Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201934761 nr. D

34 761 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet griffierechten burgerlijke zaken in verband met het mogelijk maken van Engelstalige rechtspraak bij de internationale handelskamers van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam

D NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 18 oktober 2018

Ik dank de leden van de VVD-fractie voor het nader voorlopig verslag waarin zij enkele vragen stellen over het wetsvoorstel. De leden van de fracties van de PvdA en de ChristenUnie sluiten hierbij aan.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie geven aan zich voor te kunnen stellen dat het introduceren van een internationale handelskamer bij de rechtbank en het hof Amsterdam die in het Engels uitspraak kan doen, voldoet aan een behoefte van internationaal ondernemende bedrijven. Zij stellen een aantal vragen over de hoogte van het griffierecht en de mogelijke belemmering die dat zou kunnen opleveren voor kleine(re) bedrijven om van de NCC(A) gebruik te maken. Daarnaast vrezen zij dat met de verhoogde griffierechten een precedent voor het introduceren van kostendekkende griffierechten wordt gecreëerd.

Allereerst ben ik blij dat de leden van de VVD-fractie de behoefte van internationaal opererende bedrijven aan Engelstalige geschilbeslechting door de Nederlandse overheidsrechter onderschrijven. In een aantal ons omringende landen bestaan dergelijke commercial courts al of wordt er gewerkt aan het mogelijk maken ervan. Ik meen dat de NCC(A) voor internationaal ondernemende bedrijven een nuttige en welkome aanvulling is op de bestaande mogelijkheden van geschilbeslechting door de Nederlandse rechter. De komst van de NCC(A) is een uitdrukkelijke wens van de Raad voor de rechtspraak. Ik vind het belangrijk de rechtspraak de mogelijkheid en ook de ruimte te bieden om innovatief te zijn. Hierbij komt dat ik het van belang acht dat in een internationaal georiënteerde handelseconomie als de onze ook de Nederlandse juridische infrastructuur voldoende is toegerust om eenvoudige én complexe handelsgeschillen op een voor de betrokken partijen bevredigende manier af te wikkelen.

Internationaal opererende bedrijven zijn er in alle soorten en maten. Naast grote multinationale ondernemingen zijn er ook middelgrote en kleine Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen. Niet iedere internationaal opererende onderneming heeft voor ieder geschil behoefte aan een volledige Engelstalige geschilbeslechting. Iedere onderneming, klein dan wel groot, zal in overleg met zijn wederpartij steeds moeten afwegen wat – gegeven de omstandigheden van het geval – de beste keuze is. Bij het maken van die keuze spelen verschillende aspecten een rol, zoals de plaats waar de procedure gevoerd wordt, de taal van de procedure, het toepasselijke recht, de eventuele reis- en verblijfskosten, de advocatenkosten, de vertaalkosten en de kosten van het salaris van arbiters, dan wel de griffierechten. Het is aan ondernemingen om te bezien of zij, als zij internationaal handeldrijven, onderling afspraken willen en kunnen maken over de wijze van beslechting van eventuele geschillen die tussen hen ontstaan.

Lang niet ieder internationaal geschil vergt de voorziening van volledige Engelstalige geschilbeslechting zoals die wordt geboden door de NCC(A). Als het geschil ziet op een relatief eenvoudig contract waarbij een niet-betwiste vordering onbetaald blijft of als het gaat om een relatief gering financieel belang, dan zijn er ook andere mogelijkheden. Op basis van het EU-recht zijn er bijvoorbeeld instrumenten waarmee bedrijven die internationaal ondernemen relatief goedkoop en met behulp van meertalige formulieren actie kunnen ondernemen tegen een bedrijf uit een andere lidstaat, zoals de Europese verordening voor geringe vorderingen (voor vorderingen tot € 5.000)1 of het Europees betalingsbevel (voor onbetwiste vorderingen)2. Voorts is het in voorkomende gevallen bij de Nederlandse rechter mogelijk om Engelstalige producties in te dienen en zal het een partij bij een mondelinge behandeling veelal worden toegestaan om op haar verzoek in het Engels het woord te voeren. Partijen ontvangen thans wel altijd een in het Nederlands gesteld vonnis. De kosten van vertaling hiervan zijn bij relatief eenvoudige geschillen echter te overzien.

