34 678 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten met het oog op het omvormen van het Associate degree-programma tot zelfstandige opleiding en het toevoegen van het niet-bekostigd onderwijs aan het diplomaregister (Wet invoering associate degree-opleiding)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 22 september 2017

In deze memorie wordt de indeling van het verslag gevolgd, zoals dat is vastgesteld door uw Kamer op 18 september 2017.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben een aantal vragen over de commissie van advies die in dit wetsvoorstel wordt geregeld. De leden van de CDA-, D66-, SP, ChristenUnie-, SGP- en 50PLUS-fracties sluiten zich bij deze vragen aan.

De leden van de GroenLinks-fractie en van de CDA-, D66-, SP, ChristenUnie-, SGP- en 50PLUS-fracties, vragen of de formuleringen in dit wetsvoorstel juridisch bindend leiden tot de toegezegde situatie dat een advies van de commissie in beginsel gevolgd moet worden en zo niet, waarom het niet is geregeld zoals toegezegd. Zij vragen preciezer aan te geven welke eisen van de Awb de Minister in de brief van 3 maart op het oog had en hoe die zijn verdisconteerd in het huidige voorstel.

De formuleringen in het wetsvoorstel leiden tot de toegezegde situatie dat een advies van de commissie in beginsel moet worden gevolgd. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt de eis dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb). Wanneer wettelijk is voorgeschreven dat eerst een advies moet worden ingewonnen, geldt bij afwijking van dat advies een extra motiveringsplicht. Artikel 3:50 Awb schrijft namelijk voor dat, indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een – met het oog op dat besluit krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht – advies, dit met de redenen voor de afwijking in de motivering moet worden vermeld. Artikel 3:50 Awb geeft uitdrukking aan het belang dat aan wettelijk voorgeschreven adviezen wordt gehecht. Indien het bestuursorgaan afwijkt van een dergelijk advies, is het verplicht de redenen daarvoor expliciet te vermelden in het besluit. Dat betekent dat niet lichtvaardig van dat advies kan worden afgeweken. Daarvan kan worden afgeleid dat het een zwaarwegend advies is.

In de toelichting op de nota van wijziging bij het wetsvoorstel invoering associate degree-opleiding is over het overnemen van het advies van de commissie het volgende opgenomen: «De Minister is in beginsel aan het advies gebonden en kan hiervan afwijken indien de afwijking goed kan worden onderbouwd in de beschikking; dat wil zeggen dat er zwaarwegende redenen voor moeten zijn die in de beschikking worden opgenomen.» Ook deze toelichting benadrukt dat het om een zwaarwegend advies gaat waarvan de Minister in beginsel niet kan afwijken. Vanzelfsprekend is daarvoor dan ook nodig dat hiervoor zwaarwegende redenen zijn die goed worden onderbouwd in het besluit. Zoals aangegeven in mijn brief van 3 maart 20171, zal het besluit niet in stand blijven indien de bestuursrechter de afwijking van het advies onvoldoende onderbouwd acht.

Tijdens het debat met de Eerste Kamer op 21 februari van dit jaar heb ik gezegd dat een (onafhankelijke) adviescommissie de grondrechten in relatie met andere rechten zou wegen en dat die commissie een zwaarwegend advies zou geven dat niet makkelijk kan worden genegeerd.2 De door mij gedane toezeggingen – niet alleen in de brief van 3 maart 2017 maar ook in de debatten met het Parlement – maken deel uit van de wetsgeschiedenis van de wet bescherming namen en graden hoger onderwijs en zijn daardoor ook bindend voor toekomstige Ministers.

De leden vragen of met het oog op de bestuurlijke en beleidsmatige aspecten van het te vragen advies naast de benodigde kwalificaties voor leden van de rechterlijke macht ook andere kwalificaties benodigd zijn en zo ja, hoe dat wordt verdisconteerd.

In de ministeriële regeling wordt geregeld dat ten minste één commissielid beschikt over deskundigheid met betrekking tot gelijke behandeling en mensenrechten en dat ten minste één lid beschikt over deskundigheid op het gebied van het onderwijsrecht.

Ten slotte vragen de leden of de ministeriële regeling inmiddels (definitief of in concept) beschikbaar is, zodat ze deze kunnen betrekken bij de afweging of de Minister aan de toezeggingen heeft voldaan.

Het concept van de ministeriële regeling3 is als bijlage toegevoegd aan deze reactie. Dit concept is parallel ook gezonden naar de beoogde leden van de adviescommissie.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken I, 2016/17, 34 412, nr. H.

X Noot
2

Handelingen I, 2016/17, 34 412, nr. 19, pag. 37.

X Noot
3

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 161787.

Naar boven