﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32852-406/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>32 852</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Grondstoffenvoorzieningszekerheid</titel>
    </dossier>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>30 872</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Landelijk afvalbeheerplan</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">406</ondernummer></stuknr>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI</titel>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
            <al>Den Haag, 25 juni 2026</al>
            <al>Een tijdige transitie naar een circulaire economie draagt niet alleen bij aan de klimaatopgave maar is door het belang van strategische grondstoffen in de huidige geopolitieke situatie alleen maar urgenter geworden. Het kabinet streeft omwille van verduurzaming, concurrentiekracht en weerbaarheid naar een volledig circulaire economie in 2050. In het coalitieakkoord heeft het kabinet daarom de ambitie neergelegd om het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) te versterken.</al>
            <al>In deze brief informeer ik u over de focus die het kabinet de komende jaren wil aanbrengen om die versterking vorm te geven. Ik zal als coördinerend Minister voor het circulaire-economiebeleid met mijn collega’s in het kabinet in gesprek gaan over de uitwerking en u hierover later dit jaar informeren. Daarnaast schets ik in deze brief enkele ontwikkelingen ten aanzien van o.a. doorontwikkeling van beleidsinstrumenten en uitgevoerde onderzoeken.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Kiezen voor opschaling</tussenkop>
            <al>Van pilots, <nadruk type="cur">first of a kind</nadruk>-installaties en koploperbedrijven naar de reguliere economie in Nederland: in de transitie naar een circulaire economie is een schaalsprong nodig. Dat is de conclusie van vele gesprekken met het bedrijfsleven en menig rapportage. De transitie naar een circulaire economie is een systeemtransitie, met omvangrijke technologische, economische en sociale vraagstukken: van producten anders ontwerpen en produceren, zodat we producten langer (kunnen) gebruiken, naar het overstappen op nieuwe businessmodellen.</al>
            <al-groep>
              <al>Voor opschaling of het <nadruk type="cur">mainstream</nadruk>maken van een circulaire economie moet een economische propositie ontstaan waardoor partijen circulair kunnen ondernemen.</al>
              <al>Dat vraagt om een structurele vraag naar circulaire producten, wetgeving die een stip op de horizon biedt via doelen en normen, kennis van ketens, versterkt instrumentarium en bereidheid om de lineaire economie uit te faseren.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Voor een doeltreffende opschaling is het nodig met enkele productketens te starten. Omdat ze van grote economische waarde zijn voor Nederland, in de ketens zelf al een krachtige beweging richting circulariteit is ontstaan en deze dus klaar zijn voor een schaalsprong. In de komende jaren wil het kabinet het NPCE versterken met meer focus op de uitvoering en opschaling van circulaire oplossingen in de praktijk en een gelijk speelveld creëren door knelpunten weg te nemen. We benutten onze sterke uitgangspositie in de circulaire economie, met kansen voor circulaire bouw, groene chemie (waaronder circulair plastic), en elektronica. Deze zijn verbonden aan (maatschappelijke) urgente opgaven waarvoor circulariteit oplossingen biedt en betreffen (kritieke) grondstoffen waarvan de leveringszekerheid op het spel staat. Ook bestaan er al samenwerkingsvormen op deze drie onderwerpen die het mogelijk maken een volgende stap te zetten.</al>
              <al>Uiteraard blijven we daarnaast kansen verkennen en pakken in andere sectoren, in het bijzonder waar deze bijdragen aan het verlagen van onze CO<inf>2</inf>-voetafdruk.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, die verantwoordelijk zijn voor de bouwsector, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, vanuit onze gedeelde verantwoordelijkheid voor secundaire bouwstoffen en met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, vanuit onze gedeelde verantwoordelijkheid voor elektrische en elektronische apparaten, wil ik, ook vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de chemiesector, de handen hiervoor ineenslaan. Onderstaande ontwikkelingen en onderzoeken kunnen we daarbij goed benutten.</al>
              <al>Voor het einde van het jaar zult u nader geïnformeerd worden over de stand van zaken en welke stappen we willen zetten om tot opschaling te komen. Ook zal worden aangegeven hoe we de verwachte effecten ervan zullen meten.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Werken aan een circulaire economie</tussenkop>
            <al>Hieronder schets ik ontwikkelingen, ook de uitvoering van enkele NPCE-maatregelen, die de beweging naar een circulaire economie ondersteunen. Ik wil benadrukken dat het een actuele stand van zaken betreft van slechts een deel van wat er gebeurt voor de transitie.</al>
            <al>Groene chemie</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="2-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>Onderzoek vraagcreatie voor toepassing duurzame koolstof</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>Verkenning mogelijkheden voor uitbreiding CBAM</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Bouw</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="2-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>3.</li.nr>
                <al>Nationale Aanpak Biobased Bouwen GWW</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>4.</li.nr>
                <al>Milieuprestatie-eisen voor de Grond-, Weg- en Waterbouw</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>5.</li.nr>
                <al>MKI-ondersteuningspunt</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>6.</li.nr>
                <al>Toezegging PCB’s in gebouwen</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Elektrische en elektronische apparaten</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="2-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>7.</li.nr>
                <al>Onderzoek minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voor elektrische en elektronische apparatuur in Kaderverordening Ecodesign</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>8.</li.nr>
                <al>Stand van zaken Afgifteplicht afgedankte elektrische en elektronische apparaten</al>
              </li>
            </lijst>
            <?xpp ep?>
            <al>Coördinatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="3-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>9.</li.nr>
                <al>Ketentafels NPCE</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>10.</li.nr>
                <al>Nationale circulaire doelen voor productgroepen</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>11.</li.nr>
                <al>Toezegging overzicht budgetten en instrumenten circulaire economie</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Europees beleid en wet- en regelgeving</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="3-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>12.</li.nr>
                <al>Onderhandelingsresultaat Europese Circulaire Voertuigenverordening</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>13.</li.nr>
                <al>Toezegging Nederlandse inzet Circular Economy Act (CEA)</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>14.</li.nr>
                <al>Beleidsagenda emissiereductie productketen</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Kaders voor duurzaam grondstoffengebruik en afvalbeheer</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="3-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>15.</li.nr>
                <al>Nieuw uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis en verlenging uitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk Afval</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>16.</li.nr>
                <al>Reactie op commissieverzoek over advies Commissie mer inzake CMP</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>17.</li.nr>
                <al>Stand van zaken Werkprogramma storten</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>18.</li.nr>
                <al>Internetconsultatie Kaderwet Circulaire Economie</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Productbeleid</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="3-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>19.</li.nr>
                <al>Vervolgonderzoek reparatiebonus</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>20.</li.nr>
                <al>Vervolgonderzoek uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor meubels</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>21.</li.nr>
                <al>Onderzoek strategieën om emissies van microplastics uit textiel te beperken</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>22.</li.nr>
                <al>Onderzoek belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>23.</li.nr>
                <al>Verkenning inzameldoelstellingen Verpakkingenverordening</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Sociaaleconomisch</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="3-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>24.</li.nr>
                <al>Onderzoek circulaire arbeidsmarkt</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>25.</li.nr>
                <al>Onderzoek bijdrage van circulariteit aan betaalbare energietransitie</al>
              </li>
