33 628 Forensische zorg

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 maart 2015

Naar aanleiding van vragen van het lid Oskam tijdens het vragenuur van 10 februari 2015 jongstleden over een rapport en optreden van patholoog-anatoom Frank van de Goot bij RTL Late Night op 9 februari 2015 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer toegezegd een reactie op het rapport te zenden en daarbij een eerste verkenning te doen naar de omvang van de gerechtelijke secties in de landen om ons heen (Handelingen II 2014/15, nr. 52, item 3). Tevens heeft hij u tijdens het AO Politie van 11 februari 2015, op verzoek van het lid Berndsen toegezegd inzicht te geven in het protocol van de politie rond het veiligstellen van sporen bij een niet-natuurlijke dood (Kamerstuk 29 628, nr. 512). Middels deze brief doe ik aan deze toezeggingen gestand.

In deze brief zal gesproken worden over obducties en gerechtelijke secties. Een obductie is een klinische sectie die bedoeld is voor bijvoorbeeld het beoordelen van de kwaliteit van de verleende zorg, onderzoek of onderwijs, of ter uitsluiting van een genetisch defect. Er is in deze gevallen geen vermoeden van een strafbaar feit. Obducties worden, na toestemming van de nabestaanden van het slachtoffer, vooral aangevraagd door ziekenhuizen of huisartsen.

Indien er bij het overlijden van een persoon, een vermoeden is van een strafbaar feit, kan er een gerechtelijke sectie worden gelast door de Officier van Justitie (OvJ). Deze is bedoeld om de doodsoorzaak te achterhalen in het kader van het opsporingsonderzoek en de mogelijke vervolging van het strafbare feit.

Onderzoek Van de Goot c.s.

Naar aanleiding van de publicatie door de heer Van de Goot c.s.in Journal of Clinical Pathology1 en Medisch Contact2, concludeert de heer Van de Goot in de RTL Late Night uitzending van 9 februari 2015 dat er in Nederland te weinig obducties en gerechtelijke secties worden uitgevoerd en dat daardoor moorden gemist zouden worden.

De publicatie in Journal of Clinical Pathology ziet op een analyse van 460 dossiers van Symbiant BV. Het betrof hier in alle gevallen obducties en geen gerechtelijke secties. Het overgrote deel van de betrokken obducties was aangevraagd door ziekenhuizen. De klinische gegevens die waren opgegeven door de arts die om obductie heeft verzocht, zijn vergeleken met de bij obductie vastgestelde gegevens. In 18,1% van de onderzochte dossiers was er sprake van een grote afwijking (een andere doodsoorzaak) en bij 26,6% van een kleinere afwijking.

Het artikel in Medisch Contact put uit een beperkter onderzoek bij Symbiant BV, waarin alleen door eerstelijnszorgverleners en lijkschouwers aangevraagde obducties zijn betrokken. Het gaat om 62 obducties, waarvan er 38 door een lijkschouwer zijn aangevraagd en 24 door een eerstelijnszorgverlener (met name huisartsen). Bij deze obducties is er geen uitgebreid klinisch rapport waarmee vergeleken kon worden. Bij dit onderzoek zijn de vermoedens van de om obductie verzoekende arts over de doodsoorzaak vergeleken met de conclusies na obductie. Bij 50% bleek er een afwijking te bestaan. Voor wat betreft de wijze van overlijden, natuurlijk dan wel niet-natuurlijk overlijden (waaronder ook ongevallen en zelfdodingen vallen), kwam een afwijking 5 maal voor (een afwijking van 8%). In één geval kon een strafrechtelijk vervolgbaar feit niet worden uitgesloten.

Relevant te vermelden is dat bij beide onderzoeken, de obducties zijn uitgevoerd op verzoek van een arts. Niet is uit te sluiten dat twijfel over de doodsoorzaak een rol speelde bij dat verzoek. Tevens blijkt uit de onderzoeken dat de verzoeken afkomstig zijn uit Noord-Holland, derhalve kunnen de cijfers niet zomaar geëxtrapoleerd worden naar een landelijk beeld.

