﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34843-133/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>34 843</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Seksuele intimidatie en geweld</titel>
    </dossier>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>28 345</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Aanpak huiselijk geweld </titel>
    </dossier>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>31 015</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Kindermishandeling</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">133</ondernummer></stuknr>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTERS VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT EN VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID</titel>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
            <al>Den Haag, 3 juli 2026</al>
            <al>Iedereen moet overal veilig kunnen zijn, binnenshuis en buiten op straat. Kinderen hebben het recht om in een veilige omgeving op te groeien. Vrouwen zouden niet achterom moeten hoeven kijken wanneer zij ’s avonds over straat gaan en slachtoffers moeten toegang hebben tot de ondersteuning en zorg die nodig is. De gevolgen van (huiselijk) geweld zijn enorm, daarom zet het kabinet stevig in op de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.</al>
            <al>Onveilig zijn zorgt op de korte en lange termijn voor schade aan gezondheid, relaties die worden opgebouwd en het mee kunnen doen aan de samenleving. Ongezonde en schadelijke patronen binnen gezinnen of een relatie worden vaak van generatie op generatie doorgegeven. Daar mogen en daar willen we ons niet bij neerleggen. Het bestrijden van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling is een belangrijke prioriteit van dit kabinet. De inzet van het kabinet sluit op veel punten aan op de aanbevelingen zoals gedaan in de initiatiefnota van de leden Van der Werf (D66), Mutluer (PRO) en Bruyning (NSC) over het stoppen van geweld tegen vrouwen.<noot id="ID-1262146-d40e108" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36811-3" soort="document" status="actief">36 811, nr. 3</extref></noot.al></noot> Bij de meeste gevallen van geweld tegen vrouwen en femicide, is de dader (ex-)partner of familielid. Daarom bouwt de aanpak van geweld tegen vrouwen voor een belangrijk deel voort op de aanpak van huiselijk geweld. De Nationaal Coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld krijgt een belangrijke rol in het nog verder aanbrengen en uitwerken van samenhang in de aanpak en acties van de verschillende departementen en veldpartijen. De aanpak van seksueel geweld is onderdeel van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze inzet draagt eveneens bij aan een betere bescherming en ondersteuning van mannelijke slachtoffers. Op 26 mei jl. heeft uw Kamer een kabinetsreactie ontvangen op de initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld<noot id="ID-1262146-d40e121" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36841-3" soort="document" status="actief">36 841, nr. 3</extref></noot.al></noot>.</al>
            <al>Uw Kamer benadrukte tijdens het commissiedebat Maatschappelijk domein op 28 mei jl. het grote belang van een goede aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling en de urgentie om niet te blijven hangen in actieplannen en onderzoeken, maar om te komen tot voor slachtoffers merkbare verandering<noot id="ID-1262146-d40e133" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Tijdens het debat riep uw Kamer op om niet meer te spreken over «huiselijk geweld» maar over geweld achter de voordeur. Wij zijn het met uw Kamer eens dat er niets huiselijks is aan dit geweld. Wij kiezen er toch voor om de term huiselijk geweld te hanteren, omdat deze term aansluit bij wettelijke definities en omdat deze term het meest gebruikt is in het veld.</noot.al></noot>. Wij onderschrijven dit belang. Dit vraagt kabinetsbrede inzet. Wij sturen deze brief mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. In deze voortgangsbrief gaan wij in op de belangrijkste knelpunten in het stelsel, de speerpunten waar we op inzetten om te komen tot verbetering en hoe we dit gaan bereiken.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Knelpunten in het huidige stelsel</tussenkop>
            <al>Professionals zetten zich iedere dag met hart en ziel in om onveiligheid van volwassenen en kinderen te voorkomen, herkennen en aan te pakken. We zien helaas dat het stelsel van ondersteuning, zorg, bescherming, soms ook in combinatie met een strafrechtelijke aanpak in Nederland nog niet goed genoeg werkt. We zien de volgende drie oorzaken:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="ondlijn">Complexiteit van problematiek, onderliggende oorzaken en het ontbreken van een integrale benadering</nadruk>
                </al>
                <al>Onveiligheid hangt vaak samen met situaties van armoede, schulden, psychische problemen, stress, stereotype genderopvattingen en genderongelijkheid en verslaving en vraagt dus om een aanpak die zich (ook) daarop richt. Hierbij kan ook sprake zijn van samenloop met strafrechtelijke inzet. Duurzame oplossingen in gevallen van huiselijk geweld of kindermishandeling kunnen uitblijven wanneer de context, voorgeschiedenis en omgevingsfactoren onvoldoende worden meegenomen. De nadruk ligt te vaak op crisisbeheersing en oplossingen voor de korte termijn, zonder dat voldoende breed wordt geanalyseerd wat de precieze oorzaken zijn. Veiligheids- en risicotaxaties worden niet consequent toegepast, die juist van belang zijn om de alarmerende situaties waarbij directe actie nodig is sneller te kunnen onderscheiden.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="ondlijn">Samenwerking tussen organisaties en met het gezin</nadruk>
                </al>
                <al>Doordat taken en verantwoordelijkheden bij veel verschillende organisaties zijn belegd, moeten slachtoffers vaak verschillende keren hun verhaal vertellen. Daarnaast ontbreekt nog te vaak een eenduidige manier van het beoordelen en analyseren van een situatie en is er geen gelijkwaardige samenwerking met het gezin. Ook zijn er soms belemmeringen in de samenwerking tussen betrokken instanties. Het onvoldoende kunnen delen van gegevens horen wij vaak terug.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="ondlijn">Geboden hulp en ondersteuning</nadruk>
                </al>
                <al>Betrokken professionals leveren veel goed werk, maar hebben ook te maken met een hoge werkdruk, mede door personeelstekorten. Dat heeft invloed op de kwaliteit en beschikbaarheid van hulp en daardoor hebben professionals vaak minder tijd om relatiegericht te werken. Het leidt er ook toe dat passende hulp vaak te laat komt of dat de geboden hulp onvoldoende aansluit op de problematiek. Ook blijven vormen van informele hulp en ondersteuning soms onbenut. De vele wisselingen van hulpverleners verstoren de continuïteit van de ondersteuning voor slachtoffers en andere betrokkenen in het huishouden of relationele systeem. Ook verkeren gezinnen en huishoudens soms nog te lang in onveiligheid, onder meer door een gebrek aan (goede) afstemming tussen strafrechtelijke organisaties en organisaties uit het zorg- en jeugddomein, een gebrek aan kennis en het kunnen inzetten van passende interventies zowel voor slachtoffers als plegers.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Bovenstaande laat zien dat de problemen niet worden veroorzaakt door individuele professionals of organisaties, maar voortkomen uit hoe we op dit moment inzetten op het voorkomen van geweld en hoe we de ondersteuning en zorg voor en bescherming van slachtoffers van geweld hebben georganiseerd. We moeten daarom vooral werk maken van een gezamenlijke visie op veiligheid, betere samenwerking, sneller de meest passende hulp opstarten wanneer dit nodig is, meer continuïteit van hulp bieden en inzetten op sterkere rechtsbescherming. Daartoe hebben wij vier speerpunten geïdentificeerd om de bestaande knelpunten weg te kunnen nemen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">