            </lijst>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Groene chemie</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Om de chemische industrie te verduurzamen is het niet alleen nodig dat er wordt overgestapt op duurzame energie, maar moet ook in het belang van onze strategische onafhankelijkheid het grondstoffengebruik zoveel mogelijk van fossiel af. Dit betekent dat de chemie voor haar grondstoffengebruik moet overstappen van koolstof uit fossiele bronnen zoals olie of aardgas, naar duurzame koolstof op basis van secundaire grondstoffen uit (plastic) recycling, duurzame biogrondstoffen of niet-fossiele CO<inf>2</inf>. Het gewenste grondstoffengebruik van de chemie van 2050 en de route daar naartoe is beschreven in de kabinetsvisie op Duurzame Koolstof in de Chemische Industrie.<noot id="ID-1258784-d40e237" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/0f65d08e-cc22-4668-ad7b-8c29d48de98a/file" soort="URL" status="actief">https://open.overheid.nl/documenten/0f65d08e-cc22-4668-ad7b-8c29d48de98a/file</extref></noot.al></noot> In de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie zijn duurzame biogrondstoffen onmisbaar. Deze zijn ook schaars. Daarom moeten keuzes gemaakt worden over de inzet van duurzame biogrondstoffen. Het Duurzaamheidskader biogrondstoffen<noot id="ID-1258784-d40e248" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken <extref doc="kst-32813-617" soort="document" status="actief">32 813 en 31 239, nr. 617</extref> en Kamerstukken <extref doc="kst-32813-1039" soort="document" status="actief">32 813 en 31 239, nr. 1039</extref></noot.al></noot> geeft hier richting aan. In de EU wordt voor de zomer gestart met de implementatie van het Strategisch kader voor een concurrerende en duurzame bioeconomie in de EU<noot id="ID-1258784-d40e258" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52025DC0960" soort="URL" status="actief">EUR-Lex - 52025DC0960 - EN - EUR-Lex</extref></noot.al></noot>.</al>
              <al>Een belangrijke pijler in de opschaling van circulaire plastics zijn de Groeifonds programma’s CPNL en Biobased Circular. Van het programma Biobased Circular heb ik namens een breed consortium een brief ontvangen waarin ik verzocht word om de overheidssteun voor de opschaling van biomaterialen te continueren. Ik zal hierover met mijn collega’s in het kabinet in gesprek gaan.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">1. Onderzoek vraagcreatie voor toepassing duurzame koolstof</tussenkop>
            <al>In de Kamerbrief Duurzame Chemie<noot id="ID-1258784-d40e280" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025–2026, <extref doc="kst-32813-1540" soort="document" status="actief">32 813, nr 1540</extref></noot.al></noot> is geconstateerd dat groene vraagcreatie, bij voorkeur op Europees niveau, essentieel is voor de transitie van fossiele naar duurzame koolstof in de chemische industrie. Om die reden is er een onderzoek uitgevraagd naar de productgroepen die het meest geschikt zijn om de toepassing van duurzame koolstof in de chemische industrie te stimuleren middels vraagcreatie in Europees beleid. In het rapport «From Why to How: Creating Market Demand for Sustainable Carbon» van Haskoning (bijlage 1), worden op basis van Europese productievolumes van chemische producten en door te kijken naar de kosten, technologische volwassenheid en milieueffecten van een selectie van duurzame alternatieven, geadviseerd om minimum aandelen van duurzame koolstof te verplichten in productgroepen in textiel en verpakkingen. Deze aanbeveling is ondersteunend aan en wordt gebruikt voor de inzet van het kabinet binnen onder andere de ESPR en PPWR en in de werkgroep gericht op groene vraagcreatie in de Critical Chemical Alliance.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">2. Verkenning mogelijkheden voor uitbreiding CBAM</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Het rapport «Verkenning mogelijkheden voor de uitbreiding van het CBAM naar de kunststofsector» van Ecorys (bijlage 2) onderzoekt hoe het Europese Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) kan worden uitgebreid naar plastics. Het doel van het CBAM is om koolstoflekkage te voorkomen door een koolstofprijs te heffen op ingevoerde goederen uit landen van buiten de Europese Unie. Het rapport identificeert drie uitdagingen om het CBAM voor de kunststofsector goed uit te voeren: het meten van ingebedde emissies, de administratieve lasten, en risico’s op fraude. De onderzoekers concluderen dat het CBAM het meest effectief werkt als het instrument voor de gehele kunststofketen geldt. Een gedeeltelijke invoering voor basischemicaliën, monomeren en polymeren binnen specifieke chemische waardeketens lijkt beter uitvoerbaar, maar kent een weglekrisico via downstream producten. Dit betekent dat het onder CBAM brengen van deze producten nu niet realistisch lijkt vanwege complexe uitvoering.</al>
              <al>Dit neemt niet weg dat in de tussentijd naar andere mogelijkheden gekeken moet worden. Daar waar CBAM geen bescherming kan bieden voor het tegengaan van oneerlijke concurrentie, blijft Nederland zich in Europees verband inzetten voor betere en effectievere instrumenten om koolstoflekkage tegen te gaan. Zo werkt Nederland binnen de Critical Chemical Alliance aan voorstellen voor het stimuleren van de vraag naar groene chemie. Ook zet Nederland zich richting de aanstaande ETS1-herziening in voor een herverdeling van de toewijzing van gratis rechten en verbeterde investeringsstimulans voor ETS-sectoren. Ten slotte is Nederland betrokken bij de Circular Plastics Alliance (CPA) en haar werkgroepen. De Commissie heeft de CPA eerder dit jaar opnieuw in het leven heeft geroepen met als doel het versterken van het mondiale gelijke speelveld voor Europese plasticbedrijven. In samenwerking met de sector wordt er gewerkt aan het in kaart brengen van de belangrijkste marktontwikkelingen, uitdagingen en prioriteiten om zo mogelijke handelsmaatregelen te identificeren.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Bouw</tussenkop>
            <al>De woningbouw is een van de grote maatschappelijke opgaves voor dit kabinet en ook voor de infrastructuur ligt er een grote opgave. Er gaan enorme hoeveelheden grondstoffen en materialen in de bouw om. Daarom is de toepassing van andere, meer duurzame, bouwmaterialen een belangrijke pijler in de transitie naar een circulaire bouweconomie, met winst voor circulariteit, klimaat en milieu.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">3. Nationale Aanpak Biobased Bouwen GWW</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Eind 2023 is de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) gelanceerd. De NABB heeft als doel een markt voor biobased bouwen te ontwikkelen. Het programma is een samenwerking tussen de Ministeries VRO, EZK en LVVN. Binnen de NABB wordt gewerkt aan de opzet en opschaling van de hele biobased bouwketen, van de productie van vezelgewassen tot en met de toepassing van eindproducten in de bouw (zowel de burgerlijke en utiliteitsbouw (B&amp;U) als de GWW). Voor de NABB is € 200 miljoen beschikbaar gesteld uit het Klimaatfonds. Dit geld is verdeeld over de verschillende betrokken ministeries. Met het in procedure brengen van de normerende maatregel (het wetsvoorstel «Milieuprestatie-eisen voor de GWW» – zie punt 4 hieronder) komt het laatste deel van de stimuleringsmiddelen voor de GWW uit het Klimaatfonds beschikbaar (het gaat om € 10,6 miljoen). Binnen de NABB worden de middelen tot en met 2030 ingezet om de toepassing van biobased producten in de GWW op te schalen.</al>
              <al>De opschaling moet resulteren is schaalvoordelen zodat investeringen van ondernemers terugverdiend kunnen worden. Daarnaast moeten opdrachtgevers in de GWW de transitie maken naar het uitvragen en toepassen van andere (bouw-) materialen. Het doel is een zelfstandig werkende markt voor biobased bouwmaterialen aan het einde van de NABB.</al>
            </al-groep>
            <al>Het merendeel van het geld komt terecht bij bedrijven in de GWW die een biobased product optimaliseren en testen, zodat deze op grote schaal commercieel kan worden toegepast. Een mooi voorbeeld is een innovatiepartnerschap naar bioverrijkt asfalt, dat in het najaar van 2025 is gestart. In bioverrijkt asfalt wordt het bitumen dat uit aardolie wordt gewonnen (deels) vervangen door natuurlijke producten die onder andere uit de teelt van gewassen kunnen worden gemaakt. Door deze vervanging wordt de CO<inf>2</inf>-impact van het asfalt significant verlaagd. Een coalitie van 16 publieke opdrachtgevers trekt binnen het innovatiepartnerschap gezamenlijk op. De eerste fase van het innovatiepartnerschap is gericht op onderzoek en ontwikkeling van het asfalt. In het najaar van 2026 worden, verspreid over de 16 opdrachtgevers, proefvakken aangelegd met bioverrijkt asfalt. Door intensief te testen en monitoren worden onder andere de levensduur en kwaliteit van het asfalt bepaald. De tweede fase van het innovatiepartnerschap is de commerciële fase. Hierin worden de ontwikkelde producten toegepast in werken die worden uitgevoerd bij de verschillende opdrachtgevers.</al>
            <al>In 2025 is ook een Innovation Impact Challenge (IIC) gestart op het gebied van biobased geotextiel en drainagebuizen. Deze IIC is een innovatiecompetitie die wordt uitgevoerd door RVO in opdracht van het Ministerie IenW. Binnen deze competitie worden ondernemers uitgedaagd om hun biobased producten verder te ontwikkelen richting producten die rijp zijn voor de markt. Vanuit de NABB is geld beschikbaar om ontwikkelkosten te vergoeden.</al>
            <al>In de loop van 2026 worden nog meer innovatiepartnerschappen opgestart. In de eerste helft van 2026 start het innovatiepartnerschap biobased geluidschermen (in samenwerking met Rijkswaterstaat) en later volgen biobased oeverbescherming en biobased brugonderdelen. Biobased grondstoffen die in deze producten worden toegepast zijn onder andere hout, miscanthus, vlas en wilg. De productie van deze grondstoffen is bij toenemende vraag voldoende op te schalen.</al>
            <al>Ook wordt de mogelijkheid van een launching customer-regeling uitgewerkt, waarbij aanbesteders éénmalige (meer-)kosten vergoed kunnen krijgen. Ondernemers worden zo geholpen bij het vergroten van het aanbod van biobased producten. Het NABB richt zich ook op de opdrachtgevers in de GWW. Door hen actief te betrekken bij de ontwikkeling van biobased producten in de GWW, wordt het voor hen meer standaard om biobased producten uit te vragen en toe te passen. Met de combinatie van de gekozen instrumenten is beoogd om het grootst mogelijke effect met beperkte financiële middelen te bereiken. Dit alles moet er toe leiden dat aan het eind van het programma (2030) zowel de vraag naar als het aanbod van biobased producten in de GWW is opgeschaald.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">4. Milieuprestatie-eisen voor de grond-, weg- en waterbouw</tussenkop>
