Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533662 nr. 16

33 662 Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens alsmede uitbreiding van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggen (meldplicht datalekken en uitbreiding bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp)

Nr. 16 AMENDEMENT VAN DE LEDEN VAN WIJNGAARDEN EN OOSENBRUG

Ontvangen 4 februari 2015

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel D, wordt artikel 66 als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: of het gevolg is van ernstig verwijtbare nalatigheid.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het College kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht in geval van niet-nakoming van een bindende aanwijzing. Artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

Dit amendement regelt dat het College bescherming persoonsgegevens eveneens geen bindende aanwijzing hoeft te geven aan de overtreder alvorens het een bestuurlijke boete kan opleggen waarvoor de hoogste wettelijke, aan artikel 23, vierde en zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht ontleende boetemaximumbedragen gelden, indien de overtreding het gevolg is van ernstig verwijtbare nalatigheid, dat wil zeggen het gevolg is van grof, aanzienlijk onzorgvuldig, onachtzaam dan wel onoordeelkundig handelen.

Indien meerdere malen eenzelfde type overtreding heeft plaatsgevonden, kan sneller worden aangenomen dat sprake is van nalatigheid.

Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kunnen zich uitzonderlijke situaties voordoen die vragen om een punitieve maatregel vanwege enerzijds de ernst van de schending van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het gemak waarmee de schending voorkomen had kunnen worden.

Ter verduidelijking van het voorgestelde systeem is in die gevallen waarin wel een bindende aanwijzing wordt gegeven, het niet-nakomen van een dergelijke bindende aanwijzing afzonderlijk bestuurlijk beboetbaar gesteld (artikel 66, vijfde lid). Hiermee wordt aangesloten bij vergelijkbare constructies in andere wetten en de Algemene wet bestuursrecht.

Van Wijngaarden Oosenbrug