Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201733542 nr. B

33 542 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE1

Vastgesteld 31 januari 2017

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel dat nieuwe regels stelt voor het registreren en tijdelijk bewaren van kentekens van motorvoertuigen. Deze leden staan in beginsel positief tegenover maatregelen die bijdragen aan de opsporing en vervolging van ernstige criminaliteit. Zij hebben enige vragen over de voorgestelde horizonbepaling, over de bewaartermijn, alsmede over de uitvoering van dit wetsvoorstel in het licht van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van burgers.

De CDA-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel dat ten doel heeft een regeling te treffen om het bewaren van kentekengegevens van voertuigen in een kentekenregister mogelijk te maken. Het gaat om zogenaamde passagegegevens, waaronder het kenteken, de locatie, het tijdstip en de foto van het voertuig. Hoewel een dergelijk systeem voordelen voor de opsporing met zich kan brengen, hebben de voornoemde leden echter ook zorgen en vragen over de proportionaliteit en effectiviteit van de voorgestelde maatregelen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel dat ertoe strekt aan het Wetboek van Strafvordering een regeling toe te voegen die het vastleggen en bewaren van passagegegevens (de zogenaamde gegevens betreffende de Automatic NumberPlate Recognition (hierna: ANPR)) mogelijk maakt. Dit zijn gegevens betreffende kentekens van passerende voertuigen, waarbij het ook gaat om kentekengegevens van voertuigen die op het moment van de vastlegging niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de politietaak (de no hits). De voornoemde leden hebben er goed nota van genomen dat de passagegegevens uitsluitend binnen vier weken gebruikt mogen worden bij de opsporing van een specifiek misdrijf en voor de aanhouding van voortvluchtige personen. Zij hebben nog enkele vragen en zien met veel belangstelling uit naar de antwoorden hierop van de regering.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van het voorstel om kentekengegevens die de politie registreert, standaard op te slaan en te bewaren gedurende vier weken. Zij hebben nog een aantal vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel vastleggen en bewaren kentekengegevens door politie en van het gewisselde met de Tweede Kamer. Zij onderkennen het belang van het benutten van alle informatie, die door de overheid binnen rechtsstatelijke kaders rechtmatig verkregen kan worden, om plegers van (zwaardere) strafbare feiten én voortvluchtige veroordeelden op te sporen. Tegelijkertijd zien zij de risico’s van een overheid die grootschalig passagegegevens, en daarmee de gangen van haar burgers, vastlegt. De opgave is dus te komen tot een goede balans in de uitvoering waar het betreft doelbinding, proportionaliteit, subsidiariteit en wettelijke inkadering van de beoogde bevoegdheden tot raadpleging van de verkregen informatie. De voornoemde leden hebben nog enkele vragen. Zij wachten de reactie van de regering met belangstelling af.

2. Verhouding tot het internationale recht

Bij de beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van het wetsvoorstel in het licht van de eisen van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), is van groot belang te weten hoe aan de uitvoering van de bevoegdheid tot bewaring van de passeergegevens vorm zal worden gegeven en hoe de verwerkingsprocessen zullen worden beheerst door het bevoegd gezag. De leden van de VVD-fractie hebben daarover de volgende vragen.

Kan de regering reeds inzage geven in de AMvB behorende bij het wetsvoorstel? Hoe wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens uit het kentekenregister niet aan anderen worden verstrekt dan aan de in het wetsvoorstel genoemde officieren van justitie? Welke functionarissen zullen, op gezag van deze officieren, worden geautoriseerd om eveneens van deze gegevens kennis te nemen? Hoe vindt de geautomatiseerde verwijdering na vier weken plaats? Worden die no hit-passeergegevens geanonimiseerd, versleuteld of werkelijk in zijn geheel gewist?

Het opslaan van passagegegevens van alle automobilisten is een dusdanig verregaande maatregel dat er zeer goede argumenten tegenover moeten staan om de inbreuk op de privacy van burgers, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM, te rechtvaardigen. Het opslaan van passagegegevens van álle voertuigen kan automobilisten het gevoel geven dat alle weggebruikers potentiële verdachten zijn, merken de fractieleden van D66 op.

