Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232841 nr. 6

32 841 Wijziging van de Wet veiligheidsregio’s in verband met de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid en in verband met de volledige regionalisering van de brandweer

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 7 oktober 2011

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

Blz.

     

I.

ALGEMEEN

2

     

1.

Inleiding

2

     

2.

Het Instituut Fysieke Veiligheid

2

2.1.

Voorgeschiedenis

2

2.2.

Rechtsvorm

3

2.3.

Het bestuur van het Instituut

4

2.4.

Taken en werkzaamheden van het Instituut

5

2.5.

Bekostiging van het Instituut

7

2.6.

Mededingingsrechtelijke aspecten

7

2.7.

Sturing, verantwoording en toezicht

8

2.8.

De Raad van regionaal commandanten, de Raad van directeuren-GHOR en Gemeentelijk Beraad (Coördinerende gemeentesecretarissen van regio’s)

8

2.9.

Evaluatie

9

     

3.

Volledige regionalisering van de brandweer

9

3.1.

Achtergrond en voorgeschiedenis regionalisering

9

3.2.

Afronding van het proces van regionalisering

10

3.3.

Samenhang tussen regionale brandweer en nationale politie

14

     

4.

Financiële gevolgen voor het Rijk en decentrale overheden

14

     

5.

Consultatie

15

     

II

ARTIKELSGEWIJS

16

I ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat een en ander kan leiden tot het beter bundelen van krachten en het benutten van schaalvoordelen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden zien hierin een volgende stap in de ontwikkeling van een stevige brandweerzorg en rampenbestrijding in de Veiligheidsregio’s. Hoewel deze leden de denkrichting van het wetsvoorstel ondersteunen willen zij de regering hier nog enkele vragen over stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Terecht stelt de regering in de memorie van toelichting dat met dit voorstel tot wijziging van de Wet veiligheidsregio’s er sprake is van de afronding van ontwikkelingen die geruime tijd geleden zijn ingezet. Hoewel deze leden in eerdere inbrengen en uitspraken hebben aangegeven dat zij de beide voorgestelde ontwikkelingen zien als feitelijk noodzakelijk en onontkoombaar, hebben deze leden toch nog wel enkele vragen en een enkele kritische kanttekening.

De leden van de SP-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de wet veiligheidsregio’s. Zij gaan hier graag verderop in het verslag nader op in.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij steunen de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid (hierna: het Instituut) waardoor onder meer het brandweeronderwijs kan worden versterkt. Wel hebben zij vragen bij de regionalisering van de brandweer en dan met name de gevolgen voor de brandweervrijwilligers.

De leden van de SGP-fractie zijn er nog niet op voorhand van overtuigd dat het goed is om de mogelijkheid voor een gemeentelijke brandweer uit de wet te halen. Dat heeft met name te maken met de grote inzet van vrijwilligers die in deze sector plaatsvindt. Zij hebben daarom diverse vragen over met name dit onderdeel van het wetsvoorstel.

2. Het Instituut Fysieke Veiligheid

2.1. Voorgeschiedenis

De leden van de CDA-fractie merken op dat het proces om te komen tot het Instituut, dat in het voorliggende wetsvoorstel haar afronding vindt, een beperkte voorgeschiedenis heeft. Met het tot stand komen ervan ontstaat een bundeling van een tweetal organisaties en wordt een tweetal taken, dat tot nu toe door het ministerie wordt uitgevoerd, overgedragen aan het Instituut. Deze leden sluiten zich aan bij de formulering in de memorie van toelichting dat het bundelen van deze taken in één organisatie past in de wens van het kabinet om te komen tot een meer slagvaardige, kleinere en beter rijksoverheid. Mede vanuit dit gezichtspunt, maar ook vanuit praktische en bestuurlijke overwegingen, steunen deze leden de voorgestelde ontwikkeling.

