Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201533308 nr. B

33 308 Wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de versterking van de positie van de auteur en de uitvoerende kunstenaar bij overeenkomsten betreffende het auteursrecht en het naburig recht (Wet auteurscontractenrecht)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE1

Vastgesteld 7 april 2015

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben begrip voor de achterliggende gedachte van het wetsvoorstel. Zij zetten evenwel vraagtekens bij de noodzaak ervan en hebben onder meer moeite met de consequenties van het voorgestelde hoofdstuk 1A voor de software industrie. Zij hebben een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij steunen het streven van de regering om de contractuele positie van auteurs en uitvoerende kunstenaars ten opzichte van exploitanten van hun werken te verstevigen en zij zien het wetsvoorstel in dat kader als een belangrijke eerste stap. Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regering en verzoeken de regering zo spoedig mogelijk te antwoorden, zodat verdere behandeling van dit wetsvoorstel op korte termijn kan plaatsvinden.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij onderschrijven de doelstelling om de positie van de maker van een (kunst)werk meer in evenwicht te brengen ten opzichte van de exploitatiemaatschappijen. Zij hebben nog wel een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie zijn verheugd dat het wetsvoorstel nu eindelijk in deze Kamer voorligt. Makers hebben jarenlang moeten wachten op dit voorstel dat de positie van de maker ten opzichte van de exploitanten verstevigd. Het wetsvoorstel kent een lange geschiedenis en heeft te maken met een diverse beroepsgroep. De diversiteit onder de makers is groot en dat is in het voorstel tot uiting gekomen. Deze leden zijn verheugd dat een balans gevonden lijkt te zijn. Ze hebben echter nog wel enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben het voorstel van wet Auteurscontractenrecht met belangstelling gelezen. Het wetsvoorstel beoogt de kennelijk zwakkere positie van de auteur tegenover de exploitant van wie zij voor de exploitatie van hun werk vaak afhankelijk zijn, meerwaarde te geven door voor de auteur een aantal waarborgen te creëren. Het valt echter op dat de «derde» – en meest belangrijke in het spel, want bij hem zal de vergoeding waarop maker en exploitant aanspraak maken uiteindelijk neerdalen − in het wetsvoorstel niet is genoemd. Dit valt te meer op nu in een algemeen overleg in november 2014 met de Tweede Kamer over het in april 2014 na een uitspraak van het Europese Hof van Justitie ingevoerde downloadverbod de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde dat de regering het auteursrecht nog niet zou hervormen2. Nederland wilde in verband met dit ingevoerde downloadverbod eerst wachten op de richtlijnen uit Europa, die overigens per 1 november 2015 worden verwacht. Dit wetsvoorstel was echter toen al ingediend. De leden vragen zich in de eerste plaats af waarom de regering dan toch ervoor heeft gekozen om de behandeling van dit wetsvoorstel voortvarend ter hand te nemen en voort te zetten. De leden hebben ook daarnaast een aantal vragen.

Het lid van de SGP-fractie heeft met belangstelling van het wetsvoorstel kennisgenomen, dat het beschouwt als een belangrijke wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Dit lid beoordeelt het doel van het wetsvoorstel positief in zoverre het beoogt de versterking van de contractuele positie van auteurs en uitvoerend kunstenaars ten opzichte van de exploitanten van hun werken. Dit lid heeft nog een aantal vragen.

2. Opbouw wetsvoorstel

a. Artikel 2 Auteurswet

De leden van de CDA-fractie stellen de vraag hoe artikel 2, eerste lid, zich verhoudt tot hoofdstuk 1A. Aangezien het auteursrecht een absoluut recht is, zou men tot de conclusie moeten komen dat, wanneer het auteursrecht wordt «overgedragen», alle daarmee samenhangende rechten en plichten overgaan op de rechtsverkrijger. Het hoofdstuk over de exploitatieovereenkomst geeft de oorspronkelijke maker echter allerlei handvatten om die overdracht te beperken of zelfs ongedaan te maken in het geval van non usus. Wordt hiermee niet het absolute karakter van het auteursrecht geweld aangedaan? Is er – indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven – in feite dan geen sprake van overdracht van dat absolute recht, doch altijd slechts sprake van een (opzegbaar) gebruiksrecht?

