Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2018-2019
Kamerstuk 35000-VIII nr. 2

Gepubliceerd op 18 september 2018 15:17



35 000 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2019

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

4

       
 

2.

BELEIDSAGENDA

8

 

2.1

Beleidsprioriteiten

8

 

2.2

Belangrijkste beleidsmatige mutaties

21

 

2.3

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

26

 

2.4

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

28

 

2.5

Overzicht risicoregelingen

29

       
 

3.

BELEIDSARTIKELEN

30

 

3.1

Art.nr. 1 Primair onderwijs

30

 

3.2

Art.nr. 3 Voortgezet onderwijs

38

 

3.3

Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

46

 

3.4

Art.nr. 6 en 7 Hoger onderwijs

57

 

3.5

Art.nr. 8 Internationaal beleid

67

 

3.6

Art.nr. 9 Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

72

 

3.7

Art.nr. 11 Studiefinanciering

76

 

3.8

Art.nr. 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

87

 

3.9

Art.nr. 13 Lesgelden

90

 

3.10

Art.nr. 14 Cultuur

92

 

3.11

Art.nr. 15 Media

102

 

3.12

Art.nr. 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

107

 

3.13

Art.nr. 25 Emancipatie

113

       
 

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

117

 

4.1

Art.nr. 91 Nog onverdeeld

117

 

4.2

Art.nr. 95 Apparaat Kerndepartement

118

       
 

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

121

 

5.1

Dienst Uitvoering Onderwijs

121

 

5.2

Nationaal Archief

127

       
 

6.

BIJLAGEN

134

   

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

134

   

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

141

   

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

156

   

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

205

   

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek

212

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. DE LEESWIJZER

De begroting 2019 bevat de volgende onderdelen:

  • a. Beleidsagenda;

  • b. Beleidsartikelen;

  • c. Niet-beleidsartikelen;

  • d. Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;

  • e. Verdiepingshoofdstuk;

  • f. Bijlagen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor artikel 1 Primair onderwijs, Artikel 3 Voortgezet onderwijs, Artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid en Artikel 15 Media. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2018 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Er is een nieuwe set indicatoren en kengetallen opgenomen in deze begroting. In de beleidsagenda zijn zeven thema’s geformuleerd die onze prioriteiten weergeven. Voor ieder thema zijn bijpassende indicatoren inclusief streefwaarden opgenomen. Op basis van deze indicatoren leggen wij de komende jaren verantwoording af over de door ons gestelde doelen.

  • Relevante kengetallen over de sector staan in de beleidsartikelen. De tabellen die hiervoor opgenomen zijn, lopen van 2015 tot 2022. Voor zover bekend zijn de realisatiewaarden van 2015 tot en met 2018 ingevuld. De overige, lege kolommen geven aan welke waarden nog ingevuld zullen worden zodra realisatiewaarden beschikbaar zijn.

  • Met de nieuwe indicatoren en kengetallen hebben we ook een dashboard ontwikkeld. Dit dashboard geeft de indicatoren en kengetallen op verschillende manier weer en maakt trends inzichtelijk.

  • Bij artikel 11 Studiefinanciering is in tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit» gekozen voor een verhelderende opzet. Het betreft vier wijzigingen die allen te maken hebben met de reisvoorziening. In de toelichting op deze tabel wordt deze wijzigingen nader toegelicht.

  • Op verzoek van de Tweede Kamer zijn in het onderdeel «Beleidsagenda» zes nieuwe tabellen opgenomen. Deze tabellen geven inzicht in de intensiveringen en ombuigingen in deze kabinetsperiode, zowel op totaalniveau, per saldo en per onderwijssector.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de Minister en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels met bijbehorende prestatie-indicatoren. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing van de doelen en ambities uit de begroting verwijzen we naar de openbare website OCW in cijfers. Op deze website worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht.

Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

  • Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van OCW. Op de website van OCW in cijfers monitort de Minister van OCW onder andere de doelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het po en vo. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO. Daarnaast geeft deze website met de infographic «Onderwijsmonitor» inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.

  • Eind november brengt het Sociaal Cultureel Planbureau een «rapportage cultuur» uit die de publicatie Cultuur in Beeld vervangt. In deze publicatie wordt ingegaan op trends en ontwikkelingen in de cultuursector. Daarbij is er onder andere aandacht voor ontwikkelingen in het cultuuraanbod, deelname aan cultuur, de arbeidsmarkt, en de financiële verhoudingen tussen subsidieverstrekkers.

  • De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt het Onderwijsverslag, waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. In de Financiële Staat van het Onderwijs wordt verslag gedaan van de financiële staat van de onderwijsinstellingen.

  • Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).

  • Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB’s worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit en efficiency van beleid. Daarnaast wordt jaarlijks in de Voortgangsrapportages van de Sectorakkoorden en de Lerarenagenda informatie verschaft over de voortgang op enkele belangrijke prestatie-indicatoren.

  • De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW, en de laatste stand van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Onderdelen begroting

a. Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt per beleidsprioriteit geschetst welke stappen wij willen zetten. Ieder thema dat ingaat op een prioriteit bevat een tabel met indicatoren en streefwaarden. Daarnaast bevat de beleidsagenda een overzichtstabel waarin de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting worden weergegeven, een tabel met de geplande beleidsdoorlichtingen, de tabellen met intensiveringen en ombuigingen, een overzicht van de risicoregelingen en een tabel met niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming.

b. Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Algemene doelstelling met een toelichting daarop, met bijbehorende kengetallen.

  • Rol en verantwoordelijkheid van de Minister.

  • Tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten.

  • Beleidswijzigingen. Hierin wordt weergegeven welke belangrijke beleidswijzigingen zich komend jaar zullen voordoen. Ook wordt, indien van toepassing, ingegaan op beleidswijzigingen als gevolg van beleidsdoorlichtingen, voor zover de doorlichtingen zijn afgerond.

  • Tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven.

  • Toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.

c. Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • Op artikel 91 (Nog onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;

  • Op artikel 95 (Apparaat Kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en een aantal ZBO’s en RWT’s opgenomen.

d. Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen «Dienst Uitvoering Onderwijs» en het «Nationaal Archief».

e. Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2018 en de ontwerpbegroting 2019. De ondergrens voor het toelichten van mutaties wordt bepaald door een zogenoemde staffel. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (loonbijstelling, prijsbijstelling, intensiveringen, ombuigingen).

f. Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak;

  • Verdiepingshoofdstuk;

  • Moties en toezeggingen;

  • Subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het ministerie;

  • Evaluatie- en overig onderzoek: het overzicht met onderzoeken is opgenomen in één centrale bijlage.

2. BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

Deze beleidsagenda is de eerste van dit kabinet. Het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» gaat uit van individuele vrijheden en een hecht collectief. Dit kabinet investeert in ieders kansen en versterkt dat collectief, onder andere door extra middelen voor onderwijs. Goed onderwijs helpt kinderen en jongeren om hun gaven en talenten te ontwikkelen. Daarmee draagt het op een cruciale manier bij aan de bloei en toekomst van onze samenleving. Onze ambities liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid en de stimulering van talent, voldoende en goede docenten met een sterke positie, toponderzoek en krachtig beroepsonderwijs. Maar ook cultuur en het publieke en private mediabestel verrijken het individu en verbinden de samenleving. Schrijvers, theatermakers, filmers, ontwerpers en beeldend kunstenaars dagen onze verbeeldingskracht uit; dankzij hun beelden en verhalen kunnen we onze eigen voorstelling van de wereld kritisch toetsen en ontwikkelen. Erfgoed, zoals monumenten en musea, laat zien waar we vandaan komen, wat ons heden is en hoe we ons ontwikkelen. Daarom investeert dit kabinet flink in cultuur en erfgoed.

Dit kabinet is nu bijna een jaar aan de slag. In de afgelopen periode hebben we al veel punten van het Regeerakkoord uitgewerkt. In deze beleidsagenda gaan we nader in op een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen voor het komende jaar. Zoals in de leeswijzer al uiteen is gezet, doen we dat aan de hand van nieuwe thema’s en (deels) nieuwe indicatoren. We beginnen met het onderwijs en gaan daarna in op wetenschap, cultuur, media en emancipatie.

1. Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Tabel: Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

% gemeenten dat doelgroeppeuters 640 uur voorschoolse educatie per jaar aanbiedt1

       

2020

 

PO

     

100%

Percentage voorschoolse educatie groepen waar hbo geschoolde beroepskrachten wordt ingezet2

       

2020

 

PO

     

100%

Sociale inclusie van laaggeletterden

       

2020

 

MBO

     

3

Kwalificatiewinst4

 

2012–2013

2015–2016

2016–2017

2020

 

MBO

82,7%

85,6%

87,0%

Hoger

Succes eerstejaars mbo5

 

2012–2013

2014–2015

2015–2016

2020

 

MBO

82,9%

84,5%

84,5%

Hoger

Succes doorstromers in eerste jaar hbo6

 

2012–2013

2014–2015

2015–2016

2020

 

MBO

78%

80%

81%

Hoger

Aantal nieuwe vsv’ers7

 

2008–2009

2015–2016

2016–2017

2019–2020

 

VO & MBO

41.800

22.953

23.793

20.000

X Noot
1

In het najaar van 2018 zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de precieze uitwerking van de uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie. Op basis daarvan kan de indicator nog worden aangepast.

X Noot
2

Zie voetnoot 1

X Noot
3

In het voorjaar van 2019 zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid. Op basis van de vervolgaanpak zullen in het voorjaar van 2019 ook de streefwaarden worden vastgesteld.

X Noot
5

Zie voetnoot 4

X Noot
6

Bron: DUO. Het betreft mbo-4 gediplomeerden die doorstromen naar het hbo en in het eerste jaar niet uitvallen. De definitie is voorlopig.

X Noot
7

Bron: DUO

Het onderwijs is in Nederland op een unieke manier georganiseerd, namelijk van onderop. Basis daarbij is de vrijheid van onderwijs, die we koesteren. De autonomie van scholen is van grote waarde. Scholen zijn in de eerste plaats van de gemeenschap: van kinderen en jongeren, hun ouders, leraren en schoolleiders die gezamenlijk iedere dag werken aan de toekomst van kinderen. We vergroten de vrijheid van onderwijs door het vergemakkelijken van het stichten van scholen op basis van de belangstelling van ouders. Ook verduidelijken we wat we van scholen verwachten. Nieuwe scholen worden vooraf getoetst op wettelijke deugdelijkheidseisen. Het burgerschapsonderwijs wordt versterkt door de wettelijke opdracht te verduidelijken zodat alle leerlingen respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat wordt bijgebracht en iedere school in al haar uitingen hiermee in lijn handelt. Daarnaast bevorderen we een pluriform scholenaanbod en thuisnabij onderwijs via de kleine scholentoeslag door het verhogen van de extra bekostiging die kleine basisscholen ontvangen.

Juist vanwege het maatschappelijk belang van onderwijs, verwacht de samenleving ook veel van het onderwijs. Dat is terecht, maar tegelijkertijd kan het onderwijs niet alle maatschappelijke problemen oplossen. Zijn primaire taak is kinderen en jongeren tot bloei te laten komen en voor te bereiden op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. Goed toegankelijk onderwijs voor iedereen is cruciaal voor de toekomst van de Nederlandse kennissamenleving. Het is belangrijk dat ieder kind tot zijn recht komt en zijn gaven en talenten kan ontwikkelen. In het primair en voortgezet onderwijs zetten we in op gelijke onderwijskansen met de volgende vijf maatregelen. Ten eerste door te investeren in vroeg- en voorschoolse educatie, waardoor het aantal uren voorschoolse educatie aan kinderen die risico lopen op onderwijsachterstanden uitgebreid kan worden van 10 naar 16 uur per week en de kwaliteit kan worden verhoogd door inzet van hbo’ers (zie indicatorentabel). Ten tweede door het budget voor onderwijsachterstanden beter over het land te verdelen. Op basis van een door het CBS ontwikkeld model kunnen de risico’s op achterstanden nauwkeuriger worden voorspeld en de middelen gerichter ingezet. De nieuwe verdeelsystematiek gaat in per 1 januari 2019 voor gemeenten en per schooljaar 2019–2020 voor scholen. Ten derde door ontwikkeling van talenten te stimuleren, onder andere door de introductie van een subsidieregeling (hoog)begaafdheid in 2019, waarmee we samenwerkingsverbanden passend onderwijs en scholen stimuleren om in de regio een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor (hoog)begaafde leerlingen in te richten. Wij richten een onderzoeks- en evaluatieprogramma in om zicht te krijgen op de effectiviteit en opbrengsten van de interventies. Al eerder hebben we het mogelijk gemaakt in het vo vakken op een hoger niveau te volgen. In 2019 evalueren we de pilot «recht op maatwerk» waarin 30 scholen de uitdaging zijn aangegaan om meer ervaring op te doen met maatwerktrajecten zoals het aanbieden van extra vakken, vakken op een hoger niveau en versnelde examens. De bevindingen gebruiken we om een recht op maatwerk eventueel wettelijk te verankeren. Ten vierde bevorderen we de lokale inzet op kansengelijkheid. Anderhalf jaar geleden is gestart met lokale en regionale coalities van partijen binnen en buiten het onderwijs, de zogenaamde Gelijke Kansen Alliantie (GKA). In 28 gemeenten zijn lokale allianties met cofinanciering van OCW vanuit de eigen context aan de slag met kansengelijkheid. Wij zetten in op een verdieping in de huidige netwerken en op een toename van het aantal lokale allianties omdat ze mooie resultaten opleveren. We streven naar een brede dekking in zowel steden als in landelijke gebieden. Met de lokale overheden gaan wij op zoek naar maatschappelijke partners en effectieve interventies. Het is aan hen om ambities te formuleren en actiegerichte programma’s op te zetten. Gemeenten, besturen van scholen en kinderopvangorganisaties zijn verplicht minstens één keer per jaar te overleggen over hoe ze segregatie in het onderwijs voorkomen, integratie bevorderen en onderwijsachterstanden bestrijden. Daarnaast hebben we een openbare database met meer dan 50 bewezen effectieve interventies op kansengelijkheid. Integraal onderdeel van de GKA is om nog meer inzicht te krijgen in wat wel en eventueel niet werkt. De insteek van de GKA is een lerende aanpak. Ten vijfde wordt het curriculum voor het po en vo herijkt om te komen tot een toekomstgericht, samenhangend en scherp afgebakend curriculum. Dit biedt scholen duidelijkheid over wat leerlingen moeten kennen en kunnen en biedt hen ruimte om hierbinnen eigen keuzes te maken in lijn met hun onderwijsvisie. De herijking bevindt zich nu in de ontwikkelingsfase. In 2019 wordt deze ontwikkelfase afgerond, en worden de bouwstenen opgeleverd, waarna politieke besluitvorming plaatsvindt over het vervolg. Tot slot investeren we extra in de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs, waar met name kansarme leerlingen kwetsbaar zijn en niet altijd op de juiste plek in het voortgezet onderwijs terecht komen. Het komende schooljaar geven we een tweede groep van scholen ruimte voor het starten van initiatieven van 10–14 onderwijs. Binnen zogenaamde «10–14 scholen» worden leerlingen tussen de 10 en 14 jaar door een team van po- en vo-docenten in een doorlopende leerlijn begeleid naar de overstap naar het vo.

