Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634273 nr. 7

34 273 Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2016)

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 19 oktober 2015

1. ALGEMEEN

Met veel belangstelling is kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over haar bevindingen inzake bovenvermeld wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie verzoeken om een schematisch overzicht van de technische en beleidswijzigingen en hebben nog een aantal aanvullende vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de Verzamelwet SZW 2016. De leden van de PvdA-fractie hebben nog enkele aanvullende vragen over onder andere de kostendelersnorm en het woonlandbeginsel ANW.

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel en constateren dat de wet een aantal maatregelen bevat die gevolgen hebben voor verschillende doelgroepen, daarbij constateren zij tevens dat de Raad van State kritische kanttekeningen bij een aantal voorgestelde maatregelen plaatst. De leden van de SP-fractie hebben nog enkele vragen bij de voorgestelde maatregelen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben hierover enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel en willen nog enkele vragen ter beantwoording aan de regering voorleggen.

Ik ga gaarne in op de gestelde vragen van de leden van de fracties van de VVD, PvdA, SP, D66, CDA, en ChristenUnie. Bij de beantwoording van de vragen is de volgorde van het verslag zoveel mogelijk gevolgd.

Het schematisch overzicht waar de leden van de VVD-fractie naar vragen is als bijlage toegevoegd, conform de toezegging die ik op 5 november 2014 heb gedaan in het overleg met uw Kamer (Handelingen TK 2014/2015, nr. 20, item 8).

De leden van de SP-fractie vragen welke aanpassingen in het wetsvoorstel gevolgen hebben voor de koopkracht van mensen en wat deze gevolgen zijn.

Er zijn weinig aanpassingen in het wetsvoorstel die gevolgen hebben voor de koopkracht van mensen, de aanpassingen die mogelijk wel een koopkrachteffect kunnen hebben, hebben slechts een beperkt gevolg.

Een inkomenseffect kan optreden voor ouders van leerlingen op het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor de Rijn-, binnen- en kustvaart, naar aanleiding van de in artikel I, onderdeel A, opgenomen wijziging. Door deze opleiding toe te voegen aan de ministeriële regeling (en op wetsniveau deze mogelijkheid te creëren) die opleidingen aanwijst op grond waarvan ouders dubbele kinderbijslag kunnen verkrijgen als zij ook verder voldoen aan de voorwaarden, kunnen deze ouders in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag.

Het schrappen van de bepaling (onder artikel I, onderdeel B) dat de SVB met terugwerkende kracht voor langer dan een jaar kinderbijslag toe kan kennen bij bijzondere gevallen, leidt er in incidentele gevallen toe dat men, indien meer dan één jaar geleden recht bestond op kinderbijslag maar deze door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen, of indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was, deze kinderbijslag niet ontvangt voor de periode die voorafging aan het voorgaande jaar. Deze gevolgen zijn echter beperkt want het gaat om een zeer kleine groep: de terugwerkende kracht van meer dan een jaar wordt bijna nooit toegepast. Daarnaast kan het in sommige gevallen invloed hebben op het recht op kindgebonden budget. Omdat toekenning van een jaar van terugwerkende kracht van de kinderbijslag mogelijk blijft en de aanpassing slechts gevolgen heeft voor een zeer klein aantal individuele gevallen vindt de regering deze maatregel verdedigbaar in het licht van de na te streven eenvoud van regelingen en de verhouding tot de uitvoeringslasten.

De leden van de D66-fractie willen graag weten waarom er voor sommige onderdelen van het wetsvoorstel sprake is van terugwerkende kracht en vragen daarnaast of de regering kan garanderen dat er hierdoor geen mensen zijn die een eerder verstrekte uitkering (deels) moeten terugbetalen of op een andere manier negatief worden geraakt.

De regering heeft gekozen om een aantal onderdelen met terugwerkende kracht in werking te laten treden omdat het voornamelijk gaat om reparatiewetgeving. De omissies worden hersteld op het moment waarop deze zijn ontstaan, met name wanneer deze zijn veroorzaakt door een wetswijziging. De regering heeft deze terugwerkende kracht conform de aanwijzingen voor de regelgeving alleen toegepast wanneer er geen sprake is van een belastende maatregel. Betrokkenen zullen hier dus geen negatieve gevolgen door ervaren. Indien geen gebruik zou worden gemaakt van terugwerkende kracht, zou dit bijvoorbeeld voor jong gehuwden met ten laste komende kinderen en met medebewoners die onder de kostendelersnorm vallen, betekenen dat er een onbedoeld negatief inkomenseffect ontstaat. Doordat de betreffende wijziging met terugwerkende kracht wordt gerepareerd, is er geen inkomenseffect.

De leden van de PvdA, SP, CDA, D66 en ChristenUnie-fractie vragen naar de gevolgen voor de Taakstellingsoperatie 2016–2018 van het vervallen van het voorstel tot concentratie van rechtspraak in Wav-boetezaken bij de Rechtbank Den Haag. Tevens vragen de leden van de fracties van D66 en ChristenUnie of het voorstel in een separaat wetsvoorstel zal worden geregeld.

Het desbetreffende onderdeel van deze taakstellingsoperatie leidt tot een vermindering van het aantal bezwaar- en beroepsjuristen dat belast is met Wav-boetezaken. Voor het grootste deel is dit mogelijk als gevolg van een autonome daling van het aantal opgelegde boetes op grond van deze wetgeving, en bijgevolg van het aantal bezwaar- en beroepszaken. Ook zal de voorgenomen introductie van de waarschuwing een verminderend effect hebben op het aantal boetezaken. In de derde plaats is een aantal efficiencymaatregelen voorzien, waarvan de concentratie van beroepszaken er één was. Het niet doorgaan daarvan leidt, afhankelijk van het effect van de andere genoemde maatregelen, tot een potentieel besparingsverlies op dit onderdeel van de taakstelling 2016–2018. Dit zal binnen het departement worden opgevangen. De vraag of de concentratie anderszins of in een separaat wetsvoorstel wordt geregeld, kunnen dus negatief worden beantwoord.

De leden van de fracties van de PvdA, CDA en SP vragen hoe het onderdeel van het wetsvoorstel inzake het woonlandbeginsel Anw zich verhoudt met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 14 februari 1972 te Rabat tot stand gekomen Algemeen Verdrag inzake. sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34).

Wanneer het bilaterale socialezekerheidsverdrag zou worden beëindigd zal er vanaf dat moment geen sprake meer zijn van export van nabestaandenuitkering voor nieuwe gerechtigden naar Marokko. Voor huidige rechthebbenden op nabestaandenuitkering kan het woonlandbeginsel, ook na opzegging van het bilaterale socialezekerheidsverdrag, niet worden toegepast. Dit volgt uit de eerbiedigende werking die aan artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34) wordt toegekend.1 Het onderdeel woonlandbeginsel Anw in het onderhavige wetsvoorstel heeft daarmee geen gevolgen voor het wetsvoorstel tot goedkeuring van het voornemen tot beëindiging van het bilaterale socialezekerheidsverdrag met Marokko.

De leden van de fracties van de SP en CDA vragen wanneer en bij welke gelegenheid de in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen wijziging van de Remigratiewet bij de Kamer zal worden ingediend. Aanvullend hierop lezen de leden van de D66-fractie in het nader rapport dat het voorstel tot wijziging van de Remigratiewet geen deel meer uitmaakt van de Verzamelwet, omdat dit geen «klein beleid» is. Zij vragen of de regering van plan is om dit via een ander wetsvoorstel alsnog voor te leggen aan de Staten-Generaal, temeer omdat dit voorstel geen onderdeel uitmaakte van het planningsoverzicht van spoedeisende wetsvoorstellen van 21 september 2015.