2.2. Rechtsvorm

De leden van de VVD-fractie merken op dat de minister van Veiligheid en Justitie bewust op afstand wordt geplaatst. Het primaat komt bij het verlengd lokaal bestuur te liggen. Deze leden vragen de regering in te gaan op de precieze verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie in dezen. Waarop is hij aanspreekbaar?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het Instituut een zelfstandig bestuursorgaan op het niveau van de veiligheidsregio wordt. Er is nadrukkelijk niet gekozen voor een gemeenschappelijke regeling of voor een zelfstandig bestuursorgaan conform de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet ZBO’s). Het is deze leden niet duidelijk in welk juridisch kader een zelfstandig bestuurorgaan past zoals hier wordt voorgesteld. Zij vragen om een nadere juridische onderbouwing van dit construct en tevens een nadere omschrijving van het kader waarbinnen dit construct in het totaal van bestuurlijke mogelijkheden past. Wie stelt dit bestuursorgaan in? Wie kan het opheffen? Wie controleert het? Wie heeft de bevoegdheid in te grijpen? Wie kan sancties opleggen? Welke bevoegdheden, taken en verantwoordingsverplichtingen heeft dit bestuursorgaan? Zijn er vergelijkbare voorbeelden van deze oplossing te geven? Voorts zien de leden van de CDA-fractie graag een schematisch overzicht van overeenkomsten en verschillen tussen een zelfstandig bestuursorgaan op het niveau van de veiligheidsregio en een zelfstandig bestuursorgaan conform de Kaderwet ZBO’s, zodat deze leden tot een goede afweging van de meest gewenste bestuursvorm kunnen komen.

De leden van de SP-fractie vragen of het gekozen uitgangspunt om het Instituut dichter bij de veiligheidsregio’s te plaatsen en dus meer op afstand van de minister wel een verstandige keuze is. Zij zien liever een voorziening die rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid valt van de minister. Zij staan dan ook achter het advies van de afdeling advisering van de Raad van State om in ieder geval met betrekking tot het onderwijsstelsel dit als wettelijke taak neer te leggen bij het Instituut, en dus onder directe verantwoordelijkheid van de minister te plaatsen. Graag ontvangen zij hierop een reactie van de regering.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat voor het gekozen voor een zelfstandig bestuursorgaan dat wordt aangestuurd door de voorzitters van de veiligheidsregio’s. Deze leden constateren echter dat hiermee de afstand tot een democratisch gekozen orgaan groter wordt en zijn daarom nog niet overtuigd dat dit de juiste organisatievorm is. Zij vragen om een schematische analyse van de mogelijke organisatievormen en vragen op welke wijze er geleerd is van de ervaringen met voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN) bij de politie.

De leden van de SGP-fractie merken op dat het Instituut diverse wettelijke taken krijgt. De regering schrijft hierover dat er gekozen wordt voor verlengd lokaal bestuur. Deze leden vragen of dit betekent dat de minister van Veiligheid en Justitie helemaal geen bevoegdheden heeft om bijvoorbeeld aanwijzingen te geven, behalve als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verwaarlozing van de taken. Zit er niet een te groot onderscheid tussen enerzijds het vragen van inlichtingen en anderzijds het optreden bij ernstige verwaarlozing?

De minister heeft op dit moment wel mogelijkheden voor sturing en toezicht. Kan de regering aangeven in hoeverre van die mogelijkheden nu gebruik gemaakt wordt?

Voornoemde leden lezen in de memorie van toelichting dat de minister van Veiligheid en Justitie niet verantwoordelijk is voor de werkzaamheden die op commerciële basis worden verricht. Strekt de verantwoordelijkheid zich dan wel uit tot de werkzaamheden die in opdracht van de veiligheidregio’s worden verricht?

2.3. Het bestuur van het Instituut

De leden van de VVD-fractie constateren dat de taak om het brandweerdiploma af te geven wordt overgedragen aan het algemeen bestuur van het Instituut. Hiermee is niet langer sprake van een rijksexamen. Deze leden verzoeken de regering aan te geven hoe de kwaliteit van het brandweeronderwijs zal worden bewaakt. Voorts hebben voornoemde leden bij diverse werkbezoeken vastgesteld dat de koppeling tussen onderzoek en onderwijs niet vanzelfsprekend is. Deelt de regering de mening dat deze koppeling duurzaam en permanent moet zijn en dat ontwikkelde kennis aldus ontsloten moet worden voor zowel de onderwijspraktijk als de operationele praktijk? Kan de regering tevens aangeven wie de regie heeft in dezen?