            <al>Het Ministerie van EZK werkt aan een wijziging van de Wet milieubeheer om de milieu-impact van de Grond-, Weg-, en Waterbouwsector (GWW) te verlagen en eenduidigheid in inkoop te realiseren.<noot id="ID-1258784-d40e338" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-32813-1397" soort="document" status="actief">32 813, nr. 1397</extref> en Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-32813-1520" soort="document" status="actief">32 813, nr. 1520</extref></noot.al></noot> Met het wetsvoorstel komt er een verplichting voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven om milieuprestatie-eisen mee te nemen in aanbestedingen in de GWW. De milieuprestatie wordt mede bepaald aan de hand van de milieukostenindicator (MKI). Het wetsvoorstel regelt de volgende twee onderwerpen:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>1)</li.nr>
                <al> Aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven worden verplicht om minimumeisen aan de milieuprestatie van de meest impactvolle materialen (beton en asfalt) te stellen.</al>
                <al>De prestatie-eisen zijn erop gericht om het minder goed presterende deel van de markt te verbeteren. Door een ondergrens voor milieuprestatie in de markt te hanteren neemt de milieu-impact van de materialen af. De uniforme ondergrens zorgt voor een gelijk speelveld voor ondernemingen en biedt een duidelijk perspectief voor het investeren in verduurzaming van de productie.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>2) </li.nr>
                <al>Bij de aanbesteding van grote werken moet milieuprestatie worden meegewogen in de gunning.</al>
                <al>Deze maatregel heeft als doel om partijen structureel uit te blijven dagen. Door milieuprestatie mee te laten wegen in de gunning van een werk, maken partijen die op dit gebied verder gaan dan anderen meer kans om een opdracht te winnen. Voor partijen in de sector is het hiermee aantrekkelijk om te innoveren.</al>
                <al>Milieuprestatie-eisen worden op dit moment nog maar deels meegenomen in aanbestedingen van GWW-werken. Ook is de wijze van toepassing verschillend per opdrachtgever. Door uniforme en eenduidige eisen te verplichten ontstaat een duidelijk perspectief voor de markt en weten partijen waarin ze in kunnen gaan investeren. Meer uniformiteit en eenduidigheid is een breed gedragen wens binnen de bouwsector.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Er is brede steun voor het wetsvoorstel onder brancheorganisaties, bedrijven en overheden. Dat blijkt ook uit de reacties op de internetconsultatie en stakeholderconsultaties die de afgelopen tijd zijn georganiseerd om input op te halen voor het wetsvoorstel. Het voornemen is om het wetsvoorstel voor het zomerreces in te dienen bij de Tweede Kamer.</al>
            <al>Daarnaast wordt momenteel in een algemene maatregel van bestuur het wetsvoorstel nader uitgewerkt. Hierin wordt omschreven voor welke materialen de minimumeisen gaan gelden en wanneer een groot werk onder de verplichting valt. Ook bevat het besluit nadere regels over de beoordelingsmethodiek. Het voornemen is om de internetconsultatie van de algemene maatregel van bestuur in juli te starten.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">5. MKI-ondersteuningspunt</tussenkop>
            <al>Uit stakeholderconsultaties komt naar voren dat met name kleine aanbestedende diensten ondersteuning kunnen gebruiken bij de voorbereiding op de wetgeving «milieuprestatie-eisen voor de GWW». Daarom is in maart 2026 een MKI-ondersteuningspunt opgericht bij PIANOo (het expertisecentrum aanbesteden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)<noot id="ID-1258784-d40e375" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><sup /><extref doc="https://www.pianoo.nl/nl/themas/maatschappelijk-verantwoord-inkopen/milieukostenindicator-mki" soort="URL" status="actief">Milieukostenindicator (MKI) | PIANOo - Expertisecentrum Aanbesteden</extref></noot.al></noot>). Het MKI-ondersteuningspunt gaat diverse kennisinstrumenten ontwikkelen om ondersteuning te bieden, zoals handreikingen, voorbeeldteksten en projectervaringen. De inzet van het MKI-ondersteuningspunt is er zoveel mogelijk op gericht om de aanbestedende diensten te helpen om te werken met MKI en hen zo voor te bereiden om te voldoen aan de wet en hen zodoende in staat te stellen versneld de milieu-impact van hun projecten te verlagen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">6. Toezegging PCB’s in gebouwen</tussenkop>
            <al>Op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft TAUW in 2024 een inventariserend onderzoek gedaan om meer zicht te krijgen op de toepassing van polychloorbifenylen (PCB’s) in gebouwen en bouwwerken. PCB’s zijn al enkele decennia geleden verboden vanwege de schadelijkheid van deze stoffen voor het milieu en de gezondheid, maar zijn voorafgaand aan dat verbod toegepast in gebouwen of bouwwerken. De conclusie van Tauw was dat een aanvullend meetonderzoek nodig was om tot wetenschappelijk solide conclusies te kunnen komen ten aanzien van mogelijke blootstellingsrisico’s aan PCB’s in gebouwen. De verwerking van PCB-houdend afval moet milieuhygiënisch verantwoord en conform de Arbeidsomstandighedenwetgeving plaatsvinden. PCB-houdend afval moet krachtens de verordening van persistente organische verontreinigingen (POP’s) worden vernietigd. In het Circulair Materialenplan zijn voor PCB-houdend afval specifieke richtlijnen opgenomen om mens en milieu te beschermen. De bevindingen uit het inventariserend onderzoek zijn zoals toegezegd aan de Kamer onder de aandacht gebracht van de Ministeries van BZK en SZW. Eventuele vervolgstappen naar aanleiding van het onderzoek kunnen door deze ministeries worden genomen. Met bovenstaande is de toezegging afgedaan.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Elektrische en elektronische apparaten</tussenkop>
            <al>In veel elektrische en elektronische apparaten (EEA) zijn kritieke grondstoffen verwerkt. Met de geopolitieke ontwikkelingen zijn we er steeds meer van doordrongen dat we voor de beschikbaarheid van kritieke grondstoffen minder afhankelijk moeten zijn van andere landen. Circulariteit kan bijdragen om strategische autonomie te bereiken. Er zijn circulaire doelen vastgesteld voor EEA en er bestaat, ook vanuit de EU, handelingsperspectief voor producenten en consumenten. Er ligt een belangrijke relatie tussen EEA en batterijen, die ik in de beleidsagenda Circulariteit kritieke grondstoffen uitlicht. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in een brief over de Nationale Grondstoffenstrategie.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">7. Onderzoek minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voor elektrische en elektronische apparatuur in Kaderverordening Ecodesign</tussenkop>
            <al>Het rapport «Minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voor EEA in de ESPR» van Ecorys (bijlage 3) onderzoekt de mogelijkheden om een minimumaandeel gerecycled plastic en biogebaseerde plastics in elektrische en elektronische apparaten (EEA) te verplichten onder de Europese Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten (ESPR). Het onderzoek stelt dat het in principe mogelijk is om een eis voor toepassing van recyclaat en een eis voor toepassing van biogebaseerde plastics vast te stellen in een horizontale Ecodesign eis. De onderzoekers raden aan om een gecombineerde eis te hanteren, zodat producenten de mogelijkheid hebben om de verdeling tussen recyclaat en biobased te bepalen. Dit is voor productie en verwerking van belang omdat zowel de markt voor plastic recyclaat als voor biogebaseerd plastic nog in ontwikkeling is. De onderzoekers geven aan dat tussen de EEA categorieën – en zelfs binnen deze categorieën – verschillen bestaan in de toegepaste hoeveelheden plastic en het potentieel voor een eis voor recyclaat en biogebaseerd plastic. De clustering van productgroepen voor een horizontale eis is daarmee een aandachtspunt. Het verplichten van een recyclaatseis in combinatie met een eis voor biogebaseerd plastic in EEA is in elk geval mogelijk in productspecifieke Ecodesign Verordeningen. De bevindingen uit dit onderzoek worden betrokken in de Nederlandse inzet voor aankomende Ecodesign-eisen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">8. Update Afgifteplicht afgedankte elektrische en elektronische apparaten</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>In de afgelopen jaren is gewerkt aan een afgifteplicht voor afgedankte elektrische en elektronische apparaten. Deze afgifteplicht moet eraan bijdragen dat de lekstroom van circa 100.000 ton afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA) per jaar wordt gedicht. Deze producten komen nu in het grijze circuit terecht als oud «ijzer». Hierdoor worden belangrijke (kritieke) grondstoffen onvoldoende benut en ontstaat een risico op onjuiste verwerking, met mogelijke milieuschade tot gevolg. Dit is onwenselijk voor het milieu en staat haaks op het streven naar een circulaire elektronicaketen.</al>
              <al>Op 23 mei 2025 is de voorhang van het Ontwerpbesluit tot wijziging Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), etc. m.b.t. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur gestart.<noot id="ID-1258784-d40e414" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-30872-313" soort="document" status="actief">30 872, nr. 313</extref></noot.al></noot> Op 18 juni heeft de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat schriftelijke vragen gesteld, die op 8 september 2025 zijn beantwoord.<noot id="ID-1258784-d40e423" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-30872-318" soort="document" status="actief">30 872, nr. 318</extref></noot.al></noot> Op 16 oktober 2025 is de voorpublicatie gestart. Deze liep tot en met 12 november 2025. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het ontwerpbesluit voor de Afgifteplicht is op 21 oktober 2025 genotificeerd bij de Europese Commissie onder nr. 2025/0638/NL. De Europese Commissie heeft geen opmerkingen gemaakt over de afgifteplicht. De afgifteplicht is ook gedeeld met en toegelicht aan de Raad van State. De Raad heeft haar advies op 30 maart jl. gepubliceerd.<noot id="ID-1258784-d40e432" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.raadvanstate.nl/adviezen/%40154713/w17-25-00329-iv/" soort="URL" status="actief">Wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen over het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. - Raad van State</extref></noot.al></noot> Inhoudelijke opmerkingen zullen nog worden verwerkt. De komende maanden worden ook niet-juridische aanpassingen gedaan die noodzakelijk zijn om de afgifteplicht te implementeren. Het is hierdoor niet meer mogelijk het besluit per 1 juli 2026 in werking te laten treden.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Coördinatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)</tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">9. Ketentafels NPCE</tussenkop>