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering heeft de regering besloten om de wijziging van de Remigratiewet uit onderhavig wetsvoorstel te halen. Deze wijziging zal in een later stadium bij de Kamer worden ingediend, het is nog onbekend wanneer dit het geval zal zijn. Aangezien de voorgestelde wijziging van de Remigratiewet niet kan worden beschouwd als «klein beleid», moet zorgvuldig worden overwogen of deze in een ander traject kan worden meegenomen. Niet wordt uitgesloten dat de voorgestelde wijziging van de Remigratiewet een zelfstandig wetsvoorstel wordt. De voorgestelde wijziging heeft niet dusdanig veel spoed dat deze zelfstandig zal worden vervat onder het overzicht van spoedeisende wetsvoorstellen. Eveneens is er geen dringende reden om het in een ander reeds lopend traject mee te nemen.

2. KLEIN BELEID

Vangnetbepalingen

In antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie wat de gevolgen van de aanpassingen in de artikelen met betrekking tot het vangnet voor de gemeenten zijn, en de vraag van de leden van de D66-fractie wat er nu precies wordt gewijzigd met de vangnetbepaling in de Participatiewet, wordt benadrukt dat de voorgestelde wijzigingen, via de Verzamelwet SZW 2016, van de artikelen 73, 74 en 75 van de Participatiewet louter van technische aard zijn en geen inhoudelijke aspecten bevatten. De technische aanpassingen zijn nodig omdat in deze artikelen nog wordt verwezen naar de incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen, waarop gemeenten onder voorwaarden een beroep op konden doen, sinds 2004 respectievelijk 2009. Deze aanvullende uitkeringen waren nadrukkelijk verbonden met het verdeelmodel voor bijstandsgelden, zoals dit van kracht was tot 2015. Met het vervallen van het oude verdeelmodel zijn ook de incidentele en meerjarige aanvullende uitkering vervallen.

Bij brief van 15 mei 20142 is uw Kamer geïnformeerd over het nieuwe, per 2015 in te voeren verdeelmodel, het zogeheten het multiniveaumodel, waarbij is aangegeven dat geen enkel model perfect is en dat het vanuit het oogpunt van financiële beheersbaarheid daarom wenselijk is ook bij het multiniveaumodel een vangnet in te stellen. Uw Kamer is geïnformeerd over de uitwerking van het tijdelijk vangnet voor 20153 alsmede over de nadere afspraken die met de VNG zijn gemaakt over de hoogte van het eigen risico en de verlenging van het tijdelijk vangnet met een jaar4.

De technische wijzigingen betreffen allen de aanpassing van de naamgeving aan de situatie vanaf 2015, waarbij de vangnetuitkering de opvolger is van de vervallen incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen. Hoewel in de nieuwe situatie de facto sprake is van een aanvullende uitkering, wordt geopteerd voor de aanduiding «vangnetuitkering» om het onderscheid tussen de oude en de nieuwe voorzieningen helder te markeren en om daarmee spraakverwarring te voorkomen.

Het tijdelijk vangnet voor 2015 en 2016 zal vanaf 2017 plaatsmaken voor een meer definitief vangnet. De uitwerking hiervan geschiedt in overleg met gemeenten. Wanneer daaromtrent relevante ontwikkelingen zijn te melden, zal uw Kamer tijdig worden geïnformeerd. In antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie, wordt opgemerkt dat artikel 74, eerste lid, van de Participatiewet, zoals het nu luidt, voldoende grondslag vormt voor het tijdelijk vangnet zoals het voor het jaar 2015 is vastgesteld. Zoals hiervoor is aangegeven betreft de vangnetuitkering naar zijn aard een aanvullende uitkering. Voor het vaststellen van die tijdelijke uitkering waren de thans voorgestelde wijzigingen niet strikt noodzakelijk.

Kostendelersnorm Participatiewet

De leden van de fracties van de VVD en SP vragen naar de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen van de kostendelersnorm in de Participatiewet. Op hoeveel personen hebben de voorgestelde wijzigingen betrekking, wat zijn de gevolgen voor de koopkracht per groep, wat zijn de materiële effecten en wordt de groep die ten onrechte op basis van de wet een te lage uitkering ontvangt met terugwerkende kracht gecompenseerd, zo vragen deze leden.

Op de vraag van de leden van de VVD-fractie op hoeveel personen de verschillende voorgestelde wijzigingen van de kostendelersnorm in de Participatiewet, waaronder de alleenstaande inkomensvoorziening ouderen (AIO), betrekking hebben, geeft de regering aan dat de materiële effecten enkele tientallen tot maximaal tweehonderd huishoudens betreffen. Een deel van de groep ontvangt op basis van de huidige wet een onbedoeld te hoge uitkering en een deel van de groep ontvangt een onbedoeld te lage uitkering.

De leden van de SP-fractie vragen welke aanpassingen in het voorliggende wetsvoorstel gevolgen hebben voor de koopkracht van mensen en wat deze gevolgen zijn en de leden van de VVD-fractie vragen waarom voorgestelde wijzigingen geen materiële effecten hebben.

In het voorliggende wetsvoorstel worden enkele technische wijzigingen van de kostendelersnorm in de Participatiewet voorgesteld omdat er uit signalen van de uitvoering is gebleken dat de huidige kostendelersnorm in de Participatiewet per abuis enkele onjuistheden bevat. Zoals hiervoor beschreven betreft dit totaal naar verwachting enkele tientallen tot maximaal tweehonderd huishoudens, die bestaan uit drie specifieke groepen.

De eerste groep betreft alleenstaande ouderen die een uitkering hebben op grond van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) met medebewoners waar geen kosten mee gedeeld kunnen worden. Op dit moment is in de wet geregeld dat zij toch onder de kostendelersnorm vallen en daarmee 70% in plaats van 73% van de gehuwdennorm ontvangen. Dit wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015 gerepareerd. Uit overleg met de SVB is naar voren gekomen dat zij reeds bij invoering van de kostendelersnorm in de Participatiewet uit zijn gegaan van de systematiek zoals deze is beoogd (73% van de gehuwdennorm) waardoor de eerste groep geen daadwerkelijke inkomensgevolgen van deze omissie ervaart.

De tweede groep betreft jong gehuwden met kinderen. Op dit moment ontvangen gehuwden waarvan één echtgenoot jonger is dan 21 jaar en één echtgenoot 21 jaar of ouder is met medebewoners én een of meer ten laste komende kinderen evenveel als in een vergelijkbare situatie zonder ten laste komende kinderen. De uitkering is daarmee te laag vastgesteld. Met de Verzamelwet SZW 2016 wordt dit gerepareerd en wordt aan de wijziging terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015 verleend. Gemeenten en de SVB zijn per brief verzocht te anticiperen op de voorgenomen wijziging en de doelgroep reeds een verhoogde juiste uitkering te verstrekken. Ondanks dat jonge gehuwden met medebewoners en een of meer ten laste komende kinderen die sinds 1 januari 2015 nieuw zijn ingestroomd in de Participatiewet in de eerste maanden van het jaar te weinig hebben ontvangen, is er op jaarbasis geen negatief inkomenseffect zichtbaar omdat ze met terugwerkende kracht gecompenseerd worden voor het tekort. Het zittend bestand, dat per 1 juli 2015 is overgegaan naar de kostendelersnormsystematiek, ervaart ook geen inkomenseffect. De uitvoering is namelijk op 5 juni 2015¹ opgeroepen zo snel mogelijk te anticiperen op de voorgenomen wijziging en ook voor hen sprake is van terugwerkende kracht.