Dit ligt echter anders als het om complexe overeenkomsten gaat. Als er een geschil ontstaat bij een complexe transactie met grote financiële belangen, kan het geschil gaan over meerdere overeenkomsten van vele honderden pagina’s. Denk aan de financiering van een elektriciteitscentrale waarbij er sprake is van een joint venture overeenkomst, leningsdocumentatie, bouwovereenkomsten, exploitatieovereenkomsten, garantieovereenkomsten en de vestiging van zekerheden. In dat geval zullen de betrokken partijen vrijwel altijd ervoor kiezen om op voorhand afspraken te maken over Engelstalige geschilbeslechting. Op dit moment kunnen zij hiervoor alleen terecht bij buitenlandse Engelstalige overheidsrechters, dan wel bij arbitrage in de Engelse taal. Met de komst van de NCC(A) wordt het voor partijen mogelijk om bij de keuze voor Engelstalige geschilbeslechting ook een procedure bij de Nederlandse overheidsrechter te overwegen.

De oprichting en het laten functioneren van de NCC()A) vraagt aanvullende financiële middelen. Met de rechtspraak is afgesproken dat de oprichting van een Engelstalige voorziening voor internationaal opererende bedrijven niet ten koste mag gaan van de middelen die bestemd zijn voor reguliere zaken. Bedrijven kunnen namelijk kiezen of ze wel of geen gebruik willen maken van de NCC(A): een procedure in de Engelse taal bij de NCC vergt de uitdrukkelijke instemming van beide partijen. Partijen zijn niet verplicht om gebruik te maken van de NCC(A) en zijn ook niet afhankelijk van de NCC(A) om hun recht te halen. De NCC(A) is een extra voorziening die ondernemingen wordt geboden. De huidige procedure bij de handelskamers van de gerechten blijft in stand.

Kortom, ik deel niet het punt van zorg dat kleine ondernemingen niet terecht zouden kunnen bij de NCC(A) vanwege het hogere griffierecht. Met de komst van de NCC(A) voorziening wordt het voor bedrijven – ongeacht hun grootte – mogelijk om als zij menen dat hun geschil in het Engels beslecht moet worden daarbij ook een procedure bij de Nederlandse overheidsrechter in overweging te nemen. Het ligt hierbij voor de hand dat bedrijven hier alleen toe zullen overgaan als dit kostenefficiënt is. Dit speelt daarom met name bij complexe handelsgeschillen met een groot financieel belang. Voor niet-complexe internationale handelsgeschillen kan in voorkomende gevallen een specifiek daarvoor ontwikkeld Europees instrument, zoals de Europese betalingsbevelprocedure of de Europese geringe vorderingenprocedure, of een procedure bij de reguliere handelskamer of arbitrage al voldoende soelaas bieden.

2. Nut en noodzaak

De leden van de VVD-fractie vragen naar de reden van de introductie van de NCC(A). Zij vragen zich daarnaast af waarom de kosten van de behandeling door de Nederlandse overheidsrechter van complexe handelsgeschillen in de Engelse taal opgebracht moet worden door de partijen zelf. Hierbij vragen zij of eenzelfde redenering niet ook gehanteerd kan worden voor de behandeling van complexe geschillen op het gebied van het intellectuele eigendomsrecht of het ondernemingsrecht.