Reactie op conclusies onderzoek

De bevindingen in de onderzoeken passen in het beeld dat de Gezondheidsraad in 2013 schetste,].3 In het rapport van de Gezondheidsraad wordt eveneens benoemd dat behandelend artsen soms ten onrechte een verklaring van natuurlijk overlijden afgeven, waardoor er geen lijkschouwer wordt ingeroepen. Dit rapport bevestigt dat. Het is echter te kort door de bocht om daarmee te concluderen dat hierdoor ook in al die gevallen een misdrijf wordt gemist. Immers in het onderzoek werd slechts in één geval (ca. 1,5%) niet uitgesloten dat het om een strafbaar feit kon gaan. Dat neemt niet weg dat omissies zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Daarom zijn er, mede naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad, diverse maatregelen getroffen om de kwaliteit van de forensische geneeskunde te verhogen, waarvan ik er een aantal zal aanstippen. Voor de volledige kabinetsreactie verwijs ik u naar de brief als reactie op het rapport van 6 februari 2014.4

Teneinde de kwaliteit van de opsporing en forensisch geneeskundige dienstverlening, met name op de snijvlakken van de diverse organisaties te verbeteren, is een werkgroep bestaande uit het Openbaar Ministerie, de politie, het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) en GGD/GHOR opgericht. De partijen werken aan een landelijke procesbeschrijving van lijkvinding tot en met de beslissing over vrijgave of nader (opsporings)onderzoek. De bevindingen van deze werkgroep zullen ook vertaald worden in opleidingseisen.

Tevens is de kwaliteit van de lijkschouwing in Nederland recent beter geborgd in artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging en wordt er gewerkt met een richtlijn «lijkschouw» waarvan alleen gemotiveerd afgeweken kan worden. In artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging is geregeld dat alleen in een register ingeschreven forensische artsen als gemeentelijk lijkschouwer kunnen worden benoemd. Het FMG ziet ten behoeve van haar register toe op de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar en gaat tot registratie over wanneer een forensisch arts adequaat is opgeleid en ook in voldoende mate als zodanig werkzaam is.

Wanneer de lijkschouwer vaststelt dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood, bekijkt de OvJ vervolgens of er aanleiding is om de oorzaak die geleid heeft tot het niet-natuurlijke overlijden nader te laten onderzoeken door de politie. Indien er voldoende aanleiding is, zal de politie onderzoek doen op de plaats delict en sporen veilig stellen. Als er sporen en aanwijzingen zijn, worden deze verder onderzocht. In het geval de oorzaak voor een niet-natuurlijke dood lijkt te zijn gelegen in een ongeluk of in zelfdoding, hetgeen wordt bevestigd door de omstandigheden en een verklaring van de lijkschouwer, zal de OvJ niet snel besluiten tot verder politieonderzoek.

De OvJ neemt bij zijn keuze over het al dan niet gelasten van een gerechtelijke sectie, alle relevante omstandigheden mee. Deze keuze steunt dus niet alleen op de bevindingen en het schouwverslag van de lijkschouwer, maar ook op de bevindingen van het technisch onderzoek door de politie. Hierbij kan gedacht worden aan de vindplaats van het lichaam: is deze consistent met de vermoedelijke doodsoorzaak? De houding van het lichaam en uiterlijke sporen van geweld kunnen in relatie tot andere sporen waardevolle informatie opleveren voor de bewijsgaring. De politie heeft haar werkwijze op dit specifieke terrein niet geprotocolleerd. Gelet op bovenstaande zie ik op dit moment geen aanleiding dit te herzien of verder te protocolleren. Mocht op termijn blijken dat dat anders is, dan ben ik uiteraard bereid om hier nog eens goed naar te kijken.

Overigens worden bij het forensisch onderzoek, naast sectie, ook andere technieken toegepast. Ik wijs bijvoorbeeld op toxicologisch onderzoek maar ook op radiologische technieken als een CT-scan en MRI-scan. Onderzoek door de forensisch radioloog kan worden ingezet ten behoeve van reconstructies en het vaststellen van de doodsoorzaak, maar ook als voorbereiding op pathologisch onderzoek. Dergelijk onderzoek wordt op last van de OvJ uitgevoerd en vindt in toenemende mate plaats. Bij een keuze waarin afgezien wordt van een sectie speelt de capaciteit bij het NFI in elk geval geen rol; deze is voldoende om de huidige behoefte aan forensische secties aan te kunnen.