Een beperking van het recht op privacy kan gelegitimeerd zijn indien deze proportioneel en noodzakelijk is. Zowel de Afdeling advisering van de Raad van State2 als het College Bescherming Persoonsgegevens3 (thans Autoriteit Persoonsgegevens) hebben kritiek geuit ten aanzien van de door de regering gegeven motivatie. Er moet een redelijke verhouding bestaan tussen de inmenging in het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer enerzijds en de legitieme doelstelling anderzijds. Kan de regering een nadere toelichting geven op de noodzakelijkheid en proportionaliteit? Graag deze vraag beantwoorden mede in het licht van het feit dat de D66-fractieleden discussie waarnemen over de effectiviteit van het wetsvoorstel en mede vanwege het feit dat op het moment dat kentekens worden vastgelegd, niet duidelijk is in hoeverre zij van belang zullen zijn voor het opsporen van een strafbaar feit.

Met velen in de samenleving hechten ook de leden van de PvdA-fractie zeer aan het waarborgen van privacy. In dit verband vragen zij de regering aan te geven op welke wijze het wetsvoorstel een balans behelst tussen het belang van politie- en justitieel onderzoek en het recht van de burger op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In dit kader verzoeken zij de regering nog eens ten gronde te beargumenteren of met het creëren van de bevoegdheid ook no hits te bewaren, niet een disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ontstaat, en daarmee strijd met artikel 8 van het EVRM. De voornoemde leden vragen de regering voorts uiteen te zetten in hoeverre naast vaste camera’s ook mobiele camera’s voor het vergaren van ANPR-gegevens worden ingezet en onder welke omstandigheden. En bij deze leden komt de vraag op of met de voorgestelde regeling niet het risico ontstaat van een landelijk dekkend ANPR-cameraweb. Onder welke omstandigheden kunnen ontwikkelingen in de techniek ook de herkenbaarheid van bestuurders en passagiers mogelijk maken? In welke mate zal dit mogelijkerwijze een inbreuk maken op artikel 8 van het EVRM?

De fractieleden van GroenLinks vernemen graag van de regering hoe zij het voorstel in overeenstemming meent te kunnen brengen met het arrest S & Marper4. Het EHRM oordeelde dat ongedifferentieerde opslag van persoonsgegevens (van zowel onschuldige mensen als van personen die in aanraking met een misdrijf waren gekomen) niet evenredig is. Erkent de regering dat er in het voorliggende wetsvoorstel sprake is van persoonsgevoelige gegevens? De voornoemde leden menen dat een dergelijke standaardopslag van alle kentekengegevens zich moeilijk verhoudt met het arrest Digital Rights5, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie de Dataretentierichtlijn6 ongeldig verklaarde wegens strijd met de fundamentele rechten op eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens. Deelt de regering dat de uitgangspunten van dit arrest, nog eens bevestigd door het arrest van 21 december 20167, ook van toepassing zijn op het onderhavige wetsvoorstel? Ook bij dit wetsvoorstel is immers sprake van algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeersgegevens en locatiegegevens van alle weggebruikers, waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de personen van wie de gegevens zijn bewaard, zoals hun dagelijkse gewoonten en hun dagelijkse of andere verplaatsingen. Er is geen beperking tot personen die in aanraking zijn, direct of indirect, met een mogelijk strafbaar feit, en evenmin is er een verband tussen de gegevens die moeten worden bewaard en een bedreiging van de openbare veiligheid. Het Hof van Justitie van de Europese Unie constateert dat een dergelijke opslag en bewaring bij de betrokken personen het gevoel opwekt dat hun privéleven constant in de gaten wordt gehouden.8

Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie kan zelfs het doel om zware criminaliteit te bestrijden, met name van georganiseerde misdaad en terrorisme, op zichzelf niet rechtvaardigen dat een maatregel om algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeersgegevens en alle locatiegegevens, noodzakelijk wordt geacht voor het voeren van deze strijd.9 In het voorliggende wetsvoorstel is raadpleging van de gegevens mogelijk in verband met elk strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis kan worden opgelegd. Deelt de regering de opvatting van de GroenLinks-fractieleden dat dit criterium veel omvattender is dan feiten die verband houden met zware criminaliteit, zoals georganiseerde misdaad en terrorisme? Zo ja, op welke wijze meent de regering dat, nu zelfs de bestrijding van deze zwaarste vorm van criminaliteit niet een algemene en ongedifferentieerde bewaring rechtvaardigt, het voorgestelde doelcriterium wel in overeenstemming is te brengen met de artikelen 7, 8, 11 en 52, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het evenredigheidsbeginsel? Het Hof van Justitie van de Europese Unie acht het essentieel dat bewaring de uitzondering is en niet de regel, en dat een eventuele bewaring beperkt wordt tot een bepaalde categorie, zoals een kring van personen die op een of andere wijze betrokken kunnen zijn bij een ernstig strafbaar feit.10 Aan beide criteria voldoet het wetsvoorstel niet. Ziet de regering mogelijkheden om met een dergelijke differentiatie het wetsvoorstel in lijn met de jurisprudentie te brengen?

Verder eist het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens in beginsel wordt onderworpen aan voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie.11 In het voorstel wordt voorzien in autorisatie door de officier van justitie, maar zou deze bevoegdheid, mede in het licht van het voornoemde arrest van 21 december 2016, niet bij de rechter-commissaris dienen te worden gelegd?

Deelt de regering de conclusie van de GroenLinks-fractieleden dat, gelet op de eisen die daarin worden gesteld, het voornoemde arrest van 21 december 2016 duidelijk maakt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie het instrument gegevensbewaring als zodanig ̶ in de zin van een bewaarplicht van verkeersgegevens van alle burgers, niet gekoppeld aan enige specifieke bedreiging van de openbare veiligheid – als onevenredig en daarmee onaanvaardbaar beoordeelt? Kan de regering overigens toelichten op welke wijze dit arrest leidt tot aanpassingen van het wetsvoorstel tot aanpassing van de Telecommunicatiewet en het Wetboek van Strafvordering12, dat is ingediend in reactie op het voornoemde arrest Digital Rights en de buitenwerkingstelling van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens?

Welke alternatieve opsporingsmethoden staan de regering ter beschikking, die minder spanning opleveren met het recht op bescherming van persoonsgegevens en op eerbiediging van het privéleven, zo vragen de fractieleden van GroenLinks. In hoeverre heeft zij het wetsvoorstel getoetst aan Richtlijn 2016/680/EU13? Op welke wijze is het recht op inzage in en correctie van de verkeersgegevens geregeld? Wanneer wordt een betrokkene geïnformeerd over de raadpleging van zijn verkeersgegevens?

Bij het zoeken door de overheid naar de balans tussen handhaving van de rechtsstaat door opsporing van verdachten van strafbare feiten enerzijds en bescherming van de privacy anderzijds, weegt voor de ChristenUnie-fractieleden zwaar dat bestuurders van motorvoertuigen zich in de publieke ruimte begeven en daarmee dus geen absoluut recht op privacy kunnen inroepen. Kan de regering instemmen met het standpunt dat burgers die zich in de publieke sfeer begeven door aan het verkeer deel te nemen, daarmee hun privacy in absolute zin opgeven en dat de in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM vastgelegde bescherming van de persoonlijke levenssfeer hier specifiek aan de orde is vanwege het van overheidswege vastleggen van de verzamelde gegevens, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Grondwet?