            <al>In het NPCE is opgenomen dat een aantal ketentafels wordt ingericht met als doel om met de betrokken partijen de transitie te versnellen. De nationale doelen geven hiervoor structuur. We kiezen bewust voor productgroepniveau vanwege de specifieke uitdagingen en partijen die aan tafel moeten zitten. We vinden het belangrijk dat alle ketenschakels (koplopers én peloton) en andere relevante stakeholders zoals NGO’s voldoende zijn vertegenwoordigd.</al>
            <al>Deze productgroepen zijn bouw, textiel, verpakkingen, elektrische en elektronische apparaten en meubels. Met die partijen wordt verder uitgewerkt welke stappen nodig zijn om een productgroep circulair te maken en af te spreken wie wat doet om de keten te sluiten. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van bestaande overleggen, die als ketentafels kunnen fungeren.</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Bouw</nadruk>
                </al>
                <al>Op 5 november jl. is het bouwmaterialenakkoord ondertekend door de Ministeries VRO, IenW en KGG, brancheorganisaties in de bouw en vertegenwoordigers van 13 materiaalketens (waaronder beton, gips en staal). Ook is het Transitieteam Circulaire bouweconomie t/m 2026 actief. Deze tafels kunnen worden gezien als ketentafels. Het is dan ook niet nodig hier nieuwe ketentafels naast te plaatsen.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Elektrische en elektronische apparaten</nadruk>
                </al>
                <al>De eerste ketentafel vond plaats op 9 juni jl. Daar is o.a. de opzet van de ketentafel en de aanstaande herziening van de Richtlijn Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur besproken. Andere belangrijke thema’s voor de toekomstige ketentafel-bijeenkomsten zijn bijvoorbeeld: een langetermijnagenda om de elektronicaketen te sluiten en de ontwikkeling van Ecodesign eisen voor elektronica. De circulariteit van kritieke grondstoffen in elektronica komt ook aan bod. Aan de ketentafel nemen allerlei partijen uit de keten deel. Van ngo’s en producenten, tot verwerkers van (kritieke) materialen uit elektronica.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Textiel</nadruk>
                </al>
                <al>De ketentafel textiel wordt ingevuld door het bestaande «netwerkoverleg textiel» waarin het in 2024 uitgebrachte «beleidsprogramma textiel» als langetermijnagenda geldt. Op verzoek van partijen uit de sector en de Kamer is naast de Ketentafel voor textiel een tijdelijke Textieltafel ingericht om knelpunten op korte termijn rondom inzameling, hergebruik en recycling op te pakken. De uitkomsten en lessen uit deze tijdelijke tafel worden meegenomen in de permanente structuur.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Meubels</nadruk>
                </al>
                <al>De eerste bijeenkomst van de ketentafel Meubels is op 9 januari 2026 gehouden, waarbij als pilot de bijdrage van de specifieke productgroep aan de nationale doelen inzichtelijk wordt gemaakt. Als dit succesvol is, kan dit ook voor andere productgroepen worden gedaan.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Verpakkingen</nadruk>
                </al>
                <al>De start van de Verpakkingentafel volgt later in 2026. De onderlinge afhankelijkheid van ketenpartijen om de doelstellingen van de PPWR te bereiken is daar een centraal thema.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>De in 2025 opgerichte tijdelijke Circulaire Plastictafel heeft verschillende voorstellen gedaan. Die worden op dit moment verder uitgewerkt door het kabinet. De tafel komt voor de zomer van 2026 nog eenmaal bij elkaar om de implementatie van de voorstellen te monitoren. Daarna zal in consultatie met de tafelleden worden besloten over het vervolg. De opzet en werkwijze van de verschillende ketentafels zal het ministerie begin 2027 evalueren.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">10. Nationale circulaire doelen per productgroep</tussenkop>
            <al>Eerder heeft mijn voorganger u toegezegd u te informeren over de nationale circulaire doelen per productgroep.<noot id="ID-1258784-d40e484" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>TZ202601-072,</noot.al></noot> In 2025 heb ik in de actualisatie van het NPCE aan de Kamer de nationale CE-doelen gepresenteerd. Daarbij heb ik aangegeven dat het van belang is om die doelen door te vertalen naar productgroepdoelen zodat het voor bedrijven, medeoverheden en andere betrokken duidelijk wordt welke bijdrage ze kunnen leveren aan de nationale doelen.</al>
            <al>We zijn dit jaar gestart met een pilot om te bepalen welke bijdrage de productgroep meubels kan leveren aan de nationale doelen. Het is een pilot om ook te kunnen leren hoe de methodiek die gebruikt is bij de nationale doelen, het beste toegepast kan worden op productgroepniveau en wat er aanvullend nodig is, bijvoorbeeld op het gebied van data, om de bijdrage van een productgroep te kunnen bepalen. In het najaar verwacht ik hier zicht op te hebben en is het streven om met die lessen ook de bijdrage voor elektrische en elektronische apparaten te bepalen. Dit doen we in samenspraak met de ketentafels en zo nodig met andere stakeholders die niet deelnemen aan de ketentafel. Bij het bepalen van de bijdrage betrekken we uiteraard ook de bestaande Europese en/of nationale productgroepdoelen. Het streven is dat we op den duur voor alle productgroepen een doorvertaling hebben op een vergelijkbare manier zodat we die doelen van de productgroepen bij elkaar kunnen optellen om de balans op te maken en te bepalen waar we nog extra op moeten sturen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">11. Overzicht budgetten en instrumenten circulaire economie</tussenkop>
            <al>Naar aanleiding van een toezegging aan het lid Kostić<noot id="ID-1258784-d40e502" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>TZ202601-075</noot.al></noot> dat de Kamer voor de zomer over de stand van zaken rond het overzicht van benodigde budgetten om de doelen voor de transitie naar een circulaire economie te halen, het volgende. EZK werkt aan een notitie die inzicht moet geven in de mogelijkheden om kosten en effectiviteit van beleid in beeld te brengen, en heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagd hierbij input te geven. Het in kaart brengen van budgetten en instrumenten is een complexe opgave. De transitie naar een circulaire economie vraagt immers om een fundamenteel systeemingrijpen dat qua schaal en impact vergelijkbaar is met de energietransitie. Doelbereik, kosten en baten zijn in hoge mate afhankelijk van ketens, productgroepen en de gekozen instrumentenmix. Daarnaast is de benodigde kennis- en databasis over de kosten en effectiviteit van deze instrumenten nog in ontwikkeling. Op basis van de notitie zal worden bepaald langs welke lijnen het gevraagde overzicht verder vorm krijgt. Ik zal de Kamer na afronding van deze fase nader informeren over de uitkomsten en het vervolgproces.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">12. Reactie op brief NVCE-coalitie 1,5 miljard voor de circulaire economie</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Op verzoek van het lid Zalinyan reageer ik op de brief van een coalitie van NVCE, FME, de Jonge Klimaatbeweging, de Koninklijke Metaalunie, Natuur en Milieu, VNCE VNO-NCW en MKB Nederland. In de brief, gericht aan de Minister van Economische Zaken en mijzelf, roepen zij op structureel € 1,5 miljard per jaar in de circulaire economie te investeren door bestaande middelen slim te benutten.</al>
              <al>Het kabinet ziet het als buitengewoon waardevol dat een brede coalitie, van het brede bedrijfsleven tot milieuorganisaties, elkaar weet te vinden in het belang van de circulaire economie. Samenwerking met het brede stakeholderveld is een voorwaarde voor gedragen transitie, op 27 mei jl. hebben de Minister van Economische Zaken en ik met deze coalitie gesproken en dit ook sterk benadrukt.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>In hun brief doet de coalitie een aantal voorstellen voor gerichte publieke investeringen, regelingen om de onrendabele top te financieren en op andere manieren te zorgen voor actieve vraagcreatie van circulaire producten.</al>
              <al>Een centraal punt in de oproep is om bestaande regelingen beter geschikt te maken voor circulariteit. Op dit punt gebeurt al het nodige: de DEI+ gaat in juni opnieuw open met een aparte DEI+-CE openstelling, die wordt verruimd zodat demonstratieprojecten in de circulaire economie beter kunnen worden ondersteund; daarnaast wordt de scope verbreed naar CE-projecten in de voedingsindustrie en de productie van veenvervangers. Ook zijn via DEI, VEKI en NIKI in eerdere openstellingen al diverse grote circulaire investeringen ondersteund, waaronder textielrecycling en plasticrecycling; daarnaast worden bedrijven ondersteund bij aanvragen voor het Europese Innovation Fund. Op dit moment is het vanwege aflopende budgetten voor meerdere regelingen nog niet duidelijk of deze na 2027 nog opengesteld worden. Het voorstel van de coalitie om een deel van de klimaatmiddelen (zoals de SDE++) in te zetten voor circulaire projecten laat ik dan ook nader verkennen en ik neem dit mee in de voorjaarsbesluitvorming van 2027. Zoals de NVCE- coalitie ook al stelt: dit is uiteindelijk een prioriteringsvraagstuk, wat is een goede balans in de stimulering van de energie- en de grondstoffentransitie?</al>