              <nadruk type="ondlijn">Vier speerpunten om te komen tot verbetering</nadruk>
            </tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="vet">1. Voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes</tussenkop>
            <al>Het kabinet kiest voor een daadkrachtige aanpak van geweld tegen vrouwen en meisjes. Dit begint bij het voorkomen van geweld. Daarom zet het kabinet onder andere met het emancipatiebeleid in op het voorkomen van nieuwe slachtoffers. Hiervoor werken we aan het bevorderen van een gelijkwaardige positie voor vrouwen in de samenleving, bestrijden we schadelijke gendernormen en stereotyperingen en bevorderen we bewustwording over de gevolgen die deze kunnen hebben<noot id="ID-1262146-d40e171" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>In de Emancipatienota die de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie na de zomer met uw Kamer zal delen gaan we uitgebreider in op deze primaire preventiemaatregelen. Deze maatregelen worden ook meegenomen in het Nationaal actieplan dat de Nationaal Coördinator op zal opstellen</noot.al></noot>. Daarnaast werken we aan het bestendigen van preventieve maatregelen vanuit het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP). Ook wordt ingezet op nieuwe of het verbeteren van bestaande interventies om slachtoffers te beschermen en daders (strafrechtelijk) aan te pakken.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">2. Versterken werkwijze en deskundigheid van professionals</tussenkop>
            <al>Professionals moeten goed kunnen samenwerken en handelen vanuit een gezamenlijke visie op veiligheid, een gedeelde veiligheids- en risicotaxatie, analyse en aanpak. Praktijk-, ervarings- en wetenschappelijke kennis wordt gebruikt om kwaliteit van hulp te verbeteren en professionals beschikken over actuele kennis over geweldspatronen zoals dwingende controle en de rode vlaggen voorafgaand aan femicide. Dit is nodig om gezamenlijk en effectief te kunnen handelen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">3. Voorzieningen zijn toegankelijk, hulpaanbod wordt verbeterd en meer vergelijkbaar tussen regio’s</tussenkop>
            <al>Door de toenemende druk op onder meer Veilig Thuis, de Centra Seksueel Geweld en opvangvoorzieningen lopen wachttijden op. We zorgen dat kinderen, volwassenen en gezinnen sneller toegang krijgen tot passende hulp en ondersteuning. Daarnaast verbeteren we het hulpaanbod voor slachtoffers en plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling, zowel in het vrijwillig kader als in het gedwongen kader en zorgen we dat dit hulpaanbod tussen regio’s meer vergelijkbaar wordt. Ook verbinden we dit hulpaanbod beter aan preventieve maatregelen en informele ondersteuning.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">4. Betere samenwerking op lokaal, regionaal en landelijk niveau</tussenkop>
            <al>We zorgen dat instanties op lokaal niveau beter gaan samenwerken zodat kinderen en volwassenen tijdig passende hulp en ondersteuning dichtbij huis ontvangen. Dit vraagt om intensieve samenwerking tussen professionals uit verschillende organisaties vanuit zorg, (jeugd)bescherming en de strafrechtketen en om duidelijke regie, waarbij alle betrokken instanties gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor veiligheid en herstel. Dit geldt ook voor samenwerking op regionaal en landelijk niveau.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">
              <nadruk type="ondlijn">Concrete inzet</nadruk>
            </tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">a. Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming</tussenkop>
            <al>Met het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming werken wij (VWS en JenV) samen met de VNG, gemeenten, lokale teams en veiligheidspartners (Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen, Raad voor de Kinderbescherming) aan een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen in huishoudens en gezinnen waar veiligheids- en ontwikkelingsbedreigingsvraagtukken spelen. Deze werkwijze is de afgelopen vijf jaar ontwikkeld en beproefd, heeft nu al effect in de praktijk van de tien proeftuinen en gaat uit van een meer gelijkwaardige manier van samenwerken met het gezin in plaats van alleen het kind, met beter zicht op de samenhang met andere problematiek binnen het gezin en de onderliggende oorzaken. Voor gezinnen betekent dit concreet: één vast aanspreekpunt, niet telkens opnieuw het verhaal hoeven doen, sneller passende hulp of ondersteuning en betere samenwerking tussen professionals. Juist door die samenwerking, en minder «estafette» met steeds wisselende hulpverleners, voorkomen we dat problemen (verder) escaleren. Daarom investeren we verder in stevige lokale teams, in de toekomst aangevuld met brede expertise vanuit een Regionaal Veiligheidsteam.</al>
            <al-groep>
              <al>Momenteel stelt de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport samen met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en met alle betrokken partners een veranderstrategie op met als doel dat meer kinderen en volwassenen in een blijvend veilige (thuis)situatie leven. Deze veranderstrategie is een verdere uitwerking binnen het Toekomstscenario. Wat in de proeftuinen werkt, brengen we breder in de praktijk. De veranderstrategie maakt ten eerste duidelijk welke acties en maatregelen we de komende tijd nemen om nu al verbeteringen in de werkwijze door te voeren, die passen binnen de huidige wet- en regelgeving. Daarnaast wordt in de veranderstrategie beschreven hoe we de komende jaren de voorbereidingen treffen voor de fundamentele herziening van het stelsel. In deze nieuw manier van werken nemen we waardevolle, werkzame elementen van de werkwijze van Filomena mee bijvoorbeeld t.a.v. één aanspreekpunt, specifieke (toegevoegde) expertise en langdurige betrokkenheid. Evenals de werkzame elementen van de aanpak MDA++ gericht op ernstig en structureel huiselijk geweld. Begin juli 2026 wordt deze veranderstrategie besproken in een bestuurlijk overleg, waarna het in een brief aan uw Kamer zal worden toegezonden.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">b. Aanstelling Nationaal Coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld</tussenkop>
            <al>We zien dat organisaties te veel langs elkaar heen werken in het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarom is versterkte coördinatie nodig. Wij zijn dan ook verheugd te kunnen melden dat de Nationaal Coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld deze zomer wordt aangesteld.</al>