De aan het woord zijnde leden hebben begrepen dat het van groot belang is dat het Instituut echt ten dienste staat van het veld. De juiste inhoudelijke verbinding met het veld evenals de inbreng door het veld is dan cruciaal. Deze leden zouden graag vernemen of de regering het hiermee eens is. Zo ja, hoe zal dit worden geborgd?

De leden van de VVD-fractie hebben verder vernomen dat er onder de betrokkenen bij het brandweeronderwijs zorgen leven over de wijze waarop en snelheid waarmee verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. De Brandweeronderwijsraad (ingesteld op initiatief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Veiligheidsberaad en de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg & Rampenbestrijding (NVBR)) en financieel ondersteund door de minister van Veiligheid en Justitie zou al eerder hebben geconstateerd dat er sprake is van enkele weeffoutjes in de manier waarop het onderwijs wordt vormgegeven en uitgevoerd. In december 2010 zou de Brandweeronderwijsraad aan de VNG en het Veiligheidsberaad melding hebben gemaakt van taken en verantwoordelijkheden die niet of gedeeltelijk zijn belegd. Is de regering hiervan op de hoogte? Welke maatregelen is de regering voornemens te nemen in dezen?

Voornoemde leden horen ook graag hoe de regering aankijkt tegen de grote, complexe, multidisciplinaire ICT-projecten (zoals netcentrisch werken) in relatie tot het Instituut. Vindt de regering het een goed idee om de aanbevelingen van de Rekenkamer over ICT politie 2010 (Kamerstuk 29 350, nr. 11) hierbij mee te nemen?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het bestuur van het Instituut gaat bestaan uit 25 leden, te weten de voorzitters van de veiligheidsregio’s. Daarbij hebben deze leden overigens kennisgenomen van de instelling van een dagelijks bestuur. Desondanks vragen deze leden of dit bestuur niet te groot wordt. Wordt met een dergelijke omvang geen afbreuk gedaan aan de slagkracht, de bestuurskracht van het bestuur? Heeft de ervaring met de politieregio’s geen leermomenten op dit punt opgeleverd?

De leden van de SP-fractie merken op dat het bestuur van het Instituut een zelfstandig bestuursorgaan (niet in de zin van de Kaderwet ZBO’s) wordt op het niveau van de veiligheidsregio’s. Het is deze leden onduidelijk welke grondslag er dan wel onder deze constructie ligt. Gezien de vertegenwoordiging van de voorzitters van de veiligheidsregio’s in het bestuur van het Instituut, lijkt het erop dat er sprake is van verlengd lokaal bestuur. Dat roept grote vraagtekens op wat betreft de democratische inbedding en het toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden. De 25 veiligheidsregio’s bepalen het ambitieniveau van het Instituut en spreken af welke werkzaamheden het Instituut voor de veiligheidsregio’s gezamenlijk uitvoert. In het Instituut heeft elke veiligheidsregio dus één van de 25 stemmen. Maar de veiligheidsregio’s zelf hebben geen eigen mandaat. De deelnemers worden immers niet via rechtstreekse verkiezingen gekozen. De gezamenlijke gemeenten binnen een veiligheidsregio bepalen de koers. Om dus uiteindelijk de koers van het Instituut te bepalen, moeten eerst de gemeenten binnen dezelfde veiligheidsregio het met elkaar eens worden, waarna de veiligheidsregio binnen het Instituut tot overeenstemming moet komen met de andere veiligheidsregio’s. De leden van de SP-fractie voorzien hierin grote problemen. Er moet een bureaucratische overleg- en besluitstructuur worden opgebouwd om tot uitwerking van een dergelijke constructie te komen. Gemeenten hebben zelf geen invloed meer op de werkzaamheden van dit Instituut, aangezien de meerderheid in de veiligheidsregio besluit. Die veiligheidsregio moet dan ook nog eens een meerderheid binnen het Instituut zien te krijgen. Daarnaast kunnen veiligheidsregio’s over bepaalde besluiten van het bestuur van het Instituut hun zienswijze naar voren brengen. Dat klinkt de leden van de SP-fractie vreemd in de oren. In het bestuur van het Instituut zitten immers de voorzitters van de veiligheidsregio’s. Zij moeten dan dus een zienswijze naar voren brengen vanuit de veiligheidsregio over een besluit waar zij zelf bij betrokken zijn geweest. Dat klinkt niet als een doordachte constructie waar geprobeerd is democratische uitgangspunten toe te passen, nu de slager hier zijn eigen vlees keurt. Ook hebben de voorzitters van de veiligheidsregio’s zitting in het Veiligheidsberaad. Graag ontvangen deze leden een toelichting op al het bovenstaande.