Het is van belang dat het eigenaarschap voor passend onderwijs wordt gevoeld door leraren en scholen en dat middelen echt in de klas terecht komen. Wij zetten stappen om het beleid gericht op passend onderwijs te verbeteren. Ouders worden ondersteund in het gesprek met scholen, er komt onafhankelijk toezicht op samenwerkingsverbanden en de combinatie van onderwijs en (zware) zorg wordt gemakkelijker. Verder geven we ook in het vo de Inspectie van het Onderwijs de discretionaire bevoegdheid rekening te houden met aanwezigheid van bovenmatig veel zorgleerlingen. In het po is die bevoegdheid het afgelopen jaar al uitgebreid.

Ook in het mbo wordt gewerkt aan gelijke onderwijskansen (indicatoren Kwalificatiewinst en Succes eerstejaars mbo). Het stimuleren daarvan is dan ook een van de landelijke speerpunten waar mbo-instellingen aandacht aan moeten besteden in de nieuwe kwaliteitsagenda’s. Per 2019 schaffen we de cascade in de mbo-bekostiging af, waardoor stapelen van diploma’s beter mogelijk wordt. We introduceren een vakcertificaat, zodat studenten die uitvallen toch een bewijs meekrijgen waar op de arbeidsmarkt waarde aan wordt gehecht. Ook voor laaggeletterden willen we kansen creëren. Door middel van het programma Tel mee met taal stimuleren we de inclusie van laaggeletterden (indicator Sociale inclusie laaggeletterden). De wetswijziging van de wet educatie en beroepsonderwijs om bestrijding van voortijdig schoolverlaters (vsv) aan te pakken is door de Tweede Kamer aangenomen en aan de Eerste Kamer aangeboden (indicator Aandeel vsv’ers). Verder bereiden wij een wetswijziging voor om een gelijke kansenfonds (voor studievertraging en schoolkosten) en zwangerschapsverlof voor mbo-studenten te introduceren. Met het programma sterk beroepsonderwijs werken we samen met de MBO Raad, de VO-raad en de Stichting Platforms VMBO (SPV) aan een betere aansluiting tussen vmbo en mbo. Tot slot komt er dit najaar een derde aanvraagperiode voor de subsidieregeling doorstroom mbo-hbo (indicator Succes doorstromers in eerste jaar hbo) waarbij de focus komt te liggen op de doorstroom tussen economische mbo- en hbo-opleidingen, omdat de uitval hier het grootst is.

In het hoger onderwijs (ho) zetten we in op een toegankelijk stelsel, waarin studenten die aan de gestelde eisen voldoen en die naar het ho willen, kunnen instromen ongeacht hun afkomst en achtergrond. Dat betekent dat het hoger onderwijsstelsel zo min mogelijk vormen van selectie kent. Bij selectie is het belangrijk om onbedoelde neveneffecten te voorkomen, zoals ongewenste zelfselectie en vooroordelen. Met ingang van het studiejaar 2018–2019 wordt het wettelijk collegegeld voor studenten die nieuw zijn in het bekostigd ho voor het eerste jaar gehalveerd. Voor studenten aan een lerarenopleiding geldt een extra jaar halvering.

Een toegankelijk stelsel van hoger onderwijs garandeert nog geen gelijke kansen op studiesucces, omdat niet alle studenten (van huis uit) dezelfde startpositie hebben. Daarom zetten we in op adequate ondersteuning en begeleiding van studenten, ook voor studenten die extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben vanwege bijvoorbeeld een functiebeperking, chronische ziekte, psychische problemen of bijzondere persoonlijke omstandigheden. Universiteiten en hogescholen werken nauw samen met vo- en mbo-instellingen om (aspirant)studenten voor te bereiden op de doorstroom naar het hoger onderwijs en hen goed op te vangen en wegwijs te maken. Dit thema maakt onderdeel uit van de afspraken in het Sectorakkoord wetenschappelijk onderwijs 2018 en het Sectorakkoord hoger beroepsonderwijs 2018.

2. Sterke docenten

Tabel: Sterke docenten

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van besturen dat aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen1

       

2020

 

PO

     

nvt2

Percentage van besturen dat aangeeft dat de P-MR ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van de werkdrukmiddelen3

       

2020

 

PO

     

nvt4

Strategisch personeelsbeleid (PM)5

       

2020

 

PO

     

PM

Strategisch personeelsbeleid (PM)6

       

2020

 

VO

     

PM

X Noot
1

De eerste uitvraag van deze indicator vindt plaats in augustus 2019. Dit betreft de cijfers over 2018.

X Noot
2

Er is afgesproken met het PO-Front dat hierbij het uitgangspunt comply or explain geldt, een kwalitatieve toelichting op het antwoord kan aangegeven worden. Daarnaast wordt de voortgang rond het thema werkdruk gemonitord in de tussenevaluatie (Q1 2021).

X Noot
3

Zie voetnoot 1.

X Noot
4

Zie voetnoot 2.

X Noot
5

Indicator wordt in de loop van 2019 ontwikkeld in samenspraak met de sector; over de voortgang wordt gerapporteerd in het kader van de tussen- en eindevaluatie van de sectorakkoorden.

X Noot
6

Indicator wordt in de loop van 2019 ontwikkeld in samenspraak met de sector in voortgangsrapportage 2019.

In de vorige paragraaf schreven we dat de primaire taak van het onderwijs is kinderen en jongeren tot bloei te laten komen en hen voor te bereiden op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. Daarvoor zijn goede en sterke docenten van groot belang. Dat is ook de reden dat dit kabinet zoveel in hen investeert. Samen met het harde werk van dienstbare bestuurders, schoolleiders, onderwijsondersteuners en conciërges maken zij goed onderwijs mogelijk. Goede en betrokken docenten zijn de sleutel tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Het lerarentekort vormt hierbij een grote uitdaging. Via de Aanpak Lerarentekort werken wij op volle kracht om het lerarentekort in het po, vo en mbo tegen te gaan. Dat doen we samen met werkgevers, vakbonden, lerarenopleidingen, gemeenten, transfercentra en vele anderen. We werken aan het verhogen van de in-, door- en uitstroom van de lerarenopleidingen, het bevorderen van zijinstroom, het behouden van leraren, het activeren van stille reserve, het verbeteren van de beloning en het carrièreperspectief, én het anders organiseren en innovatieve ideeën stimuleren. Het kabinet heeft bovendien € 270 miljoen geïnvesteerd in het primair onderwijs in verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor docenten in combinatie met het normaliseren van de bovenwettelijke regelingen. De sociale partners hebben op 2 juli 2018 een nieuwe cao po getekend. De totale loonstijging voor een leraar in het primair onderwijs bedraagt vanaf september 2018 gemiddeld 8,5 procent (oplopend tot 9,5 procent in 2019) en leraren krijgen in oktober een eenmalige uitkering van circa € 2.000 gemiddeld bij voltijdsaanstelling. Daardoor wordt het beroep van leraar aantrekkelijker.

In het po en vo hebben wij in de geactualiseerde sectorakkoorden afspraken gemaakt over scholen als lerende organisaties, waarbij schoolbesturen zorgen voor begeleiding van startende docenten en schoolleiders. Verder zijn er afspraken over (strategisch) personeelsbeleid en voor het po verlaging van de werkdruk en een verbetering van de beloning en carrièreperspectief. Ten behoeve van de versterking van het strategisch personeelsbeleid wordt in het po een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken van het strategisch personeelsbeleid in de sector. Tevens zullen we in de loop van 2019 hiervoor een indicator ontwikkelen. Goed strategisch personeelsbeleid komt de kwaliteit van docenten ten goede en is nodig om lerarentekorten te ondervangen en werkdruk tegen te gaan. Op verschillende terreinen werken we aan het vergroten van het eigenaarschap van docenten, zoals passend onderwijs, aanpak van werkdruk en groepsgrootte. Zo wordt in de wet opgenomen dat de medezeggenschapsraad adviesrecht krijgt over beleid met betrekking tot de groepsgrootte. Ook de invloed van leraren op de vormgeving van passend onderwijs wordt uitgebreid. Leraren krijgen meer inzicht en inspraak in de verdeling van middelen van het samenwerkingsverband. Ook wordt de medezeggenschap op het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband versterkt.

Om de positie van de docenten te versterken, investeren we in de verlaging van de werkdruk in het po. Voor schooljaar 2018–2019 is € 237 miljoen beschikbaar om de werkdruk tegen te gaan. Op scholen wordt het gesprek gevoerd met het team hoe dit geld ingezet wordt. In de cao voor het po wordt vastgelegd dat de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad hier instemmingsrecht op heeft. Wij doen onderzoek op scholen naar de wijze waarop het gesprek over de werkdrukmiddelen is verlopen en waar het geld aan wordt uitgegeven. In het voorjaar van 2021 wordt op basis van meerdere onderzoeken de tussenevaluatie van de werkdrukmaatregelen opgesteld.

Sectoroverstijgend verkennen we hoe we het beste uitvoering kunnen geven aan de afspraak uit het Regeerakkoord over lesgeven in het beroepsonderwijs en willen we bestuurlijke afspraken maken over het traject Opleiden in de school. In een dekkend regionaal netwerk zal samengewerkt worden tussen lerarenopleidingen en onderwijsinstellingen. Doel is dat leraren meer in de praktijk van de onderwijsinstellingen worden opgeleid en startende docenten beter begeleid worden.

Op 9 april 2018 hebben we met de Vereniging Hogescholen, de VSNU, het ISO en de LSVb afspraken gemaakt over de vormgeving van de kwaliteitsafspraken hoger onderwijs 2019–2024. De kwaliteitsafspraken zijn gekoppeld aan de middelen van het studievoorschot. Met deze middelen willen de betrokken partijen een zichtbare kwaliteitsverbetering van het onderwijs realiseren. Uitgangspunt bij de vormgeving van de kwaliteitsafspraken is het bieden van ruimte aan en vertrouwen in de instellingen. Bestuurders, docenten, studenten en andere belanghebbenden kunnen met elkaar het gesprek aangaan om te bepalen met welke investeringen de onderwijskwaliteit van de instelling het best kan worden verbeterd.

Bij de kwaliteitsafspraken voor hbo en wo is «intensiever en kleinschalig onderwijs» één van de zes inhoudelijke thema’s waarin hogescholen en universiteiten hun extra middelen vanuit het studievoorschot kunnen investeren. Een ander thema is «verdere professionalisering van docenten». Op landelijk niveau is eind 2016 het Comeniusprogramma (door NRO) en begin 2018 het Comeniusnetwerk (door KNAW) geïntroduceerd waarbij docenten een Teaching-, Senior- of Leadershipbeurs kunnen aanvragen voor de innovatie van hun onderwijs. Dit beurzenprogramma voor docenten en onderwijsleiders dient bij te dragen aan het vergroten van het innovatievermogen van het hoger onderwijs en aan meer gevarieerde carrièrepaden voor docenten.

3. Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Tabel: Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Verhogen kwaliteit technisch vmbo1

       

2020

 

VO

     

PM

Dekkend aanbod technisch vmbo2

       

2020

 

VO

     

PM

Aandeel afgestudeerden bèta-techniek3

 

2012

2016

2017

2020

HBO

18%

19%

20%

Hoger

 

WO

21%

25%

26%

Hoger

Aandeel mbo techniek3

 

2011

2016–2017

2017–2018

2020

 

MBO

28%

27%

27%

Hoger

Arbeidsmarktrendement, per opleidingsniveau4

 

Cohort 2012–2013

Cohort 2013–2014

Cohort 2014–2015

2020

 

MBO

       
 

Entree

66%

69%

60%

Hoger

 

Niv. 2

77%

79%

79%

 
 

Niv. 3

85%

88%

90%

 
 

Niv. 4

83%

87%

88%

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was5

 

2012

2014

2016

2020

 

MBO

79%

75%

77%

Hoger

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft6

 

2016

2018

 

2020

 

MBO

77%

77%

 

Vasthouden

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft7

 

2016

2018

 

2020

 

MBO

76%

80%

 

Vasthouden

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit (LLL)8

 

2010

2016

2017

2020

 

MBO

17%

18,8%

19,1%

20%

Aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt in het hbo9

         
 

HO

       

Aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt in het wo10

         
 

HO

       
X Noot
1

Met NRO in gesprek over de monitoring van de inzet van de € 100 miljoen technisch vmbo. Cijfers zullen begin 2019 beschikbaar komen.

X Noot
2

Zie voetnoot 1.

X Noot
3

Bron: DUO

X Noot
4

Bron: CBS maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van gediplomeerde mbo-uitstromers ruim een jaar na diplomering (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

X Noot
5

Bron: ROA, BVE-Monitor

X Noot
6

Bron: Onderzoek SBB. De onderzoekspopulatie leerbedrijven in 2016 en 2018 verschillen licht van elkaar.

X Noot
7

Bron: zie voetnoot 6

X Noot
8

Bron: Eurostat, Labour Force survey (LFS)

X Noot
9

In verband met onderzoek naar daling indicator aansluiting arbeidsmarkt hbo & wo schrappen we deze indicator uit de begroting. Een nieuwe indicator voor zowel hbo als wo wordt ontwikkeld. Zie ook Kamerbrief over het onderzoek naar daling indicator aansluiting arbeidsmarkt.

X Noot
10

Zie voetnoot 9.