            </al-groep>
            <al>Dit jaar wordt de Agenda Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) 2026–2030 met de Kamer gedeeld. Hierin wordt via inkoop ingezet op een selectie prioritaire productketens waar inkopende partijen de meeste impact mee kunnen maken ten aanzien van o.a. de circulaire economie. In het bijbehorende Uitvoeringsprogramma MVOI, worden de concrete activiteiten om inkopende partijen te stimuleren en ondersteunen uiteengezet. Hierbij wordt aangegeven hoe per productketen de bijdrage aan een duurzame markttransformatie wordt gemonitord. Daarnaast wordt dit jaar een onderzoek uitgezet naar de meest optimale vorm van het normeren van circulair inkopen. Daarmee wordt de vrijwilligheid van het toepassen van circulair inkopen geadresseerd. Dit onderzoek gebeurt in samenwerking met BZK-Rijksinkoop en de koepels van medeoverheden.</al>
            <al>Voor de NII en de Nadi verwijs ik naar aparte kamerbrieven die worden verstuurd in het kader van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Europees beleid en wet- en regelgeving</tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">13. Onderhandelingsresultaat Europese Circulaire Voertuigenverordening</tussenkop>
            <al>Het Commissievoorstel voor een Circulaire Voertuigenverordening<noot id="ID-1258784-d40e539" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al><extref doc="https://environment.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-circularity-requirements-vehicle-design-and-management-end-life-vehicles_en" soort="URL" status="actief">Proposal for a Regulation on circularity requirements for vehicle design and on management of end-of-life vehicles - Environment</extref></noot.al></noot> werd op 13 juni 2023 gepubliceerd. Deze verordening vervangt twee bestaande richtlijnen en is een belangrijke stap voorwaarts in de verduurzaming en circulariteit van voertuigen. Het voorstel omvat de gehele levenscyclus van een voertuig, van ontwerp tot afvalfase, en jaagt de transitie naar een circulaire economie aan. De Kamer is kort na publicatie van het voorstel van de Europese Commissie per BNC-fiche over het voorstel en de Nederlandse inzet geïnformeerd<noot id="ID-1258784-d40e551" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/vergaderstukken/2023/07/13/fiche-1-circulaire-voertuigen" soort="URL" status="actief">fiche 1 - Circulaire voertuigen | Vergaderstuk | Rijksoverheid.nl</extref></noot.al></noot>.</al>
            <al>Op 11 december 2025 werd een voorlopig akkoord bereikt in de onderhandelingen, waarna de lidstaten op 25 februari jl. hebben ingestemd met het onderhandelingsresultaat. Nadat het Europees Parlement heeft ingestemd met het eindresultaat zal dit door de Raad worden bekrachtigd. Na de vertaling en juridische opschoning van de tekst wordt de Verordening officieel gepubliceerd. De Verordening zal vervolgens 24 maanden na publicatie in werking treden.</al>
            <al>Het kabinet is positief over het onderhandelingsresultaat van de Circulaire Voertuigenverordening, in het bijzonder over de circulariteitseisen en de uitbreiding van de scope naar onder andere bussen, vrachtwagens en motoren en het doel om 30% plastic uit voertuigen te recyclen. Nederland heeft in samenwerking met gelijkgestemde landen geijverd voor ambitieuze en realistische doelen voor de verplichte toepassing van plasticrecyclaat in voertuigen. Hierdoor wordt een vraag naar plasticrecyclaat gegarandeerd en wordt de concurrentiepositie ten opzichte van nieuw plastic versterkt. In de onderhandelingen is uiteindelijk het tijdspad van deze doelen verzwakt ten opzichte van het Commissievoorstel, namelijk 15% na 6 jaar en 25% na 10 jaar, daar waar de Commissie 25% na 6 jaar had voorgesteld. Desondanks is de ambitie hoog gehouden door pre-consumer recyclaat niet mee te laten rekenen voor deze recyclaattoepassing, in lijn met het Joint Statement met betrekking tot de plastic recycling sector<noot id="ID-1258784-d40e568" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2025D53801&amp;did=2025D53801" soort="URL" status="actief">Joint Statement on the necessity of measures supporting the plastics recycling sector. Supported by Austria, Belgium, France, Luxembourg, Spain and the Netherlands | Tweede Kamer der Staten-Generaal</extref></noot.al></noot>.</al>
            <al>De verordening voorziet ook in een helder onderscheid tussen een gebruikt voertuig en een autowrak. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld vermiste voertuigen of illegale export worden voorkomen, wat tevens zal resulteren in meer beschikbare secundaire grondstoffen uit deze voertuigen. Ondanks dat dit onderscheid minder scherp is gesteld dan Nederland graag had gezien, is het resultaat acceptabel, zeker in het licht van de significante stap die hiermee wordt gezet richting een circulaire voertuigenketen. Het kabinet verwelkomt daarom het bereikte akkoord dat een belangrijke bijdrage levert aan de transitie naar een circulaire economie, met oog voor harmonisatie en een gelijk speelveld.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">14. Toezegging Nederlandse inzet Circular Economy Act (CEA)</tussenkop>
            <al>Tijdens het tweeminutendebat over het Schriftelijk Overleg van de Milieuraad van december jl. heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat toegezegd een nadere toelichting te geven op de Nederlandse inzet om een gelijk speelveld tussen circulaire en niet-circulaire producten te creëren, specifiek in het kader van de Europese <nadruk type="cur">Circular Economy Act (CEA)</nadruk>. Hierbij wordt tegemoet gekomen aan deze toezegging.</al>
            <al>Zoals ook opgenomen in het Nederlandse non-paper over de CEA<noot id="ID-1258784-d40e599" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al><sup /> Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-21501-08-1009" soort="document" status="actief">21 501–08, nr. 1009</extref></noot.al></noot>, bepleit het kabinet via een aantal manieren een gelijk speelveld te creëren. Dit vereist maatregelen langs alle onderdelen van de R-ladder, met een inzet op verminderen, vervangen, verlengen en verwerken<noot id="ID-1258784-d40e610" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Zie ook Actualisatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE 2025), Kamerstukken II 2025–2026, <extref doc="kst-32852-392" soort="document" status="actief">32 852, nr. 392</extref></noot.al></noot>. Een belangrijk instrument is bijvoorbeeld Europees productbeleid, waarmee circulariteitseisen kunnen worden verplicht voor alle producten binnen een productgroep die op de Europese markt worden gebracht. Daarbij kan gedacht worden aan verplichte percentages recyclaat, of eisen aan repareerbaarheid, herbruikbaarheid en recyclebaarheid van producten. De aankomende jaren worden dergelijke producteisen voor verschillende productgroepen uitgerold onder de Kaderverordening Ecodesign of sectorale productregelgeving, wat ervoor zorgt dat circulaire producten uiteindelijk de norm worden. De Europese Commissie heeft in april 2025 het Ecodesign en Energielabel werkplan vastgesteld voor de periode 2025–2030. In dit werkplan is opgenomen aan welke producten de komende jaren ontwerpeisen worden gesteld en voor welke producten een energielabel verplicht wordt.<noot id="ID-1258784-d40e619" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><extref doc="https://environment.ec.europa.eu/document/5f7ff5e2-ebe9-4bd4-a139-db881bd6398f_en" soort="URL" status="actief">https://environment.ec.europa.eu/document/5f7ff5e2-ebe9-4bd4-a139-db881bd6398f_en</extref></noot.al></noot> Zie hiervoor ook de verzamelbrief circulaire economie september 2025.<noot id="ID-1258784-d40e630" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-32852-376" soort="document" status="actief">32 852, nr. 376</extref></noot.al></noot> Het kabinet zal ervoor blijven pleiten dat deze uitrol onverminderd doorgaat en dat de CEA dit ondersteunt en waar mogelijk verder versnelt.</al>
            <al>Daarnaast vereist dit ook inzet op verschillende randvoorwaarden. Zo is het nodig dat het functioneren van de Europese interne markt voor secundaire materialen wordt versterkt, bijvoorbeeld door uniforme einde-afval-criteria. Dit zal bijdragen aan een gelijk speelveld voor secundaire materialen en het eenvoudiger en aantrekkelijker maken om deze materialen toe te passen in nieuwe producten. Ook is het van belang dat Europese secundaire materialen op een eerlijke manier kunnen concurreren met (secundaire) grondstoffen van buiten Europa. Dit vereist effectieve toezicht en handhaving, om te controleren dat producten van buiten de EU ook voldoen aan de Europese normen. Verder dienen oneerlijke handelspraktijken te worden bestreden en dient aan consumenten de juiste informatie over de duurzaamheid van hun producten te worden aangeboden.</al>
            <al-groep>
              <al>Naast deze inzet in het kader van de CEA, onderzoekt tenslotte het kabinet ook slimmere financiële prikkels, zoals investeringsaftrekken en fiscale voordelen, die circulaire ondernemers helpen. In dit kader is het ook goed om te verwijzen naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën over fiscale prikkels om de circulaire transitie te versnellen<noot id="ID-1258784-d40e648" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2024/25, <extref doc="kst-32852-278" soort="document" status="actief">32 852, nr. 278</extref></noot.al></noot>. Over de circulaire hefboom is de Kamer geïnformeerd, meest recentelijk in de Kamerbrief over de stand van zaken van de voorstellen van de Plastictafel van december 2025.<noot id="ID-1258784-d40e657" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-32852-397" soort="document" status="actief">32 852, nr. 397</extref></noot.al></noot></al>
              <al>Daarbij heb ik ook toegezegd de Kamer voorafgaand aan het zomerreces te zullen informeren over de onderzoeksresultaten en de conclusies die het kabinet daaruit trekt.</al>
            </al-groep>