2.4. Taken en werkzaamheden van het Instituut

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het huidige artikel 22 van de Wet veiligheidsregio’s aan de veiligheidsregio’s opdraagt om personeelsbeleid, de aanschaf van materiaal en de ontwikkeling van handboeken en leidraden zoveel mogelijk in gezamenlijkheid te doen. Zij merken op dat deze opdracht verdwenen is, maar dat in het Instituut wel het platform gecreëerd is om deze taken gezamenlijk uit te voeren. Zij vragen waarom de wenselijkheid van een hechte samenwerking op deze gebieden niet meer in de wet staat en of de regering hierin lessen trekt uit de ervaringen met de politieregio’s, waar de samenwerking op deze gebieden moeizaam op gang kwam.

Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat ten aanzien van de uniforme informatie- en communicatievoorziening, de regering aangeeft dat het zorg dragen voor deze voorziening ondergebracht kan worden bij het Instituut, maar dat er ook gekozen kan worden voor externe aanbesteding. Ook hier vragen voornoemde leden welke lessen de regering trekt uit de automatisering van de politie, waar de korpsbeheerders onvoldoende grip hadden en de top van de politieorganisatie vast wilde houden aan eigen werkprocessen. Hoe wil de regering waarborgen dat bij deze automatisering de regie wel werkt?

De aan het woord zijnde leden merken op dat zowel de afdeling advisering van de Raad van State als de VNG aandacht vragen voor de versnippering van het huidige brandweeronderwijs. De regering verwijst hierbij naar een onderzoek, dat inmiddels aan de Kamer is gestuurd. Daarin lezen deze leden twee aanbevelingen, namelijk om de financiering van alle opleidingen door de werkgever te laten plaatsvinden (en daarvoor de veiligheidsregio’s te compenseren) en om één landelijke organisatie verantwoordelijk te maken voor alle ontwikkeling, uitvoering en toetsing van het onderwijs. Vanwege de grote risico’s waar brandweerpersoneel aan wordt blootgesteld en het grote belang dat zij hebben voor de veiligheid van de samenleving, willen deze leden zo snel mogelijk verbetering van de aansturing van het brandweeronderwijs. Daarom vragen zij of de regering inhoudelijk wil reageren op deze aanbevelingen en of deze nog kunnen worden meegenomen in dit wetsvoorstel. Hoe werkt de regering aan een breed gedragen visie van het veld op de organisatie van het onderwijs? Ook vinden deze leden het belangrijk dat er onafhankelijk toezicht plaatsvindt op het brandweeronderwijs en niet slechts op de toetsing. Daarom willen zij de regering vragen of de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (Inspectie OOV) ook met dit toezicht belast kan worden, overeenkomstig de wijze van toezicht op het politieonderwijs.

De leden van de PvdA-fractie hechten waarde aan samenwerking met het regulier onderwijs, met als doel om het onderwijs te verbeteren maar ook om brandweermedewerkers een betere mogelijkheid te geven hun carrière ook buiten de brandweerorganisatie voort te kunnen zetten. Daarom zijn deze leden benieuwd naar de plannen van de regering om samenwerking met de Politieacademie en externe onderwijsinstellingen te bevorderen.

Voornoemde leden begrijpen dat het Instituut de wettelijke taak krijgt om kennis te verzamelen en verspreiden. Zij vragen of de regering ook reden ziet om, analoog aan de politie, de verantwoordelijkheid voor wetenschappelijk onderzoek te borgen bij het Instituut. Daarmee kan de kennisvraag vanuit de praktijk bediend worden en de brandweerzorg en rampenbestrijding verbeterd worden.