De derde groep betreft jong gehuwden met medebewoners die allen zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm. Zij krijgen op dit moment abusievelijk een hogere uitkeringsnorm op basis van de kostendelersnorm dan in een vergelijkbare situatie dat deze gehuwden geen medebewoners hebben. Dit betreft een positief inkomenseffect van circa € 275 euro per maand. De Verzamelwet SZW 2016 past dit aan. Het teveel ontvangen bedrag zal niet teruggevorderd worden en er zal overgangsrecht komen tot 1 juli 2016 voor het zittend bestand, zodat deze groep kan wennen aan de lagere uitkeringshoogte. Voor de nieuwe instroom zal wel al per 1 januari 2016 de nieuwe lagere uitkeringsnorm gaan gelden. Verder wordt de norm voor de niet rechthebbende partner gecorrigeerd. Met deze wijziging bestaat er geen onduidelijkheid meer welk wetsartikel van toepassing is. Dit betekent dat de rechthebbende gehuwde een norm van 50% (in plaats van mogelijk 70%) ontvangt van de gehuwdennorm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot van zijn leeftijd. Dit geldt ook voor gehuwden waarvan de partner studeert en daardoor niet rechthebbend is. Doordat de individuele situatie van de gehuwden met een niet- rechthebbende partner sterk kan verschillen, kan het in de individuele situatie wenselijk zijn de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de rechthebbende partner, uiteraard met in achtneming van voorliggende voorzieningen. Ook kunnen gemeenten voor de rechthebbende partner of de rechthebbende gezinsleden gebruik maken van bijzondere bijstand, indien er in het individuele geval sprake is van hogere noodzakelijke kosten. Indien de wijzigingen ten aanzien van een niet rechthebbende partner leiden tot een lagere uitkering, is hiervoor overgangsrecht van een half jaar geregeld. Tot slot dient te worden gemeld dat met de verbeteringen in de Verzamelwet, behalve reparatie voor een kleine doelgroep, geen wijziging van het principe van de kostendelersnorm wordt beoogd en zal de overgrote meerderheid geen effecten ondervinden.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan toelichten waarom de kostendelersnorm volgens de voorgestelde wijziging niet meer van toepassing is op de belanghebbende en in plaats daarvan de norm wordt vastgesteld op basis van de basisnormen.

Met de invoeging van artikel 19a Participatiewet is er een nieuw artikel dat de definitie van kostendelende medebewoner regelt. Door middel van dit artikel is te bepalen of de norm van een belanghebbende wordt vastgesteld op basis van artikel 22a Participatiewet (de kostendelersnorm) of op basis van de basisnormen in artikel 20 tot en met 22 en 24 Participatiewet. Door deze wijziging wordt de kostendelersnorm meer consistent, want de kostendelersnorm is alleen nog van toepassing indien sprake is van kostendelende medebewoners.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom deze voorgestelde wijziging noodzakelijk is. De redenen voor deze aanpassingen zijn tweeledig. Ten eerste is uit signalen van de uitvoering gebleken dat de wetsystematiek per abuis enkele onjuistheden bevat, waardoor een kleine groep mensen een te hoge dan wel te lage uitkering ontvangt. De Participatiewet voorziet in de noodzakelijke kosten van bestaan, waardoor het van groot belang is dat het juiste bedrag wordt uitgekeerd en de omissies worden gerepareerd. In de situatie dat het een te lage uitkering betreft zijn gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op 5 juni 2015 per brief verzocht te anticiperen op de voorgenomen wijziging5. Hierover is tegelijkertijd ook een brief gestuurd aan de Tweede Kamer en Eerste Kamer. Ten tweede bood de Verzamelwet SZW 2016 de mogelijkheid om de wettekst op onderdelen te verduidelijken, te vereenvoudigen en consistenter te maken. Dit is van belang voor de leesbaarheid en de uitvoerbaarheid van de wet. De verbeterde vormgeving van de kostendelersnorm in de Participatiewet heeft niet als doel het principe van de kostendelersnorm-systematiek aan te passen, maar alleen dit te verduidelijken.

Waarom stelt de Minister voor om jong gehuwden met medebewoners die zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm een hogere norm te geven dan gehuwden die niet onder de kostendelersnorm vallen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De norm voor jong gehuwden zonder ten laste komende kinderen en met medebewoners die zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm wordt door de voorgestelde wijziging gelijk aan de norm voor jonggehuwden zonder ten laste komende kinderen die op dit moment niet onder de kostendelersnorm vallen.

De leden van de PvdA-fractie stellen een vraag over inwonende kinderen van een derde, commerciële relatie en toepassing van de kostendelersnorm.

Op deze vraag is geen eenduidig antwoord te geven. Commerciële relaties zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringspraktijk en jurisprudentie. Wel zijn extra waarborgen (eisen) in de wet opgenomen om te voorkomen dat de commerciële relatie niet de sluiproute wordt om de kostendelersnorm te ontwijken. Of sprake is van een commerciële relatie of dat de kostendelersnorm van toepassing is, hangt af van de individuele situatie. Bepalend, ook bij de genoemde casus, is onder andere de leeftijd van de kinderen en of de kinderen studeren. Kinderen tot 21 jaar tellen niet mee voor de kostendelersnorm, tevens zijn studenten uitgezonderd. Verder is bepalend of de kinderen onder de schriftelijke overeenkomst vallen van de derde die de woning verhuurt aan de bijstandsgerechtigde. Indien inwonende kinderen ouder dan 21 jaar en niet studerend bij hun bijstandsgerechtigde moeder inwonen, zal de kostendelersnorm op de moeder van toepassing zijn. Of de kinderen van de derde meetellen bij de bijstandsgerechtigde hangt af van de individuele situatie. Het is aan het oordeel van de uitvoering om op basis van concrete feiten en omstandigheden van het geval vast te stellen dat het een commerciële relatie betreft, danwel de kostendelersnorm van toepassing is. Indien in het individuele geval mocht blijken dat de noodzakelijke kosten hoger of lager uitvallen dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dienen de gemeenten maatwerk te verlenen door de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbenden.

De leden van de fractie van de SP vragen de regering te reageren op de steeds luider wordende roep om de kostendelersnorm te herzien. Zij vragen of de regering bereid is om de gevolgen van de kostendelersnorm op korte termijn te evalueren.

De regering is niet voornemens om de kostendelersnorm te herzien. De invoering van de kostendelersnorm houdt beter rekening met de schaalvoordelen die ontstaan doordat twee of meer personen samen in een woning verblijven.

Het kabinet staat in contact met gemeenten en houdt nauwlettend signalen in de gaten hoe de invoering van de kostendelersnorm uitwerkt. Daarbij is samen met de VNG afgesproken om de aankomende tijd inzicht te verkrijgen in de effecten van de kostendelersnorm. Daarnaast monitort het Centraal Bureau voor de Statistiek het aantal mensen dat onder de kostendelersnorm van de Participatiewet valt. Hierover komen eind februari 2016 de eerste cijfers beschikbaar.

De leden van de fracties van D66, CDA en de ChristenUnie vragen op het onderdeel kostendelersnorm en studenten om een nadere toelichting op de keuze voor de eis dat de student bij aanvang van het onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking moet komen voor studiefinanciering. De uitzondering van studenten heeft betrekking op de persoon die beroepsonderwijs en onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op studiefinanciering en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) of die een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding volgt buiten Nederland. Het leeftijdscriterium is niet van toepassing op een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg. Het is niet de bedoeling geweest om met dit wetsvoorstel te regelen dat een persoon die voltijds studeert wordt aangemerkt als kostendelende medebewoner, alleen omdat hij jonger dan 18 jaar was bij aanvang van de studie. Ten aanzien van het leeftijdscriterium wordt voorgesteld deze omissie via een tweede nota van wijziging, die tezamen met deze nota naar aanleiding van het verslag aan uw Kamer zal worden gezonden, te repareren, waardoor deze groep alsnog onder de uitzondering op de kostendelersnorm valt, zoals altijd de bedoeling was. Dit betekent dat voor de kostendelersnorm die betrekking heeft op studenten «bij aanvang van» wordt vervangen door «op enig moment tijdens» dat onderwijs. Op deze manier wordt ook de persoon die voltijds studeert en jonger is dan 18 jaar bij aanvang van de studie uitgezonderd van de kostendelersnorm.