Eerder benoemden we als primaire taak van het onderwijs het tot bloei laten komen van kinderen en jongeren, en het voorbereiden van hen op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. In paragraaf 1 gaven we aan hoe we het opleiden voor de samenleving van de toekomst versterken door de herijking van het curriculum en door verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen. In deze paragraaf willen we aandacht besteden aan de leerlingen van nu die ook de werknemers en ondernemers van de toekomst zijn. Om de waarde van opleidingen voor het individu en de maatschappij te vergroten dienen opleidingen aan te sluiten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. We versterken het beroepsonderwijs (vmbo-mbo) door regionale afspraken om de aansluiting tussen het vmbo en mbo te verbeteren, extra te investeren in de realisatie van kwalitatief hoogstaand dekkend aanbod van vmbo techniek onderwijs, doorlopende leerroutes vmbo-mbo te ontwikkelen en we bereiden de samenvoeging van de gemengde en theoretische leerwegen voor.

Naast een betere doorstroom van vmbo naar mbo werken we aan het verbeteren van de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt (indicatoren Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was, Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft en Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft). Dit is een van de speerpunten van de nieuwe Kwaliteitsafspraken mbo. Met deze afspraken wordt het opleidingsaanbod sterker dan nu verbonden met de kenmerken en ontwikkelingen van het werkgebied. We vragen de scholen om expliciet aandacht te besteden aan verbetering van het arbeidsmarktrendement van opleidingen en hun opleidingenportfolio hierop nog beter af te stemmen. Mochten er toch opleidingen worden aangeboden met gebrekkig arbeidsmarktrendement dan hebben wij mogelijkheden om in te grijpen (indicator Arbeidsmarktrendement). Om de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt te verbeteren stimuleren wij vormen van praktijkleren en hybride onderwijs, waarbij werken en leren met elkaar verweven zijn. Ook komt er een experiment met regionale ruimte in de kwalificatiestructuur waardoor scholen ruimte krijgen om een deel van hun onderwijs in de regio te ontwikkelen en zo dus regionaal in te kleuren; zo sluit het mbo goed aan op de behoeften van het regionaal bedrijfsleven. De experimenteer-AMvB die hiertoe de benodigde ruimte biedt, zal januari 2019 in werking te treden. In 2019 start daarnaast een nieuwe periode (2019–2022) voor het Regionaal Investeringsfonds. Hiervoor ontwikkelen we een nieuwe regeling en beoordelingskader.

In de sectorakkoorden hbo en wo wordt gewerkt aan een goede aansluiting van het opleidingsaanbod in het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt (macrodoelmatigheid). Deze aansluiting wordt periodiek geanalyseerd. Op basis van deze analyse kan worden beoordeeld welke indicatoren de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt het beste weergeven en welke in de begroting kunnen worden opgenomen. Bij knelpunten ten aanzien van macrodoelmatigheid komt de sector met voorstellen voor verbetering. In de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs is meer ruimte gecreëerd voor vernieuwing en responsiviteit. Daarmee kunnen instellingen beter inspelen op de snel veranderende arbeidsmarkt en kunnen ze studenten voorbereiden op beroepen die nog niet bestaan maar wel duidelijk in ontwikkeling zijn.

Om studenten internationale competenties en een wereldwijze blik mee te geven, zetten we in op evenwichtige internationalisering. Internationale ervaring kan worden opgedaan in het buitenland, maar ook door internationalisation at home. In 2018 starten we een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) internationale studenten om te onderzoeken welke kansen en risico’s er zitten aan de internationalisering van de studentenpopulatie, welke positieve en negatieve effecten er werkelijk optreden en welk beleid geschikt is om de positieve effecten te vergroten en de negatieve effecten te beperken.

Met grote uitdagingen zoals de energietransitie is het van belang dat meer studenten voor een technische opleiding kiezen (indicatoren over techniek). We hebben samen met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de contouren geschetst van het nieuwe Techniekpact. Het komende jaar zullen we hiermee aan de slag gaan. In 2019 wordt ook verder onderzoek gedaan naar de herziening van de bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs, met daarbij specifieke aandacht voor technische opleidingen. Maar het gaat niet alleen om het opleiden van jongeren, we zetten ook in op leven lang leren (indicator Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit). Door verschuiving van middelen van 2020 naar 2019 zijn eerder middelen beschikbaar gekomen voor een actieprogramma met onder meer een programma flexibilisering in het mbo en een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden. In het ho wordt al geëxperimenteerd met flexibeler vormen van onderwijs, afgestemd op de wensen van volwassen studenten, onder meer in de sector Techniek & ICT. We blijven ons samen met de Minister van SZW inzetten voor het stimuleren van de Nederlandse leercultuur met een brede aanpak. Daarbij maken we onder andere afspraken met sociale partners over hun inzet in bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden en O&O fondsen en met andere belanghebbenden. Om meer maatwerk voor volwassenen te creëren zal de SBB (stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) in het najaar van 2018 starten met 15 pilots met certificaten voor beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties. Laaggeletterde werknemers ondersteunen we vanuit het programma Tel mee met taal. Dat programma is een jaar verlengd tot en met eind 2019. Vanuit het Regeerakkoord zijn extra middelen beschikbaar gesteld en extra aanvraagperioden mogelijk gemaakt. We zullen de Tweede Kamer in het voorjaar van 2019 informeren over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid, waarbij we kijken hoe het bereik en de effectiviteit van de aanpak kunnen worden vergroot.

4. Onderzoek van wereldformaat

Tabel: Onderzoek van wereldformaat

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage open-access gepubliceerde artikelen1

 

2016

   

2020

 

OWB

42%

   

100%

X Noot
1

Bron: VSNU

Het Regeerakkoord zet in op een modernere Europese begroting die onder andere meer is gericht op onderzoek en innovatie. Excellentie en impact zijn onze uitgangspunten bij de onderhandelingen over Horizon Europe, het volgende EU-financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie. Open science en open access zijn de norm in wetenschappelijk onderzoek. Zoals beschreven in het Nationaal Plan Open Science streven we naar 100% open access van publicaties in 2020 en het optimaal hergebruik van data. Daarnaast zal het komende jaar meer duidelijkheid komen over de ontwikkeling van de European Open Science Cloud (EOSC).

Nederlandse onderzoekers behoren tot de wereldtop. Op basis van de mondiale citatiescores staan we in de top 5. De internationale concurrentie is hevig en dus is het zaak onze positie te behouden. Een van de instrumenten hiervoor is de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Een belangrijk kenmerk van de NWA is dat de gehele kennisketen met elkaar wordt verbonden en versterkt. Het gaat om universiteiten, universitaire medische centra, hogescholen, Toegepast Onderzoek Organisaties (TO2-instellingen), Rijkskennisinstellingen en het bedrijfsleven. De NWA is ontstaan uit een grote hoeveelheid vragen uit de samenleving en daarom willen we de resultaten teruggeven. In 2019 zullen de eerste toekenningen aan onderzoeksvoorstellen een feit zijn en zal ook een nieuwe ronde starten.

Daarnaast willen we de basis versterken. Speciale aandacht besteden we aan bèta en technische wetenschappen en onderzoeksgroepen via sectorplannen. Met deze plannen wordt de samenwerking tussen de instellingen op onderzoek, onderwijs en maatschappelijke doelen vergroot. We versterken de basis ook door te investeren in digitale onderzoeksinfrastructuur. NWO komt samen met onder andere SURF, de Vereniging Hogescholen, de VSNU en de NFU in februari 2019 met plannen. Prioriteit ligt bij de nieuwe supercomputer.

Om het praktijkgericht onderzoek te stimuleren, geven we een impuls aan de kennisbasis in het hbo. Door extra investeringen kunnen hogescholen het praktijkgericht onderzoek verder uitbouwen en daarmee maatschappelijke impact vergroten en het onderwijs versterken. Zoals afgesproken in het Sectorakkoord hoger beroepsonderwijs 2018 starten we met de Vereniging Hogescholen een verkenning naar de uitdagingen en prioriteiten voor het praktijkgericht onderzoek in de toekomst en werken de hogescholen aan de ontwikkeling van Centres of Expertise in het hbo.

5. Cultuur

Tabel: Cultuur

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage scholen dat deelneemt aan het programma CMK1

 

2017

   

2020

 

Cultuur

42%

   

>50%

Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat2

 

2013

   

2020

 

Cultuur

87%

   

88%

X Noot
1

Bron: Cultuureducatie met Kwaliteit

X Noot
2

Bron: Erfgoedmonitor

Cultuur is van en voor iedereen. We investeren in de waarde van cultuur en een brede bereikbaarheid van het kunst- en cultuuraanbod. In de kabinetsbrief Cultuur in een open samenleving heeft het kabinet de vijf thema’s voor het cultuurbeleid beschreven: 1) cultuur maakt nieuwsgierig, 2) ruimte voor nieuwe makers en cultuur, 3) een leefomgeving met karakter, 4) cultuur is grenzeloos en 5) een sterke culturele sector. In 2019 worden deze thema’s uitgewerkt in concrete plannen.

Deze kabinetsperiode investeren we in de restauratie van monumenten zoals kerken. Met de extra investering kunnen circa 1%, ruim 600, meer monumenten gerestaureerd worden bovenop het budget waaruit het reguliere onderhoud en de jaarlijkse terugval van circa 2% gefinancierd wordt (indicator Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat). Voor de aanpak van de gevolgen van de aardbevingen in Groningen zijn extra middelen beschikbaar voor monumenten in deze regio. Het Nationaal Aankoopfonds, dat na de aankoop van de twee Rembrandt-portretten van Marten en Oopjen vrijwel leeg is, wordt aangevuld. In het Regeerakkoord hebben we afgesproken meer ruimte te maken in de cultuurfondsen voor vernieuwing en ontwikkeling. We gaan daarvoor een impuls geven aan een nieuwe generatie en eigentijdse cultuurvormen, zoals digitale kunst, virtual Reality en spoken word. Voor nieuwe cultuur en makers zijn extra middelen beschikbaar. Het cultuuronderwijs is een belangrijk speerpunt. We willen de positieve ontwikkeling, meer scholen met goed cultuuronderwijs, die in gang is gezet met het programma Cultuureducatie met Kwaliteit voortzetten en we reserveren middelen voor continuering van het programma (indicator Cultuureducatie). Daarnaast stellen we extra middelen beschikbaar voor scholen in het primair onderwijs om musea en historische plaatsen te bezoeken, via de prestatiebox. Scholen kunnen zelf een keuze maken. De verwachting is dat veel scholen ervoor kiezen het Rijksmuseum in Amsterdam te bezoeken. Daarom stellen we aan het Rijksmuseum extra middelen beschikbaar om meer scholieren uit het basisonderwijs te ontvangen. Verder ondersteunen we de verdere uitwerking van de arbeidsmarktagenda. Ook voor de cultuursector geldt het motto van het kabinet «eerlijk werk».

In 2019 zetten wij het stimuleringsbeleid voor de Creatieve Industrie voort. Dit beleid bestaat uit cultuursubsidies via het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, ondersteuning van Het Nieuwe Instituut en het Topsectorenbeleid dat gezamenlijk met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt uitgevoerd. In de brief van 11 juni 2018 is de modernisering van de Archiefwet 1995 aangekondigd, mede naar aanleiding van de motie Segers om de Archiefwet aan te passen aan de digitale ontwikkelingen en eisen van transparantie. In 2019 zijn voorstellen te verwachten die gereed zijn voor consultatie.

6. Media

Tabel: Media

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Alle afspraken uit prestatie-overeenkomst worden door NPO nagekomen1

 

2017

   

2020

 

Media

33/342

   

34/34

X Noot
1

Bron: Terugblik NPO; Verificatie Commissariaat voor de Media

X Noot
2

De niet-behaalde afspraak is ten dele gerealiseerd

Media zijn van grote publieke waarde. De mediasector is volop in transitie. De komende jaren zijn bepalend voor de toekomst van de journalistiek en audiovisuele media in Nederland. Het aantal mensen dat televisie kijkt en abonnee is van een krant neemt nog steeds gestaag af, en dat heeft steeds grotere financiële gevolgen voor het traditionele advertentiegedreven verdienmodel van kranten en omroepen. Tegelijkertijd ontstaat er ook een volwassen online mediasector, met een groeiend belang van podcasts, nieuwsapps en online journalistieke media. Dat is een goede ontwikkeling, omdat er zo een groter aanbod ontstaat. Het belang van goede onderzoeksjournalistiek is immers onverminderd groot, de media vervullen een onontbeerlijke rol in de democratie. Zeker ook in de regio, waar de gemeenten door decentralisatie meer verantwoordelijkheid hebben gekregen en het belang van journalistieke controle daardoor urgenter is.

We zetten daarom in 2019 in op de versterking van (onderzoeks)journalistiek, met de nadruk op de regionale en lokale journalistiek. Het accent ligt op het stimuleren van (onderzoeks)journalistieke producties, investeringen in professionalisering en talentontwikkeling en innovatie van de journalistieke infrastructuur in Nederland. In samenwerking met het Ministerie van BZK en de VNG werken we aan verdere vorming van streekomroepen en professionalisering van lokale omroepen. Ook werken de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en de Regionale Publieke Omroep (RPO) aan een plan voor een pilot vensterprogrammering (regionale uitzendingen op landelijke zenders), waarmee samenwerking tussen regionale en landelijke omroepen vorm krijgt.

Net als andere partijen staat de landelijke publieke omroep voor de uitdaging om de teruglopende reclame-inkomsten op te vangen. De NPO zal het komende jaar verdere invulling geven aan de Prestatieovereenkomst 2017–2020 (indicator Alle afspraken uit prestatieovereenkomst worden door NPO nagekomen). De NPO heeft de opdracht om een financieel bestendig plan te maken voor 2019. We gaan in gesprek met de NPO over de keuzes die gemaakt worden, omdat die van grote invloed kunnen zijn op de maatschappelijke relevantie van de landelijke publieke omroep. De ontwikkeling van reclame-inkomsten zullen we nauwgezet volgen. De komende periode zetten we tot slot in op het vormen van een strategische toekomstagenda samen met de mediasector zelf. De ambitie is om met de sector samen te komen tot een plan om ervoor te zorgen dat we sterke Nederlandstalige producties en nieuwsvoorzieningen behouden.