Het voorstel om een NCC(A) in te richten – het kwam al eerder ter sprake – is gedaan op verzoek van de rechtspraak. Internationaal opererende bedrijven bevestigen de behoefte aan Engelstalige rechtspraak. Nederland is hierin niet uniek; die behoefte wordt ook in de ons omringende landen gevoeld. De NCC of NCCA is een extra voorziening specifiek bedoeld voor internationale handelsgeschillen; bij deze geschillen gaat het niet per se om de grootte van de onderneming, maar veel meer om de complexiteit van het contract, de gegeven omstandigheden en de (aanzienlijke) financiële gevolgen. Ondernemingen – groot of klein – die complexe contracten sluiten met een buitenlandse handelspartner waarmee grote financiële belangen zijn gemoeid, kunnen dus baat hebben bij een procedure bij de NCC(A). Het kan voor ondernemingen (groot of klein) van belang zijn om bij dergelijke contracten vooraf duidelijkheid te hebben, bij welke rechter, tegen welke kosten, volgens welke procedure en in welke taal een eventueel geschil wordt uitgeprocedeerd. Deze behoefte van bedrijven om vooraf duidelijkheid te hebben is ook gesignaleerd in het onderzoek dat door de rechtspraak is uitgevoerd naar de behoefte aan Engelstalige geschilbeslechting. De rechtspraak wil de NCC(A) voorziening aanbieden om aan die specifieke behoefte te voldoen.

Er zijn voor ondernemingen dus meerdere routes beschikbaar om tot het oplossen van geschillen te komen; óf de reguliere handelskamers van de gerechten óf de NCC(A). Als een onderneming zijn (internationale) handelsgeschil wil laten beslechten bij de reguliere handelskamer dan is dat tegen het reguliere griffierechttarief – ook na eventuele introductie van de NCC(A) – mogelijk. Voor ondernemingen die moeten procederen over kleine vorderingen, kan het goedkoper zijn om te procederen bij de reguliere handelskamer of bij een andere vorm van geschilbeslechting dan de NCC(A). De NCC(A) is een aanvullende voorziening bovenop de huidige mogelijkheden om handelsgeschillen aan de rechter voor te leggen.

Het onderscheid in griffierechten voor een NCC(A) procedure en het reguliere griffierecht, is er allereerst in gelegen dat de behandeling van een complex geschil in de Engelse taal meer kost dan de behandeling van een complex geschil in de Nederlandse taal. Ook is het uitgangspunt dat de extra kosten die moeten worden gemaakt voor de inrichting van de NCC(A) niet drukken op de reguliere middelen die beschikbaar zijn voor de rechtspraak. Verder wordt er bij het reguliere griffierecht uitgegaan van een gemiddelde: sommige aan de rechter voorgelegde zaken zijn complex, andere zaken zijn relatief eenvoudig. Het griffierecht bij de NCC(A) is gebaseerd op de verwachting dat louter complexe internationale handelsgeschillen aan de NCC(A) zullen worden voorgelegd. Ik hecht eraan om te benadrukken dat het hogere griffierecht niet zonder meer betekent dat partijen altijd duurder uit zijn bij de NCC(A). De totale kosten van de geschilbeslechting zijn afhankelijk van (veel) meer factoren dan enkel het griffierecht. Een Nederlandse onderneming die in Rome moet procederen tegen zijn Italiaanse handelspartner kan te maken krijgen met allerlei soorten kosten, zoals kosten voor een advocaat, voor reizen en verblijf ter plaatse, voor vertalingen etc. Daarnaast speelt ook onbekendheid over (duur van) de procedure een rol. Een vooraf gemaakte keuze voor de NCC(A) kan ervoor zorgen dat een onderneming een betere inschatting kan maken van de met de procedure gemoeide tijd en kosten. Voorts is het goed om er rekenschap van te geven dat het zeer wel mogelijk is dat de NCC(A) na verloop van tijd geschillen gaat behandelen die – zou de NCC(A) er niet zijn geweest – aan arbitrage of aan een Engelstalige buitenlandse rechter zouden zijn voorgelegd. Het is daarbij niet uit te sluiten dat het geschillen betreft tussen twee buitenlandse ondernemingen. Zou dit tegen het reguliere griffierecht geschieden dan worden de kosten van geschilbeslechting tussen twee buitenlandse ondernemingen gefinancierd uit het algemene budget van de Nederlandse rechtspraak (en dus door de Nederlandse belastingbetaler). Ik acht dit niet wenselijk. Door te voorzien in een hoger griffierecht wordt dit voorkomen.

