Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833118 nr. 111

33 118 Omgevingsrecht

Nr. 111 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 juli 2018

Zoals eerder dit jaar schriftelijk1 toegezegd, informeer ik u via deze brief over de hoofdlijnen van het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet (hierna Invoeringsbesluit). Recent heeft u het voorstel voor de Invoeringswet ontvangen (Kamerstuk 34 986). Met het oog op de samenhang tussen dit wetsvoorstel en het Invoeringsbesluit dat daaruit voortvloeit, geef ik u via deze brief alvast een doorkijk in de verdere uitwerking van het voorstel voor de Invoeringswet.

Het Invoeringsbesluit vormt samen met de Invoeringswet en de Invoeringsregeling het zogenaamde invoeringsspoor van de Omgevingswet. Met het invoeringsspoor wordt voor het hoofdspoor van de stelselherziening duidelijk hoe het juridisch stelsel overgaat in het nieuwe en worden enkele aanvullingen gedaan. Het biedt helderheid voor de implementatie en de uitvoering.

Om de overgang van de oude regels naar het nieuwe omgevingsrecht zo soepel mogelijk te laten verlopen, bevat het Invoeringsbesluit overgangsrecht. Naast het overgangsrecht is de uitwerking van het digitaal stelsel van de Omgevingswet (DSO) een belangrijk onderdeel van de stelselherziening. De juridische uitwerking van het DSO loopt via het Invoeringsspoor en heeft ook bij het Invoeringsbesluit mijn bijzondere aandacht. Tenslotte zullen met het invoeringsspoor ook enkele beleidsvernieuwingen hun beslag krijgen, zoals een nieuwe opzet van de vergunningplicht voor bouwactiviteiten en nadeelcompensatie. Voor deze onderwerpen geldt dat de kaders bij het voorstel voor de Invoeringswet zijn gegeven en dat deze bij Invoeringsbesluit worden uitgewerkt. In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de moties en toezeggingen die in het voorstel voor de Invoeringswet zijn afgedaan.

I. Intrekken en wijzigen van wetten

Via het Invoeringsbesluit worden meer dan 30 besluiten ingetrokken, omdat ze volledig opgaan in de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit Omgevingsrecht, het Besluit ruimtelijke ordening en het Bouwbesluit. Daarnaast worden ruim 50 besluiten gewijzigd, om ze aan te laten sluiten op de Omgevingswet. Voorbeelden zijn het Waterbesluit en het Vuurwerkbesluit.

II. Overgangsrecht

a. Regulier overgangsrecht

Het overgangsrecht regelt de overgang van de huidige (of vanuit de Omgevingswet gedacht: de «oude») wet- en regelgeving naar het nieuwe stelsel onder de Omgevingswet. Het maakt voor burgers, bedrijven en bestuursorganen duidelijk wat de status is van onder het – dan – oude recht genomen besluiten als het nieuwe stelsel van de Omgevingswet in werking treedt. Ook regelt het overgangsrecht hoe procedures die onder het oude recht zijn gestart, moeten worden afgehandeld, nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Dit overgangsrecht krijgt voor het grootste deel zijn beslag in de Invoeringswet Omgevingswet en voor een kleiner deel in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Het gaat in het Invoeringsbesluit nog om onder meer overgangsrecht voor meldingen, gegevensverstrekking, maatwerkvoorschriften en gelijkwaardige maatregelen. Hiermee worden burgers, bedrijven en overheden ontlast van extra werkzaamheden gedurende de overgangstermijn.