7. Emancipatie

Tabel: Emancipatie

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Acceptatie LHBTI1

 

2010

2016

 

2020

 

Emancipatie

90%

93%

 

≥ 90%

Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies2

 

2017

   

2020

 

Emancipatie

RvB: 11,7% RvT: 16,2%

   

≥ 30%

X Noot
1

Bron: LHBT monitor (SCP)

X Noot
2

Bron: Bedrijvenmonitor topvrouwen 2017

Zoals in het Regeerakkoord staat beschreven: in Nederland is iedereen gelijkwaardig en heeft iedereen de vrijheid om te houden van wie zij willen en heeft iedereen de vrijheid om zichtbaar zichzelf te kunnen zijn. Emancipatie en het beschermen van onze waarden hebben continu onze aandacht nodig. In de Emancipatienota hebben we hieraan verdere uitwerking gegeven. Voor ons is het principe leidend dat alle burgers hun leven moeten kunnen inrichten zoals zij dat willen. Daarmee kwamen we tot drie samenhangende thema’s: arbeidsmarkt, sociale veiligheid en acceptatie, én genderdiversiteit en gelijke behandeling. Dit jaar komen maatregelen voortkomend uit de regenboogafspraken uit het Regeerakkoord gereed op het terrein van lerarenopleidingen in het onderwijs, suïcidepreventie onder lhbti-jongeren, modernisering transgenderwet, de internetconsultatie verhoging stafmaximum voor haatzaaien. De overige maatregelen op het terrein van meerouderschap, regionale lhbti-netwerkversterking en aanpak onnodige geslachtsregistratie volgen later, zoals gepland.

Op de arbeidsmarkt streven we naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van arbeid en inkomen. 2019 is een belangrijk jaar voor de doelstelling om het aantal vrouwen in hoge functies te laten toenemen (indicator Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies groter of gelijk aan 30%), omdat we dan de balans zullen opmaken. Een andere prioriteit is de economische en financiële zelfstandigheid van vrouwen. Samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werken wij aan het verhogen van het aantal vrouwen dat werkt en van het aantal uren dat zij werken. Voor meer sociale veiligheid en acceptatie van lhbti-personen (indicator Acceptatie LHBTI groter dan of gelijk aan 90%) gaan we de lokale aanpak versterken. We breiden het aantal regenboogsteden uit en starten een pilot voor «Veilige Steden». Daarbij zetten we in het bijzonder in op de preventie van geweld tegen vrouwen.

Om meer genderdiversiteit te bereiken, willen we het bewustzijn van professionals en organisaties vergroten. Dat doen we bijvoorbeeld door het vergroten van diversiteit in lesmaterialen en door mediabedrijven te stimuleren zich aan te sluiten bij de media-alliantie. Internationaal zetten we in op meer gendergelijkheid door naleving van het CEDAW-verdrag (Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women). Met ons emancipatiebeleid dragen we bij aan de uitvoering van internationale afspraken, zoals de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) en het VN-Vrouwenrechtenverdrag.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 1) als de ontvangsten (tabel 2).

Ook bevat deze paragraaf tabellen die een overzicht geven van alle intensiveringen en ombuigingen (tabellen 3 t/m 8).

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige mutaties (p. 21)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

 

40.383,8

40.650,0

40.573,5

40.631,6

40.679,1

 

Belangrijkste mutaties:

             

1) Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

191,7

211,1

161,4

189,3

212,7

 

2) Specifieke dekking tegenvaller Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

– 125,3

– 211,1

– 44,6

– 45,7

– 45,9

 

3) Taakstelling OCW-brede problematiek

91

0,0

0,0

– 114,4

– 140,3

– 156,2

 

4) Eindejaarsmarge

91

96,2

0,0

0,0

0,0

0,0

 

5) Kasschuiven

diverse

819,9

138,3

– 417,0

– 432,7

– 224,9

 

6) Loonbijstelling

diverse

703,3

705,9

704,0

703,8

700,7

 

7) Prijsbijstelling

diverse

149,7

155,3

156,5

157,4

156,7

 

8) Regeerakkoordmaatregelen

diverse

356,5

524,7

543,1

509,1

462,1

 

9) Scholingsaftrek

4

0,0

– 218,0

0,0

0,0

0,0

 

10) Niet-kader relevante mutaties

11,12

27,6

67,1

74,7

67,5

59,9

 

11) Daling STER-inkomsten

15

– 28,4

– 36,0

– 39,6

– 54,7

– 53,8

 

13) Overige mutaties

diverse

– 14,2

– 3,1

– 3,0

– 2,9

– 2,8

 

Stand ontwerpbegroting 2019

42.560,8

41.984,2

41.594,6

41.582,4

41.787,6

42.115,0

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten) (Bedragen x € 1 miljoen)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

               

Stand ontwerpbegroting 2018

 

1.380,6

1.414,7

1.487,6

1.554,3

1.633,2

 

Belangrijkste mutaties:

             

1) Leerlingen- en studentenontwikkeling

12,13

0,4

– 1,0

– 0,5

0,2

0,6

 

3) Niet kaderrelevante mutaties

11

– 35,3

– 38,5

– 47,9

– 57,2

– 70,1

 

4) Rente studiefinanciering

11

– 11,1

– 12,4

– 11,8

– 8,5

– 3,5

 

5) Lagere reclame opbrengsten en STER-raming

15

– 28,4

– 36,0

– 39,6

– 54,7

– 53,8

 

6) Overige mutaties

diverse

11,1

2,4

2,4

2,6

9,5

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

1.317,3

1.329,2

1.390,2

1.436,7

1.515,9

1.555,2

Toelichting:

Leerling- en studentenontwikkeling

In de begroting is de actuele raming van de leerlingen- en studentenaantallen, alsmede van de kaderrelevante uitgaven aan de studiefinanciering verwerkt. Uit de ramingen in 2018 blijkt dat zowel de leerlingen- en studentenaantallen als de uitgaven aan de studiefinanciering hoger uitvallen dan de in de OCW-begroting 2018 verwerkte aantallen. Hierachter gaan verschillende bewegingen schuil, zoals bijvoorbeeld een stijging in de omzettingen van prestatiebeurs in gift. Dit hangt samen met het zogenaamde boeggolfeffect van de invoering van het Studievoorschot; studenten die in 2013 vervroegd zijn ingestroomd om nog voor de basisbeurs in aanmerking te komen leiden nu tot extra uitstroom en omzettingen.

Specifieke dekking tegenvaller leerlingen- studentenontwikkeling en raming studiefinanciering

De tegenvaller op de leerlingen en studentontwikkeling en raming studiefinanciering wordt in 2019 gedekt door inzet van loon- en prijsbijstelling tranche 2018 (€ 149 miljoen, deels door middel van een kasschuif), meevallers en bijstellingen (€ 25 miljoen, waaronder € 15 miljoen onderuitputting lerarenbeurs in 2018), een korting op de subsidieregeling praktijkleren (€ 19 miljoen) en een lumpsumkorting hoger onderwijs (€ 19 miljoen).

Taakstelling OCW-brede problematiek

Om de begroting meerjarig sluitend te maken, is er vanaf 2020 een taakstelling op de OCW-begroting geplaatst.

Eindejaarsmarge

In 2017 zijn enkele budgetten niet volledig tot besteding gekomen. De eindejaarsmarge wordt ingezet voor overlopende verplichtingen die alsnog in 2018 tot betaling zijn gekomen en ter dekking van de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling en de raming van de studiefinanciering.

Kasschuiven

Op diverse budgetten vinden kasschuiven plaats. Conform het Bestuursakkoord mbo 2018-2-22 is het resultaatafhankelijke budget van € 200 miljoen doorgeschoven van 2022 naar 2023. Ter optimalisatie van het kasritme van de staat wordt de verplichting aan de vervoersbedrijven voor de OV-studentenkaart in 2018 vooruitbetaald via een kasschuif.

Loon- en prijsbijstelling

De loon- en prijsbijstelling tranche 2018 is uitgekeerd aan de departementen. Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor de verdeling over de begrotingsartikelen.

Regeerakkoordmaatregelen

Er zijn diverse Regeerakkoordmiddelen aan de OCW-begroting toegevoegd. Een deel van de Regeerakkoordmiddelen was via nota’s van wijziging al aan de vorige begroting toegevoegd.

Bijdrage scholingsaftrek

Dit betreft een overboeking naar het Ministerie van Financiën. In 2019 blijft namelijk de fiscale scholingsaftrek nog behouden.

Niet kader-relevante mutaties

De raming voor studiefinanciering laat hogere niet-kaderrelevante uitgaven zien voor 2018 en verder, ten opzichte van de raming die in de OCW-begroting 2018 verwerkt is.

Daling STER-inkomsten

Er is sprake van een structureel dalende trend van de reclame-ontvangsten bij de landelijke publieke omroep.

Overige mutaties

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten en overboekingen van en naar andere departementen.

Rente studiefinanciering

De raming voor studiefinanciering laat lagere renteontvangsten zien dan de in de OCW-begroting 2018 verwerkte raming. Conform de begrotingsregels worden mutaties in de renteontvangsten generaal verwerkt.

Tabel 3 hieronder geeft een overzicht van alle intensiveringen op de OCW-begroting, sinds de start van het kabinet Rutte III en tabel 4 doet dat voor de ombuigingen. Tabel 5 geeft een saldo van tabel 3 en 4 weer.

In tabellen 6 t/m 8 worden de investeringen, ombuigingen en het saldo ervan uitgesplitst per sector weergegeven. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat een deel van de middelen per sector op begrotingsartikel 95 (apparaatsuitgaven) belanden.

Tabel 3 Intensiveringen (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

1

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. € 20 miljoen kleine scholen)

1

108.000

257.000

257.000

257.000

257.000

257.000

G34 Modernisering CAO primair onderwijs

1

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

3

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

G36 Fundamenteel onderzoek

16

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

G37 Toegepast onderzoek innovatie

6, 16

25.000

38.000

50.000

50.000

50.000

50.000

G38 Onderzoeksinfrastructuur

16

45.000

55.000

0

0

0

0

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

14

25.000

48.270

52.145

52.120

51.120

51.160

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

1

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

G42 Media/onderzoeksjournalistiek

15

5.000

0

0

0

0

0

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name Nationaal Restauratiefonds)

14

98.500

101.400

60.000

25.000

0

0

G44 Aanpak laaggeletterdheid

4

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en aandacht voor hoogbegaafde kinderen

1, 3

15.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

 

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

G48 Terugdraaien taakstelling groen onderwijs

diverse

0

9.000

13.000

14.000

13.000

12.000

G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profileringsfondsen)

6, 7

70.000

165.000

165.000

170.000

170.000

175.000

Totaal

 

1.088.500

1.751.670

1.805.145

1.704.120

1.502.120

1.506.160

Tabel 4 Ombuigingen (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

G46 Doelmatiger onderwijs

diverse

– 20.000

– 92.000

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Korting regeling praktijkleren

4

 

– 19.452

       

Korting lumpsum ho

6, 7

 

– 19.452

       

Subsidieverlaging

diverse

– 34.261

0

0

0

0

0

Totaal

 

– 54.261

– 130.904

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Tabel 5 Saldo intensiveringen en ombuigingen (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Intensiveringen

diverse

1.088.500

1.751.670

1.805.145

1.704.120

1.502.120

1.506.160

Ombuigingen

diverse

– 54.261

– 130.904

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Totaal

 

1.034.239

1.620.766

1.668.145

1.521.120

1.319.120

1.323.160

Tabel 6 Intensiveringen per sector (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs

1

431.000

676.500

716.500

716.500

716.500

716.500

Voortgezet onderwijs

3

45.000

87.106

138.575

138.826

118.405

118.001

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

5.000

6.993

7.834

7.989

7.672

7.387

Hoger beroepsonderwijs

6

65.602

134.188

138.914

141.393

139.868

141.516

Wetenschappelijk onderwijs

7

19.398

54.213

56.177

59.292

60.555

63.596

Cultuur

14

123.500

149.670

112.145

77.120

51.120

51.160

Media

15

5.000

0

0

0

0

0

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

150.000

228.000

225.000

225.000

225.000

225.000

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.088.500

1.751.670

1.805.145

1.704.120

1.502.120

1.506.160

Tabel 7 Ombuigingen per sector (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs

1

– 19.916

– 30.664

– 45.663

– 60.996

– 60.996

– 60.996

Voortgezet onderwijs

3

– 10.771

– 23.786

– 35.420

– 47.313

– 47.313

– 47.313

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

– 17.065

– 32.118

– 18.862

– 25.195

– 25.195

– 25.195

Hoger beroepsonderwijs

6

– 2.513

– 16.581

– 13.104

– 17.503

– 17.503

– 17.503

Wetenschappelijk onderwijs

7

– 3.354

– 24.800

– 19.551

– 26.116

– 26.116

– 26.116

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

– 642

– 2.955

– 4.400

– 5.877

– 5.877

– 5.877

Totaal

 

– 54.261

– 130.904

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Tabel 8 Saldo intensiveringen en ombuigingen per sector (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs

1

411.084

645.836

670.837

655.504

655.504

655.504

Voortgezet onderwijs

3

34.229

63.320

103.155

91.513

71.092

70.688

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

– 12.065

– 25.125

– 11.028

– 17.206

– 17.523

– 17.808

Hoger beroepsonderwijs

6

63.089

117.604

125.810

123.890

122.365

124.013

Wetenschappelijk onderwijs

7

16.044

29.413

36.626

33.176

34.439

37.480

Cultuur

14

123.500

149.670

112.145

77.120

51.120

51.160

Media

15

5.000

0

0

0

0

0

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

149.358

225.045

220.600

219.123

219.123

219.123

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.034.239

1.620.766

1.668.145

1.521.120

1.319.120

1.323.160

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (Bedragen x € 1.000)

Art.nr.

