Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2018-2019
Kamerstuk 35000-XII nr. 2

Gepubliceerd op 18 september 2018 15:17



35 000 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2019

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

3

       

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

6

       
 

2.

BELEIDSAGENDA

9

       
 

3.

DE BELEIDSARTIKELEN

31

   

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

31

   

Beleidsartikel 13 Bodem en Ondergrond

45

   

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

50

   

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

63

   

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

73

   

Beleidsartikel 18 Scheepvaart en Havens

87

   

Beleidsartikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

95

   

Beleidsartikel 20 Lucht en Geluid

100

   

Beleidsartikel 21 Duurzaamheid

105

   

Beleidsartikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

114

   

Beleidsartikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

125

   

Beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht

129

   

Beleidsartikel 25 Brede Doeluitkering

134

   

Beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

135

       
 

4.

DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

142

   

Niet-beleidsartikel 97 Algemeen Departement

142

   

Niet-beleidsartikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement

145

   

Niet-beleidsartikel 99 Nog onverdeeld

148

       
 

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

149

   

Agentschap Rijkswaterstaat

149

   

Agentschap Inspectie Leefomgeving en Transport

159

   

Agentschap Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

164

       
 

6.

BIJLAGEN

171

   

Bijlage 1 ZBO's en RWT's

171

   

Bijlage 2 Verdiepingsbijlage

174

   

Bijlage 3 Moties en Toezeggingen

197

   

Bijlage 4 Subsidieoverzicht

245

   

Bijlage 5 Evaluatie- en overig onderzoek

255

   

Bijlage 6 Overzichtsconstructie Milieu

268

   

Bijlage 7 Afkortingenlijst

273

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen. Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota. Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft drie begrotingen:

  • 1. de voorliggende beleidsbegroting Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting,

  • 2. de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • 3. de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

De twee fondsbegrotingen van IenW, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenW, waaronder beleidsonderzoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en programma’s geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht. Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Om de verbinding tussen de begrotingen van de fondsen en het MIRT Overzicht te verhelderen worden vanaf Begroting 2016 in het Infrastructuurfonds en Deltafonds waar mogelijk digitale verwijzingen opgenomen naar het specifieke projectblad in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

De begrotingen van IenW zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl, het MIRT Overzicht 2018 is te vinden op www.mirtoverzicht.nl en het Deltaprogramma op www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma.

1. LEESWIJZER

Structuur

De opzet en structuur van de begroting voor Hoofdstuk XII zijn gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. De begrotingstoelichting kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd.

  • 1. Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2019 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

  • 2. In de Beleidsagenda is vervolgens een overzicht gegeven van prioriteiten voor 2019 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • 3. In de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • 4. In de verdiepingsbijlage (bijlage 2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

  • 5. De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op de rijksbegrotingsvoorschriften de onderstaande punten verwerkt:

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen Bijdrage aan het Infrastructuurfonds en Bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2032.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de desbetreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomptabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid, inclusief beleidsindicatoren.

Groeiparagraaf

In de groeiparagraaf worden de belangrijkste verbeteringen in de begroting beschreven ten opzichte van het voorgaande jaar.

Indicatoren Watermanagement

De indicatoren Watermanagement zijn vanaf de begroting 2019 niet meer opgenomen bij artikel 11 op Hoofdstuk XII aangezien deze betrekking hebben op het Beheer en Onderhoud van het hoofdwatersysteem. De verantwoording hierover vindt plaats op het Deltafonds. Aangezien de indicatoren Watermanagement ook al zijn opgenomen bij artikel 3 op het Deltafonds, is ervoor gekozen om de indicatoren bij artikel 11 op Hoofdstuk XII weg te laten.

Overheveling taken van DG Milieu en Internationaal naar DG Mobiliteit

Bij de herinrichting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is besloten dat de taken die worden verricht in de taakvelden voertuigemissies en brandstoffen worden overgedragen van DG Milieu en Internationaal naar DG Mobiliteit. De taakvelden voertuigemissies en brandstoffen werden voorheen verantwoord onder artikel 20 Lucht en Geluid en artikel 21 Duurzaamheid. Vanaf deze begroting worden deze taakvelden verantwoord onder artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid.

Kengetallen beleidsartikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

In de begroting 2018 is onder artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal een drietal kengetallen gepresenteerd. In deze begroting zijn vanwege de (inter)departementale herindeling deze kengetallen niet meer aanwezig dan wel gepresenteerd onder beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid. Het betreft de volgende kengetallen:

  • Sectorale niet-ETS-emissieplafonds voor 2020. Dit kengetal relateert aan ETS-activiteiten, welke nu onderdeel zijn van het Ministerie van EZK.

  • Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer. Dit kengetal staat gepresenteerd bij beleidsartikel 14.

  • Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto’s. Dit kengetal staat gepresenteerd bij beleidsartikel 14.

De bij bovengenoemde kengetallen horende verantwoordelijkheden en budgetten zijn mede overgegaan naar beleidsartikel 14 dan wel het Ministerie van EZK.

Kengetal beleidsartikel 20 Lucht en Geluid

In de begroting 2018 is onder artikel 20 Lucht en Geluid het kengetal Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer gepresenteerd. In deze begroting is vanwege de departementale herindeling dit kengetal gepresenteerd onder beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid.

Kengetallen beleidsartikel 13 Bodem en Ondergrond

In de begroting 2018 zijn onder artikel 13 Bodem en Ondergrond de kengetallen Nationaal Belang SVIR gepresenteerd. In deze begroting zijn de kengetallen niet opgenomen vanwege de overheveling van budgetten (Ruimtelijke Ordening) naar het ministerie van BZK in het kader van de interdepartementale herindeling.

Inboeking onderuitputting

In het voorjaar van 2018 zijn er extra middelen vrijgemaakt voor onder andere het gasbesluit, de inrichting van LNV en de Brexit-voorbereiding. Hiervoor is dekking gevonden in de structurele onderuitputting op de verschillende departementale begrotingen. Op de beleidsbegroting van IenW is een structurele onderuitputting van € 20 miljoen oplopend naar € 23 miljoen vanaf 2021 ingeboekt in afwachting van concrete invulling. In de loop van het jaar wordt deze concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt.

Verwerking moties

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie-Schouw (Kamerstukken II 2011–2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor IenW heeft de Raad voor 2018 geen specifieke aanbevelingen gedaan (COM 2016; 339).

Motie-Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie-Hachchi (Kamerstukken II 2011–2012, 33 000 I, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenW begrotingen, is opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie-Leegte (Kamerstukken II 2014–2015, 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenW vallen opgenomen. Bij de desbetreffende beleidsartikelen 14 Wegen en Verkeersveiligheid en 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal worden de maatregelen genoemd.

2. BELEIDSAGENDA

Introductie

Het gaat goed met Nederland. Op verschillende internationale ranglijsten scoren we hoog. Op het gebied van watermanagement zijn we toonaangevend; van onze kennis wordt wereldwijd gebruik gemaakt. Binnen de Europese Unie (EU) lopen we voorop in het verantwoord omgaan met grondstoffen en verpakkingsmaterialen. En onze infrastructuur is van wereldklasse.

Het vertrekpunt is goed, maar dat betekent niet dat we er zijn. In Nederland hebben we ook te maken met files, volle treinen, toenemende drukte in de steden, vervuiling en perioden van wateroverlast. De economie groeit en de vraag naar mobiliteit neemt toe. Er blijft dus werk aan de winkel om Nederland vandaag én morgen bereikbaar te houden. Immers, met een goede bereikbaarheid verdienen we onze boterham en kunnen we elkaar ontmoeten. We focussen daarom op een slimme combinatie en duurzame invulling van mobiliteit op weg, water en spoor, de zogeheten multimodale mobiliteitsaanpak. De verbetering van de doorstroming, vermindering van het aantal files, vervanging en innovatie van infrastructuur en zorg voor een goed openbaar vervoer (inclusief de fiets) staan hierbij centraal. Daarnaast zijn cybersecurity en verkeersveiligheid een belangrijke kabinetsprioriteit omdat we onze infrastructuur veilig en operationeel willen houden.

Behalve aan een bereikbaar Nederland, werkt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) ook aan een leefbaar Nederland. We willen snel van A naar B; maar wel in een goed ingerichte, schone en veilige omgeving. Een omgeving waarin we een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het Parijsakkoord en andere internationale afspraken zoals de Agenda 2030 (Sustainable Development Goals). In 2019 zet IenW sterk in op circulaire economie en duurzaam transport, evenals op de verbetering van de omgevingsveiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Ons werk op het gebied van waterveiligheid- en kwaliteit zetten we onverminderd voort. Daarbij kijken we ook breder naar bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering en opkomende stoffen in het water.

Het veelzijdige takenpakket van IenW kent bij tijd en wijle dilemma’s en schurende belangen. Daarvoor moeten we afgewogen en innovatieve oplossingen vinden. Dit doen we samen met bewoners, bedrijven en andere overheden, in een steeds meer digitaliserende en data gedreven omgeving. Waar innovatie een effectieve bijdrage kan leveren aan onze doelstellingen, stimuleert IenW deze. Hierbij zijn onze kennisinstituten – het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM), het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)- van groot belang, evenals onder andere de universiteiten, de toegepaste onderzoeksinstellingen (TO2) en de topsectoren. In 2019 blijven we ons dan ook voor deze kennisbasis en innovatie inzetten.

Onze ambities om Nederland in 2019 nog schoner, veiliger en leefbaarder te maken hebben we gedefinieerd in drie transities: (i) veilige, slimme en groene mobiliteit, (ii) klimaatadaptatie en (iii) circulaire economie. Deze transities vormen het hart van de beleidsagenda 2019, aangevuld met diverse andere onderwerpen die onze intensieve aandacht hebben.

We werken aan veilige, slimme en groene mobiliteit

Veilige mobiliteit

Verkeersveiligheid staat hoog op de agenda van dit kabinet. We moeten tempo maken want het aantal verkeersgewonden stijgt en ook is de jarenlange dalende trend in het aantal dodelijke slachtoffers doorbroken. Deze ontwikkeling kunnen we niet accepteren. Technologie biedt nieuwe mogelijkheden, maar er ontstaan ook nieuwe risico’s. Vergrijzing, meer fietsmobiliteit en toegenomen drukte op met name stedelijke wegen vragen om nieuwe oplossingen. Verkeersveiligheid is niet alleen een zaak van de overheid: we moeten intensief samenwerken met betrokken organisaties en marktpartijen. Niet voor niets staat in het Regeerakkoord dat we aan de slag gaan met het manifest «Verkeersveiligheid: een nationale prioriteit» van de Mobiliteitsalliantie.

Samen met de stakeholders zijn inmiddels mogelijke risico’s in kaart gebracht. Die vormen nu de basis voor een nieuw Strategisch Plan Verkeersveiligheid dat eind 2018 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Dit plan richt zich met name op de vraag hoe de andere wegbeheerders gefaciliteerd en aangespoord kunnen worden om de verkeersveiligheid in de regio en de steden, inclusief afspraken over handhaving te verbeteren. Het grootste deel van de ongevallen vindt immers daar plaats. IenW investeert daarom in de verbetering van de veiligheid van de N-wegen, zoals ook opgenomen in het Regeerakkoord. Zowel voor de Rijks-N-wegen als voor de provinciale N-wegen trekken we € 25 miljoen (totaal € 50 miljoen) uit om maatregelen te nemen om de bermen veiliger te maken.

Ook in het treinverkeer streven we naar meer veiligheid. Daarom investeren we extra in het verbeteren van de overwegveiligheid. Met de uitrol van European Rail Traffic Management System (ERTMS) wordt in Nederland invulling gegeven aan de vervangingsbehoefte van het huidige Automatische Treinbeïnvloeding systeem (ATB-systeem) en de Europese verplichtingen voor interoperabele spoorverbindingen. Naast een grotere veiligheid biedt ERTMS ook voordelen op het gebied van betrouwbaarheid en capaciteit. In 2019 wordt de beoogde Programmabeslissing genomen. ProRail gaat zorgen voor de ombouw van de infrastructuur en voert regie over het geheel, zoals materieelombouw en procesaanpassingen. IenW voert het opdrachtgeverschap uit.

Slimme mobiliteit

De ontwikkelingen op het gebied van slimme mobiliteit (smart mobility) gaan hard. Nederland loopt internationaal voorop en het is onze ambitie om deze positie te behouden. Niet alleen levert dit een belangrijke bijdrage aan de economische concurrentiepositie van Nederland, maar het heeft bovenal een grote impact op het verbeteren van de doorstroming, verkeersveiligheid en duurzaamheid.

Samen met onze regionale partners en het bedrijfsleven introduceert IenW nieuwe en slimmere vormen van reizen. Een belangrijke pijler zijn tests en pilots op de openbare weg. Om tests met zelfrijdende voertuigen zonder bestuurder op de openbare weg mogelijk te maken wordt de wetgeving aangepast. We bieden daarnaast ruimte aan automatische vaartuigen, drones en pilots met flexibele en vraag gestuurde mobiliteitsconcepten. Ook verwachten we de komende jaren interessante ontwikkelingen op het gebied van verkeersmanagementsystemen, zodat weggebruikers onderweg optimaal worden ondersteund met actuele rij- en reisadviezen. We moeten zorgen dat we klaar zijn voor al deze ontwikkelingen. Zo gaan we onderzoeken wat nodig is om onze infrastructuur toekomstbestendig te maken voor voer- en vaartuigen met automatische functies en het gebruik van drones. IenW gaat er de komende periode voor zorgen dat de randvoorwaarden op orde zijn en dat publieke belangen zoals privacy, security en toegankelijkheid worden geborgd.

In het goederenvervoer werken we ook in 2019 hard aan innovatie en verduurzaming. Zo gaat IenW aan de slag met het recent gepresenteerde maatregelenpakket voor spoorgoederenvervoer. Ook presenteren we eind 2018 een digitale transportstrategie en goederenvervoervisie. Dit levert een bijdrage aan de mogelijkheden voor een modal shift in het transport naar het Europese achterland en het delen van digitale data voor Europese transporten. De acties uit deze strategie en visie zullen in 2019 (verder) vorm krijgen.

Groene mobiliteit

In het kader van het Klimaatakkoord is 7,3 Mton de indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de Mobiliteitstafel ingevuld moet worden, waarvan een resultaatverplichting van 5,9 Mton. Daarmee wordt vastgehouden aan de afspraak uit het Energieakkoord dat de uitstoot in de mobiliteitssector in 2030 niet meer mag zijn dan 25 Mton. De Mobiliteitstafel heeft de ambitie om alle segmenten van het mobiliteits- en transportsysteem mee te nemen bij het invullen van de opgave. Het streven is dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn. Nationaal werken we o.a. aan zero emissie zones voor stadslogistiek, differentiatie van parkeertarieven en voldoende tank-en laadinfrastructuur. En op EU-niveau blijven we ons inzetten voor scherp bronbeleid. Bij (stads)logistiek en (spoor)goederenvervoer, streven we samen met de regio naar logistieke optimalisatie en slimme en duurzame mobiliteitssystemen. Ook de overheid draagt actief bij aan de doelen van de Mobiliteitstafel. Zo werken we er naar toe dat in 2020 35% – in 2022 50% – van het wagenpark van IenW (inclusief dienstauto’s) elektrisch is.

Zoals aangekondigd in het Regeerakkoord wordt de aanpak van Topsector Logistiek gecontinueerd met extra focus op duurzaamheid. In het Werkprogramma Maritieme Strategie en Zeehavens 2018 – 2021 zijn tal van verduurzamingsmaatregelen opgenomen. Die worden, samen met het Klimaatakkoord, nader uitgewerkt in een Green Deal voor de verduurzaming van de zeevaart, binnenvaart en havens. We streven ernaar deze Green Deal eind 2018 te sluiten.

Nederland is in april 2018 akkoord gegaan met vergaande mondiale afspraken om in 2050 de totale uitstoot van broeikasgassen door de zeescheepvaart met de helft omlaag te brengen. Deze afspraken worden door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) verder uitgewerkt tot concrete reductiemaatregelen voor de korte, middellange en lange termijn. Ook is er binnen de IMO afgesproken om een geschikt tijdspad uit te werken voor een verbod op het gebruik en transport van zware stookolie en brandstof in het Arctisch gebied. In Europees verband zetten we in op soortgelijke strenge eisen aan de uitstoot van schadelijke stoffen in alle Europese wateren.

Op het gebied van duurzame luchtvaart krijgt de implementatie van Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (CORSIA) onverminderd de aandacht.

De Europese Commissie (EC) presenteert de komende periode een beoordeling van de werking van CORSIA als start van de onderhandelingen over luchtvaart onder het European Emissions Trading System (EU ETS) na 2024. Nationaal stimuleert IenW de ontwikkeling en het gebruik van duurzame alternatieve brandstoffen, zoals biokerosine, innovatieve technologie (zoals elektrisch of hybride vliegen) en het efficiënt gebruik van het luchtruim. Het Ministerie van Financiën werkt samen met de ministeries van IenW en Economische Zaken en Klimaat (EZK) verder aan de invoering van fiscale regelingen, zoals die in het Regeerakkoord worden genoemd.

(...) klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. De toename van extreme weersomstandigheden, zoals piekbuien, langdurige regen, droogte en hittestress laat dit zien. In Nederland staat het klimaatbeleid hoog op de agenda en er is brede overeenstemming over de urgentie van het vraagstuk. Ons beleid wordt mede bepaald door afspraken op mondiaal en Europees niveau, zoals het Klimaatakkoord van Parijs. Dit betekent een drastische beperking van de uitstoot van broeikasgassen. We brengen hiermee klimaatverandering echter niet meteen tot stilstand. IenW richt zich daarom op klimaatadaptatie (aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering) en samen met de andere betrokken ministeries op klimaatmitigatie (het verminderen van de emissie van broeikasgassen).