            <al>De Nationaal Coördinator krijgt de opdracht om versnippering in de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling tegen te gaan en samenhang te vergroten. De Nationaal Coördinator wordt gevraagd hierbij ook aandacht te hebben voor geweld tegen mannen. De kerntaken van de Nationaal Coördinator zijn het opstellen en aanjagen van een Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling, het aanbrengen van samenhang in de aanpak en acties van verschillende departementen en het dienen als aanspreekpunt voor signalen van gemeenten en uitvoeringsorganisaties. Versterking van coördinatie en samenhang moet leiden tot een merkbaar effectievere aanpak voor (potentiële) slachtoffers en plegers. De Nationaal Coördinator bouwt verder op de lessen en het werk vanuit het plan van aanpak Stop femicide! en het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. De Nationaal Coördinator neemt de lessen van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld mee, onder andere ten aanzien van de inzet op primaire preventie en zet deze zoveel als mogelijk door.</al>
            <al>De Nationaal Coördinator valt onder de verantwoordelijkheid van de coördinerend bewindspersoon op de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. De functie wordt hoogambtelijk ingevuld. De Nationaal Coördinator neemt geen verantwoordelijkheid over, de inhoudelijke beleidsverantwoordelijkheid blijft bij de desbetreffende departementen en bewindspersonen. Daarnaast behouden de bewindspersonen hun aanjagende en vertegenwoordigende rol.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">c. EU-Richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld</tussenkop>
            <al>De ministerraad heeft op 29 mei 2026 ingestemd met het toezenden van het wetsvoorstel ter implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (EU 2024/1385) aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor advies. Het wetsvoorstel introduceert twee nieuwe strafbaarstellingen, die betrekking hebben op cyberintimidatie en het dwingen van een vrouw of haar ertoe te bewegen om, kort gezegd, vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Daarnaast worden de wettelijke strafmaxima die gelden voor huwelijksdwang en het lokken van een persoon naar een ander land in verband met (huwelijks)dwang verhoogd, naar drie jaar gevangenisstraf. Ook wordt de Wmo 2015 aangepast om de ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld wettelijk te verankeren. Bij de beleidsmatige implementatie wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande werkwijze op het terrein van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en seksueel geweld. In lijn met de richtlijn is daarbij aandacht voor het bevorderen van deskundigheid van professionals en toegankelijkheid van voorzieningen voor slachtoffers. Daarnaast vraagt de richtlijn nadrukkelijk aandacht voor de aanpak van genderstereotypen en andere onderliggende oorzaken van geweld tegen vrouwen. De beleidsmatige implementatie omvat daarom ook versterking van primaire preventie via gemeenten en nationaal beleid. Het wetsvoorstel, inclusief de voorgestelde beleidsmatige implementatie van de richtlijn, bieden wij naar verwachting dit najaar aan uw Kamer aan.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">d. Versterken toegankelijkheid, uniformiteit en houdbaarheid van ondersteuning en voorzieningen</tussenkop>
            <al>Samen met gemeenten werken we aan een beter toegankelijk, meer uniforme en toekomstbestendige aanpak van huiselijk geweld met ook meer duidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling (tussen Rijk en gemeenten, maar ook gemeenten onderling). De noodzaak hiertoe bleek ook uit het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015<noot id="ID-1262146-d40e233" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/11/26/kamerbrief-over-eindrapportage-houdbaarheidsonderzoek-wmo-2015" soort="URL" status="actief">Kamerbrief over eindrapportage houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 | Rijksoverheid.nl</extref></noot.al></noot> dat eind vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd. Uit dat onderzoek werd duidelijk dat de schaarse hoeveelheid personeel meer gericht moet worden ingezet omdat de groep mensen die ondersteuning nodig heeft groeit en dat er verschillen zijn op het gebied van ondersteuning en voorzieningen tussen gemeenten die maatschappelijk niet geaccepteerd worden. Door een stijgend aantal meldingen en adviesvragen neemt de druk op de uitvoering van de aanpak van huiselijk geweld toe, tegelijkertijd is er ook in deze sector sprake van schaarste van personeel. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport verkent samen met de VNG hoe de aanbevelingen uit het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 ook voor dit domein de juiste opvolging kan krijgen. Dit gaat onder andere over meer zicht op de uitvoering van de aanpak, hoe verantwoordelijkheden verdeeld zijn en wenselijkheid van uniformere kaders ten aanzien van het uitvoeren van de aanpak. Dit gaat bijvoorbeeld over Veilig Thuis maar ook over de vrouwenopvang en ondersteuning en specifieke expertise die wordt geboden door en aan het lokale team. Dit traject richt zich op de toegankelijkheid en uniformiteit van voorzieningen door het hele land. In dit traject wordt ook specifiek de oproep uit de Kamer meegenomen om te zorgen dat de werkzame elementen van de werkwijze van Filomena landelijk worden toegepast. Ook wordt onderzoek gedaan naar knelpunten die, onder andere door Filomena, worden ervaren ten aanzien van gegevensdeling. Uw Kamer wordt middels de voortgangsbrief voor het einde van het jaar geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de hieruit volgende vervolgstappen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">e. Versterking Veilig Thuis</tussenkop>
            <al>Veilig Thuis is een spil in de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. Veilig Thuis geeft advies, denkt mee, neemt meldingen aan en onderzoekt waar nodig of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor de uitvoering van die taken is Veilig Thuis naast de eigen organisatie, ook afhankelijk van de samenwerking met de keten. Op dit moment kampt Veilig Thuis met een structureel hoge werkdruk, met een sterk stijgend aantal adviesvragen en meldingen, wachtlijsten bij Veilig Thuis zelf en ketenpartners en neemt ook de complexiteit van de meldingen toe. Dit alles maakt dat Veilig Thuis onder toenemende druk staat. En dat is zeer zorgelijk. Op de korte termijn werken we aan het terugdringen van de wachtlijsten, het versterken van de advies- en ondersteuningsfunctie van Veilig Thuis en het beter en efficiënter inrichten van de werkprocessen. Daarnaast werken we toe naar verbeteringen bij Veilig Thuis en in de keten via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. In de «werkagenda Veilig Thuis», waar in het debat «Maatschappelijk Domein» van 28 mei jl. aan werd gerefereerd, werken het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, JenV en VWS nauw samen aan een overzicht van initiatieven en verbeteracties. Hierin zorgen we dat de korte en lange termijn inzet goed op elkaar aansluiten en dat naast het Toekomstscenario ook andere ontwikkelingen en wettelijke aanpassingen, zoals uit de EU-richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld mee worden genomen. Deze werkagenda moet leiden tot meer samenhang van initiatieven waardoor meer gelijkgerichtheid binnen de aanpak van en stapsgewijs aan benodigde veranderingen wordt gewerkt.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Landelijke cijfers over adviesvragen en meldingen</tussenkop>