Een eventuele voorwaardelijke overdracht kan in de praktijk tot grote problemen leiden, zo stellen de aan het woord zijnde leden. Zo is bijvoorbeeld de overdracht van het auteursrecht, zijnde een absoluut recht, de meest gebruikte contractsvorm in de wetenschappelijke en educatieve uitgeverspraktijk. Bij educatieve methoden zijn vaak verschillende auteurs betrokken en wordt er gewerkt met een auteursteam dat vaak jarenlang aan een nieuwe methode werkt. Zo'n auteursteam kan gedurende de looptijd van de uitgave ook nogal eens van samenstelling veranderen, bijvoorbeeld bij een nieuwe editie. Het is voor de uitgever dan zeer relevant om alle auteursrechten in één hand te hebben, teneinde de continuïteit te kunnen blijven garanderen en het werk in zijn geheel te kunnen blijven uitgeven. Als een individuele auteur die aan een dergelijk werk heeft meegewerkt feitelijk zijn auteursrecht kan terughalen, bestaat het gevaar dat dergelijke werken in de toekomst nog maar moeilijk tot stand kunnen worden gebracht. Is dit niet het kind met het badwater weggooien?

Het lid van de SGP-fractie wil graag vernemen of zijn conclusie juist is dat de voorgestelde wijziging zich alleen uitstrekt tot makers-personen en niet tevens tot makers-ondernemingen (rechtspersonen), de zogenaamde fictieve makers. Indien de conclusie juist is, wat is dan de reden van dit onderscheid? In welke categorie moeten zogenoemde zzp'ers geplaatst worden?

b. Hoofdstuk IA De exploitatieovereenkomst

Het wetsvoorstel – en dan met name hoofdstuk 1A − lijkt vooral voor de creatieve industrie geschreven te zijn. Heeft de regering er rekening mee gehouden dat hoofdstuk 1A ook voor de software industrie veel relevantie heeft? De leden van de VVD-fractie vragen zich af welke noodzaak er is om dit hoofdstuk ook voor de software industrie te doen gelden en hebben grote vraagtekens bij de wenselijkheid daarvan. In de software industrie werken veel zelfstandige ondernemers en veelal is geen sprake van een onevenwichtige contractuele relatie tussen contractspartners. Als software ontwikkelaars op grond van artikel 25d een aanvullende billijke vergoeding kunnen vorderen van hun wederpartij, in het geval de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk, wordt het bepaald niet aantrekkelijk en mogelijk zelfs risicovol voor afnemers om (exclusieve) licenties van hen af te nemen. Een dergelijke bepaling past ook niet bij het vrije marktprincipe, waar het nemen van ondernemersrisico's een wezenlijk onderdeel van uitmaakt: ondernemersrisico's voor de software ontwikkelaars die hun software voor een bepaalde prijs licentiëren aan afnemers alsook ondernemersrisico's voor afnemers die de software in licentie nemen en daarbij uitgaan van een bepaalde afzet en bijbehorende exploitatie. Bij het nemen van ondernemersrisico's hoort dat je soms te veel betaalt voor een product (in casu computerprogrammatuur), omdat je de verkoopkansen te hoog hebt ingeschat, en soms een goede deal hebt gesloten, omdat je de verkoopkansen conservatief hebt ingeschat, waardoor de exploitatieopbrengsten hoger zijn dan waar de koper bij het sluiten van de overeenkomst van uitging. Het is in een gezonde markt ondenkbaar dat de ene ondernemer (in dit geval de maker) bij de andere ondernemer (de koper) aanklopt en een wettelijke titel heeft om een aanvullende billijke vergoeding te vorderen. De aan het woord zijnde leden hebben moeite met dit hoofdstuk van het wetsvoorstel. Heeft de regering overwogen om softwaregerelateerde werken uit te zonderen van hoofdstuk 1A? Zo ja, waarom heeft zij dat niet gedaan?