Met het Deltaprogramma en de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS2016) werken we aan klimaatadaptatie. De ruimtelijke inrichting van Nederland willen we tijdig klimaatbestendig en waterrobuust maken, zodat we in 2050 volledig zijn aangepast op klimaatverandering. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is recent geanalyseerd waar we nu staan. Daaruit is gebleken dat er meer moet gebeuren: plannen moeten worden omgezet in acties en op alle overheidsniveaus moet intensiever worden samengewerkt. Om het proces van ruimtelijke adaptatie te versnellen hebben de gezamenlijke overheden afspraken met elkaar gemaakt over het uitvoeren van stresstesten, het vastleggen van ambities en het opstellen van uitvoeringsprogramma’s. In 2018 heeft IenW standaarden voor stresstesten ontwikkeld en een platform opgericht, zodat praktijkervaring kan worden gedeeld. In 2019 werken we aan de voorbereiding van een wijziging van de Waterwet om een tijdelijke impulsregeling uit het Deltafonds voor de versnelling van de aanpak van wateroverlast in de regio´s mogelijk te maken. Het Rijk zal die regeling in overleg met de medeoverheden vormgeven. Aanpassen aan toenemende extreme weersomstandigheden doen we niet alleen voor een teveel aan water (wateroverlast). Nederland krijgt ook te maken met langere periodes van droogte. In het Deltaprogramma zijn regio’s, het Rijk en de gebruikers volop bezig met de uitvoering van de maatregelen uit het Deltaplan Zoetwater. We gaan nu zo snel mogelijk kijken welke lessen we kunnen trekken uit de recente droogteperiode en gebruiken die voor de volgende fase van het Deltaplan Zoetwater.

IenW werkt in 2019, aanvullend op het Deltaprogramma, ook verder aan de uitvoering van het Uitvoeringsprogramma NAS (UP NAS 2018–2019), onder andere door het analyseren van klimaateffecten, het updaten van onderliggende risicoanalyses en het versterken van de kennisbasis en -uitwisseling. In 2019 willen we dat klimaatadaptatie een gedeelde verantwoordelijkheid is van overheden, organisaties, inwoners en bedrijven. Dit gebeurt vooral via actiegerichte klimaatdialogen. IenW coördineert de uitvoering van het UP NAS. Urgente klimaatrisico’s willen we uiterlijk in 2020 scherp in zicht hebben, zodat iedereen weet wie waar verantwoordelijkheid voor draagt.

Waterveiligheid

Wereldwijd kampen steden en delta’s met opgaven rond waterveiligheid- en zekerheid. Nederland heeft als stedelijke delta veel kennis en ervaring. IenW zet, samen met de ministeries van Buitenlandse Zaken en EZK via de Internationale Water Ambitie 2016–2019 in op een proactieve en preventieve benadering van watergerelateerde risico’s. Dat versterkt onze koploperspositie op dit gebied, maar ook de economische kracht van Nederland in het buitenland, met name rond adaptatie.

Om onze positie als koploper en kennisdrager vast te houden, zullen we hard moeten blijven werken aan onze eigen waterveiligheid. Dat is sowieso noodzakelijk: een groot deel van Nederland ligt (nu al) onder de zeespiegel. Gevolgen van klimaatverandering, zoals een stijgende zeespiegel en toenemende wateroverlast, treffen ons des te harder. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zal in 2019 nieuwe bevindingen over de zeespiegelstijging publiceren. We zullen dan kijken naar de implicaties die dit mogelijk heeft voor het waterveiligheidsbeleid in Nederland.

Preventie tegen overstromingen en anticiperen op nieuwe ontwikkelingen zijn onze belangrijkste uitgangspunten. In Nederland werken we vooruit en bereiden we ons voor op risico’s. Sinds 2017 gelden er nieuwe waterveiligheidsnormen in Nederland. Rijkswaterstaat en de waterschappen werken ook in 2019 aan de beoordeling van de keringen. De komende periode voorzien we alle keringen van een herbeoordeling. En we treffen maatregelen om de keringen te laten voldoen aan deze nieuwe normen. Hiervoor ligt de grootste opgave in het rivierengebied. Verder werken we in 2019 aan een landelijk beeld van de waterveiligheid, dat in 2023 beschikbaar moet zijn.

(...) een circulaire economie

Nederland heeft grote ambities op het gebied van circulaire economie. Het Rijk zet zich samen met andere maatschappelijke partijen in om de transitie naar een circulaire economie te versnellen en op te schalen. De ambitie is dat Nederland in 2050 circulair is. In 2030 wordt een reductie van 50% nagestreefd van het nationale verbruik van primaire grondstoffen. In het kader van het Rijksbrede Programma Nederland Circulair gaat het Rijk deze ambitie verder preciseren per prioriteit, keten of grondstoffenstroom. Daarbij zijn de gewenste effecten op milieu, leveringszekerheid en economisch concurrentievermogen leidend.

De transitie naar een economie zonder afval is een van de grootste economische transities ooit. Maar wel een die absoluut noodzakelijk is. Belangrijke strategische doelen hierbij zijn: (i) het vervangen van niet-duurzame grondstoffen door duurzame grondstoffen, (ii) producten en grondstoffen langer in gebruik houden en (iii) het ontwikkelen en toepassen van nieuwe circulaire producten en diensten.

De overgang naar een circulaire economie kan de overheid niet alleen. Daar zijn ook het bedrijfsleven, medeoverheden en maatschappelijke organisaties voor nodig. Het Rijk heeft in januari 2018 dan ook samen met deze partijen vijf transitieagenda’s gepresenteerd, die betrekking hebben op de sectoren biomassa en voedsel, kunststoffen, maakindustrie, bouw en consumptiegoederen. Deze vloeien voort uit het Grondstoffenakkoord, dat in januari 2017 is gesloten tussen het Rijk, VNO-NCW, MKB Nederland, VCP, FNV, IPO, VNG, UVW en Natuur & Milieu en is ondertekend door ruim 380 partners die mee hebben gewerkt aan de totstandkoming van de transitieagenda’s.

De beleidsinzet voor de komende jaren is opgenomen in de kabinetsreactie op de transitieagenda’s, die in de zomer van 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.1 In 2019 en verder worden acties uit de transitieagenda’s samen met de betrokken partijen uitgevoerd via uitvoeringsprogramma’s. Dit gebeurt in de context van het door IenW gecoördineerde programma Circulaire Economie. Met de uitvoeringsprogramma’s worden de krachten binnen het Rijk en met de stakeholders gebundeld. De betrokken partijen zullen de komende jaren gezamenlijk de resultaten monitoren en sturen; elk halfjaar wordt daartoe op bestuurlijk niveau overleg gevoerd.

Om de transitie te versnellen is het belangrijk dat kennis wordt gedeeld en inkopers en opdrachtgevers elkaar weten te vinden. IenW gaat zich hiervoor inzetten door belangrijke instrumenten, kennis en innovatie op het gebied van circulaire economie te promoten en stimuleren. Waar nodig wordt wet- en regelgeving aangepast en internationale samenwerking opgezocht. Ook in het kader van het Klimaatakkoord is er aandacht voor circulaire economie waar dit bijdraagt aan de reductie van broeikasgassen. Daarnaast zet IenW samen met VNO-NCW en andere partners (waaronder decentrale overheden en financiële instellingen) het «Versnellingshuis» op, waar circulaire initiatieven worden ondersteund en kennis en best practices worden ontwikkeld en verspreid. Naast de nationale ambities werken we in 2019 ook verder, samen met medeoverheden, aan de overgang naar een circulaire economie in de regio.

Om uitvoering te geven aan de kabinetsreactie worden binnen de IenW begroting in de jaren 2019 en 2020 middelen vrijgemaakt. In totaal maakt het kabinet € 16 miljoen vrij. Deze middelen worden ingezet voor o.a. de monitoring van de voortgang en effecten en voor de uitvoering van het deel van de transitieagenda’s waar IenW voor verantwoordelijk is.

Naar een circulaire verpakkingsketen

Nederland verandert in volle vaart in een circulaire economie. Op dit moment zijn teveel verpakkingen alleen nog lastig opnieuw te gebruiken. Het is dus belangrijk om de keten van verpakkingen circulair te maken. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de producenten. Het Rijk heeft hierover met hen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afspraken gemaakt in de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022. Die is in 2017 geëvalueerd. Hieruit blijkt dat we in Nederland 73% van alle verpakkingen en 51% van de kunststof verpakkingen recyclen. Daarmee lopen we internationaal op kop.

In de evaluatie worden wel een aantal aandachtspunten genoemd. Met name de kwaliteit van het kunststofverpakkingsafval dat wordt aangeboden voor recycling moet verbeteren. Daarvoor zijn op dit moment onvoldoende financiële prikkels. IenW wil producenten stimuleren betere verpakkingen te gebruiken. Met het verpakkende bedrijfsleven voeren we dan ook overleg over de wijze waarop tariefdifferentiatie in de afvalbeheerbijdrage kan worden gerealiseerd. In 2019 worden afspraken hierover vastgelegd. Verder is voor IenW het tegengaan van «plastic soep» en het voorkomen van zwerfafval een belangrijke prioriteit.

In de brief «Naar een circulaire verpakkingsketen» zijn de afspraken met het verpakkend bedrijfsleven over de aanpak van kleine plastic flesjes in het zwerfafval weergegeven.2 Besloten is tot een tweesporenbeleid: het eerste spoor betreft een recyclingdoelstelling van 90% voor kleine plastic flesjes en een reductiedoelstelling van 70 – 90% voor kleine plastic flesjes in het zwerfafval. Daarmee wordt een belangrijke impuls gegeven aan circulariteit. Het tweede spoor betreft het voorbereiden van het invoeren van statiegeld op kleine plastic flesjes, voor het geval in het najaar van 2020 mocht blijken dat de doelstellingen niet zijn gerealiseerd. In 2019 wordt de daartoe benodigde wijziging van het Besluit beheer verpakkingen opgesteld en aan de Tweede Kamer aangeboden. De voortgang en realisatie van de doelstellingen worden gemonitord en hierover wordt de Tweede Kamer twee maal per jaar geïnformeerd. Ook wordt in het kader van de Landelijke Aanpak Zwerfafval door de VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) een actieplan opgesteld voor minder blikjes in het zwerfafval. IenW zal hierbij graag partner zijn.

Ook zijn we enthousiast over het initiatief van Nederlandse en Europese festivalorganisatoren om zich te ontwikkelen tot circulaire festivals. We ondersteunen dit proces via een nieuwe Green Deal en willen ook met andere sectoren tot soortgelijke afspraken komen.

Duurzaam IenW

We vinden het belangrijk dat het Rijk het goede voorbeeld geeft en dat we zelf koploper zijn wanneer het gaat om circulaire economie. IenW zet zich hiervoor in door een eigen Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) actieplan en een duurzaamheidsverslag die jaarlijks in mei wordt gepubliceerd. We willen in alle opzichten een duurzame en circulaire organisatie zijn: in beleid, uitvoering en bedrijfsvoering. In 2019 spannen we ons in om de emissies in de keten (grond, weg, waterbouw en spoor) te verminderen, tot een verduurzaming van onze belangrijkste leveranciers in de keten, zoals asfalt en beton, te komen, voeren we ons eigen actieplan MVI uit en werken we aan een brede strategie om in 2030 een klimaat-en energieneutrale organisatie te zijn. Daarnaast scannen we komend jaar ook ons gebruik van single use plastics. De reductie van de eigen uitstoot van IenW zal zo verder worden verminderd, op weg naar een verlaging van de CO2-uitstoot met tenminste 30% tot 40% ten opzichte van 2009.

(...) een gezonde en veilige leefomgeving

Waterkwaliteit

De waterkwaliteit in ons land is de afgelopen decennia flink verbeterd. Een blik op de afgelopen decennia stemt hoopvol: maatregelen werken. Maar we hebben nog niet alle doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) binnen bereik. Door de Intentieverklaring Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater (2016) hebben de dertig meest betrokken overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten gezamenlijk wel veel verbeteracties in gang gezet. De goede onderlinge samenwerking moet zich nu gaan vertalen in een stevige waterkwaliteitsverbetering. De focus leggen we daarom vanaf het najaar 2018 op acties die de grootste bijdrage leveren, namelijk op het terrein van: (i) meststoffen, (ii) gewasbeschermings-middelen, (iii) medicijnresten en (iv) opkomende stoffen als GenX. Met extra middelen uit het Regeerakkoord voor natuur en waterkwaliteit, richten we onze aandacht met name op deze vier onderwerpen. De waterkwaliteit in enkele grote Rijkswateren waar de problemen urgent zijn, zoals de Grevelingen en de Eems-Dollard, is ook een belangrijke prioriteit.

Voor de aanpak van opkomende stoffen gaan we de komende periode vergunningen bij alle overheden doorlichten. Ook wordt de kennisbasis verbeterd, met een breed opleidingsprogramma en verbeterde samenwerking. En IenW gaat samen met de waterschappen op basis van de urgente plekken uit de hotspotanalyse van de Unie van Waterschappen aan de slag met extra zuiveringen.

Met het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) gaan we de komende periode sturen op de effectiviteit van de maatregelen op individuele agrarische bedrijven. De vrijblijvendheid moet verdwijnen. Ook moet de gezamenlijke communicatie over waterkwaliteit naar het brede publiek extra aandacht krijgen. De betrokken overheden en maatschappelijke organisaties zullen in de tweede helft van 2018 bestuurlijk harde afspraken vastleggen in waterkwaliteitsdoelen. De aansturing van de Delta-aanpak Waterkwaliteit richten we daarnaast steviger in, zodat partijen elkaar beter kunnen aanspreken op het halen van de afgesproken resultaten.

Bodemkwaliteit

Er gebeurt steeds meer in de grond onder onze voeten: de bodem en ondergrond worden intensief gebruikt. We moeten daarom soms kiezen waar welke activiteiten kunnen plaatsvinden. En we moeten het evenwicht bewaren tussen benutten en beschermen. In de structuurvisie Ondergrond hebben we de belangrijkste uitdagingen benoemd. Het borgen van de drinkwatervoorziening en het veilig en verantwoord kunnen benutten van de ondergrond voor de transitie naar een duurzame energievoorziening zijn daarvan twee voorbeelden. In 2019 wordt dit nader uitgewerkt, onder andere door het aanwijzen van (aanvullende) strategische grondwatervoorraden. Met de decentrale overheden, kennisinstellingen en bedrijfsleven gaan we samenwerken aan de problematiek van veenbodemdaling en het instellen van een nationale kennis- en informatievoorziening bodemdaling. Daarnaast wordt de verbinding gelegd met het bestuursakkoord Klimaat en Energie en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA).

In het tweede Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 hebben we met medeoverheden afspraken gemaakt over de aanpak van bodemverontreinigingen en hoe we het ondergrondbeleid verder vorm willen geven. Het Rijk stelt hiervoor financiële middelen ter beschikking. Na de mid-term review van 2018 gaan we, waar nodig, de maatregelen van de bevoegde overheden voor het halen van de afgesproken convenantsdoelen, herprioriteren.

Luchtkwaliteit

Schone lucht is een belangrijk onderdeel van een gezonde en veilige leefomgeving. De afgelopen jaren is de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd, maar er resteren nog wel enkele hardnekkige knelpunten, zoals in gebieden waar zich intensieve veehouderij bevindt (fijnstof) en in enkele binnenstedelijke gebieden (NO2). Daarom wordt de aanpak uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) voortgezet en aangevuld, onder andere door harmonisatie van milieuzones. De afweging voor het treffen van maatregelen gebeurt mede op basis van een analyse van de kosteneffectiviteit. Ook wanneer knelpunten zijn opgelost, kunnen zich gezondheidsrisico’s voordoen. Werken aan de luchtkwaliteit stopt dan ook niet wanneer we straks aan Europese normen voldoen. Het kabinet zet in op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit. Zo wordt toegewerkt naar de waarden die de Wereldgezondheidsorganisatie hanteert. Begin 2019 zal het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) luchtkwaliteit worden afgerond. In overleg met medeoverheden, belangenorganisaties en bedrijfsleven wordt in 2019 het Schone Lucht Akkoord gepresenteerd.

Milieurisico’s en Omgevingsveiligheid

Een incident met gevaarlijke stoffen heeft grote gevolgen voor het milieu en de leefomgeving. Daarom is voorkomen altijd beter dan genezen. De komende jaren richten we ons beleid nadrukkelijk in op basis van de volgende drieslag: (i) het voorkomen van risico’s voor mens en milieu, (ii) actief inzetten op beheersmaatregelen, inclusief verbeterde samenwerking tussen inspecties en (iii) betrekken van de samenleving. Naast milieurisico’s richt IenW zich ook op financiële risico’s. Bedrijven moeten op voorhand laten zien hoe zij invulling geven aan het uitgangspunt «de vervuiler betaalt». Waar nodig zullen beleidsinspanningen uiteraard ook gericht zijn op het saneren van risicovolle situaties en het beheersen van bekende risico’s.

Voor de verbetering van de gezondheid en veiligheid is echter meer nodig dan het op orde hebben van de basiskwaliteit van de leefomgeving. Daar hoort ook de ontwikkeling van gezonde en veilige toepassingen en een verantwoorde inrichting van gebieden bij. De transitie van saneren en beheersen naar het voorkomen van risico’s en gevaren houdt in dat aan de voorkant veiligheid en gezondheid worden meegenomen. Veilige producten en processen zijn namelijk niet alleen een voorwaarde voor een schone veilige leefomgeving, maar ook voor een circulaire economie.

Het instrument safe by design speelt in deze transitie een belangrijke rol. Deze onderwerpen zullen we ook in Europees verband aan de orde stellen. En dan in het bijzonder een gezamenlijke aanpak van nanomaterialen en gevaarlijke stoffen. Ook werken we samen met het bedrijfsleven en de wetenschap in het programma Duurzame Veiligheid 2030. Doel van dit programma is om te komen tot een vitale chemische sector in een veilige omgeving in 2030. Een goede veiligheidscultuur is een belangrijke pijler. We laten daarom onderzoeken hoe we kunnen leren van voorbeelden, zoals de aanpak Just Culture in de luchtvaartsector. Daarnaast doen we onderzoek naar meetinstrumenten op het gebied van veiligheidscultuur die op dit moment in de (petro)chemie worden toegepast.

Nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en IenW blijven zich onverminderd inzetten voor een verdere verbetering van de samenwerking met de buurlanden op het terrein van nucleaire veiligheid. Met de betrokken Belgische autoriteiten zullen er afspraken worden gemaakt over de verdere aanscherping rond het melden van ongewone gebeurtenissen en de communicatie daarover richting inwoners in de grensstreek. Via het webportaal verstrekt de ANVS sinds begin 2018 alle relevante informatie over een nucleaire crisis of stralingsongeval.

Radio-actief afval wordt de komende decennia veilig opgeslagen bij Centrale Organisatie Voor Radio-actief Afval (COVRA). Het kabinet gaat aan de slag met het instellen van een klankbordgroep om de discussie over eindberging van radio-actief afval voor te bereiden. In 2019 zal verder gewerkt worden aan de instelling van deze klankbordgroep. Tevens wordt in 2019 het beleid ten aanzien van de ontmanteling van installaties verder ontwikkeld, onder meer in relatie tot de normstelling voor het vrijgeven van terreinen en gebouwen. De verplichting tot financiële zekerheidsstelling voor de ontmanteling van nucleaire installaties breiden we daarbij steeds meer uit.