3. Rechtvaardiging hogere griffierechten

De leden van de VVD-fractie vragen of de hogere griffierechten nodig zijn vanwege de hoge vertaalkosten of vanwege de extra kosten omdat het complexe geschillen betreft. Zij vragen zich voorts af waarop de regering de veronderstelling baseert dat kleine ondernemers niet snel geconfronteerd zullen worden met een procedure in het Engels bij de NCC(A), alsmede met het daarbij behorende hogere griffierecht.

Het aanbieden van een extra voorziening als de NCC(A) vraagt investeringen. Dat zijn eenmalige investeringen vooraf, zoals het Engelstalig ICT-systeem, en dat zijn structurele investeringen, zoals opleidingskosten voor rechters, raadsheren en voor het ondersteunend personeel in verband met de Engelstalige afhandeling van de zaken. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet om vertaalkosten omdat er geen sprake meer is van een vertaling naar het Engels of het Nederlands: de geschilbeslechting vindt volledig in het Engels plaats. De vertaalkosten zijn slechts relevant als besparing voor de procespartijen.

Ik kan dit illustreren met een voorbeeld. Stel, een internationaal opererend Nederlands bedrijf exporteert vorkheftrucks naar een bedrijf in Bulgarije. De correspondentie en het contract zijn in het Engels gesteld. Vervolgens ontstaat er een geschil over de betaling van de geleverde zaken. Als de overeenkomst noch een geldige forumkeuze, noch een geldig arbitragebeding bevat, zal het Nederlandse bedrijf dat betaling wil afdwingen de procedure in de regel moeten brengen voor de rechter van de woonplaats van de verweerder. Dat betekent dus de Bulgaarse rechter. In dat geval moet het Nederlandse bedrijf een procedure starten in Bulgarije met inschakeling van een Bulgaarse advocaat en vertaalkosten maken omdat de procedure in Bulgarije in het Bulgaars zal moeten worden gevoerd. Dit geldt in elk geval voor processtukken. Het is goed mogelijk dat de Bulgaarse rechter ook voor de producties (zoals de overeenkomst en de correspondentie) alleen het Bulgaars accepteert. Dan moeten ook deze stukken uit het Engels in het Bulgaars worden vertaald.

Andersom geldt dat als het Bulgaarse bedrijf het Nederlandse bedrijf wil aanspreken, bijvoorbeeld omdat de vorkheftrucks mankementen vertonen, het een procedure bij de Nederlandse rechter zal dienen te starten, zijnde de rechter van de woonplaats van de verweerder, of bij de Bulgaarse rechter als rechter van de plaats waar de overeenkomst moet worden uitgevoerd. In beide gevallen zijn er ook voor het Bulgaarse bedrijf juridische kosten en vertaalkosten. Dient de procedure voor de Nederlandse rechter dan hoeven in beginsel Engelstalige producties niet te worden vertaald, maar zullen de processtukken zelf alsnog in het Nederlands moeten worden opgesteld. Bij een procedure gestart door het Bulgaarse bedrijf bij de rechter in Bulgarije, moeten de producties vanuit het Engels naar het Bulgaars worden vertaald als de Bulgaarse rechter alleen stukken in het Bulgaars accepteert.