b. Bruidsschat

De bruidsschat is een bijzondere vorm van overgangsrecht. Als de Omgevingswet in werking treedt, krijgen gemeenten meer mogelijkheden om zelf keuzes te maken en zo de lokale belangen beter af te wegen. Daartoe zal het Rijk een aantal zaken niet meer op rijksniveau regelen maar is invulling daarvan aan lokale overheden. Het gaat vooral om regels die per locatie een aparte afweging vragen. Naar verwachting zullen niet alle gemeenten vanaf de eerste dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet al die afwegingen al gemaakt hebben en die hebben omgezet in lokale regels. Dat zou ertoe kunnen leiden dat er voor bepaalde onderwerpen tijdens de transitiefase geen regels gelden. Daarom werk ik met de bestuurlijke partners aan de zogenaamde bruidsschat: een bijzondere vorm van recht voor de overgangsfase van rijksregels naar gedecentraliseerde regels. Dit concept is bedoeld om gemeenten en waterschappen zo goed mogelijk te faciliteren tijdens de transitiefase. Met de bruidsschat kunnen decentrale overheden in de periode tot 2029 de hun toebedeelde bevoegdheden oppakken en wordt een rechtsvacuüm voorkomen. Het meegeven van de te decentraliseren regels in de vorm van een «bruidsschat» biedt garantie voor een rechtszekere en geleidelijke transitie. Het biedt duidelijkheid voor burgers en bedrijven en het biedt vrijheid voor decentrale overheden om de regels om te zetten op een wijze en in een volgorde die past bij hun aanpak.

De onderwerpen die opgaan in de bruidsschat kunnen als volgt worden samengevat:

  • i. Regels over milieubelastende activiteiten die niet langer onder algemene rijksregels vallen. Voorbeelden zijn horeca, recreatie en detailhandel;

  • ii. Regels over de mate van belasting op de omgeving van geluid, geur en trillingen door bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten;

  • iii. Regels over het bouwen en gebruik van bouwwerken en terreinen die sterk locatieafhankelijk zijn, zoals kleinschalige hinder en overlast, welstandstoezicht en aansluitplichten op energie- en warmtenetten;

  • iv. Regels over kwalitatieve aspecten van lozingsactiviteiten in de regionale wateren, zoals emissiegrenswaarden voor huishoudelijk afvalwater.

De regels onder i tot met iii landen in de bruidsschat voor gemeenten in het omgevingsplan en de regels onder iv landen in de bruidsschat voor de waterschappen in de waterschapsverordening. Gemeenten en waterschappen kunnen vanaf de eerste dag dat de Omgevingswet in werking treedt de regels uit de bruidsschat aanpassen of schrappen. Daarbij moeten ze wel binnen de kaders van de Omgevingswet blijven zoals de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provincies streven ernaar om bij inwerkingtreding hun omgevingsverordeningen al gereed te hebben en dus is een bruidsschat voor provincies niet nodig.

De bruidsschat wordt zo vormgegeven dat de regels inhoudelijk gelijkwaardig zijn aan de huidige regels en deze zo goed mogelijk in het stelsel van de Omgevingswet passen. Daarom wordt aangesloten op de terminologie van de Omgevingswet. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip «inrichting» niet terugkomt in de bruidsschat en wordt vervangen door het begrip «activiteit». Daarnaast wordt een aantal vereenvoudigingen doorgevoerd die aansluiten op de Omgevingswet. Zo zal in lijn met het Besluit activiteiten leefomgeving worden gewerkt met specifieke zorgplichtbepalingen, waardoor good housekeeping maatregelen niet expliciet terug hoeven te komen in de bruidsschat. Een ander voorbeeld is dat de verschillende maatwerkbepalingen uit het huidige recht niet een op een worden overgenomen, maar dat in plaats daarvan één generieke maatwerkbepaling wordt uitgewerkt. De bruidsschat is zo een zelfstandig leesbaar document dat bovendien goed aansluit op het regime van de Omgevingswet. De ontwikkeling en uitwerking van de bruidsschat geschiedt uiteraard in afstemming met de VNG en de Unie van Waterschappen en hun achterbannen.

