. Het kabinet wil dit verder versterken. De sleutel voor verandering ligt bij mensen zelf. Het kabinet heeft als taak de kracht, vindingrijkheid en creativiteit van mensen te ondersteunen en ervoor te zorgen dat iedereen een kans krijgt om te blijven leren. De kern van de voorgestelde aanpak is het stimuleren van de eigen regie van mensen op hun loopbaan en hun leven, zodat ze zich kunnen blijven ontwikkelen en hun eigen keuzes kunnen maken. In de Kamerbrief Leven Lang Ontwikkelen zijn vijf hoofdlijnen geschetst die het kabinet met verschillende stakeholders uitwerkt.

Gezond en veilig werken

Garanderen van een basisbescherming aan werknemers. Nog steeds worden veel werknemers ernstig ziek doordat zij op hun werk in aanraking komen met bijvoorbeeld kankerverwekkende stoffen. Beroepsziekten en arbeidsongevallen leiden tot (onnodige) uitval. In het belang van duurzaam inzetbare werknemers moeten deze misstanden worden tegengegaan. Dat kan onder meer door meer informatie en bewustwording bij werknemers en werkgevers. Het kabinet start hiervoor een meerjarige campagne om het aantal beroepsziekten terug te dringen. Daarnaast moeten werknemers die ziek zijn door hun werk sneller en eenvoudiger dan nu het geval is een schadevergoeding kunnen claimen. Dit stimuleert bovendien de werkgevers om meer bescherming te bieden. Het kabinet roept de letselschadebranche op om claims van mensen met een beroepsziekte sneller af te handelen.

2.1.2 Meedoen in de samenleving

Samen zorgen we voor een samenleving met een arbeidsmarkt waar iedereen kansen krijgt om mee te doen. Werk is goed voor mensen. De waarde van werk is dat het bijdraagt aan persoonlijke ontwikkeling en werk hangt positief samen met gezondheid en geluk. Werk is de beste remedie tegen armoede, schulden en sociale uitsluiting. Meedoen is niet alleen goed voor individuele mensen, maar ook voor de samenleving als geheel. Mensen hebben hiervoor een eigen verantwoordelijkheid. Er zijn echter mensen die drempels ervaren om mee te doen. Dit kan zijn door bijvoorbeeld een arbeidsbeperking, schulden, geringe taalvaardigheid of afkomst. Het is belangrijk dat deze mensen hulp krijgen als dat nodig is. Zo worden drempels verlaagd, zodat de stap naar meedoen, ook op de arbeidsmarkt, gemakkelijker wordt. Ook gaat het kabinet in gesprek met gemeenten over de wijze waarop zij actief uitvoering geven aan de bestaande tegenprestatie. Een integrale aanpak van werk en inkomen, zorg en jeugdhulp dichtbij de mensen die het zonder ondersteuning niet redden, maakt het voor meer mensen mogelijk om mee te doen met een groter perspectief op werk.

Perspectief op werk

De huidige krapte op de arbeidsmarkt biedt kansen aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het kabinet is in gesprek met werkgevers, werknemers, gemeenten, UWV en onderwijsveld over het Actieplan Perspectief op werk. Dit initiatief is erop gericht zoveel mogelijk mensen een baan, leerwerkplek of aangepaste functie aan te bieden. Hiermee komen werkgevers aan extra krachten, én komen werkzoekenden aan werk. Zo zijn er afspraken gemaakt om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in de zorg aan de slag te helpen. Ook innovatieve concepten zijn de moeite waard om verder te verkennen, bijvoorbeeld social impact bonds. Het aanpakken van het tekort aan personeel is voor de sector Zorg en Welzijn een van de grootste uitdagingen. Er zijn tot eind 2022 ongeveer 190 duizend extra medewerkers nodig. Tegelijkertijd zijn er mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt die een bijdrage kunnen leveren aan vermindering van het personeelstekort. Mensen met een arbeidsbeperking, maar ook mensen met een niet-westerse migratieachtergrond, onder wie statushouders. Door passende banen te creëren worden de talenten van mensen benut. Tegelijkertijd wordt de personeelsproblematiek verlicht en wordt invulling gegeven aan inclusief werkgeverschap.

Het kabinet versterkt de dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers om meer mensen aan het werk te helpen. Onderdeel van het Actieplan Perspectief op werk is verbetering van het matchen op werk voor alle werkzoekenden die daarbij publieke ondersteuning nodig hebben. Werkgevers willen bediend worden vanuit één regionaal werkgeversloket, met een geharmoniseerd regionaal pakket van instrumenten en voorzieningen en met een inzichtelijk bestand van alle werkzoekenden. Om dit voor elkaar te krijgen, zal het kabinet met bestuurlijke afspraken en financiële ondersteuning richting geven aan de samenwerking tussen UWV, gemeenten en andere partijen in de arbeidsmarktregio’s. Het kabinet stelt hiervoor tweemaal € 35 miljoen beschikbaar in 2019 en 2020. Ook stelt het kabinet vanaf 2019 € 70 miljoen beschikbaar voor persoonlijke dienstverlening door UWV aan werkzoekenden met een WW-, WIA- of Wajong-uitkering. Dit geeft UWV de mogelijkheid om de dienstverlening op maat verder uit te breiden en de matching op de arbeidsmarkt te versterken. De persoonlijke dienstverlening is voor UWV belangrijk om mensen te helpen op weg naar werk en daarmee het beschikbare re-integratiebudget volledig te benutten.

Mensen moeten zich niet belemmerd voelen om stappen te zetten richting werk, uit onzekerheid en vrees om rechten te verspelen of er in inkomen op achteruit te gaan. Met dit doel is een project gestart om de overgangen van uitkering, dagbesteding, beschut werk en banenafspraak naar regulier werk te versoepelen. Er zijn mensen in de bijstand die willen werken, maar huiverig zijn voor een tijdelijke baan, uit vrees om zonder inkomsten te komen als het contract afloopt en de nieuwe uitkering nog niet is opgestart. Ook zijn er Wajongers die liever in de dagbesteding werken dan een baan accepteren, uit vrees oude rechten te verspelen. Wajongers moeten veilig kunnen bewegen tussen uitkering en baan. Mensen hebben bovendien vaak geen inzicht in de financiële gevolgen van (weer) gaan werken en kunnen achteraf te maken krijgen met verrekeningen van bijvoorbeeld huurtoeslag of zorgtoeslag. Men kiest dan soms voor de zekerheid van een uitkering dan de onzekerheid van een baan.

Re-integratie

De Minister heeft tijdens het wetgevingsoverleg over het Jaarverslag 2017 toegezegd om te kijken of er bij het UWV bruikbare informatie beschikbaar is over het aantal mensen dat werk vindt na een re-integratietraject. Tabel 2.1.1 biedt deze informatie. Deze tabel geeft weer hoeveel mensen met een arbeidsbeperking het UWV aan het werk heeft geholpen. UWV rapporteert daarnaast jaarlijks in breder verband over de arbeidsmarktpositie van mensen met een arbeidshandicap in de UWV monitor arbeidsparticipatie. In de periode 2014 tot medio 2017 is op basis van een experiment de effectiviteit van ingekochte trajecten voor mensen met een WGA-uitkering onderzocht. SEOR en Regioplan hebben in maart 2018 het rapport over dit experiment opgeleverd. Uit het onderzoek blijkt dat inzet van een traject de kans op werkhervatting significant vergroot. Het netto-effect van de re-integratiedienstverlening loopt op van bijna één procentpunt na drie maanden tot vier procentpunten na twee jaar. Om het inzicht in de effectiviteit van de re-integratie van arbeidsgehandicapten te verbeteren is SZW samen met UWV een kennisprogramma gestart. De opzet van het kennisprogramma is gericht op een continu ontwikkelproces waarin door experimenteren, implementeren, meten en leren de dienstverlening steeds verder wordt verbeterd. SZW informeert de Tweede Kamer over de uitkomsten van deze onderzoeken.

Tabel 2.1.1 Aantal door het UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1 2
 

2015

2016

2017

Streefwaarde 2019

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

500

400

300

3

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

2.000

2.000

1.800

3

Mensen met recht op WIA-uitkering

2.400

2.400

2.500

4

Mensen met recht op Wajong

8.400

7.700

8.400

8.000

Totaal

13.300

12.500

13.000

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

De aantallen zijn op verschillende manieren berekend. Bij de Wajong worden alleen de mensen die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard geteld. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard geteld. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen geteld.

X Noot
3

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

X Noot
4

Bij het doorontwikkelen van de persoonlijke dienstverlening met de extra middelen van het kabinet wordt tevens ingezet op een verbetering van het inzicht in de resultaten van deze dienstverlening. Hierdoor kunnen naar verwachting in de toekomst ook voor de WIA streefwaarden worden opgesteld.

Het kabinet wil stimuleren dat meer mensen met een arbeidsbeperking gaan werken. Meer dan de helft van de mensen met een arbeidsbeperking heeft nu geen werk. Het kabinet legt zich hier niet bij neer. Want werk biedt mensen bestaanszekerheid, vergroot het gevoel van eigenwaarde en draagt bij aan een sociaal netwerk. Als samenleving hebben we iedereen die kan werken ook hard nodig. Het kabinet streeft daarom naar een inclusieve arbeidsmarkt waarin mensen met en zonder arbeidsbeperking naargelang van hun mogelijkheden mee kunnen doen. Bij voorkeur bij een reguliere werkgever en als dat niet kan in een beschutte omgeving. Hiermee zet het kabinet ook in op uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Gelukkig zijn er steeds meer werkgevers bij wie iemand met een beperking aan de slag is. Dit blijkt uit het feit dat het bedrijfsleven momenteel ruimschoots voldoet aan de banenafspraak, terwijl de publieke sector nog een tandje moet bijzetten. Maar we staan nog voor een grote opgave om iedereen een kans te geven op de arbeidsmarkt. In het afgelopen jaar heeft het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord om over te gaan op loondispensatie in de Participatiewet nader uitgewerkt. Tijdens deze uitwerking is gebleken dat het niet mogelijk is om loondispensatie in de Participatiewet zo in te richten dat het voor iedereen simpeler en beter wordt. Het kabinet ziet daarom af van invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Het doel van het kabinet blijft ongewijzigd: meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk. Daartoe zet het kabinet in op een breed offensief voor vereenvoudiging en meer werk voor mensen met een arbeidsbeperking. Het kabinet heeft de Tweede Kamer hierover bij brief van 7 september geïnformeerd. Voor de begrotingsbehandeling van SZW zal het kabinet een nadere uitwerking naar de Tweede Kamer sturen.

Integratie

Onze samenleving verandert en wordt steeds diverser. Het WRR-rapport «De Nieuwe Verscheidenheid» laat zien dat Nederland inwoners uit 223 herkomstlanden telt. Dat is nagenoeg de hele wereld. Diversiteit in Nederland is een gegeven en is van alle tijden. Maar het gaat niet vanzelf en vraagt continue aandacht van álle Nederlanders. Wat betreft integratie is al veel vooruitgang geboekt. De kinderen en kleinkinderen van migranten uit Marokko en Turkije hebben een inhaalslag gemaakt. Zij doen het goed op school, en gelukkig ook steeds beter op de arbeidsmarkt. Maar we zijn er nog niet. Zo is de werkloosheid onder Nederlanders met een migratieachtergrond nog steeds relatief hoog. Het rapport laat ook zien dat inwoners zich onveiliger voelen en minder sociale samenhang ervaren naarmate er in hun buurt meer mensen van een verschillende herkomst wonen. Meedoen in de maatschappij is de beste manier om te integreren. Kansen op de arbeidsmarkt zijn hierbij cruciaal. Er is echter nog steeds sprake van discriminatie op de arbeidsmarkt. Dat is onacceptabel en onrechtvaardig, bovendien is dit verspilling van talent en draagt het niet bij aan een oplossing voor de huidige krapte op onze arbeidsmarkt. Het kabinet staat voor gelijke rechten, gelijke plichten, gelijke kansen, in gelijke gevallen voor alle Nederlanders. Het is mensen hun eigen verantwoordelijkheid om zich actief in te zetten, en het is aan anderen om iemand de kans te geven dat te doen. Nederland is gezamenlijk verantwoordelijk voor succesvolle integratie, om ongewenste tweedelingen te voorkómen en onaanvaardbare kloven te overbruggen. Met werken, samen werken, als sleutel tot een succesvolle integratie. Daarom investeert het kabinet in inburgering en onderwijs, pakt het discriminatie op de arbeidsmarkt aan en werkt het met het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) aan verbetering van de arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond.

Een goede integratie begint bij een effectieve inburgering. Het is belangrijk om gemeenten daarbij meer regie over de uitvoering van inburgering te geven. Niet elke inburgeraar kan in de praktijk vanaf dag één de volledige eigen verantwoordelijkheid op zich nemen voor zijn of haar inburgeringstraject. Voor de meeste inburgeraars geldt dat zij over onvoldoende «doenvermogen» beschikken, om in termen van de WRR te spreken. Voor iedere nieuwkomer zal de gemeente daarom een persoonlijk plan opstellen: het Plan Inburgering en Participatie (PIP). Dit is maatwerk: een persoonlijk programma voor het leren van de taal in combinatie met werk, vrijwilligerswerk, studie of stage. Het PIP is niet vrijblijvend – niet voor de nieuwkomer en niet voor de gemeente. In de eerste periode gaan gemeenten voor statushouders de vaste lasten, zoals huur, energiekosten en de verplichte verzekeringen vanuit de bijstand betalen. De statushouder ontvangt wat resteert en ontvangt de toeslagen. De duur van deze ondersteuning verschilt per individu en wordt vastgelegd in het PIP.

De inburgeraar is en blijft zelf verantwoordelijk om er alles aan te doen om zo snel mogelijk mee te doen, door de taal te leren, aan het werk te gaan en actief deel te nemen aan onze samenleving. Het nieuwe inburgeringsstelsel stelt hogere taaleisen aan inburgeraars. Dit vergroot de kans op een baan. Het kabinet stelt hiervoor extra geld beschikbaar: € 50 miljoen in 2019, oplopend naar € 70 miljoen structureel. Er worden verschillende leerroutes ontwikkeld die aansluiten bij leerniveau, vaardigheden en andere afspraken uit het PIP. Ook voor nieuwkomers die een minder hoog taalniveau halen, is alles erop gericht om zo snel mogelijk zelfredzaam te worden. Een inburgeraar die zich onvoldoende inzet, zal worden geconfronteerd met sancties, zoals een boete – vaker en sneller dan in het huidige stelsel. Daar staat tegenover dat de inburgeraar ook meer dan nu kan rekenen op begeleiding van de gemeente. Iedereen doet mee, liefst via betaald werk.

In een open samenleving heb je de vrijheid te geloven of niet te geloven, heb je de vrijheid zelf richting aan je leven te geven, en geef je anderen de vrijheid dat óók te doen. Daarom wil het kabinet polarisatie en radicalisering bestrijden. Buitenlandse financiering van religieuze organisaties kan een negatief effect hebben op de sociale verhoudingen in de samenleving en de democratische rechtsorde ondermijnen. Dit is het geval wanneer het gepaard gaat met ideologische beïnvloeding die bijdraagt aan gedrag dat haaks staat op de uitgangspunten van onze rechtsstaat en de waarden die in Nederland gekoesterd worden. De aanpak hiervan vraagt om nauwe samenwerking tussen rijksoverheid, gemeenten en gemeenschappen. Het kabinet hanteert een driesporenaanpak: (1) interactie en dialoog, (2) aanspreken en confronteren, en (3) verstoren en handhaven. Om gemeenten handelingsperspectief te bieden werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van buitenlandse financieringsstromen.

Brede schuldenaanpak en armoede

Armoede en schulden hebben grote invloed op het leven van mensen. Ze veroorzaken stress en leiden vaak tot een slechtere gezondheid of tot problemen binnen relaties. Schulden vormen een belemmering bij het vinden van werk of bij het behouden van werk. Armoede kan de ontwikkeling van kinderen belemmeren. Er zijn in Nederland 292.000 kinderen met kans op armoede (CBS, 2018). Dit is één op de negen kinderen. In Nederland heeft één op de tien huishoudens te maken met problematische schulden en voor één op de vijf huishoudens bestaat het risico om met problematische schulden te maken te krijgen. Iedereen kan in de schulden belanden, bijvoorbeeld door werkloosheid of echtscheiding. De complexiteit van de samenleving – en specifiek de uitkeringen- en toeslagensystematiek waarin burgers hun weg moeten vinden – speelt vaak een rol bij het ontstaan van schulden. Complexiteit raakt bepaalde mensen extra hard: mensen die laaggeletterd zijn, een (licht) verstandelijke beperking hebben of die problemen hebben op meerdere leefgebieden.