Naam artikel + totale uitgaven

Juridisch verplicht (totale uitgaven +%)

Niet-juridisch verplicht (totale uitgaven + %)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Primair onderwijs

€ 11.270.715

€ 31.646

Nog nader in te vullen subsidies (€ 27.901)

 

€ 11.302.361

99,72%

0,28%

Opdrachten (€ 3.745)

3

Voortgezet onderwijs

€ 8.545.090

€ 66.766

Nog nader in te vullen

bekostiging (€ 400)

 

€ 8.611.856

99,23%

0,77%

       

subsidies (€ 60.461)

       

bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 195)

       

Opdrachten (€ 5.710)

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

€ 4.563.520

€ 13.456

Nog nader in te vullen subsidies (€ 11.050)

 

€ 4.576.976

99,69%

0,31%

Opdrachten (€ 1.091)

       

Bijdrage aan medeoverheden (€ 1.316)

6

Hoger onderwijs

€ 3.277.589

€ 153

Nog nader in te vullen subsidies (€ 153)

 

€ 3.277.742

99,99%

0,01%

7

Wetenschappelijk onderwijs

€ 4.897.077

€ 1.652

Nog nader in te vullen subsidies (€ 478)

 

€ 4.898.729

99,97%

0,03%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.174)

8

Internationaal beleid

€ 12.316

€ 469

Nog nader in te vullen subsidies (€ 207)

 

€ 12.785

96,3%

3,7%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 207)

       

Nog nader in te vullen internationale organisatie (€ 55)

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

€ 92.746

€ 75.809

Nog nader in te vullen subsidies (€ 73.441) en

 

€ 168.555

54,8%

44,7%

Opdrachten (€ 2.368)

14

Cultuur

€ 899.849

€ 67.854

Nog nader in te vullen subsidies (€ 56.790)

 

€ 967.703

93%

7%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 10.117)

       

Nog nader in te vullen bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 947)

15

Media

€ 959.125

€ 1.704

Nog nader in te vullen Bekostiging (€ 320)

 

€ 960.829

99,8%

0,2%

Nog nader in te vullen subsidies (€ 894)

       

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 430)

       

Internationale contributies (€ 60)

16

Onderzoek en Wetenschapsbeleid

€ 1.224.686

€ 3.685

Nog nader in te vullen subsidies (€ 3.585)

 

€ 1.228.371

99,7%

0,3%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 0,1)

25

Emancipatie

€ 11.493

€ 4.387

Nog nader in te vullen Subsidies (€ 542)

 

€ 15.880

72,4%

27,6%

Opdrachten (€ 845)

       

Bijdrage aan medeoverheden (€ 3.000)

Totaal aan niet verplichte uitgaven

€ 267.581

   

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Tabel planning beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Planning

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Geheel artikel?

1.

Primair onderwijs

         

 

3.

Voortgezet onderwijs

         

 

4.

Beroeps en volwasseneneducatie

   

       

6.

Hoger beroepsonderwijs

   

       

7.

Wetenschappelijk onderwijs

   

       

8.

Internationaal beleid1

               

9.

Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid

       

   

11.

Studiefinanciering

     

     

12.

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

           

13.

Lesgelden2

               

14.

Cultuur

       

   

15.

Media

     

     

16.

Onderzoek en wetenschapsbeleid

       

   

25.

Emancipatie

 

         

Afgeronde en eerder toegezegde beleidsdoorlichtingen

               

Zie ook de bijlage «Overzicht evaluaties- en overig onderzoek».

Zie ook de Tabel realisatie beleidsdoorlichtingen.

X Noot
1

Internationaal beleid is een restartikel en geen beleidsartikel. Er is dus geen beleidsdoorlichting gepland. Internationaal beleid draagt bij aan de beleidsdoelstellingen op andere artikelen.

X Noot
2

Lesgelden: het doel van het heffen van lesgeld is het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs. Dit is een financieel doel. Omdat het hier geen beleidsmatig doel betreft ligt een beleidsdoorlichting niet in de rede.

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel Overzicht verstrekte garanties (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantie-plafond

Totaal plafond

14

Indemniteitsregeling

284.298

119.560

156.535

247.323

0

0

247.323

300.000

14

Achterborg overeenkomst NRF

341.603

16.178

43.717

314.064

0

0

314.064

380.000

 

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

176.631

0

12.709

163.922

0

0

163.922

Toelichting:

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen ondermeer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

Het NRF verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het Nationaal Restauratiefonds is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel beduidend hoger dan de uitstaande leningen onder de Achterborg.

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

3. BELEIDSARTIKELEN

3.1 Art.nr. 1 Primair onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 1.1 Kengetallen
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

 

0,07%

0,08%

0,09%

         

Aantallen

 

1.161

1.197

1.396

         

2

Aandeel leerlingen dat de referentie niveaus lezen, taal en rekenen haalt2

Lezen

1F

 

98%

98%

         
 

2F

 

76%

66%

         

Taalverzorging

1F

 

96%

96%

         
 

2F

 

56%

57%

         

Rekenen

1F

 

92%

93%

         
 

1S

 

44%

48%

         

3

Aandeel startende leraren dat een begeleidings-programma heeft gevolgd3

     

83%

           

4

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt4

     

97%

           
X Noot
1

Bron: Leerplichttellingen; de cijfers betreffen schooljaar 2014–2015 tot en met 2016–2017.

X Noot
2

Bron: College voor Toetsen en Examens; de cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2015–2016 (het eerste schooljaar met verplichte rapportage) en 2016–2017. Voor schooljaar 2015–2016 zijn de cijfers opgenomen zoals aangepast in de rapportage 2016–2017.

X Noot
3

De cijfers over 2017 worden in het najaar in de loopbaanmonitor bekend gemaakt.

X Noot
4

Bron: ITS monitor naar Sociale Veiligheid; dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

Tabel 1.2 Leerlingen primair onderwijs (Aantallen x 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Leerlingen basisonderwijs1

             

geen gewicht

1.295,4

1.294,4

1.395,9

1.384,6

1370,4

1.357,8

1.347,4

gewicht 0,3

60,7

57,1

         

gewicht 1,2

58,2

53,3

         

Subtotaal

1414,3

1.404,7

1.395,9

1.384,6

1.370,4

1.357,8

1.347,4

Leerlingen trekkende bevolking2

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

1414,7

1.405,1

1.396,3

1.385,0

1.370,8

1.358,2

1.347,8

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

34,0

34,3

34,6

35,0

35,1

35,0

34,9

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

67,3

66,8

66,0

65,7

65,4

65,3

65,4

Totaal PO3

1.516,0

1.506,2

1.496,9

1.485,7

1.471,3

1.485,5

1.448,1

X Noot
1

In verband met de nieuwe bekostigingssystematiek onderwijsachterstanden, is de onderverdeling naar gewichtenleerlingen met ingang van teldatum 01-10-2019 vervallen.

X Noot
2

Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

X Noot
3

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Tabel 1.3 Uitgaven per leerling, excl. uitvoeringskosten (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs1

6,9

7,4

7,5

7,6

7,6

7,5

7,6

Bekostiging2

6,6

7,1

7,1

7,1

7,1

7,0

7,2

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

5,4

5,9

5,9

5,9

5,9

5,8

5,9

X Noot
1

De totale uitgaven uit tabel 1.4, exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO’s/RWT’s, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 1.2.

X Noot
2

De bekostiging uit tabel 1.4, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 1.2.

X Noot
3

De bekostiging uit tabel 1.4, minus de ondersteuningsmiddelen zoals opgenomen in tabel 1.5, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 1.2.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van primair onderwijs, zoals de investeringen in werkdruk en salaris worden beschreven in de beleidsagenda. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de actualisatie bestuursakkoorden PO en de aanpassingen van de verdeling van de middelen voor onderwijsachterstanden.

Het bestuursakkoord PO is in 2017 geëvalueerd. Daarnaast is in het Regeerakkoord »Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat de afspraken uit het bestuursakkoord worden gehandhaafd, met uitzondering van de landelijke norm om zittenblijven bij kleuters terug te dringen. Op basis hiervan is het bestuursakkoord PO geactualiseerd. In het geactualiseerde bestuursakkoord – dat doorloopt tot en met 2020 – blijven we inzetten op vier hoofdlijnen: talentontwikkeling door uitdagend onderwijs, het ontwikkelen van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering, «professionele scholen» en doorgaande ontwikkellijnen. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2019 de laatste voortgangsrapportage en in 2020 de evaluatie.

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat de regering vanaf 2019 structureel € 170 miljoen per jaar investeert in het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid voor een verruiming van het aanbod van voorschoolse educatie. In 2018 is alvast een deel (€ 40 miljoen) van de investering van 2019 uitgekeerd waardoor in 2019 een investering van € 130 miljoen resteert. Ook is in het Regeerakkoord vastgelegd dat de verdeling van middelen voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt geactualiseerd. Door het Centraal Bureau voor de Statistiek is een nieuwe indicator ontwikkeld die het risico op een onderwijsachterstand bij kinderen beter in beeld brengt. Deze indicator wordt vanaf 2019 gebruikt voor de verdeling van de middelen van het onderwijsachterstandenbeleid over basisscholen en gemeenten. De nieuwe verdeelsystematiek gaat in per 1 januari 2019 voor gemeenten en per schooljaar 2019–2020 voor basisscholen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 1.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

10.632.968

11.144.612

11.302.400

11.241.779

11.178.741

11.113.401

11.053.470

Waarvan garantieverplichtingen

19.065

502

         

Totale uitgaven

10.494.756

11.144.065

11.302.361

11.241.744

11.178.741

11.113.401

11.053.470

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
                   

Bekostiging

9.986.309

10.646.197

10.675.549

10.580.309

10.519.228

10.445.292

10.385.391

Hoofdbekostiging

9.742.879

10.346.763

10.375.315

10.286.075

10.224.994

10.159.058

10.099.157

 

Bekostiging Primair Onderwijs

9.725.580

10.332.433

10.360.985

10.271.745

10.211.046

10.145.110

10.085.209

 

Bekostiging Caribisch Nederland

17.299

14.330

14.330

14.330

13.948

13.948

13.948

Prestatiebox

228.085

282.234

272.234

272.234

272.234

272.234

272.234

Aanvullende bekostiging

15.345

17.200

28.000

22.000

22.000

14.000

14.000

 

Overig

15.345

17.200

28.000

22.000

22.000

14.000

14.000

                   

Subsidies

88.877

90.434

99.704

106.427

109.041

117.541

117.541

 

Regeling Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

23.191

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

 

Nederlands onderwijs buitenland

10.724

13.394

13.394

13.394

13.394

13.394

13.394

 

Basis voor Presteren (School aan Zet en Bèta Techniek)

1.519

0

0

0

0

0

0

 

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

11.510

11.630

12.130

12.630

13.130

13.630

13.630

 

Overig

41.933

42.410

51.180

57.403

59.517

67.517

67.517

                   

Opdrachten

6.915

6.199

14.511

15.215

14.559

14.655

14.625

                   

Bijdrage aan agentschappen

26.207

26.942

30.852

27.985

24.108

24.108

24.108

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

26.207

26.942

30.852

27.985

24.108

24.108

24.108

                   

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

19.997

7.734

7.734

7.734

7.731

7.731

7.731

 

Stichting Vervangingsfonds en Particpatiefonds1

18.412

5.231

5.231

5.231

5.228

5.228

5.228

 

UWV

1.585

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

                   

Bijdrage aan medeoverheden

366.451

366.451

462.328

492.391

492.391

492.391

492.391

 

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

266.750

277.403

462.328

492.391

492.391

492.391

492.391

 

Aanvulling GOA convenant G37

95.000

84.348

0

0

0

0

0

 

Verhoging taalniveau pedagogisch medewerkers kleine gemeenten2

4.701

4.700

0

0

0

0

0

                   

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

107

11.387

11.387

11.387

11.387

11.387

 

Brede scholen

0

107

11.387

11.387

11.387

11.387

11.387

               

Bijdragen aan sociale fondsen

0

1

296

296

296

296

296

 

Brede scholen

0

1

296

296

296

296

296

Ontvangsten

23.358

17.661

8.661

8.661

8.661

8.708

8.708

X Noot
1

In 2017 is dit bedrag inclusief het deel dat is teruggestort vanwege ten onrechte gedeclareerde kosten voor wachtgelden bij het Participatiefonds.

X Noot
2

Voor 2016 waren deze middelen beschikbaar gesteld voor de G-86. Voor 2017 en 2018 zijn de middelen bestemd voor de kleine gemeenten.

Budgetflexibiliteit

Het beschikbare budget op artikel 1 voor 2019 is voor 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de lumpsumbekostiging aan de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de regelingen personele bekostiging en materiële instandhouding. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het (school)jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2019 is voor 62,0 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht en wordt ingezet voor beleidsprioriteiten van het kabinet. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2019 is voor 74,2 procent juridisch verplicht. Het gaat hierbij onder andere om de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht en betreft beleidsprioriteiten van het kabinet. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van de managementafspraken tussen het bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het gaat hier om bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het UWV. Op basis van een beheersovereenkomst worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de specifieke uitkering betrekking heeft.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het beschikbare budget in 2019 is nog niet juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het gemeentefonds voor het realiseren van combinatiefuncties op basis van de bestuurlijke afspraken tussen OCW, VWS en de VNG.

Bijdrage aan sociale fondsen

Het beschikbare budget in 2019 is nog niet juridisch verplicht. Het betreft de loonbijstelling over de bijdrage aan het gemeentefonds voor het realiseren van combinatiefuncties op basis van de bestuurlijke afspraken tussen OCW, VWS en de VNG.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekostiging voor de personele kosten en materiële instandhouding. Deze bekostiging is grotendeels gebaseerd op het aantal leerlingen en de gemiddelde leeftijd van leraren. Daarnaast wordt via de groeibekostiging en de directie- en de kleinescholentoeslag rekening gehouden met de groei en grootte van de school. Met de groeibekostiging is circa € 60 miljoen gemoeid, met de directietoeslag (basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs) circa € 240 miljoen en met de kleinescholentoeslag circa € 130 miljoen. Dat laatste bedrag is inclusief de kleinescholentoeslag die onderdeel is van het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid; deze is met ingang van 1 augustus 2018 met € 20 miljoen verhoogd om kleine scholen extra armslag te geven om goed onderwijs te verzorgen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid waar in totaal structureel circa € 285 miljoen voor wordt geraamd. Dit betreft het budget voor de nieuwe regeling ter verdeling van de aan de basisscholen te verstrekken middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, die vanaf 1 augustus 2019 zal gelden. Deze regeling vervangt de huidige gewichten- en impulsregeling.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden po gaan en deels middelen die rechtstreeks naar de speciale scholen voor basisonderwijs gaan (sbao). Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden po en vo en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van «passend onderwijs» besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (v)so.

Onderstaande tabel laat zien hoe de ondersteuningsmiddelen worden verdeeld.