Ontwikkeling en een veilig, duurzaam gebruik van onze infrastructuur

Zoals aangegeven bij «slimme mobiliteit», moeten we naast het uitdenken van nieuwe formules ook regulier blijven investeren in infrastructuur en een veilig en duurzaam gebruik ervan waarborgen. Deze investeringen zijn noodzakelijk om ons land bereikbaar te houden. Voor deze investeringen in het netwerk zijn in het Regeerakkoord extra middelen beschikbaar gesteld. We trekken hiervoor cumulatief € 3,1 miljard uit.

Nieuwe investeringen worden gebaseerd op de prioriteiten uit het regeerakkoord, de uitkomsten van de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA), maatschappelijk rendement en de beschikbaarheid van (regionale) cofinanciering. We willen dat de goede kwaliteit van de bestaande infrastructuur behouden blijft. Door de leeftijd van de bestaande infrastructuur en de toegenomen intensiteit van het verkeer neemt het belang van instandhouding toe. Met het Programma Vervanging en Renovatie zetten we in op het verjongen, vernieuwen en verduurzamen van onze infrastructuur. De instandhoudingsprogramma’s van Rijkswaterstaat en ProRail dragen bij aan een blijvend hoge kwaliteit van onze netwerken. Gezien de omvang van de opgave is in de IenW begroting een toenemend budget beschikbaar voor onder andere vervanging en renovatie van de infrastructuur in de komende jaren. In 2019 start bijvoorbeeld de renovatie van de wegconstructie van de A6 en A3 en wordt de renovatie van zeven tunneltechnische installaties in Noord- en Zuid Holland, waaronder de Schipholtunnel, opgeleverd.

Omvorming Infrastructuurfonds naar Mobiliteitsfonds

De huidige verdeelsleutel tussen weg, water en OV blijft voorlopig. In het Regeerakkoord is wel aangekondigd dat het Infrastructuurfonds in 2030 wordt omgevormd tot een Mobiliteitsfonds: niet langer de modaliteit, maar de mobiliteit centraal komt centraal te staan. Het Mobiliteitsfonds zal, naast budgetten voor beheer en onderhoud en aanleg van nieuwe infrastructuur om knelpunten op te lossen, ook budgetten omvatten voor het beter benutten van bestaande infrastructuur en het stimuleren van intelligente transportsystemen en CO2-neutrale oplossingen. Het Mobiliteitsfonds wordt een belangrijk middel om binnen de systematiek van de fondsbegroting breed en integraal af te wegen tussen opgaven en oplossingsrichtingen. Het streven is om hiertoe in 2019 een wetsvoorstel in te dienen bij de Tweede Kamer.

Wegen

Wegverbredingen, aanleggen van extra rijstroken en verkeersmanagementmaatregelen hebben een positief effect op de doorstroming. We zijn er nog niet, want uit de kwartaalrapportage van 2018 blijkt dat de filedruk weer met 2,5% is toegenomen. Tot 2030 komt er dan ook minstens 1.000 km aan rijstroken bij. We trekken € 100 miljoen extra uit waarmee files op korte termijn worden aangepakt. De File-aanpak 2020 van Rijkswaterstaat is daar onderdeel van. In 2019 en verder stellen we waar mogelijk spitsstroken open en gaan we met enkele kleine aanpassingen aan de weg de doorstroming verbeteren.

Om vervoersknelpunten te voorkomen is het belangrijk om het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) op basis van de NMCA onverkort uit te voeren. Tijdens de Bestuurlijke Overleggen MIRT in het najaar van 2017 zijn de eerste afspraken gemaakt over de inzet van extra middelen de komende periode:

  • Voor het NMCA-knelpunt Papendrecht – Gorinchem op de A15 hebben we afgesproken nog eens maximaal € 100 miljoen vrij te maken, bovenop de eerdere reservering van € 200 miljoen;

  • Voor de A2 Deil – ’s-Hertogenbosch – Vught starten we samen met de regio met een adaptieve, gebiedsgerichte aanpak voor het totale maatregelpakket. Dit maatregelpakket bestaat uit het uitwerken en uitvoeren van een korte termijn pakket aan quick wins (met een totale omvang van € 45,9 miljoen) en oplossingsrichtingen voor de middellange en lange termijn;

  • Voor de (middel)lange termijn reserveren we € 430 miljoen voor het starten van een MIRT-verkenning naar structurele verbreding van de A2;

  • En voor de A58 Tilburg – Breda wordt een verkenning gestart binnen het programma SmartwayZ.NL. Binnen deze verkenning worden zowel innovatieve als kostenefficiënte oplossingen onderzocht.

Daarnaast gaan we de komende periode de bestaande infrastructuur verduurzamen. Voor installaties die veel energie gebruiken, zoals de besturing van hef- en draaibruggen en sluizen, zoeken we naar duurzame alternatieven. Voor de stroomvoorziening van verkeersinstallaties gaan we gebruik maken van zonnepanelen, we onderzoeken de mogelijkheden van bermgras als biobrandstof en we gaan materialen recyclen die bij groot onderhoud vrijkomen zoals asfalt.

Vrachtwagenheffing

In het Regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet in navolging van de ons omringende landen zo spoedig mogelijk een vrachtwagenheffing invoert. Hierdoor betaalt het binnen- en buitenlands vrachtverkeer voor het gebruik van de weg. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en middelen voor innovatie en verduurzaming. Voor de zomer van 2019 zal het wetsvoorstel vrachtwagenheffing worden voorgelegd voor internetconsultatie om in 2020 aan de Tweede Kamer te worden aangeboden. Ook bereiden we de aanbesteding voor de realisatie en de exploitatie van de heffing voor. Het wetsvoorstel zal de bevoegdheden om te kunnen heffen benoemen, waarbij de opbrengsten worden teruggesluisd naar de vervoersector binnen de kaders van de Europese regelgeving. De invoering staat gepland voor 2023. Hierbij zal, in lijn met de motie Sienot c.s., voortvarend te werk worden gegaan om de heffing zo snel mogelijk in te voeren.3

Vaarwegen

Vaarwegen spelen een belangrijke rol in het goederenvervoer. Om knelpunten op het water te voorkomen is het belangrijk om het MIRT op basis van de NMCA onverkort uit te voeren. Verder zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt over de opwaardering van het Wilhelminakanaal en de vaarweg Lemmer-Delfzijl. Daarnaast willen we de komende periode in het kader van de Lange Termijn Ambitie Rivieren (LTAR) komen tot een meer integraal afgewogen aanpak voor waterveiligheid- en scheepvaartopgaven op de rivieren om zo een robuust en toekomstgericht rivierensysteem te creëren. Ook werken we de komende periode bestuurlijk acties uit op de goederencorridors: betere benutting en uitbreiding van ligplaatsen en onderzoek naar de modal shift van weg naar water. Een actieve rol van de decentrale overheden is hier van belang.

Fietsinfrastructuur

De fiets kan een relevante bijdrage leveren aan het oplossen van congestie in de steden, het verminderen van CO2-uitstoot en het verbeteren van de luchtkwaliteit. De fiets speelt ook een belangrijke rol in de deur-tot-deur bereikbaarheid in de vorm van voor- en natransport voor het openbaar vervoer (OV). In het Regeerakkoord is daarom vastgelegd dat we eenmalig een bedrag van € 100 miljoen uittrekken voor cofinanciering vanuit het Rijk voor fietsinfrastructuur, fietsparkeervoorzieningen en een werkgeversaanpak. Doordat het Rijk maximaal 40% co-financiert, kan een bedrag van rond de € 250 miljoen in fietsinfrastructuur worden gerealiseerd de komende periode.

Spoorwegen

We willen in heel Nederland het OV faciliteren dat aansluit bij de mobiliteitsbehoefte van de OV-reizigers. In aanvulling op het lopende MIRT-programma wordt in de begroting 2019 dan ook een aanvullende impuls gegeven aan innovatie, veiligheid, «systeemfunctioneren» en maatregelen verspreid over het land. In het najaar van 2017 en in de loop van 2018 zijn daarvoor verschillende investeringen aangekondigd, zoals extra opstelcapaciteit (parkeerplekken voor treinen), een studie- en innovatiebudget (o.a. vervolgonderzoek naar 3kV), aanleg van het 5e en 6e spoor bij Amsterdam Zuid, impuls Overwegenaanpak en het maatregelenpakket Spoorgoederen. Met de verschillende reserveringen van in totaal zo’n € 500 miljoen in de begroting 2019 van het Infrastructuurfonds kunnen deze maatregelen verder worden uitgewerkt.

Marktordening Spoor

In 2020 zal een besluit worden genomen over de marktordening en sturing op het spoor. Ook hiervoor geldt dat de reiziger centraal staat. Maar ook financiële aspecten spelen een rol.

Een besluit over de ordening nemen we zorgvuldig, stapsgewijs en in samenwerking met andere partijen. De komende periode hebben we hiervoor naast informatie uit het rapport «Kiezen voor een goed spoor» verschillende bouwstenen nodig4:

  • Informatie om een besluit te kunnen nemen over de vervoerconcessie voor een hoofdrailnet na 2024. Hierbij gaat het om het vraagstuk of deze aanbesteed wordt dan wel onderhands gegund en om de reikwijdte van het hoofdrailnet, in relatie tot de decentralisatie van spoorlijnen en de positie van HSL;

  • Inzicht in de gevolgen voor de Nederlandse spoormarkt van het recht op toegang tot de spoorinfrastructuur. Door het Europese Vierde Spoorwegpakket kunnen spoorvervoerders vanaf dienstregeling 2021 (voor het Hoofdrailnet vanaf 2025) ook zonder concessie treindiensten uitvoeren;

  • Beter inzicht in de randvoorwaarden voor een gelijk speelveld op de spoormarkt. ACM gaat daarvoor een update van de quick scan uitvoeren voor de spoormarkt voor het personenvervoer conform de motie Ziengs5;

  • Informatie over de verschillende opties voor het eigendom en de exploitatie van treinstations.

ProRail

Het kabinet heeft het besluit genomen om ProRail om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) met eigen rechtspersoonlijkheid. Deze omvorming realiseren we gezamenlijk met ProRail. Met de omvorming zal worden voortgebouwd op de door ProRail ingezette verbeteringen. Tegelijkertijd biedt de omvorming nieuwe kansen om de aansturing te vereenvoudigen en de publieke verantwoording te versterken. Het wetsvoorstel wordt in 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Luchtvaart

De luchtvaartsector is belangrijk voor Nederland. We willen de bereikbaarheid van Nederland via de lucht behouden en versterken. Dit leidt tot een aantal uitdagingen. In het Regeerakkoord is een Luchtvaartnota aangekondigd, die we in 2019 opleveren. Aanvankelijk zou de horizon van deze nota 2040 zijn, maar in overleg met de Tweede Kamer is deze verlengd naar 2050, overeenkomstig met de termijn van de klimaatambities. De nota wordt een richtinggevende en integrale beleidsvisie op de Nederlandse luchtvaart, inclusief het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dit moet leiden tot een goed afgewogen aanwijzer voor een duurzaam luchtvaartbeleid. Veiligheid, omgeving, milieu, economie en infrastructuur zijn daarin sterk bepalende factoren. We zetten een intensief traject op voor het betrekken van belanghebbenden en de omgeving.

In vervolg op de Actieagenda Schiphol wordt onderzocht hoe we de concurrentiepositie van Schiphol kunnen behouden en versterken op een veilige, innovatieve en duurzame manier in balans met de omgeving. De maximumgrens van 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar tot en met 2020 is in zicht. In het regeerakkoord is vastgelegd dat na 2020 randvoorwaardelijke groei mogelijk is via de 50/50 verdelingsregel voor de milieuwinst. Daarnaast zal in het kader van de Luchtvaartnota worden gewerkt aan de uitgangspunten en randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Schiphol op de lange termijn. Ook wordt hard gewerkt aan de realisatie en openstelling van Lelystad Airport om Schiphol te ontlasten. In 2019 komen we ook voor de andere (regionale) burgerluchthavens van nationale betekenis tot – wijzigingen van de – luchtvaartbesluiten.

Het Nederlandse luchtruim en het beheer hiervan zijn de afgelopen decennia stapsgewijs doorontwikkeld. De grenzen van de houdbaarheid komen echter in zicht. Een algehele herziening van het luchtruim is noodzakelijk en een topprioriteit. Het Nederlandse luchtruim is en blijft een zeer druk bevlogen luchtruim, waar onvermijdelijk sprake is van conflicterende maatschappelijke belangen. Het doel van de luchtruimherziening is te komen tot een integrale, toekomstbestendige inrichting en beheer van het luchtruim. In de periode 2019–2021 werken we aan het ontwerpproces. Eén die gebaseerd is op een gewogen belangenafweging, in samenwerking met internationale partners en in voortdurende dialoog met belanghebbenden. De realisatie van projecten zal niet eerder plaatsvinden dan 2022. We zoeken wel naar tussenoplossingen om waar mogelijk reeds voor 2023 verbeteringen te realiseren.

We treden internationaal en overzees effectief op

De duurzaamheidsdoelen uit het Regeerakkoord en het commitment van Nederland aan de Agenda 2030 (Sustainable Development Goals) zijn leidend voor de internationale activiteiten van IenW. We werken samen met belangrijke landen als China, VS, India en Indonesië via gezamenlijke projecten en/of missies. Op verschillende IenW-terreinen is Nederland toonaangevend in de wereld en delen we kennis en expertise met andere landen. We zetten waar mogelijk in op de ontwikkeling dat meer landen zich gaan committeren aan de Agenda 2030. Onze Europese en internationale inzet richt zich met name op de drie IenW transities.

IenW en de Brexit

Met het oog op de voorgenomen Brexit zet IenW zich voor de toekomstige relatie met het Verenigd Koninkrijk (VK) primair in op de volgende onderwerpen:

  • Een EU-VK luchtvaartakkoord en akkoorden over luchtvaartveiligheid en beveiliging burgerluchtvaart. Hiermee kunnen de luchtvervoersstromen tussen de EU en het VK worden gecontinueerd;

  • Een liberaal EU-VK akkoord voor wegvervoer met zo min mogelijk lasten;

  • Voorkomen van handelsbeperkende effecten voor de Nederlandse maritieme sector;

  • Waarborgen van een gelijk speelveld op het gebied van milieu.

Ruimtedata

In 2019 komen de verbeterde services van het Europese satellietnavigatie systeem Galileo beschikbaar. De veel hogere precisie van 20 cm gaat de sectoren mobiliteit en landbouw helpen. IenW zet zich, mede binnen de kaders van het programma Anders Omgaan met Data, in op het gebruik van satellietdata voor beleidsvoorbereiding en -uitvoering. In dit proces benutten we ook data van TROPOMI, een instrument dat eind 2017 is geïntroduceerd, voor de meting van luchtkwaliteit.

Caribisch deel van het Koninkrijk

In het Regeerakkoord heeft het kabinet voor heel Caribisch Nederland (CN) in totaal € 5 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor beheer en onderhoud van infrastructuur. Voor de wederopbouw van Saba en Sint Eustatius is € 46,8 miljoen beschikbaar gesteld voor lucht(havens) en de afval- en erosieproblematiek. Daarnaast heeft Saba, met hulp van IenW, haar drinkwatersysteem verstevigd en wordt er nu gebouwd aan een fabriek voor drinkwater. Ook Bonaire vergt aandacht op het gebied van de luchthaven, wegen en de betaalbaarheid van drinkwater en de onveiligheid van op- en overslag van brandstof.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van vorig jaar. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage te vinden.

Begroting op hoofdlijnen (bedragen x € 1.000)
 

art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024–2031

2032

Stand ontwerpbegroting 2018 (incl. NvW)

 

8.287.069

8.638.280

8.684.151

8.861.781

8.917.568

8.717.556

   

Mutaties Incidentele suppletpore begroting

 

70.475

23.150

19.375

0

0

0

   

Mutaties 1e suppletoire begroting 2018

 

681.314

1.164.363

619.071

228.444

240.726

234.223

   

Stand 1e suppletoire begroting 2018

 

9.038.858

9.825.793

9.322.597

9.090.225

9.158.294

8.951.779

   

Belangrijkste mutaties Hoofdstuk XII

 

– 734.155

– 273.033

– 27.396

– 240.489

10.620

427.059

   
 

Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk XII

                 

1

DBFM Afsluitdijk

26

– 20.922

– 207.171

– 222.348

– 176.065

– 11.003

146.294

295.765

42.356

2

Meeropbrengsten Eurovignet

26

0

13.000

31.000

31.000

31.000

31.000

248.000

31.000

3

Exportheffing afval

24

253

1.446

1.319

1.234

1.234

1.234

   

4

LPO aanvullende posten

                 
 

B8 Cyber

99

 

87

131

153

153

1.461

   
 

D22 Infrastructuurfonds

26

10.895

21.790

10.895

2.179

2.179

2.179

17.432

2.179

 

E25 Klimaatenvelop

div.

839

             
 

E23 Natuur en Waterkwaliteit

26

856

1.979

978

0

0

0

0

0

5

Kasschuif Infrastructuurfonds

26

– 700.000

 

300.000

400.000

       

5

Kasschuif Rijksbrede budgettaire beeld

26

 

– 100.000

– 150.000

   

250.000

   

5

Kasschuif Infrastructuurfonds/Deltafonds

26

   

100.000

– 100.000

       
   

26

   

– 100.000

100.000

       

6

Overboekingen GF/BCF

                 
 

– Roode Vaart

26

– 9.500

             
 

– Impuls Omgevingsveiligheid

22

 

– 14.150

           
 

Diversen

div.

1.455

– 1.214

– 7.371

– 8.112

– 3.643

– 5.109

   
 

Overige mutaties Hoofdstuk XII

                 

7

Aanvullende post apparaat

26

– 1.500

– 1.500

– 3.500

– 3.500

– 3.500

– 3.500

   
   

div.

1.500

1.500

3.500

3.500

3.500

3.500

   

8

KNMI

23

7.010

6.065

5.665

5.565

3.665

3.665

   
 

– waarvan Aanvullende taken

div.

– 610

– 365

– 365

– 365

– 365

– 365

   
 

– waarvan Basale Dienstverlening

div.

– 6.400

– 5.700

– 5.300

– 5.200

– 3.300

– 3.300

   

9

Diverse kasschuiven

 

0

0

0

0

0

     
 

– KNMI

23

– 6.191

– 3.170

4.020

2.671

2.670

     
 

– DGLM

17

– 1.594

1.594

           
 

– DGMI

div.