            <al>Landelijk zien we de afgelopen jaren een stijging in het aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. Dit beeld heeft zich doorgezet in 2025, zoals de in april gepubliceerde CBS-cijfers laten zien<noot id="ID-1262146-d40e254" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>CBS dashboard huiselijk geweld; kerncijfers Veilig Thuis <extref doc="https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/84847NED" soort="URL" status="actief">https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/84847NED</extref></noot.al></noot>. Hierbij zien we vooral een grote stijging in het aantal adviesvragen: in 2025 een stijging van 16% ten opzichte van dezelfde periode in 2024. Het aantal meldingen is in 2025 met ongeveer 5% gestegen ten opzichte van 2024. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere stijging van het aantal adviesvragen sluit aan bij de inzet vanuit het kabinet, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) en de VNG, om meer bekendheid en betere toegankelijkheid te creëren voor de advies- en ondersteuningsfunctie van Veilig Thuis: onder andere door campagnes, het ontwikkelen van het digitale platform en het verbeteren van de bereikbaarheid van Veilig Thuis. De snellere groei van het aantal adviezen ten opzichte van het aantal meldingen geeft het beeld dat Veilig Thuis vaker in een eerder stadium wordt betrokken; mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Wachtlijsten en verbetering werkprocessen</tussenkop>
            <al>Bij vrijwel alle 25 Veilig Thuis organisaties is er op dit moment sprake van wachtlijsten. Met wachtlijsten wordt bedoeld dat de termijn van 5 werkdagen voor het afronden van de veiligheidsbeoordeling en de termijn van 10 weken voor het doen van onderzoek niet worden gehaald. De verschillen tussen de 25 Veilig Thuis organisaties zijn groot en worden onder andere verklaard door regionale verschillen in hoe de keten is georganiseerd, verschillende wijzen van registratie en variaties in personeelstekorten. De IGJ houdt toezicht op het halen van de wettelijke termijnen. De laatste publicatie van de IGJ is van oktober 2024. Op dit moment loopt de huidige monitoringsronde, daar zal de IGJ naar verwachting na de zomer van 2026 over rapporteren.</al>
            <al>De consequenties van het niet halen van de wettelijke termijn kunnen verschillen. Het kan zijn dat zaken langer blijven liggen totdat er een medewerker beschikbaar is om het onderzoek uit te voeren, maar het kan ook zo zijn dat het onderzoek wel is afgerond, maar dat de geadviseerde vervolghulp niet direct beschikbaar is, waardoor de melding nog niet wordt afgesloten en overgedragen. Ook kan het zijn dat een casus zo complex is, dat het om verschillende redenen niet lukt binnen 10 weken het onderzoek af te ronden. In de laatste twee gevallen wordt er ondanks dat de termijnen niet worden gehaald, wel zicht gehouden op onveiligheid en kan er ook al inzet zijn gericht op het opheffen van onveiligheid.</al>
            <al>Iedere melding die niet tijdig wordt opgepakt is er een te veel, ongeacht de ernst of urgentie. Maar in momenten van schaarste wordt wel degelijk geprioriteerd en daarmee gegarandeerd dat acute meldingen direct worden opgepakt en een casus van ernstige onveiligheid niet op een wachtlijst komt. Bij iedere melding die Veilig Thuis ontvangt wordt direct een triage uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie. Als uit de triage komt dat er sprake is van directe ernstige onveiligheid wordt er altijd meteen gehandeld. Veilig Thuis-organisaties zetten verschillende maatregelen in om meldingen tijdig op te pakken, zicht te houden op veiligheid en achterstanden terug te dringen. Voorbeelden hiervan zijn:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Alle meldingen worden binnen 24 uur beoordeeld op urgentie op basis van de inhoud van de melding.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Veiligheidsbeoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, waarbij wordt gekeken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen direct prioriteit.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Veilig Thuis-organisaties treffen maatregelen om ook tijdens wachttijden zicht te houden op de veiligheid van betrokkenen.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Er wordt extra inzet georganiseerd om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken. Voorbeelden hiervan zijn gezamenlijke overwerksessies en de inzet van doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Veilig Thuis-organisaties investeren in verbetering van werkprocessen, digitalisering en samenwerking met ketenpartners.</al>
              </li>
            </lijst>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Digitale toegankelijkheid</tussenkop>
            <al>Om haar toegankelijkheid en bereikbaarheid verder te vergroten, heeft het Landelijk Netwerk Veilig Thuis vorig jaar een nieuw digitaal platform gelanceerd en wordt de chatfunctie stapsgewijs uitgebreid. Dit sluit aan bij groeiende behoefte om Veilig Thuis niet alleen telefonisch, maar ook op andere manieren laagdrempelig en 24/7 te kunnen bereiken. Het digitale platform stelt iedereen in staat om op hun eigen tijd en eigen tempo betrouwbare informatie te vinden, bijvoorbeeld over wat signalen van huiselijk geweld zijn, maar ook op hoe je een gesprek kunt beginnen wanneer je je zorgen maakt om iemand. Dat kan een belangrijke eerste stap zijn om eerder huiselijk geweld en kindermishandeling in beeld te krijgen en sneller verdere stappen te zetten. Door middel van een AI-chatbot worden mensen ondersteund om de juiste informatie te vinden. Indien gewenst, kan vanuit het platform direct worden doorgeschakeld naar de chatfunctie. Van hieruit kan het gesprek worden overgenomen door een medewerker voor nog meer gerichte vragen en advies.</al>
            <al>Buiten kantooruren is Veilig Thuis telefonisch bereikbaar voor spoedzaken die niet tot de volgende dag kunnen wachten. De chatfunctie was tot halverwege 2025 regionaal ingericht, wat leidde tot grote verschillen tussen de regio’s qua bereikbaarheid en capaciteit. Sinds oktober 2025 is er een landelijke <nadruk type="cur">terugval</nadruk> geregeld zodat, als een regio de chats niet meer op kan vangen, het landelijke team de chats kon overnemen. Dit heeft geleid tot een stijging in het aantal gevoerde chatgesprekken. In lijn met het amendement van het lid Coenradie<noot id="ID-1262146-d40e304" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Kamerstukken 2025/2026, <extref doc="kst-36800-XVI-32" soort="document" status="actief">36 800 XVI, nr. 32</extref></noot.al></noot> wordt nu structurele financiering vrijgemaakt voor de doorontwikkeling naar een landelijk dekkende, uniform ingeregelde en 24/7-beschikbare chatfunctie. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de realisatie van deze chatfunctie.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Terugkoppelingen van Veilig Thuis aan melders</tussenkop>
            <al>In het debat «Maatschappelijk Domein» van 28 mei jl. heeft uw Kamer aandacht gevraagd voor het belang van terugkoppeling door Veilig Thuis aan personen die een melding hebben gedaan<noot id="ID-1262146-d40e319" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Met deze toelichting wordt deze toezegging afgedaan.</noot.al></noot>. Het doen van een melding is voor veel professionals en betrokkenen vaak een grote, spannende stap, waarbij niet altijd direct zichtbaar is of een melding is opgepakt. Daarom is het belangrijk dat melders horen wat Veilig Thuis met de melding heeft gedaan.</al>
            <al-groep>