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de afweging omtrent welke gemeenschappelijke werkzaamheden door het Instituut zullen worden uitgevoerd, afhangt van de vraag wat het meest geschikte niveau is om dit uit te voeren (regionaal of bovenregionaal). Deze leden vragen wat dit nu precies betekent. Bepaalt het bestuur van het Instituut om welke werkzaamheden het gaat? Doen de besturen van de veiligheidsregio’s dit, of is dit een taak van de minister en/of de wetgever? Het voorgaande kan ook aan de orde worden gesteld bij de vraag hoe ver de samenwerking in het Instituut moet gaan. Graag ontvangen deze leden ook een reactie op dit punt.

Voornoemde leden merken op dat de werkzaamheden van het bureau dat het Veiligheidsberaad ondersteunt, de taken van de Brandweeronderwijsraad en de taken van Landelijk Management Development Brandweer nu landelijk worden uitgevoerd en/of gefinancierd. De subsidies voor deze taken worden stopgezet en de middelen worden toegevoegd aan de Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR) ten behoeve van de 25 veiligheidsregio’s. Vervolgens is het aan de besturen van de veiligheidsregio’s om te besluiten welke taken het Instituut moet uitvoeren en hoeveel middelen worden ingezet.

Is deze getrapte aanpak wel gewenst? Leidt deze aanpak niet tot aantasting van de daadkracht? Is het niet beter de middelen direct ter beschikking te stellen aan het bestuur van het Instituut? Deze leden stellen deze vragen met de mogelijke intentie op dit punt met een nader voorstel te komen.

De leden van de CDA-fractie brengen in herinnering dat de Raad van State erop wijst dat de VNG constateert dat met het huidige wetsvoorstel de versnippering van het brandweeronderwijssysteem niet oplost. De afdeling advisering van de Raad van State stelt tevens vast dat bij de regering onvoldoende gevoel voor urgentie is op dit punt. Deze leden of de taken met betrekking tot het onderwijsstelsel niet met dit wetsvoorstel als wettelijke taak bij het Instituut moeten worden neergelegd. Het antwoord van de regering overtuigt deze leden op dit punt niet. Wachten tot 2012 en met een eventuele wetswijziging mogelijk tot 2013 lijkt op dit cruciale punt te lang. Kan de regering de leden van de CDA-fractie overtuigen van de door hem gemaakte keuze?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de op 8 september 2011 aangeboden eindrapportage van het onderzoek naar de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs nog gevolgen heeft voor het wetsvoorstel, mede in het licht van de opmerkingen van de afdeling advisering van de Raad van State hierover. In het onderzoek wordt gepleit voor één landelijke organisatie van het brandweeronderwijs en trekken een parallel tussen het brandweeronderwijs en het politieonderwijs. Deze leden vragen daarom op welke punten regelgeving in dit wetsvoorstel parallellen kent met die voor het politieonderwijs en op welke punten hiervan wordt afgeweken en wat daar de reden van is.

Deze leden merken op dat de veiligheidsregio’s met het Instituut de mogelijkheid krijgen om taken op het gebied van brandweeronderwijs bij dit instituut te beleggen waardoor de samenhang binnen en kwaliteitsborging van het brandweeronderwijs wordt bevorderd. Genoemde leden hebben de indruk dat een landelijke organisatie van het brandweeronderwijs niet verplicht wordt en vragen waarom hier niet voor is gekozen.

2.5. Bekostiging van het Instituut

De leden van de CDA-fractie merken op dat de bekostiging van het Instituut door het Rijk op basis gaat van een jaarlijkse bijdrage à fonds perdu. Zij stellen vast dat niet wordt geregeld op welke basis het jaarlijkse bedrag tot stand komt. Deze leden zijn van mening dat het Instituut een meerjaarlijkse zekerheid moet hebben over het jaarlijks uit te keren bedrag. Het lijkt deze leden niet verstandig dat het Instituut ieder jaar moet onderhandelen over de bijdrage van het Rijk. Dat leidt immers ook ieder jaar tot onderhandelingen met de regio’s over hun bijdrage en in de regio’s tot onderhandelingen met de gemeenten. Juist deze eindeloze getrapte afstemming vraagt om duidelijkheid over meerdere jaren. Uiteraard kunnen hier vooraf afspraken worden gemaakt over de kaders die als uitgangspunt moeten worden gebruikt. Deze leden vragen om een uitgebreide en onderbouwde reactie op dit punt.