De makers hebben het zwaar. De creatieve industrie staat aan alle kanten onder druk door de veranderende wereld, waarbij de komst van internet een rol speelt. Fotografen, vertalers, ontwerpers en andere makers werken regelmatig tegen bodemtarieven. Daar waar de overheid een minimumloon toekent voor werknemers in loondienst, geldt dit niet voor de zelfstandige maker. Dat is natuurlijk ook de aard van het werken als zelfstandige, ware het niet dat vaste banen binnen deze sector in toenemende mate onmogelijk zijn geworden. (Foto)journalisten nemen steeds meer risico in conflictgebieden om dat unieke beeld te krijgen. Zij hebben ook steeds minder financiën om hun veiligheid daar te waarborgen. Vele makers stoppen omdat ze gewoonweg geen brood op de plank kunnen krijgen. Het heeft de leden van de SP-fractie bevreemd dat zelfs simpelweg het aanwijzen van redelijke tarieven door de Autoriteit Consument & Markt gezien is als inbreuk op de mededinging. Daarom zijn deze leden verheugd met het aannemen van de motie-Jasper Van Dijk3, waarin de regering wordt opgeroepen afspraken rondom tarieven tussen makers en exploitanten te bevorderen. Hoe gaat de regering uitvoering geven aan deze motie?

Dit lid van de SGP-fractie stelt de vraag of de verwachting gewettigd is dat het wetsvoorstel een belangrijke bijdrage zal leveren aan een evenwichtig wettelijk kader waarbinnen dikwijls ongelijke partijen tot onderhandelingen en resultaten kunnen komen. Het maatwerk zal evenwel aan marktpartijen, auteurs en producenten/exploitanten, overgelaten moeten worden. Zal het wetsvoorstel er ook toe kunnen bijdragen dat auteurscontracten, anders dan thans vaak het geval is, tot stand komen voordat het werk ter beschikking wordt gesteld?

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Onderdeel A (Artikel 2 Aw)

Voor de overdracht van auteursrechten is onder het huidige recht reeds een authentieke akte vereist. Voor de verlening van een exclusieve licentie op bijvoorbeeld computerprogrammatuur of software is voortaan ook een authentieke akte vereist. De leden van de VVD-fractie stellen de vraag of dit een afzonderlijke authentieke akte moet zijn. Of kan het verlenen van een exclusieve licentie ook in een contract worden opgenomen waarin ook andere aanvullende zaken worden geregeld? Meestal staat de verlening van een exclusieve licentie niet op zichzelf maar maakt de verstrekking van gebruiksrechten deel uit van een meer omvattender overeenkomst. Kan de verstrekking in een en dezelfde overeenkomst worden geregeld of moet dat toch – net als voor de overdracht van auteursrechten op software − in een afzonderlijke overeenkomst?

Deze leden vernemen voorts graag van de regering wanneer er sprake is van een exclusieve licentie. Is dat het geval als er één licentienemer is? Wat als die ene licentienemer een rechtspersoon is met verschillende dochters, gelieerde ondernemingen en of samenwerkingsrelaties? En gaat het om een exclusieve gebruikerslicentie of een exclusieve gebruikslicentie? Moet de exclusiviteit van de licentie uit de akte blijken of kan dat ook in de bijbehorende overeenkomst?

Het wetsvoorstel regelt onder meer dat indien door de maker bevoegdheid is verleend ten aanzien van toekomstige exploitatiewijzen die niet bekend waren ten tijde van de sluiting van de overeenkomst en de exploitatie ter hand wordt genomen, degene die exploiteert aan de maker een aanvullende billijke vergoeding verschuldigd is. De leden van de PvdA-fractie zien dat deze bepaling een stap vooruit is ten opzichte van de bestaande situatie, maar wensen van de regering ook te vernemen of zij mogelijkheden ziet om uit te sluiten dat überhaupt bevoegdheden kunnen worden verleend ten aanzien van exploitatiewijzen die voor de maker niet bekend zijn ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Als de regering in het licht van de contractvrijheid onvoldoende mogelijkheden daartoe ziet, vragen deze leden de regering of een beding als hiervoor bedoeld niet geacht moet worden per definitie onredelijk bezwarend te zijn.

Onderdeel B

Artikel 25c Aw

Het wetsvoorstel spreekt van een «billijke» vergoeding. De vraag kan gesteld worden: wat is billijk? Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer zei de Staatssecretaris: «het lijkt mij overigens goed om bij deze uitleg van deze wet te melden dat «billijke» in dit verband «naar bijdrage» betekent. Hoe groter je aandeel, hoe hoger je vergoeding. Op die wijze moet je het begrip «billijke» lezen.»4 Naar de mening van de leden van de CDA-fractie blijft het begrip billijke vergoeding echter toch nog te ongespecificeerd en onduidelijk. Moet er, in navolging van jurisprudentie in Duitsland niet onder billijke vergoeding verstaan worden «in een bepaalde branche gebruikelijke vergoeding»? Zo nee, kan de regering dit begrip verder invullen? Indien niet, volgt dan geen grote rechtsonzekerheid en gevaar voor langlopende procedures hieruit?