III. Aanpassingen AMvB’s

In deze paragraaf licht ik een aantal onderwerpen toe waarmee de AMvB’s, die deze zomer in het Staatsblad gepubliceerd worden, inhoudelijk worden aangepast via het Invoeringsbesluit. Het gaat om onderwerpen van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet die via het Invoeringsbesluit worden uitgewerkt, het omzetten vanuit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van de Waddenparagraaf, en om de uitwerking van twee moties, namelijk de motie over de ladder voor duurzame verstedelijking en de motie over routenetwerken.

a. Uitwerking digitaal stelsel Omgevingswet

Tijdens de behandeling van de Omgevingswet in de Tweede Kamer is een amendement van het lid Smaling aangenomen waarmee het «Digitaal Stelsel Omgevingswet» (DSO) aan de Omgevingswet is toegevoegd. De wettelijke basis van het digitaal stelsel, dat met dit amendement in de Omgevingswet is ingevoegd, wordt via het invoeringsspoor van de Omgevingswet verder uitgewerkt. Het is de ambitie om via het DSO op langere termijn zoveel mogelijk beschikbare informatie, zowel over de van toepassing zijnde wet- en regelgeving op het terrein van het omgevingsrecht, als de gegevens over de fysieke omgevingskwaliteit begrijpelijk en objectgericht toegankelijk te maken. Ook voorziet het DSO in een loketfunctie voor onder meer aanvragen en meldingen.

Naar aanleiding van het advies van het Bureau ICT-toetsing is de scope van het DSO aangescherpt door de vaststelling van een basisniveau dat gereed moet zijn op het moment van inwerkingtreding. Door vaststelling van dit basisniveau is het dienstverleningsniveau bij inwerkingtreding en de opgave voor het bevoegd gezag verduidelijkt. De ambitie is, om zoals eerder gemeld in mijn brief van oktober 20172, dit basisniveau op termijn uit te breiden met onderdelen die de baten van het DSO en het gebruikersgemak verder vergroten. Dit kan onder andere gedaan worden door stapsgewijs meer informatie te ontsluiten via het DSO.

In het Invoeringsbesluit wordt op onderdelen aangegeven welke informatie bij inwerkingtreding moet worden ontsloten via het DSO en door welk bestuursorgaan of rechtspersonen die informatie beschikbaar moet worden gesteld. Ik zal ook invulling geven aan de Eerste Kamermotie van het lid Verheijen c.s.3, waarmee de regering wordt verzocht om in het implementatieprogramma aandacht te besteden aan het belang van een goede informatiepositie van burgers bij participatietrajecten en bij de invoeringsregelgeving de kwaliteit en toegankelijkheid van de gegevens in het digitaal stelsel te borgen en te bezien of aan de vorm en kwaliteit van deze informatie nadere regels gesteld moeten worden. Het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet biedt de mogelijkheid om op termijn bij AMvB nieuwe functionaliteiten aan de landelijke voorziening DSO toe te voegen. Indien bij doorontwikkeling behoefte bestaat aan nieuwe functionaliteiten, wordt dan ook bekeken of hiervoor aanvullende regels nodig zijn, bijvoorbeeld in verband met de bescherming van persoonsgegevens of het gegevensbeheer.

In het Invoeringsbesluit zal de bescherming van de persoonsgegevens worden geregeld. Zo zal in ieder geval worden vastgelegd welke persoonsgegevens mogen worden verwerkt, hoe lang die persoonsgegevens worden bewaard en aan wie deze worden verstrekt. Op deze manier weten betrokkenen tot wie zij zich moeten richten met vragen of verzoeken in het kader van de bescherming van persoonsgegevens.

b. Nieuwe opzet van de vergunningplicht voor de bouwactiviteit

Bij het aanvragen van een vergunning voor een bouwactiviteit toetst de gemeente aan twee soorten regels: aan de ene kant de technische regels van het bouwwerk en aan de andere kant de ruimtelijke regels zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Dat is een standaard verplichte werkwijze volgens de huidige regelgeving. Dus als alleen een vergunning nodig is voor een bouwtechnisch element moet een gemeente ook aan het bestemmingsplan toetsen en andersom. Dit zorgt voor meer vergunningplichten dan praktisch gezien noodzakelijk. Daarom heb ik gezocht naar regelgeving die beter aansluit bij de behoefte in de praktijk en het aantal vergunningplichten beperkt. Het heeft geleid tot het wetsvoorstel Invoeringswet waarbij deze vergunningplicht gesplitst wordt in een technische vergunning en een ruimtelijke vergunning. De splitsing behoeft nadere uitwerking op besluitniveau. Ik zie deze uitwerking als volgt voor me.