            <al>De verwachting is dat de Commissie de CEA zal presenteren in het derde kwartaal van dit jaar. In aanloop hier naartoe vraagt Nederland actief aandacht voor bovenstaande inzet. Waar relevant en mogelijk doet Nederland dit met gelijkgezinde lidstaten, zowel ambtelijk als politiek, in lijn met de motie Buijsse<noot id="ID-1258784-d40e670" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Motie Kamerstuk <extref doc="kst-21501-08-982" soort="document" status="actief">21501–08, nr. 982</extref></noot.al></noot>. Momenteel is de precieze vorm en inhoud van de CEA nog onduidelijk. De Commissie heeft wel al benadrukt dat de CEA in ieder geval moet bijdragen aan het versterken van de interne markt voor secundaire materialen. Wanneer de Commissie het voorstel publiceert, zal blijken in hoeverre de Nederlandse inzet in dit dossier daadwerkelijk wordt weerspiegeld in het voorstel. De Kamer zal na publicatie van het voorstel zoals gebruikelijk via een BNC-fiche worden geïnformeerd over de kabinetspositie.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">15. Beleidsagenda emissiereductie productketen</tussenkop>
            <al>Naar aanleiding van het Klimaatplan 2025–2035 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de potentiële meerwaarde van een EU-broeikasgasvoetafdrukdoel. Het rapport hierover is in september 2025 naar de Kamer gestuurd. Hieruit is gebleken dat een voetafdrukdoel de prikkel geeft om te investeren in emissiereducties in de keten of in het buitenland. Daarmee kan een dergelijk doel meerwaarde hebben voor het beleid gericht op klimaat, energie en circulaire economie.</al>
            <al>Het kabinet zal binnenkort beslissen hoe invulling wordt gegeven aan de aanbevelingen uit dit rapport. Hiervoor wordt momenteel de Beleidsagenda Emissiereductie Productketens uitgewerkt, met daarin zowel nationale als EU-acties. Deze acties zijn er niet alleen op gericht om ketenemissies beter te meten, rapporteren en reduceren, maar ook om de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te versterken en koolstoflekkage waar mogelijk te voorkomen. De beleidsagenda zal ik deze zomer naar de Kamer sturen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Kaders voor duurzaam grondstoffengebruik en afvalbeheer</tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">16. Nieuw uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis en verlenging uitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk Afval</tussenkop>
            <al>In de recente actualisatie van het NPCE is de vormgeving van twee nieuwe uitvoeringsprogramma’s aangekondigd binnen het Van Afval Naar Grondstof (VANG)-programma. In het kader van het VANG-programma werkt het Rijk samen met gemeenten, bedrijven en inzamelaars naar meer en betere afvalscheiding en afvalpreventie. Met deze programma’s wordt bijgedragen aan de hoogwaardige verwerking van afvalstoffen.</al>
            <al>Het uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis (bijlage 4) ondersteunt bedrijven en organisaties om toe te werken naar meer en betere afvalscheiding en afvalpreventie in de kantoren-, winkel-, en dienstensector. In het nieuwe uitvoeringsprogramma<noot id="ID-1258784-d40e701" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Gepubliceerd via: <extref doc="https://afvalcirculair.nl/vang-buitenshuis/actueel/nieuws/nieuw-uitvoeringsprogramma-vang-buitenshuis/" soort="URL" status="actief">https://afvalcirculair.nl/vang-buitenshuis/actueel/nieuws/nieuw-uitvoeringsprogramma-vang-buitenshuis/</extref></noot.al></noot> ligt de nadruk van de activiteiten op het breder verspreiden en overdragen van de kennis die tijdens de uitvoering van het vorige uitvoeringsprogramma is opgedaan. Dit met als doel om meer bedrijven en organisaties in staat te stellen om zelfstandig, toekomstbestendig en circulair te opereren met als resultaat minder afval, beter gescheiden afval en meer recycling.</al>
            <al>Via het uitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk Afval ondersteunt het Rijk sinds 2015 gemeenten in het uitvoeren van hun wettelijke taak om huishoudelijk afval gescheiden in te zamelen. In aanvulling daarop loopt momenteel een verkenning naar de (on)mogelijkheden van meer landelijke standaardisering van afvalscheiding en -inzameling. In afwachting van de resultaten van deze verkenning is besloten om het huidige uitvoeringsprogramma, dat in 2025 zou aflopen, met een jaar te verlengen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">17. Reactie op commissieverzoek over advies Commissie mer inzake CMP</tussenkop>
            <al>Op 17 december 2025 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat verzocht om een schriftelijke reactie op het advies «Circulair Materialenplan» van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie mer).<noot id="ID-1258784-d40e722" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Kenmerk: 30 872-321/<extref doc="nds-tk-2025D52797" soort="document" status="actief">2025D52797</extref></noot.al></noot> Tevens is tijdens het commissiedebat circulaire economie van 16 april 2025 toegezegd om het advies van de Commissie mer goed te bekijken en te bezien of er aanpassingen nodig zijn van het milieueffectrapport (MER).<noot id="ID-1258784-d40e731" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>TZ202505-142</noot.al></noot> De vaste commissie heeft op 24 april 2025 een gelijksoortig schriftelijk verzoek gedaan om reactie op het advies van de Commissie mer.<noot id="ID-1258784-d40e740" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Kenmerk: <extref doc="kv-tk-2025Z07242" soort="document" status="actief">2025Z07242</extref>/<extref doc="nds-tk-2025D18761" soort="document" status="actief">2025D18761</extref></noot.al></noot> In reactie hierop heeft de Kamer op 3 september een brief ontvangen waarin is gereageerd op het advies van de Commissie mer en hoe hieraan opvolging wordt gegeven.<noot id="ID-1258784-d40e749" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-30872-317" soort="document" status="actief">30 872, nr. 317</extref></noot.al></noot> Met deze brief is voldaan aan zowel het commissieverzoek als de toezegging van april 2025. Voor een inhoudelijke reactie op de belangrijkste bevindingen van de Commissie mer, conform het commissieverzoek van december 2025 verwijs ik daarom ook naar deze brief. Daarnaast kan voor een gedetailleerde reactie op alle punten van de Commissie mer ook de reactienota worden geraadpleegd, die als bijlage is meegestuurd bij de Kamerbief over de vaststelling van het Circulair Materialenplan op 1 december.<noot id="ID-1258784-d40e758" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-30872-321" soort="document" status="actief">30 872, nr. 321</extref></noot.al></noot> Deze reactienota is ook te vinden op <extref doc="http://www.circulairmaterialenplan.nl/cmp/verandert-cmp/" soort="URL" status="actief">www.circulairmaterialenplan.nl/cmp/verandert-cmp/</extref>.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">18. Stand van zaken Werkprogramma storten</tussenkop>
            <al>Zoals vermeld in de Kamerbrief van 11 juni 2024 wordt uitvoering gegeven aan een Werkprogramma Storten 2024–2029 om tot een toekomstbestendig stortstelsel te komen. In een circulaire economie is het storten van afval zoveel mogelijk beperkt, maar zullen er ook afvalstromen zijn die niet op een veilige manier hoogwaardiger verwerkt kunnen worden en dus gestort moeten worden. Het is daarom noodzakelijk om het storten van afval goed te borgen en te zorgen dat storten betaalbaar en beschikbaar blijft. Er is toegezegd de Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang van het werkprogramma<noot id="ID-1258784-d40e777" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al><extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/dpc-3b018f7d7288b6fed5fa86d3c5d5656af7ac5856/pdf" soort="URL" status="actief">https://open.overheid.nl/documenten/dpc-3b018f7d7288b6fed5fa86d3c5d5656af7ac5856/pdf</extref></noot.al></noot>. In het kader van het werkprogramma worden verschillende onderzoeken uitgevoerd, onder meer naar het nazorgstelsel, de technische richtlijnen voor stortplaatsen en het moratorium op stortcapaciteit<noot id="ID-1258784-d40e788" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Het moratorium op stortcapaciteit betreft een vastgestelde hoeveelheid stortcapaciteit die beschikbaar is. Met elke ton afval die gestort wordt, neemt de beschikbare capaciteit binnen het moratorium af.</noot.al></noot>.</al>
            <al>Met betrekking tot het nazorgstelsel is een scenariostudie uitgevoerd naar mogelijke (stelsel)wijzigingen en de gevolgen hiervan. Deze studie heeft gekeken naar zowel financiële als bestuurlijke verantwoordelijkheden binnen het nazorgstelsel en benodigde wijzigingen om de werking van het nazorgstelsel te verbeteren (bijlage 5). Daarnaast is een onderzoek afgerond naar de technische richtlijnen waar stortplaatsen aan moeten voldoen. Deze technische richtlijnen moeten worden gemoderniseerd om te zorgen dat zij toekomstbestendig zijn en nieuwe innovaties niet in de weg zitten. Het onderzoek heeft in kaart gebracht hoe de technische richtlijnen verankerd zijn in de Omgevingswet en welke richtlijnen vernieuwd dienen te worden (bijlage 6). In de loop van 2026 zal tevens het onderzoek starten naar de benodigde uitbreiding van het moratorium op stortcapaciteit, zodat er voldoende stortcapaciteit beschikbaar blijft.</al>
            <al>Op basis van de bevindingen uit de studies omtrent het nazorgstelsel en de technische richtlijnen zal de komende maanden worden besloten welke vervolgstappen gewenst zijn. De Kamer zal hier naar verwachting in het vierde kwartaal van dit jaar over worden geïnformeerd.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">19. Internetconsultatie Kaderwet Circulaire Economie</tussenkop>