Ik wil benadrukken dat de OvJ streeft naar waarheidsvinding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, hij handelt vanuit een strafrechtelijk belang. Hierbij is het niet altijd nodig om alles dat vanuit medisch perspectief interessant is te achterhalen. Het pleidooi van dhr. Van de Goot om bijvoorbeeld bij verkeersslachtoffers vaker een obductie uit te voeren om erfelijke aandoeningen uit te kunnen sluiten, raakt niet het strafrechtelijk belang.

Vergelijking andere EU-landen

Naast een reactie op het door Van de Goot aangehaalde onderzoek heb ik uw Kamer ook toegezegd te kijken naar de omvang van gerechtelijke secties in andere EU-landen. Ik kan u echter op dit moment geen uitvoerige vergelijking doen toekomen. Niet alleen worden er op Europees niveau geen gezamenlijke gegevens bijgehouden, maar ook op het niveau van lidstaten zijn er geen eenduidige cijfers voorhanden. Zo is het voor een goede vergelijking van belang om aandacht te besteden aan de verschillende systemen en obducties en gerechtelijke secties niet met elkaar te vermengen.

Voor wat betreft gerechtelijke secties vanwege het vermoeden van een strafbaar feit, kan ik met enige voorzichtigheid een vergelijking maken met cijfers uit Engeland en België. In Nederland worden jaarlijks 300 tot 350 gerechtelijke secties uitgevoerd. Afgezet tegen de 140.000 overlijdens per jaar, vindt er in 0,25% van de overlijdens een gerechtelijke sectie plaats. In Engeland wordt bij jaarlijks 2000 van de 500.000 overlijdens een niet-routinematige sectie uitgevoerd, dat wil zeggen in 0,4% van de overlijdens. In België wordt in ca. 0,5 tot 1% van de overlijdens een gerechtelijke sectie uitgevoerd.5

In deze beperkte vergelijking is het aantal gerechtelijke secties in Nederland gering ten opzichte van Engeland en België. Ik zie echter geen aanknopingspunten dat het Nederlandse systeem, waarbij op zaakniveau wordt besloten tot het al dan niet gelasten van een gerechtelijke sectie, leidt tot het missen van strafbare feiten. Voor wat betreft de reden dat er in België meer gerechtelijke secties worden verricht, kan ik er op wijzen dat aldaar vaker sprake is van gerechtelijke sectie in geval van een ongeval of zelfmoord. In Nederland wordt niet standaard een dergelijke sectie gelast door de OvJ bij zelfmoord, verdrinkingsslachtoffers of verkeersslachtoffers, omdat het in die gevallen niet altijd een strafrechtelijk belang dient. Bij dit type zaken wordt de afweging per zaak door de OvJ gemaakt, op basis van het schouwverslag van de lijkschouwer en alle andere relevante omstandigheden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

The value of autopsies in the era of high-tech medicine: discrepant findings persist, C.C.H.J. Kuijpers, J. Fronczek, F.R.W. van de Goot, H.W.M. Niessen, P.J. van Diest, M. Jiwa, J Clin Pathol 2014;67:6 512–519 Published Online First: 4 March 2014 doi:10.1136/jclinpath-2013–202122

X Noot
2

Klinische obductie verdient herwaardering, Judith Fronczek, Frank van de Goot, Mehdi Jiwa, Udo Reijnders, Medisch Contact 6 februari 2015

X Noot
3

Forensische geneeskunde ontleed, naar een volwaardige plaats voor een bijzondere discipline, Gezondheidsraad 26 april 2013, nr. 2013/04

X Noot
4

Kamerstuk 33 628, nr. 4

X Noot
5

Deze cijfers zijn tot stand gekomen door ambtelijke inventarisatie en niet het resultaat van (wetenschappelijk) onderzoek.

Naar boven