In de praktijk worden er vele verschillende vergoedingsvormen en percentages afgesproken, afhankelijk van de vorm van de exploitatie en het type maker. Zo zal een billijke vergoeding bij een reeds erkende bestsellerauteur anders uitpakken dan die bij een nog onbekende, beginnende auteur. Op welke wijze kan hierin gedifferentieerd worden bij de vaststelling van een billijke vergoeding door de Minister binnen één branche, bijvoorbeeld ten behoeve van romanschrijvers of vertalers van romans? Kan binnen een bepaalde categorie makers ook nog weer gedifferentieerd worden naar de mate van bijvoorbeeld bekendheid van de auteur/vertaler? De aan het woord zijnde leden vernemen graag een reactie van de regering.

Verschillende branches, zoals de kranten en uitgeverswereld verkeren in een transitieperiode waarbij zij het hoofd nauwelijks boven water kunnen houden. Door het verplicht stellen van eventuele toekomstige billijke vergoedingen aan makers, niet alleen door de contractpartners maar ook door «derden» is onzeker hoeveel de kosten van de exploitatie van kranten, boeken, films en andere culturele en kunstzinnige uitingen bedragen. Ziet de regering ook het risico van rechtsonzekerheid en van verspilling van energie en financiële middelen aan juridische procedures?

Welke zijn de mogelijkheden voor een maker om tegen het besluit van de Minister in bezwaar c.q. beroep te komen indien hij/zij zich niet kan verenigen met de billijke vergoeding, als de Minister gebruik heeft gemaakt van zijn/haar bevoegdheid om een billijke vergoeding voor een bepaalde branche vast te stellen en er nog geen geschillencommissie is benoemd?

Wie bepaalt uiteindelijk of en wanneer er sprake is van een «nog onbekende wijze van exploitatie», waardoor volgens artikel 25c, zesde lid, de maker een recht verkrijgt op een aanvullende billijke vergoeding, zowel jegens de exploitatiemaatschappij met wie hij/zij een contract heeft gesloten als jegens derden? Wat is het rechtsgevolg wanneer de vergoeding niet wordt uitgekeerd aan de maker? Heeft hij dan daarnaast ook recht op schadevergoeding?

De leden van de CDA-fractie vernemen graag een reactie van de regering op de voorgaande vragen.

Het wetsvoorstel beoogt de contractuele positie van auteurs en uitvoerende kunstenaars ten opzichte van exploitanten van hun werken te verstevigen, aldus de eerste zin van de memorie van toelichting, aldus ook de beleidsbrief van 11 april 2011 waarin de invoering van nadere bepalingen inzake het auteurscontractenrecht als een van de speerpunten van het auteursrechtbeleid is aangemerkt5. Een van de wijzigingen in dit wetsvoorstel ten opzichte van het huidige wettelijke systeem is de introductie van de «billijke vergoeding» voor de maker voor het verlenen van exploitatiebevoegdheid. Deze kan worden vastgesteld door een de makers vertegenwoordigend lichaam in samenspraak met een vereniging van exploitanten met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) als hoogste beslisser. Daarnaast heeft de maker ook recht op een aanvullende vergoeding van de exploitant, indien de aanvankelijk overeengekomen vergoeding ernstig onevenredig is in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie (de «bestsellerbepaling»). De maker krijgt ontbindingsbevoegdheid bij non usus en de maker kan een beding waarin voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraken worden verleend op exploitatie van toekomstige werken en andere onredelijke bezwarende bedingen vernietigen. Tot slot wordt een grondslag geregeld voor de instelling van een geschillencommissie voor de vaststelling van de billijke vergoeding per branche, zodat de maker een laagdrempelig alternatief heeft voor een gerechtelijke procedure.