            <al>In april 2024 is de Kamer geïnformeerd over de hoofdlijnennotitie voor de beoogde Circulaire Economie-wet.<noot id="ID-1258784-d40e806" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-32852-310" soort="document" status="actief">32 852, nr. 310</extref></noot.al></noot> Inmiddels ligt het concept-voorstel voor de Kaderwet Circulaire Economie in internetconsultatie, van 18 juni tot en met 13 augustus. Deze Wijzigingswet van de Wet milieubeheer (Wm) geeft uitvoering aan de wens van de Tweede Kamer (motie Hagen) om in wetgeving sterker te sturen op circulair grondstoffengebruik.<noot id="ID-1258784-d40e815" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2022/23, <extref doc="kst-36200-XII-56" soort="document" status="actief">36 200 XII, nr. 56</extref></noot.al></noot> Met dit voorstel wordt de Wm toekomstbestendig gemaakt voor wat betreft de artikelen die gaan over stoffen, producten en afvalstoffen. De wet verbetert de mogelijkheden om te sturen op duurzaam grondstoffengebruik, onder meer door het introduceren van een overkoepelende doelbepaling van de circulaire economie. Ook worden de circulariteitsstrategieën uit het NPCE opgenomen. Verder wordt in het nieuwe hoofdstuk 10 van de Wm de structuur van de wet zo aangepast dat de gehele materiaalcyclus, van productie tot afvalfase, kan worden gereguleerd. Het gaat hierbij om een beleidsarme omzetting, waarbij geen nieuwe verplichtingen worden geïntroduceerd.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Productbeleid</tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">20. Vervolgonderzoek reparatiebonus</tussenkop>
            <al>De motie Bamenga e.a.<noot id="ID-1258784-d40e832" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-32852-305" soort="document" status="actief">32 852, nr. 305</extref> (t.v.v. Kamerstuk <extref doc="kst-32852-296" soort="document" status="actief">32 852, nr. 296</extref>)</noot.al></noot> verzoekt de mogelijkheid in kaart te brengen om naar Oostenrijks voorbeeld reparatievouchers in te voeren in Nederland. Ook bij het Commissiedebat van 16 april 2025 is toegezegd<noot id="ID-1258784-d40e845" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>Toezegging TZ202505-141</noot.al></noot> om de Kamer te informeren over de mogelijkheid van reparatiebonnen. Onlangs is de verkenning naar de mogelijkheden om een reparatiebonussysteem in te voeren afgerond, waarbij ook naar reparatievouchers is gekeken. Hierbij wordt in reactie op de motie Bamenga en de genoemde toezegging dit onderzoek met de Kamer gedeeld (bijlage 7).</al>
            <al>In de Kamerbrief van 24 juni 2024 over reparatie in de circulaire economie<noot id="ID-1258784-d40e857" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-32852-316" soort="document" status="actief">32 852, nr. 316</extref></noot.al></noot>, is het beleid ter bevordering van reparatie uiteengezet. Kort gezegd komt het erop neer dat het kabinet inzet op:</al>
            <lijst type="expliciet" nummerbreedte="2-cijferig" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>1)</li.nr>
                <al>beter productontwerp door het stellen van Europese Ecodesign-eisen;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>2)</li.nr>
                <al>versterking van de reparatie-infrastructuur en vakmanschap; en</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>3)</li.nr>
                <al>stimuleren dat consumenten hun producten (laten) repareren.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Een eventuele reparatiebonus zou vallen in deze laatste categorie en is specifiek gericht op het verlagen van de kosten van reparatie. Een hoge prijs van reparatie is immers een van de factoren die consumenten ontmoedigt te kiezen voor reparatie. Er zijn daarnaast andere belemmerende factoren zoals onzekerheid over de reparatiekosten en de resterende levensduur, de rompslomp die komt kijken bij de organisatie van reparatie, de beschikbaarheid van kundige reparateurs en reserveonderdelen, de beperkte repareerbaarheid, etc.</al>
            <al>De verkenning naar de mogelijkheden van een reparatiebonussysteem heeft niet alleen naar het Oostenrijkse vouchersysteem gekeken, maar ook naar de bonussystemen in Frankrijk en in de Duitse deelstaat Thüringen, aangevuld met informatie uit literatuur en interviews. Uit de internationale vergelijking komt naar voren dat ongeveer één derde van de gedane reparaties onder een bonussysteem additioneel is. Dat wil zeggen dat deze zonder de bonus niet zouden zijn uitgevoerd. Er zijn echter geen signalen dat door de bonus de reparateursmarkt op korte termijn verandert. Omdat de bonussystemen nog relatief nieuw zijn, is het nog onduidelijk of het gedragseffect bij consumenten blijvend is zodra de bonus wegvalt. De milieuwinst als gevolg van extra reparaties wordt geraamd op 3,3 tot 25,3 miljoen kg vermeden CO<inf>2</inf>-equivalent<noot id="ID-1258784-d40e879" type="voet"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al>Andere relevante milieuvoordelen zijn in deze studie niet gekwantificeerd. De onderzoekers verwachten dat de reparatie van EEA leidt tot een vermeden impact in grondstoffengebruik (mineralen en metalen, evenals fossiele grondstoffen) en tot een lagere bijdrage aan fijnstofvorming en verzuring. Daarnaast kan reparatie van EEA ook bijdragen aan verminderde afhankelijkheid van kritieke grondstoffen.</noot.al></noot> per jaar. De kosten worden geraamd tussen de 10 en 100 miljoen euro per jaar, afhankelijk van de hoogte van de bijdrage, het aantal reparaties en de communicatie- en systeemkosten. Daarmee kost de reparatiebonus tussen de € 2.600 en € 4.200 per vermeden ton CO<inf>2</inf>-eq en wordt beoordeeld als onvoldoende doelmatig. Het bedrag benodigd voor een bonussysteem is op dit moment geen onderdeel van de rijksbegroting.</al>
            <al>Het kabinet onderschrijft het belang van het structureel bevorderen van reparatie. Daarom zal verder worden onderzocht hoe belemmeringen voor reparatie in brede zin weggenomen kunnen worden. De reductie van de kosten zijn daarbij een belangrijke factor. In dat kader wordt bij de doorontwikkeling van de UPV’s onderzocht hoe reparaties financieel gestimuleerd kunnen worden. Een reparatiefonds is daarbij een optie. Daarnaast zal het kabinet mede in dit kader onderzoeken hoe financiering effectief en goed uitvoerbaar kan bijdragen aan meer reparatie en de bevindingen hierover vóór de zomer met de Kamer delen. Hiermee zal tevens invulling worden gegeven aan de motie Grinwis<noot id="ID-1258784-d40e894" type="voet"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-36812-97" soort="document" status="actief">36 812, nr. 97</extref></noot.al></noot>. Het streven is om effectieve en doelmatige oplossingen te vinden die reparatie bevorderen, zowel financieel als anderszins. Daarbij zal ook de visie van relevante stakeholders worden meegenomen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">21. Vervolgonderzoek uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor meubels</tussenkop>
            <al>Het NPCE 2023–2030 voorziet dat er voor meubels uiterlijk in 2030, in samenwerking met de relevante spelers in de keten, een UPV is ontwikkeld die eraan bijdraagt dat meubels beter ingezameld, hergebruikt, opgeknapt, gerepareerd en gerecycled worden. Rebel heeft een advies uitgebracht over het opzetten van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor meubels (bijlage 8).</al>
            <al>De onderzoekers hebben een uitgebreide consultatie gedaan onder een brede groep ketenpartijen en gegevens bijeengezocht over aantallen van de diverse meubeltypen die worden verkocht, worden ingezameld, gerepareerd of vernieuwd («refurbishing»), worden gedemonteerd voor recycling, dan wel worden verbrand. Die gegevens bleken nog te beperkt voor het bepalen van haalbare en tevens voldoende ambitieuze verplichte percentages voor bijvoorbeeld heel-inzamelen van meubels en reparatie of vernieuwing met het oog op hergebruik, of recycling van materiaal uit meubels. Daarom adviseren de onderzoekers om een wettelijke UPV-regeling op te zetten die producenten in eerste instantie alleen verplicht tot rapportage van gegevens waarover nog onvoldoende bekend is: aantallen meubels die nieuw worden verkocht, na afdanking op diverse manieren worden ingezameld, na reparatie of refurbishing opnieuw worden verkocht, worden gerecycled, of worden verbrand. Op basis van deze monitoring zouden dan (vanaf 2030) alsnog doelstellingen voor inzamelen, voorbereiden voor hergebruik en recycling bepaald moeten worden.</al>
            <al>De bespreking van de ontwikkeling van de wettelijke UPV is voortgezet aan de Ketentafel meubels, die op 9 januari jl. een eerste bijeenkomst heeft gehad. Onder de ketentafel zijn twee op UPV gerichte werkgroepen ingesteld. Het uitgangspunt is zo spoedig mogelijke instelling van een wettelijke UPV met een brede reikwijdte die zowel losstaande meubels als interieurbouw omvat (zoals ook Rebel adviseerde).</al>
            <al>In de werkgroepen worden mogelijkheden gezocht om op korte termijn gegevens te verkrijgen waarmee in de UPV-regeling al vanaf het begin doelpercentages opgenomen kunnen worden (om niet te hoeven afwachten of twee jaar monitoring onder de UPV-regeling die gegevens oplevert). De brancheorganisaties van meubelproducenten hebben onlangs een enquête onder hun leden uitgezet om het marktaanbod van meubels scherper te krijgen. Het ministerie heeft inmiddels een onderzoeksopdracht lopen die ook de gang van afgedankte meubels beter in beeld brengt.</al>
            <al>Met de verkregen resultaten verwacht ik in het najaar een eerste opzet van de UPV-regeling aan de ketentafel te kunnen voorleggen die de brancheorganisaties van de producenten voldoende duidelijkheid geeft over de opgave die de producenten krijgen, waarmee zij aan de oprichting van een producentenorganisatie (PRO) kunnen gaan werken. Een gedegen opzet van de PRO, inclusief afspraken met ketenpartijen die men nodig heeft, vraagt tijd en is essentieel voor een effectieve UPV. In het najaar zal ik de Kamer weer over de ontwikkelingen van de UPV informeren.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">22. Onderzoek strategieën om emissies van microplastics uit textiel te beperken</tussenkop>
            <al>Microplastics die vrijkomen bij het dragen en wassen van textiel zijn een significante bron van vervuiling voor de leefomgeving. Het RIVM deed in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzoek naar de meest effectieve mitigerende maatregelen. In februari 2026 publiceerden zij het rapport «Possibilities for reducing microplastics emissions from textiles» (bijlage 9). Daarin zijn de volgende ketenbrede maatregelen naar voren gekomen: verbeterde ontwerpeisen voor textiel voor het verbeteren van vezelvastigheid door fabrikanten, de overstap van plastic naar natuurlijke materialen, het stimuleren van langer kledinggebruik en het terugdringen van fast fashion en het stimuleren van wasprogramma's met minder frictie, zoals lagere centrifugesnelheden. De belangrijkste conclusie is dat samenwerking binnen de gehele keten noodzakelijk is om de uitstoot van microplastics uit textiel effectief te kunnen terugdringen. Vrijwillige maatregelen hebben daarbij minder effect dan wettelijke verplichtingen en duidelijke normen. Deze uitkomsten worden meegenomen in de Nederlandse inzet voor de Europese Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten (ESPR) op het gebied van textiel en bij de uitvoering van het beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">23. Onderzoek belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik</tussenkop>