3. Bewaarwijze gegevens

In het wetsvoorstel is een bewaartermijn voorzien van vier weken, waarbij blijkens de memorie van toelichting aansluiting is gezocht bij de termijn die wordt gehanteerd bij het bewaren van beelden van gemeentelijke toezichtcamera's.14 Deze aansluiting ervaren de leden van de fractie van de VVD als minder voor de hand liggend. Immers, bij het gemeentelijk toezicht gaat het om de handhaving van de openbare orde en niet om opsporing van strafbare feiten. Zou het voor de effectiviteit van de opsporing van ernstige misdrijven niet veel logischer zijn voor de bewaartermijn aansluiting te zoeken bij de termijnen die (zullen) worden geaccepteerd en gehanteerd bij de opslag van de verbindingsdata van de mobiele respectievelijk internettelefonie? Juist ook deze data kunnen, zo is in vele gevallen gebleken, een belangrijke rol spelen in opsporing en bewijsvoering. Inmiddels heeft op 21 december 2016 het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen inzake de bewaarplicht van telecomproviders15, waarin het ongericht bewaren van telecomdata onmogelijk wordt gemaakt. Hoe verhoudt de strekking van genoemd arrest zich tot het voorliggende voorstel dat ziet op ongericht bewaren van kentekens van motorvoertuigen?

Voorts vragen de PvdA-fractieleden onder welke omstandigheden de passagegegevens mogelijkerwijze gedurende een langere termijn dan vier weken gebruikt mogen worden. Geldt die mogelijkheid alleen in geval van buitenlandse kentekenbezitters of ook in bepaalde andere situaties? Zo ja, kan de regering aangeven welke situaties dat zijn? Kan zij tevens aangeven welke functionarissen toegang zullen hebben tot de ANPR-gegevens? Onder welke omstandigheden zullen ook inlichtingen- en veiligheidsdiensten en buitenlandse autoriteiten toegang tot deze gegevens kunnen hebben? Welke instantie en/of welke functionaris kan of kunnen daarvoor toestemming verlenen?

De bewaartermijn van de vastgelegde gegevens is thans gesteld op vier weken; de onderbouwing van deze termijn is echter zeer beperkt. Kan de regering nader aangeven onder welke omstandigheden een langere bewaartermijn zou strijden met de eis van proportionaliteit? Is een termijn van vier weken toereikend om het beoogde effect van het wetsvoorstel te bereiken, zulks mede met het oog op de gebleken positieve ervaringen in het Verenigd Koninkrijk, waar een bewaartermijn geldt van vijf jaren, zo vragen de fractieleden van de ChristenUnie.

De toepasselijkheid van artikel 8 van de Wet politiegegevens is in het kader van dit wetsvoorstel niet uitgesloten (anders dan de overige artikelen van paragraaf 2 van de Wet politiegegevens). De ChristenUnie-fractieleden vragen de regering of zij kan aangeven hoe de in het voornoemde artikel 8 bedoelde termijn van één jaar zich verhoudt tot de termijn van vier weken, zoals genoemd in het wetsvoorstel.

4. Kentekenfraude

De D66-fractieleden hebben een vraag ten aanzien van de mogelijkheid dat kentekenplaten worden gestolen en in dat geval het voorgestelde systeem geen soelaas biedt. Kan de regering toelichten hoe het systeem op deze mogelijkheid inspeelt? De voornoemde leden zien hier een mogelijk risico, namelijk dat er door dit systeem voor criminelen een extra reden is om kentekenplaten te stelen. Ziet de regering dit risico ook en kan zij toelichten hoe dat voorkomen kan worden?

De ChristenUnie-fractieleden menen dat het nut van de voorgestelde wettelijke regeling, waarbij een wettelijke basis wordt geboden voor het bewaren van passagegegevens, staat of valt met de betrouwbaarheid van de vastgelegde kentekens. Is het juist dat in Nederland op grote schaal kentekenfraude voorkomt, tot tienduizenden valse kentekenplaten per jaar?16 Kan informatie worden gegeven over de aantallen gestolen kentekens in 2015 en 2016? Stemt de regering in met de verwachting dat de meer professionele criminaliteit het systeem van de vastgelegde kentekeninformatie bij deze omvang van kentekenfraude relatief gemakkelijk kan omzeilen? Kan zij de stand van zaken met betrekking tot de bestrijding van deze kentekenfraude aangeven? In hoeverre zijn inmiddels aan de opslag van «blanco» kentekens voorwaarden verbonden ten aanzien van beveiligde opslag, centralisatie et cetera, zoals ook plaatsvindt bij blanco paspoorten? Hoe verhoudt de bescherming van blanco kentekens zich met het voornemen om kentekens in de toekomst te voorzien van een RFID17-chip?