Tabel 1.5 Ondersteuningsmiddelen (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Lichte ondersteuning – Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

385

385

380

375

375

Zware ondersteuning – Clusters 1 en 2

265

265

265

265

265

Zware ondersteuning – Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

560

560

555

555

555

Zware ondersteuning – Samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs1

595

585

580

580

580

Lichte en zware ondersteuning – Totaal artikel 1

1.805

1.795

1.780

1.775

1.775

X Noot
1

Samenwerkingsverbanden vo betreft alleen de middelen die op artikel 1 staan, en is inclusief een gedeelte dat rechtstreeks naar de WEC scholen gaat onder andere bestemd voor onderwijs in instellingen voor gesloten jeugdzorg en justitiële jeugdinrichtingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het bestuursakkoord met de PO-Raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs, vernieuwing en digitalisering, de brede aanpak onderwijsverbetering, professionalisering van scholen en de doorgaande ontwikkellijnen. Deze middelen komen daarnaast ook ten goede aan de afspraken die zijn gemaakt in het «Techniekpact 2020» en het «Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs».

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen de schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. De aanvullende bekostiging voor 2019 bestaat uit de kosten voor tweetalig onderwijs, de regeling teambeurs voor professionalisering van teams van leerkrachten, de regeling tegemoetkoming vervangingskosten voor schoolleiders die een opleiding volgen, kosten voor het leraar ontwikkelfonds, de regeling voor hoogbegaafden.

Subsidies

Om verschillende beleidsdoelstellingen te behalen, worden subsidies verstrekt (zie de subsidiebijlage voor het totaaloverzicht). De belangrijkste subsidies zijn de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten, de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland en de subsidies voor het «Techniekpact». De Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten voorziet in diverse hulpmiddelen zodat deze leerlingen met goed gevolg onderwijs (van basisonderwijs tot en met hoger onderwijs) kunnen volgen. Voor de implementatie van het bestuursakkoord worden middelen verstrekt ten behoeve van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering en voor het project «Beter en slimmer leren met ict». Daarnaast worden er onder andere subsidies verstrekt voor humanistisch vormend en godsdienstonderwijs, onderwijs aan zieke leerlingen, het aanpassen van lesmateriaal ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen en het ontwikkelen van de (adaptieve) eindtoets.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en evaluatie- en beleidsonderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Verder betreft het uitgaven voor de uitvoeringskosten van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel en kosten van uitvoeringsorganisaties.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor begrotingsartikel 1.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

De stichtingen Vervangingsfonds en Participatiefonds ontvangen middelen voor het beheren van de vervangings- en werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. De kosten die het Vervangings- en Participatiefonds vergoeden worden gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder voorschoolse educatie, schakelklassen en zomerscholen.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Jaarlijks worden aan het Gemeentefonds middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van de «Brede impuls combinatiefuncties».

Bijdrage aan sociale fondsen

Deze reeks betreft de loonbijstelling 2017 over de middelen «Brede impuls combinatiefuncties».

Tabel 1.6 Overzicht Specifieke Uitkering (Bedragen in miljoen euro’s)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Ontvangende partij(en)

           
 

Diverse gemeenten1

366,5

462,0

492,1

492,1

492,1

492,1

 

Korte omschrijving uitkering

           
 

Het betreft de specifieke uitkeringen op onderwijsachterstandenbeleid (voor 2018 inclusief de aanvulling convenant G37, budget voor verhoging taalniveau pedagogisch medewerkers kleine gemeenten en budget voor middelgrote en kleine gemeenten om tenminste één groep te realiseren).

           
X Noot
1

Kalenderjaar 2018: gemeenten waarbij de som schoolgewichten op 1-10-2009 groter is dan 0:

Kalenderjaren 2019 en volgende: gemeenten met ten minste één achterstandskind dat binnen de 15% doelgroep onderwijsachterstandenbeleid valt:

3.2 Art.nr. 3 Voortgezet onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren:

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 3.1 Kengetallen
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

0,17%

0,19%

0,19%2

         
   

Aantallen

1.605

1.873

1.8532

         

2

Aandeel zittenblijvers3

 

5,5%

5,7%

5,7%2

         

3

Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren4

 

94,8%

95,2%

n.n.b.

         

4

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd5

 

85%

         

5

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt6 7

 

95%

         

6

Aantal vsv’ers3

 

24.353

22.953

23.7932

         

7

Meer studenten volgen vakken op hoger niveau3

 

0,96%

0,96%

1,20%2

         
X Noot
1

Bron: leerplichttellingen

X Noot
2

Dit is gemeten over schooljaar 2016–2017

X Noot
3

Bron: DUO

X Noot
4

Bron: IPTO en CenterData

X Noot
5

De cijfers over 2017 worden in het najaar in de loopbaanmonitor bekend gemaakt.

X Noot
6

Bron: ITS Monitor naar Sociale Veiligheid

X Noot
7

Dit kengetal wordt twee jaarlijks gemeten

Tabel 3.2 Leerlingen voortgezet onderwijs
 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Totaal aantal ingeschreven leerlingen2

Nader te verdelen in:

961.200

976.200

960.000

949.700

943.800

939.100

936.500

 

Vmbo (incl. lwoo)

378.100

393.400

379.900

371.500

367.600

365.500

364.500

 

Havo

261.300

262.200

261.300

260.200

259.000

257.800

257.200

 

Vwo

286.000

285.100

284.100

284.000

283.500

282.400

281.300

 

Pro

29.200

28.800

28.000

27.300

27.000

26.800

27.000

 

Vavo

6.600

6.700

6.700

6.700

6.700

6.600

6.500

2.

Totaal aantal scholen

644

652

652

652

652

652

652

3.

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1.492

1.497

1.472

1.457

1.448

1.440

1.436

Bron: DUO

X Noot
1

De cijfers over 2017 zijn gebaseerd op het DJV 2017 (exclusief groen onderwijs).

X Noot
2

Ten behoeve van de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld.

Tabel 3.3 Uitgaven per leerling
 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Voortgezet onderwijs2

8.360

8.746

8.791

8.852

8.869

8.859

8.872

2.

Bekostiging3

 

8.609

8.644

8.711

8.726

8.715

8.727

3.

Bekostiging exclusief ondersteuningsmiddelen4

 

7.898

7.929

7.995

8.010

7.995

8.004

X Noot
1

Het cijfer over 2017 is gebaseerd op het DJV 2017 (excl. groen onderwijs).

X Noot
2

De totale uitgaven uit tabel 3.4, exclusief de bijdragen aan agentschappen (DUO), gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

X Noot
3

De bekostiging uit tabel 3.4, gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

X Noot
4

De bekostiging uit tabel 3.4, minus de ondersteuningsmiddelen zoals opgenomen in tabel 3.5, gedeeld door het aantal leerlingen van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van voortgezet onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda.

Het sectorakkoord VO is in 2017 geëvalueerd. Daarnaast is in het Regeerakkoord »Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat de afspraken uit het sectorakkoord worden gehandhaafd. Op basis van de evaluatie is het sectorakkoord geactualiseerd. Het akkoord – dat doorloopt tot en met 2020 – bevat doelstellingen voor uitdagend onderwijs voor de leerlingen, de brede vormende taak van het onderwijs, regionale samenwerking, scholen als lerende organisaties, strategisch personeelsbeleid en verantwoording. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2019 de laatste voortgangsrapportage en in 2020 de evaluatie.

Daarnaast investeren wij vanaf 2022 structureel € 100 miljoen per jaar in een kwalitatief hoogstaand en dekkend aanbod van technisch vmbo. In 2019 is € 70 miljoen beschikbaar, grotendeels voor scholen met de technische profielen PIE (produceren, installeren en energie), BWI (bouwen, wonen en interieur) en M&T (mobiliteit en transport). Daarnaast zijn deze middelen beschikbaar voor verdere professionalisering van vmbo-docenten en voor regionale planvorming voor de jaren erna. Om in 2020 en de jaren erna in aanmerking te blijven komen voor deze middelen, moeten vmbo-scholen samen met het mbo en het bedrijfsleven gezamenlijk plannen maken voor toekomstbestendig technisch vmbo-onderwijs in hun regio.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 3.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

8.326.918

8.854.923

8.681.647

8.546.602

8.388.209

8.402.179

8.360.986

Waarvan garantieverplichtingen

45.105

4.322

         

Totale uitgaven

8.143.906

8.713.061

8.611.856

8.526.854

8.450.382

8.388.492

8.359.318

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,2%

       
                   

Bekostiging

7.992.965

8.540.590

8.438.702

8.362.976

8.286.664

8.224.908

8.195.564

Hoofdbekostiging

7.545.671

8.056.636

8.123.369

8.037.212

7.959.900

7.898.144

7.868.800

 

Bekostiging voortgezet onderwijs lumpsum

6.890.750

7.333.269

8.108.177

8.022.119

7.944.792

7.883.036

7.853.692

 

Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

639.339

705.913

0

0

0

0

0

 

Bekostiging Caribisch Nederland

15.582

17.454

15.192

15.093

15.108

15.108

15.108

Prestatiebox

259.356

290.381

298.233

308.664

309.664

309.664

309.664

 

Regeling prestatiebox voortgezet onderwijs

259.356

290.381

298.233

308.664

309.664

309.664

309.664

Aanvullende bekostiging

187.938

193.573

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

 

Regeling IGVO (Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs)

3.906

4.680

0

0

0

0

0

 

Regeling leerplusarrangement en eerste opvang nieuwkomers

109.922

110.393

0

0

0

0

0

 

Regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo

0

0

0

0

0

0

 
 

Regeling functiemix VO Randstadregio’s

61.214

61.400

0

0

0

0

0

 

Resultaatafhankelijke bekostiging

vsv voor vo-scholen

12.896

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

                   

Subsidies

54.473

72.231

88.783

81.006

82.001

81.866

82.036

 

Stichting Kennisnet (basissubsidie) PO, VO, MBO

12.280

12.240

12.240

12.240

12.240

12.240

12.240

 

ICT-projecten (incl. transparantie)

6.172

4.800

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

 

Pilots zomerscholen

8.276

8.150

9.000

0

0

0

0

 

Overige projecten

27.745

47.041

62.543

63.766

64.761

64.626

64.796

                   

Opdrachten

4.981

7.092

7.425

7.335

7.300

7.300

7.300

 

In- en uitbesteding

4.981

7.092

7.425

7.335

7.300

7.300

7.300

                   

Bijdragen aan agentschappen

32.310

37.476

29.967

28.558

27.353

27.354

27.354

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

32.310

37.476

29.967

28.558

27.353

27.354

27.354

                   

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

58.969

55.392

46.784

46.784

46.784

46.784

46.784

 

ZBO: College voor Toetsen en Examens

12.718

11.656

4.546

4.546

4.546

4.546

4.546

 

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/BVE (incl. examens)

46.251

43.736

42.238

42.238

42.238

42.238

42.238

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

208

280

195

195

280

280

280

 

GRAZ (ECML) en PISA

208

280

195

195

280

280

280

Ontvangsten

9.173

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 3 is voor 2019 99,2 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de wet voor voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2019 31,9 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar worden vastgesteld. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget in 2019 is 23,1 procent juridisch verplicht. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht, bijvoorbeeld voor het toezicht op (zeer) zwakke scholen. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Tussen bestuursdepartement en DUO zijn managementafspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdrage aan het College voor Toetsen en Examens en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Op basis van overeenkomsten worden de middelen voorafgaand aan het komende jaar verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2019 is nog niet juridisch verplicht. Het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat dit gedurende het jaar juridisch wordt verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Bekostiging voortgezet onderwijs lumpsum

Het voortgezet onderwijs kent een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. De schoolbesturen ontvangen van de rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal leerlingen en de schoolsoort. Daarnaast zijn vanaf 2019 het leerplusarrangement, de eerste opvang nieuwkomers, de functiemix VO Randstadregio’s en het Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO) niet meer onder de aanvullende bekostiging opgenomen, maar onder de hoofdbekostiging. Met het leerplusarrangement is circa € 48 miljoen gemoeid, met de eerste opvang nieuwkomers circa € 46 miljoen, met de functiemix VO Randstadregio’s circa € 61 miljoen en met IGVO circa € 4 miljoen.

Ook de middelen voor de lichte ondersteuning zijn vanaf 2019 onder de hoofdbekostiging opgenomen. In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte ondersteuning. Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging van de lichte ondersteuning aan samenwerkingsverbanden geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteuning onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband. In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging hiervoor beschikbaar zijn.

Tabel 3.5 Ondersteuningsmiddelen (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Lichte ondersteuning lwoo/pro

603

593

585

584

584

Regionale ondersteuning

95

95

95

95

95

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

698

688

680

679

679

Daarnaast is in het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat het groen onderwijs wordt overgeheveld naar OCW. Met ingang van 2018 wordt het groen (voortgezet) onderwijs via artikel 3 bekostigd.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het (geactualiseerde) sectorakkoord met de VO-raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een extra impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs voor de leerlingen, de brede vormende taak van het onderwijs, regionale samenwerking, scholen als lerende organisaties, strategisch personeelsbeleid en verantwoording.

Aanvullende bekostiging

Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) voor vo-scholen

Vo-scholen ontvangen resultaatafhankelijke bekostiging voor de schooljaren 2018/2019 en 2019/2020 op basis van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo. Voor de aanpak van vsv zie artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht bijlage: Subsidies). De belangrijkste hiervan zijn de subsidies voor Stichting Kennisnet en kansengelijkheid. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT. De subsidie voor kansengelijkheid wordt onder andere gebruikt voor doorstroomprogramma’s po-vo en doorstroomprogramma’s vmbo-havo en vmbo-mbo. Daarnaast is er subsidie beschikbaar voor de versterking van het techniekonderwijs op het VMBO en krijgen het Europees Platform en de stichting School en Veiligheid ook een subsidie.

Opdrachten

Onder deze post vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De belangrijkste hiervan is een opdracht voor het ondersteuningsprogramma voor zeer zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

ZBO: College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) ontvangt middelen voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens en rekentoetsen in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het voortgezet onderwijs en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de invoering van de digitale examens. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname.

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. Ze ontvangen samen € 42,2 miljoen voor toets- en examenontwikkeling en normering alsmede leerplanontwikkeling.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Onder deze post vallen bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van PISA.

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science».

3.3 Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

A. Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in, via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 4.1 Kengetallen
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

35%

37%

38%

         

2

Studenttevredenheid2

               
 

Cijfer opleiding

 

7,0

 

7,1

       
 

Cijfer instelling

 

6,6

 

6,7

       
 

% tevreden over school en studie

     

62%3

       
X Noot
1

Bron: ROA

X Noot
2

Bron: JOB-monitor. Dit kengetal wordt twee jaarlijks gemeten

X Noot
3

Vanwege een andere vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren, en wordt deze niet getoond.