De leden van de SGP-fractie merken op dat de wettelijke taken worden bekostigd door de minister van Veiligheid en Justitie, behalve de taken op het gebied van examinering, certificering en vrijstellingen. Deze leden vragen of preciezer kan worden aangegeven voor welke onderdelen van artikel 68 wel bekostiging plaatsvindt en voor welke onderdelen niet. Zou het niet voor de hand liggen om die taken in afzonderlijke bepalingen op te nemen?

2.6. Mededingingsrechtelijke aspecten

De leden van de SP-fractie vragen duidelijkheid over de wettelijk toegestane werkzaamheden die kunnen worden verricht in het marktdomein, ofwel de commerciële nevenwerkzaamheden. In de memorie van toelichting worden twee verschillende uitgangspunten gehanteerd. In het ene deel van de toelichting valt te lezen dat deze diensten tegen kostendekkende tarieven mogen worden verricht. In het andere deel staat dat het tarief minimaal de integrale kostprijs bedraagt. Het woord «minimaal» suggereert dat hier ruimte is om meer te vragen, waardoor feitelijk winst gemaakt mag worden door het Instituut. Deze leden horen graag van de regering welke bepaling de juiste is.

2.7. Sturing, verantwoording en toezicht

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de minister van Veiligheid en Justitie aanwijzingen kan geven aan het Instituut als de taakuitvoering tekortschiet. Het instituut heeft echter geen informatieplicht aan de minister. Daarom willen deze leden weten hoe de van Veiligheid en Justitie kan beoordelen of de wettelijke taken op adequaat niveau worden uitgevoerd?

2.8. De Raad van regionaal commandanten, de Raad van directeuren-GHOR en Gemeentelijk Beraad (Coördinerende gemeentesecretarissen van regio’s)

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering het van belang vindt dat de Raad van regionaal commandanten, de raad van directeuren-GHOR en het Gemeentelijk Beraad een positie krijgen ten opzichte van het bestuur van het Instituut. Daarom zij of de positie in dezen in de wet geborgd is. Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het in de rede ligt dat het bestuur van het Instituut zich laat bijstaan en adviseren door de collectieven van de regionale brandweercommandanten en de directeuren GHOR. Tevens wordt hierbij gedacht aan het Gemeentelijk Beraad en het Landelijk Overleg Coördinerende Gemeentesecretarissen.

Opvallend hierbij is het ontbreken van een rol voor de medewerkers op de werkvloer en in het bijzonder voor de parttime professionals. Dit zijn de brandweermannen en -vrouwen die het werk doen. Juist van de werkvloer komt bij voortduring kritiek die samenvattend neerkomt op: «over ons zonder ons». Deze leden treffen in de memorie van toelichting geen signalen waaruit het tegendeel nadrukkelijk blijkt. Hoe is de positie van de parttime professional bij alle in het Instituut aan de orde zijnde onderwerpen overtuigend geborgd? Hoe wordt aan deze medewerkers het vertrouwen gegeven dat hun positie serieus wordt genomen en hun inbreng serieus wordt gewogen?

De leden van de SP-fractie constateren met de vakbonden dat er een gebrekkige vertegenwoordiging van werknemers en brandweervrijwilligers is op het beleid en de toekomstige keuzes die gemaakt worden door het Instituut. Dit terwijl er belangrijke keuzes gemaakt zullen worden over elementaire zaken als onderwijs en expertiseontwikkeling, welke nauw raken aan de arbeidsvoorwaarden voor werknemers binnen de brandweersector. De regering stelt in de ogen van deze leden onterecht dat het aan de veiligheidsregio’s zelf is om hier uitvoering aan te geven. Dit raakt rechtstreeks de belangen van de werknemers in de brandweersector en mag om die reden niet overgelaten worden aan veiligheidsregio’s. Deze leden vragen de regering naar de mogelijkheden om de inspraak van de werkvloer te verankeren in de wet.

Graag vernemen de leden van de SGP-fractie hoe de betrokkenheid van vrijwilligers en werknemers binnen de brandweersector gewaarborgd is bij de totstandkoming van bijvoorbeeld reglementen rond examens en bij de ontwikkeling van lesmaterialen.