  • Voor technische bouwkwaliteit blijft op wetsniveau een vergunningplicht bestaan. Hiervoor wil ik via het Invoeringsbesluit in het Besluit bouwwerken leefomgeving een categorie vergunningplichtige bouwactiviteiten aanwijzen. Door de splitsing zal er minder vergunningplichtig zijn op rijksniveau, omdat de categorie vergunningplichtig ontdaan wordt van ruimtelijke randvoorwaarden.

  • Het ruimtelijk deel van de vergunning wil ik meer aan gemeenten overlaten. De huidige categorie van vergunningvrije bouwwerken (Besluit Omgevingsrecht artikel 2 van bijlage II) wil ik zoveel mogelijk voortzetten als landelijke uniforme categorie ruimtelijke vergunningvrije bouwwerken. Het gaat bijvoorbeeld om dakkapellen aan de achterzijde, kozijn- en gevelwijzigingen, zonnepanelen, zonwering, tuinmeubilair, allerlei infrastructurele bouwwerken (bijvoorbeeld verkeersborden, geleiderails en chippoortjes). De aanwijzing van deze vergunningvrije bouwwerken zal via het Invoeringsbesluit in het Besluit bouwwerken leefomgeving worden geregeld. Gemeenten kunnen vervolgens zelf bepalen of zij meer bouwwerken vergunningvrij maken of hiervoor bijvoorbeeld een informatieplicht of meldingsplicht opnemen. Ik ben hierover in gesprek met de VNG.

Met de gewijzigde motie van de leden Van Veldhoven en Ronnes4 is de regering verzocht om onderzoek te doen naar de mogelijke negatieve gevolgen van bouwactiviteiten van werelderfgoederen die zonder omgevingsvergunning plaatsvinden en op basis hiervan zo nodig voorstellen te doen om de vergunningsvrije bouwmogelijkheden in deze erfgoederen af te schaffen dan wel in te perken. De resultaten van het onderzoek worden medio 2018 verwacht. Ik zal u over de resultaten informeren en ik zal de resultaten betrekken bij de uitwerking van de nieuwe opzet van de vergunningplicht voor de bouwactiviteit.

c. Uitvoering Vergunningverlening, toezicht en handhaving

Met het wetsvoorstel Invoeringswet worden de in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verankerde afspraken tussen rijk, provincies en gemeenten over vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) beleidsneutraal in het systeem van de Omgevingswet omgezet. De regels vormen de basis voor een landelijk dekkend stelsel van 29 omgevingsdiensten, waar provincies en gemeenten de uitvoering van een aantal VTH-taken onder hebben gebracht, het zogenaamde basistakenpakket. Het basistakenpakket wordt zo beleidsneutraal mogelijk in de systematiek het stelsel van de Omgevingswet omgezet. Om het proces zo goed mogelijk te laten verlopen is inbreng gevraagd aan de VNG en het IPO. Dit leidde tot een nauwe samenwerking waarbij op basis van kennis en expertise van omgevingsdiensten voorstellen worden uitgewerkt. Concreet gaan de regels van de Wabo via het Invoeringsbesluit over naar het Omgevingsbesluit.

d. Nadeelcompensatie

Het wetsvoorstel Invoeringswet introduceert een nieuwe regeling voor nadeelcompensatie. Dit gaat om het vergoeden van schade die ontstaat door nieuwe activiteiten in de leefomgeving toe te staan of juist niet meer mogelijk te maken. De belangrijkste zaken van de regeling voor nadeelcompensatie worden op wetsniveau geregeld, een aantal kleinere punten behoeven nadere uitwerking. Zo ben ik voornemens de schadebeoordelingscommissie voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische monumenten in te stellen. Dit is een continuering van de huidige praktijk. Daarnaast bezie ik nog of naast de gevallen op het gebied van water waarvoor dit nu al kan, het verhalen van de kosten van schadevergoeding op de initiatiefnemer ook in andere gevallen mogelijk gemaakt moet worden. Ook wijs ik een categorie van gevallen aan waarin de schade wordt geacht niet boven het normaal maatschappelijk risico uit te gaan. Voor deze categorie wordt vooralsnog aangesloten op de voorstellen waaraan gewerkt wordt met betrekking tot de vergunningvrije bouwactiviteiten.