De leden van de D66-fractie stellen vast dat in de daarop toegesneden wettelijke bepalingen nogal wat open en breed uitlegbare normen staan. Het is de vraag of het wetsvoorstel met deze open en breed uitlegbare normen wel in voldoende mate zal voorzien in de effectiviteit van de bescherming van de maker. Het zou daarom voor de uitwerking in de praktijk van belang zijn wanneer de regering een poging doet deze open normen enigszins toe te lichten c.q. in te vullen. De aan het woord zijnde leden verwijzen in de eerste plaats naar de billijke vergoeding in het eerste lid van artikel 25c. Uiteraard zal deze, zal het verwachte antwoord van de regering zijn, worden vastgesteld gelet op alle omstandigheden van het geval. De leden vragen de regering dan ook naar een toelichting op welke omstandigheden van invloed kunnen zijn op het bepalen van de billijke vergoeding. De vergoeding zal branchewijs worden bepaald, is de verwachting. Dit lijkt op een systeem van fixed prices. Ook artikel 25c, eerste lid, tendeert in die richting. De vraag is dan hoe onderscheid wordt gemaakt tussen kwaliteit en mindere kwaliteit. Door de vergoeding per branche vast te stellen lijkt een onderscheid niet aan de orde. Klopt deze veronderstelling? En als die veronderstelling onjuist is, hoe is de positie van de betere schrijver dan gegarandeerd? Hoe kan hij zijn belangen tegen de teneur van dit wetsvoorstel in behartigen? Zal hij dan een beroep moeten doen op de zogenaamde bestsellerbepaling? Ook in de uitvoerende muziek kan verschil optreden. Hoe worden de belangen van een uitvoerend kunstenaar als de inmiddels wereldberoemde Nederlandse dj Martin Garrix binnen dit wetsvoorstel geborgd? En hoe de belangen van een beginnende popzanger/songwriter?

In artikel 25c, tweede lid, heeft de Minister van OCW over deze billijke vergoeding het laatste woord in geval sprake is van een gezamenlijk verzoek van belangengroeperingen. Deze geschiedt met inachtneming van het belang van het behoud van de culturele diversiteit, de toegankelijkheid van cultuur, een doelstelling van sociaal beleid en het belang van de consument, aldus het artikellid. Het is de leden van de D66-fractie bekend dat deze aspecten en belangen voortkomen uit jurisprudentie van het Hof van Justitie, maar dat neemt niet weg dat het gaat om vrij algemeen geformuleerde belangen. Kan de regering toelichten hoe de Minister van OCW en, wellicht na deze, de rechter aan al deze aspecten en belangen invulling moet geven en hoe deze aspecten geacht worden van invloed te zijn op de vaststelling van de billijke vergoeding?

In artikel 25c Auteurswet wordt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een bevoegdheid toegekend in het kader van het vaststellen van een (proportioneel?) billijke vergoeding voor de verlening van een exploitatiebevoegdheid. Een vraag van het lid van de SGP-fractie in dit verband is hoe voorkomen zal worden dat de bedoelde rol van dit deel van de rijksoverheid wordt vermengd met de rol van de rijksoverheid in brede zin als opdrachtgever van auteurs.

Artikel 25d Aw

De leden van de D66-fractie wijzen op het voorgestelde artikel 25d als een volgend voorbeeld van open en breed uitlegbare normen waarvan het de vraag is of het wetsvoorstel hiermee wel in voldoende mate zal voorzien in de effectiviteit van de bescherming van de maker. Op grond van het eerste lid kan de maker een aanvullende billijke vergoeding vorderen in geval hij succes heeft en de vergoeding daarom ernstig onevenredig is in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk. Kan de regering toelichten waarin het verschil en de grens zit tussen onevenredig en ernstig onevenredig? Ook bij een onevenredigheid zonder meer zal immers van een disbalans sprake zijn tussen de winstmogelijkheden van beide partijen. Waarom is niet daarvoor gekozen en moet eerst de wellicht onbepaalbare grens van ernstige onevenredigheid worden gepasseerd voordat de maker een aanvullende vergoeding kan vorderen? En hoe zal deze worden bepaald? Is daar de contractsvrijheid heersend?

Artikel 25e Aw

De maker heeft op grond van het voorgestelde artikel 25e het recht om bij non usus de overeenkomst te ontbinden. Het is aan de wederpartij – de afnemer of licentienemer – om wel of niet veel inspanningen te verrichten het werk te exploiteren. Het past niet bij het vrije marktprincipe, waar het nemen van ondernemersrisico's een wezenlijk onderdeel van uitmaakt, dat de maker – de licentiegever – op een zeker moment het recht heeft om de overeenkomst te ontbinden wanneer de koper het werk niet binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst in voldoende mate exploiteert. De licentienemer moet volledig vrij kunnen zijn om te bepalen of en wanneer hij welke inspanningen verricht om het werk te exploiteren. Hij investeert in de programmatuur en moet dan ook zelf kunnen bepalen of en wanneer hij die investering te gelde wil maken. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering hierop te reageren.