2.9. Evaluatie

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de werking van het Instituut na vijf jaar wordt geëvalueerd. Zij vragen de regering of deze evaluatie gecombineerd kan worden met de evaluatie van de wet op de Veiligheidsregio’s, vanwege de onderlinge verwevenheid.

De leden van de CDA-fractie delen ten aanzien van een wettelijke regeling van de evaluatie van het Instituut de opvatting van de afdeling advisering van de Raad van State. Deze leden nodigen de regering uit alsnog met een voorstel op dit punt te komen.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de evaluatie die aangekondigd is in de memorie van toelichting niet is opgenomen in de wetsartikelen. Genoemde leden constateren daarbij voorts met de afdeling advisering van de Raad van State dat het Instituut niet onder directe ministeriële verantwoordelijkheid valt en dat daarom een wettelijke regeling nodig is als medewerking nodig is van dit orgaan. In het nader rapport wordt gesteld dat een wettelijke bepaling desondanks gezien de onderlinge verhoudingen onnodig en ongewenst is. Genoemde leden vragen om een nadere onderbouwing. Zij zien in deze evaluatie graag bijzondere aandacht voor de eventuele verschuiving van taken van de veiligheidsregio’s naar het Instituut tijdens deze periode.

3. Volledige regionalisering van de brandweer

3.1. Achtergrond en voorgeschiedenis regionalisering

De leden van de PvdA-fractie zouden graag nog een beschouwing van de regering willen op de optimale schaal voor grootschalig ingrijpen bij rampen. Er wordt verwezen naar de lessen van rampen in Enschede en Volendam, maar inmiddels is daar de brand in Moerdijk bijgekomen. Ziet de regering de noodzaak voor verdere specialisatie en hoe kan dit het best georganiseerd worden?

De leden van de SP-fractie merken op dat bij het vaststellen van de Wet veiligheidsregio’s er een bewuste keuze is gemaakt om het aan gemeenten zelf te laten of zij wel of niet over willen gaan op een regionale brandweerorganisatie. Zij kunnen ervoor kiezen een gemeentelijke brandweerorganisatie in stand te houden en daar het personeel onder te brengen. Pas als blijkt dat de geleverde prestaties van een gemeentelijke brandweerorganisatie onder de maat zijn, kan een korps gedwongen worden te regionaliseren. Dit wetsvoorstel beoogt een einde te maken aan die keuzevrijheid. Dit in weerwil van de wens van veel gemeenten om de organisatie in eigen hand te houden. In de memorie van toelichting lezen deze leden dat binnen de veiligheidsregio met een of meerdere gemeentelijke brandweerkorpsen ook voor de brandweerkorpsen de plicht tot onderlinge steunverlening geldt. De brandweerorganisatie moet dusdanig zijn ingericht dat bij opschaling boven de gemeentegrenzen opgetreden kan worden als één korps. Gemeentelijke brandweerkorpsen moeten al aan alle eisen aangaande de brandweer uit de Wet veiligheidsregio’s en de daarop gebaseerde besluiten voldoen. De leden van de SP-fractie constateren dat hiermee waarborgen zijn ingebouwd dat de veiligheidsregio, indien noodzakelijk, grootschalig op kan treden. In dat licht vragen zij wat de meerwaarde van deze wetswijziging is. Gemeentelijke korpsen kunnen immers prima functioneren. Bovengemeentelijke samenwerking is geregeld via de Wet veiligheidsregio’s. Bij achterblijvende kwaliteit kan alsnog worden geregionaliseerd. Welk probleem wordt met deze gedwongen regionalisering opgelost? Wat is de noodzaak van deze gedwongen regionalisering en terugdringing van gemeentelijke autonomie, terwijl veel gemeenten aangeven dit niet te willen?

3.2. Afronding van het proces van regionalisering

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nogmaals concreet in te gaan op de zorgen in de samenleving als gaat om de opkomsttijden, de variabele voertuigbezetting, de wijziging van 24-uurs naar 8-uursdiensten. Ook vragen zij de regering nader in te gaan op de zorgen die leven als het gaat om het opheffen van duikteams en de kosten die verbonden zijn aan de regionalisering (tot 30% hoger dan nu, mede door het zogenaamde terugdetacheren van personeel bij gemeenten).