e. Reikwijdte omgevingsplan en verordeningen

De Omgevingswet en het wetsvoorstel voor de Invoeringswet bieden de grondslag om bij besluit gevallen aan te wijzen die wel en niet in het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de waterschapsverordening mogen worden geregeld. In het Omgevingsbesluit worden deze gevallen uitgewerkt. De uitwerking vindt plaats in goede samenwerking met de VNG, de Unie van Waterschappen en het IPO.

f. Waddenzee en Waddengebied

Ten tijde van de totstandkoming van het Besluit kwaliteit leefomgeving vond een evaluatie en een beleidsverkenning plaats van de Planologische Kern Beslissing (PKB) Waddenzee en de regels over de Waddenzee en het Waddengebied in het huidige recht het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).5 Daarom is ervoor gekozen deze af te wachten voordat de desbetreffende paragraaf in het Barro zou worden omgezet naar het nieuwe stelsel. Omdat de Gebiedsagenda Wadden 2050 nog niet gereed is, wordt het huidige beleid neutraal omgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hiermee wordt de bescherming van de landschappelijke kernkwaliteiten en het kenmerkend cultureel erfgoed van de Waddenzee gecontinueerd.

g. Ladder voor duurzame verstedelijking

Met de gewijzigde motie van de leden Veldman en Ronnes6 is de regering verzocht in te zetten op een versimpeling van de ladder voor duurzame verstedelijking. Mede naar aanleiding van deze motie is de Ladder voor duurzame verstedelijking nog onder het huidige recht vereenvoudigd (in het Besluit ruimtelijke ordening). Deze wijziging is sinds 1 juli 2017 in werking.7 Deze gewijzigde ladder wordt via het Invoeringsbesluit beleidsneutraal ingebouwd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

h. Recreatieve routenetwerken voor fietsen en wandelen

Met de motie van het lid Ronnes c.s8 is de regering verzocht onder de Omgevingswet bestaande recreatieve wandel- en fietsroutes te borgen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft de Kamer in de brief over het overwegenbeleid9 laten weten dat zij van mening is dat dit belang, altijd afweegbaar moeten kunnen blijven ten opzichte van andere belangen, zoals veiligheid. In overleg met het IPO, de VNG en de Stichting Wandelnet wordt gewerkt aan een instructieregel voor het omgevingsplan, die aan deze lijn invulling aan geeft. Die landt via het Invoeringsbesluit in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

i. Monitoring decentrale omgevingswaarden

Voor de uitvoering van de motie van de leden Veldman en Çegerek10 is in het wetsvoorstel Invoeringswet een grondslag opgenomen om bij AMvB regels te kunnen stellen over de methoden van monitoring van decentrale omgevingswaarden. Aan het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt vervolgens een bepaling toegevoegd die zorgt dat decentrale omgevingswaarden met dezelfde methoden moeten worden gemonitord als het Rijk hanteert.

IV. Wijzigingen bestaand recht

Verder zullen via het Invoeringsbesluit ook lopende of recente wijzingen van bestaand recht worden opgenomen in het stelsel van de Omgevingswet. Het betreft onder meer de inbouw van wijzigingen van bestaand recht ter implementatie van Europese richtlijnen, zoals de wijziging van de Activiteitenregeling in verband met de implementatie van de Richtlijn middelgrote stookinstallaties. Deze wijziging wordt ingebouwd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Maar het betreft ook de inbouw in het stelsel van andere wijzigingen van bestaand recht tijdens de voorbereiding van de AMvB’s. Een voorbeeld is de op 23 juni 2017 in werking getreden wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer in verband met de vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw en open teelten. Ook deze wijziging zal via het Invoeringsbesluit worden ingebouwd in het Besluit activiteiten leefomgeving.