Tabel 4.2 Studenten mbo
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Aantal studenten mbo (excl vavo)1

485.900

484.000

476.900

467.200

457.100

447.400

 

Bol

370.700

371.200

365.400

358.700

351.500

344.100

 

Bbl

115.200

112.800

111.500

108.500

105.600

103.300

 

Vavo

9.400

9.400

9.400

9.400

9.400

9.200

Bron: OCW-Referentieraming 2018

2.

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x € 1.000)2

8,4

8,4

8,5

8,5

8,1

9,1

X Noot
1

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

X Noot
2

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming 2018.

Toelichting:

In 2022 dalen de onderwijsuitgaven per student naar € 8.100 en in 2023 stijgen de onderwijsuitgaven per student naar € 9.100. Dit komt doordat het resultaatafhankelijk budget voor 2022 van € 200 miljoen doorgeschoven is naar 2023. Dit is conform de afspraken in het Bestuursakkoord mbo 2018–2022. Uitbetaling van het resultaatafhankelijk budget kan pas plaatsvinden in 2023 na de eindbeoordeling van de Kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022 door de onafhankelijke adviescommissie kwaliteitsafspraken. Zonder deze kasschuif van € 200 miljoen zijn de gemiddelde onderwijsuitgaven per student in 2022 en 2023 € 8.600.

C. Beleidswijzigingen

Met de mbo-sector is het «Bestuursakkoord 2018–2022 Trots, vertrouwen en lef» afgesloten. Het Bestuursakkoord gaat over de gezamenlijke ambities voor het mbo en over de invulling van de nieuwe tranche Kwaliteitsafspraken. Mbo-instellingen zullen, samen met hun regionale partners, plannen en ambities vastleggen in Kwaliteitsagenda’s voor de komende vier jaar die moet leiden tot innovatie in het mbo. Daarbij is er aandacht voor drie landelijke speerpunten: onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van de toekomst, gelijke kansen in het onderwijs (waaronder goede doorlopende leerlijnen) en jongeren en (jong)volwassenen in een kwetsbare positie.

Kansengelijkheid is een speerpunt van het kabinet en daarom zijn er in 2019 concrete stappen voorzien. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Beleidsagenda.

Het huidige Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF) loopt af per 2018. Er komt een vervolg van het RIF voor de jaren 2019–2022, daarvoor is in totaal € 100 miljoen beschikbaar gesteld. Daarnaast wordt via het experiment Ruimte voor de regio mogelijk voor mbo-instellingen om een deel van het onderwijs in de regio te ontwikkelen en zo regionaal in te kleuren. Voor nadere toelichting op het nieuwe RIF en het experiment wordt verwezen naar de Beleidsagenda.

Per 1 januari 2019 is de budget neutrale afschaffing van de cascadebekostiging voorzien. Door het beëindigen van de cascadebekostiging wordt de afnemende bekostiging voor studenten die lang(er) in het mbo verblijven ongedaan gemaakt. Daardoor ontstaat er meer financiële ruimte voor instellingen om deze studenten gelijke kansen te bieden zodat ook zij met behulp van het stapelen van diploma’s of het wisselen van opleiding, een diploma kunnen halen met uitzicht op een plek op de arbeidsmarkt. Zo krijgen alle studenten in het mbo de kans zich in een passend tempo te ontwikkelen en te ontplooien.

Voor «een leven lang ontwikkelen» werken we met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan de wijze waarop de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen worden versterkt, waaronder een digitaal overzicht dat inzichtelijk maakt welke scholingsmogelijkheden een individu heeft.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 4.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.333.854

4.763.370

4.519.526

4.689.750

4.643.384

4.379.404

4.795.031

Waarvan garantieverplichtingen

– 20.656

79.921

         

Totale uitgaven

4.209.212

4.630.740

4.576.976

4.747.556

4.698.380

4.422.094

4.744.426

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Bekostiging

3.786.795

4.166.824

4.134.041

4.117.249

4.058.127

3.794.862

4.135.759

Hoofdbekostiging

3.298.072

3.607.541

3.585.802

3.559.858

3.506.325

3.448.140

3.386.890

 

Bekostiging mbo-instellingen1

3.229.509

3.535.701

3.514.492

3.488.498

3.434.942

3.376.857

3.315.607

 

Bekostiging Caribisch Nederland

6.109

7.938

7.408

7.458

7.481

7.381

7.381

 

Bekostiging vavo

62.454

63.902

63.902

63.902

63.902

63.902

63.902

Kwaliteitsafspraken

366.000

410.741

417.260

430.000

430.000

230.000

634.787

 

Investeringbudget

183.600

207.406

380.760

430.000

230.000

230.000

234.787

 

Resultaatafhankelijk budget

182.400

203.335

36.500

0

200.000

0

400.000

Aanvullende bekostiging

122.723

148.542

130.979

127.391

121.802

116.722

114.082

 

Regionaal Investeringsfonds

20.691

20.771

42.063

38.275

32.686

27.606

24.966

 

Salarismix Randstadregio’s

42.300

47.593

48.528

48.716

48.716

48.716

48.716

 

Regionaal Programma

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

 

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

10.000

9.988

9.988

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Gelijke kansen

4.332

24.790

0

0

0

0

0

 

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

15.000

15.000

0

0

0

0

0

                   

Subsidies

235.308

248.207

220.993

410.247

419.135

414.160

398.160

 

Subsidieregeling praktijkleren

196.500

201.524

185.048

202.500

196.500

191.500

175.500

 

Permanent Leren

0

0

7.250

186.650

196.800

196.800

196.800

 

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

14.072

22.795

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

 

Loopbaanorientatie

1.462

2.753

2.253

1.275

1.275

1.300

1.300

 

ROC Leiden

7.017

525

0

0

0

0

0

 

Overige subsidies

16.257

20.610

14.442

7.822

12.560

12.560

12.560

               

Opdrachten

15.567

4.245

4.363

4.099

4.097

4.162

2.311

 

In- en uitbesteding

6.214

4.245

4.363

4.099

4.097

4.162

2.311

 

Caribisch Nederland1

9.353

0

0

0

0

0

0

                   

Bijdrage aan agentschappen

24.328

23.549

21.690

22.195

21.688

21.688

21.688

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

22.128

21.049

19.190

19.695

19.188

19.188

19.188

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.200

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

51.901

57.528

64.295

63.637

63.174

63.178

63.178

 

College voor Toetsen en Examens

0

102

4.467

4.467

4.467

4.467

4.467

 

Wet SLOA

0

1.172

3.784

3.273

3.273

3.273

3.273

 

SBB

51.901

56.254

56.044

55.897

55.434

55.438

55.438

                   

Bijdrage aan medeoverheden

95.313

130.387

131.594

130.129

132.159

124.044

123.330

 

RMC’s

34.068

35.367

35.309

35.309

35.309

35.309

35.309

 

Educatie

58.985

60.356

60.356

60.356

60.356

60.356

60.356

 

Caribisch Nederland2

2.260

12.814

16.729

15.264

17.294

9.179

8.465

 

Regionaal Programma

0

21.850

19.200

19.200

19.200

19.200

19.200

Ontvangsten

2.786

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

X Noot
1

Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groen mbo-onderwijs.

X Noot
2

Dit is inclusief verbetermiddelen Caribisch Nederland. Zie overzicht rijksuitgaven Caribisch Nederland van het BES-fonds.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2019 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2019 95 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2019 75 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door het RVO wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door Cito en het College voor Toetsen en Examens.

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2019 99 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Per 1 januari 2019 worden de agrarische opleidingscentra (aoc’s) meegenomen in de verdeling van het landelijk budget voor de mbo-instellingen. De middelen die beschikbaar waren voor de bekostiging van het mbo aan de aoc’s op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) zijn met ingang van 2018 overgeheveld naar dit begrotingsartikel. Dit betekent dat AOC’s vanaf 1 januari op vergelijkbare wijze als ROC’s en vakinstellingen worden bekostigd. Hiermee wordt invulling gegeven aan het voornemen uit het Regeerakkoord tot gelijke bekostiging.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 t/m 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 t/m 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s van elke instelling. De mate waarop een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (bol of bbl), de opleiding (c.q. de prijsfactor van de opleiding). Per 1 januari 2019 wordt de cascadebekostiging afgeschaft.

Bekostiging Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt op alle drie de eilanden, Bonaire, St. Eustatius en Saba (Bes eilanden) middelbaar beroepsonderwijs (mbo) aangeboden. Op de twee Bovenwinds gelegen eilanden (St. Eustatius en Saba) wordt alleen een beperkt aantal entree-opleidingen en opleidingen op niveau 2 aangeboden. Op het Benedenwinds gelegen eiland Bonaire worden op alle mbo-niveaus opleidingen aangeboden. De beschikbare middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten die middelbaar beroepsonderwijs volgen.

Bekostiging Voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo)

Voor de verdeling van de beschikbare middelen (Stb 2014, 148) voor het vavo wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma’s. Op 12 april 2018 is het rapport met de evaluatie van de bekostiging vavo naar de Tweede Kamer gezonden. Deze evaluatie geeft geen aanleiding de bekostiging vavo aan te passen.

Kwaliteitsafspraken

Investeringsbudget

In 2019 starten nieuwe kwaliteitsafspraken tussen de Minister van OCW en de mbo-instellingen. De commissie Kwaliteitsafspraken MBO adviseert de Minister van OCW of de door de instellingen opgestelde kwaliteitsagenda’s voldoende ambitieus zijn en echt in samenwerking met de regio tot stand zijn gekomen. Instellingen waarvan de agenda voldoende wordt beoordeeld ontvangen in de periode 2019–2022 jaarlijks geld uit het investeringsbudget. Aan dit budget zijn vanaf 2019 structureel de middelen van schoolmaatschappelijk werk en gelijke kansen toegevoegd. Ook is een deel van het resultaatafhankelijk budget toegevoegd.

Resultaatafhankelijk budget

Dit resultaatafhankelijk budget wordt verdeeld op basis van de door de mbo-instellingen bereikte resultaten op het thema vsv. Het betreft hier een doorloop uit de kwaliteitsafspraken mbo 2015–2018.

Aanvullende bekostiging

Regionaal Investeringsfonds

Met het Regionaal investeringsfonds mbo, zijn sinds 2014 middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) in het beroepsonderwijs. Mbo-instellingen, bedrijfsleven en bijvoorbeeld regionale overheden kunnen samen een aanvraag indienen. Die aanvraag moet bijdragen aan een betere aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt. Bovendien moeten bedrijfsleven en, bij voorkeur, regionale overheden in de desbetreffende regio de subsidie aanvullen met een financiële bijdrage. Voor de periode 2019–2022 zal het fonds worden voortgezet zodat aangesloten wordt bij de actuele uitdagingen van het mbo.

Salarismix Randstadregio’s

In het Actieplan Leerkracht zijn afspraken vastgelegd over onze gezamenlijke ambities op het gebied van professionalisering en de versterking van de salarismix in de zogenaamde Randstadregio’s. In deze regio’s kennen scholen een grotere beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector, een grotere arbeidsmarktproblematiek en (een optelsom van) grootstedelijke problemen.

Regionaal Programma

De urgentie om schooluitval aan te pakken blijft onverminderd hoog. Daarom heeft de aanpak van vsv in 2016 een krachtig vervolg gekregen, met een doelstelling van maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers per jaar in 2021 (gemeten over schooljaar 2019/2020). In elk van de 39 RMC-regio’s (RMC staat voor Regionale Meld- en Coördinatiefunctie) voeren scholen en gemeenten samen hun huidig vierjarig regionaal programma uit met maatregelen voor de aanpak van vsv en voor jongeren in een kwetsbare positie. Met de wet Regionale samenwerking voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie die op 1 januari 2019 in werking treedt, wordt de aanpak structureel geborgd.

Voor de uitvoering van de maatregelen zijn de regionale programmagelden beschikbaar, in 2019 een bedrag van € 49,6 miljoen. Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,4 miljoen) en deels via de contactgemeente (€ 19,2 miljoen, zie instrument bijdrage aan medeoverheden). In elke regio moet minimaal één plusvoorziening zijn voor overbelaste jongeren.

Tegemoetkoming schoolkosten mbo

Via de tijdelijke regeling, Voorziening leermiddelen voor studenten uit minimagezinnen, worden aan mbo-instellingen sinds het schooljaar 2016/2017 middelen beschikbaar gesteld. Het doel van de regeling is te voorkomen dat minderjarige bol-studenten vanwege financiële redenen afzien van het volgen van een door hen gewenste beroepsopleiding. MBO-instellingen ontvangen deze middelen om studenten, die daarvoor in aanmerking komen de beschikking te kunnen geven over de benodigde leermiddelen. Deze regeling is verlengd tot en met het schooljaar 2019/2020. Voor deze regeling wordt jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar gesteld. In de verzamelbrief toezeggingen mbo is vermeld dat dit bedrag per studiejaar 2020–2021 beschikbaar zal worden gesteld aan mbo-instellingen voor de inrichting van een mbo-studentenfonds. Dit budget komt dan ook beschikbaar voor ondersteuning van groepen die vaak vertraging oplopen en daardoor financieel nadeel kunnen ondervinden, zoals zwangere studenten, studenten met overmachtssituaties en deelnemers van studentenraden. In het najaar van 2019 zal een wetsvoorstel worden ingediend, waarin het fonds wettelijk verankerd wordt. In de tussentijd blijft de tijdelijke regeling voorziening leermiddelen van kracht zodat schoolkosten in ieder geval geen belemmering zijn om aan een opleiding te beginnen.

Subsidies

Subsidie regeling praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren heeft tot doel werkgevers te stimuleren om praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen aan te bieden. Dankzij de regeling kunnen leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt en kunnen werkgevers beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidie is een tegemoetkoming voor de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding. De subsidieregeling praktijkleren wordt in 2019 met één jaar verlengd en daarnaast vindt er in 2019 een korting van € 19,5 miljoen plaats op de subsidieregeling praktijkleren ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming (zie ook de toelichting in de Beleidsagenda). De budgetten voor de verschillende onderwijscategorieën in deze subsidieregeling worden neerwaarts bijgesteld en het maximale subsidiebedrag per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats wordt verlaagd van € 2.700 naar € 2.500 in 2019.