In het voorbeeld kan het dus voor beide partijen aantrekkelijk zijn om vooraf af te spreken bij eventuele geschillen in het Engels te procederen, dat bespaart vertaalkosten. Het gaat veelal om specialistische (juridische) vertalingen, waarvan de kosten volgens opgave van vertaalbureaus € 0,15–0,25 per woord bedragen. Voor minder courante talen zijn de kosten per woord hoger. En voor een beëdigde vertaling is een opslag van 25% niet ongebruikelijk.3 Dergelijke kosten kunnen bij een gecompliceerde zaak tienduizenden euro’s bedragen.

Het is aan de bedrijven zelf om af te wegen of een procedure bij de NCC(A) past bij het geschil en gelet op alle relevante omstandigheden en kosten de beste keuze is. Er zijn immers diverse opties als het gaat om eenvoudige geschillen, bijvoorbeeld onbetwiste vorderingen of geschillen over relatief kleine bedragen. Als partijen hun geschil in het Engels willen laten beslechten dan zijn er meerdere mogelijkheden: een procedure voor een buitenlandse Engelstalige overheidsrechter, arbitrage in het Engels of een procedure voor de NCC(A). Bij de keuze uit deze mogelijkheden zullen door partijen de verwachte totale kosten van de verschillende mogelijkheden van beslechting van het geschil in het Engels door partijen worden betrokken. Naast kosten om een zaak te laten behandelen (de griffiekosten of de salariskosten van arbiters), gaat het dan om de advocatenkosten.

Door de leden van de VVD-fractie is gerefereerd aan een passage dat het niet snel zal voorkomen dat een kleine ondernemer zonder zijn uitdrukkelijke instemming wordt geconfronteerd met een NCC(A)-procedure. Dat is juist: de kapper om de hoek zal niet snel bij de NCC(A) terecht komen omdat hij in de regel geen internationale overeenkomsten sluit en, zo hij dat al doet, dan niet snel voor meer dan € 25.000 (de kantongrens) contracteert. De keuze voor de NCC(A) moet daarnaast altijd uitdrukkelijk door beide partijen geschieden. Ook daarin is derhalve een waarborg gelegen dat kleine ondernemers niet onverhoeds zullen worden geconfronteerd met het hogere NCC(A) griffierecht.

Dit alles neemt niet weg dat kleine ondernemers die complexe contracten met buitenlandse handelspartners sluiten, evenals grote ondernemers die complexe contracten sluiten, gebaat kunnen zijn bij de mogelijkheid van Engelstalige geschilbeslechting bij de NCC(A). Het is aan de ondernemer, klein en groot, om daar samen met zijn contractspartij afspraken over te maken.

4. Definitie internationaal geschil

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere uitleg van het begrip internationaal geschil, alsmede wat er onder relevante aanknopingspunten moet worden verstaan.

Relevante aanknopingspunten om te beoordelen of er sprake is van een internationaal geschil zijn bijvoorbeeld de plaats waar partijen zijn gevestigd en de plaats waar zaken moeten worden geleverd of de overeenkomst moet worden uitgevoerd. Zodra hierbij meer dan één land is betrokken, is er sprake van een internationaal geschil. Als een onderneming contracteert met een onderneming uit een ander land, zal er dus steeds sprake zijn van een internationaal geschil. Maar ook een geschil tussen twee Nederlandse partijen kan internationaal zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan een geschil waarop buitenlands recht van toepassing is of waar het rechtsfeiten of rechtshandelingen buiten Nederland betreft. Het is niet zo dat de loutere wil van partijen maakt dat hun geschil internationaal is of niet. Uiteindelijk is het aan de rechter om te oordelen of er sprake is van een internationaal geschil.

5. Berekening hogere griffierechten

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de besparing van de vertaling van de processtukken is berekend.