5. Horizonbepaling en evaluatie

In het regeerakkoord van de huidige regering is vastgelegd dat bij de bouw van systemen en het aanleggen van databestanden bescherming van persoonsgegevens uitgangspunt is. Inbreuken door de overheid zijn voorzien van een horizonbepaling en worden geëvalueerd. In dit wetsvoorstel is aan deze opdracht inhoud gegeven door de bevoegdheid tot het tijdelijk bewaren van passeergegevens na drie jaar te laten expireren, tenzij een koninklijk besluit is geslagen ter verlenging van die bevoegdheid. Het laatste gebeurt niet dan nadat een grondige evaluatie van de werking van deze bepalingen is uitgevoerd. De evaluatie wordt naar de Tweede Kamer gezonden en het concept-koninklijk besluit ondergaat een lichte voorhangprocedure. Hoe denkt, zo vragen de leden van de VVD-fractie, de regering de evaluatie na drie jaar klaar te hebben en vervolgens evaluatie en voorhang tijdig in de Tweede Kamer behandeld te hebben voordat de wettelijke grondslag voor de bevoegdheid tot bewaring na precies drie jaar zal ophouden te bestaan? Hoe groot zijn hier de risico's, bijvoorbeeld voor lopende strafzaken?

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het voorgestelde bewaren en vastleggen van passagegegevens echter ook een forse inbreuk op de persoonlijke levenssfeer betreft. Deze mag onder genoemde omstandigheden bij eerste beschouwing te rechtvaardigen zijn, maar dient ook zeer strak te worden gemonitord. De voornoemde leden vragen de regering dan ook aan te geven hoe zij ervoor gaat zorgen dat feitelijk kan worden vastgesteld dat deze wet in de praktijk correct wordt uitgevoerd, zodat deze leden over twee jaar kunnen beoordelen of deze wet daadwerkelijk wordt nageleefd.

De voornoemde leden vragen in het bijzonder om inzicht te verschaffen in de technische en organisatorische maatregelen, die worden getroffen om te waarborgen, dat de gegevens in «compliance» met de wettelijke voorschriften worden verwerkt en vernietigd.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de horizonbepaling, waardoor dit wetsvoorstel voor drie jaren geldt. Deze leden zien de toepassing van deze horizonbepaling, gezien de inbreuk op privacy, als belangrijke waarborg. Zij zijn op de hoogte van het feit dat bij privacybeperkende maatregelen vaker met een horizonbepaling wordt gewerkt. Uit de horizonbepaling zou echter ook enige twijfel kunnen worden gedestilleerd aan de zijde van de regering. Klopt het dat zij op dit moment ook te weinig overtuigd is van de effectiviteit om het wetsvoorstel voor onbepaalde tijd in te voeren?

Het wetsvoorstel kent een horizonbepaling van drie jaren. Kan de regering uiteenzetten of deze periode gezien moet worden als een in beginsel eindige periode dan wel als een experimenteerperiode, zo vragen de fractieleden van de PvdA.

Op welke wijze is de regering voornemens de voorziene evaluatie van de werking van deze wet te gaan organiseren? Door welke instantie(s) zal deze evaluatie waarschijnlijk het beste uitgevoerd kunnen worden? De PvdA-fractieleden vragen de regering voorts of zij voornemens is de uitkomst van deze evaluatie openbaar te maken.