7.785

1.576

– 4.020

– 2.671

– 2.670

     

10

Kasschuif DGMI

                 
 

– Asbest

22

 

3.200

 

– 9.900

– 9.300

     
 

– Intensivering Circulaire Economie

21

 

8.000

8.000

         

11

Loon- en prijsbijstelling

99

– 149.928

– 153.085

– 154.918

– 157.587

– 157.034

– 151.515

   
 

– waarvan Infrastructuurfonds

26

97.865

100.568

101.082

100.470

101.507

98.754

790.032

98.754

 

– waarvan Deltafonds

26

18.358

19.289

19.976

22.430

20.607

18.393

147.152

18.394

 

– waarvan Hoofdstuk XII

div.

33.705

33.228

33.860

34.687

34.920

34.368

   

12

Eindejaarsmarge

99

– 18.031

             

Stand ontwerpbegroting 2019

 

8.304.703

9.552.760

9.295.201

9.330.714

9.168.914

9.378.838

   

Ad 1. Bij Begroting 2019 wordt de DBFM-conversie van het project Afsluitdijk verwerkt. De budgettaire reeksen worden omgezet om aan de beschikbaarheidsvergoedingen te kunnen voldoen.

Ad 2. Het Eurovignet is een heffing voor zware vrachtwagens voor het gebruik van de hoofdwegen van een aantal Europese landen. Het Eurovignetverdrag wordt gewijzigd. De wijziging van het verdrag leidt tot hogere heffingsontvangsten voor de Nederlandse overheid. De geraamde meeropbrengsten worden toegevoegd aan de investeringsruimte van hoofdwegennet op het Infrastructuurfonds.

Ad 3. Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III wordt er opnieuw een exportheffing op afvaltransport ingevoerd. Bij de begroting 2019 worden hiervoor middelen aan de begroting Hoofdstuk XII toegevoegd.

Ad 4. Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III zijn bij de Eerste suppletoire begroting 2018 middelen beschikbaar gesteld aan de begrotingen Hoofdstuk XII en fondsen. Bij de begroting 2019 wordt tevens de loon- en prijsbijstelling over deze middelen aan de begrotingen toegevoegd.

Ad 5. Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is bij de Eerste suppletoire begroting 2018 € 2 miljard in de periode 2018 tot en met 2020 beschikbaar gesteld. Daarnaast is vanaf 2021 het Infrastructuurfonds met € 100 miljoen per jaar opgehoogd. Door de aard van de infrastructurele planning en de noodzakelijke voorbereidende besluitvorming is een aanloopperiode nodig, voordat de daadwerkelijke uitgaven aan projecten gedaan worden. Dit betekent dat een deel van de in 2018 jaar beschikbaar gestelde middelen niet besteed worden. Daarnaast zijn ook de uitgavenramingen van lopende projecten en programma's geactualiseerd. Een nadere toelichting over de projecten en programma's is opgenomen in de productartikelen en het MIRT-overzicht. Er wordt daarom € 700 miljoen verschoven van 2018 naar de jaren 2020 en 2021. Voor een nadere toelichting op de aanwending van de aanvullende middelen wordt verwezen naar «Aanvullende middelen Infrastructuurfonds volgend uit het regeerakkoord» in de infrastructuuragenda. Ten behoeve van het Rijksbrede financiële beeld faciliteert IenW op het Infrastructuurfonds een kasschuif van € 100 miljoen en € 150 miljoen uit respectievelijk 2019 en 2020 naar 2023.

Daarnaast zijn de beschikbare budgetten en uitgavenramingen op de investeringsfondsen uit balans geraakt door actualisaties van projectramingen en de verwerking van het Regeerakkoord. Met behulp van een kasschuif tussen het Infrastructuurfonds en Deltafonds wordt de mismatch in 2020 en 2021 tussen beschikbare budgetten en de uitgavenramingen deels hersteld.

Ad 6. Dit betreft overboekingen naar het Gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds in het kader van Roode Vaart (€ 9,5 miljoen) en Impuls Omgevingsveiligheid (€ 14,2 miljoen).

Ad 7. Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III zijn bij de Eerste suppletoire begroting 2018 middelen beschikbaar gesteld aan de begrotingen 2019 Hoofdstuk XII, Infrastructuurfonds en Deltafonds.

Ad 8. Dit betreft diverse interne overboekingen naar het KNMI ten behoeve van aanvullende taken en Basale Dienstverlening.

Ad 9. Bij de begroting 2019 worden diverse interne kasschuiven gefaciliteerd op meerdere beleidsvlakken – met name voor het programma Omgevingsveiligheid – om het kasritme in overeenstemming te brengen met de te verwachten programmering.

Ad 10. Dit betreft een kasschuif waardoor benodigde middelen in het juiste kasritme beschikbaar komen voor maatregelen op het gebied van Circulaire Economie en de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken voor de jaren 2019 en 2020. De middelen voor de intensivering Circulaire Economie worden overgeheveld naar artikel 21.

Ad 11. Dit betreft de loonbijstelling en prijsbijstelling tranche 2018 die nader wordt toegedeeld binnen de begrotingen Hoofdstuk XII en de fondsen.

Ad 12. Bij de Eerste suppletoire begroting is de eindejaarsmarge 2017 toegevoegd op artikel 99. Bij de begroting 2019 zijn deze middelen toebedeeld van artikel 99 naar de diverse artikelen.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming

Op verzoek van de Tweede Kamer wordt inzicht gegeven in de niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel. Hiermee wordt de budgetflexibiliteit in de begroting beter inzichtelijk gemaakt en valt af te leiden welk deel van de geraamde uitgaven budgettair-technisch gezien beschikbaar is voor alternatieve besteding. Het percentage en het bedrag niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel worden bepaald op basis van het percentage «juridisch verplicht» uit de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen. In de kolom «Bestemming van de niet-juridische verplichte uitgaven» wordt het niet verplichte bedrag opgesplitst naar de bestemming van de uitgaven.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x 1.000)

Art. nr.

Naam artikel

Juridisch verplicht

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

11

Integraal Waterbeleid

(€ 45.362)

€ 41.476

(91%)

€ 3.886

(9%)

• € 769 voor opdrachten algemeen waterbeleid (watereducatie, watercoalitie, doelmatig waterbeheer en Publiekscampagne Ons Water).

• € 722 voor opdrachten ter ondersteuning van water internationaal.

• € 292 voor klimaatadaptatie.

• € 318 voor opdrachten waterveiligheid.

• € 1.101 voor opdrachten waterkwaliteit.

• € 684 voor opdrachten op het gebied van grote oppervlakte wateren.

13

Bodem en Ondergrond

(€ 41.436)

€ 40.199

(97%)

€ 1.237

(3%)

• € 470 voor beleids(onderzoek)opdrachten Bodem (o.a. RIVM)

• € 107 Structuurvisie ondergrond.

• € 490 Drinkwater en waterketen (o.a. Waternexus en Commissie van deskundigen)

• € 170 onderzoekopdrachten voor Milieueffectrapportage, Normering en regelgeving NEN, Landelijk Grondwaterregister.

14

Wegen en Verkeersveiligheid

(€ 49.917)

€ 41.963

(84%)

€ 7.954

(16%)

• € 1.704 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. wegmaatregelen, Smart Mobility en het verduurzamen van mobiliteit

• € 1.010 voor opdrachten programma’s Fiets, DUMO, Innovatie mobiliteit en afronding Beter Benutten. Opdrachten bestaan uit diverse onderzoeken en communicatieactiviteiten.

• € 4.234 voor diverse onderzoeken verkeersveiligheid en verkeersveiligheid campagnes.

• € 1.006 Opdrachten Stimulering Duurzame Brandstoffen

16

Openbaar Vervoer en Spoor

(€ 13.157)

€ 11.686

(89%)

€ 1.471

(11%)

• € 1.471 voor diverse opdrachten/onderzoeken ten behoeve van de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA), uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van beheer- en vervoerconcessie, taken voor werkagenda Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) OV-Chipkaart en het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV).

17

Luchtvaart

(€ 27.329)

€ 22.290

(82%)

€ 5.039

(18%)

• € 5.039 voor diverse opdrachten/onderzoeken m.b.t. luchtvaartveiligheid, luchthavenontwikkeling, luchtverkeer, duurzaamheid en netwerkkwaliteit en de opgaven voor de herziening van het luchtruim, Schiphol na 2020 en Lelystad.

18

Scheepvaart en Havens

(€ 38.555)

€ 37.584

(97%)

€ 971

(3%)

• € 971 voor opdrachten en onderzoeken Scheepvaart en Havens met betrekking tot bevorderen duurzame binnenvaart, vernieuwen internationale regelgeving en onderzoek naar klimaat, luchtkwaliteit en duurzame zeevaart.

19

Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

(€ 46.164)

€ 43.551

(94%)

€ 2.613

(6%)

• € 532 uitvoering HGIS.

• € 351 pilots Ruimte data.

• € 277 cofinanciering Interreg.

• € 940 DGMI- brede projecten.

• € 513 vrijwillige bijdragen aan (inter)nationale organisaties.

20

Lucht en Geluid

(€ 27.603)

€ 27.186

(98%)

€ 417

(2%)

• € 357 Onderzoeksopdrachten geluidsanering en uitvoeringskosten BSV

• € 60 Onderzoek ECN

21

Duurzaamheid

(€ 27.462)

€ 23.068

(84%)

€ 4.394

(16 %)

• € 1.139 Nederland Circulair

• € 1.614 Maatschappelijk verantwoord inkopen

• € 168 Biotische kringloop en bouw

• € 163 Onderzoeksopdrachten industriële emissies

22

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

(€ 33.802)

€ 28.732

(85%)

€ 5.070

(15%)

• € 2.237 Uitvoering Veiligheid Chemische Stoffen.

• € 522 Uitvoering veiligheid inrichtingen en bedrijven.

• € 1.464 Uitvoering Veiligheid Bedrijven en Transport.

• € 403 diverse subsidies.

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

(€ 52.786)

€ 52.786

(100%)

€ 0

(0%)

24

Handhaving en Toezicht

(€ 108.072)

€ 103.364

(100%)

€ 0

(0%)

25

Brede doeluitkering

(€ 899.965)

€ 899.965

(100%)

€ 0

(0%)

26

Bijdrage investeringsfondsen

(€ 7.795.954)

€ 7.795.954

(100%)

€ 0

(0%)

Totaal

€ 9.207.564

€ 9.174.512

€ 33.052

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

 

realisatie

 

planning

         

Artikel

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Geheel artikel?

Artikel 11 Waterkwantiteit

       

X

   

Ja

Waterkwaliteit

               

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

     

X

     

Ja

Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

X

         

X

Ja

Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

 

X

         

Ja

Artikel 17 Luchtvaart overig

X

         

X

Ja

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

         

X

 

Ja

Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

 

X

         

Ja

Artikel 20 Lucht

   

X

       

Nee

Artikel 20 Geluid

       

X

   

Nee

Artikel 21 Duurzaamheid

     

X

     

Ja

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

 

X

         

Ja

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

   

X

       

Ja

Artikel 24 Handhaving en Toezicht

   

X

       

Ja

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid wordt bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van artikel 24 richt zich op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de ILT als inspectie-organisatie binnen het kader van de opgedragen taken, de beschikbaar gestelde instrumenten, het budget en de governance binnen IenW.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 5 Evaluatie en overig onderzoek.

Overzicht risicoregelingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Bij het Ministerie van IenW is momenteel sprake van de garantieregeling borgstellingskrediet Bodemsanering MKB.

Het borgstellingkrediet Bodemsanering MKB betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering aan te vragen. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd. In 2019 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 363. De garanties Bodemsanering MKB lopen af naar nul over de looptijd tot en met 2027.

In de begroting 2018 is rekening gehouden met het aangaan van een garantieverplichting van € 23 miljoen in 2018 voor de aanschaf van nieuwe vliegtuigen door Winair. De orkaan Irma heeft ook voor Winair grote gevolgen gehad. Naast grote schade aan de gebouwen, moest ook het aantal vluchten aanzienlijk worden ingekrompen door een substantieel verminderde passagiersvraag en omzet. Voor Winair was daardoor het investeren in nieuwe vliegtuigen in 2018 niet mogelijk. In 2019 wordt dit opnieuw bezien. Hiermee verschuift de geraamd te verlenen garantie van 2018 naar 2019.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantie-plafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

Artikel 13

MKB Krediet

397

0

0

363

0

0

363

0

0

0

Artikel 17

Winair

   

23.000

0

23.000

0

0

     
 

Totaal

397

23.000

23.000

363

23.000

0

363

0

0

0

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven

2017

Ontvangsten 2017

Stand risicovoorziening 2017

Saldo 2017

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Stand risicovoorziening 2018

Saldo 2018

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risicovoorziening 2019

Saldo 2019

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Artikel 17

Winair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 
 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

Algemene Doelstelling

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en waterkwantiteit:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn, conform herziene basiskustlijn 2018 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (alle waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren (waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie en exportbevordering.

  • Waterveiligheid. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van waterveiligheid gericht op alle primaire waterkeringen in Nederland. Tevens het zorgdragen voor de waterveiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk.

  • Het zorgen voor wettelijke kaders en instrumentarium voor het beoordelen en ontwerpen van primaire waterkeringen. Ontwikkelen van kaders voor het toetsen op veiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–20214.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–2021.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Nederlands deel van de Noordzee. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen voor het bereiken van een gezonde zee met een duurzaam gebruik in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) ligt bij de Minister van IenW, tezamen met de Ministers van LNV en EZK voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot hun verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies.

  • Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Waterkwantiteit

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II 2015–2016, 34 436, nr. 3).

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten)

Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen. In 2017 is de nieuwe ronde beoordelen op veiligheid gestart, gebaseerd op de nieuwe normering (Kamerstukken II 2015–2016, 34 436, nr. 2). Over de resultaten van deze beoordeling wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer.

In de begroting 2020 wordt de indicator waterveiligheid op artikel 11 vervangen door een indicator die de groei van het percentage bescherming tegen overstroming (overstromingskans) beter weergeeft.

Dijken en duinen (km)

Dijken en duinen (km)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd via «De Staat van Ons Water». Omdat de Kaderrichtlijn Water werkt met planperiodes, is een volledige beschrijving van de toestand alleen om de zes jaar mogelijk. Het PBL rapporteert op verzoek van de Minister van IenW in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks op basis van de beschikbare gegevens over waterkwaliteit.

Integraal waterbeleid

In «De Staat van Ons Water» wordt vanaf 2016 jaarlijks gerapporteerd over de voortgang van het integraal waterbeleid. Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de «Waterschapsspiegel».

Beleidswijzigingen

Op dit artikel hebben geen beleidswijzigingen plaatsgevonden met een effect op de begroting 2019.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 11 Integraal Waterbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

89.248

34.174

30.755

31.513

32.553

43.236

41.769

Uitgaven:

50.701

49.644

45.362

45.351

44.935

43.266

41.769

Waarvan juridisch verplicht

   

91%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

38.330

37.393

33.424

33.767

33.648

32.415

30.918

11.01.01

Opdrachten

8.624

7.818

5.720

6.195

7.117

8.177

6.680

11.01.02

Subsidies

9.545

14.562

12.792

12.702

11.662

8.862

8.862

 

– Partners voor Water (HGIS)

9.251

13.322

11.602

11.602

11.602

8.802

8.802

 

– Overige subsidies

294

1.240

1.190

1.100

60

60

60

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

19.374

14.963

14.862

14.870

14.869

15.376

15.376

 

– waarvan bijdrage aan RWS

18.874

14.541

14.440

14.448

14.448

14.956

14.956

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

500

422

422

422

421

420

420

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

787

50

50

0

0

0

0

11.02

Waterveiligheid

3.057

2.853

2.992

2.994

3.000

2.999

2.999

11.02.01

Opdrachten

3.057

2.853

2.992

2.994

3.000

2.999

2.999

11.03

Grote oppervlaktewateren

2.390

2.714

2.408

2.181

2.056

1.949

1.949

11.03.01

Opdrachten

2.390

2.714

2.408

2.181

2.056

1.949

1.949

11.04

Waterkwaliteit

6.924

6.684

6.538

6.409

6.231

5.903

5.903

11.04.01

Opdrachten

3.638

4.443

3.823

3.719

4.086

4.213

4.213

11.04.02

Subsidies

436

436

400

400

400

0

0

11.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

350

325

500

500

0

0

0

11.04.05

Bijdrage aan internationale organisaties

2.500

1.480

1.815

1.790

1.745

1.690

1.690

 

Ontvangsten

1.226

278

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

241.324

281.273

326.269

477.714

295.095

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

165.848

190.701

157.296

155.418

153.657

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

407.172

471.974

483.565

633.132

448.752

waarvan

         

1.01

Grote projecten waterveiligheid

229.909

205.094

224.906

88.333

8.480

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

171.053

261.763

254.769

541.811

437.972

1.03

Studiekosten

6.210

5.117

3.890

2.988

2.300

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

22.244

47.854

42.784

1.546

2.764

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

3.000

41

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

25.244

47.895

42.784

1.546

2.764

waarvan

         

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

22.504

44.545

40.264

1.461

2.341

2.03

Studiekosten

2.740

3.350

2.520

85

423

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

180.288

127.986

137.622

138.406

160.824

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

180 288

127.986

137.622

138.406

160.824

waarvan

         

3.01

Watermanagement

7 191

7.191

7.191

7.191

7.191

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

173 097

120.795

130.431

131.215

153.633

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Andere ontvangsten van artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

32.467

28.761

42.587

53.198

234.906

Totale uitgaven op artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

32.467

28.761

42.587

53.198

234.906

waarvan

         

4.01

Experimenteerprojecten

0

0

0

0

0

4.02

Geïntegreerde contractvormen/PPS

32.467

28.761

42.587

53.198

234.906

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

84.443

127.233

87.441

131.888

94.378

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

84.443

127.233

87.441

131.888

94.378

waarvan

         

7.01

Real. progr. Kaderrichtlijn water

48.170

47.259

51.340

73.973

62.348

7.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

5.324

29.889

26.111

48.465

22.930

11.01 Algemeen Waterbeleid

Budgetflexibiliteit

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2018 zijn aangegaan, waaronder de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet, het vervolgprogramma HGIS Partners voor Water 2016–2021 en het HGIS budget voor het internationale samenwerkingsprogramma met de Unie van waterschappen onder de titel «Blue deal» en voor het programma gericht op acceleratie en implementatie van waterprojecten van de 2030 agenda, waarbij de Nederlandse inzet wordt gecompleteerd door de High Level Panel on Water (HLPW) coalitie van 11 landen, de Wereldbank en de Verenigde Naties.

Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW). De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdragen RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2018 zijn aangegaan en de uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet, zoals onder andere werken met de nieuwe normering, regie op de kennisontwikkeling waterveiligheid, werkzaamheden ten behoeve van de Lange Termijn Ambitie Rivieren (onderzoek naar maatregelen voor Rijn, IJssel en Maas), de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en advisering over waterkeren en de kust.

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2018.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2018 zijn aangegaan. De budgetten voor de subsidies, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De subsidie betreft de bijdrage aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC). De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het samenwerkingsprogramma Lumbricus ten behoeve van een klimaatrobuuste inrichting van het bodem- en watersysteem. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de Oslo en Parijs-commissie (OSPAR), die in internationale verdragen zijn opgericht. Daarnaast zijn ze bestemd voor de bijdragen aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en aan de Verenigde Naties (VN), die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van de uitvoering van een aantal activiteiten. Dat gaat om activiteiten in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Ook heeft het niet-juridisch verplichte deel betrekking op de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

In mei 2019 wordt de jaarlijkse voortgangsrapportage «Staat van Ons Water» gepubliceerd. Hierin wordt gerapporteerd over onder andere de uitvoering van het Nationaal Waterplan 2016–2021, het Bestuursakkoord Water uit 2011, het uitvoeringsprogramma van de Beleidsnota Drinkwater en de uitvoering van de Europese richtlijnen over waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en de mariene strategie.

De Topsector Water en Maritiem is gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (gouden driehoek). De ondersteuning van de ministeries van IenW en EZK aan het topteam draagt bij aan het organiseren van werkgroepen, evenementen en communicatiemiddelen zoals de website van Topsector Water en Maritiem (www.topsectorwater.nl). De Human Capital Agenda bevordert de instroom van goed gekwalificeerd personeel in de watersector. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door het uitreiken van beurzen aan waterambassadeurs, het organiseren van het Wereld Water College, het uitwerken van strategisch personeelsmanagement en het uitvoeren van de strategielijn «leven lang leren». De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) versterkt de verbinding van kennisinstellingen en bedrijfsleven met Europese onderzoeksprogramma’s op het terrein van Water en Klimaat. Dit versterkt de Nederlandse kennispositie op het terrein van Water en Klimaat en draagt bij aan de doelstellingen van het topsectorenbeleid en IenW.

In 2019 worden uitgaven gedaan voor watereducatie om het waterbewustzijn bij jongeren te stimuleren, onder meer door middel van het vernieuwen van de hiervoor bestemde website. Dit gebeurt in samenwerking met de Unie van Waterschappen en met onderwijspartijen.

De watercoalitie ondersteunt diverse maatschappelijke initiatieven die direct of indirect een bijdrage leveren aan een duurzame en doelmatige waterketen.

Aan de Helpdesk Water, onderdeel van de dienst Water, Verkeer en Leefomgeving van RWS, wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd. De Helpdesk Water heeft een reguliere taak als kennistransferpunt tussen uitvoering en beleid voor overheden en andere waterprofessionals. Daarnaast wordt ook informatievoorziening over watergerelateerde informatie in het kader van de toekomstige Omgevingswet voorbereid.

Gewerkt wordt aan de totstandkoming van de Omgevingswet. Naar verwachting treedt de Omgevingswet per 1 januari 2021 in werking. Activiteiten en onderzoeken op het gebied van water worden uitgevoerd ter voorbereiding op de implementatie van deze wet. Dit betreft o.a. het inbouwen van de nieuwe normering waterveiligheid.

Voor de uitvoering van het bestaande Omgevingsloket Online (OLO) wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd ten behoeve van water- en omgevingsvergunningen.

Het actualiseren van de uitvoeringsregelingen waterheffingen heeft betrekking op het moderniseren van de tabel afvalwatercoëfficiënt. Er lopen twee trajecten die samenhangen met de toekomstbestendige financiering van het Waterbeheer. De modernisering betreft enerzijds de hoogte van de afvalwatercoëfficiënten die verouderd zijn en anderzijds een vereenvoudiging door het aantal klasse-indelingen terug te brengen en over te stappen op de standaard bedrijfstak indelingen (SBI). Hiervoor wordt onderzocht op welke wijze de huidige indeling kan worden gewijzigd naar een vereenvoudigde indeling.

Er wordt gewerkt aan nieuwe bestuurlijke afspraken op het gebied van waterkwaliteit, klimaatadaptatie en verdere samenwerking in de waterketen.

In het kader van het project «duurzame financiering waterbeheer» dat met het Bestuursakkoord Water-partners is ingericht, worden samen met de Unie van Waterschappen onderzoeken verricht naar aanpassingen en moderniseringen van de zuiveringsheffing, de verontreinigingsheffing en de watersysteemheffing.

Ten slotte worden middelen ingezet voor het programma Klimaatadaptatie. Dit programma richt zich op het bevorderen van een transitie van personen en organisaties naar meer klimaatbestendig handelen. Daarbij bevindt het programma zich in een breed speelveld, waarbinnen het een schakelfunctie vervult. Klimaatadaptatie omvat drie onderdelen; allereerst de uitvoering van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van september 2014 (en het daarover gesloten bestuursakkoord). Hierin is een interbestuurlijke aanpak afgesproken teneinde Nederland op de lange termijn waterrobuust en klimaatbestendig in te richten, met als doel dat Nederland beter bestand is tegen dreigingen van overstromingen, neerslag, droogte en hitte.

In december 2016 is de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) aan de TK aangeboden. In 2017 is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie opgesteld dat op Prinsjesdag 2017 aan de kamer is aangeboden. De ambities en doelstelling uit dit Deltaplan zullen de komende jaren bepalend zijn voor de activiteiten op het gebied van Ruimtelijke Adaptatie. In maart 2018 is het uitvoeringsprogramma van de NAS door de ministerraad vastgesteld. Dit uitvoeringsprogramma (UP NAS) is de basis voor de activiteiten in de periode 2018–2019. IenW heeft hierbij een coördinerende rol, maar doet dit in nauwe samenwerking met andere betrokken departementen, decentrale overheden en kennisinstellingen. Het UP NAS en het Deltaprogramma zijn complementair aan elkaar.

11.01.02 Subsidies

In 2017 is een subsidiebeschikking afgegeven aan Deltares van in totaal € 3,1 miljoen voor de bouw van een nieuwe Geocentrifuge. Dit totaalbedrag wordt gelijkmatig verdeeld over de jaren 2018, 2019 en 2020. De GeoCentrifuge is van groot belang voor de instandhouding van de (inter)nationale kennisinfrastructuur op het terrein van water en bodem, waarvoor IenW medeverantwoordelijk is. De Geocentrifuge wordt onder meer gebruikt voor onderzoek aan dijken, kustbescherming, offshore, aardbevingen en natte en droge infrastructuur.

In 2016 is de nieuwe subsidieregeling gestart van het programma Partners voor Water (PvW) 2016–2021 als opvolger van de subsidieregeling van het programma HGIS Partners voor Water 3. Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de (interdepartementale) Internationale Water Ambitie (IWA). Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries BZ, EZK en IenW samenwerken. De uitgaven voor het programma worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd. Voor de uitvoering van het PvW 2016–2021 programma is mandaat verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het budget is onderverdeeld in een deel voor lange termijn samenwerking met zeven Deltalanden, een subsidiedeel ten behoeve van marktbetrokkenheid en samenwerking met kansrijke nieuwe landen en Holland promotie.

Een financiële bijdrage wordt geleverd aan het Watersnoodmuseum voor het herinrichten van het 4e caisson. Het Watersnoodmuseum heeft een unieke positie door de verbinding met het nationale herdenkingsmonument van de watersnoodramp en de verbinding die het legt tussen die ervaring en het waterbewustzijn voor nu en in de toekomst.

Er wordt een jaarlijkse bijdrage van € 60.000 verstrekt aan de provincie Friesland ten behoeve van het Regiecollege Waddengebied (RCW). Het RCW is een strategisch overleg- en afstemmingsorgaan waarin Rijk, Provincie, Gemeenten, Waterschappen, bedrijfsleven, natuurorganisaties en de wetenschap zijn vertegenwoordigd. De bestuurlijke partners dragen jaarlijks financieel bij. Het RCW kijkt met integrale blik naar het Waddengebied en stemt de verschillende belangen op elkaar af. Zo wordt onder meer het voorgenomen beleid op het gebied van waterveiligheid en waterkwaliteit besproken. Het RCW draagt bij aan de doelstelling van het Rijk om te komen tot integraal beleid voor het Waddengebied. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

Aan het KNMI zijn diverse onderzoeken en analyses gevraagd die betrekking hebben op Kennisontwikkeling Windklimaat, Nationale adaptatiestrategie, ontwikkeling Noordzee windklimaatatlas en transnationale samenwerking Rijn en Maas.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdrage is bestemd voor de Unie van Waterschappen voor de financiering van belastingonderzoeken door de Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB). Dit in het kader van het project «duurzame financiering waterbeheer», waarin met de partners van het Bestuursakkoord Water is besloten tot onderzoeken op dit terrein.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

Op basis van de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) moeten eind 2019 de kaarten voor drie verschillende overstromingsscenario’s en in 2021 de plannen geactualiseerd zijn. Voor de actualisatie van de kaarten en de plannen is opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en beheer. In 2019 worden de werkzaamheden voortgezet.

In 2019 wordt verder gewerkt aan het beoordelen van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen. Voor deze beoordeling worden diverse opdrachten verstrekt ter ondersteuning van de waterkeringbeheerders. Daarnaast worden opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en ook vast te leggen.

Voor de kust worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling, onder andere over zeespiegelstijging en kustontwikkeling. Hierbij wordt samenwerking gezocht binnen het kader van Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK).

Voor rivieren worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling met betrekking tot het kunnen beoordelen van maatregelpakketten op grond van een MKBA en de bijdragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied voor zowel de Rijn, de IJssel als ook de Maas.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

De beschikbare budgetten worden in 2018 ingezet voor onder andere de uitvoering van de volgende beleidsonderwerpen:

Samen met de regio’s en andere partijen in de bestuurlijke MIRT overleggen wordt aan de hand van de gezamenlijke gebiedsagenda’s gewerkt. Daarnaast neemt IenW het initiatief, vanuit haar beleidsverantwoordelijkheid voor de Grote Wateren, om samen met collega-departementen en gebiedspartners gebiedsagenda’s te ontwikkelen voor de grote wateren. Verder wordt op basis van de gezamenlijke ambitie om kansen en maatregelen passend te laten zijn binnen de waarden van het gebied, gewerkt aan een gezamenlijke adaptieve uitvoeringsagenda. Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke kennis- en innovatie-agenda.

Het Ministerie van IenW zal (mede namens het Ministerie van LNV) gezamenlijk met de regio een gebiedsagenda Wadden 2050 opstellen. Bij het opstellen van de gebiedsagenda worden de bevindingen betrokken van onder meer de Evaluatie van de Structuurvisie Waddenzee, de Beleidsverkenning en de tussentijdse evaluatie van de Samenwerkingsagenda Verbetering Beheer Waddenzee. Tevens zullen de ambities uit de Natuurambitie Grote Wateren worden meegenomen bij het opstellen van de gebiedsagenda. De gebiedsagenda Wadden 2050 komt in de plaats van de eerder aangekondigde Rijksvisie op de toekomstige ontwikkeling van het Waddengebied en zal input leveren voor de Nationale Omgevingsvisie en het overige instrumentarium van de Omgevingswet.

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» van 10 oktober 2017 heeft het kabinet aangekondigd dat er «één beheerautoriteit voor de Waddenzee komt die een integraal beheerplan uitvoert, waardoor betere bescherming van natuurgebieden gecombineerd wordt met beter visbeheer». In 2019 zullen de uitkomsten van de in 2018 opgestarte verkenning naar de te vormen beheerautoriteit worden door vertaald in een herkenbare en aanspreekbare organisatievorm. De beheerautoriteit moet in 2019 van start gaan.»

Rijk en regio gaan structureel werken aan ecologische verbetering van de Eems-Dollard, door samenhangende inzet van middelen, maatregelen en onderzoeken op basis van een meerjarig adaptief programma. De ambitie is dat de Eems-Dollard in 2050 voldoet aan het ecologisch streefbeeld, door stapsgewijs te werken en adaptief in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

De drie landen die grenzen aan de Waddenzee, Nederland, Duitsland en Denemarken, vormen samen de Trilaterale samenwerkingslanden. Ze overleggen iedere vier jaar met elkaar over het vormen of aanpassen van het beschermingsbeleid van het waddengebied.

De grote maatschappelijke opgaven tot 2030 na de planperiode van de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) zijn aanleiding voor de ministeries van IenW en LNV om in samenwerking met EZK en BZK en met belanghebbende partijen in de samenleving te werken aan het opstellen van een Strategische Agenda Noordzee 2030 met een Uitvoeringsprogramma. Concreet gaat het vooral om het samengaan van de enorme windenergieopgave zoals deze voortvloeit uit de Routekaarten voor Wind op Zee tot 2030 met natuurherstel, voedseltransitie en de ontwikkeling van duurzame en concurrerende sectoren van de Blauwe Economie op zee en in de kustzone, met een doorkijk naar 2050. De strategie zal worden opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in 2019 en de nadere uitwerking daarvan in het Nationaal Waterprogramma in 2021. Het is ook onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan de invulling van het Strategisch Ontwikkelingsdoel voor de zeeën en oceanen (SDG 14). Het kompas voor de lange termijn zijn de toekomstperspectieven uit de Noordzee Gebiedsagenda 2050 (vergaderjaar 2013–2014, 33 450, nr. 24).

Nederland en Vlaanderen werken in de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie samen aan een zogenoemde Agenda voor de Toekomst voor de integrale en duurzame ontwikkeling van het Schelde-estuarium. Een rode draad van deze agenda is hoe met slim(mer) sedimentbeheer de balans kan worden versterkt tussen de veiligheid, toegankelijkheid en natuurlijkheid van het Schelde-estuarium. In 2018 wordt samen met de stakeholders het eerste onderzoeksprogramma van de Agenda voor de Toekomst geëvalueerd. Daarbij wordt de rapportage betrokken die in 2018 wordt opgeleverd over de (ontwikkeling van de) toestand van het Schelde-estuarium. In 2019 wordt het eindrapport voor de tweede evaluatie van de Vlaamse-Nederlandse samenwerking aangeboden aan het Vlaamse en Nederlandse parlement.

Regio en Rijk hebben in 2018 een start gemaakt met de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta. De inzet is het natuurlijk en het economisch kapitaal van de grote wateren in de Zuidwestelijke Delta in evenwicht met elkaar te ontwikkelen, binnen de randvoorwaarde van waterveiligheid. De gebiedsagenda komt tot stand door co-creatie van overheden, terreinbeheerders, havenbedrijven, recreatieondernemers, schippers, visserij, energieproducenten en andere belanghebbenden. Medio 2019 is de oplevering van de Gebiedsagenda voor de Zuidwestelijke Delta voorzien.

11.04 Waterkwaliteit
11.04.01 Opdrachten

Het doel is om in 2027 de doelstelling van chemisch schoon water en een ecologisch gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. Ieder jaar wordt in De Staat van Ons Water de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De toestand, doelen en maatregelen worden iedere 6 jaar vastgelegd en aan de Europese Commissie gerapporteerd middels stroomgebiedbeheerplannen onder de Kaderrichtlijn Water. De tweede stroomgebiedbeheerplannen voor Rijn, Maas, Schelde en Eems voor de periode 2016–2021 zijn eind december 2015 vastgesteld en op dit moment in uitvoering. De uitvoering van de tweede tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem loopt via artikel 7 van het Deltafonds.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2018 wordt de beoordeling van het mariene milieu en ecosysteem geactualiseerd, alsook de goede milieutoestand en daarbij behorende beleidsdoelen en indicatoren. Deze actualisatie wordt gebaseerd op de resultaten uit het KRM-monitoringprogramma en aanvullend onderzoek op gebied van vooral onderwatergeluid, zwerfvuil en microplastics. Ook wordt in 2018 een voortgangsrapportage gemaakt over de uitvoering van het KRM-Programma van Maatregelen, onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021. Het zwaartepunt bij de uitvoering van de maatregelen ligt bij het terugdringen van zwerfvuil in zee (plastic soep) en bescherming van ecologisch waardevolle gebieden op de Noordzee. Daarnaast geeft het kabinet meer invulling aan zijn faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. De uitvoering van de KRM vindt plaats in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en Interreg Community Initiative (INTERREG).

11.04.02 Subsidies

Dit betreft subsidieverlening voor het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) en geeft invulling aan de ambitie die is vastgelegd in de overeenkomst tussen IHE (Delft Institute for Water Education) en het Koninkrijk der Nederlanden. Medio 2016 hebben IHE en het Koninkrijk der Nederlanden een samenwerkingsovereenkomst opgesteld voor de jaren 2016–2022, die beantwoordt aan de toenemende grondwaterproblematiek in de wereld en met name het stedelijk gebied. Het United Nations-karakter van de taken van IGRAC bepaalt dat IGRAC (een UNESCO categorie 2 instelling) alleen kan werken op basis van overheidsfinanciering.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden heeft betrekking op de uitvoering van het samenwerkingsprogramma Lumbricus door Waterschap Vechtstromen met regionale partijen. Het samenwerkingsprogramma is gericht op het geïntegreerd toepassen van innovatieve maatregelen op het gebied van bodem en water ten behoeve van een klimaatrobuuste inrichting van het bodem- en watersysteem van beekdalen. In dit programma komen doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, zoetwatervoorziening, bodembeheer, klimaatadaptatie en waterveiligheid samen.

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld. Voor coördinatie van de EU-richtlijnen Kaderrichtlijn water en Overstromingsrisico’s bestaat voor de Eems geen vaste riviercommissie, maar heeft Nederland apart een contract afgesloten met Flussgebietsgemeinschaft Ems in Nedersaksen, Duitsland.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het Oslo- Parijs (OSPAR)-verdrag. Ook voor OSPAR is Nederland jaarlijks contributie verschuldigd.

Nederland ambieert een internationale profilering als centrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van twee Memoranda of Understanding (MOU), waarmee UNESCO wordt ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning capacity building door IHE.

Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). Er is reeds een specifiek SDG voor water afgesproken. In een van de subdoelen van de SDG die zich richt op steden wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. Op dit moment is hiertoe de implementatiefase aangebroken. Hiervoor wordt met internationale organisaties en platforms samengewerkt en worden activiteiten ondersteund. Zo worden bijdragen geleverd aan het Sendai raamwerk van de UNISDR, HELP, Aqueduct, Wereldbank, Water Global Practice WGP, OESO, Habitat III en World Water Council. Nederland steunt verder actief de activiteiten van UNECE Water op het gebied van grensoverschrijdend waterbeheer.

Beleidsartikel 13 Bodem en Ondergrond

Algemene Doelstelling

Een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. Het doel is de vraagstukken op het gebied van bodemkwaliteit, drinkwatervoorziening, grondwater, bodemdaling, duurzaam bodembeheer in de landbouw, kabels en leidingen en bodemenergie in relatie met de maatschappelijke opgaven als energietransitie en klimaatadaptatie aan te pakken. Daarnaast is het beleid gericht op het tot stand brengen van een betrouwbare en betaalbare drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland.

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van wet- en regelgeving omtrent beheer en gebruik van bodem, ondergrond en wateren en stimuleert anderzijds de investeringen en de bescherming daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenW een stimulerende en een regisserende rol.

Stimuleren

Rollen en verantwoordelijkheden

Voor het onderdeel Bodem en Ondergrond is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks)structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten in de bodem en ondergrond. De aanpak is onder meer beschreven in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 en het Convenant Bodem en Bedrijven 2015. Het Rijk bevordert de investeringen in de kwaliteit van bodem en ondergrond door middel van:

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het Uitvoeringsprogramma van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020

  • Het efficiënt beschermen van drinkwaterbronnen door het landelijk faciliteren/stimuleren van de totstandkoming van gebiedsdossiers.

Caribisch Nederland Afvalwatervoorziening

Aanpassen van de Wet VROM BES en de Wet FIN-BES met als doel het van een afvalwaterheffing en de verkoop van gezuiverd afvalwater voor irrigatie mogelijke te maken en zo de exploitatiekosten van het afvalwaterbeheer te dekken.

Regisseren

De Minister van IenW heeft bij het onderwerp Bodem en Ondergrond een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De Minister van IenW is vanuit deze rolopvatting verantwoordelijk voor:

  • De opname van de Wet bodembescherming in de Omgevingswet;

  • Het proces waarbij de decentrale overheden in staat worden gesteld van om uiterlijk in 2030 de bodemverontreiniging-problematiek te beheersen;

  • De verdere ontwikkeling van regelgeving en kennis van de bodem en ondergrond. Deze ontwikkeling ondersteunt het beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en faciliteert de toepassing daarvan door de andere overheden;

  • Het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht);

  • Het beleid (beleidsnota drinkwater), regelgeving (drinkwaterwet) en het uitoefenen van toezicht/handhaving (via de ILT) op de levering van deugdelijk drinkwater;

  • De zorg – samen met andere bestuursorganen – voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (zorgplicht).

Drinkwatervoorziening Caribisch Nederland

Wetswijziging Wet elektriciteit en drinkwater BES (reparatie capaciteitstarief) om zo de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van drinkwater in Caribisch Nederland te garanderen. Door het insulaire karakter, de geringe bevolkingsomvang en het ontbreken van grote zoetwatervoorraden zal de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland nooit kostendekkend zijn. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stelt daarom een subsidie op de transportkosten voor drinkwater beschikbaar.

Afvalwatervoorziening Caribisch Nederland

Door de aanpassing van de Wet VROM BES en de Wet FIN-BES kan het openbaar lichaam Bonaire een lokale verordening afvalwaterheffing op- en vaststellen.

Indicatoren en Kengetallen

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). In dit convenant is onder meer beschreven hoe de overheden de focus leggen bij de aanpak van de resterende verontreinigingen. Resterende verontreinigingen zijn verontreinigingen waarbij het risico voor mens, plant en dier het grootst is. In het convenant is afgesproken dat, afhankelijk van de situatie, spoedlocaties uiterlijk in 2020 zijn gesaneerd, dan wel dat de risico’s worden beheerst, dan wel in beeld gebracht en er concrete plannen voor de aanpak zijn gemaakt. De budgetten van het meerjarenprogramma Bodem worden over de bevoegde overheden ex-Wet Bodembescherming (ex Wbb) verdeeld via het Provincie- en Gemeentefonds. Gedurende de Convenantsperiode rapporteert het gezamenlijke uitvoeringsprogramma over de bereikte resultaten. In de systematiek van deze monitoring wordt onder andere gekeken naar het aantal spoedlocaties die in uitvoering zijn, hoeveel er afgerond zijn, hoeveel er nog niet gestart zijn, en de kosten van de aanpak.

Beleidswijzigingen

Op dit artikel hebben geen beleidswijzigingen plaatsgevonden met een effect op de begroting 2019 voor wat betreft de onderwerpen Bodem en Ondergrond. Uitzondering hierop betreft de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland. Door flinke investeringen in de voorziening zijn de tarieven sterk gestegen en zonder extra tariefsubsidie wordt drinkwater onbetaalbaar voor kleinverbruikers hetgeen in strijd is met het vigerende beleid. Via extra tariefsubsidie blijft drinkwater voor deze groep toegankelijk en betaalbaar. De hoeveelheid extra benodigde tariefsubsidie wordt in 2018 nader uitgewerkt.

De voormalige artikelonderdelen Eenvoudig Beter, Gebiedsontwikkeling, Geo-informatie en Ruimtelijk instrumentarium zijn vanaf 2018 overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 13 Bodem en Ondergrond (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

160.868

77.567

26.820

21.030

127.372

123.880

138.422

Uitgaven:

136.527

39.046

41.436

35.044

139.643

137.703

138.422

Waarvan juridisch verplicht

   

97%

       

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

10.786

0

0

0

0

0

0

13.01.01

Opdrachten

9.220

0

0

0

0

0

0

 

– Wabo

0

0

0

0

0

0

0

 

– Architectonisch beleid

2.285

0

0

0

0

0

0

 

– OLO

3.238

0

0

0

0

0

0

 

– Overige opdrachten

3.697

0

0

0

0

0

0

13.01.02

Subsidies

1.376

0

0

0

0

0

0

 

– Programma Ruimtelijk Ontwerp

1.376

0

0

0

0

0

0

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

190

0

0

0

0

0

0

13.02

Geo-informatie

33.717

0

0

0

0

0

0

13.02.01

Opdrachten

5.329

0

0

0

0

0

0

13.02.02

Subsidies

1.967

0

0

0

0

0

0

 

– Basisregistraties

1.967

0

0

0

0

0

0

13.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

26.421

0

0

0

0

0

0

 

– Kadaster

26.421

0

0

0

0

0

0

13.03

Gebiedsontwikkeling

9.473

0

0

0

0

0

0

13.03.01

Opdrachten

1.296

0

0

0

0

0

0

13.03.02

Subsidies

48

0

0

0

0

0

0

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

2.402

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

5.726

0

0

0

0

0

0

 

– Projecten BIRK

3.176

0

0

0

0

0

0

 

– Projecten Nota Ruimte

0

0

0

0

0

0

0

 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

2.550

0

0

0

0

0

0

13.04

Ruimtegebruik bodem

18.723

32.080

36.723

32.176

139.643

137.702

138.421

13.04.01

Opdrachten

5.727

7.314

16.416

17.007

14.967

5.167

5.400

13.04.02

Subsidies

7.499

8.611

13.480

11.149

13.983

20.507

18.705

 

– Bedrijvenregeling

1.385

2.176

8.657

8.938

11.772

18.296

16.208

 

– Programma Commissie MER

2.000

0

0

0

0

0

0

 

– Subsidies Caribisch gebied

4.114

6.435

4.823

2.211

2.211

2.211

2.497

 

– Overige subsidies

0

0

0

0

0

0

0

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

5.497

3.569

3.566

3.566

3.566

3.566

3.566

 

– waarvan bijdrage aan RWS

5.497

3.569

3.566

3.566

3.566

3.566

3.566

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

12.586

3.261

454

107.127

108.462

110.750

 

– Meerjarenprogramma Bodem

0

12.442

3.261

454

107.127

108.462

110.750

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

0

144

0

0

0

0

0

13.04.07

Bekostiging

0

0

0

0

0

0

0

 

Uitvoering klimaatadaptatie

0

0

0

0

0

0

0

13.05

Omgevingswet

63.828

6.966

4.713

2.868

0

1

1

13.05.01

Opdrachten

38.108

3.478

2.353

1.432

0

0

0

 

– Eenvoudig Beter

962

0

0

0

0

0

0

 

– Omgevingswetgeving

37.087

0

0

0

0

0

0

 

– Overige opdrachten

59

3.478

2.353

1.432

0

0

0

13.05.02

Subsidies

9.000

0

0

0

0

0

0

 

– Stimuleringsregeling Impl Omgevingswet

9.000

0

0

0

0

0

0

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

16.720

3.488

2.360

1.436

0

1

1

 

– waarvan bijdrage aan RWS

16.720

3.488

2.360

1.436

0

1

1

 

Ontvangsten

12.248

0

4.450

0

2.000

0

0

13.04 Ruimtegebruik bodem

Budgetflexibiliteit

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS/WVL en de bijdragen aan drink- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland zijn juridisch verplicht.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op gelden conform de bestuurlijke afspraken voor knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming en grootschalige bodemsaneringsprojecten.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Toelichting op de financiële instrumenten

13.04.01 Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van: Bodem, Drinkwater en Waterketen, BES-eilanden, Commissie van deskundigen Drinkwaterbesluit, Structuurvisie Ondergrond (STRONG), Bodemenergie, Milieueffectrapportage en NEN-regelgeving (drinkwater, bodem, zwemwater).

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Caribisch Nederland

Dit betreft subsidiebijdragen ten behoeve van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de drinkwater- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland. Een goede drinkwatervoorziening is van groot belang voor de volksgezondheid, het welzijn en de welvaart van Caribisch Nederland. Vanwege de geringe bevolkingsomvang, het ontbreken van grote zoetwatervoorraden en het insulaire karakter is de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland niet kostendekkend. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt daarom in 2019 in totaal 4,8 miljoen euro subsidie beschikbaar om de toegankelijkheid tot schoon en veilig drinkwater in Caribisch Nederland te garanderen.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

De Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond bij RWS/WVL: dit betreft een opdracht aan het agentschap RWS. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken op grond van de Wet bodembescherming en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Het bodembeleid voor de periode 2016–2020 is opgenomen in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (Stcrt. 2015, 14854). Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Dit convenant vormt de basis voor het verstrekken van een bijdrage aan de andere overheden voor de financiering van de uitvoering van het convenant, inclusief de aanpak van verontreinigingen. Tevens vindt de betaling van eerdere toezeggingen voor de aanpak van enkele specifieke verontreinigingen plaats. Dit betreft o.a. de rijksbijdrage aan het Rotterdamse Havengebied en Utrecht Griftpark.

Het resterende budget voor 2019 is voorzien voor eventuele knelpunten (artikel 11.4 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020) en voor benodigde aanvullende financiële middelen voor individuele bevoegde overheden Wbb in verband met de uitvoering van het convenant (artikel 11.3 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020).

13.05.03 Bijdragen aan agentschapen

Dit betreft de agentschapsbijdrage voor de transitie van het agentschap Rijkswaterstaat in het kader van de Omgevingswet.

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Het Ministerie van IenW streeft ernaar om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet: regelgeving, investeringen, regisseren, uitvoering en toezicht. IenW werkt toe naar een modern en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van de programma’s Beter Benutten (afronding), Fiets, Duurzame Mobiliteit (DUMO) en Innovatie Mobiliteit.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie vanwege verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

  • Het beheersen van de luchtkwaliteit langs het rijkswegennet door middel van monitoring en indien nodig het treffen van maatregelen in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenW voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • De kennis en ervaring die is opgedaan met het programma Beter Benutten breed toe te passen binnen diverse beleidsterreinen van artikel 14, waar het gaat over het verbeteren van de bereikbaarheid in samenwerking met regionale partners en het daaraan koppelen van bijdragen aan slimme en duurzame mobiliteit. Van het programma Beter Benutten loopt het onderdeel Decentraal Spoor en ITS door tot en met 2020.

  • De programma-ambitie voor het programma Fiets. Meewerken met de Tour de Force aan de doelstelling: 20% meer fietskilometers in 2027. Deze ambitie is weergegeven in de Nationale Fiets agenda die in 2017 naar de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2016–2017, 34 681, nr. 1).

  • Input te leveren voor het Klimaatakkoord voor de sector Mobiliteit. Doelstelling voor de sector Mobiliteit is de CO2-uitstoot in 2030 te beperken tot maximaal 25 Mton. Dit is een reductie van de CO2-uitstoot van circa 7 Mton ten opzichte van de Nationale Energieverkenning 2017. Omdat hierbij de daadkracht, investeringen, kennis en kunde van meerdere partijen in de maatschappij nodig zijn, zorgt het programma Duurzame Mobiliteit dat in het Klimaatakkoord afspraken met deze partijen worden gemaakt over ieders eigen inzet en gezamenlijke acties, op basis van de afspraken in het Regeerakkoord.

  • Met stakeholders en gebruikers wordt vanuit de Unit Innovatie in Mobiliteit in een netwerk aanpak gewerkt aan het ontwikkelen van doelen en een heldere rol van de overheid bij de transitie naar nieuwe, «slimme», vormen van mobiliteit. Daar waar in samenspraak met het netwerk belemmeringen of kansen worden gezien voor innovaties om bij te dragen aan de beleidsdoelen neemt de Unit het voortouw om kaders te scheppen om deze innovaties verder te brengen. Ook sector overstijgende thema’s als privacy, regelgeving en data worden daarbij opgepakt. Tevens wordt de ontwikkeling gemonitord om kort cyclisch bij te kunnen sturen. Waar nodig wordt een broedkamer geboden om kansen voor innovaties optimaal te kunnen benutten.

  • Met betrekking tot slimme mobiliteit invulling geven aan de ambities in het regeerakkoord met betrekking tot het streven naar «Een slim en duurzaam vervoerssysteem waarvan de onderdelen naadloos op elkaar aansluiten». Hierbij ligt de focus op de volgende prioriteiten: infrastructuur die toekomst vast is door bij ontwerp, aanleg en onderhoud van infrastructuur rekening te houden met zelfrijdende voertuigen en benodigde systemen in of langs de weg; (wettelijke) ruimte voor een nieuwe generatie voertuigen; het (veilig) gebruik van slimme technologieën en diensten; nieuwe mobiliteitsconcepten & Mobility as a Service (MaaS); en het gebruik van data onder goede randvoorwaarden zoals privacy en security. Een voorbeeld van deze randvoorwaarden is het streven om overheidsinformatie over verkeer zoveel mogelijk via open data beschikbaar te stellen voor voertuigen, apps en reisplanners.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vormgegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • In het Strategische Plan Verkeersveiligheid 2018–2030 wordt samen met de andere overheden ingezet op een risico gestuurde aanpak. Risico’s worden in kaart gebracht zodat op niveau van rijk, provincie en gemeenten in samenspraak met maatschappelijke partners een goede afweging kan worden gemaakt welke maatregelen het meest bijdragen aan verbetering van de verkeersveiligheid. Voorbeelden van maatregelen zijn infrastructuur op specifieke locaties, educatie, handhaving snelheid en alcohol. Ook wordt huidig beleid voortgezet, gericht op specifieke risicogroepen zoals ouderen en fietsers en het verminderen van afleiding door smartphonegebruik in het verkeer.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op verbeteren van data van verkeersongevallen en in samenwerking met de decentrale overheden onderzoeken hoe een risico gestuurde aanpak kan worden gebruikt als nieuwe basis voor de inzet van maatregelen.

  • In navolging van omringende landen invoeren van een vrachtwagenheffing. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie en verduurzaming.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het decarboniseren van transport middels het reduceren van CO2-emissies van motorvoertuigen, op het verduurzamen van brandstofkwaliteit, op de inzet van hernieuwbare energie in transport waaronder duurzame biobrandstoffen.

  • Coördineert de onderhandelingen met EZK en FIN op het gebied van de duurzame mobiliteit.

  • De opdracht aan de NEa voor de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en Toezicht).

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenW:

  • Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Het verduurzamen van energie en brandstoffen in de sectoren mobiliteit en transport door verdere uitvoering van de Actieagenda duurzame brandstofvisie voor het doelbereik van 15 tot 20 Petajoule energiebesparing voor 2020 en een maximumuitstoot van 25 megaton CO2 in 2030. Dit is gebaseerd op een 60% CO2 emissiereductiebereik waarvoor afspraken voor transport zijn vastgelegd in het SER-Energieakkoord, pijler zeven transport en mobiliteit. Het bereiken van de jaardoelstelling voor hernieuwbare energie in transport, innovatie stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden, rijden op waterstof en duurzame biobrandstoffen, en het faciliteren van de aanleg van alternatieve tank- en laadinfrastructuur voor alternatieve energiedragers. In 2018 zullen in het Klimaatakkoord nieuwe reductiedoelstellingen worden vastgelegd welke gebaseerd zijn op de Overeenkomst van Parijs. Deze vereisen een CO2-emissiereductie van 80–95%. Voor de sector transport zullen de afspraken worden afgesproken in de mobiliteitstafel.

  • Een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, zo wordt toegewerkt naar de WHO-streefwaarden, dit om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. In overleg met andere overheden, belangenorganisaties en bedrijfsleven zal hiertoe in 2019 een nieuw luchtkwaliteitsplan worden gepresenteerd.

  • Schonere, zuinigere en stillere voertuigen. Door voorlopers in de sector te stimuleren en samen met de decentrale overheden en de sectorpartijen, slimme logistieke concepten te ontwikkelen voor stedelijke distributie, en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en Verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

In het notaoverleg MIRT, d.d. 23 november 2015, heeft de Tweede Kamer ingestemd om in de eerstvolgende Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse de indicator voor acceptabele reistijd te wijzigen. Dit is gebeurd in de NMCA 2017 (Kamerstukken II 2016–2017, 31 305, nr. 229). De indicator voor acceptabele reistijd uit de Nota Mobiliteit en de SVIR is hiermee vervallen en is vervangen door de hoofdwegennet indicator. Met deze indicator worden de economische verlieskosten van (toekomstige) knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen. Rijkswaterstaat zal in haar Publieksrapportage (T3 aan het eind van elk jaar) een file top 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel zal overgenomen worden in de verantwoordingsrapportage. In het MIRT projectenboek zal dezelfde kaart opgenomen worden, en per MIRT-project de bijdrage aan het oplossen van de file top 50 worden weergegeven.