V. Tot slot

In deze brief schetste ik de hoofdlijnen van het Invoeringsbesluit en geef ik waar mogelijk een doorkijk hoe ik de uitwerking van de Invoeringswet voor mij zie. Daarbij heb ik ook de uitwerking van een aantal moties betrokken. Onderwerpen die bij de behandeling van het wetsvoorstel Invoeringswet een nadere uitwerking vergen in het Invoeringsbesluit, zullen waar mogelijk worden verwerkt. Ik streef ernaar het Invoeringsbesluit na de consultatie in het voorjaar van 2019 mede namens de ministers van Economische Zaken en Klimaat, Infrastructuur en Waterstaat, Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, Onderwijs Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de Kamers voor te hangen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

BIJLAGE I MOTIES EN TOEZEGGINGEN

  • 1. Motie van de leden Albert de Vries en Dik-Faber (kamerstuk 33 962, nr. 122) om het Verdrag van de Verenigde Naties voor de rechten van gehandicapten na ratificering via de Invoeringswet op te nemen in artikel 4.20 van de Omgevingswet. Dit VN-verdrag wordt als onderdeel van artikel 4.20 van de Omgevingswet toegevoegd via het voorstel voor de Invoeringswet.

  • 2. Motie van de leden Bisschop en Veldman (Kamerstuk 33 962, nr. 146) om te bezien hoe onnodige verlenging van de reguliere voorbereidingsprocedure kan worden ingeperkt, bijvoorbeeld door invoering van een motiveringsplicht. Deze motie is in het voorstel voor de Invoeringswet ingevuld door verplichte instemming van de aanvrager in het geval het bevoegd gezag de uitgebreide voorbereidingsprocedure wil hanteren.

  • 3. Motie van de leden Veldman en Cegerek (Kamerstuk 33 118, nr. 58) om in de Invoeringswet op te nemen dat decentrale overheden gebruik moeten maken van inhoudelijk gevalideerde en onafhankelijke onderzoeken en dit na vaststellen van de Invoeringswet uit te werken bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ter uitvoering van deze motie is in het voorstel voor de Invoeringswet een grondslag opgenomen om op besluitniveau regels te kunnen stellen over de methoden van monitoring van decentrale omgevingswaarden. Aan het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt vervolgens een bepaling toegevoegd die zorgt dat decentrale omgevingswaarden met dezelfde methoden moeten worden gemonitord als het Rijk hanteert.

  • 4. Motie van de leden Veldman en Cegerek (Kamerstuk 33 118, nr. 59) om via de Invoeringswet te regelen dat het Rijk ook regels kan stellen over meet- en rekenmethoden bij algemene regels in decentrale regelgeving. Het in het voorstel voor de Invoeringswet voorgestelde tweede lid bij artikel 4.1 van de Omgevingswet maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling meet- en rekenvoorschriften te stellen voor bepalingen die zijn opgenomen in decentrale regelgeving.

  • 5. Verdeling wettelijke taken

    Tijdens het AO van 18 april over de NOVI (Kamerstuk 34 682, nr. 5) is naar aanleiding van het jaarverslag van de Raad State gesproken over de verdeling van de wettelijke taken tussen Rijk, de provincies en waterschappen. Ik heb tijdens dit overleg toegezegd dit onderwerp bij de verdere uitwerking van de Omgevingswet te betrekken. De Raad van State heeft in het advies over de Invoeringswet Omgevingswet ook aandacht gevraagd voor de verdeling van de wettelijk taken. In het nader rapport inzake de Invoeringswet dat onlangs naar uw Kamer is gestuurd ben ik ingegaan op dit onderwerp.


X Noot
1

Kamerstukken 33 118 en 34 682, nr. 102

X Noot
2

Kamerstuk 33 118, nr. 98

X Noot
3

Kamerstuk 33 118, S

X Noot
4

Kamerstuk 33 962, nr. 175

X Noot
5

Kamerstuk 29 684, nr. 152

X Noot
6

Kamerstuk 33 962, nr. 172

X Noot
8

Kamerstuk 33 118, nr. 67

X Noot
9

Kamerstuk 29 893, nr. 211

X Noot
10

Kamerstuk 33 118, nr. 58