In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag is de regering ingegaan op de overwegingen die ertoe hebben geleid de in het voorontwerp opgenomen bepaling inzake non-overdraagbaarheid van het auteursrecht in combinatie met een periodiek opzegbare licentie niet over te nemen in het uiteindelijke wetsvoorstel. Tijdens de internetconsultatie over het voorontwerp is kritiek geuit op dit onderdeel, zowel vanuit de praktijk als door de Commissie Auteursrecht. Het veronderstelde gunstige effect van een dergelijke ingrijpende maatregel was niet voldoende onderzocht. De consequenties zouden niet goed zijn in te schatten. Uit de consultatie blijkt dat de onzekerheid over de bestendigheid van de relatie exploitanten huiverig kan maken om (investerings)risico's te nemen, of aanleiding zou kunnen zijn voor een kortstondige in plaats van een zorgvuldig opgebouwde en toekomstbestendige relatie. De leden van de CDA-fractie stellen de vraag of dezelfde bezwaren niet ook gelden ten aanzien van de non usus-regeling in zijn algemeenheid, zeker waar het eventuele derden betreft?

In geval van non usus kan de maker op grond van het voorgestelde artikel 25e ook bij een derde zijn recht weer opeisen, hoewel er geen sprake is van een contractuele verhouding tussen de maker en deze derde(n). Het wetsvoorstel spreekt hier van ontbinding. Betekent dit dat de maker eerst het contract dat hij/zij heeft gesloten met de exploitant/wederpartij dient te ontbinden, alvorens hij bij de derde (aan wie de exploitant/wederpartij het auteursrecht heeft overgedragen) zijn rechten kan opeisen, of heeft de maker rechtstreeks de mogelijkheid tot teruglevering door de derde van zijn rechten?

Onduidelijk is voorts, zo menen de aan het woord zijnde leden, of de maker verplicht is bijvoorbeeld de onkosten die de derde heeft gemaakt ter verkrijging van het auteurs- dan wel exploitatierecht aan de derde te vergoeden. Deze leden vragen de regering hierop te reageren.

En wat gebeurt er als de derde deze rechten heeft bezwaard, bijvoorbeeld met een pandrecht?

De leden van de D66-fractie noemen artikel 25e als laatste voorbeeld van een bepaling die open en breed uitlegbare normen bevat. Het eerste lid geeft de maker de ontbindingsbevoegdheid indien de wederpartij het auteursrecht op het werk niet binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst in voldoende mate exploiteert. Hoe moet de redelijke termijn worden ingevuld? Wat is in de ogen van de regering een redelijke termijn en onder welke omstandigheden moet worden gesproken van het niet in voldoende mate exploiteren van een auteursrecht?

Ook in artikel 25e, derde lid, wordt een redelijke termijn genoemd. Wat is in dit geval een redelijke termijn?

Artikel 25f Aw

In artikel 25f, eerste lid, kan een beding dat voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraken op de exploitatie van toekomstige werken van de maker inhoudt, worden vernietigd. Kan de regering toelichten wat in dit verband wordt bedoeld met een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn? De leden van de D66-fractie vernemen graag de reactie van de regering.

Met betrekking tot het voorgestelde artikel 25f stelt het lid van de SGP-fractie de vraag of deze bepaling ertoe kan en zal bijdragen dat auteurs/makers niet of minder gedwongen zullen worden om onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand te doen van c.q. alle rechten over te dragen, zoals bijvoorbeeld het recht op vergoeding voor breder gebruik en hergebruik.

Artikel 25fa Aw

Artikel 25fa is via amendement6 onder in het wetsvoorstel gevoegd. In dit artikel wordt gesproken over «een kort werk van wetenschap». Kan de regering aangeven wat daaronder moet worden verstaan? Voorts wordt in dit artikel gesproken over een «redelijke termijn» na de eerste openbaarmaking. Kan de regering aangeven – eventueel met behulp van voorbeelden – wat in dit artikel onder een redelijke termijn moet worden verstaan? De leden van de VVD-fractie vernemen graag antwoord op deze vragen.