Op de vraag van de leden van de D66-fractie of het klopt dat geen sprake is van kostendelen maar van een commerciële relatie indien in een pand meerdere mensen wonen, waarvan één persoon recht heeft op een uitkering waarop de kostendelersnorm van toepassing is, maar waar iedereen een eigen huurcontract heeft met de verhuurder (bijvoorbeeld kamerverhuur in een anti-kraakpand) antwoord de regering: ja, dit klopt in beginsel. Het is uiteindelijk aan het oordeel van de uitvoering om op basis van concrete feiten en omstandigheden van het geval vast te stellen dat het een commerciële relatie betreft, dan wel de kostendelersnorm van toepassing is.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de betrokkenen van wie de uitkering volgend jaar lager uitvalt als gevolg van het herstel van de omissie hiervan al op de hoogte zijn gebracht. Zo nee, hoe en wanneer worden de betrokkenen dan hierover geïnformeerd?

Voor de personen die door de wijzigingen er in inkomen op achteruitgaan, is een half jaar overgangsrecht geregeld tot 1 juli 2016. Het is aan gemeenten om de betreffende personen tijdig te informeren over de wijzigingen en de gevolgen voor hun uitkering. Verder zal het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemeenten ondersteunen bij de implementatie van de wijzigingen van de kostendelersnorm in de Participatiewet die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen door middel van voorlichting en een handreiking die door de Programmaraad wordt opgesteld.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering bekend is met signalen over de gevolgen van de kostendelersnorm in de Participatiewet bij gezinnen met een Nederlandse partner, een buitenlandse partner en kinderen. De lagere uitkering van de Nederlandse partner kan in tegenstelling tot als deze gezinnen twee Nederlandse partners zouden hebben gehad, niet zonder meer worden opgevangen door als buitenlandse partner een eigen uitkering aan te vragen. De gemeente zou de uitkering immers moeten melden aan het IND. Hoe kunnen te grote negatieve (financiële) effecten voor deze gezinnen met kinderen worden voorkomen, zo vragen deze leden.

De sociale zekerheid kenmerkt zich doordat een ieder de verantwoordelijkheid heeft zelfstandig in zijn eigen bestaan te voorzien. In de situatie dat dit niet het geval is, kan beroep worden gedaan op de Participatiewet. Een vreemdeling die rechtmatig verblijft en woonachtig is in Nederland heeft recht op bijstand. Wel kan in sommige gevallen een beroep op bijstand gevolgen hebben voor het verblijfsrecht. Dit is het geval bij vreemdelingen met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die niet op basis van humanitaire gronden is verstrekt. De gemeente meldt dit aan de IND. In deze gevallen zijn de verblijfsvergunningen verstrekt juist onder de voorwaarde dat de vreemdeling in eigen onderhoud kan voorzien zonder een beroep te doen op de Participatiewet. Het is aan het oordeel van de IND of beroep op bijstand in de individuele situatie gevolgen heeft voor het verblijfsrecht.

De kostendelersnorm in de Participatiewet houdt beter rekening met de schaalvoordelen die ontstaan als een of meer personen hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Hierbij telt iedereen van 21 jaar of ouder mee, behalve studenten en een commerciële relatie. Ondanks dat bij de invoering van de kostendelersnorm expliciet zorg is gedragen dat mensen niet onder de armoedegrens vallen, kan er altijd een individuele situatie zijn waarin het wenselijk is om individueel maatwerk te verlenen. De uitvoering dient op basis van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de rechthebbende belanghebbende, uiteraard met in achtneming van voorliggende voorzieningen. Dit is niet veranderd door invoering van de kostendelersnorm. Verder kunnen gemeenten voor de rechthebbende partner of de rechthebbende gezinsleden gebruik maken van bijzondere bijstand, indien er in het individuele geval sprake is van hogere noodzakelijke kosten.

Gegevensuitwisseling tussen de SVB en de Stichting Normering Arbeid (SNA)

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel gedetacheerden met een A1-verklaring in Nederland werken en willen verder weten hoe het toezicht hierop is georganiseerd en hoe het eventueel wordt verbeterd.

De meest actuele cijfers hebben betrekking op 2013. In 2013 heeft Nederland 100.423 A1-verklaringen ontvangen van andere EU lidstaten.6 Bij het toezicht op de afgifte en de juistheid van afgegeven A1-verklaringen zijn verschillende instanties betrokken. In de eerste plaats zijn dit de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank. Daarnaast zijn er ook verschillende inspectiediensten zoals Inspectie SZW en Inspectie Leefomgeving en Transport bij het toezicht betrokken. In het kader van de aanpak van schijnconstructies werken ketenpartners en inspectiediensten aan het verbeteren van de onderlinge informatie-uitwisseling. Ook de thans voorliggende maatregel, het mogelijk maken van de terugkoppeling van informatie door SVB aan SNA, is hier een voorbeeld van.

Verder wordt ingezet op het verbeteren van de internationale samenwerking op dit terrein, bijvoorbeeld door het maken van bilaterale afspraken. Zo hebben gesprekken plaatsgevonden met Polen, Bulgarije en Roemenië en is in deze landen extra personeel aangesteld bij de ambassade. Ook met Cyprus zijn afspraken gemaakt over de gezamenlijke aanpak van schijnconstructies.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoeveel Nederlanders er worden gedetacheerd in de EU en hoeveel daarvan een A1-verklaring krijgen.

Ook hier hebben de meest actuele cijfers betrekking op 2013. In 2013 heeft Nederland 95.719 A1-verklaringen afgegeven ten behoeve van personen die werkzaamheden gingen verrichten in andere EU lidstaten.7

Beëindigen organisatiegericht toezicht

De leden van de VVD-fractie vragen wat er met het beëindigen van het organisatiegerichte toezicht door de Inspectie SZW wordt bedoeld. Onder organisatiegericht toezicht wordt feitelijk extern toezicht verstaan door de Inspectie SZW op de interne bedrijfsvoering (rechtmatigheid, doelmatigheid) van het UWV en de SVB. Beëindigen van dit toezicht betekent dat het jaarlijkse onderzoek naar de jaarverantwoording van UWV en SVB na het verantwoordingsjaar 2015 wordt beëindigd. Dat geldt ook voor de jaarverantwoording van BKWI, als afzonderlijk organisatieonderdeel van UWV. De Inspectie SZW kan verder geen toezichtonderzoek meer initiëren, gericht op de interne bedrijfsvoering, waaronder risicobeheersing en interne verantwoording van de organisaties.