De schuldenproblematiek vraagt om een samenhangend totaalpakket aan maatregelen dat gezamenlijk met alle betrokken partijen wordt uitgevoerd. In het Samenwerkingsverband Brede Schuldenaanpak werken veel organisaties samen met als ambitie een bijdrage te leveren aan het oplossen van de schuldenproblematiek in Nederland. De brede schuldenaanpak richt zich op drie pijlers: (1) het voorkomen van problematische schulden; (2) het terugdringen van problematische schulden; en (3) het bevorderen van zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Het kabinet zoekt bij de aanpak van de schuldenproblematiek naar een balans tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeiser. Het is belangrijk dat er steun is voor mensen die echt hulp nodig hebben, op een manier die geen afbreuk doet aan het rechtvaardigheidsgevoel van andere mensen. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland aan om maatregelen te nemen om prikkels voor het aangaan van schulden door huishoudens terug te dringen.

Het kabinet wil problematische schulden voorkomen door te bevorderen dat meer mensen aan het werk gaan en dat (meer) werken loont. Werk is immers de beste weg om schulden te voorkomen dan wel structureel uit de problematische schulden te raken. Daarnaast wil het kabinet problematische schulden tegengaan door een versterkte inzet op preventie en vroegsignalering. Inzet op betere beheersing van de Nederlandse taal, basisvaardigheden zoals rekenen en omgaan met de computer, passen ook in het streven om schulden te voorkomen. Daarom werken de ministeries van OCW, SZW en VWS samen met gemeenten en tal van partners aan het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid in het programma «Tel mee met Taal.» Daarnaast neemt het kabinet extra maatregelen om excessen in kredietverlening tegen te gaan. Voor werkende ouders zet het kabinet in op verbeteringen in de kinderopvangtoeslag om (problematische) terugvorderingen te verminderen.

Als problematische schulden niet voorkomen kunnen worden, moeten we mensen waar mogelijk ontzorgen, ondersteunen en activeren om hun schulden de baas te worden. Het kabinet stelt € 80 miljoen ter beschikking in de periode 2018–2020 voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede – in het bijzonder onder kinderen. Dit geld moet een impuls geven aan de verbetering van de toegang tot, en effectiviteit van, de gemeentelijke schuldhulpverlening en aan versterking van de lokale regiefunctie van het (kindgericht) armoedebeleid. Om mensen met schulden en armoede effectief te kunnen ondersteunen, moeten professionals goed toegerust zijn voor hun taak. Daarom werken kabinet en gemeenten aan de verdere professionalisering van schuldhulpverlening en het gemeentelijke armoedebeleid door het uitvoeren van programma’s zoals «Vakkundig aan het werk» en «Schouders eronder». Daarnaast werkt het kabinet met gemeenten en vrijwilligersorganisaties aan een landelijk dekkend netwerk van vrijwilligersprojecten gericht op schuldhulp en financiële begeleiding. Ten slotte moeten mensen met problematische schulden kunnen rekenen op een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Schulden kunnen, onder meer door stapeling van boetes voor te laat betalen, rente en bijkomende kosten, heel snel oplopen. Een solide beslagvrije voet die door alle schuldeisers wordt gerespecteerd is noodzakelijk om het bestaansminimum te beschermen. Om deze problemen op te lossen werkt het kabinet aan herziening van het beslag- en executierecht, implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en verbreding van het beslagregister. Ook kijkt het kabinet kritisch naar de rol die de rijksoverheid zelf speelt als schuldeiser.

Verbetering levensomstandigheden in Caribisch Nederland

Het kabinet wil extra investeren in de verdere verbetering van de levensomstandigheden in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Het gaat hierbij om maatregelen in drie pijlers: (1) het verhogen van het inkomen; (2) het terugdringen van kosten van levensonderhoud; en (3) het versterken van de economische kracht. Het kabinet zet zich bij de eerste pijler in voor verlaging van werkgeverslasten, verhoging van de onderstand, verhoging van de kinderbijslag, introductie van een toeslag voor alleenstaande ouderen, verhoging van de toeslag in de onderstand voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten, uitbreiding reikwijdte bijzondere onderstand, modernisering van het sociale zekerheidsstelsel en intensivering van schuldhulpverlening. Op het gebied van kosten van levensonderhoud kijkt het kabinet breed naar woonlasten, energie, water en telecom. Op SZW-terrein gaat het om het verbeteren van de kwaliteit en financiële toegankelijkheid van de kinderopvang en het vergroten van kansen voor kinderen in armoede. Eén van de onderdelen van de derde pijler, werken aan economie en arbeidsmarkt, is de opzet van een jobcentrum, waar alle dienstverlening aan werkgevers, werknemers en werkzoekenden samenkomt.

2.1.3 Aandacht voor uitvoering en handhaving van beleid

Uitvoering

Het kabinet maakt beleid dat werkt in de praktijk, met veel oog voor de uitvoering. Het is belangrijk dat de doelen die het kabinet nastreeft met beleid, ook uitvoerbaar zijn voor gemeenten, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen. Dit betekent dat uitvoerders goed betrokken worden bij de uitwerking en vormgeving van beleid en regelgeving. Hierbij heeft het kabinet oog voor de complexiteit en impact van regelgeving, ook in relatie tot het doenvermogen van mensen.

Uit de publicatie «Stand van de uitvoering» blijkt dat de dienstverlening vanuit SVB en UWV er goed uitziet en verder verbetert. Om de dienstverlening ook in de toekomst goed te kunnen waarborgen, staat de uitvoering voor omvangrijke opgaven. Het is daarom belangrijk om keuzes te maken en te prioriteren, bijvoorbeeld in de ICT-ontwikkeling. Een grote uitdaging voor de uitvoering betreft het aanpakken van het capaciteitstekort voor sociaal-medische beoordelingen bij UWV. Op dit moment werken UWV en SZW voorstellen uit die kunnen bijdragen aan het verkleinen van dit tekort. Over uiterlijk één jaar moet blijken of het tekort aan capaciteit beheersbaar wordt. Na een periode waarin hier minder ruimte voor was, stelt het kabinet de uitvoering in staat verder te investeren in de dienstverlening en de ondersteunende processen, die voor de continuïteit en veiligheid daarvan van belang zijn. Zoals eerder aangegeven, wordt het UWV € 70 miljoen extra ter beschikking gesteld voor uitbreiding van persoonlijke dienstverlening aan werkzoekenden en kunnen UWV en SVB verder investeren in continuïteit en stabiliteit van ICT-systemen, cybersecurity en de implementatie van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Naleving

Het kabinetsbeleid is gericht op het bestrijden van fraude met uitkeringen. Misbruik van de sociale zekerheid ondermijnt het draagvlak voor het stelsel van sociale zekerheid. Dit stelsel waarborgt inkomenszekerheid. De sociale voorzieningen brengen we als maatschappij samen op. Preventie en aanpak van misbruik en onnodig gebruik is van belang voor de financiële houdbaarheid van en het maatschappelijk draagvlak voor de sociale voorzieningen.

Ook op het terrein van de arbeidswetten moeten de regels die we met elkaar afspreken worden nageleefd. Misbruik veroorzaakt oneerlijke concurrentie en brengt de gezondheid en veiligheid van werkenden in gevaar. Het kabinet richt zich daarom op een betere naleving van de regels voor het wettelijk minimumloon, schijnconstructies, arbeidsomstandigheden en uitbuiting. Samen met de Inspectie SZW, bracheorganisaties, bedrijven en instanties versterkt het ministerie de gezamenlijke instrumenten om gezond, veilig en eerlijk werk in Nederland te bevorderen. Ook verkent het kabinet de mogelijkheden om de handhavende rol van de Inspectie SZW bij het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie bij werving en selectie te versterken.

De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels in de sociale zekerheid en op de arbeidsmarkt ligt in de eerste instantie bij burgers en bedrijven zelf. De gemeente ondersteunt bijstandsgerechtigden bij het vinden van betaald werk. De inspanningsverplichting ligt echter vooral bij de bijstandsgerechtigde zelf. Deze moet de arbeidsverplichtingen naleven en proberen een baan te vinden om zo een langdurige afhankelijkheid van een bijstandsuitkering te voorkomen. De meeste burgers en bedrijven leven de regels na. Het is belangrijk om burgers en bedrijven te stimuleren en te faciliteren de regels na te leven. Tegelijkertijd moet de overheid optreden als iemand de regels overtreedt. Dit zorgt ervoor dat die regels geen tandeloze tijgers zijn, maar dat misbruik wordt aangepakt. Handhaving betreft de gehele keten: van preventie (bijvoorbeeld door voorlichting en gedragsbeïnvloeding) en controle tot sanctioneren (bijvoorbeeld boetes) en opsporing van strafbare feiten. Hiervoor zijn diverse organisaties actief, waaronder de Inspectie SZW, sociale partners, brancheorganisaties, UWV, SVB en medeoverheden. Zij zetten verschillende instrumenten in om te bevorderen dat wet- en regelgeving wordt nageleefd en gehandhaafd. In onderstaande tabellen 2.1.2 en 2.1.3 is een overzicht gegeven van de kerncijfers op het gebied van handhaving bij UWV, SVB en gemeenten. De kengetallen op het gebied van opsporing en de incassoratio’s tonen een vergelijkbaar beeld met voorgaande jaren.

Tabel 2.1.2 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln)

 

2015

2016

2017

2015

2016

2017

2015

2016

2017

UWV2

35

19

19

62

41

46

16

9,7

7,6

SVB3

3,7

3,1

3,5

9,6

8,8

7,8

1,7

1,9

1,7

Gemeenten4

29

30

31

66

71

69

14

9,0

8,8

Totaal

68

52

53

137

121

123

32

21

18

X Noot
1

In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht die tot een boete of aangifte leidde. De huidige cijfers geven alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling weer, ook daar waar een waarschuwing is opgelegd. Cijfers van UWV betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. Cijfers van SVB en CBS betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

X Noot
2

UWV, Jaarverslag, berekening SZW.

X Noot
3

SVB, Jaarverslag, berekening SZW.

X Noot
4

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Tabel 2.1.3 Kerncijfers incassoratio en geïnd bedrag UWV, SVB en gemeenten
 

2015

2016

2017

2014

2015

2016

2013

2014

2015

Incassoratio (%)

na 1 jaar

na 1 jaar

na 1 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 3 jaar

na 3 jaar

na 3 jaar

UWV1

30

25

22

48

54

51

61

58

64

SVB2

21

24

23

40

41

46

62

46

46

Gemeenten4

14

16

14

22

25

26

37

28

31

Totaal

22

20

18

39

39

40

56

47

47

                   

Geind bedrag (x € 1 mln)

               

UWV1

23

13

12

69

41

26

58

83

49

SVB2

2,4

2,6

2,2

4,3

4,6

4,9

8,4

4,9

5,2

Gemeenten3

11

13

11

18

20

26

10

23

25

Totaal

36

28

25

91

66

57

76

111

80

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

Handhaving

Het kabinet zet in op een verhoging van de effectiviteit van handhaving. Hierbij maakt het kabinet gebruik van nieuwe inzichten uit onderzoek over effectiviteit van instrumenten en interventies. Ook is geleerd van pilots en experimenten om het nalevingsgedrag van burgers en bedrijven te stimuleren. En waar nodig verduidelijkt het kabinet de regelgeving en faciliteert het de uitvoering beter. Om fraude met sociale voorzieningen te voorkomen en de pakkans te vergroten wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden tot het delen, koppelen en analyseren van data. Dit gebeurt uiteraard alleen daar waar het noodzakelijk is, proportioneel en met een wettelijke basis.

Het kabinet investeert in de Inspectie SZW. Om de handhaving en fraudebestrijding te versterken maakt het kabinet – geleidelijk oplopend naar 2022 – jaarlijks € 50 miljoen extra vrij voor versterking van de handhavingsketen van de Inspectie SZW, conform het Inspectie Control Framework. Deze middelen zijn met name bedoeld voor de bevordering van een eerlijke arbeidsmarkt, de bevordering van gezond en veilig werken, en het aanpakken van schijnzelfstandigheid. In 2019 begint de eerste versterking van de Inspectie SZW zichtbaar te worden. Na jaren van daling, neemt het aantal medewerkers in de Inspectieketen toe. Na selectie, opleiding en training leidt dit tot meer inzetbare Inspectiecapaciteit. Direct na het aantreden van het kabinet is gestart met de voorbereidingen voor versterking van handhaving voor eerlijk, gezond en veilig werk. In de loop van 2019 worden medewerkers inzetbaar die in 2018 zijn aangenomen. En in 2019 zal de Inspectieketen met circa 80 medewerkers worden uitgebreid, die naar verwachting in het jaar daarna operationeel inzetbaar zijn.

Ook op het gebied van handhaving is internationale samenwerking essentieel. Handhaving gaat hand in hand met goede internationale afspraken om grensoverschrijdende fraude aan te pakken. Het gaat hierbij onder meer om ontduiking van sociale premies, onderbetaling en ontwijking van arbeidsvoorwaarden. Door samenwerking met inspecties in andere landen kan misbruik en fraude tegen worden gegaan op nationaal en Europees niveau. Zo kan de interne markt beter functioneren en krijgen mensen hetzelfde loon voor hetzelfde werk op dezelfde plaats. Het kabinet zet actief in op de oprichting van een effectieve Europese Arbeidsautoriteit (ELA) om dit te bevorderen.

2.2 Budgettaire ontwikkeling Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector. In de begrotingsregels van dit kabinet is afgesproken dat voor mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand) die het gevolg zijn van de conjunctuur het uitgavenplafond wordt aangepast. Dit bevordert de automatische stabilisatie van de overheidsfinanciën. Voor beleidsmatige mutaties van werkloosheidsuitgaven wordt het plafond niet aangepast. Daarnaast wordt het plafond aangepast voor loon- en prijsontwikkelingen.

2.2.1 Opbouw Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid bevat zowel uitgaven van regelingen die begrotingsgefinancierd zijn als uitgaven van regelingen die premiegefinancierd zijn. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden uit belastinginkomsten betaald. De premiegefinancierde uitgaven worden voornamelijk door middel van premies gefinancierd. Tabel 2.2.1 bevat een toelichting op de opbouw van de uitgaven die tot het uitgavenplafond Sociale Zekerheid worden gerekend. De in het regeerakkoord opgenomen invoering van loondispensatie staat nog verwerkt in de budgettaire reeksen. Inmiddels heeft het kabinet besloten loondispensatie niet door te voeren en een offensief te starten om meer mensen met een beperking aan het werk te helpen. Na uitwerking van de maatregelen zal dit budgettair worden verwerkt in de SZW-begroting.