Permanent leren

We werken met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het realiseren van een doorbraak op leven lang ontwikkelen. Het kabinet is voornemens om de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven vanaf 2020 om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling. In 2019 is € 7,25 miljoen beschikbaar om een begin te kunnen maken met het verbeteren van de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen. OCW zorgt daarbij voor flexibilisering van het mbo en het verkennen van een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden en (op termijn) financiële rechten.

Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid worden in 2019 middelen beschikbaar gesteld als bijdrage aan het actieplan «Tel mee met Taal» dat door de Ministeries van OCW, SZW en VWS wordt uitgevoerd en gefinancierd. Het actieplan is met één jaar verlengd en loopt nu tot en met eind 2019. Met dit actieplan worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. Ook worden taalhuizen en taalpunten opgericht en taalvrijwilligers getraind. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd. Daarnaast is om de aanpak van laaggeletterdheid te versterken, in het Regeerakkoord afgesproken om het structurele budget voor de aanpak van laaggeletterdheid met € 5 miljoen per jaar te verhogen. Komend jaar wordt het actieprogramma voor de lange termijn voorbereid met veel betrokkenen uit het veld. Daarbij wordt ook de WEB-bijdrage voor educatie aan gemeenten betrokken.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

De LOB middelen worden voornamelijk ingezet om studenten te ondersteunen en te begeleiden bij de ontwikkeling van loopbaancompetenties en het maken van bewuste studie en beroepskeuzes. Tevens wordt in het mbo het project «LOB en gelijke kansen» uitgevoerd om jongeren in een achterstandspositie beter te ondersteunen bij hun studieloopbaanontwikkeling. Hierbij ligt de focus op het doorbreken van negatieve beeldvorming en de ontwikkeling van loopbaancompetenties.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals het Techniekpact, het Netwerk Burgerschap en het Steunpunt taal & Rekenen.

Opdrachten

In-en uitbesteding

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een zbo dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Wet SLOA

Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan Stichting Cito, voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

SBB

De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert de SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende praktijkplaatsen en bevordert zij de kwaliteit van de praktijkplaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to- date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Bijdrage aan medeoverheden

RMC’s

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 39 RMC-regio’s. Daarvoor is in 2019 € 35,3 miljoen beschikbaar. Met de beoogde inwerkingtreding van de wet Regionale samenwerking voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie per 1 januari 2019 wordt de taak van de RMC-functie anders omschreven dan voorheen. RMC’s krijgen dan de taak om van jongeren tot 23 jaar die niet meer kwalificatieplichtig zijn en die geen startkwalificatie hebben, de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt te volgen. En vervolgens ervoor te zorgen, samen met andere betrokken partijen in de regio, dat deze jongeren worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van de RMC-taak vindt plaats middels een specifieke uitkering. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

Educatie

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). Sinds 2018 hebben gemeenten voor de besteding van dit budget «inkoopvrijheid». De verplichte besteding bij roc’s, die tussen 2015 en 2017 geleidelijk is afgebouwd, is per 2018 namelijk geheel vervallen. Zo kunnen gemeenten beter maatwerk bieden voor de diverse doelgroepen van de volwasseneneducatie.

Caribisch Nederland

Deze middelen worden ingezet voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curaçao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland.

Regionaal Programma

Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,4 miljoen, zie instrument bekostiging) en deels via de 39 RMC-contactgemeenten (€ 19,2 miljoen) in de vorm van een specifieke uitkering. De verdeling en uitbetaling van de middelen voor 2019 en 2020 wordt geregeld in een nog te publiceren ministerieel besluit.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 4.4 Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

212

225

222

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Overzicht specifieke uitkeringen

Tabel 4.5 Overzicht specifieke uitkeringen (Bedragen in miljoenen euro’s)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Ontvangende partij(en)

34,1

35,4

35,3

35,3

35,3

35,3

35,3

 

Gemeenten

             
 

Korte omschrijving uitkering

             
 

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 39 RMC-regio’s. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

             
 

Vindplaats regelgeving

             
 

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

             

2.

Ontvangende partij(en)

59,0

60,4

60,4

60,4

60,4

60,4

60,4

 

Gemeenten

             
 

Korte omschrijving uitkering

             
 

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente).

             
 

Vindplaats regelgeving

             
 

Wijzigingswet Wet participatiebudget, enz. (invoeren specifieke uitkering educatie en vervallen verplichte besteding educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra)

             

3.

Ontvangende partij(en)

0

21,9

19,2

19,2

19,2

19,2

19,2

 

Gemeenten

             
 

Korte omschrijving uitkering

             
 

De middelen voor de uitvoering van de maatregelen uit het Regionaal Programma worden deels aan de RMC-contactgemeenten verstrekt.

             
 

Vindplaats regelgeving

             
 

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

             

3.4 Art.nr. 6 en 7 Hoger onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren: De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accreditatiestelsel.

Kengetallen

Tabel 6.1 Kengetallen
   

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

1

Studenttevredenheid1

Hbo

75,4%

75,6%

75,8%

         

Wo

85,0%

85,2%

85,2%

         

2

% 25–64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)2

 

18,9%

18,8%

19,1%

         

3

Uitval 1e jaar3

Hbo

26,7%

26,9%

           

Wo

16,2%

15,7%

           

4

Bachelor rendement (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar3

Hbo

61,1%

62,2%

           

Wo

74,1%

73,2%

           
X Noot
1

Bron: Nationale Studenten Enquete

X Noot
2

Bron: Eurostat, Labour Force survey (LFS)

X Noot
3

Bron: DUO

Tabel 6.2 Studenten hbo en wo

1.

Ingeschreven studenten (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

     

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

   

hbo

voltijd

associate degree

5,4

5,6

5,9

6,2

6,4

6,6

6,5

 

hbo voltijd bachelor

396,5

392,0

386,9

382,1

375,6

367,9

359,0

 

hbo voltijd master

4,1

4,2

4,2

4,3

4,3

4,4

4,5

   

hbo

deeltijd

associate degree

3,2

3,3

3,4

3,6

3,8

4,0

4,1

 

hbo deeltijd bachelor

35,2

38,7

38,8

38,7

38,3

37,5

36,4

 

hbo deeltijd master

7,7

7,0

6,7

6,5

6,3

6,1

5,8

   

Totaal hbo

452,1

450,8

446,0

441,4

434,7

426,4

416,2

                   
 

wo voltijd bachelor

171,1

176,2

181,7

186,7

191,4

195,4

198,5

 

wo voltijd master

102,1

102,6

103,5

105,0

107,4

110,4

113,6

 

wo deeltijd bachelor

1,7

1,5

1,4

1,4

1,3

1,3

1,2

 

wo deeltijd master

3,2

3,0

2,8

2,7

2,6

2,5

2,3

   

Totaal wo

278,1

283,3

289,5

295,9

302,8

309,5

315,6

Bron: Referentieraming 2018

2.

Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

     

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Hbo-voltijd

Associate degree

1,0

1,0

1,1

1,1

1,1

1,2

1,2

 

hbo voltijd bachelor

62,5

61,4

59,1

57,9

57,6

57,7

57,7

 

hbo voltijd master

1,3

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

 

hbo deeltijd associate degree

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

 

hbo deeltijd bachelor

5,8

5,7

5,7

5,6

5,6

5,5

5,4

 

hbo deeltijd master

2,4

2,2

1,9

1,8

1,7

1,6

1,5

   

Totaal hbo

73,6

72,1

69,7

68,3

68,0

68,0

67,8

                   
 

wo voltijd bachelor

34,0

33,6

33,7

34,5

35,3

36,0

36,6

 

wo voltijd master

40,2

40,3

40,2

40,4

40,7

41,2

42,0

 

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,1

0,1

 

wo deeltijd master

1,8

1,7

1,6

1,5

1,5

1,5

1,4

   

Totaal wo

76,2

75,7

75,7

76,5

77,6

78,8

80,1

Bron: Referentieraming 2018

3.

Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)1

         

2019

2020

2021

2022

 
 

hbo

   

7,3

7,4

7,6

7,8

 
 

wo

   

7,3

7,4

7,6

7,7

 
X Noot
1

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2018 (overeenkomstig tabel 6.2, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging in de onderwijsuitgaven per student de komende jaren wordt verklaard door de oploop in de middelen studievoorschot.

4.

Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

       

2018/19

         
       

2.060

         

Toelichting:

Overige indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in de Staat van het hoger onderwijs 2018 en in OCW in cijfers.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van hoger onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda. Aanvullend hierop wordt hieronder nog op een specifieke beleidswijziging ingegaan.

Accreditatie op maat

Op 12 juni 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Accreditatie op maat. Met deze wet komt onder andere het gedifferentieerd oordeel te vervallen en wordt er een betere scheiding aangebracht tussen verantwoorden en verbeteren.

In de sectorakkoorden met hogescholen en universiteiten is afgesproken om te verkennen hoe een betere balans gegeven kan worden tussen kwaliteitsborging van opleidingen enerzijds en werkdruk hiervan anderzijds. Naar verwachting zal het resultaat van deze verkenning met de Tweede Kamer worden gedeeld voor de zomer van 2019. De optie van instellingsaccreditatie (met verplichte opleidingsvisitaties) zal in de verkenning ruimschoots aandacht krijgen, alsook de mogelijkheid voor onderwijsinstellingen om te kiezen tussen accreditatie op instellings- en opleidingsniveau.

Bekostigingssystematiek

Op basis van het Regeerakkoord wordt de bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs herzien. In 2019 wordt in zorgvuldig overleg met de Vereniging Hogescholen en de VSNU vervolg gegeven aan het onderzoek dat is uitgevoerd naar de werking van de bekostigingssystematiek en de varianten voor aanpassing die daarin zijn voorgesteld. Dit onderzoek zal voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (najaar 2018) naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

3.213.191

3.450.156

3.258.567

3.381.722

3.365.795

3.447.442

3.435.638

Waarvan garantieverplichtingen

53.463

20.164

Totale uitgaven

2.925.976

3.263.063

3.277.742

3.307.273

3.395.173

3.448.667

3.449.766

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,99%

       
               

Bekostiging1

2.868.197

3.185.937

3.199.939

3.225.072

3.314.543

3.367.985

3.369.084

Hoofdbekostiging

2.713.021

3.185.937

3.082.719

3.087.631

3.081.149

3.075.981

3.061.177

 

Onderwijsdeel hbo2

2.630.368

3.088.919

2.981.838

2.987.298

2.987.872

2.982.668

2.967.864

 

Deel ontwerp en ontwikkeling

72.439

80.191

81.751

83.303

83.347

83.383

83.383

 

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

10.171

16.827

19.130

17.030

9.930

9.930

9.930

 

Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo

43

           

Prestatiebox

155.176

0

117.220

137.441

233.394

292.004

307.907

 

Onderwijswaliteit en studiesucces, en profilering3

155.176

           
 

Studievoorschotmiddelen4

   

117.220

137.441

233.394

292.004

307.907

               

Subsidies

5.001

1.909

408

355

153

153

153

 

Regeling stimulering Bèta/techniek

3.143

           
 

Overig

1.858

1.909

408

355

153

153

153

                   

Bijdragen aan agentschappen

14.089

16.283

15.987

16.084

14.962

14.962

14.962

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

14.089

16.283

15.987

16.084

14.962

14.962

14.962

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

38.689

58.934

61.408

65.762

65.515

65.567

65.567

 

NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo

29.329

45.963

48.513

52.015

52.013

52.065

52.065

 

NWO: Promotiebeurs voor leraren

5.720

9.238

9.292

10.144

10.144

10.144

10.144

 

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

3.640

3.733

3.603

3.603

3.358

3.358

3.358

Ontvangsten

1.358

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

X Noot
1

Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groene onderwijs.

X Noot
2

Vanaf 2018 inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen) en de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. In 2018 ook eenmalig de 90% studievoorschotmiddelen, die aanvullend tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging zijn gebracht.

X Noot
3

In 2017 de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken.

X Noot
4

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.663.507

5.090.240

4.928.814

5.048.898

5.110.503

5.169.697

5.212.229

Waarvan garantieverplichtingen

– 22.983

– 17.983

         

Totale uitgaven

4.443.628

4.860.368

4.898.729

4.966.044

5.068.239

5.153.188

5.209.476

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,97%

       
                   

Bekostiging

4.416.577

4.829.597

4.868.771

4.936.234

5.038.654

5.123.808

5.180.096

Hoofdbekostiging1

4.300.299

4.829.597

4.797.809

4.852.040

4.895.686

4.945.359

4.951.737

 

Onderwijsdeel wo2

1.831.298

2.195.450

2.161.085

2.211.376

2.251.017

2.295.956

2.299.338

 

Onderzoeksdeel wo

1.800.009

1.963.904

1.964.932

1.967.165

1.969.580

1.973.825

1.973.826

 

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

668.992

670.243

671.792

673.499

675.089

675.578

678.573

Prestatiebox

116.278

0

70.962

84.194

142.968

178.449

228.359

 

Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering3

116.278

           
 

Studievoorschotmiddelen4

   

70.962

84.194

142.968

178.449

188.417

 

Profilering en zwaartepuntvorming5

           

39.942

                   

Subsidies

2.553

4.077

4.641

4.566

4.493

4.288

4.288

 

Open en online onderwijs

988

1.576

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

 

Overig

1.565

2.501

2.641

2.566

2.493

2.288

2.288

                   

Opdrachten

1.851

2.140

2.024

1.979

1.827

1.827

1.827

 

Uitbesteding

1.851

2.140

2.024

1.979

1.827

1.827

1.827

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

22.647

24.554

23.293

23.265

23.265

23.265

23.265

 

Organisaties conform tabel 6.5

22.647

24.554

23.293

23.265

23.265

23.265

23.265

Ontvangsten

1.364

16

16

16

16

16

16

X Noot
1

Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groene onderwijs.

X Noot
2

Vanaf 2018 inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen) en de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. In 2018 ook eenmalig de 90% studievoorschotmiddelen, die aanvullend tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging zijn gebracht.

X Noot
3

In 2017 de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken.

X Noot
4

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

X Noot
5

De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die conform de kwaliteitsafspraken tot en met 2022 zijn

overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

Budgetflexibiliteit artikel 6

Van het totale budget voor artikel 6 voor 2019 is 99,99 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp & ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen liggen afzonderlijke regelingen ten grondslag.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2019 is voor 63 procent juridisch verplicht. Dit betreft een verplichting ten behoeve van de publiek private samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.