De leden van de VVD-fractie vragen verder hoe het toezicht op de doeltreffendheid en organisatiegericht toezicht van elkaar verschillen en in hoeverre hier een overlap in zit. Toezicht gericht op de doeltreffendheid richt zich op de bijdragen die de uitvoering al dan niet levert aan het behalen van de beleidsdoelen op het niveau van het stelsel van werk en inkomen. De focus en vraagstelling van dit soort onderzoek verschilt van het organisatiegerichte toezicht. De Inspectie SZW kijkt bij toezicht op de doeltreffendheid naar de wijze waarop de door de uitvoeringsorganisaties gemaakte (beleids)keuzes en de ingezette middelen een bijdrage leveren aan het behalen van de doelstellingen van de wetgever. De focus en vraagstelling bij organisatiegericht toezicht is niet gericht op stelselniveau, maar op de rechtmatigheid, de bedrijfsvoering en de interne sturing- en beheersmaatregelen van de individuele organisaties. De opbrengst van 500 duizend euro in 2018 ontstaat door besparing op de personeelskosten. Voor de jaren 2016 en 2017 is rekening gehouden met de nog benodigde formatie voor de uitvoering van het verantwoordingsgerichte onderzoek over 2015 en voor de afronding van organisatiegericht toezichtonderzoek.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de overwegingen die ten grondslag liggen aan het beëindigen van het organisatiegerichte toezicht. Deze overwegingen zijn voor de SVB dezelfde als voor het UWV. Het voorstel wordt gedaan in het kader van de taakstelling Rutte II en borduurt voort op een eerder genomen besluit om taken van de Inspectie met betrekking tot de recht- en doelmatigheid van de uitvoering door UWV en SVB uit de toezichtsfeer te halen. De borging van de recht- en doelmatigheid is onderdeel van de algemene sturing- en verantwoordingsrelatie tussen de Minister en de twee zbo’s. Destijds is het verantwoordingsgerichte onderzoek al zoveel mogelijk aangepast aan het principe van de zogenaamde single auditaanpak. De verdergaande verbetering van zowel de eigen verantwoording door de organisaties, de controle daarop door accountantsdiensten en auditingcommissies, als de verbetering van de sturingscyclus tussen het departement en de zbo’s, maakt het mogelijk het organisatiegerichte toezicht door de Inspectie SZW te beëindigen, terwijl de Minister zijn verantwoordelijkheid waar kan blijven maken.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de sturingscyclus tussen het departement en de SVB is verbeterd, zoals in de toelichting op het wetsvoorstel is aangegeven. De sturingscyclus tussen het departement en de SVB is versterkt nadat er een herijking van de sturingsrelatie heeft plaatsgevonden. Onder meer naar aanleiding van deze herijking worden de rollen van eigenaar (o.a. verantwoordelijk voor de continuïteit van de SVB) en opdrachtgever (beleidsinhoudelijk verantwoordelijk) duidelijker gepositioneerd. Daarnaast is het ministerie bezig met meer risicogericht sturen. Daarbij worden uitvoeringsrisico’s regulier op bestuurlijk niveau besproken met de SVB en wordt bezien welke maatregelen ten aanzien van deze risico’s (moeten) worden genomen. Tevens heeft de Raad van Bestuur van de SVB een Chief Information Officer (CIO) aangesteld die de ICT-projecten bij de SVB aanstuurt. Deze CIO valt direct onder de Raad van Bestuur. Hiermee wordt een trapsgewijs besluitvormingsproces gestimuleerd. Ook bij het departement wordt de CIO-rol nader ingevuld. Vanuit zowel de rol van eigenaar als de rol van opdrachtgever krijgt sturing op ICT meer nadruk. Ook heeft de SVB een audit committee ingesteld. Een audit committee levert een kritische blik en versterkt daarmee het kritisch vermogen binnen de organisatie. Dit audit committee zal onder meer adviseren over de financiële bedrijfsvoering en verslaglegging; de planning- en controlcyclus en het risicomanagementbeleid van de SVB. Met al deze maatregelen is zowel de besluitvormingsstructuur binnen de SVB als de sturingscyclus vanuit het departement versterkt.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe het toezicht op grote ICT-projecten (als SVB-Tien) in de toekomst wordt vormgegeven en wat er exact verandert. Naast de verbeterde interne borging zijn er de afgelopen tijd ontwikkelingen geweest die verder bijdragen aan het versterken van de sturing op de SVB, zoals het instellen van CIO-rollen, audit committee en risicogericht sturen. Ook zullen de maatregelen naar aanleiding van het rapport Elias worden geïmplementeerd.

De leden van de VVD-fractie vragen of het in het licht van de uitvoeringsperikelen bij de SVB op het gebied van ICT-infrastructuur verstandig is om deze verandering door te voeren. Ook na deze verandering heeft de Minister alle mogelijkheden om zijn verantwoordelijkheid op dit gebied waar te maken. De Minister kan de benodigde informatie in eerste instantie halen uit de verantwoording van de SVB. Indien hij daartoe aanleiding ziet kan hij nader onderzoek instellen door de Auditdienst Rijk (ADR) of door een extern onderzoeksbureau. Ook laat het beëindigen van het organisatiegerichte toezicht in beginsel onverlet dat de Minister onderzoek laat uitvoeren door de Inspectie SZW. De inspectie kan dergelijk (toezicht)onderzoek echter niet zelf meer initiëren. Vanwege de afbouw van capaciteit binnen de Inspectie kan een verzoek van de Minister wel leiden tot herprioritering van de programmering van de inspectie. Daarbij zal er overigens wel rekening mee moeten worden gehouden dat de Inspectie SZW de voor dergelijk onderzoek benodigde specifieke kennis en expertise zal afbouwen.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze continu toezicht op de interne bedrijfsvoering geborgd blijft. De interne bedrijfsvoering is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur van de zbo’s. Borging vindt plaats via de algemene sturing- en verantwoordingsrelatie tussen de Minister en de zbo’s. Basis hiervoor vormt de eigen verantwoording door de zbo’s, de controle daarop door accountantsdiensten en auditingcommissies.

Indien daartoe aanleiding is kan de ADR worden gevraagd naar een of meer aspecten onderzoek te doen.

Doorbelasting loonaanvullingsuitkering aan eigenrisicodrager

De leden van de VVD-fractie hebben vragen gesteld over de doorbelasting van de loonaanvullingsuitkering. Zij vragen wat er wordt geregeld en of wordt aangesloten bij wat gebruikelijk is voor privaat of publiek verzekerden. Ook vragen ze of rekening wordt gehouden met inkomen en of het voorstel leidt tot hogere of lagere werkgeverslasten. Daarnaast vragen ze naar het aantal personen en de grondslag van de uitkering en waarom het 24 maanden duurt voordat de uitkering wordt gebaseerd op de mate van arbeidsgeschiktheid.

Het voorstel stelt de doorbelasting van loonaanvullingsuitkering voor privaat verzekerden gelijk aan de doorbelasting van deze uitkering voor publiek verzekerden: er wordt ook bij hen rekening gehouden met inkomsten genoten tijdens de uitkering. Daardoor wordt niet meer doorbelast dan het niveau van de vervolguitkering. Inkomsten uit arbeid tijdens de uitkering kunnen dus leiden tot verlaging van de lasten ook voor werkgevers die eigenrisicodrager zijn. Een loonaanvullingsuitkering wordt aan werkgevers slechts gedeeltelijk doorbelast. Doorbelast wordt slechts tot het niveau van de vervolguitkering waarop de uitkeringsgerechtigde recht zou hebben gehad als hij geen loonaanvullingsuitkering zou krijgen. Het deel van de loonaanvullingsuitkering dat hoger is dan de vervolguitkering wordt dus niet doorbelast. Niet bekend is hoeveel personen een loonaanvullingsuitkering ontvangen waarvoor ze niet hoeven te voldoen aan de inkomenseis.