Artikel 25g Aw

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat een laagdrempelige geschillencommissie auteurscontractenrecht in het leven wordt geroepen. Platform Makers heeft er in een brief van 16 maart jl. op gewezen dat het instellen van deze commissie aan de markt wordt overgelaten en dat derhalve het gevaar dreigt dat er geen geschillencommissie met werking in alle sectoren zal kunnen worden opgericht, omdat het oprichten van een dergelijke commissie vooral in het belang is van de makers.7 Volgens Platform Makers maar ook volgens Federatie Auteursrechtbelangen kan met name financiering van de geschillencommissie daarbij een obstakel blijken. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij bereid is ervoor zorg te dragen dat de geschillencommissie daadwerkelijk − in alle sectoren − wordt ingesteld en of de regering bereid is bij te dragen, dan wel toe te zien op voldoende financiering van de geschillencommissie.

Het wordt aan de markt overgelaten om een laagdrempelige geschillencommissie auteurs contractrecht in het leven te roepen. De machtsongelijkheid tussen partijen moet ook hier scherp in de gaten worden gehouden. De Staatssecretaris heeft tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer aangegeven dat het Platform Makers en het Platform Creatieve Media Industrie ook concrete stappen zetten om te komen tot die geschillencommissie8. Inmiddels ligt er een concept reglement geschillenregeling Federatie Auteursrechtbepalingen. De leden van de CDA-fractie stellen de regering in dit verband de volgende vragen: Ware het niet beter geweest wanneer het wetsvoorstel dwingend een geschillencommissie zou hebben voorgeschreven? Kan de regering aangeven op welke wijze een dergelijke commissie wordt gefinancierd? Of moeten alle kosten worden voldaan door de partijen die zich tot haar wenden?

Om de makers een laagdrempelige mogelijkheid te geven hun recht te halen, is er een mogelijkheid tot het oprichten van een geschillencommissie. De Federatie Auteursrechtbelangen (federatie) heeft dit tot vreugde van de leden van de SP-fractie voortvarend aangepakt. De federatie heeft nu een voorstel voor een geschillencommissie liggen. Graag een reactie van de regering over dit voorstel.

De federatie wijst voorts op de kosten die met een dergelijke commissie gemoeid zijn. Zij spreekt van kosten van 4.000 à 8.000 euro per zaak. De aan het woord zijnde leden willen graag weten hoe reëel die kostenschatting is. Wanneer de kosten zo hoog zijn, is een gang naar de rechter wellicht goedkoper. Kan de regering aangeven of deze inschatting reëel is? Indien zij van mening is dat «enkele tientjes» voldoende is, waar baseert zij dit dan op? Kan de regering aangeven wat haar mening is over het verzoek om deze kosten door de overheid te laten dragen?

De geschillencommissie die met dit wetsvoorstel in het leven kan worden geroepen, beoogt voor de belanghebbende een laagdrempelig alternatief te bieden voor de rechter. De leden van de D66-fractie stellen in dit verband de volgende vragen: Kan de regering toelichten wat zij verstaat onder een laagdrempelig alternatief? Waarom is de drempel die toegang geeft tot de overheidsrechter hoger? Is het de bedoeling dat voor toegang tot de geschillencommissie geen griffierecht wordt geheven? Heeft de regering in dat geval die hogere drempel tot de overheidsrechter niet zelf opgeworpen? Het wetsvoorstel voorziet daarbij in de mogelijkheid om een geschillencommissie in te stellen, niet in een verplichting. Kan de regering toelichten of en zo ja, wanneer zij van plan is deze geschillencommissie in te stellen? En heeft deze dan raakvlakken of overlappingen met de geschillencommissie die volgens artikel 22 van de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties is aangewezen en waarnaar de regering verwijst in de nota van wijziging9, welke geschillencommissie dient te beslissen over de billijkheid van de hoogte van door betalingsplichtigen aan de collectieve beheersorganisatie te betalen vergoedingen? De aldaar gemaakte verwijzing doet vermoeden dat van een overlapping sprake is. Kan de regering die veronderstelling bevestigen? En kan de regering toelichten of deze commissie inmiddels is ingesteld en of deze inmiddels een effectieve en efficiënte rol speelt in de afwikkeling van geschillen? Ook willen de leden van de D66-fractie graag weten hoe de geschillencommissie gaat worden gefinancierd. Komen de kosten daarvan ten laste van de brancheorganisaties, of is de regering bereid hiervoor budget beschikbaar te stellen? En kan de regering ook reageren op de brief van de Federatie Auteursrechtbelangen van 20 maart 201510, waarin deze organisatie een voorstel doet voor aanwijzing en financiering van deze geschillencommissie?