Tabel 2.2.1 opbouw SZ-uitgaven (x € 1 mld)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

34,6

36,1

36,3

36,6

36,8

37,6

–/– Dubbeltelling rijksbijdragen

13,9

14,2

14,0

13,8

13,9

14,5

–/– Uitgaven Rijksbegroting

0,6

0,7

0,6

0,5

0,5

0,5

–/– Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

0,6

0,6

0,6

0,7

0,7

0,7

+ Loon- en prijsbijstelling

0,0

0,5

1,1

1,6

2,2

2,7

+ Overig

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

A. SZ-uitgaven begroting

19,5

21,2

22,3

23,3

24,0

24,7

             

Totaal uitgaven premiegefinancierd

56,9

58,4

61,0

62,8

64,9

67,9

-/- Correctie ontvangsten premiegefinancierd

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,4

B. SZ-uitgaven premie

56,5

58,1

60,7

62,4

64,5

67,6

             

C. Integratie-uitkering sociaal domein

2,5

1,9

1,8

1,8

1,8

1,7

             

Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) (A+B+C)

78,6

81,2

84,9

87,5

90,3

94,0

Allereerst wordt voor een dubbeltelling gecorrigeerd omdat sociale fondsen voor een deel worden gefinancierd uit begrotingsmiddelen (correctie rijksbijdragen). Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds, die nodig is omdat de opbrengsten van de AOW-premie onvoldoende zijn om de AOW-uitgaven te dekken. In 2019 worden de uitgaven onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid hierdoor met € 13,9 miljard gecorrigeerd. Tevens vallen de apparaatuitgaven van SZW en enkele andere uitgaven niet onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid maar onder het Uitgavenplafond Rijksbegroting (€ 0,6 miljard). Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend wordt eveneens gecorrigeerd: € 0,6 miljard (terugontvangsten Kinderopvang en Tegemoetkoming ouders). Het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt in lopende prijzen uitgedrukt, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de uitgaven. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen staan de hiervoor gereserveerde middelen (€ 0,5 miljard) niet op de SZW-begroting, maar op een afzonderlijke begrotingspost die door de Minister van Financiën wordt beheerd. De premiegefinancierde uitgaven zijn al uitgedrukt in lopende prijzen. De post overig bestaat uit een reservering voor regeerakkoordmaatregelen die op de aanvullende post bij Financiën staan. Deze post is in 2018 negatief door de ingeboekte in=uit-taakstelling. De in=uit-taakstelling is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Met de eindejaarsmarge worden middelen toegevoegd aan het volgende jaar, wat leidt tot uitgaven bovenop het afgesproken plafond. De in=uit-taakstelling wordt geboekt om te voorkomen dat het plafond door het toevoegen van de eindejaarsmarge wordt overschreden.

De middelen voor de Wsw en het participatiebudget maken onderdeel uit van de integratie-uitkering sociaal domein en staan daarom niet in de SZW-begroting. De uitgaven zijn wel onderdeel van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid en worden bijgeteld. De middelen dalen ten opzichte van 2018 met ca. € 600 miljoen, vanwege de overheveling van het onderdeel «klassieke doelgroepen» naar de algemene uitkering. In het regeerakkoord Rutte III is opgenomen dat de integreerbare delen van de integratie-uitkering overgaan naar de algemene uitkering. Vanaf 2019 lopen de middelen in de integratie-uitkering langzaam af vanwege het afsluiten van de toegang tot de Wsw. In lopende prijzen bedragen de uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid in 2019 € 81,2 miljard.

2.2.2 Uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2018–2023

In tabel 2.2.2 wordt de opbouw van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid per cluster van regelingen getoond. De uitgaven zijn gesaldeerd met de ontvangsten. De totale uitgaven van € 78,6 miljard in 2018 stijgen naar € 94,0 miljard in 2023. Dit is een toename van € 15,4 miljard in vijf jaar tijd. Deze stijging wordt voor een groot deel veroorzaakt door de aanpassing van de uitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling. Hiervoor is aan het slot van de tabel een algemene post nominale ontwikkeling opgenomen. Deze post bedraagt € 11,5 miljard in 2023. Gecorrigeerd voor de nominale ontwikkeling stijgen de uitgaven van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid met € 3,9 miljard. Een overzicht van het verloop van de uitgaven over de jaren 2018 t/m 2023 is te vinden in de Horizontale toelichting (bijlage Miljoenennota).

Tabel 2.2.2 maakt inzichtelijk uit welke clusters van regelingen het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid bestaat. Zo toont de tabel dat de grootste uitgavenpost binnen het plafond de AOW is (€ 37,2 miljard), gevolgd door de arbeidsongeschiktheidregelingen (€ 12,9 miljard). De resterende grotere uitkeringsregelingen zijn werkloosheidsregelingen (WW en Bijstand tezamen ruim € 10 miljard) en de kindregelingen (€ 7,9 miljard).

De uitgaven aan de werkloosheidsregelingen dalen in 2019, met name dankzij de geraamde daling van de werkloosheid. De Wtl wordt aan het uitgavenplafond toegevoegd. Deze stijgt in 2019 naar bijna € 1 miljard doordat ook het LIV en het Jeugd-LIV worden toegevoegd. De uitgaven aan kindregelingen stijgen dankzij de intensiveringen uit het regeerakkoord. De integratie-uitkering Sociaal domein daalt ten opzichte van 2018 met circa € 600 miljoen. Dat komt door de overheveling van het onderdeel «klassieke doelgroepen» naar de algemene uitkering.

Er zijn enkele mutaties in 2019 ten opzichte van 2018. De Wtl wordt aan het uitgavenplafond toegevoegd (LIV, LKV en Jeugd-LIV). Daarnaast dalen de WW-uitgaven met € 0,7 miljard. Deze mutaties worden verder toegelicht in de betreffende artikelen en in de verdiepingsbijlage.

Tabel 2.2.2 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2017–2022 (x € 1 mld)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Arbeidsmarkt

           

LIV/LKV/Jeugd-LIV

0,5

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

             

Werkloosheid/Bijstand

           

WW-uitgaven (werkloosheid)

4,0

3,3

3,0

3,1

3,2

3,3

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand) en intertemporele tegemoetkoming

6,2

6,2

6,3

6,5

6,7

6,8

             

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

           

WIA/WAO/WAZ/Wajong

12,9

13,1

13,4

13,6

13,7

13,8

ZW/WAZO/Transitievergoeding

2,8

2,8

3,5

3,3

3,1

3,1

             

Ouderdom/Nabestaanden

           

AOW

37,2

37,3

37,3

37,4

37,6

38,3

Inkomensondersteuning AOW

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

1,0

Anw

0,4

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

             

Kinderopvang en kindregelingen

           

KOT

2,6

2,9

3,0

3,0

3,0

3,0

AKW/WKB

5,3

5,5

5,9

5,9

5,8

5,8

             

Re-integratie/Participatie

           

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Integratie-uitkeringen sociaal domein

2,5

1,9

1,8

1,8

1,8

1,7

             

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

           

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Overige uitgaven

1,2

1,4

1,5

1,8

2,1

2,2

             

Nominale ontwikkeling

0,0

2,3

4,6

6,8

9,1

11,5

             

Totaal SZ-uitgaven

78,6

81,2

84,9

87,5

90,3

94,0

2.2.3 Mutaties uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2018–2023

Tabel 2.2.3 geeft de mutaties weer tussen ontwerpbegroting 2018 en de ontwerpbegroting 2019. Dankzij meevallers dalen de uitgaven aan werkloosheid en bijstand. In de eerste jaren dalen de uitgaven aan de arbeidsongeschiktheidsregelingen, ook dankzij meevallers. Intensiveringen uit het regeerakkoord zorgen in latere jaren juist weer voor een stijging van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Ook de uitgaven aan kindregelingen stijgen dankzij intensiveringen uit het regeerakkoord. De uitgaven aan Re-integratie/Participatie/Arbeidsmarkt stijgen per saldo dankzij de toevoeging van het LIV en het Jeugd-LIV aan het uitgavenplafond. Daar tegenover staat de overheveling van het onderdeel «klassieke doelgroepen» naar de algemene uitkering.

Tabel 2.2.3 Mutaties SZ-uitgaven sinds vorige ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2018

78,5

80,6

82,7

84,5

86,9

 

Werkloosheid/Bijstand

0,1

– 0,4

– 0,7

– 0,6

– 0,6

 

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

– 0,1

– 0,4

0,0

0,4

0,5

 

Ouderdom/Nabestaanden

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

 

Kinderopvang en kindregelingen

– 0,2

0,4

0,9

1,0

1,1

 

Re-integratie/Participatie/Arbeidsmarkt

0,4

0,4

0,4

0,4

0,5

 

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

 

Overige uitgaven

– 0,1

– 0,3

0,2

0,2

0,0

 

Nominalen

0,0

0,2

0,5

0,8

1,1

 

Brutering SZ

0,0

0,5

0,6

0,8

0,8

 

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2019

78,6

81,2

84,9

87,5

90,3

94,0

2.2.4 Uitgaven Uitgavenplafond Sociale Zekerheid en toetsing aan ijklijn

Uitgavenplafond en kadertoetsing

De ijklijn van het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt jaarlijks conform de begrotingsregels bijgesteld voor prijsontwikkelingen (op grond van prijs Nationale Bestedingen), mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en Bijstand) die het gevolg zijn van conjunctuur, overboekingen en statistische correcties. Op basis hiervan is de ijklijn voor het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid in 2019 met € 0,3 miljard verlaagd.

Tabel 2.2.4 Mutaties ijklijn (uitgavenplafond) sinds vorige ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2018

2019

IJklijn SZ-plafond regeerakkoord

78,9

82,0

Correcties (met name nominale ontwikkeling)

0,1

– 0,3

IJklijn SZ-plafond ontwerpbegroting 2019

79,0

81,7

De actuele uitgavenramingen Uitgavenplafond Sociale Zekerheid, zoals deze zijn weergegeven in tabel 2.2.3, dienen volgens de regels budgetdiscipline voor 2019 te worden getoetst aan de actuele ijklijn Uitgavenplafond Sociale Zekerheid zoals weergegeven in tabel 2.2.4. Deze kadertoetsing wordt weergegeven in tabel 2.2.5. De uitgaven binnen het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid zijn voor 2019 bijgesteld naar € 81,2 miljard. De ijklijn komt uit op € 81,7 miljard. Daardoor wordt de ijklijn in 2019 onderschreden met € 0,5 miljard.

Tabel 2.2.5 Toetsing SZ-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2018

2019

Totale SZ-uitgaven

78,6

81,2

IJklijn SZ-uitgaven

79,0

81,7

Over-/onderschrijding ijklijn SZ

– 0,4

– 0,5

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Art. nr.

Naam artikel

Uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (%)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (%)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

1

Arbeidsmarkt

949.968

937.982

98,7

11.986

1,3

Subsidies (2.049) en Opdrachten (9.937)

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

7.079.146

7.057.825

99,7

21.321

0,3

Subsidies (6.755) en Opdrachten (14.567)

3

Arbeidsongeschiktheid

799

799

100

0

0,0

 

4

Jonggehandicapten

3.359.378

3.359.378

100

0

0,0

 

5

Werkloosheid

157.104

154.854

98,6

2.250

1,4

Subsidies (2.250)

6

Ziekte en zwangerschap

7.527

7.527

100

0

0,0

 

7

Kinderopvang

3.286.740

3.268.914

99,5

17.826

0,5

Subsidies (3.458), Opdrachten (1.268) en Bijdragen aan agentschappen (13.100)

8

Oudedagsvoorziening

26.057

26.057

100

0

0,0

 

9

Nabestaanden

1.197

1.197

100

0

0,0

 

10

Tegemoetkoming ouders

5.721.498

5.721.498

100

0

0,0

 

11

Uitvoering

448.044

448.044

100

0

0,0

 

12

Rijksbijdragen

14.245.954

14.245.954

100

0

0,0

 

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

312.024

305.083

97,8

6.941

2,2

Subsidies (3.596) en Opdrachten (3.344)

               
 

Totaal niet-juridisch verplichte uitgaven

     

60.324

   

Toelichting

De uitgaven op de beleidsartikelen van SZW zijn voor 99,8% juridisch verplicht voor het jaar 2019. Het hoge percentage komt doordat een groot deel van de SZW-begrotingsuitgaven voortvloeien uit bestaande wetgeving die het parlement reeds aanvaard heeft. Dit geldt bijvoorbeeld voor de inkomensoverdrachten uit hoofde van de Participatiewet, de Wajong en de Kinderopvangtoeslag, maar ook voor de rijksbijdragen en de tegemoetkomingen voor ouders. Een wijziging in deze uitgaven vereist een wijziging van de desbetreffende wetten. Deze uitgaven kunnen dus niet worden aangepast door een wijziging van de begroting van SZW.

Naar verwachting is een beperkt deel van de uitgaven over 2019 niet juridisch verplicht. Het betreft enkele subsidies en opdrachten, en bijdragen aan agentschappen in het kader van kinderopvang. In veel gevallen liggen er wel bestuurlijke afspraken aan deze voorgenomen uitgaven ten grondslag. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending. Op de totale begroting van SZW gaat het om een bedrag van € 60,3 miljoen aan nog niet juridisch verplichte uitgaven. Dit alles heeft alleen betrekking op de begrotingsgefinancierde uitgaven.

Premiegefinancierde uitgaven, die ook in de begroting van SZW worden toegelicht, kunnen niet worden aangepast middels een wijziging van de begroting. Premie-uitgaven vallen immers niet onder het budgetrecht van de Staten-Generaal. De premiegefinancierde uitgaven voor 2019 zijn overigens 100% juridisch verplicht. De premiegefinancierde uitgaven bestaan enerzijds uit uitkeringsregelingen zoals de AOW, WIA en WW, anderzijds uit bijdragen aan UWV en SVB voor de uitvoering van die wetten en re-integratie (UWV). De uitkeringsgelden zijn juridisch verplicht omdat deze voortvloeien uit bestaande wetgeving. De uitvoeringsbudgetten worden bij de goedkeuring van de jaarplannen van de ZBO’s vastgelegd.

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Tabel 2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Art.

Naam beleidsartikel

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Geheel artikel?

1

Arbeidsmarkt

     

     

Ja

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

   

       

Ja

3

Arbeidsongeschiktheid

         

Ja

4

Jonggehandicapten

 

1

         

Ja

5

Werkloosheid

         

 

Ja

6

Ziekte en zwangerschap

       

 

Ja

7

Kinderopvang

       

   

Ja

8

Oudedagsvoorziening

   

       

Ja

9

Nabestaanden

   

       

Ja

10

Tegemoetkoming ouders

 

         

Ja

11

Uitvoering

       

   

Ja

12

Rijksbijdragen2

             

Nvt

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

       

 

Ja

X Noot
1

De beleidsdoorlichting over artikel 4 Jonggehandicapten was oorspronkelijk toegezegd voor de tweede helft van 2017. In de Kamerbrief«stand van zaken Participatiewet» van 8 december 2017 heeft de Staatssecretaris van SZW aangekondigd de beleidsdoorlichting en de kabinetsreactie in het voorjaar van 2018 aan de Tweede Kamer aan te bieden. De beleidsdoorlichting en de kabinetsreactie zijn op 10 juli 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden.

X Noot
2

Artikel 12, Rijksbijdragen, is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is worden doorgelicht.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen staat op Rijksbegroting.nl. Een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering is opgenomen in de bijlage «Overzicht evaluaties en overig onderzoek» (bijlage 6.5).

2.5 Overzicht van risicoregelingen

Tabel 2.5.1 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantie-plafond

Totaal plafond

2 (Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet)

Startende Ondernemers

10

0

10

0

0

0

0

0

0

Tabel 2.5.2 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Stand risico-voorziening 2017

Saldo 2017

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Stand risico-voorziening 2018

Saldo 2018

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risico-voorziening 2019

Saldo 2019

2 (Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet)

Startende Ondernemers

5

0

0

5

5

0

0

5

0

0

0

0

In 2007 is de tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering van kracht geworden. Een garantie heeft een maximale duur van zes jaar. Er worden geen nieuwe garanties meer verleend. De regeling beoogde te onderzoeken hoe starters voor krediet bij het bankwezen terecht konden. Met de regeling konden starters (aanvankelijk alleen vanuit een uitkering) onder gedeeltelijke en aflopende borgstelling van het rijk een bankkrediet voor hun bedrijf verwerven. De starter betaalde een rente en de bank liep een beperkt risico met weinig uitvoeringskosten. Onder invloed van nieuwe instrumenten is besloten de regeling te sluiten. De laatste uitgaven worden verwacht in 2018. De claims worden afgedekt op de SZW-begroting zodat er geen risicovoorziening nodig is.

Tabel 2.5.3 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)1

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

13 (Integratie en maatschappelijke samenhang)

Inburgering

370.367

divers

X Noot
1

DUO, administratie.

Asielgerechtigde nieuwkomers die inburgeringplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringonderwijs te bekostigen. Ingeval de nieuwkomers onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen dient de lening terugbetaald te worden.

Overige nieuwkomers kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de eerste groep dienen zij de lening wel terug te betalen.

De looptijd van deze leningen is divers.

HOOFDSTUK 3: BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);

  • De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Per 2020 structurele LKV voor Banenafspraak en scholingsbelemmerden.