De uitkeringsgerechtigde die volledig arbeidsongeschikt is geweest en vervolgens na herkeuring gedeeltelijk arbeidsongeschikt blijkt, heeft recht op een loonaanvullingsuitkering. Hij hoeft gedurende een periode van 24 maanden nog niet aan de inkomenseis te voldoen; de uitkering is loongerelateerd en wordt in deze periode gebaseerd op het niveau van een uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid. Indien hij wel inkomsten uit arbeid heeft, dan worden die inkomsten bij de uitkeringsgerechtigde volgens de normale regels voor 70% in mindering gebracht op de loonaanvullingsuitkering. De termijn is gesteld op 24 maanden om deze persoon de gelegenheid te geven zich daarop in te stellen en passende arbeid te zoeken. De belangrijkste reden is dat tijdelijk volledig arbeidsgeschikten wellicht al jarenlang in de positie hebben gezeten dat ze niet hebben kunnen werken. Men kan dan niet verlangen dat ze in korte tijd een baan vinden waarin ze ten minste de helft van hun resterende verdiencapaciteit benutten.

3. UITVOERING

De leden van de fracties PvdA, SP en CDA hebben vragen gesteld over de door de VNG verwachte extra uitvoeringskosten. De VNG heeft in hun uitvoeringstoets van 11 mei 2015 aangegeven dat zij voor de technische aanpassingen van de kostendelersnorm in de Participatiewet extra uitvoeringskosten verwacht. In ambtelijk contact met de VNG is gevraagd om nadere onderbouwing van dit standpunt, daar de regering van mening is dat de technische wijzigingen geen noemenswaardige veranderingen te weeg brengen voor de uitvoering. De VNG heeft op het verzoek om extra informatie geen onderbouwing aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gegeven voor de extra kosten; ook niet nadat het Ministerie officieel per brief de VNG heeft geïnformeerd dat gemeenten niet extra zullen worden gecompenseerd. De uitvoeringskosten van deze wijzigingen zijn naar inschatting van de regering verwaarloosbaar, waardoor er geen reden is om gemeenten te compenseren.

Met betrekking tot uitvoering merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat het UWV een mogelijk risico ziet in het met terugwerkende kracht in werking laten treden van artikel 20 WW, omdat er een nieuwe definitie wordt geïntroduceerd van het begrip «werkloos blijven». De wijziging in artikel 20 WW introduceert echter geen nieuwe definitie, maar expliciteert alleen wat al bedoeld werd. Dit omdat het onduidelijk zou kunnen zijn of een WW-gerechtigde nog werkloos is als hij geen arbeidsurenverlies van meer dan vijf uur heeft, maar nog wel een inkomensverlies van minstens 12,5% heeft. Met de wijziging in artikel 20 WW wordt verhelderd dat een WW-gerechtigde in dat geval nog steeds werkloos is. Er is gekozen voor terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2015, omdat vanaf dat moment door wijzigingen in verband met de Wwz, mogelijk onduidelijkheid kan ontstaan over het al dan niet werkloos zijn.

4. ARTIKELSGEWIJS

Participatiewet

Onderdeel W (artikel 60c Participatiewet), artikel XIX, onderdeel B (artikel 29a IOAW) en artikel XX, onderdeel B (artikel 29a IOAZ)

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten op welke wijze voorkomen wordt dat een betrokkene na het einde van de schuldregeling als gevolg van het moeten aflossen van de boetes opnieuw in de financiële problemen komt. De leden van de fracties van de SP en CDA vragen waarom gemeenten niet de mogelijkheid krijgen om op basis van een individuele afweging vorderingen in het kader van het niet nakomen van de inlichtingenplicht geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

De verduidelijking in dit wetsvoorstel betreft artikelen in de Participatiewet, IOAW en IOAZ die met de zogenaamde Fraudewet zijn geregeld en is in lijn met overeenkomstige bestaande artikelen in de socialezekerheidswetten. Uitgangspunt van de regering is dat fraude niet mag lonen en dat onterecht betaalde uitkeringen altijd terugbetaald moeten worden. Daarom kan er geen sprake zijn van medewerking aan een schuldregeling waarbij uiteindelijk kwijting van fraudevorderingen aan de orde is. Om te voorkomen dat na afloop van de schuldregeling opnieuw financiële problemen bij betrokkene ontstaan door nog openstaande fraudevorderingen kunnen gemeenten bij de verdere aflossing rekening houden met het eerdere langdurige traject en daarop de inning aanpassen door een betalingsregeling te treffen. Overigens zijn met de aanpassingen van de Fraudewet, waarvoor ik op korte termijn een wetsvoorstel hoop aan te bieden aan uw Kamer, en met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, gemeenten, UWV en SVB gehouden om bij de bepaling van de boete rekening te houden met de mate van verwijtbaarheid, de ernst van de overtreding en de omstandigheden. Hierbij kunnen eventueel ook de financiële omstandigheden van iemand worden betrokken. Boetes zullen hierdoor in veel gevallen lager zijn dan voorheen. Als gevolg hiervan zullen naar verwachting minder vaak en minder grote schulden ontstaan- en na een schuldregeling blijven openstaan- als gevolg van het overtreden van de inlichtingenplicht.

De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de regering om aan de hand van voorbeelden en criteria toe te lichten in welke situaties de medewerking aan een schuldregeling als sprake is van fraudevorderingen door gemeenten opportuun wordt gevonden. Door mee te werken aan een schuldregeling kan betrokkene financiële rust worden geboden, waarbij na een periode van drie jaren andere schulden worden kwijtgescholden en enkel nog (een deel van) de fraudevordering openstaat. Vanuit het perspectief van de gemeente als schuldeiser kan dat aantrekkelijk zijn als een vordering bijvoorbeeld reeds geruime tijd zonder significante aflossing in de boeken staat. Daarnaast kan medewerking opportuun zijn omdat hiermee andere dreigende maatschappelijke kosten – samenhangende met een voortdurende schuldenproblematiek – die op het gemeentelijke budget drukken worden voorkomen. Tot slot hebben gemeenten vaak belang bij een snelle re-integratie en werkhervatting van de uitkeringsgerechtigde. Problematische schulden kunnen daar een belangrijke belemmering voor vormen. Een schuldregeling kan die belemmering wegnemen.

Werkloosheidswet

Onderdeel E (artikel 42b WW)

De leden van de SP-fractie vragen of de voorgestelde aanpassing inhoud dat een eventueel grotere aanspraak op WW met terugwerkende kracht wordt toegekend. Het betreft hier het herstel van een inhoudelijke wijziging van artikel 42b door de Wet werk en zekerheid die niet was beoogd. Juist omdat deze wijziging niet voorzien was, voert het UWV het beleid uit zoals het was beoogd. Dit betekent dat de duur van de uitkering, nadat de wijziging van onderdeel E in werking is getreden, correct is en er dus geen sprake is van een grotere aanspraak met terugwerkende kracht.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

BIJLAGE: Overzicht wijzigingen in Verzamelwet en nota van wijziging

Kleine beleidsmatige wijzigingen Verzamelwet

Aanpassen Algemene kinderbijslagwet

Met de wijziging wordt geregeld dat dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen voor het kind van de verzekerde dat voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor de Rijn-, binnen- en kustvaart volgt kan worden verkregen. Zie artikel I, onderdeel A.

Ook wordt de Algemene kinderbijslagwet gewijzigd om de bevoegdheid van de SVB om met meer dan 1 jaar terugwerkende kracht kinderbijslag toe te kennen, te laten vervallen. Zie artikel I, onderdeel B.

Kostendelersnorm en studenten

De uitzondering van studenten op de kostendelernorm, die betrekking heeft op beroepsonderwijs en onderwijs waarvoor aanspraak kan bestaan op studiefinanciering en Wet tegemoetkoming schoolgaande kinderen, wordt aangaande nationaliteit en studeren in het buitenland verduidelijkt. Zie artikelen II onderdeel A, VIII, onderdeel E, XIX, onderdeel A, XX, onderdeel A, en XXIII, onderdelen A en B.