            <al>Zoals eerder gedeeld met de Kamer kijkt het kabinet naar mogelijke alternatieven voor de lastenverzwarende maatregelen binnen het domein van afvalverwerking te weten in de vorm van een verhoging van de afvalstoffenbelasting en de CO<inf>2</inf>-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties, zoals aangekondigd in de voorjaarsbesluitvorming 2025<noot id="ID-1258784-d40e941" type="voet"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–26, <extref doc="kst-32813-1556" soort="document" status="actief">32 813, nr. 1556</extref>.</noot.al></noot>. In dit kader is onderzoek gedaan naar twee soorten verpakkingenbelastingen (bijlage 10). Bij de eerste belasting, een belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik, wordt er belasting geheven op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik die voor het eerst op de Nederlandse markt worden gebracht. In de effectberekening van CE Delft is bij deze belasting uitgegaan van een vrijstelling voor verpakkingen die voor minimaal 50% uit recyclaat bestaan en zijn twee tarieven doorgerekend: een laag tarief van € 0,25 per kilogram en een hoog tarief van € 0,80 per kilogram. Daarnaast is onderzoek gedaan naar een belasting op de inzameling van kunststof drankflessen en blikjes. Hierbij is een variant doorgerekend met een tarief dat geldt per verpakkingseenheid en lineair afneemt naarmate het collectieve inzamelpercentage stijgt, van ongeveer 3 eurocent per verpakking bij 80% inzameling tot 0 eurocent per verpakking bij 95% inzameling.</al>
            <al>De effecten van de eerste belasting met een hoog tarief zijn een opbrengst van € 0 tot 150 miljoen in 2035, een vermeden CO<inf>2</inf>-uitstoot van 0,15 tot 0,51 Mt in 2035, extra recyclaatinzet van 5 tot 20% in 2035 en een afvalreductie-effect van 15 kt per jaar. De effecten voor de tweede belasting bij een lichte groei qua inzamelingspercentage zijn een opbrengst van 55 tot 80 miljoen EUR in 2030, een vermeden CO<inf>2</inf>-uitstoot van 0,005 tot 0,012 Mt in 2030 en een afvalreductie-effect van 1,1 tot 1,3 kt in 2030. Verder verwachten de onderzoekers zeer beperkte verschuivingseffecten, zowel richting andere materialen als richting herbruikbare verpakkingen. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen in de besluitvorming over de begroting bij Prinsjesdag. Het kabinet zal de Kamer met Prinsjesdag ook informeren over de appreciatie en weging van de alternatieve voorstellen die de Werkgroep Afvalsector heeft gedaan voor het beprijzingspakket voor afvalverbrandingsinstallaties.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">24. Verkenning inzameldoelstellingen Verpakkingenverordening</tussenkop>
            <al>Op 12 februari 2025 is de Europese Verpakkingenverordening (Packaging and Packaging Waste Regulation, PPWR) in werking getreden. De maatregelen die in de PPWR staan, zijn vanaf 12 augustus 2026 van toepassing, tenzij een afwijkende datum is vermeld. Voor de implementatie van de verordening dienen nationaal nog enkele keuzes gemaakt te worden over zaken met betrekking tot uitvoering, toezicht en handhaving. Zo dienen lidstaten uiterlijk 1 januari 2029 verplichte inzameldoelstellingen voor de inzameling van verpakkingen vast te stellen<noot id="ID-1258784-d40e962" type="voet"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>Verordening (EU) 2025/40, artikel 49</noot.al></noot>. In deze context heeft het ministerie onderzoeksbureau Rebel gevraagd een eerste inschatting te doen van de benodigde inzameldoelstellingen op basis van de recyclingdoelstellingen en het verplichte minimumgehalte aan gerecycled materiaal in kunststof verpakkingen die in de PPWR zijn vastgelegd (bijlage 11)<noot id="ID-1258784-d40e971" type="voet"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>Bijlage 11 bevat naast het onderzoek naar de inzameldoelstellingen ook onderzoeken naar de toepassing van de uitzonderingsgronden uit het besluit GIHA door gemeenten en een toetsingskader voor bron- en nascheiding van pmd-afval. In deze brief wordt alleen ingegaan op de inzameldoelstellingen. Over de andere onderdelen wordt de Kamer op een later moment geïnformeerd.</noot.al></noot>. De belangrijkste conclusie is dat vooral voor kunststof verpakkingen een hoge inzameldoelstelling nodig is om de recyclingdoelstellingen te kunnen halen. Voor die stroom raadt het onderzoeksbureau daarom aan ook te kijken naar hoe de verliezen tussen inzameling en recycling kunnen worden teruggedrongen. Deze bevindingen zullen worden meegenomen in de verdere implementatie van de PPWR. Daarnaast zal dit knelpunt specifiek aandacht krijgen aan de Ketentafel Verpakkingen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Sociaaleconomisch</tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">25. Onderzoek circulaire arbeidsmarkt</tussenkop>
            <al>De onderzoekers van het Platform Talent voor Technologie (PTvT) concluderen in het rapport «<nadruk type="cur">Circulaire arbeidsmarkt, Versnelling van de transitie door gerichte sturing op Leven Lang Ontwikkelen</nadruk>» (bijlage 12), dat arbeidskrapte in technologische en uitvoerende beroepen een mogelijk risico vormt voor het realiseren van een circulaire economie. Het aanbod van (beroeps-)onderwijs en Leven Lang Ontwikkelen (LLO) sluit nog niet in alle sectoren en beroepen aan. Het tegengaan van versnippering en bevorderen van regionale samenwerking biedt kansen om dit te verbeteren. In bedrijfstakken waar het grondstoffenverbruik hoog is, wordt dit doorgaans wel opgepakt; voorbeelden daarvan zijn de bouw, textiel, meubilair en de zorg. In de logistieke sector is er nog minder scholingsaanbod voor de circulaire economie, bijvoorbeeld hoe regionaal kringlopen te sluiten.</al>
            <al>De onderzoekers adviseren te werken aan het vergroten van de marktvraag naar circulair opgeleide professionals. LLO kan hierin een hefboomfunctie vervullen. Het loont daarbij om in een sector of keten te kijken welke bestaande infrastructuren er zijn en hoe kennis het beste (ook lokaal en regionaal) gedeeld kan worden, bijvoorbeeld via beroepsverenigingen. Zij adviseren verder LLO modulair en zo mogelijk meertalig aan te bieden. Dit maakt het gemakkelijker om in verschillende situaties passend aanbod voor diverse doelgroepen te creëren. Ten slotte merken zij op, dat er nog weinig wordt gedaan aan het afbouwen of omvormen van lineaire opleidingen. Dat gebeurt binnen het reguliere onderwijs al steeds meer, voor LLO is dit lang niet altijd het geval. Deze aanbevelingen zullen worden meegenomen in het verdere programma, in samenhang met de sectorale ontwikkelpaden van het Ministerie van SZW.<noot id="ID-1258784-d40e993" type="voet"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hervormingen-arbeidsmarkt/meer-geschikt-personeel-en-blijven-ontwikkelen-tijdens-werk" soort="URL" status="actief">https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hervormingen-arbeidsmarkt/meer-geschikt-personeel-en-blijven-ontwikkelen-tijdens-werk</extref></noot.al></noot></al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">26. Onderzoek bijdrage van circulariteit aan betaalbare energietransitie</tussenkop>
            <al>Binnen de Klimaattransitie levert circulariteit op meerdere vlakken een belangrijke bijdrage. Circulariteit verlaagt de uitstoot, maakt ons minder afhankelijk van fossiele en kritieke grondstoffen, en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Wat tot nu toe relatief weinig aandacht heeft gekregen, is de potentie van circulariteit om de kosten van investeringen in de energietransitie te verlagen. Dit is onderzocht door CE Delft en Trinomics (bijlage 13). Jaarlijkse kostenbesparingen kunnen oplopen tot € 2,8 mld. in 2050 door gebruik te maken van verschillende circulaire strategieën (weigeren, verminderen, hergebruiken) in de sectoren gebouwde omgeving, mobiliteit, plasticindustrie (productie), en staalindustrie. Deze strategieën drukken de (groeiende) vraag naar energie-intensieve producten en diensten. Hierdoor hoeft er minder geïnvesteerd te worden in het energiesysteem dan anders het geval zou zijn. Dit onderzoek biedt een aanvullende manier voor het beoordelen van circulaire maatregelen naar de effecten op de energietransitie (en mogelijk ook andere beleidsterreinen) door kostenbesparing op de langere termijn inzichtelijk te maken. Onderzocht wordt op welke manier dit meegenomen kan worden in het besluitvormingsproces voor circulaire maatregelen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vetcur">Tot slot</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Bovenstaande laat zien dat de transitie naar een circulaire economie op stoom begint te komen. Er zijn in veel sectoren ontwikkelingen gaande die kunnen bijdragen aan de groei van de concurrerende economie, een versterking bieden van onze onafhankelijkheid en weerbaarheid tegen verstoringen én bijdragen aan het terugdringen van broeikasgassen.</al>
              <al>Al deze ontwikkelingen komen, net als in de transitie naar hernieuwbare energie, nog niet zelf tot wasdom. Dat ligt aan een ongelijk speelveld. De juiste prikkels kunnen de ontwikkeling naar een circulaire economie wel versterken, zo laten de verschillende onderwerpen duidelijk zien.</al>
              <al>Hierover ga ik graag met uw Kamer in gesprek tijdens het komend commissiedebat.</al>
            </al-groep>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Klimaat en Groene Groei,</functie>
            <naam>
              <voornaam>S. van</voornaam>
              <achternaam>Veldhoven-van der Meer</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>