              <al>De terugkoppeling aan de melder vindt plaats zoals in het Handelingsprotocol is vastgelegd en verschilt afhankelijk van aan wie de terugkoppeling wordt gegeven. Professionals krijgen in principe die informatie die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zoals informatie over of en bij welke organisatie een vervolgtraject is ingezet). In situaties waar de melder beroepsmatig zelf een rol speelt in het vervolgtraject, worden de veiligheidsvoorwaarden en de monitoringsafspraken overgedragen. Scholen ontvangen altijd een terugkoppeling.</al>
              <al>Wanneer de melding niet door een professional, maar door omstanders of het informele netwerk is gedaan, is de terugkoppeling uit privacyoverwegingen beperkter en zal deze zich vooral richten op een bevestiging dat Veilig Thuis de melding heeft opgepakt of niet.</al>
            </al-groep>
            <al>In de praktijk laat de terugkoppeling soms langer op zich wachten dan de melder wenst: Veilig Thuis koppelt terug nadat haar betrokkenheid wordt afgesloten. Wanneer de zorgen in de tussentijd blijven bestaan of als er nieuwe zorgen over mogelijke onveiligheid zijn, kan de melder in de tussentijd altijd opnieuw contact met Veilig Thuis opnemen en om advies vragen of een nieuwe melding doen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Toezicht Veilig Thuis</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Veilig Thuis heeft haar wettelijke basis in de Wmo 2015. Gemeenten dragen vanuit dit decentrale wettelijke kader zorg voor de inrichting en bekostiging van de regionale Veilig Thuis organisatie. Dit is een zorgplicht, geen toezichtstaak. Ten aanzien van Veilig Thuis bepaalt de regionaal gekozen rechtsvorm daarbij de wijze van aansturing; gemeenten sturen bijvoorbeeld door middel van subsidievoorwaarden, statuten of via het bestuur van een Gemeenschappelijke Regeling. Gemeenten hebben geen wettelijke toezichtsbevoegdheid op de kwaliteit van de taakuitvoering van Veilig Thuis, dat is een Rijkstaak. Daartoe houdt de IGJ als Rijksinspectie bestuursrechtelijk toezicht op Veilig Thuis, conform de bepalingen in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Dit toezicht kan risico gestuurd of thematisch van aard zijn. Veilig Thuis heeft een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waar zij bij betrokken is, waarna de IGJ onafhankelijk beoordeelt of onderzoek nodig is. Op basis van het in 2025 herijkte Toetsingskader Veilig Thuis, houdt de IGJ kwaliteitstoezicht of Veilig Thuis voldoet aan de gestelde normen en verplichtingen ten aanzien van 1) veiligheid, 2) de mate waarin gezinnen of huishoudens centraal worden gesteld, 3) kundige professionals en 4) goed bestuur. Aanvullend gelden wettelijke eisen ten aanzien van het verplichte gebruik van VOG’s, de inzet van geregistreerde professionals via het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en bijbehorend tuchtrecht, de beschikbaarheid van een arts met het specialisme kindermishandeling en de verplichting voor Veilig Thuis om een onafhankelijk klachtenprotocol in te stellen.</al>
              <al>Vanuit het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 zijn we op dit moment met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en de IGJ kijken hoe er wettelijk meer waarborgen in kunnen worden gebouwd ten aanzien van kwaliteit en eenduidigheid van de Veilig Thuis organisaties en welke aanpassingen aan de Wmo2015 hiervoor nodig zijn.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">f. Verbeteren van landschap van meld-, steun- en hulppunten van seksueel geweld</tussenkop>
            <al>Sinds 2024 is samen met de VNG, Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Politie, openbaar ministerie, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling en slachtoffers gewerkt aan een nieuwe integrale manier van samenwerken om daarmee de hulp en ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld en misbruik te verbeteren.</al>
            <al>De kernelementen uit deze werkwijze zijn: 1) een goed afgestemd en georganiseerd eerste contact met slachtoffers van seksueel geweld door één van de organisaties, waardoor het slachtoffer zo min mogelijk opnieuw zijn/haar verhaal hoeft te vertellen, 2) een vroegtijdige – en indien nodig doorlopende – multidisciplinaire weging en triage (MDT) van casuïstiek om te bepalen welke inzet nodig is en het beste past bij de behoeften van het slachtoffer en zijn/haar (in)directe omgeving (gezin, familie, vrienden en soms pleger) en 3) het bepalen of het nodig is om een regiehouder aan te wijzen dan wel te bepalen wie van de betrokken organisaties de regie voert (d.w.z. afstemming en samenwerking tussen de betrokken partijen coördineren en zorgdragen voor een «warme overdracht» richting instanties) en vast aanspreekpunt is voor het slachtoffer. Deze werkwijze is in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant beproefd in de praktijk.</al>
            <al>Een uitvoeringstoets wordt gedaan om te bepalen of de werkwijze uitvoerbaar is voor professionals en met een resultaat- en effectmeting wordt onderzocht of de werkwijze de gewenste verbetering oplevert voor slachtoffers. Deze uitvoeringstoets wordt in de zomer afgerond. Op basis van deze resultaten wordt door de uitvoeringsorganisaties – in afstemming met de betrokken departementen – beslist over verdere opvolging en eventuele opschaling. Besluitvorming vindt deze zomer plaats. Uw Kamer wordt in de volgende voortgangsbrief schriftelijk geïnformeerd over het vervolg.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">g. Verbeteren contact voor slachtoffers van (ex-)partnerstalking</tussenkop>
            <al>In de voortgangsbrief van 18 december 2025<noot id="ID-1262146-d40e362" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026, <extref doc="kst-28345-293" soort="document" status="actief">28 345 en 31 015, nr. 293</extref>.</noot.al></noot> is toegezegd uw Kamer te informeren over de eerste resultaten van de verkenning rond het verbeteren van het contact dat organisaties hebben met slachtoffers van (ex-)partnerstalking, bezien vanuit de behoefte van slachtoffers. Deze verkenning is in 2025 met de betrokken organisaties<noot id="ID-1262146-d40e371" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Zoals de politie, het Openbaar Ministerie, Veilig Thuis, Reclassering, VNG en Slachtofferhulp Nederland, met medewerking van de advocatuur.</noot.al></noot> gedaan en heeft inzichten en uitgangspunten voor het vervolg opgeleverd. Het gaat met name om de toegevoegde waarde van een contactpersoon die een luisterend oor en praktische ondersteuning biedt voor alle slachtoffers van (ex-)partnerstalking, de wens voor een landelijk kader en aansturing waarbij regionale uitvoering, multidisciplinaire afstemming en samenwerking centraal staan. In mei jl. is samen met de organisaties gestart met de uitwerking van de inzichten en uitgangspunten met de ambitie om deze in de praktijk te gaan beproeven. Hierbij worden de lessen uit het hierboven beschreven traject voor slachtoffer van seksueel geweld en misbruik nadrukkelijk meegenomen. Belangrijk hierbij is dat moet worden voorkomen dat een extra schakel wordt toegevoegd voor slachtoffers. Zij moeten een beroep kunnen doen op duidelijke contactpersonen van verschillende betrokken organisaties. De resultaten worden in het voorjaar van 2027 verwacht. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">h. Deskundigheidsbevordering gendergerelateerd geweld</tussenkop>