Met betrekking tot de voorgestelde mogelijkheid tot instelling van een geschillencommissie stelt het lid van de SGP-fractie de navolgende vraag: bestaat er enige garantie dat bedoelde commissie als zodanig zal worden ingesteld en dat deze bovendien alle relevante sectoren zal bestrijken? Voorts stelt dit lid de vraag op welke wijze de regering zich voorstelt dat de financiering van de door de commissie te verrichten activiteiten zeker wordt gesteld.

Onderdeel C (Artikel 45d Aw)

In de toelichting bij de nota van wijziging staat een passage die mogelijk onduidelijkheid kan veroorzaken. Daar staat: «Bij de openbaarmaking van het televisiesignaal worden zowel door omroepen als door distributeurs, zoals kabelmaatschappijen, handelingen verricht, dientengevolge dienen zij gezamenlijk verantwoordelijkheid voor het doen uitzenden te dragen en zijn zij voor deze openbaarmaking hoofdelijk aansprakelijk voor de proportionele billijke vergoeding».11 Wat wordt in deze passage bedoeld met «hoofdelijke aansprakelijkheid»? Deze hoofdelijke aansprakelijkheid blijkt niet uit de letterlijke tekst van artikel 45d, derde lid. De leden van de VVD-fractie vragen de regering deze redenering nader te onderbouwen.

Het is de leden van de D66-fractie bekend dat daags voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer er overeenstemming is bereikt tussen de brancheorganisaties RODAP en PAM over een nieuw vergoedingssysteem voor film- en televisie-exploitaties in het kader van het nieuwe artikel 45d in het wetsvoorstel dat handelt over een vergoedingensysteem tussen filmmakers en hun producenten. Bij de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer is in dit verband een interessante motie, de motie-Verhoeven12, aangenomen. Daarin wordt de regering verzocht om bij de evaluatie van dit (nu nog) wetsvoorstel speciale aandacht te besteden aan de makers die niet bij deze brancheorganisaties zijn betrokken. Artikel 40 Auteurswet waarin de duur van het auteursrecht is bepaald, noemt als rechthebbenden de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de schrijver van de dialogen en degene die ten behoeve van de film de muziek heeft gemaakt. Nu hebben de muziekmakers en de scenarioschrijvers hun eigen positie behouden en worden niet betrokken bij de in artikel 45d, eerste lid, van het wetsvoorstel geregelde automatische overdracht van rechten aan de exploitant. Maar de opsomming in artikel 40 is summier. Bij de Oscaruitreikingen worden circa 26 categorieën van makers betrokken, zoals een belangrijke categorie production-designer die het decor en het ontwerp voor zijn rekening neemt. Voor zover deze makers niet zijn en worden vertegenwoordigd binnen de afspraak tussen PAM en RODAP: hoe stelt de regering zich voor om deze makers die evenzeer de bescherming van dit wetsvoorstel behoren te krijgen, tegemoet te treden?

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vicevoorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), De Vries (PvdA), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), Schouwenaar (VVD), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Swagerman (VVD)

X Noot
2

Kamerstukken II 2014–2015, 29 838, nr. 79, p. 16.

X Noot
3

Kamerstukken II 2014–2015, 33 308, nr. 15.

X Noot
4

Handelingen II 2014–2015, nr. 52, item 24, p. 9.

X Noot
5

Kamerstukken II 2010–2011, 29 838, nr. 29.

X Noot
6

Kamerstukken II 2014–2015, 33 308, nr. 11.

X Noot
7

Ter inzage gelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning onder griffienummer 156960.

X Noot
8

Handelingen II 2014–2015, nr. 52, item 24, p. 11.

X Noot
9

Kamerstukken II 2013–2014, 33 308, nr. 10.

X Noot
10

Ter inzage gelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning onder griffienummer 156960.02u.

X Noot
11

Kamerstukken II 2013–2014, 33 308, nr. 10, p. 4.

X Noot
12

Kamerstukken II 2013–2014, 33 308, nr. 17.