Begrip kleine werkgever

In het BW is geregeld wat onder een kleine werkgever wordt verstaan. Daarbij is het aantal werknemers dat in dienst is in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt bepalend. Doordat voor de ene werknemer een langere opzegtermijn kan gelden dan voor de andere werknemer, kan het zich voordoen dat de arbeidsovereenkomst van een aantal werknemers net voor het einde van een kalenderjaar eindigt, terwijl de arbeidsovereenkomsten van andere werknemers in het volgende kalenderjaar eindigt, terwijl de ontslagprocedure van alle werknemers gelijktijdig is gestart. Dat leidt tot onwenselijke uitkomsten en wordt hersteld. Voorgesteld wordt om waar mogelijk het moment waarop het verzoek om toestemming of ontbinding is gedaan bepalend te laten zijn voor de berekening van het aantal werknemers dat bepalend is voor de vraag of het een kleine werkgever betreft. Zie artikel VI, onderdelen G en H.

Aanpassen vangnetbepalingen Participatiewet

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Participatiewet per 1 januari 2015 is voor de verdeling van de macrobudget over de individuele gemeenten een nieuw verdeelmodel van kracht geworden, het multiniveaumodel. Met de invoering van het nieuwe verdeelmodel is ook de uitwerking van de aanvullende uitkeringen gewijzigd. Vanwege het tijdelijke karakter van de nieuwe vangnetuitkering voor 2015 is de invoering ervan geregeld in lagere regelgeving. Vanaf 2016 zal het nieuwe vangnet een meer definitief karakter krijgen en is het wenselijk ook de Participatiewet aan te passen op de voornoemde ontwikkelingen. Zie artikel VIII, onderdelen Y en Z.

Kostendelersnorm Participatiewet

Enkele wijzigingen om kostendelersnormsystematiek in de wet te vereenvoudigen en omdat er is gebleken dat de huidige kostendelersnorm in de Participatiewet per abuis enkele onjuistheden bevat. Hierdoor ontvangt een kleine doelgroep een onjuist bedrag aan uitkering; sommigen te hoog, anderen te laag. Zie artikel VIII, onderdelen E, F, G, H, I, J, K en Aa.

Gegevensuitwisseling tussen SVB en Stichting normering arbeid (SNA)

In het kader van het bepalen van de vraag of personen sociaal verzekerd zijn in Nederland, of in het buitenland, wisselt de SVB gegevens uit met sociale zekerheidsinstellingen in het buitenland. De SNA doet een melding aan de SVB wanneer zij vermoedt dat de buitenlandse sociale zekerheidsinstelling ten onrechte heeft verklaard dat een in Nederland werkzame persoon niet onder het Nederlandse sociaalverzekeringsstelsel valt, maar sociaal verzekerd is in het buitenland. Deze wijziging maakt het mogelijk dat wanneer de SVB concludeert dat een verklaring daadwerkelijk onterecht is afgegeven, zij dit aan de SNA terugkoppelt. Zie artikel XII, onderdeel B.

Terugvordering door het UWV

Enkele terugvorderingsbepalingen worden gewijzigd. Dit naar aanleiding van uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Zie artikel X, onderdelen C en D, artikel XV, onderdelen C en D, artikel XVI, onderdelen D en E, artikel XXVI, onderdelen C en D, artikel XXVIII, onderdeel O, artikel XXXII, onderdeel E en F, artikel XXXIV, onderdelen E en F.

Beëindigen organisatiegericht toezicht

Met deze wijziging wordt het toezicht op de SVB en het UWV door de Inspectie SZW beëindigd. Onder organisatiegericht toezicht valt onderzoek naar de jaarverantwoording en toezicht op de interne bedrijfsvoering. Zie artikel XXVIII, onderdelen A, D t/m L en N.

Doorbelasting loonaanvullingsuitkering aan eigenrisicodrager

Naar aanleiding van onduidelijkheid in verschillen in doorbelasting van de loonaanvullingsuitkering tussen publiek verzekerde en eigenrisicodragende werkgevers, is de bepaling over het verhaal bij eigenrisicodrager gelijkgetrokken met de bepaling bij de publiek verzekerde werkgever. Zie artikel XXXII, onderdeel G.

Medewerking schuldregeling

In de Participatiewet, IOAW en IOAZ is verduidelijkt dat geen medewerking wordt verleend aan een schuldregeling ten aanzien van de desbetreffende vorderingen voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vorderingen. Zie artikelen VIII, onderdeel W, XIX, onderdeel B, en XX, onderdeel B.

Technische wijzigingen Verzamelwet

Onderdeel

Kwalificatie

Artikel I

 

Onderdeel C

Technisch-redactioneel

Onderdeel D

Vervallen samenloop tegemoetkoming en kinderbijslag

Onderdeel D

Verwijdering overbodig artikellid

   

Artikel II

 

Onderdeel A, onder 1

Verduidelijking toepassing woonlandbeginsel

Onderdeel A, onder 2,

Artikel VIII, onderdeel E

Artikel XIX, onderdeel A, onder 2

Artikel XX, onderdeel A, onder 2

Artikel XXIII, onderdelen A en B

Verduidelijking wetteksten met betrekking tot uitzondering studerenden op kostendelersnorm

Herstel omissies

Onderdelen B, C

Artikel III, onderdeel B

Aanpassen verwijzingen

   

Artikel III

 

Onderdeel A

Technisch-redactioneel

Onderdeel C

Herstel omissie

Onderdeel D

Technisch-redactioneel

   

Artikel IV

 

Onderdelen A, B

Artikel V, onderdeel B

Artikel XII, onderdeel A

Artikel XIV, onderdeel A

Wijzigingen waardoor gebruik van sofinummer vervalt

   

Artikel V

 

Onderdeel A

Artikel XIV, onderdeel B

Artikel XXIV, onderdeel B

Herstel omissie, met Wet aanpak schijnconstructies is niet in alle arbeidswetten geregeld dat besluiten ten aanzien van de openbaarmaking op grond van verschillende arbeidswetten worden genomen namens de Minister

   

Artikel VI

 

Onderdeel A

Verduidelijking over vergoeding bij overschrijden of niet nakomen van aanzegtermijn

Onderdeel B

Verduidelijking wettekst met betrekking tot opzegging arbeidsovereenkomst bij bereiken AOW- of pensioenleeftijd

Onderdeel C

Technisch-redactioneel

Onderdeel D, onder 1 en 2

Gelijktrekken regels mbt eindigen arbeidscontract bij afwijken afspiegelingsbeginsel

Onderdeel D, onder 3

Toevoeging dat UWV of cao-commissie geen toestemming verleent bij opzegverbod

Onderdeel E

Gelijktrekken vrijstelling verplichting deskundigenoordeel

Onderdeel F

Verduidelijking wettekst met betrekking tot opzegging arbeidsovereenkomst bij bereiken AOW- of pensioenleeftijd

Onderdeel I

Herstel omissie

Onderdeel J

Toevoeging verwijzing

Onderdeel K

Technisch-redactioneel

Onderdeel L

Samenvoeging subonderdelen

   

Artikel VII

 

Onderdelen A, B

Aanpassing in verband met harmoniseren subsidieregelingen SZW, VWS en OCW

   

Artikel VIII

 

Onderdeel A

Technisch-redactioneel

Onderdelen B, L, onder 1, N, O, R, S en T

Artikel XIX, onderdeel A, onder 3

Artikel XX, onderdeel A, onder 3

Verwijderen uitgewerkte bepalingen

Onderdeel C

Aanpassing verwijzing

Onderdeel D

Aanpassing verwijzing

Onderdeel L, onder 2

Technisch-redactioneel

Onderdelen M, V

Technisch naar aanleiding van aanpassing kostendelersnormsystematiek

Onderdeel P

Toevoeging verwijzing

Technisch-redactioneel

Onderdeel Q

Technisch-redactioneel

Onderdeel U

Aanpassing verwijzing

Onderdeel X

Aanpassing naam toetsingscommissie

Onderdelen Y, Z

Aanpassing naar nieuwe terminologie

   