Het Loonkostenvoordeel voor Banenafspraak en scholingsbelemmerden is niet langer beperkt tot 3 jaar maar geeft per 2020 structureel recht op LKV. De uitbreiding is bedoeld om het arbeidsmarktperspectief van mensen met een arbeidsbeperking duurzaam te vergroten.

Wet arbeidsmarkt in balans (Wab)

Met het oog op het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tussen flexibele en vaste arbeidsovereenkomsten werkt het kabinet meerdere maatregelen uit. Het gaat hierbij om een nieuwe ontslaggrond in te voeren, de mogelijkheden om een flexibele arbeidsovereenkomst aan te gaan te verruimen waar de aard van het werk dit vereist, de proeftijd te verlengen, de transitievergoeding voor langdurige arbeidsovereenkomsten te verlagen en tegelijkertijd vanaf de eerste dag recht op transitievergoeding te laten ontstaan, regels te stellen ter voorkoming van permanente beschikbaarheid van werknemers met oproepcontracten, te bewerkstelligen dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden bij payrolling wordt voorkomen, een WW-premie in te voeren waarvan de hoogte afhankelijk is van de contractvorm en de sectorpremies af te schaffen. De beoogde invoeringsdatum van de Wab is 1-1-2020.

Vervanging wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA)

Het kabinet werkt in 2019 maatregelen uit ter vervanging van de Wet DBA waarmee, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden, wordt tegengegaan (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 311, nr. 207). Daarnaast beogen de maatregelen zekerheid te geven aan zelfstandigen en hun opdrachtgevers dat geen sprake is van een dienstbetrekking.

Leven Lang Ontwikkelen (LLO)

Het kabinet wil een doorbraak realiseren op het gebied van een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) en een positieve en sterke leercultuur tot stand brengen. Voor het jaar 2019 wordt € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld voor de verbetering van randvoorwaarden daarvoor.

Herziening wettelijk minimumloon

Om beter aan te sluiten bij veranderende sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkelingen en bij wat internationaal gangbaar is, is in 2017 besloten tot een stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumjeugdloon. Als laatste stap (per 1-7-2019) krijgen werknemers vanaf 21 jaar (in plaats vanaf 22 jaar), recht op het volledige minimumloon en gaat het minimumjeugdloon voor werknemers van 18, 19 en 20 jaar verder omhoog.

Herziene Detacheringsrichtlijn

Op 21 juni 2018 is de Raad van Ministers van de EU formeel akkoord gegaan met de herziene Detacheringsrichtlijn. De implementatie van deze richtlijn (Richtlijn (EU) 2018/957) moet uiterlijk 30 juli 2020 zijn afgerond. De herziene Detacheringsrichtlijn vervangt de huidige detacheringsrichtlijn uit 1996 en bevat onder andere een gewijzigde definitie van loon. Daarnaast krijgen gedetacheerde werknemers na 12 maanden detachering recht op de arbeidsvoorwaarden van het gastland met uitzondering van de regels met betrekking tot ontslag en aanvullend pensioen.

Brexit

In maart 2019 treedt het Verenigd Koninkrijk uit de EU. Als er op dat moment geen uittredingsakkoord is afgesproken tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU, zal onder meer de toegang tot de arbeidsmarkt voor VK-burgers die in Nederland werken voor 29 maart 2019 via nationale wetgeving moeten worden geregeld. Om voorbereid te zijn wordt een wijziging in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen voorbereid en wordt bezien of aanpassing van sociale verzekeringswetten nodig is.

Meldingsplicht voor dienstverleners uit de Europese Unie.

In 2019 wordt de meldingsplicht ingevoerd voor dienstverleners uit andere lidstaten die hun werknemers in Nederland laten werken. Dit betekent dat dienstverrichters uit andere lidstaten die werkzaamheden in Nederland starten, hiervan melding moeten doen. De invoering van de meldingsplicht gaat samen met een communicatiecampagne. Op basis van de verzamelde gegevens kunnen de Inspectie SZW, de Belastingdienst en de SVB risicoanalyses doen voor de handhaving van wet- en regelgeving. De Inspectie SZW handhaaft de meldingsplicht.

Programma Preventie van beroepsziekten

Het in 2018 gestarte vierjarige programma Preventie beroepsziekten, nu gericht op veilig werken met gevaarlijke stoffen, bereidt in 2019 de toevoeging voor van het onderwerp «Voorkomen van gezondheidsschade door fysieke belasting tijdens het werk». Daarnaast worden in 2019 samen met branches en beroepsgroepen effectieve interventies opgesteld en geïmplementeerd. Ook zal samen met partijen bestaande kennis beter toegankelijk worden gemaakt en wordt het ontwikkelen en toepassen van innovaties gestimuleerd. Hiervoor is in totaal € 2 miljoen in de vorm van subsidies en opdrachten beschikbaar.

Versterking arbeidsgerelateerde zorg en evaluatie van de wetswijziging Arbeidsgerelateerde zorg

Per 1 juli 2018 is de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet volledig van kracht (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 375, nr. 2). In 2019 zullen onderzoeken worden gedaan en data worden verzameld om in 2020 te kunnen vaststellen welk effect de wetswijziging en de beleidsmatige inzet op het versterken van de arbeidsgerelateerde zorg heeft gehad. Hiervoor zijn middelen in de vorm van opdrachten beschikbaar. Parallel worden bedrijfsartsen gestimuleerd om de veranderde rol gericht op preventie vorm te geven en hierbij effectief samen te werken met andere arbodeskundigen. Daarnaast worden initiatieven ondersteund om het vak van bedrijfsarts aantrekkelijker en toegankelijker te maken om zo een tekort aan bedrijfsartsen af te wenden.

Effectieve interventiemix

In het regeerakkoord is geld beschikbaar gesteld voor het intensiveren van de handhavingsketen op eerlijk, gezond en veilig werk. Doel hiervan is onder andere het bevorderen van goed werkgeverschap. Een speerpunt in 2019 is het verbeteren van de preventie in bedrijven met een mix van interventies. Dit omvat interventies van alle betrokken partijen zoals brancheorganisaties, bedrijven, intermediairs en (Inspectie) SZW. Een belangrijk speerpunt van het beleid is het versterken van een cultuur waarin gezond en veilig werken de norm is. Er worden pilots uitgevoerd met interventies voor gedragsverandering en aandacht voor gezond en veilig werken in de opleidingen van toekomstige werkenden.

Innovatie van de Arbobeleidscyclus

De Staat van de Arbeidsveiligheid 2018 (Tweede Kamer, 2017–2018, 25 883, nr. 325) geeft aan dat ongevallen en beroepsziekten nog steeds veel voorkomen. Indicatoren over de toepassing van preventiemechanismen in bedrijven wijzen uit dat de naleving hiervan verbetering behoeft, met name in kleinere bedrijven. We gaan bezien of de arbobeleidscyclus op onderdelen kan worden aangescherpt. Ook wordt onderzocht of de uitvoering van sommige elementen van het arbobeleid eenvoudiger kan. Hiervoor zijn middelen in de vorm van subsidies en opdrachten beschikbaar.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

20.064

495.131

949.905

903.885

905.191

899.896

895.618

Uitgaven

15.854

495.755

949.968

903.973

905.256

899.988

895.686

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98,7%

       
               

Inkomensoverdrachten

1.805

479.300

925.629

881.762

882.895

878.902

874.600

Lage-inkomensvoordeel

0

479.300

503.629

507.037

498.170

494.177

489.875

Minimumjeugdloonvoordeel

0

0

130.000

82.725

82.725

82.725

82.725

Loonkostenvoordelen

0

0

292.000

292.000

302.000

302.000

302.000

Vakantiedagen

1.805

0

0

0

0

0

0

               

Subsidies

3.173

2.225

3.725

2.345

2.345

2.345

2.345

               

Opdrachten

6.807

10.138

11.830

11.382

11.532

10.257

10.257

               

Bekostiging

125

100

100

100

100

100

100

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

100

4.792

4.492

4.492

4.492

4.492

Ministerie van EZK

0

100

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

Ministerie van VWS

0

0

992

692

692

692

692

               

Bijdrage aan agentschappen

3 944

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

RIVM

3 944

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

               

Ontvangsten

29.240

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Subsidies:

Het juridisch verplichte deel voor subsidies bedraagt 45%. Dit betreft verschillende subsidies voor bijvoorbeeld Stichting van de Arbeid en de stichting Fairwork, Ook is er een subsidie voor duurzame inzetbaarheid in het mkb, het programma Beroepsziekten en het programma voor Arbeidsgerelateerde zorg.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 16%. De middelen worden ingezet voor bijvoorbeeld het Arboportaal, Certificering en Normalisatie (NEN) en voor het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Daarnaast zijn middelen verplicht voor onderzoek.

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College toelating gewasbestrijdingsmiddelen (Ctgb).

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

A. Inkomensoverdrachten1

Toelichting op de financiële instrumenten

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel, het Minimumjeugdloonvoordeel en de Loonkostenvoordelen. Alle regelingen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De regelingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2020 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2019 in dienst zijn. De Wtl-regelingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

A1. Lage-inkomensvoordeel

Het LIV bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers met als doel om banen te creëren en te behouden voor werknemers met een laag inkomen. Per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 110% van het minimumloon is de tegemoetkoming aan werkgevers € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per kalenderjaar. Bij een uurloon tussen de 110 en 125% van het minimumloon is de tegemoetkoming € 0,51 per uur en maximaal € 1.000 per jaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur gewerkt hebben.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitgaven aan het LIV zijn in 2019 en verder hoger dan in 2018. Dit heeft te maken met de ingroei van beschut werk en de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2017 en 2019. Hierdoor vallen naar verwachting meer werknemers onder het LIV.

A2. Minimumjeugdloonvoordeel

Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Door de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 573, nr. 5), zijn de loonkosten van jongeren gestegen. Per 1 juli 2019 zal het minimumloon voor jongeren andermaal omhooggaan. Het Jeugd-LIV compenseert werkgevers voor deze loonkostenstijgingen.

De hoogte van het Jeugd-LIV is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer. Tabel 3.1.2 geeft de maximale compensatie voor werkgevers weer. In 2018 (uitbetaling in 2019) zijn alle (maximale) tegemoetkomingen van het Jeugd-LIV eenmalig hoger, zodat werkgevers niet alleen voor de hogere minimumjeugdlonen in 2018 gecompenseerd worden, maar ook voor het laatste halfjaar van 2017.

Tabel 3.1.2 Tegemoetkoming werkgevers uit hoofde van het Jeugd-LIV (x € 1)1

Leeftijd begin van het jaar

Bedrag per uur over 2018

Maximumbedrag per werknemer over 2018

18

0,23

478,40

19

0,28

582,40

20

1,02

2.121,60

21

1,58

3.286,40

X Noot
1

Werkgevers ontvangen de tegemoetkomingen na afloop van het kalenderjaar.

Budgettaire ontwikkelingen

Het Jeugd-LIV is dit jaar ingegaan en wordt na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Daarom zijn er nog geen uitgaven in 2017 en 2018. In de ramingen is te zien dat de eenmalig hogere tegemoetkoming in 2019 wordt uitbetaald. Vanwege de verlaging van de leeftijd dat recht geeft op het reguliere minimumloon, vallen sommige jongeren niet meer in het Jeugd-LIV, maar wel in het LIV.

A3. Loonkostenvoordelen

De LKV’s bestaan sinds 2018. Er zijn momenteel vier typen LKV: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten en LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. De LKV’s zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt aan een baan te helpen. De LKV’s komen in de plaats van de mobiliteitsbonussen voor ouderen en arbeidsgehandicapten.

LKV Ouderen

Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen. De tegemoetkoming is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Arbeidsgehandicapten

Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben. De tegemoetkoming is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten

Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten. De tegemoetkoming is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 1 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer onder de doelgroep Banenafspraak aanneemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar. Vanaf 2020 is er geen maximale duur meer van de LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Tot die tijd is de maximale duur van de tegemoetkoming 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

Budgettaire ontwikkelingen

De LKV’s zijn dit jaar ingegaan en worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Daarom zijn er nog geen uitgaven in 2017 en 2018. Vanaf 2021 stijgen de uitgaven met € 10 miljoen. Dit komt met name doordat de LKV Banenafspraak structureel beschikbaar wordt, in plaats van maximaal 3 jaar per dienstverband.

B. Subsidies

Naast de uitgaven aan subsidies die bij budgetflexibiliteit zijn genoemd wordt onder andere nog circa € 1 miljoen ingezet voor het Programma Beroepsziekten.

C. Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Bijvoorbeeld voor verschillende communicatiecampagnes (arbeidsmarktdiscriminatie, arbeid en zorg, balans arbeidsmarkt en leven lang ontwikkelen) is bijna € 2 miljoen gereserveerd. Een ander voorbeeld is het programma Beroepsziekten waarvoor € 1 miljoen beschikbaar is. Ook is een bedrag van bijna € 1 miljoen beschikbaar voor het NCvB en de Arbeidsmarktpanels van het SCP. Daarnaast is € 1 miljoen beschikbaar voor het Arboportaal, voor onderhoud van de normalisatie infrastructuur en ten behoeve van voorlichting.

D. Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan de begroting van EZK ten behoeve van de financiering van het Ctgb. De bijdrage aan de begroting van het Ministerie van VWS bestaat grotendeels uit een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad.

F. Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

G. Ontvangsten

De inschatting van de boeteopbrengsten is gebaseerd op de realisatie van de voorgaande jaren. Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de uiteindelijke realisatie, waaronder de incassoratio en de restitutie van boetes.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.1.3 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2017

2018

2019

Arbeidskorting

18.328

18.836

18.490

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.001

2.058

1.778

Btw laag tarief arbeidsintensieve diensten

938

966

796

Arbeidsmarkt

Kerncijfers

De arbeidsmarkt bevindt zich in een hoogconjunctuur. In 2017 was het aantal werkenden groter dan ooit. De werkloosheid daalt al jaren gestaag voor alle leeftijdscategorieën maar is nog niet op het niveau van voor de crisis (3,7% of 381.000 werklozen in 2008). Voor 2018 en 2019 verwacht het CPB een verdere groei van de werkgelegenheid en een daling van de werkloosheid.

Tabel 3.1.4 Kerncijfers Arbeidsmarkt
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Werkloosheidspercentage

6,9

6,0

4,9

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

11,3

10,8

8,9

 

waarvan migrantenjongeren

19,9

18,1

14,9

25 tot 45 jaar

5,6

4,6

3,7

45 tot 75 jaar

6,5

5,6

4,4

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

614

538

438

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.294

8.403

8.579

Gezond en veilig werken

In 2017 heeft 1,6% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in de periode 2014–2017 vrijwel stabiel gebleven. Werknemers verzuimen gemiddeld vier op de honderd werkdagen. In 2017 vonden er 3 incidenten met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6.

Tabel 3.1.5 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,4

1,4

1,6

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,1

Ziekteverzuim (%)3

3,9

3,9

4,0

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

3

6

3

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

80

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,2

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,9

X Noot
1

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden.

X Noot
2

CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
3

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
4

Inspectie SZW, administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

X Noot
5

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
6

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar.

Tussen 2016 en 2017 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen die zijn afgegeven op basis van de quotumregeling Aziatische horeca die sinds 1 oktober 2016 in werking is getreden.

Tabel 3.1.6 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.500

5.551

5.625

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.743

4.793

4.790

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

757

758

835

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,0

7,7

8,9

X Noot
1

SZW, administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie SZW bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Op de terreinen Gezond en Veilig en Eerlijk is sprake van handhavingstoezicht. Op het terrein van Werk en Inkomen betreft het stelseltoezicht. Daarnaast voert de Inspectie SZW in opdracht van het Ministerie van VWS strafrechtelijke onderzoeken uit naar fraude in de zorg en signaleert ze op grond van bevindingen uit strafrechtelijke onderzoeken aan de Minister van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

A. Inspectie Control Framework (ICF)

Het kabinet Rutte III heeft besloten om jaarlijks extra middelen (oplopend tot 50 miljoen in 2021) aan de Inspectie SZW ter beschikking te stellen voor de versterking van de handhavingsketen. In 2019 ligt de focus op de uitbreiding van de voor de inspectieprogramma’s benodigde medewerkers en disciplines. In haar Jaarplan 2019 zal de Inspectie SZW hier nader op ingaan.