Over de hoogte van de besparingen aan vertaalkosten van partijen kan in zijn algemeenheid geen uitspraak worden gedaan. De hoogte van vertaalkosten is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval en verschilt per taal en loopt op naar gelang het aantal pagina’s dat vertaald moet worden. Wel is duidelijk dat partijen die kiezen voor de NCC(A) Engelstalige processtukken niet hoeven te vertalen en dus kosten kunnen besparen. Met andere woorden, hoeveel partijen besparen aan vertaalkosten is niet vooraf inzichtelijk te maken, maar dat er bij complexe geschillen bespaard wordt, is duidelijk. Het is aan de betrokken ondernemingen om te bepalen of gelet op alle relevante omstandigheden en de (kosten van de) alternatieve vormen van geschilbeslechting, een keuze voor de NCC(A) het meest geschikt is.

6. Precedentwerking

De leden van de VVD-fractie vragen of dit wetsvoorstel de weg vrijmaakt wordt om ook voor andere rechtsgebieden of geschillen waarbij partijen van niet-Nederlandse nationaliteiten zijn betrokken, kostendekkende griffierechten in te voeren.

Het kabinet heeft begrip voor de aarzelingen bij de leden van VVD-fractie op dit punt. Er is evenwel geen sprake van dat hiermee de weg wordt geopend voor het invoeren van verhoogde griffierechten op andere rechtsgebieden of voor geschillen waarbij partijen van niet-Nederlandse nationaliteiten zijn betrokken. Er bestaat geen voornemen daartoe. De invoering van de NCC(A)-procedure is een uitdrukkelijke wens van de rechtspraak, die hiermee reageert op een behoefte die bestaat bij rechtszoekenden. De rechtspraak vindt het belangrijk om gedifferentieerde voorzieningen aan te kunnen bieden die zijn toegesneden op de partijen en het geschil; het is een uitbreiding van de mogelijkheden om afhankelijk van het geschil, de omvang en de wederpartij een voorziening te kunnen kiezen die passend is.

De wens van de rechtspraak tot het instellen van de NCC(A) beschouw ik als een verzoek om te kunnen innoveren. Daarvoor wil ik de rechtspraak graag de ruimte geven. In dit geval zijn er goede redenen om een verhoogd griffierecht te vragen voor deze extra voorziening. Ondernemingen krijgen met de NCC(A) een extra voorziening waar zij, indien gewenst (bijvoorbeeld omdat het voor hen besparingen meebrengt), gebruik van kunnen maken. Deze extra voorziening brengt voor de rechtspraak ook extra kosten met zich mee. Ik vind het redelijk dat de extra kosten voor het inrichten en onderhouden van de voorziening niet drukken op de reguliere middelen van de rechtspraak, maar dat van de partijen die voordeel hebben van de voorziening voor het gebruikmaken ervan een hoger tarief wordt gevraagd.

Tot slot maak ik van de gelegenheid gebruik om nogmaals onder de aandacht te brengen dat de keuze van partijen voor de NCC een procedureafspraak is en geen forumkeuze behelst. Een procedureafspraak ziet op de wijze waarop partijen het geschil wensen te voeren, te weten in het Engels met inachtneming van het NCC(A)-procesreglement van de rechtbank en het hof Amsterdam. Met een forumkeuze geven partijen aan een bepaald gerecht bevoegd te willen maken voor de beslechting van hun geschil, zoals bijvoorbeeld de rechtbank Amsterdam. De NCC(A) is geen zelfstandig gerecht dat bij forumkeuze kan worden aangewezen. De NCC(A) is slechts een kamer van de rechtbank Amsterdam, respectievelijk het hof Amsterdam. De bevoegdheid van de rechtbank of het hof Amsterdam kan wél voortvloeien uit een forumkeuze of uit andere objectieve aanknopingsgronden voor de bevoegdheid. Als de rechtbank of het hof Amsterdam bevoegd is (al dan niet op basis van een forumkeuze van partijen), kunnen de partijen de procedureafspraak maken om in het Engels bij de NCC te procederen.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een procedure voor geringe vorderingen, PbEG 2007, L199.

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, PbEG 2006, L399.

X Noot
3

Zie bijv. https://www.vertalen.nu/professioneel/tarieven-vertaalwerk, geraadpleegd op 18 juni 2018.