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales) en 12.02 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en routeinformatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: Lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld
 

Waarde

2013

Waarde

2014

Waarde

2015

Waarde

2016

Waarde

2017

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

         

0 knelpunten

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.650

8.600

8.300

8.300

5.550

0 knelpunten in 2020

Bron: RWS/WVL, 2017

Toelichting

Langs het hoofdwegennet was de afgelopen jaren geen sprake van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. De inzet is gericht op het voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan.

In vervolg op de brieven aan de Tweede Kamer over de kostenbeheersing van het MJPG d.d. 20 november 2015 (Kamerstukken II 2015–2016, 32 252, nr. 56) en 1 september 2016 (Kamerstukken II 2015–2016, 32 252, nr. 58) zal de komende jaren hieraan verder invulling worden gegeven door middel van prioritering van maatregelen.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

basiswaarde

         

realisatie

doelstelling

 

2002

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2020

aantal verkeersdoden

1.066

650

570

570

621

629

613

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

19.200

18.800

20.700

21.300

21.400

n.n.b.

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2017 Bron verkeersdoden 2017:

https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2018/17/verkeersdoden-2017

Voor een nadere toelichting bij de cijfers en ontwikkelingen wordt verwezen wordt naar de «Kerncijfers verkeersveiligheid» (Kamerstukken II 2016–2017, 29 398, nr. 544).

Hernieuwbare energie in het vervoer

Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in %)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

6,25

7

       

Bron: realisatie 2016: Rapportage hernieuwbare energie 2016 van de Nederlandse Emissieautoriteit: (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-812393)

Toelichting

In artikel 2.1 van het Besluit Hernieuwbare Energievervoer 2015 dat op 1 januari 2015 van kracht is geworden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie in het vervoer tot en met 2020 vastgelegd. Bedrijven hebben in 2016 aan de gestegen jaarverplichting hernieuwbare energievervoer (van 6,25% naar 7%) voldaan.

Kengetal: Ontwikkeling CO2 -emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer
 

2005

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2021

EU

162,6

145,7

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

119,6 (130,0)1

118,1

(95,0)

Nederland

169,9

146,9

135,8

126,1

118,6

109,1

107,3

101,2

105,9

 

Bron: European Environment Agency (EEA) Technical Report No 19/2017. Monitoring CO2 emissions from new passenger cars and vans in 2016.

X Noot
1

Norm

Toelichting

Nadat vrijwillige afspraken over CO2-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten hebben geleid, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte een verplichte norm van gemiddeld 130 g CO2/km in 2015. Daarnaast is in november 2013 overeenstemming bereikt dat een verplichte norm van gemiddeld 95 g CO2/km in 2021 zal gelden. Deze norm zal er straks toe leiden dat de gemiddelde automobilist op jaarbasis zo’n € 340 aan brandstofkosten bespaart ten opzichte van het referentiejaar 2007. Alleen voor 2015 en 2021 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

De gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland is in de periode tussen 2010 en 2016 sterk gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. In 2016 nam de uitstoot van nieuw verkochte personenauto’s in Nederland als enige lidstaat in de EU licht toe. Volgens voorlopige cijfers die het Europese milieuagentschap in april 2017 heeft gepubliceerd, komt in 2016 de voorlopige gemiddelde CO2-uitstoot uit op 105,9 g/km in Nederland en op 118,1 g/km in Europa. Nederland blijft daarmee ruim onder het Europese gemiddelde en kan nog steeds tot de kopgroep worden gerekend. Ook blijft het aantal elektrische voertuigen groeien. Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2015 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 130 g/km. In 2021 ligt de reeds vastgestelde norm op 95 gram CO2 per kilometer.

Op 8 november 2017 heeft de Europese Commissie een voorstel gepubliceerd voor de aanscherping van de normen voor personen- en bestelauto’s voor de jaren 2025 en 2030. Zoals verwoord in het BNC-fiche (Kamerstukken II 2017–2018, 22 112, nr. 2440) ondersteunt Nederland het doel van het voorstel om CO2-uitstoot te reduceren, maar is kritisch over de uitwerking van het voorstel en had graag meer ambitie willen zien met het oog op de klimaatdoelstellingen.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoervervoer. Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart (in kton/jr).
 

1990

2000

2005

2010

2014

2015

2020

2030

 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Raming

Raming

NOx

369

272

236

193

151

143

99

63

SO2

21

10

6

1

0

0

0,4

0,5

PM2,5

24

15

12

8

5

5

3

2

NH3

1

4

5

5

4

4

3,8

4,1

NMVOS2

203

82

52

41

32

30

28

26

Bron: de informatie over de gerealiseerde en geraamde emissies zijn afkomstig uit «Informative Inventory Report 2017» (RIVM Rapport 2017_0002). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid. (http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Wetenschappelijk/Rapporten/2017/April/Informative_Inventory_Report_2017_Emissions_of_transboundary_air_pollutants_in_the_Netherlands_1990_2015)

Toelichting

In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld voor de periodes 2020–2029 en de periode 2030 en verder. Het betreft aanpassing van de oude Europese richtlijn voor National Emission Ceilings (NEC) voor 2010–2019, in een nieuwe NEC-richtlijn (EU2016/2284). In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages uit de richtlijn omgerekend naar vrachten. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast doordat deze nieuwe inzichten met terugwerkende kracht ook worden meegenomen in de emissiecijfers van voorgaande jaren.

Beleidswijzigingen

In navolging van omringende landen wordt een vrachtwagenheffing ingevoerd. Het daarvoor te introduceren registratie- en betalingssysteem wordt gelijk aan dat in de buurlanden (zoals in het Regeerakkoord vermeldt), zodat voor vrachtauto’s geen extra apparatuur benodigd is. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie in en verduurzaming (Kamerstukken II 2017–2018, 31 305, nr. 239).

Verder heeft het Regeerakkoord een grote ambitie neergelegd op het terrein van bereikbaarheid en mobiliteit, waarbij verduurzaming van de verschillende sectoren belangrijk is. De uitdagingen zijn groot en complex, en vragen om innovatieve oplossingen. Rijksoverheid en de sectoren hebben elkaar nodig om de ambities te kunnen realiseren. Gewerkt wordt aan het realiseren van de afspraken uit het klimaatakkoord van Parijs (CO2-reductie in de vervoersmodaliteiten), onder meer via het beleid voor brandstoffen en voertuigemissies. Verduurzaming is ook aan de orde in het transport- en wegvervoer, de ontwikkeling van luchtvaart op de langere termijn en bij scheepvaart, via onder meer de Green Deal vergroening scheepvaart en met het fietsbeleid, Tour de Force en Fietsagenda.

Specifiek voor de sector Mobiliteit en Transport wordt uitvoering gegeven aan de afspraken van de Duurzame Brandstofvisie. In vervolg op de afspraken in het Energieakkoord zijn specifieke afspraken vastgelegd in convenanten, Bestuursakkoorden en Green Deals. Bij de totstandkoming van de Klimaatagenda worden aanvullende afspraken gemaakt om de opgave voor de sector als bijdrage aan de klimaatafspraken van Parijs.

Naar aanleiding van het regeerakkoord heeft de overheveling van «klimaat» uit artikel 19 van het ministerie IenW naar het Ministerie van EZK plaatsgevonden. In de daaropvolgende herindeling van de beleidskern van het IenW-departement maakt «Voertuigen en Brandstoffen» geen onderdeel meer uit van artikel 19 en 20 van de IenW begroting 2019, maar van artikel 14.

Bij auto’s richt het kabinet zich op overschakeling naar elektrische aandrijflijnen, waarbij auto’s vrij zijn van schadelijke uitlaatgassen. Daarbij streeft het kabinet ernaar dat in 2030 alle nieuwe personenauto’s emissieloos zijn. Ook voor brom- en snorfietsen verkent het kabinet de mogelijkheden om de overgang emissieloze tweewielers te versnellen. Een dergelijke overgang kost echter tijd. In de tussenliggende periode is het van belang om aandacht te blijven houden voor naleving en verdere aanscherping van Europese emissienormen. In 2019 zal daarnaast specifieke aandacht blijven uitgaan naar roetfilters, katalysatoren en vergelijkbare systemen, die bedoeld zijn om de emissies van schadelijke stoffen te verlagen. Ook tijdens de gebruiksfase moeten deze technieken naar behoren blijven functioneren.

Daarnaast is naar aanleiding van de Beleidsdoorlichting van beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid het belang van een zorgvuldige verantwoording en een waar mogelijk continue verbetering van de doeltreffendheid en doelmatigheid bevestigd (Kamerstukken II 2017–2018, 32 861, nr. 27). Effecten van beleid worden zichtbaar gemaakt in de begroting en het jaarverslag. Verbeteringen krijgen vorm in het Programma Versobering en Efficiëntie, verbetering informatievoorziening en optimalisatie over de levenscyclus voor instandhouding en de doelmatigheidsindicator. Met NMCA, MKBA’s en alternatievenafweging vindt prioritering en integrale beoordeling van projecten plaats. Het budget voor verkeersmanagement wordt – afhankelijk van beschikbare technologie – tussen 2015 en 2020 met 10% afgebouwd met de ambitie de bereikbaarheid met 5% te verbeteren.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 14 Wegen en Verkeersveiligheid (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

33.639

34.835

33.587

34.034

36.683

36.646

35.239

Uitgaven:

46.179

43.580

49.917

41.043

37.164

35.901

34.721

Waarvan juridisch verplicht

   

84%

       

14.01

Netwerk

30.705

27.088

33.397

24.300

19.663

18.387

17.107

14.01.01

Opdrachten

24.066

19.221

15.901

13.375

10.363

9.081

7.315

 

– Beter Benutten

20.106

11.244

7.402

4.866

173

173

173

 

– BOA wegverkeersbeleid

1.435

1.246

2.350

2.387

2.722

2.728

2.768

 

– Wegverkeersbeleid

1.683

2.876

1.296

1.567

1.679

1.690

1.722

 

– Overige opdrachten

842

3.855

4.853

4.555

5.789

4.490

2.652

14.01.02

Subsidies

1.077

650

7.816

2.220

600

600

600

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

5.562

7.217

9.680

8.705

8.700

8.706

8.703

 

– waarvan bijdrage aan RWS

5.562

7.217

5.731

4.745

4.744

4.740

4.736

14.02

Veiligheid

15.474

16.492

16.520

16.743

17.501

17.514

17.614

14.02.01

Opdrachten

5.251

6.147

6.606

6.829

7.618

7.629

7.729

 

– Opdrachten Verkeersveiligheid

5.251

6.147

6.606

6.829

7.618

7.629

7.729

14.02.02

Subsidies

8.181

8.583

8.370

8.370

8.369

8.369

8.369

 

– VVN

3.523

3.893

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

 

– SWOV

3.878

3.870

3.869

3.869

3.869

3.869

3.869

 

– Overige subsidies

780

820

765

765

764

764

764

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

596

595

597

597

597

599

599

 

– waarvan bijdrage aan RWS

596

595

597

597

597

599

599

14.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

30

30

30

30

0

0

0

 

– Euro NCAP

30

30

30

30

0

0

0

   

30

30

30

30

0

0

0

14.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

1.416

1.137

917

917

917

917

917

 

– CBR

1.416

917

917

917

917

917

917

 

Ontvangsten

5.279

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

3.026.512

2.836.186

2.930.410

2.662.084

3.016.955

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

73.126

112.388

104.763

135.217

58.297

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

3.099.638

2.948.574

3.035.173

2.797.301

3.075.252

waarvan

         

12.01

Verkeersmanagement

3.737

3.736

3.733

3.730

3.729

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

675.177

643.081

755.369

678.135

701.736

12.03

Aanleg

1.466.966

1.242.849

1.282.609

1.068.518

1.447.044

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

371.112

470.583

416.348

500.715

379.519

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

582.646

588.325

577.114

546.203

543.224

12.07

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

193.388

55.624

307.274

394.112

396.592

Andere ontvangsten van artikel 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

68.309

87.862

79.217

28.458

20.434

Totale uitgaven op 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

261.697

143.486

386.491

422.570

417.026

waarvan

         

17.08

ZuidasDok

261.697

143.486

386.491

422.570

417.026

Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

13.000

31.000

31.000

31.000

31.000

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

13.000

31.000

31.000

31.000

31.000

waarvan

         

20.04

Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

13.000

31.000

31.000

31.000

31.000

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen». Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de forfaitaire bijtelling voor de fiets in de loonbelasting betrekking op dit beleidsartikel.

Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen2

4

7

9

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen3

12

19

26

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's4

92

141

189

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

523

400

118

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

37

38

37

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

X Noot
4

IB = Inkomstenbelasting; LB = Loonbelasting

14.01 Netwerk

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier onder andere verplichtingen die tot en met 2019 zijn aangegaan. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een vastomlijnde tijdshorizon, de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en Team Alert. Voor de subsidies aan VVN, SWOV en Team Alert zijn de maximaal beschikbare subsidiebudgetten vermeld in de gepubliceerde meerjarensubsidieregelingen c.q. jaarlijks gepubliceerde subsidieplafonds.

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen duurzame mobiliteit en opdrachten betreffende diverse onderzoeken op het gebied van verkeer, wegmaatregelen en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, Smart Mobility zoals de zelfrijdende auto, het kennisplatform tunnelveiligheid, het Programma Aanpak Stikstof, taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid). De uitgaven voor de diverse programma’s bestaan o.a. uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, meerjarenprogramma MIRT en Intelligente Transport Systemen (ITS).

14.01.02 Subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies verstrekt voor het fietsbeleid, waaronder de subsidie Fietsersbond en een incidentele subsidie aan het Fietsplatform. Verder wordt in het kader van de uitvoering van de Duurzame Brandstofvisie voor de transportsector (Kamerstukken II 2015–2016, 30 196, nr. 353) subsidies verstrekt voor technologieontwikkeling en innovatie duurzame mobiliteit en transport. De regeling DKTI is specifiek voor praktijktesten van initiatieven uit de markt, ondersteuning van de platforms die bij de uitvoering van de visie betrokken zijn en voor nationale bijdragen voor deelname aan Europese subsidieprojecten zoals calls van CEF, HORIZON en Fuel Cells land Hydrogen Joint Undertakings.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd. Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenW een opdracht aan de NEa met betrekking tot het register voor biobrandstoffen. Het betreft hier werkzaamheden die door RWS worden uitgevoerd. Het gaat met name om de uitvoering Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) en om de uitvoering van werkzaamheden en het leveren van expertise op het beleidsterrein duurzame mobiliteit. Een deel een deel van de beleidsuitvoering wordt uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden).

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Onder opdrachten valt onder andere het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers. Dit gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid en naar specifieke doelgroepen zoals ouderen. Onder dit artikel vallen ook opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek rijden onder invloed onder dit artikel. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt onder meer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO en RWT’s

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), een RWT die per 1 januari 2017 is herzien. Vanaf 2017 vindt voor de vorderingenonderzoeken (medisch en rijvaardigheid) nog een gedeeltelijke vergoeding plaats (Kamerstukken II 2016–2017, 29 398, nr. 529). Het resterende bedrag wordt doorberekend aan de burger waarbij het vorderingenonderzoek moet plaatsvinden. Incidentele werkzaamheden voor ZBO en RWT’s komen eveneens ten laste van deze post. Hiervoor vinden incidentele overboekingen plaats van opdrachtenbudgetten.

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Algemene Doelstelling

Om ervoor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenW de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, beheren en benutten. Daarbij zorgt IenW tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenW zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013–2014, 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenW (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG).

  • Het invoeren van het European Railway Traffic Management System (ERTMS), om onder meer de veiligheid op het spoor verder te verhogen.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenW zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele ov-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessie overstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, OV-chipkaart, taxivervoer en OV-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de OV-infrastructuur en de ordening van de OV-markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele OV-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015–2016, 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stop tonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Openbaar Vervoer en Spoor.

In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

In de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) is in actie 43 aangegeven dat gezamenlijk een dashboard wordt ontwikkeld waarmee de verbetering van de reis van deur-tot-deur in beeld kan worden gebracht. Op basis van het dashboard wordt de deur-tot-deur ambitie gemonitord aan de landsdelige en landelijke OV- en Spoortafels. Een samenvatting van de rapportage over het Dashboard Deur tot Deur, de conclusies en eventuele afspraken die naar aanleiding daarvan aan de OV- en Spoortafels worden gemaakt, maken onderdeel uit van de periodieke terugkoppeling over de OV- en Spoortafels aan de Tweede Kamer.

Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2013

2014

2015

2016

2017

Algemeen oordeel

7,4

7,5

7,5

7,6

7,6

Informatie en veiligheid

7,6

7,6

7,7

7,7

7,9

Rijcomfort

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

Tijd en doorstroming

6,8

6,9

7,0

7,0

7,2

Prijs

6,3

6,4

6,6

6,7

6,7

Bron: CROW/KpVV – Klantenbarometer 2017

Toelichting

De OV-Klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het regionale stads- en streekvervoer waarvoor de provincies en de metropoolregio’s verantwoordelijk zijn.

Het onderzoek wordt per kwartaal geüpdatet. In de periode eind oktober tot begin december wordt het laatste kwartaal onderzocht. In het jaarverslag 2019 zal het jaarlijkse gemiddelde opgenomen worden.

Vanaf 2018 zal NS conform de motie-Faber (Kamerstukken II 2013–2014, 29 984, nr. 502) met het oog op eenduidigheid en vergelijkbaarheid aansluiting zoeken bij de OV-Klantenbarometer. Vanaf het jaarverslag over 2018 zullen deze waarden meegenomen worden. Op dit moment meet NS de klantoordelen via een andere methode en worden zij hier in de concessie ook door IenW op beoordeeld. Vanaf het jaarverslag 2018 zullen ook nieuw gemeten waarden voor de Waddenveren meegenomen worden.

Kengetal: Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2013

2014

2015

2016

2017

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

         

– Reizigers (1)

7,9

8

8

8

8,1

– Personeel (2)

n.b.

7

n.b.

6,8

n.b.

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

         

– Reizigers(3)

15

16

14

14

16

– Personeel(4)

n.b.

60

nb

62

n.b.