            <al>Regioplan en Avans Hogeschool voerden een actieonderzoek uit naar het versterken van deskundigheid over gendergerelateerd geweld bij professionals werkzaam bij zorgorganisaties en organisaties in de strafrechtketen (zoals Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld, Vrouwenopvang, politie, openbaar ministerie, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen). Dit onderzoek is onder andere voortgekomen uit het plan van aanpak Stop femicide!. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage. Doel was om samen met partijen uit de zorg- en strafsector een plan van aanpak te ontwikkelen om deskundigheid structureel naar een hoger niveau te tillen, zodat professionals over de juiste kennis en vaardigheden beschikken om signalen van gendergerelateerd geweld te herkennen en hierop adequaat te handelen.</al>
            <al>Het actieonderzoek laat zien dat er steeds meer aandacht en urgentiebesef is op het thema, maar betere deskundigheidsbevordering om versterking vraagt van bestuurlijk commitment en draagvlak, intensievere samenwerking binnen en tussen organisaties, meer landelijke regie en coördinatie op het scholingsaanbod, het stellen van gezamenlijke kwaliteitsnormen en het ontwikkelen en verbeteren van het aanbod om aan te sluiten bij de noodzaak en behoeften uit de praktijk. Gezien het belang van integrale inzet op deskundigheidsbevordering om de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties te verbeteren, wordt samen met de Nationaal Coördinator gewerkt aan het laten landen van deze aanbevelingen in het Nationaal Actieplan.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">i. Onderzoek naar omvang, risico’s en factoren schadelijke praktijken</tussenkop>
            <al>Kennisinstituut Pharos heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een onderzoek uitgevoerd naar de omvang, risico’s en meespelende factoren bij vrouwelijke genitale verminking, huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld. Dit heeft geleid tot twee deelonderzoeken: een onderzoek naar de omvang en risico’s van vrouwelijke genitale verminking en een onderzoek naar de omvang en bepalende factoren voor vrouwelijke genitale verminking, huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld. In de bijlage van deze Kamerbrief is de beleidsreactie op deze onderzoeken opgenomen en worden de bevindingen en aanbevelingen van deze onderzoeken nader toegelicht. Met deze beleidsreactie is de toezegging van de toenmalige Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke zorg om de onderzoeksbevindingen inzake prevalentieonderzoek schadelijke praktijken met de Kamer te delen afgedaan<noot id="ID-1262146-d40e394" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Toezegging 12043</noot.al></noot>.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">j. Verbetering tijdelijk huisverbod en verkenning aanvullende beschermingsbevelen</tussenkop>
            <al>Het tijdelijk huisverbod is een bestuursrechtelijke maatregel voor de aanpak van plegers en bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. In de afgelopen jaren is gebleken dat de inzet van het tijdelijk huisverbod verschillende knelpunten kent, zie o.a. het adviesrapport «Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw perspectief»<noot id="ID-1262146-d40e408" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>M. Kleinjan – Van Zwet, «Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw perspectief, Analyse van de knelpunten en concrete voorstellen voor een verbeterde werkwijze van de Wet tijdelijk huisverbod» (2024), <nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2023–2024, <extref doc="kst-28345-278" soort="document" status="actief">28 345, nr. 278</extref>.</noot.al></noot><sup>,</sup> <noot id="ID-1262146-d40e420" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2023–2024, <extref doc="kst-28345-278" soort="document" status="actief">28 345, nr. 278</extref>.</noot.al></noot>. Momenteel wordt in pilots in Den Haag, Groningen, Rotterdam en Utrecht tot en met eind 2026 beproefd hoe het tijdelijk huisverbod binnen het huidige wettelijke kader beter kan worden ingezet. Uitgangspunt voor de verbeterde uitvoering is de «Leidraad Tijdelijk huisverbod – Een nieuw perspectief».<noot id="ID-1262146-d40e431" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2025–2026, <extref doc="kst-28345-293" soort="document" status="actief">28 345, nr. 293</extref>.</noot.al></noot> In de eerste maanden van dit jaar is de opzet van deze pilots samen met de lokale partijen nader uitgewerkt en op dit moment worden de verschillende verbeteringen in de praktijk gebracht, voor zover juridisch mogelijk. De Minister van Justitie en Veiligheid verwacht de uitkomsten van de pilots in het eerste kwartaal van 2027 met uw Kamer te kunnen delen. Op basis van de bevindingen van eerder onderzoek en van deze pilots zal in 2027 wijziging van wet- en regelgeving worden voorbereid. Tijdens bovengenoemd traject is duidelijk geworden dat het tijdelijk huisverbod niet altijd een geschikt instrument is. Ook uw Kamer heeft dit kenbaar gemaakt middels de motie van het lid Mutluer c.s. over het verlengen van het tijdelijk huisverbod met maximaal één jaar.<noot id="ID-1262146-d40e442" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2025–2026, <extref doc="kst-36800-VI-87" soort="document" status="actief">36 800 VI, nr. 87</extref>.</noot.al></noot> In voorliggende gevallen kan de behoefte bestaan om, buiten het strafrechtelijk kader, aanvullende gedwongen maatregelen op te leggen om huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen. Daarnaast is in opdracht van het WODC het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking» verschenen en naar uw Kamer gestuurd.<noot id="ID-1262146-d40e453" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2024–2025, <extref doc="kst-28345-285" soort="document" status="actief">28 345, nr. 285</extref>.</noot.al></noot> Zoals vermeld in de beleidsreactie op dit onderzoek<noot id="ID-1262146-d40e464" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2025–2026, <extref doc="kst-28345-293" soort="document" status="actief">28 345, nr. 293</extref>.</noot.al></noot> verkent de Minister van Justitie en Veiligheid momenteel met gemeenten en betrokken uitvoeringsorganisaties welke aanvullende (preventieve) beschermingsbevelen kunnen worden gecreëerd die in bestuursrechtelijk en civielrechtelijk kader worden opgelegd. Uw Kamer wordt in het eerste kwartaal van 2027 geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning, samen met de bevindingen van bovengenoemde pilots. De inzichten zullen worden meegenomen in de bovengenoemde voorbereiding van wijziging van wet- en regelgeving.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">k. Landelijke inzet van het Slachtofferdevice</tussenkop>