6. Overige

Kan de regering een nadere toelichting geven op de reactiecapaciteit van de politie, zo vragen de D66-fractieleden. Er is immers een grote hoeveelheid aan te verwerken informatie. Dit zou, als al wordt uitgegaan van de effectiviteit van dit wetsvoorstel, knelpunten kunnen opleveren wat betreft de uitvoerbaarheid.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel, ingediend in het voorjaar van 2013, inmiddels een lang traject heeft doorlopen en op tal van punten, mede naar aanleiding van de behandeling in de Tweede Kamer, is aangepast. Ook hebben zij geconstateerd dat zowel Nederlandse als Europese regelgeving, alsmede jurisprudentie die direct of indirect op dit onderwerp betrekking heeft, in de afgelopen jaren heel wat veranderingen hebben ondergaan. Daarnaast hebben ook nieuwe technologische ontwikkelingen een verfijning van de vastlegging en bewaring van passagegegevens mogelijk gemaakt. De voornoemde leden vragen de regering om aan te geven in hoeverre het wetsvoorstel in de nu aan de Eerste Kamer voorgelegde vorm naar de huidige stand van zaken up-to-date en toekomstbestendig is.

In de memorie van toelichting noemt de regering een viertal rechtszaken waarbij doeltreffend gebruikgemaakt kon worden van de opgeslagen kentekengegevens.18 Kan de regering daar nog recente rechtszaken aan toevoegen?

Kan de regering aangeven door welke instanties momenteel, behalve door de politie, ook registratie van kentekens plaatsvindt? Is het overzicht in het WODC-rapport van december 201319 nog actueel en volledig, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Is het juist dat in Amsterdam door het gemeentebestuur een proef is gedaan met het vastleggen van kentekens van stilstaande auto’s met het oog op de controle van betaling van parkeergelden, en dat daarbij van tientallen vastgelegde kentekens is geconstateerd dat het gestolen voertuigen betreft? Wordt van deze informatie gebruikgemaakt om strafbare feiten, bijvoorbeeld autodiefstal, op te sporen en zou deze informatie een functie kunnen vervullen bij de doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel, zodat door autodiefstal gedupeerde burgers hiervan een bijdrage kunnen verwachten aan de oplossing ervan?

En wat gebeurt er met de informatie van rood licht-camera’s en kan deze informatie gebruikt worden voor de opsporing van verdachten van strafbare feiten en voortvluchtige veroordeelden? Tevens vragen de ChristenUnie-fractieleden of de regering heeft overwogen om de door ANPR verkregen gegevens ook te benutten om gestolen auto’s terug te vinden. Zo nee, waarom niet?

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Engels (D66), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Backer (D66), Knip (VVD), Barth (PvdA), Beuving (PvdA), Hoekstra (CDA), Popken (PVV), Schouwenaar (VVD), Schrijver (PvdA), Bikker (CU), Bredenoord (D66), Van Dijk (SGP), Markuszower (PVV), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van Weerdenburg (PVV), Wezel (SP), Van de Ven (VVD)

X Noot
2

Kamerstukken II 2012/13, 33 542, nr. 4, p. 3 e.v.

X Noot
3

Kamerstukken II 2012/13, 33 542, nr. 3, bijlage Advies CBR.

X Noot
4

EHRM 4 december 2008, EHCR 1581 (S & Marper/Verenigd Koninkrijk).

X Noot
5

HvJ EU 8 april 2014, C-293/12 en C-594/12 ECLI:EU:C:2014:238.

X Noot
6

Richtlijn 2006/24/EG.

X Noot
7

HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 ECLI:EU:C:2016:970.

X Noot
8

HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 ECLI:EU:C:2016:970, r.o. 100.

X Noot
9

HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 ECLI:EU:C:2016:970, r.o. 103.

X Noot
10

HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 ECLI:EU:C:2016:970, r.o. 106.

X Noot
11

HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 ECLI:EU:C:2016:970, r.o. 120.

X Noot
12

Kamerstukken II 2015/16, 34 537, nr. 2.

X Noot
13

Richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.

X Noot
14

Kamerstukken II 2012/13, 33 542, nr. 3, p. 10.

X Noot
15

HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 ECLI:EU:C:2016:970.

X Noot
16

Vgl. Handelingen II 2014/15, 40, item 4.

X Noot
17

radiofrequency identification.

X Noot
18

Kamerstukken II 2012/13, 33 542, nr. 3, p. 6–7.

X Noot
19

Rapport van de DSP-groep in opdracht van het WODC, «Cameratoezicht in Nederland. Een schets van het Nederlandse cameralandschap», 20 december 2013.