Artikel IX

 

Onderdeel A

Aanpassing terminologie naar aanleiding van inwerkingtreding Wet werk en zekerheid

Onderdeel B

Overgangsrecht

   

Artikel X

 

Onderdeel A

Technische aanpassing met betrekking tot fictief inkomen

Onderdeel B

Verduidelijking begrip werkloosheid

Onderdeel E

Herstel omissie

Onderdeel F

Aanpassing verwijzing

Onderdeel G

Verduidelijking wettekst

Technisch redactioneel

Onderdelen H, I

Aanpassing verrekening inkomsten met uitkering op grond van IV WW

Onderdeel J

Verduidelijking overgangsrecht

Onderdeel K

Aanpassing in verband met overgangsrecht Wet werk en zekerheid

Onderdeel L

Herstel omissie overgangsrecht overlijdensuitkering

   

Artikel XI

Aanpassing onjuiste verwijzing

   

Artikel XIII

 

Onderdeel A

Herstel omissies bevallingsverlof bij overlijden partner

Toevoeging over tijdigheid declaratieverzoek

Onderdelen B, C

Herstel omissie gelijkstelling verlof meerlingen voor werknemer, gelijkgestelde en zelfstandige

Onderdeel D

Verwijderen overbodig artikel

Onderdeel E

Technisch-redactioneel

   

Artikel XV

 

Onderdeel A

Technisch-redactioneel

Onderdeel B

Artikel XVI, onderdeel C

Artikel XXVI, onderdeel B

Toevoeging over verrekening loon uit polisadministratie met uitkering

   

Artikel XVI

 

Onderdeel A

Herstel omissies

Onderdeel B

Aanpassing verwijzing

Onderdeel F

Herstel omissie re-integratieinstrumenten Wajong

Onderdeel G

Herstel omissie niet beoogd verschil werknemers en zelfstandigen

   

Artikel XVII

 

Onderdeel A

Aanpassing verwijzing

Onderdelen B, C

Aanpassing verwijzing

Onderdeel D

Invoeging delegatiebepaling

Onderdeel E

Technisch-redactioneel

Onderdeel F

Aanpassing verwijzing

Onderdeel G, onder 1

Aanpassing verwijzing

Onderdeel G, onder 2

Herstel omissie wachttijd WIA

Onderdeel H

Technisch-redactioneel

   

Artikel XVIII

Aanpassing duur onderbrekingen

Aanpassing om rekening te houden met onvoorziene omstandigheden

   

Artikel XIX

 

Onderdeel A

Vervallen verwijzing

Onderdeel C

Aanpassing verwijzing

Onderdeel D

Herstel omissie overgangsrecht

   

Artikel XXI

 

Onderdeel A

Verduidelijking voorwaarden recht op IOW

Invoeging verwijzing

Onderdeel B

Vervallen artikel

   

Artikel XXII

 

Onderdelen A, B, D tot en met F, H en I

Technisch-redactioneel

Onderdel C en G

Wettelijk basis gegevensuitwisseling van geschillencommissie en college voor informatie registers (kindercentrum, gastouder of peuterspeelzaal)

   

Artikel XXIV

 

Onderdeel A

Aanpassing gegevensverkeer vanwege Wet aanpak schijnconstructies

   

Artikel XXV

Artikel XXXIII, onder 2

Redactionele wijziging van «vijfdaagse werkweek» naar een «werkweek van vijf dagen of minder».

   

Artikel XXVI

 

Onderdeel A

Technische wijziging loonbegrip

   

Artikel XXVII

 

Onderdeel A

Aanpassing indexering

Onderdeel B

Vervallen uitgewerkte bepaling

   

Artikel XXVIII

 

Onderdeel B

Technisch-redactioneel

Onderdeel C

Aanpassing in de Wet SUWI vanwege wijzigingen in het BW

Onderdeel M

Herstel van per abuis vervallen bepaling

   

Artikel XXIX

Technische wijziging omdat de wijziging qua systematiek beter past in een ander hoofdstuk van de AKW

   

Artikel XXX

Technische wijziging vanwege aanpassingen in artikel XXVIII

   

Artikel XXXI

Technische correctie van wijzigingopdracht in de Wet vereenvoudiging regelingen UWV

   

Artikel XXXII

 

Onderdelen A, B en C

Technisch-redactioneel

Onderdeel D

Verduidelijking / redactioneel

   

Artikel XXXIII

Aanpassing verwijzing

   

Artikel XXXIV

 

Onderdeel A

Technisch-redactioneel

Onderdeel B

Voorziet in completering van wettelijke voorrangsbepalingen bij samenloopsituaties van uitkeringen op basis van algemene en bijzondere gronden

Onderdeel D

Harmonisering met Wet WIA, WAO, WAZ en Wajong over niet verschijnen spreekuur

Onderdeel G

Verduidelijking

Onderdeel H

Verduidelijking overgangsrecht

   

Artikel XXXV

Eenmalige aanpassing van bedragen in de Participatiewet, IOAW en IOAZ vanwege indexering

Nota van wijziging

Kleine beleidsmatige wijzigingen

BW

Met deze wijziging wordt een omissie hersteld en de bevoegdheid gecreëerd om bij ministeriele regeling te bepalen dat bepaalde categorieën arbeidskrachten, die niet als werknemer werkzaam zijn bij een werkgever, meegeteld worden bij het bepalen van het aantal werknemers dat de werkgever in dienst had. Zie onderdeel 2.

Participatiewet

De wet wordt verduidelijkt op het punt wanneer de gemeente re-integratieverantwoordelijk blijft voor mensen met een arbeidsbeperking. Zie onderdeel 3.

WW

Er wordt geregeld dat, indien bij de beëindiging van de dienstbetrekking de rechtens geldende opzegtermijn niet in acht is genomen, het recht op een WW-uitkering niet eerder kan ontstaan dan nadat de betreffende termijn is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Zie onderdelen 5 en 6.

Doelgroep banenafspraak

Er wordt een grondslag gecreëerd om afspraken over de beoordeling van de doelgroep van de banenafspraak vast te leggen in lagere regelgeving. Zie onderdeel 8.

Technische wijzigingen

Onderdeel

Kwalificatie

1

Verduidelijking wettekst

4

Herstel omissie

7, onderdelen A en B

Invoegen verwijzing

7, onderdeel C

Herstel omissie

9

Herstel omissie

10, 11

Aanpassing bedragen

12

Herstel omissie

13

Wettekst in overeenstemming met bedoeling amendement

14

Mogelijkheid aanpassen bedragen (nav indexering)


X Noot
1

Vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34 052, nr. 8, blz. 3.

X Noot
2

Zie kamerstuk 30 545, nr. 137.

X Noot
3

Zie de brieven van 29 september 2014 en 22 december 2014, Kamerstukken 30 545, nrs. 140 en 149.

X Noot
4

Zie de brieven van 24 februari 2015 en 19 juni 2015, Kamerstukken 30 545, nrs. 151 en 162.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2014/15, 2015D21476 Verzamelbrief gemeenten 2015–1, paragraaf 30

X Noot
6

Rapport van de Europese Commissie over afgegeven A1-verklaringen in 2012 en 2013, december 2014

X Noot
7

Rapport van de Europese Commissie over afgegeven A1-verklaringen in 2012 en 2013, december 2014