            <al>Tijdens de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid op 28 januari is toegezegd uw Kamer te informeren over de gemeenten waar het Slachtofferdevice is uitgerold en waar die uitrol in gang is gezet of gepland. Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld, zet het kabinet zich er sinds januari 2026 voor in om gefaseerd toe te werken naar landelijke inzet van het Slachtofferdevice. De verwachting is dat dit medio 2027 is bereikt. Het overzicht van de huidige stand van zaken en de planning is:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>De inzet van het Slachtofferdevice in de vier voormalige pilotregio’s Rotterdam-Rijnmond, Haaglanden, Hart van Brabant en Noord-Nederland wordt sinds januari 2026 gecontinueerd.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Vanaf de zomer van 2026 wordt het in vier nieuwe regio’s ingezet: regio Hollands Midden en daarmee het gehele arrondissement Den Haag, in het arrondissement Amsterdam, in de regio Zuid-Holland Zuid aan en daarmee het gehele arrondissement Rotterdam, in de regio Zeeland West-Brabant kan naar verwachting in of vlak na de zomer worden gestart.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Vanaf juni 2026 zijn de voorbereidingen in drie nieuwe regio’s: Noord-Holland, Midden-Nederland en Oost-Nederland, gestart. Naar verwachting kan het device aan het einde van 2026 ook hier worden ingezet.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>In januari 2027 starten naar verwachting de voorbereidingen in de laatste twee arrondissementen Limburg en Oost-Brabant.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Tijdens het Commissiedebat Maatschappelijk Domein van 28 mei jl. heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport toegezegd uw Kamer te informeren over de mogelijkheid om het Slachtofferdevice ook preventief in te zetten, voordat de reclassering in beeld is. Dit is niet mogelijk omdat het Slachtofferdevice pas kan worden ingezet als de rechter in het kader van een schorsing of als straf elektronische monitoring (een enkelband) oplegt aan de pleger in combinatie met het Slachtofferdevice. Als er (nog) geen sprake is van een enkelband bij een verdachte of veroordeelde pleger dan is een ander hulpmiddel wel inzetbaar, namelijk de AWARE-noodknop. Hiermee kan het slachtoffer de politie direct alarmeren in een dreigende situatie. Naast het alarmsysteem wordt hierbij ook hulpverlening ingezet. In de praktijk kan dit betekenen dat het slachtoffer eerst AWARE heeft en daarna een Slachtofferdevice krijgt. De begeleiding van het slachtoffer blijft, los van welk instrument wordt ingezet, hetzelfde. Na afloop van de inzet van het Slachtofferdevice wordt idealiter aan het slachtoffer aangeboden om voor een bepaalde periode AWARE in te zetten zodat zij langzaam kan toewerken naar een situatie zonder technische hulpmiddelen. Dit kan van grote meerwaarde zijn in situaties waar de periode van elektronische monitoring is verlopen, maar het dreigingsrisico nog steeds aanwezig is.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">l. Verbetering van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld</tussenkop>
            <al>Het wetsvoorstel ter verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld is op 29 juni jl. in (internet)consultatie gebracht. Consultatie is de eerste en een belangrijke mijlpaal in een wetstraject. Na verwerking van de ontvangen adviezen volgen de gebruikelijke stappen in een wetstraject: aanhangig maken van het wetsvoorstel bij de Raad van State en daarna indiening bij de Tweede Kamer.</al>
            <al>Om de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld te versterken is in opdracht van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verkend hoe de dossiervorming van de samenwerkende organisaties kan worden verbeterd<noot id="ID-1262146-d40e503" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Zie het rapport van E. Plomp, «Dwingende controle; Onder de oppervlakte, Onzichtbaar geweld zichtbaar maken, <nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2025–2026, <extref doc="kst-28345-293" soort="document" status="actief">28 345, nr. 293</extref>.</noot.al></noot>. Om vervolging te kunnen instellen bij vermoedens van psychisch geweld, waaronder dwingende controle, is het immers belangrijk om inzicht te verkrijgen in het geweldspatroon. Ook voor andere vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling is het van belang dat het geweldspatroon goed in beeld komt. Om de duur en ernst van het geweld scherp in het strafdossier te beschrijven is goede informatie nodig, onder meer van Veilig Thuis-organisaties (die over een langere periode meldingen over de geweldssituatie kunnen verzamelen), de politie (die de relatie kan leggen tussen meldingen, aangiften en mutaties), de reclassering (die met expertise over de verdachte of dader het openbaar ministerie kan adviseren) en de Raad voor de Kinderbescherming (die, indien betrokken, relevante informatie kan hebben uit beschermings-, straf- en/of gezags- en omgangsonderzoeken). In het samenwerkingsverband tussen onder meer deze organisaties («Veiligheid Voorop») zal verder worden gewerkt aan het versterken van deze gezamenlijke dossiervorming. Ook de verbetering van de informatievoorziening tussen o.a. Veilig Thuis, politie en justitieorganisaties in het traject «Samen onder handbereik» wordt hiervoor benut. Dit traject richt zich op de verbetering en vereenvoudiging van de informatievoorziening en informatie-uitwisseling tussen de samenwerkende organisaties, waaronder de politie, Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Deze dossiervorming gaat noodzakelijkerwijs gepaard met versteviging van het gezamenlijke veiligheidsplan voor slachtoffers. Specifiek bij dwingende controle is de kans op geweldsescalatie immers groot als er melding of aangifte wordt gedaan. Het is juist dan van belang dat de samenwerkende organisaties paraat staan met een degelijk plan van aanpak om de veiligheid van de betrokkenen te garanderen.</al>
            <al>Verder leggen de Open Universiteit en Avans Hogeschool momenteel de laatste hand aan de doorontwikkeling van het online naslagwerk («digizine») over psychisch geweld. De bestaande informatie in het digizine is geactualiseerd en samen met de organisaties van de doelgroep (professionals in het zorg- en veiligheidsdomein) wordt verkend hoe deze informatie optimaal kan worden benut in de interne opleidingen en nascholingsmodules van deze organisaties. Tevens werkt het openbaar ministerie met deskundigen aan een wetenschappelijk standaardwerk waarin de aannemelijkheid van het causale verband tussen psychisch geweld en psychologisch trauma en/of psychologische stoornissen wordt beschreven.</al>
            <al>Naast deze deskundigheidsbevordering voor professionals wordt gewerkt aan maatschappelijke bewustwording over het gevaar van dwingende controle. Ook dit jaar wordt in opdracht van de Minister van Justitie en veiligheid de publiekscampagne «Waar ben je?» georganiseerd, in nauwe samenwerking met onder meer Veilig Thuis en de politie. Deze campagne start eind augustus. De campagne krijgt een breder bereik dan vorig jaar: op televisie en radio, online en in de bioscopen. Daarnaast wordt een toolkit met alle campagnematerialen, waaronder posters en brochures, gedeeld met onder meer Veilig Thuis, de politie en justitieorganisaties, gemeenten (via de VNG) en GGD’en.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">m. Onderzoek suïcides en huiselijk geweld</tussenkop>
            <al>De Minister van Justitie en Veiligheid zal de Universiteit Leiden een subsidie verstrekken, met cofinanciering van enkele gemeenten, voor een driejarig vervolgonderzoek naar mogelijk huiselijk geweld en kindermishandeling voorafgaand aan suïcides onder vrouwen. Uit een eerste pilotstudie van Universiteit Leiden in samenwerking met de Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt namelijk dat een significant deel van de vrouwen die waren overleden aan (veronderstelde) suïcide, daaraan voorafgaand waren blootgesteld aan geweld. Deze eerste resultaten vormen voor de Universiteit Leiden aanleiding om dit onderzoek uit te diepen en op te schalen. Het doel is dat een accuraat beeld ontstaat van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides en dat op grond daarvan een basis wordt gelegd voor landelijke richtlijnen om hulpverleners, politie, forensisch artsen en forensisch pathologen signalen te laten herkennen. Hiermee kunnen vermoedens van suïcide in de toekomst mogelijk beter worden weerlegd (en vermoedens van fataal huiselijk geweld of fatale kindermishandeling worden onderbouwd), kan strafrechtelijk onderzoek worden uitgevoerd en indien opportuun vervolging worden ingesteld en kan mogelijk toekomstig slachtofferschap van andere vrouwen worden voorkomen. Met dit vervolgonderzoek zal worden voortgebouwd op de data van de Femicide Monitor, die eveneens door de Universiteit Leiden is ontwikkeld.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">n. Stand van zaken pilots forensisch-medisch onderzoek bij vermoedens van niet-fatale verwurging</tussenkop>