In haar Jaarplan 2018 heeft de Inspectie SZW aangegeven de extra middelen conform het ICF over de genoemde doelen te verdelen:

  • 75% voor het doel eerlijk werk;

  • 10% voor het doel gezond en veilig werk;

  • 5% voor bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s en zware ongevallen (Brzo) en;

  • 10% voor de versterking van datagericht werken.

Deze verhouding kan anders uitvallen als gevolg van toekomstige ontwikkelingen die van invloed zijn op de inzet door de Inspectie SZW.

B. Van output- naar effectsturing

De Inspectie SZW heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. De Inspectie SZW stuurt daarbij op het behalen van resultaten en effecten die bijdragen aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. De Inspectie SZW wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Daar waar effect wordt bereikt, is het vaak niet mogelijk om een causaal verband tussen interventies en effect aan te tonen. In die gevallen zal de Inspectie SZW zich richten op het plausibel maken van dit verband. Dit borgt tevens een doeltreffende en doelmatige inzet van de uit het Inspectie Control Framework voortvloeiende middelen.

De Inspectie SZW organiseert haar werk in programma’s. Dat doet zij om de bij de medewerkers van de Inspectie SZW aanwezige kennis, ervaring, denk- en uitvoeringskracht op een wendbare en flexibele manier risicogericht te kunnen inzetten. Vanwege de gewenste wendbaarheid en flexibiliteit kan het aantal programma’s en de inhoud ervan van jaar tot jaar variëren.

Tabel 3.1.7 Inspectie SZW: Inspectie control framework, capaciteitsinzet en effecten1
 

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2023

Inspectie Control Framework

         

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

30:70

30:70

2

50:50

 

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

60

60

2

>90

 

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)3

4

2

2

2

3

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)5

4

1

2

2

2

Capaciteitsinzet6

         

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

4

45

2

2

35

Brzo (%)

4

8

2

2

10

Eerlijk (%)

4

44

2

2

53

Werk en Inkomen (%)

4

3

2

2

2

Effect

         

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

55

>50

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

21

≤50

<50

<50

<50

Handhavingspercentage Brzo

44

40

40

40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

50

>50

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

39

≤50

<50

<50

<50

X Noot
1

Inspectie SZW, jaarverslag 2017 en jaarplan 2018.

X Noot
2

Geen raming 2019 of 2020 beschikbaar. Zie toelichting bij de tabel.

X Noot
3

Definitie niveau 2: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is». Definitie niveau 3: «Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol».

X Noot
4

Geen realisatie 2017 beschikbaar. Het betreft een kerncijfer dat in de SZW Begroting 2018 is geïntroduceerd. De Inspectie SZW heeft haar administratie zo aangepast dat realisaties voor het eerst over 2018 beschikbaar komen.

X Noot
5

Betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de inspectie SZW toezicht heeft gehouden.

X Noot
6

Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma’s.

De Inspectie SZW heeft in haar Jaarplan 2018 de geraamde resultaten voor zowel de beoogde effecten als het ICF en de capaciteitsinzet weergegeven. Voor het ICF en de capaciteitsinzet zijn deze alleen voor 2020 en 2023 geformuleerd. Voor de tussenliggende jaren heeft de Inspectie SZW geen tussentijdse doelen opgesteld. De Inspectie SZW moet eerst het «fundament verstevigen voordat er verdiepingen kunnen worden gebouwd.» Daarnaast duurt het enige tijd voordat nieuwe inspecteurs zijn ingewerkt. Bovendien kost het inwerken van nieuwe inspecteurs ook capaciteit. De jaarverslagen van het Ministerie van SZW en de Inspectie SZW zullen de realisaties voor de tussenliggende jaren wel weergeven. De Inspectie SZW zal in haar jaarplannen voor de tussenliggende jaren specifieker ingaan op de per programma beoogde resultaten.

1. Inspectie Control Framework

De Inspectie SZW wendt de door het kabinet Rutte III toegekende ICF-middelen aan om in 2020 een evenredige verhouding in de capaciteitsinzet op actieve en reactieve inspecties op het terrein van Veilig en Gezond tot stand te brengen en het aandeel van de gezamenlijk met de andere Brzo-toezichthouders uitgevoerde inspecties tenminste 90% te laten zijn. Bovendien beoogt de Inspectie SZW een verhoging van de mate waarin zij informatiegestuurd werkt van niveau 2 naar niveau 3 in 2023 (zie de eerste voetnoot bij de tabel voor de definitie van deze niveaus). Daarnaast wil de Inspectie SZW deze middelen inzetten om de inspectiedekking op het vlak van eerlijk werk te verdubbelen naar 2% in 2023.

2. Capaciteitsinzet

De toekomstige capaciteitsverdeling is een uitvloeisel van de inzet van de ICF-middelen uit het regeerakkoord en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW. De tabel laat zien dat in 2023 het relatieve aandeel van toezicht op «oneerlijk werk» zal zijn toegenomen.

3. Effecten

Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Bij meer dan de helft van de bij eerste inspectie bezochte bedrijven moet hiervan sprake zijn. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij niet-nalevende werkgevers. Bij minder dan de helft hiervan mag nog maar sprake zijn van regelovertreding.

Bij het inspecteren van Brzo-bedrijven bestaat geen onderscheid tussen eerste en herinspectie. De Inspectie SZW bezoekt vooral Brzo-bedrijven die vanuit het oogpunt van arbeidsomstandigheden als hoogrisico bedrijven zijn aangemerkt. Door het gezamenlijk optrekken met de andere Brzo-toezichthouders zal de Inspectie SZW ook niet-hoogrisico bedrijven bezoeken. Hierdoor zal het handhavingspercentage in 2023 naar verwachting lager zijn dan nu.

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid er naar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • Het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

Banenafspraak/quotum (resultaten driemeting)

Beleidswijzigingen

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor de doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2017 is om 33.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 23.000 in de sector markt en 10.000 in de sector overheid. De doelstelling van 33.000 banen is met 36.904 extra banen ruim gehaald. Met 30.432 banen heeft de sector markt de doelstelling van 23.000 banen ruim overtroffen. Helaas hebben de overheidswerkgevers de doelstelling ook in 2017 niet gehaald. Waar de doelstelling voor de overheid op 10.000 banen ligt, hebben de overheidswerkgevers 6.471 extra banen ten opzichte van de nulmeting gerealiseerd. Dit resultaat van de sector overheid geeft geen aanleiding om de quotumregeling te deactiveren. Halen de overheidswerkgevers over 2019 de banenafspraak weer niet, dan wordt een heffing opgelegd van € 5.000 per niet-ingevulde baan van een individuele overheidswerkgever.

Tabel 3.2.1 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20171

Streefwaarde 20172

Streefwaarde 20182

Streefwaarde 20192

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

30.432

23.000

31.000

40.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

6.471

10.000

12.500

15.000

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing.»

Offensief voor werk voor mensen met arbeidsbeperking

In het afgelopen jaar heeft het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord om over te gaan op loondispensatie in de Participatiewet nader uitgewerkt. Tijdens deze uitwerking is gebleken dat het niet mogelijk is om loondispensatie in de Participatiewet zo in te richten dat het voor iedereen simpeler en beter wordt. Het kabinet ziet daarom af van invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Het doel van het kabinet blijft ongewijzigd: meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk. Daartoe zet het kabinet in op een breed offensief voor vereenvoudiging en meer werk voor mensen met een arbeidsbeperking. Het kabinet heeft de Tweede Kamer hierover bij brief van 7 september geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 115). Voor de begrotingsbehandeling van SZW zal het kabinet een nadere uitwerking naar de Tweede Kamer sturen.

Armoede en schulden

Het kabinet wil het aantal mensen met problematische schulden terugdringen en mensen met schulden effectiever helpen. Het kabinet stelt voor drie jaar in totaal € 80 miljoen ter beschikking voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede, in het bijzonder onder kinderen. De middelen hebben als doel om te leiden tot een kwaliteitsverbetering van het gemeentelijk armoede- en schuldenbeleid. Ruim € 71 miljoen wordt via een decentralisatie-uitkering, ondersteund door bestuurlijke afspraken met de VNG, aan gemeenten toegekend om een impuls te geven aan de verbetering van de toegang tot en de effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de versterking van de lokale regie van het (kindgericht) armoedebeleid in lijn met de kabinetsreactie op advies van de SER «Opgroeien zonder armoede» en op het rapport van de Kinderombudsman «Alle kinderen kansrijk» (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 430). Hoe gemeenten hier invulling aan geven is afhankelijk van de lokale context. Bijna € 9 miljoen wordt ingezet ter versterking van de landelijke ondersteuning van gemeenten door kennisontwikkeling, professionalisering, kennisuitwisseling, monitoring en coördinatie. Er wordt voortgebouwd op reeds goed lopende projecten en programma’s, waaronder de programma’s «Schouders eronder» en «Vakkundig aan het werk.»

Armoede en schulden hangen vaak samen met andere problematieken zoals schooluitval en gezondheidsproblemen. Door actief in te zetten op het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden, kunnen kosten in andere domeinen worden voorkomen of verminderd. Dat maakt dat gemeenten, mede doordat gemeenten als uitvoerder van het armoedebeleid dichtbij de burger staan, het beste in staat zijn om de middelen en de expertise doeltreffend en doelmatig in te zetten om het armoede- en schuldenbeleid verder te versterken. Het Rijk en de VNG geven, via de bestuurlijke afspraken, samen invulling aan de monitoring en evaluatie van deze middelen, passend bij de decentrale bevoegdheden van gemeenten.

Het kabinet heeft in 2018 de brede schuldenaanpak gepresenteerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 431). In het bijbehorende actieplan zijn de maatregelen uitgewerkt en gericht op het terugdringen van het aantal mensen met problematische schulden en op een effectievere dienstverlening aan mensen met schulden. Binnen de brede schuldenaanpak worden drie actielijnen onderscheiden. Ten eerste preventie en vroegsignalering, ten tweede ontzorgen en ondersteunen en ten slotte zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Het gaat hier om een gezamenlijke aanpak van ministeries, gemeenten en andere betrokken partijen. Naast nieuwe maatregelen bevat het actieplan ook reeds lopende maatregelen die onverkort en met urgentie worden voortgezet, zoals de implementatie van de vereenvoudiging van de beslagvrije voet en de verbreding van het beslagregister. 2019 zal in het teken staan van de uitwerking/uitvoering van verschillende maatregelen.

Door een versterkte inzet op preventie en vroegsignalering worden problematische schulden tegengegaan. Zo zal in 2018 en 2019 een wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening worden voorbereid om ten behoeve van vroegsignalering gegevensuitwisseling te faciliteren. In het kader van ontzorgen en ondersteunen zullen het Rijk en gemeenten in het kader van het Interbestuurlijk Programma afspraken uitwerken om tot een vernieuwende schuldenaanpak en een verbeterde toegang tot de schuldhulpverlening te komen.

Vereenvoudiging beslagvrije voet

Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die moet voorkomen dat schuldenaren bij beslaglegging te weinig geld overhouden om in basale levensbehoeften te kunnen voorzien, worden knelpunten van de huidige regeling ondervangen. De wet wijzigt de berekeningswijze van de beslagvrije voet, de gegevens die daarvoor met verschillende instanties dienen te worden uitgewisseld, alsmede het uiteindelijke proces tot vaststelling van de beslagvrije voet. De vereenvoudiging van de beslagvrije voet ziet, net als de verbreding van het beslagregister, op de realisatie van een hoge mate van gegevensuitwisseling tussen een groot aantal partijen. Een toekomstbestendige inbedding van deze gegevensuitwisseling in de ICT-systemen van de verschillende organisaties vraagt de nodige inspanning van en samenwerking tussen de betrokken organisaties en vraagt meer tijd dan eerder werd voorzien. De basis hiervoor is in 2017 en 2018 gelegd, zodat in 2019 en 2020 verdere stappen kunnen worden gezet om tot realisatie van de met beide trajecten beoogde doelen te komen.

Onderstand Caribisch Nederland

In reactie op het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 IV, nr. 45) heeft het kabinet besloten de onderstand voor personen die zelfstandig wonen in 2019 te verhogen naar minimaal het niveau van 55% van het wettelijk minimumloon (Wml). De inkomensgrens voor bijzondere onderstand wordt tijdelijk verhoogd naar 120% Wml. Daarnaast ontvangen alleenstaande AOV-gerechtigden via de onderstand een toeslag op het inkomen tot Wml. De onderstand wordt verhoogd om de leefomstandigheden in Caribisch Nederland te verbeteren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2.2 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

6.751.201

7.059.942

7.037.743

7.129.435

7.348.572

7.506.769

7.631.337

waarvan garantieverplichtingen

– 55

           

Uitgaven

6.809.474

7.145.810

7.079.146

7.149.731

7.351.507

7.507.204

7.631.337

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Inkomensoverdrachten

6.673.695

7.014.229

6.994.795

7.088.532

7.298.243

7.456.970

7.581.638

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.900.666

6.213.528

6.215.835

6.311.591

6.509.467

6.654.382

6.758.576

TW

456.000

470.846

458.901

454.913

463.404

470.474

472.130

AIO

268.134

286.972

286.997

290.955

294.280

300.939

319.671

Bijstand zelfstandigen

42.866

36.554

26.167

23.861

23.861

23.861

23.861

Bijstand overig

1.500

1.200

1.150

1.100

1.050

1.000

950

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

2.729

5.129

5.745

6.112

6.181

6.314

6.450

Participatiebudget

1.800

0

0

0

0

0

0

Garanties

5

5

0

0

0

0

0

               

Subsidies

132.858

105.913

56.291

27.502

20.421

18.396

18.361

               

Opdrachten

1.553

12.947

16.185

21.793

21.379

20.374

19.874

               

Bekostiging

1.064

2.403

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

ZonMw

1.064

2.403

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

299

313

220

165

167

167

167

ZonMw

299

313

220

165

167

167

167

               

Bijdrage aan sociale fondsen

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Pensioenfonds Wsw

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

               

Ontvangsten

48.492

17.711

2.572

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. De rijksbijdragen aan de uitvoerende instellingen, gemeenten, het UWV en de SVB, worden ruim voor het begrotingsjaar bekend gemaakt. Inkomensoverdrachten die worden gedeclareerd, zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve ook voor 100% juridisch verplicht.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 88% juridisch verplicht. De aanvragen in het kader van de subsidieregelingen, zoals voor de sectorplannen, armoede en schulden en Doorstart naar nieuw werk, zijn beschikt of nog in procedure. Evenzo geldt dit deels voor de incidentele subsidies, zoals voor armoede onder kinderen, of de subsidies aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM), Nibud of de gesubsidieerde cofinanciering Europees Fonds Meest Behoeftigen (EFMB) die voor meerdere jaren zijn toegekend aan de desbetreffende organisaties.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. Het gaat om ruim € 1 miljoen.

Bekostiging:

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het kasbudget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

Analoog aan het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

Bijdrage aan sociale fondsen:

De bijdrage aan sociale fondsen is voor 100% juridisch verplicht.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen

Op grond van de Participatiewet verstrekt het Ministerie van SZW jaarlijks aan gemeenten een budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2019 geraamd op ruim € 6 miljard. In 2019 wordt hiervan een bedrag van € 108 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2017. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee al rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten van wie het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicodrempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort dat over 2017 meer bedraagt dan 5% en over 2016 en 2017 samen ook meer bedraagt dan 5% van het budget 2017, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2017. In tabel 3.2.3 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 3.2.3 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.900.666

6.213.528

6.215.835

6.311.591

6.509.467

6.654.382

6.758.576

               

Macrobudget participatiewetuitkeringen

5.889.6101

6.215.974

6.219.663

6.315.419

6.513.295

6.658.210

6.762.404

Algemene bijstand en loonkostensubsidie

5.497.394

5.806.690

5.797.122

5.891.722

6.097.413

6.255.844

6.382.585

IOAW

361.723

377.614

389.169

388.413

378.613

363.320

340.375

IOAZ

30.493

31.670

33.372

35.284

37.269

39.046

39.444

Intertemporele tegemoetkoming2

11.056

-2.446

-3.828

-3.828

-3.828

-3.828

-3.828

X Noot
2

SZW, financiële administratie

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW en IOAZ over de gemeenten verdeeld. Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2019 circa € 32 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en onvoldoende over eigen middelen van bestaan beschikt, kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 3.2.4 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 3.2.4 Netto bijstandsnormen van 21-jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

1.423,66

Alleenstaande (ouder)

996,56

Budgettaire ontwikkelingen

Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand, loonkostensubsidies en de intertemporele tegemoetkoming. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers volgen later in het artikel.

