Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533962 nr. 31

33 962 Regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)

Nr. 31 AMENDEMENT VAN HET LID RONNES

Ontvangen 29 mei 2015

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onder a, wordt voor «provinciaal belang» ingevoegd: aanmerkelijk.

2. In het derde lid, onder a, wordt voor «nationaal belang» ingevoegd: aanmerkelijk.

II

In artikel 5.10, eerste lid, onder a, wordt voor «provinciaal belang» ingevoegd: aanmerkelijk.

III

Artikel 5.11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder a en f wordt voor «nationaal belang» ingevoegd: aanmerkelijk.

2. Onder c, onder 2°, wordt voor «nationale veiligheidsbelangen» ingevoegd: aanmerkelijke.

IV

In artikel 5.44, eerste lid, wordt voor «nationaal belang» ingevoegd: aanmerkelijk.

V

In artikel 19.8, derde lid, wordt voor «nationaal belang» ingevoegd: aanmerkelijk.

Toelichting

In artikel 2.3 van de Omgevingswet zijn algemene criteria voor de verdeling van taken en bevoegdheden tussen gemeente, provincie en het Rijk opgenomen. Uitgangspunt is dat de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet worden overgelaten aan gemeentelijke bestuursorganen («decentraal, tenzij»). Bestuursorganen van provincies of het Rijk mogen, wanneer dat in het wetsvoorstel of de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving is bepaald, taken en bevoegdheden alleen uitoefenen als dat nodig is:

  • a. met het oog op een provinciaal respectievelijk nationaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, of

  • b. voor een doelmatige of doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

Dit amendement regelt dat provincies en het Rijk niet zomaar kunnen spreken van een provinciaal of nationaal belang (zie onder a). Provincies en het Rijk mogen op grond van artikel 2.3, tweede lid en derde lid, onder a, alleen taken en bevoegdheden uitoefenen wanneer sprake is van een «aanmerkelijk» provinciaal of nationaal belang. Dit geldt tevens voor de uitoefening van bevoegdheden op grond van de artikel 5.10, eerste lid, onder a, artikel 5.11, eerste lid, onder a, onder c, onder 2° en onder f, artikel 5.44, eerste lid en artikel 19.8, derde lid.

Indiener wil dat de provincies en het Rijk niet lichtzinnig kunnen spreken van een provinciaal of nationaal belang en daardoor bevoegdheden van gemeenten zouden kunnen overnemen. Er moet in dergelijke gevallen sprake zijn van een «aanmerkelijk» provinciaal of nationaal belang. Het provinciaal dan wel nationaal belang, vastgesteld door het betreffende bestuursorgaan, moet zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 399) altijd kenbaar zijn uit de motivering van het besluit waarbij de criteria uit artikel 2.3 in acht moeten worden genomen. Uit de motivatie moet duidelijk worden dat het provinciaal respectievelijk nationaal belang niet doelmatig en doeltreffend door het gemeentelijk respectievelijk provinciaal bevoegd gezag kan worden behartigd (artikel 2.3, tweede en derde lid, onder a). Indiener vindt dat de provincies en het Rijk hier terughoudend mee om moeten gaan.

Ronnes