            <al>Momenteel worden er twee pilots uitgevoerd ter verbetering van de inzet van forensisch-medisch onderzoek bij vermoedens van niet-fatale verwurging. FARR (Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond) werkt in samenwerking met GGD Amsterdam met betrokken organisaties zoals Veilig Thuis, politie, huisartsenposten, ziekenhuizen en het openbaar ministerie in drie politieregio’s aan de verbetering van de vroegtijdige samenwerking tussen deze partijen zodat forensisch-medische expertise snel wordt ingeschakeld. Het is immers belangrijk dat sporen van verwurging snel worden vastgelegd, onderzocht en geduid om eventueel strafrechtelijk te kunnen ingrijpen, en om erger te voorkomen. In de eerste drie maanden van 2026 hebben FARR en GGD Amsterdam ruim 225 personen onderzocht, waarbij personen werden onderzocht op aanwezigheid van letsel met behulp van forensisch licht en op indicatie met MRI-scans. Van deze personen was 95% volwassen en 5% minderjarig. 90% van de onderzochte personen was een vrouw, 10% een man. In 78% van de gevallen was er vermoedelijk sprake van partnergeweld, en in 46% van de gevallen waren er ook kinderen aanwezig of betrokken in het gezin. Bij 75% van de aanvragen vond het onderzoek binnen 24 uur plaats; 92% van de te onderzoeken personen kwam opdagen bij het onderzoek. De pilot van FARR loopt nog door tot eind 2026. Op basis van de inzichten wordt een samenwerkingsprotocol opgeleverd. Op landelijk niveau zullen wij vervolgens met de betrokken organisaties bespreken hoe deze bevindingen toegepast kunnen worden in alle tien politieregio’s in Nederland, in samenhang met het bestaande handelingskader voor inzet van forensisch-medische expertise bij vermoedens van kindermishandeling.</al>
            <al>Daarnaast voert het LOEF (Landelijk Onderzoeks- en Expertiseburo Forensisch-Medisch Onderzoek) in samenwerking met het openbaar ministerie, de politie en het Maastricht Forensic Institute (TMFI) in drie politieregio’s een pilot uit. In deze pilot worden endoscopie en mri ingezet voor forensisch-medisch onderzoek bij vermoedens van niet-fatale verwurging. Hiermee kan eventueel inwendig letsel worden herkend. Dit is relevant omdat letsel van niet-fatale verwurging niet altijd aan de buitenkant zichtbaar is. Deze methode wordt tot september 2029 wetenschappelijk onderzocht. Dit wetenschappelijk onderzoek ziet op de impact van het gestructureerd inzetten van deze technieken binnen het forensisch medisch onderzoek, de effecten hiervan binnen de strafrechtpraktijk en de gevolgen van niet-fatale verwurging voor het ongeboren kind inclusief de consequenties daarvan binnen het strafrecht. Na deze wetenschappelijke onderbouwing kan worden verkend of ook andere aanbieders van forensisch-medisch onderzoek deze methode kunnen gaan inzetten. Het LOEF heeft deze onderzoeksmethode in het eerste kwartaal van 2026 bij bijna 100 personen uitgevoerd. Er zijn meer zaken van niet-fatale verwurging dan aanvankelijk was ingeschat waardoor het budget voor drie regio’s in 2026 nu ontoereikend is. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie hebben voor 2026 extra middelen vrij kunnen maken om deze forensisch-medische onderzoeken in 2026 toch in deze drie politieregio’s te kunnen uitvoeren. De mogelijkheid tot financiering van deze onderzoeksmethode van de extra benodigde middelen voor de drie politieregio’s na 2026 en de aansluiting van andere regio’s worden momenteel verkend.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">o. Beter meenemen van huiselijk geweld in het familie- jeugd- en strafrecht</tussenkop>
            <al>Eind 2025 is een verbetertraject gestart met als doel te waarborgen dat wanneer sprake is van (onderbouwde vermoedens van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. In het Coalitieakkoord worden combizittingen in het straf- en familierecht benoemd als een middel om strafzaken en civiele zaken (familie- en jeugdrecht) te combineren. Gesprekken met de Rechtspraak leren dat een ruime toepassing van dit type zittingen niet voor de hand ligt. Het strafrecht en het civiele recht kennen andere wettelijke kaders en termijnen, waardoor zaken vaak niet synchroon lopen en niet gelijktijdig behandeld kunnen worden. Wel wordt gekeken naar andere vormen van informatie-uitwisseling. Het kabinet werkt samen met betrokken organisaties<noot id="ID-1262146-d40e545" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Met onder meer de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en ook expertise van de advocatuur.</noot.al></noot> en andere experts zoals ervaringsdeskundigen en wetenschappers het onderliggende doel verder uit om huiselijk geweld en kindermishandeling goed mee te nemen in zowel het familie-, jeugd- als strafrecht. Dit doen we onder meer door in te zetten op deskundigheidsbevordering en informatie-uitwisseling. Conform de toezegging aan uw Kamer<noot id="ID-1262146-d40e554" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2025–2026, <extref doc="kst-36658-19" soort="document" status="actief">36 658, nr. 19</extref>.</noot.al></noot> wordt de voortgang van het traject in de bijlage bij deze brief toegelicht.</al>
            <al>In de bijlage vindt u naast de voortgang op het verbetertraject «Recht doen aan veiligheid», ook een reactie op het aanpakplan «Kinderen van femicideslachtoffers en -overlevers» uit november 2025, de beleidsreactie op de onderzoeken van Kennisinstituut Pharos over de omvang, risico’s en meespelende factoren bij vrouwelijke genitale verminking, huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld<noot id="ID-1262146-d40e571" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Met deze beleidsreactie is de toezegging van mijn ambtsvoorganger om de onderzoeksbevindingen inzake prevalentieonderzoek schadelijke praktijken met de Kamer te delen afgedaan.</noot.al></noot> en een beleidsreactie op het rapport van de Kinderombudsman «Niemand hielp mij».</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Tot slot</tussenkop>
            <al>Zoals in deze brief uiteengezet is de inzet om te komen tot verbetering van het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling omvangrijk. Het kabinet werkt samen met gemeenten en betrokken organisaties aan concrete praktijkverbetering en tegelijkertijd aan verbetering van het stelsel en wetgeving. Dit vraagt een lange adem én scherpe keuzes in waar we met vereende krachten aan blijven werken. Dat verdienen de kinderen, volwassenen, huishoudens en gezinnen die op onze zorg, bescherming en ondersteuning rekenen.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,</functie>
            <naam>
              <voornaam>W.R.C.</voornaam>
              <achternaam>Sterk</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Justitie en Veiligheid,</functie>
            <naam>
              <voornaam>D.M. van</voornaam>
              <achternaam>Weel</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>