De door het CPB geraamde werkloosheidsdaling als gevolg van de maatregelen uit het regeerakkoord leidt tot lagere uitgaven in de bijstand in 2019. De meerjarige oploop van de uitgaven daarna hangt samen met een lichte stijging van de door het CPB verwachte werkloosheid in latere jaren en de invoering van een aantal wetswijzigingen, waaronder de invoering van de Participatiewet, de AOW-leeftijdsverhoging en de invoering van het onderdeel WW-duurverkorting in de Wet werk en zekerheid. Daarnaast is de systematiek aangepast voor de verwerking van statushouders in de bijstandsraming, zodat de verhoogde instroom van statushouders al in het uitvoeringsjaar wordt verwerkt in de bijstandsraming voor cohort 2018 en 2019. Het bijstandsbudget wordt daarmee voor 2018 en 2019 hoger dan eerder geraamd. In latere jaren wordt het hiervoor bestemde budget neerwaarts bijgesteld, in lijn met de verwachting dat een deel van de statushouders dan weer uit de uitkering stroomt. Bovendien is de meerjarige prognose van het aantal verwachte vergunninghouders bij gemeenten naar beneden bijgesteld aan de hand van nieuwe cijfers van het Ministerie van J&V. Dit leidt in latere jaren tot lagere verwachte realisaties dan waar op voorhand rekening mee was gehouden.

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken. De verrekening van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 met de gemeentelijke budgetten Participatiewetuitkeringen vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.5 Kerncijfers Participatiewet
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)2

398

394

392

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)

390

3

3

 

waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

76

3

3

 

waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

166

3

3

 

waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

147

3

3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Dit cijfer is exclusief volume loonkostensubsidie.

X Noot
3

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

Per 1 juli 2015 geldt voor de IOAW en de IOAZ een kostendelersnorm. In de IOAW en IOAZ geldt de kostendelersnorm alleen voor alleenstaande kostendelers. Nieuwe aanvragers ontvangen 50% van de gehuwdennorm. Voor huidige alleenstaanden en alleenstaande ouders wordt de norm trapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2018 is de norm 55%. Per 1 januari 2019 ontvangen alleenstaanden en alleenstaande ouders, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen, 50% van de gehuwdennorm.

Tabel 3.2.6 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

1.524,62

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

1.177,30

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

866,05

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven stijgen in 2019 door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur. De vertraging treedt op doordat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst 3 jaar WW-gerechtigd is geweest. Vanaf 2020 is de gunstige conjunctuur terug te zien in de volumeontwikkeling van de IOAW. Het tweede belangrijke effect op de IOAW-uitgaven wordt veroorzaakt door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. Dit leidt er toe dat vanaf 2020 minder mensen gebruik kunnen maken van de IOAW. De verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd vermindert daarentegen de daling van de IOAW-uitgaven. De uitgaven aan de IOAZ nemen vooral toe door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.7 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

24

26

27

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,9

2,0

2,1

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers handhaving tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 3.2.8 Kerncijfers WWB/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

82

77

75

Kennis van de verplichtingen (%)

90

88

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

29

30

31

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

66

71

69

       

Terugvordering4

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

37

43

47

Incassoratio cohort 2014 (%)

22

28

33

Incassoratio cohort 2015 (%)

14

25

31

Incassoratio cohort 2016 (%)

5

16

26

Incassoratio cohort 2017 (%)

5

5

15

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

X Noot
2

SZW-berekeningen op basis van CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

X Noot
4

CBS-onderzoek incassoratio 2016. Deze cijfers zijn overigens door het CBS herzien.

X Noot
5

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag.

De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • een alleenstaande/alleenstaande ouder met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon. Voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder, die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lagere norm. De kostendelersnorm is per 1 juli 2016 in de TW ingevoerd en wordt stapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2018 bedraagt de kostendelersnorm 55% van het Wml. Per 1 januari 2019 zal de kostendelersnorm 50% van het Wml bedragen.

Tabel 3.2.9 Normbedragen TW bruto per dag, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

73,30

Alleenstaande (ouder) van 22 jaar en ouder

54,13

Alleenstaande (ouder) van 22 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

39,82

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten. In 2018 stijgen TW-uitgaven met name omdat de Wajong-uitkering voor Wajonggerechtigden met arbeidsvermogen is verlaagd, waardoor zelfstandig wonende alleenstaanden in deze groep in aanmerking kunnen komen voor een aanvulling op grond van de TW. Hierdoor neemt het TW-volume in 2018 toe. In 2019 dalen de TW-uitgaven met name vanwege de daling van het aantal WAO- en WW-uitkeringen, waardoor ook het aantal toeslagen op die uitkeringen afneemt.

Beleidsrelevante kerncijfers

In 2018 is het TW-volume hoger dan in 2017. Doordat de uitkering voor Wajong-gerechtigden met arbeidsvermogen is verlaagd, komt een deel van deze mensen nu in aanmerking voor een aanvulling op grond van de TW. Omdat deze groep relatief lage TW-uitkeringen ontvangt, komt de gemiddelde toeslag in 2018 lager uit dan in 2017. In 2019 is er een lichte daling in het TW-volume. Deze daling wordt vooral gedreven door een daling van het aantal WAO- en WW-uitkeringen.

Tabel 3.2.10 Kerncijfers TW
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

103

129

126

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

4.385

3.569

3.665

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers handhaving vertonen een lichte stijging in 2017 ten opzichte van voorgaande jaren. De incassoratio’s blijven op een gelijk niveau.

Tabel 3.2.11 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)1
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Opsporing

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

2,4

1,7

2,0

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

5,8

5,6

6,7

       

Terugvordering

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

47

54

61

Incassoratio cohort 2014 (%)

39

48

56

Incassoratio cohort 2015 (%)

18

40

51

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

17

33

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

16

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande begrotingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 3.2.12 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd /samenwonend

1.533,18

Alleenstaande (ouder)

1.121,43

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van AIO nemen de komende jaren toe, vanwege een verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden als gevolg van de vergrijzing. Daarnaast neemt de gemiddelde uitkering de komende jaren naar verwachting iets toe, omdat als gevolg van het vervallen van de AOW-partnertoeslag huishoudens die een AIO-uitkering aanvragen, gemiddeld een hogere uitkering ontvangen dan bestaande AIO-gerechtigden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens met een AIO-uitkering neemt komende jaren naar verwachting toe vanwege de vergrijzing. Daarnaast is door het afschaffen van de AOW-partnertoeslag in 2015 het aantal aangevraagde AIO-uitkeringen toegenomen. Daarentegen heeft de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd de komende jaren een matigend effect op het aantal huishoudens dat een AIO-uitkering aanvraagt.

Tabel 3.2.13 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

44

46

46

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers handhaving tonen in 2017 een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 3.2.14 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

75

77

77

Kennis van de verplichtingen (%)

87

88

89

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,0

0,9

1,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

2,2

2,0

2,3

       

Terugvordering2

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

49

53

56

Incassoratio cohort 2014 (%)

19

27

31

Incassoratio cohort 2015 (%)

14

31

38

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

12

22

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

6

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het krediet?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 3.2.4) als aanvulling voor levensonderhoud. De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskredieten wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 3.2.15 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 januari 2018

Startende zelfstandige

36.155

Gevestigde zelfstandige

196.381

Budgettaire ontwikkelingen

Voor de verstrekking van bedrijfskredieten en uitkeringen voor levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen ontvangen gemeenten een afzonderlijke specifieke uitkering. Deze uitgaven maken geen onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen en zijn voor 2019 geraamd op € 26 miljoen. Uit onderzoek is gebleken dat gemeenten de daling van de omvang van de kredietverlening vooral verklaren uit een afname van het aantal aanvragen èn uit gemiddeld lagere bedragen, waarbij door de verbetering van de economische situatie er minder behoefte is aan Bbz-krediet. Daarnaast wordt de daling veroorzaakt doordat de uitgaven, die voor de gemeenten gezamenlijk worden geraamd, gesaldeerde uitgaven zijn. Bij individuele gemeenten verschillen de uitgaven van jaar op jaar aanzienlijk met als gevolg dat een aantal gemeenten te weinig voorschot ontvangt en andere gemeenten teveel, zodat een aantal gemeenten achteraf nabetaald krijgt en andere gemeenten voorschotten terug moeten betalen.

Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2019 € 32 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen (zie tabel 3.2.3)

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.16 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,8

3,8

3,8

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

A5. Bijstand overig

Onder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden naar verwachting afneemt. Voor de repatriëringsregeling zijn geen uitgaven voorzien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen dat in het buitenland een bijstandsuitkering ontvangt, daalt de komende jaren naar verwachting licht.

Tabel 3.2.17 Kerncijfers bijstand overig
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume bijstand overig (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is een toename in de uitgaven. Dit is het saldo van twee effecten. De uitgaven aan Onderstand stijgen door de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland. Dit leidt tot een beperkte toename van de uitgaven in 2019 en heeft in latere jaren een groter effect. Anderzijds lopen de uitgaven aan re-integratieprojecten (€ 2,3 miljoen) per 2020 af. Per saldo resulteren beide effecten in een lichte toename van de uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.18 Kerncijfers Caribisch Nederland
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,6

0,5

0,6

X Noot
1

SZW-unit RCN.

B. Garanties

Voor 2019 zijn geen garanties meer voorzien.

C. Subsidies

In totaal is in 2019 € 56,3 miljoen voor subsidies beschikbaar. € 25 miljoen is bestemd voor de uitfinanciering van de sectorplannen, € 22,2 miljoen voor het armoede- en schuldenbeleid, waarvan € 15 miljoen specifiek voor kinderen. Voor de «Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt» (DWSRA) is € 3,8 miljoen beschikbaar. Verder maken incidentele subsidies, cofinanciering van Europese subsidieregelingen, waaronder EFMB, en de subsidies aan het Nibud en de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) voor ruim € 5 miljoen onderdeel uit van het subsidiebudget.

D. Opdrachten

Deze middelen zijn met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (ca. € 11,3 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (ca. € 4,4 miljoen) en bevordering ondernemerschap (ca. € 0,5 miljoen). De middelen bevordering arbeidsparticipatie worden mede ingezet ten behoeve van het programma Sociaal Domein (dat in samenwerking tussen gemeenten en de ministeries van OCW, BZK, J&V en VWS is opgepakt), het programma Matchen op Werk en verbeteren van de werkgeversdienstverlening, het programma Perspectief op Werk en ondersteuningsprogramma’s op het terrein van vakmanschap. Uit de middelen voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening worden onder andere diverse ondersteuningsprogramma gefinancierd ter verbetering van de het (gemeentelijke) armoedebeleid en de (gemeentelijke) schuldhulpverlening. Dit laatste mede in het kader van de brede schuldenaanpak, waarover de Tweede Kamer in 2018 is bericht.

E. Bekostiging

Voor de bekostiging van het meerjarige Kennisprogramma vakkundig aan het werk, dat wordt uitgevoerd door ZonMw, is in 2019 € 1,7 miljoen beschikbaar. Dat is € 0,6 miljoen minder dan in 2018 en wordt veroorzaakt door een versnelling in de uitvoering van het Kennisprogramma in 2018, waardoor de geraamde kasuitgaven in 2018 zijn verhoogd en in 2019 zijn verlaagd.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de uitvoering van het Kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw ruim € 0,2 miljoen beschikbaar in 2019.

G. Bijdrage sociale fondsen

Met ingang van 2018 is een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI, onder de voorwaarde dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds.

H. Ontvangsten

De geraamde ontvangsten 2019 hebben betrekking op de boedelscheiding van de SVB-Nederlandse Antillen.

Kerncijfers

Tabel 3.2.19 bevat cijfers over re-integratie door gemeenten.

Tabel 3.2.19 Re-integratie gemeentelijk domein
 

2015

2016

2017

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000)1

43

43

45

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)2

33

35

44

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

1,2

2,2

9,1

 

waarvan personen met beschut werk

<0,1

<0,1

0,6

 

waarvan tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

5,2

3,7

3,2

         

Werknemersbestand WSW (x 1.000)3

96

91

87

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen3

36

37

37

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen3

6,6

6,5

6,6

         

Aantal voorzieningen Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)4

209

222

256

Aantal personen met een voorziening Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)4

166

174

190

X Noot
1

CBS, Uitstroom na re-integratie.

X Noot
2

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
3

Panteia, Wsw-rapportage.

X Noot
4

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Regeerakkoordmaatregelen ziekte en arbeidsongeschiktheid

Beleidswijzigingen

Het regeerakkoord bevat enkele maatregelen op het gebied van ziekte en arbeidsongeschiktheid. De budgettaire effecten zijn in de begroting 2019 verwerkt, de maatregelen die in 2019 in zouden gaan zijn met een jaar uitgesteld. Het kabinet staat open voor voorstellen van sociale partners die het draagvlak voor het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid verbeteren (kamerstuk 29 544, nr. 813). De Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de uitwerking van de regeerakkoordmaatregelen met betrekking tot ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Loonkostensubsidies en het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium

Het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet. De beoogde inwerkingtredingsdatum is nu 1 januari 2020, dit is een jaar later dan vermeld in de begroting 2018.

Re-integratie WW

Het kabinet is voornemens om bij SZW verzamelwet 2019 te regelen dat UWV ook re-integratie kan inkopen voor mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard en in de WW terecht zijn gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.3.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

804

790

799

815

832

848

865

Uitgaven

804

790

799

815

832

848

865

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

804

790

799

815

832

848

865

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

804

790

799

815

832

848

865

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Tabel 3.3.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Uitgaven

9.455.806

9.778.216

10.237.306

10.737.822

11.214.577

11.721.598

12.150.676

               

Inkomensoverdrachten

9.394.789

9.693.454

9.864.234

10.043.937

10.202.897

10.371.453

10.450.965

IVA

2.036.404

2.360.541

2.618.994

2.884.830

3.150.033

3.414.824

3.641.844

WGA

2.492.840

2.716.671

2.891.579

3.050.071

3.179.501

3.307.383

3.410.573

WGA eigen-risicodragers

360.864

365.239

387.172

409.104

431.037

452.969

474.900

WAO

4.365.460

4.122.836

3.850.573

3.595.336

3.349.078

3.111.844

2.847.188

WAZ

139.221

128.167

115.916

104.596

93.248

84.433

76.460

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

61.017

84.762

104.543

115.126

116.236

117.344

118.453

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

61.017

84.762

104.543

115.126

116.236

117.344

118.453

               

Nominaal

0

0

268.529

578.759

895.444

1.232.801

1.581.258

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (OV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgavenontwikkeling van de Ongevallenverzekering (OV) wordt verklaard door de verhoging van de gerechtigde leeftijd voor de Algemene Ouderdomsverzekering (zie beleidsartikel 8). Hierdoor lopen de uitkeringen van de OV langer door.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)2

0,22

0,2

0,2

X Noot
1

SZW-unit RCN.

X Noot
2

Per 2017 geldt een aangepaste definitie waarin de uitkeringen zowel met als zonder tussenkomst van de werkgever zijn opgenomen.

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door het UWV.

Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan het UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van het UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2018 € 211,42, dat is afgerond € 4.598,39 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 3.448,79 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden in 2018 een tegemoetkoming van netto € 177,68 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 38 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De Wet werk en zekerheid bevat maatregelen die de maximale duur van de loongerelateerde uitkering raken, zoals de geleidelijke duurverkorting en de aanpassing van de opbouw van WW-rechten. Dit heeft tot gevolg dat de maximale duur van de loongerelateerde uitkering stapsgewijs – één maand per kwartaal – wordt teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden voor nieuwe instroom in de WGA. Deze maatregelen zijn per 1 januari 2016 in werking getreden.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om dit te stimuleren wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld tot 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van netto € 177,68.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2019 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 450 miljoen. Dit is een gevolg van het feit dat de WIA een relatief nieuwe regeling is die nog niet het structurele niveau heeft bereikt. Naarmate het WIA-bestand meer ingroeit zal er ook logischerwijs meer doorstroom plaatsvinden van de WGA naar de IVA omdat het WGA-bestand groeit. Hierdoor stijgen de IVA-uitgaven relatief harder dan de WGA-uitgaven. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd heeft als gevolg dat WIA-uitkeringen langer kunnen doorlopen. De tegemoetkoming arbeidsongeschikten maakt onderdeel uit van de uitkeringslasten IVA, WGA, WAO en WAZ in tabel 3.3.2.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 3.3.4.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden alleen nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het maximumdagloon. Dat is per 1 juli 2018 maximaal € 3.448,79 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2018) netto € 177,68.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2019 17.000 uitkeringen beëindigd. De uitkeringslasten WAO dalen in 2019 met ruim € 270 miljoen. In latere jaren gaat de daling van de uitkeringslasten minder snel. Dit komt vooral doordat WAO-uitkeringen langer kunnen doorlopen als gevolg van de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3.4 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

IVA, WGA en WAO

     

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

550

555

561

 

waarvan IVA

98

109

120

 

waarvan WGA

179

192

204

 

waarvan WAO

273

254

237

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,0

7,9

7,8

         

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

42

43

43

 

waarvan IVA

11

11

11

 

waarvan WGA

31

32

31

 

waarvan WAO

0,7

0,6

0,5

Instroomkans (%)

0,6

0,6

0,6

         

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

39

38

36

 

waarvan IVA

7

9

9

 

waarvan WGA

11

10

10

 

waarvan WAO

21

20

17

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

10

9

9

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

6,7

6,9

6,5

         

WGA

     

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

44

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Het aandeel werkende WGA’ers wordt niet geraamd.

Handhaving

De indicatoren op het gebied van preventie en opsporing vertonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren. Ook de incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 3.3.5 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)1
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

83

79

79

Kennis van de verplichtingen (%)

91

88

89

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

2,0

1,1

1,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

9,4

6,0

7,4

       

Terugvordering2

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

57

64

71

Incassoratio cohort 2014 (%)

49

56

61

Incassoratio cohort 2015 (%)

22

45

57

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

24

44

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

19

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017». Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2018 maximaal € 1.195,65 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2018) netto € 177,68.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd heeft als gevolg dat WAZ-uitkeringen langer kunnen doorlopen. Hierdoor dalen de uitkeringslasten in de WAZ minder snel.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3.6 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

12

11

9,7

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zet het UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Het UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt het UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structureel functionele beperking.

Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan het UWV beschikbaar gesteld en door het UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in beleidsartikel 4.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2019 is voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 105 miljoen beschikbaar. Met het regeerakkoord heeft het kabinet vanaf 2019 structureel middelen vrijgemaakt om de persoonlijke dienstverlening die het UWV biedt uit te breiden en te versterken, zie beleidsartikel 11. Naar verwachting leidt dit tot een hogere uitputting van het re-integratiebudget. Op basis van informatie van het UWV is er in 2018 naar verwachting minder budget nodig voor de inkoop van re-integratietrajecten en voorzieningen. Het premiegefinancierde budget voor 2018 is daarom met € 19,4 miljoen verlaagd.

De vaste commissie SZW van de Tweede Kamer heeft de Minister tijdens het wetgevingsoverleg over het Jaarverslag 2017 verzocht om inzicht te geven in de verhouding tussen premie- en begrotingsgefinancierde middelen van het re-integratiebudget. In tabel 3.3.7 is daarom het totale budget dat voor het UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong. Aandachtspunt is dat een deel van het begrotingsgefinancierde budget gericht is op de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Het overige begrotingsgefinancierde deel is samen met het premiegefinancierde deel beschikbaar voor inkoop van trajecten en diensten.

Tabel 3.3.7 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudget (x € 1.000)
 

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Premiegefinancierd (WIA/WAO/WAZ/ZW/WW)

61.017

84.762

104.543

115.126

116.236

117.344

118.453

Begrotingsgefinancierd (Wajong)

27.800

99.446

107.312

103.929

101.216

84.892

82.166

 

waarvan ESB

13.000

14.000

14.0000

14.000

14.000

14.000

14.000

Totaal beschikbaar budget voor inkoop

75.8171

170.208

197.855

205.055

203.452

188.236

186.619

X Noot
1

In 2017 sluit het beschikbare budget niet een op een aan op de uitgaven aan re-integratie door het UWV. Dit wordt verklaard doordat het UWV in 2017 ESF-gelden heeft ontvangen voor oude projecten (€ 36 miljoen). Daarnaast is in 2016 een deel van het re-integratiebudget 2017 (€ 45 miljoen) aan UWV betaald.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.3.8 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2017

2018

2019

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

523

544

554

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

– 412

– 428

– 426

4. Jonggehandicapten

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wajong bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «Wajong2010» (2010 tot 2015) en de Wajong2015. Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «Wajong2010» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Levenlanglerenkrediet

Beleidswijzigingen

Het kabinet stelt in de op dit moment bij de Tweede Kamer voorliggende verzamelwet SZW 2019 voor een uitzondering te maken voor het levenlanglerenkrediet bij het vaststellen van het recht op Wajong. Jonggehandicapten in de Wajong2010 die met een levenlanglerenkrediet een studie volgen blijven met ingang van 1-1-2019 in de werkregeling. Het volgen van een studie met een levenlanglerenkrediet vormt met ingang van 1-1-2019 geen uitsluitingsgrond meer voor de toegang tot de Wajong2015.

Vereenvoudiging Wajong

Naar aanleiding van de in 2017 uitgevoerde beleidsdoorlichting Wajong is het kabinet voornemens om met ingang van 1 januari 2020 enkele wijzigingen in de Wajong door te voeren (Tweede Kamer, 2017–2018, 30 982, nr. 40). Al deze wijzigingen staan in het teken van vereenvoudigen van de Wajong en het wegnemen van drempels om aan de slag te gaan. Met de additionele middelen uit het regeerakkoord heeft het kabinet het mogelijk gemaakt om de persoonlijke dienstverlening aan Waiongers met arbeidsvermogen (artikel 11) op peil te brengen en te houden. Het kabinet stelt daarnaast voor voornemens om de verschillende inkomensregelingen binnen de Wajong harmoniseren tot een inkomensregeling voor alle werkende Wajongers. Verder is het kabinet voornemens om de negatieve prikkel om een studie op te pakken weg te nemen. Wajongers in de Wajong2010 die gaan studeren, komen niet meer in de studieregeling terecht met een uitkering van 25% van het minimumloon, maar blijven in de Wajong2010-werkregeling of -uitkeringsregeling. Wajongers ervaren de mogelijkheid dat zij het recht op Wajong verliezen mogelijk als een drempel om te gaan werken. Om deze drempel weg te nemen, stelt het kabinet voor de regels voor het vervallen van het recht op Wajong te harmoniseren en de periode voor het herleven van het recht op Wajong te verlengen.

Motie Siderius

Gelijktijdig met de Wajongmaatregelen naar aanleiding van de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting, is het kabinet voornemens om met ingang van 1 januari 2020 studie als uitsluitingsgrond voor toegang tot de Wajong2015 te schrappen. Hiermee geeft het kabinet gevolg aan een breed gesteunde motie van het lid Siderius (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 497, nr. 188) waarbij de Tweede Kamer de regering heeft opgeroepen in de Wajong2015 een voorziening te treffen waarmee ernstig meervoudig beperkte leerlingen tijdens hun studie aanspraak kunnen maken op een uitkering op basis van de Wajong2015.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.4.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

3.202.010

3.282.302

3.359.378

3.440.570

3.470.482

3.444.895

3.460.007

Uitgaven

3.202.010

3.282.302

3.359.378

3.440.570

3.470.482

3.444.895

3.460.007

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

3.174.210

3.182.856

3.252.066

3.336.641

3.369.266

3.360.003

3.377.841

Wajong

3.174.210

3.182.856

3.252.066

3.336.641

3.369.266

3.360.003

3.377.841

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

27.800

99.446

107.312

103.929

101.216

84.892

82.166

Re-integratie Wajong

27.800

99.446

107.312

103.929

101.216

84.892

82.166

               

Ontvangsten

18.151

25.625

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajongers.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben. Voor de Wajong2015 geldt hierbij als voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Voor mensen met recht op de oude Wajong die volledig arbeidsgehandicapt zijn en duurzaam geen arbeidsvermogen hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2018 is dit € 1.195,65 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 22 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Voor de groep met arbeidsvermogen is de uitkering maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is deze afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Voor mensen met recht op de Wajong2010 in de uitkeringsregeling is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen in de Wajong2010 werkregeling is de uitkering maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen die arbeidsmogelijkheden hebben geldt een activerende uitkeringsstructuur, waarbij «werken moet lonen» het uitgangspunt is. Verdient een Wajonger in de werkregeling meer dan 20% van het minimumloon, dan mag hij de helft van elke extra verdiende euro houden, tot 100% van het minimumloon. Jonggehandicapten in de Wajong2010 van 27 jaar of ouder die 7 jaar in de werkregeling zitten komen in de voortgezette werkregeling. Wanneer jonggehandicapten in de voortgezette werkregeling van de Wajong2010 meer dan 20% van het minimumloon verdienen, worden ze met een uitkering aangevuld tot 100% van het minimumloon. Jonggehandicapten in de Wajong2010 die studeren, ontvangen een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon. Het kabinet is voornemens om deze studieregeling vanaf 2020 te schrappen, waardoor ook de jonggehandicapten in de Wajong 2010 die studeren in de werkregeling of uitkeringsregeling zullen komen.

Mensen met recht op de Wajong2015 ontvangen een uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon.

Daarnaast ontvangen Wajong-gerechtigden in 2018 een tegemoetkoming van netto € 177,68 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een Wajong-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten stijgen in 2019, ondanks een afname van het volume van de Wajong, licht ten opzichte van 2018. Deze stijiging wordt veroorzaakt door een hogere gemiddelde uitkering. De belangrijkste factoren zijn:

  • De nieuwe instroom heeft duurzaam geen arbeidsmogelijkheden en zal daarom een volledige uitkering ontvangen.

  • Van de personen die uitstromen zal een deel een gedeeltelijke uitkering hebben, omdat zij wel werken.

  • De gemiddelde leeftijd van de Wajongers neemt toe, omdat de grote groep die de afgelopen jaren is ingestroomd ouder wordt. Hierdoor neemt het percentage Wajongers dat een uitkering krijgt dat gebaseerd wordt op het minimumjeugdloon af.

  • Het aantal mensen dat op grond van de studieregeling nog een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon ontvangt neemt af. Deze personen in de Wajong2010 krijgen een hogere uitkering omdat ze niet meer studeren en doorstromen naar de werk- of uitkeringsregeling.

De financiële gevolgen van de maatregelen naar aanleiding van de beleidsdoorlichting Wajong en de motie Siderius zijn verwerkt in het budgettaire beeld van 2020 en later.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het totale volume van de Wajong neemt iets af. Dit komt doordat de uitstroom uit de oude Wajong en Wajong2010 groter is dan de instroom in de Wajong2015. Het verwachte aandeel werkenden als percentage van de Wajongers met arbeidsvermogen neemt iets toe als gevolg van de banenafspraak (zie beleidsartikel 2). De tabel met kerncijfers over de Wajong geeft vanaf deze begroting informatie over welk aandeel van de werkende Wajongers arbeidsvermogen heeft

Tabel 3.4.2 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

246

245

244

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

175

172

169

   

waarvan met arbeidsvermogen (%)

41

41

41

 

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

65

64

63

   

waarvan werkregeling (%)

68

72

75

   

waarvan studieregeling (%)

7,3

3

0

   

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

25

25

25

 

waarvan Wajong2015

6,2

9

13

           

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

4,7

5

5

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

6,1

6

6

           

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)

50

50

51

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers over preventie zijn iets afgenomen ten opzichte van voorgaande jaren. Wajongers scoren op kennis van de verplichtingen iets lager en gelijktijdig is de gepercipieerde detectiekans afgenomen. UWV zet daarom in op betere voorlichting over rechten en plichten. De kerncijfers op het gebied van opsporing zijn toegenomen in vergelijking met voorgaand jaar. De incassoratio’s zijn redelijk stabiel gebleven.

Tabel 3.4.3 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

77

68

Kennis van de verplichtingen (%)

86

86

82

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,6

1,6

2,4

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

4,0

4,6

7,5

       

Terugvordering2

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

59

65

72

Incassoratio cohort 2014 (%)

50

58

65

Incassoratio cohort 2015 (%)

18

41

51

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

17

43

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

13

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde

X Noot
4

Deze cijfers komen niet voor.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de REA-instituten (instellingen die scholings- en arbeidstoeleidingstrajecten bieden aan jongeren die ernstige belemmeringen ondervinden bij het volgen van scholing vanwege één of meer specifieke sociaal-medische beperkingen) door middel van de ESB-regeling. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. Specifiek voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de Wajong2010 geldt een acceptatieplicht van passende arbeid. Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3. In tabel 3.3.7 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2019 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 107 miljoen beschikbaar. Met het regeerakkoord heeft het kabinet vanaf 2019 structureel middelen vrijgemaakt om de persoonlijke dienstverlening die het UWV biedt, uit te breiden en te versterken, zie beleidsartikel 11. Naar verwachting leidt dit tot een hogere uitputting van het re-integratiebudget. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget neemt na 2019 geleidelijk af (zie tabel 3.4.1). Dit hangt samen met de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong2015 wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben.

Op basis van informatie van het UWV is er in 2018 naar verwachting minder budget nodig voor de inkoop van re-integratietrajecten en voorzieningen. Het begrotingsgefinancierde budget voor 2018 is daarom met € 23,7 miljoen verlaagd.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.4.4 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2017

2018

2019

Jonggehandicaptenkorting

178

178

180

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomensverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW). Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen mee met de AOW-leeftijd.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Wet Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

Beleidswijzigingen

In het regeerakkoord is aangekondigd dat de IOW vanaf 2020 met vier jaar wordt verlengd, zodat oudere werklozen na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner hoeven «op te eten» voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning. Met het oog op de stijgende participatiegraad van oudere werknemers en de betaalbaarheid van de regeling, zal de IOW worden aangepast door de leeftijdsgrens vanaf 2020 te laten meestijgen met de AOW-leeftijd.

Scholing WW (amendement van Weyenberg c.s., Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 15)

Vanaf juli 2018 beschikt het UWV over een tijdelijk budget voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Het gaat om scholingstrajecten die leiden naar beroepen waar veel vraag naar werkenden is. De scholingstrajecten kunnen ingezet worden gericht op werkhervatting in een krapteberoep of gericht op een arrangement met een werkgever, waarbij een concrete baan in het vooruitzicht is gesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

173.025

110.598

155.993

127.303

129.882

138.541

148.688

Uitgaven

166.729

114.574

157.104

127.966

130.282

138.541

148.688

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98,6%

       
               

Inkomensoverdrachten

157.961

98.179

129.813

117.093

129.882

138.541

148.688

IOW

65.037

69.579

97.213

116.993

129.782

138.441

148.588

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

24

100

100

100

100

100

100

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit

92.900

28.500

32.500

0

0

0

0

               

Subsidies

7.506

8.003

17.311

663

400

0

0

               

Opdrachten

1.262

1.092

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

7.300

9.980

10.210

0

0

0

Scholing WW

0

7.300

9.980

10.210

0

0

0

               

Ontvangsten

1.171

3.397

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten IOW en uitkeringslasten Cessantiawet (Caribisch Nederland).

Subsidies:

De subsidies zijn voor 87% juridisch verplicht. Het betreft budget voor de subsidieregelingen voor het ontwikkeladvies, voor de experimenten «Meer werk» en voor ondersteuning van de Ambachtsacademie. 13% van het beschikbare budget is niet verplicht, omdat het budget voor het ontwikkeladvies nog niet helemaal is toebedeeld.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een tijdelijk budget voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie.