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2016 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2017

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Ad 3) Dit betreft het percentage reizigers dat slachtoffer is geworden van een incident.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Kengetal: Sociale veiligheid NS
 

2013

2014

2015

2016

2017

Klantoordeel sociale veiligheid

79,5%

80,2%

80,1%

87,1%

88,0%

Bron: NS Jaarverantwoording 2017

Indicator: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Bodemwaarde

Progressiewaarde

Streefwaarde

 

2013

2014

2015

2016

2017

2015–2019 (1)

2016 (1)

2019 (1)

Reizigerspunctualiteit (2)

90,0%

90,5%

91,0%

90,6%

91,6%

88,9%

90,5%

91,1%

Algemeen klantoordeel (3)

75%

75%

74%

77%

80%

74%

76%

80%

Bron: NS Jaarverantwoording 2017

Toelichting

Ad 1) Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie is de systematiek van jaarlijks veranderende grenswaarden gewijzigd in een systematiek van bodem- en streefwaarden. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malus-regime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar waar de ambitie in zit. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019.

Ad 2) De indicator Reizigerspunctualiteit laat het percentage reizigers zien voor wie de treinreis qua reistijd is geslaagd. Dat wil zeggen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft, bij aankomst minder dan 5 minuten vertraging had en de voor de overstappers geplande aansluiting is gehaald.

Ad 3) Het Algemeen klantoordeel geeft het percentage reizigers dat het reizen per trein op het hoofdrailnet met een zeven of hoger waardeert.

Indicator: Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Nr.

Risico-drager1

Omschrijving indicator

2014

2015

2016

NRV

1

Veiligheidsrisico treinreizigers

SGEL2 onder reizigers/jaar/mld. reizigerskm’s

0

0,011

0

0,089

2

(Mogelijke) ongevallen met treinen

         

2.1

 

Aantal significante ongevallen/ mln. treinkm’s

0,122

0,199

0,18

 

2.2

 

Aantal significante treinbotsingen/mln. treinkm’s

0,019

0,006

0,01

 

2.3

 

Aantal significante ontsporingen/ mln. treinkm’s

0,006

0,006

0

 

2.4

 

Aantal STS passages

112

100

100

 

3

Veiligheidsrisico spoorpersoneel

SGEL2 onder spoorpersoneel/jaar/mld. treinkm’s

0

1,283

13,965

5,97

4

Veiligheidsrisico overweggebruikers

SGEL2 onder overweggebruikers/jaar/mld. treinkm’s

47,580

84,704

19,678

127

5

Suïcides

Aantal spoorsuïcides

192

223

221

 

Bron: ILT Jaarverslag Spoorveiligheid 2016, Kamerstukken II 2016–2017, 29 893, nr. 215, Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hierboven staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid. Over de indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in functie als National Railway Safety Authority. Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht.

In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste acht spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2016 was op basis van de indicatoren. De stand van zaken 2017 komt in oktober 2018 beschikbaar. Gegevens van voor 2014 zijn niet beschikbaar, in verband met een andere meetmethode.

Ad 1) Risicodragers = actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen.

Ad 2) SGEL = Slachtoffers en Gewogen Ernstige Letsels

Dit is een kwantificering van de gevolgen van ernstige ongevallen met doden en ernstige letsels, waarbij 1 ernstig letsel statistisch gelijk is aan 0,1 overledene.

Kengetal: Aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2013

2014

2015

2016

2017

Betuweroute (Meteren-Valburg) (ad 1)

410

480

440

390

470

Zevenaar grens

490

540

470

400

470

 

waarvan Betuweroute (ad 2)

410

480

440

380

460

Oldenzaal grens

70

60

100

130

110

Venlo grens

240

190

270

310

240

Maastricht grens

30

30

30

40

50

Roosendaal grens

110

110

130

140

150

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling PV/POV

Toelichting

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen. In 2016 was verschuiving van verkeer waarneembaar van de Betuweroute naar het gemengde net door omleidingen als gevolg van de bouw van het Derde spoor in Duitsland.

Ad 1) Omdat eind 2015 de verbindingsboog bij Elst in gebruik is genomen, is er een verschil tussen het aantal goederentreinen op het drukste deel van de Betuweroute (Meteren-Valburg) en het aantal goederentreinen dat via de Betuweroute (Valburg-Zevenaar) en Zevenaar grens heeft gereden.

Beleidswijzigingen

In 2019 zal verder gewerkt worden aan het optimaliseren van het openbaar vervoer. De ambitie vanuit het regeerakkoord is dat het openbaar vervoer in alle delen van Nederland een goed alternatief is voor de auto. Het gaat er om dat de reiziger snel, comfortabel en veilig van A naar B kan reizen.

Het regeerakkoord geeft aan dat goederenvervoer via de spoorwegen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het beperken van toenemend goederenvervoer over de weg en de daarmee samenhangende uitstoot. Het spoorgoederenvervoer wordt gestimuleerd door de gebruiksvergoeding in de pas te laten lopen met die in de buurlanden. Om dit te verwezenlijken heeft de Staatssecretaris medio 2018 aan de Tweede Kamer een maatregelenpakket voorgelegd om de ambitie in het regeerakkoord invulling te geven (Kamerstukken II 2017–2018, 29 984, nr. 782).

Richting 2025, wanneer de concessie van de Nederlandse Spoorwegen voor het hoofdrailnet afloopt, wordt de optie voor meer marktopening opengehouden. De eerste stap hierin is een evaluatie van de huidige prestaties. Hier zal in 2019 mee begonnen worden. Dit gebeurt onder andere aan de hand van de parameters uit de vervoersconcessie. In deze tussentijdse evaluatie van de concessie van NS bekijken we ook verschillende opties voor het eigendom en de exploitatie van stations na 2025.

Ook bij ProRail zal in 2019 een evaluatie van de prestaties plaatsvinden. Dit gebeurt naast het traject van de omvorming van ProRail naar een publiekrechtelijke zelfstandig bestuursorgaan waartoe het kabinet in het regeerakkoord heeft besloten. Mede naar aanleiding van een Raad van State advies (W14150443) is een traject gestart tot aanpassing en modernisering van de Spoorwetgeving en gestart met een nadere verkenning van een toekomstbestendige Spoorwet. In 2019 zal de vernieuwde Spoorwegwet naar de Kamer gestuurd worden, waarin onder andere de kaders voor de omvorming van ProRail staan.

In 2019 zal ook de programmabeslissing voor het European Rail Traffic Management System (ERTMS) worden genomen. Indien deze beslissing positief is, zal worden overgegaan naar de realisatiefase van het programma ERTMS. Dit sluit aan bij het voornemen in het Regeerakkoord om ERTMS tijdig uit te rollen. Daarnaast wordt ook onderzoek gedaan naar de overschakeling op 3kV bovenleidingspanning. De middelen hiervoor komen uit een budget voor studie en innovatie op het spoor, die ik beschikbaar heb gesteld uit de aanvullende middelen van het regeerakkoord.

Eind 2016 is met het Toekomstbeeld OV 2040 een gemeenschappelijke visie op de toekomst van het openbaar vervoer gepresenteerd. IenW en de OV-partners (overheden, vervoerders en infrabeheerder) willen zich gezamenlijk inzetten voor betere stedelijke bereikbaarheid, sneller verbindingen tussen steden en nieuwe concepten bijvoorbeeld om gebieden waar minder vraag is, bereikbaar te houden. Daarbij zullen de grenzen tussen modaliteiten steeds meer vervagen. IenW, regionale overheden, vervoerders en ProRail als infrabeheerder werken tot in 2019 uit welke maatregelen nodig zijn om dit Toekomstbeeld te realiseren. Aan de hand hiervan kijken we met de regio’s naar afspraken over cofinanciering van de verdere uitbreiding van het openbaar vervoer, bijvoorbeeld via lightrailverbindingen.

Zowel in als buiten Nederland is een levendig debat ontstaan over de mogelijkheid om vervoer per vliegtuig over de korte afstand binnen Europa te vervangen door internationaal vervoer per trein. Meer reizen per trein draagt bij aan verduurzaming van het personenvervoer en het biedt veel andere voordelen op het gebied van comfort, zoals uitstappen midden in de stad. De uitkomsten van verschillende onderzoeken laten zien dat dat er potentieel is voor de trein als substitutie voor luchtvaart, dit wordt in 2019 verder onderzocht. Door in te zetten op de verbetering van de bereikbaarheid van de grensregio’s per spoor, kunnen reizigers ook op deze kortere afstanden een duurzamere keuze maken. Hierbij is het van belang om niet alleen te kijken naar infrastructurele maatregelen, zoals het uitbreiden van station Amsterdam Zuid om het station klaar te maken als internationale hub, maar naar het brede palet van maatregelen om het treinproduct als geheel te verbeteren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Art. 16 Openbaar Vervoer en Spoor (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

– 7.368

7.710

11.497

9.380

16.850

10.128

10.525

Uitgaven:

18.804

19.292

13.157

13.918

14.236

14.245

12.225

Waarvan juridisch verplicht

   

89%

       

16.01

OV en Spoor

18.804

19.292

13.157

13.918

14.236

14.245

12.168

16.01.01

Opdrachten

4.462

6.903

5.818

6.512

6.991

6.936

6.655

 

– ERTMS

47

0

0

0

0

0

0

 

– Overige opdrachten

4.415

6.903

5.818

6.512

6.991

6.936

6.655

16.01.02

Subsidies

11.053

9.066

4.013

4.079

4.017

4.079

2.079

 

– Bodemsanering NS

0

0

0

0

0

0

0

 

– GSM-R

3.572

0

0

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

7.481

9.066

4.013

4.079

4.017

4.079

2.079

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

912

936

939

940

841

843

1.047

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

44

45

45

45

45

45

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

868

891

894

895

796

798

1.047

16.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

2.297

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

 

– CLU Betuweroute en HSL

2.297

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

80

100

100

100

100

100

100

 

Ontvangsten

3.497

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

1.814.000

1.875.026

1.723.732

1.712.325

1.613.997

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

195.388

188.979

194.640

200.206

205.029

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.009.388

2.064.005

1.918.372

1.912.531

1.819.026

waarvan

         

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.379.109

1.343.023

1.261.866

1.305.767

1.271.121

13.03

Aanleg

460.265

546.730

481.426

429.315

368.820

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

160.024

164.262

165.090

167.459

169.095

13.07

Rente en aflossing

9.990

9.990

9.990

9.990

9.990

13.08

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

192.762

158.381

69.641

47.282

1.752

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

192.762

158.381

69.641

47.282

1.752

waarvan

         

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

15. 807

152.527

68.651

1.605

1.752

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

0

0

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

4. 955

5.854

990

45.677

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds

221.244

231.635

289.095

306.566

275.428

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds

3.711

1.353

27.419

0

0

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds

224.955

232.985

316.514

306.566

275.428

waarvan

         

17.02

Betuweroute

4.807

1.210

1.210

0

0

17.03

HSL-Zuid

2.188

6.435

6.475

0

0

17.07

ERTMS

217.960

225.340

308.829

306.566

275.428

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

261.697

218.486

386.491

422.570

417.026

Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

29.897

24.226

25.367

96.635

120.635

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

29.897

24.226

25.367

96.635

120.635

waarvan

         

20.04

Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

29.897

24.226

25.367

96.635

120.635

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

BPM Teruggaaf taxi’s en openbaar vervoer2

90

68

68

MRB Vrijstelling taxi’s en openbaar vervoer3

48

47

46

Reisaftrek OV

9

9

9

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

BPM = Belasting van personenauto's en motorrijwielen

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

16.01 OV en Spoor

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter)nationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. De agentschapsbijdrage, de bijdrage aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter)nationale organisaties hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgaven voor de ov-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche, de uitbesteding van SWUNG-1-taken en het onderzoek voor het rekenmodel trillingen spoorwegen. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer en het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

16.01 OV en Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SWUNG-1-taken, het onderzoek naar verbetermogelijkheden voor het rekenmodel trillingen spoorwegen, het onderzoek naar verplaatsingen in Nederland (OVIN) en aanpassingen in de spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, wat een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt het subsidieplafond € 13 miljoen inclusief de uitvoeringskosten.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is in regel 3 een bedrag van € 250.000 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2019 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie om belemmeringen voor grensoverschrijdend treinverkeer waar mogelijk weg te nemen door maatregelen en bijdragen ter stimulering van internationaal personenvervoer. Door deze bijdrage kunnen reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar reizen van Nederland naar Duitsland en vice versa. Deze subsidie wordt verstrekt aan Verkeersverbund Rhein-Ruhr. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is in regel 3 een bedrag van € 562.000 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2019 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor de beleidsondersteuning voor de vereniging ROVER en voor het in stand houden van het ov-loket. Doel van deze subsidies is het ondersteunen van reizigers en een loket te organiseren waar zij terecht kunnen. Deze subsidies worden verstrekt aan de Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverleningen als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

16.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Met Rijkswaterstaat zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering.

16.01.04 Bijdrage medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Daarbij valt te denken aan de wetgeving voor het Nieuw Normen- en Handhavingstelsel Schiphol om geluidshinder te beperken. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister internationaal naar een gelijk speelveld. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek gezien belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenW zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, het beheer en het gebruik van het luchtruim en op de verbetering van de prestaties van Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, een intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en een betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, ea.) een rol alsmede economische ontwikkelingen in Nederland.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Gerealiseerd 2017

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 500.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

450.679

479.000

497.000

497.000

500.000

 

78%

77%

84%

84%

85%

88%

90%

96%

99%

99%

100%

Bron realisatie: https://www.schiphol.nl/nl/schiphol-group/pagina/verkeer-en-vervoer-cijfers/

Bron streefwaarde: (Kamerstukken II 2014–2015, 34 098, nrs. 1–3).

Toelichting

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 voor de periode tot en met 2020 een plafond voor het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken van 510.000. In 2015 is dat plafond verlaagd naar 500.000 per jaar. Het Rijk heeft daarnaast de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad.

Er is gewerkt aan het wettelijk verankeren van het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol (NNHS). Dit is van belang voor de indicator over luchthavencapaciteit, omdat het toegestane aantal vliegbewegingen een afgeleide zijn van deze regelgeving. De wet waarin dit stelsel is opgenomen, is op 30 maart 2016 gepubliceerd in het Staatsblad, maar nog niet formeel in werking getreden. Het bij de nieuwe wet behorende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) is nog in voorbereiding. Totdat het in voorbereiding zijnde LVB in werking is getreden, is het nieuwe stelsel formeel nog niet van kracht.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2015

Gerealiseerd t/m 2016

Gerealiseerd t/m 2017

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000

25.000

25.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

45.000

45.000

45.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II 2013–2014, 31 936, nr. 187), Vergunning burgermedegebruik exploitant militaire luchthaven Eindhoven ten behoeve van Eindhoven Airport N.V. (gebruiksjaren 2016 tot en met 2019) (Stcrt., 47829, nr. 28).

Bron Lelystad: Luchthavenbesluit Lelystad (Staatsblad 2015 nr. 130).

Toelichting

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) moet ervoor zorgen dat Schiphol meer ruimte overhoudt voor mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

Op 17 december 2015 is aan de Eindhoven Airport NV voor de jaren 2016 tot en met 2019 een vergunning verleend voor burgermedegebruik van de militaire luchthaven Eindhoven voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen (Stcrt. 2015, 47829).

Ten behoeve van de uitbreiding van Lelystad Airport heeft het kabinet een Luchthavenbesluit vastgesteld dat op 1 april 2015 in werking is getreden met een voorziene uitbreiding van de luchthaven voor groot commercieel verkeer: gefaseerd naar maximaal 45.000 vliegtuigbewegingen. Tot de herziening van het luchtruim is dit aantal maximaal 10.000 vliegtuigbewegingen. Alle betrokken overheden en marktpartijen werken met volle inzet aan ingebruikname van de luchthaven. Op 21 februari 2018 is de Tweede Kamer bij brief geïnformeerd dat de openingsdatum van Lelystad Airport voor groot commercieel verkeer is uitgesteld. In dezelfde brief is de Tweede Kamer geïnformeerd over de actualisatie van de MER voor Lelystad Airport en de geoptimaliseerde aansluitroutes voor de luchthaven. (Kamerstukken II 2017–2018, 31 639, nr. 462).

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

1

 

Parijs (CDG)

3

3

3

4

4

 

Frankfurt (FRA)

2

2

2

2

2

 

Gatwick

4

4

4

3

3

 

Schiphol

8

8

9

9

10

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

6

4

5

 

München

6

6

5

6

6

 

Brussel

9

9

8

8

8

 

Madrid

7

7

7

7

7

 

Bron: SEO Benchmark Luchthavengelen en Overheidsheffingen van verschillende jaren.(2013 t.m. 2017)

Toelichting

Onder andere in de Actieagenda Schiphol (Kamerstukken II 2015–2016, 29 665, nr. 224) staat dat het belangrijk is dat Schiphol een concurrerend kostenniveau behoudt. Om dit te kunnen vaststellen, vindt jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de Air Traffic Control (ATC)-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een vergelijkbaar pakket vluchten betaald zou moeten worden. De resultaten van de laatste benchmark zijn in bovenstaande tabel opgenomen waarbij nummer 1 de duurste is. De benchmark laat zien dat Schiphol medio 2017 op dit vlak de goedkoopste is van de negen onderzochte West-Europese luchthavens in de benchmark. In de benchmark wordt Schiphol ook met de luchthavens Dubai en Istanbul vergeleken. Schiphol is in 2017, net als in voorgaande jaren, duurder dan Istanbul, maar dit jaar is Schiphol voor het eerst goedkoper dan Dubai. Vandaar de 10e positie van Schiphol in de benchmark.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

2016

2017

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

62,79

62,81

63,46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,53

52,46

52,25

54,44 dB(A)

Bron gerealiseerde waarden: Handhavingsrapportages Schiphol (ILT, jaren 2012 tot en met 2017)

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (2004)

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingspunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2017 van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden op 21 maart 2018 (Kamerstukken II 2017–2018, 29 665, nr. 278).

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2017.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

263

262

266

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

287

290

309

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

180

186

203

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

274

290

294

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

190

193

200

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat

Toelichting

In deze tabel is het aantal bestemmingen per luchthaven opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Vliegbewegingen (x 1.000)

                     

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

451

479

497

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

457

453

465

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

472

473

474

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

469

473

476

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

221

207

221

Passagiers (in miljoenen)

                     

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

58

64

68

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

61

61

64

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

75

76

78

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

66

66

69

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

23

22

25

Vracht (x 1.000 ton)

                     

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

1.621

1.662

1.752

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

1.993

2.029

2.109

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

1.497

1.541

1.698

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

1.861

1.953

2.009

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

463

464

514

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS /Airports Council International ACI)

Toelichting

<