Tabel 3.5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Uitgaven

5.139.206

4.290.173

3.739.575

3.598.308

3.730.856

3.997.030

4.280.747

               

Inkomensoverdrachten

5.139.206

4.290.173

3.603.782

3.348.249

3.358.450

3.491.546

3.628.717

WW

5.139.206

4.290.173

3.603.782

3.348.249

3.358.450

3.491.546

3.628.717

               

Nominaal

0

0

135.793

250.059

372.406

505.484

652.030

               

Ontvangsten

329.026

323.000

310.293

321.431

332.326

342.499

352.986

Ufo

329.026

323.000

298.984

298.984

298.984

298.984

298.984

Nominaal

0

0

11.309

22.447

33.342

43.515

54.002

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. De IOW is een tijdelijke regeling. In het sociaal akkoord is afgesproken om de IOW tot 2020 te verlengen en daarna een evaluatie uit te voeren. In de Wwz is daartoe opgenomen dat oudere WW’ers en WGA’ers in aanmerking kunnen komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2020 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. In het regeerakkoord is opgenomen dat de IOW vanaf 2020 met vier jaar wordt verlengd, waarbij de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen meestijgt met de AOW-leeftijd. De IOW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering. De regeling is toegankelijk voor oudere werklozen die werkloos zijn geworden vanaf 1 oktober 2006;

  • Gedeeltelijk arbeidsongeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. De regeling is toegankelijk als het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering op of na 1 januari 2008 is ontstaan.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Dit is op 1 juli 2018 € 1.115,94 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het wettelijk minimumloon als:

  • de WW- of loongerelateerde WGA-uitkering, in de kalendermaand voor het einde van deze uitkering, lager was dan 70% van het minimumloon;

  • de betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOW stijgen van 2018 op 2019 met circa € 30 miljoen. Vanwege de duurverkorting in de WW stromen mensen op jongere leeftijd door naar de IOW. Daarnaast blijven ze langer in de IOW-uitkering zitten vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd. Beide effecten leiden tot een hoger IOW-volume, waardoor de IOW-uitgaven meerjarig een stijgend verloop vertonen. Door de verlening van de IOW blijven de IOW-uitgaven ook na 2022 doorstijgen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Door de WW-duurverkorting komen mensen eerder in de IOW terecht. Door de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd blijven mensen gemiddeld langer in de IOW. Door deze twee effecten neemt het volume in de IOW toe.

Tabel 3.5.3 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

5,0

5,8

8,0

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. In de praktijk kunnen uitgaven echter van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals gemiddeld dienstverband en gemiddeld loon, kunnen ook sterk fluctueren en de hoogte van de uitkeringslasten van jaar tot jaar beïnvloeden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal uitkeringen dat op basis van de Cessantiawet wordt verstrekt is beperkt. Het volume wordt geraamd op minder dan 100 uitkeringen per jaar.

Tabel 3.5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Per 1 januari 2018 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen aangepast waardoor het dagloon voor zogenoemde herlevers, de groep waarbij sprake is van twee WW-uitkeringen in dezelfde kalendermaand, hoger uitkomt. Daarnaast komen deze herlevers in aanmerking voor een compensatieregeling. Op de compensatieregeling dagloonbesluit wordt voor 2018 een onderrealisatie verwacht. Tegelijkertijd is de verwachting dat ook in 2019 compensatie als gevolg van het dagloonbesluit nodig is. Om deze kosten te dekken wordt de verwachte onderrealisatie in 2018 doorgeschoven naar 2019.

A4. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd en wordt vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:

  • de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;

  • verzekerd zijn voor de WW;

  • minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2018 maximaal € 3.448,79 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.218,87 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

De ramingen van het CPB geven voor 2018 en 2019 een daling van de werkloosheid aan. Daarnaast groeien de effecten van de Wwz geleidelijk in. De WW-duurverkorting, de aanpassing van het besluit passende arbeid en de invoering van inkomensverrekening hebben daarbij in de komende jaren naar verwachting een neerwaarts effect op de WW-uitgaven. Gezamenlijk leidt dit in 2018 naar verwachting tot een daling van de WW-uitgaven met circa € 850 miljoen en in 2019 tot een verdere daling met € 690 miljoen. Meerjarig verwacht het CPB dat de werkloosheid weer zal gaan toenemen, daardoor nemen de WW-uitgaven in latere jaren toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

De werkloosheid zal in 2018 en 2019 naar verwachting verder dalen. Dit leidt tot een afname van het aantal nieuwe WW-uitkeringen. Het aantal beëindigde WW-uitkeringen komt door de aantrekkende arbeidsmarkt in beide jaren naar verwachting hoger uit dan het aantal nieuwe uitkeringen. Het WW-volume vertoont daarmee meerjarig een dalend verloop.

De invoering van de nieuwe WW-systematiek op basis van inkomensverrekening heeft een vertragend effect op de uitstroom uit de uitkering. Het recht op uitkering wordt pas administratief beëindigd nadat gebleken is dat de opgegeven inkomsten overeenkomen met de inkomstenopgave van de werkgever in de polisadministratie. Daarnaast valt de uitstroom mogelijk lager uit dan voorheen, omdat mensen die tegen een lager uurloon vanuit de WW gaan werken, een aanvulling uit de WW blijven behouden.

Tabel 3.5.5 Kerncijfers WW
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

291

233

197

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

330

267

231

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1.000)

390

327

292

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

472

390

327

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Het WW-volume in tabel 3.5.5 wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit is het gemiddeld aantal WW-uitkeringen gedurende het kalenderjaar omgerekend naar voltijdsequivalenten. Daarnaast bevat tabel 3.5.5 het aantal lopende WW-uitkeringen per 31 december. De ontwikkeling van deze ultimostand kan via de onderste twee kerncijfers in de tabel worden verklaard uit de totale WW-instroom en de WW-uitstroom gedurende het kalenderjaar.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie tonen in het algemeen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren, waarbij er sprake is van een hoog niveau van kennis van de verplichtingen bij de WW-gerechtigden. De kerncijfers op het gebied van opsporing laten zien dat het aantal geconstateerde overtredingen in 2017 verder is gedaald, terwijl het totale benadelingsbedrag vergelijkbaar is met dat van 2016. De incassoratio’s zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren.

Tabel 3.5.6 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1

     

Gepercipieerde (%)

84

81

79

Kennis van de verplichtingen (%)

97

96

97

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

28

14

10

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

40

22

21

       

Terugvordering2

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

65

71

76

Incassoratio cohort 2014 (%)

49

60

68

Incassoratio cohort 2015 (%)

34

59

69

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

29

52

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

28

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

B. Subsidies

Het kabinet heeft in 2016 middelen beschikbaar gesteld voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Het plan is onder meer gericht op het voorkomen van werkloosheid door werkende 50-plussers meer wendbaar te maken. In 2019 is voor de subsidieregelingen voor de aanpak van ouderenwerkloosheid € 17,3 miljoen beschikbaar. Dit betreft de introductie van een ontwikkeladvies, training voor leidinggevenden en een centraal aanspreekpunt voor werkgevers (€ 16,4 miljoen). Ook is budget beschikbaar voor experimenten om kansen bij werkgevers te benutten die nu onbenut blijven, zoals in de techniek en de ambachten (€ 0,5 miljoen). Tot slot is er in 2019 budget beschikbaar voor ondersteuning van de Ambachtsacademie (€ 0,6 miljoen).

C. Opdrachten

In 2018 betrof het budget voor opdrachten de campagne voor het actieplan Perspectief voor vijftigplussers en de evaluatie van het actieplan. In 2019 is hier geen budget meer voor nu de campagne afloopt en de evaluatie reeds in gang is gezet.

D. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Vanaf juli 2018 beschikt het UWV over een tijdelijk budget voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Hiervoor is € 30 miljoen beschikbaar, verspreid over drie jaar. Hiervan is circa € 2,5 miljoen gereserveerd voor uitvoeringskosten. Dit wordt verantwoord op artikel 11.

E. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. Het UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. Als gevolg van de aantrekkende arbeidsmarkt nemen de ontvangsten Ufo in 2019 naar verwachting af.

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV en de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Wet transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid

Beleidswijzigingen

Deze wet compenseert werkgevers vanaf 1 april 2020 voor verstrekte transitievergoedingen aan werknemers van wie de dienstbetrekking is geëindigd na langdurige arbeidsongeschiktheid. De regeling kent terugwerkende kracht tot 1 juli 2015.

Middelen MKB

Om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft te nemen wordt de verplichting tot het betalen van een transitievergoeding van enkele scherpen randen ontdaan. Zo is er in het regeerakkoord geld gereserveerd om de transitievergoeding voor kleine werkgevers te compenseren wanneer ontslag als gevolg van bedrijfsbeëindiging wegens pensionering of ziekte. Deze regeling komt bovenop de reeds aangenomen wet waarin de transitievergoeding gecompenseerd kan worden indien een werknemer wordt ontslagen na 2 jaar ziekte.

Wijziging Wet arbeid en zorg

Per 1 januari 2019 wijzigt de Wet arbeid en zorg op twee onderdelen. Het pleegzorg- en adoptieverlof wordt met 2 weken verlengd tot 6 weken. Gedurende het verlof, dat voor beide ouders geldt, wordt een uitkering verstrekt ter hoogte van het (maximum)dagloon. Gelijktijdig wordt het huidige kraamverlof (nu 2 dagen met behoud van loon) uitgebreid tot geboorteverlof met een omvang van eenmaal de wekelijkse arbeidsduur met behoud van loon. Dit wordt gerealiseerd met de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG). Recht op het verlof, vanaf dan geboorteverlof genaamd, heeft de echtgeno(o)t(e) of de geregistreerd partner van de moeder, degene die ongehuwd met haar samenwoont of degene die het kind heeft erkend. Het verlof dient opgenomen te worden binnen 4 weken na de dag van de bevalling. Per 1 juli 2020 kan het geboorteverlof worden aangevuld met vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur geboorteverlof. Tijdens het aanvullende geboorteverlof krijgt de werknemer een uitkering ter hoogte van 70% van zijn (maximum)dagloon.

Compensatieregeling zwanger en zelfstandig (ZEZ)

Vrouwelijke zelfstandigen die tussen mei 2005 en juni 2008 zijn bevallen en destijds geen uitkering hebben ontvangen, kunnen compensatie van € 5.600 bruto aanvragen bij het UWV. Deze compensatie wordt in 2019 uitbetaald.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.6.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

7.578

7.864

7.427

7.492

7.554

7.618

7.611

Uitgaven

7.578

7.764

7.527

7.492

7.554

7.618

7.611

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

7.578

7.364

7.427

7.492

7.554

7.618

7.611

TAS

4.508

4.213

4.213

4.213

4.213

4.213

4.213

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

3.070

3.151

3.214

3.279

3.341

3.405

3.398

               

Subsidies

0

400

100

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten TAS en uitkeringslasten ziekteverzekering Caribisch Nederland.

Tabel 3.6.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Uitgaven

2.682.956

2.779.445

2.899.275

3.811.355

3.662.858

3.559.808

3.709.231

               

Inkomensoverdrachten

2.682.956

2.779.445

2.794.608

3.544.829

3.295.610

3.105.541

3.142.503

ZW

1.545.151

1.599.463

1.543.432

1.492.587

1.495.642

1.498.907

1.512.514

Transitievergoeding

0

0

0

781.743

403.120

189.296

189.296

WAZO

1.137.805

1.179.982

1.251.176

1.207.791

1.230.312

1.250.802

1.274.157

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

0

0

0

62.708

166.536

166.536

166.536

               

Nominaal

0

0

104.667

266.526

367.248

454.267

566.728

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot op de schadevergoeding van de werkgever. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt het voorschot hiermee verrekend. Indien de werknemer geen schadevergoeding ontvangt, wordt het voorschot omgezet in een tegemoetkoming. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 20.355.

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2018 € 20.355. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de TAS worden voor de komende jaren geraamd op € 4,2 miljoen per jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden, blijft het aantal TAS-aanvragen de komende jaren naar verwachting stabiel.

Tabel 3.6.3 Kerncijfers TAS
   

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,3

 

waarvan toekenning i.v.m. asbesthose

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,1

0,1

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

85

– 2

– 2

X Noot
1

1 SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers worden niet geraamd.

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland):

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Door de verhoging van de gerechtigde leeftijd van de Algemene Ouderdomsverzekering (zie beleidsartikel 8) lopen de uitkeringen van de ZV langer door. Hierdoor nemen de uitkeringslasten ZV de komende jaren in enige mate toe.

Beleidsrelevante kerncijfers
Tabel 3.6.4 Kerncijfers ziekteverzekering Caribisch Nederland
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

61

63

64

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door het UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ziektewetuitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2018 gemaximeerd op € 211,42 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 3.218,87 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar.

Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 4.598,39 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan het UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW van de bij het UWV verzekerde populatie nemen in 2019 met circa € 55 miljoen af. Deze daling is vooral het gevolg van een afname van het aantal zieke werklozen, en deels een afname van de bij UWV verzekerde populatie eindedienstverbanders.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.6.5 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume ZW (x 1.000 uitkeringsjaren)

90

90

86

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

252

2

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

300

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie tonen in het algemeen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren. Wel laten de kerncijfers op het gebied van opsporing een hoger aantal geconstateerde overtredingen zien dan in 2017, terwijl het totale benadelingsbedrag in mindere mate stijgt. De incassoratio’s tonen een stabiel beeld.

Tabel 3.6.6 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

81

76

80

Kennis van de verplichtingen (%)

94

93

95

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,8

1,1

2,8

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

2,3

3,0

3,4

       

Terugvordering2

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

58

68

76

Incassoratio cohort 2014 (%)

38

49

56

Incassoratio cohort 2015 (%)

26

44

51

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

25

41

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

24

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Transitievergoeding

Bij ontslag van een werknemer wegens (langdurige) arbeidsongeschiktheid is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd, na langdurige arbeidsongeschiktheid. De compensatiemaatregel uit deze wet zal naar verwachting in werking treden op 1 april 2020.

Budgettaire ontwikkelingen

De compensatie transitievergoeding wegens (langdurige) arbeidsongeschiktheid kost structureel naar verwachting circa € 190 miljoen. In 2020 en 2021 liggen de uitgaven hoger. In deze jaren vindt compensatie van werkgevers met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 plaats.

A5. Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Vrouwelijke werknemers;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (o.a. thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.

Hoe hoog is de WAZO?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2018 gelijk aan € 4598,39 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2018 € 1.594,20 bruto per maand exclusief vakantiegeld).

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van een verwachte lichte toename van het aantal geboorten en een licht stijgende participatiegraad stijgen de uitgaven voor zwangerschap- en bevallingsverlof in 2019 en latere jaren. In 2019 zijn de uitkeringslasten eenmalig € 55 miljoen hoger. De extra uitgaven zijn een gevolg van de compensatieregeling voor vrouwelijke zelfstandigen die tussen mei 2005 en juni 2008 zwanger waren en destijds geen uitkering ontvingen.

A6. WAZO aanvullend geboorteverlof partners

Het aanvullend geboorteverlof wordt per 1-7-2020 ingevoerd. Het verlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door het UWV uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

Rechthebbend zijn werknemers die ook verzekerd zijn voor de Ziektewet en die als echtgeno(o)t(e) of partner van de moeder geregistreerd zijn. Daarnaast hebben ook ongehuwd samenwonenden en de partner die het kind erkent, recht op dit verlof.

Hoe hoog is de uitkering?

De uitkering bedraagt 70% van het dagloon, met als maximum 70% van het maximum dagloon.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor uitgaven als gevolg van het wetsvoorstel dat het aanvullend geboorteverlof regelt, is in 2020 bijna € 63 miljoen begroot. De uitgaven zijn in 2020 beperkt doordat de regeling halverwege het jaar ingaat en de meeste uitkeringen naar verwachting achteraf betaald worden. Voor 2021 en latere jaren is ruim € 166 miljoen beschikbaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.6.7 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Totaal aantal toekenningen zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

140

142

144

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

129

132

134

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

10

10

10

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

B. Subsidies

Met het amendement van Weyenberg (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775-XV, nr. 18) is € 500.000 beschikbaar gesteld voor een subsidieregeling om maatschappelijke initiatieven te ondersteunen die erop zijn gericht (ex-)kankerpatiënten zonder werk meer kans te geven op het vinden van een nieuwe baan. Naar verwachting wordt de subsidieregeling in het najaar van 2018 gepubliceerd.

7. Kinderopvang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie) positie van ouders. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;