Deze leden hebben met instemming kennisgenomen van de opmerking in de memorie van toelichting dat burgemeesters verantwoordelijk blijven voor het vrijwilligersbeleid in de regio en dat de (vrijwillige) brandweerlieden, alleen al met het oog op de opkomsttijden, werkzaam kunnen blijven op hun lokale posten. Ook wordt er aangegeven dat brandweerlieden steeds meer worden belast met administratieve werkzaamheden en dat deze werkzaamheden na regionalisering kunnen worden uitgevoerd door beroepsfunctionarissen. De leden van de VVD-fractie vernemen graag meer details over de aard van deze administratieve werkzaamheden. Waar moeten zij precies aan denken?

Ten slotte merken voornoemde leden op dat zij het uitgangspunt van één organisatie per regio die verantwoordelijk is voor alle brandweertaken ondersteunen. Kan de regering bevestigen dat ook bij regionalisering rekening kan en moet worden gehouden met de verschillen binnen een regio? Wordt er bijvoorbeeld niet koste wat het kost getraind op hoogbouw als er in de verste verte geen hoogbouw te ontdekken is, maar wel heel veel stallen met paarden? Anders gezegd, kan de regering bevestigen dat er oog blijft voor de diversiteit binnen een regio?

De leden van de PvdA-fractie ondersteunen het proces om te komen tot regionalisering. Zij constateren echter dat de keuze mogelijk blijft om het personeel in gemeentelijke dienst te laten, maar dat de regering het aannemelijk vindt dat het werkgeverschap over gaat op de veiligheidsregio. Deze leden vragen of overwogen is om ook het werkgeverschap op termijn gedwongen over te laten gaan naar de veiligheidsregio en waarom daar niet voor gekozen is. Voornoemde leden denken dat een overgang van werkgeverschap de voordelen van regionalisatie kan versterken. Wel zien zij dat een dergelijke ontvlechting tijd en geld kost en dat er goed nagedacht moet worden over het bieden van ruimte aan de lokale schaal van de basis brandweerzorg. Daarom vragen zij de regering te onderzoeken of ook regionalisatie van werkgeverschap mogelijk is en of de frictiekosten gecompenseerd kunnen worden zodat er geen obstakels zijn de voordelen van regionalisatie volledig te verzilveren.

De leden van de CDA-fractie brengen in herinnering dat in de Wet veiligheidsregio’s is vastgelegd dat alle gemeenten in een regio deelnemer zijn aan de regio. Feitelijk is de brandweer in het gehele land geregionaliseerd. Bij de behandeling van voornoemd wetsvoorstel was voor een ieder duidelijk dat, hoewel op dat moment nog een keuze bestond voor elk college van burgemeester en wethouders een tweetal brandweertaken te laten uitvoeren door de gemeentelijke brandweer, er uiteindelijk in iedere regio een regionale brandweer zou zijn voor alle taken. Dit uitgangspunt is op dat moment ook door deze leden gesteund. Het voorliggende wijzigingsvoorstel van de Wet veiligheidsregio’s komt dan ook, hoewel mogelijk versneld door de aangenomen motie Hennis-Plasschaert (Kamerstukken II, 2010/11, 32 500-VI, nr. 23), niet onverwacht. Deze leden vragen de regering of er naast uitvoering van deze motie nog andere dwingende argumenten zijn om de lokale brandweerzorg te beëindigen. Bovendien vragen zij of kan worden aangegeven wat de resultaten zijn van de monitoring van het functioneren van de lokale brandweerzorg in de veiligheidsregio.

De aan het woord zijnde leden vragen voorts welke eisen gemeentebesturen kunnen stellen ten aanzien van het kwaliteitsniveau en de kosten als de lokale brandweerzorg moet worden overgedragen aan de regio? Deelt de regering de mening dat er sprake dient te zijn van hetzelfde kwaliteitsniveau tegen dezelfde maar feitelijk lagere kosten?

De leden van de CDA-fractie vragen voorts waarom er gesproken wordt van het opheffen van de lokale brandweer. Is het niet beter te spreken van integratie in de regionale brandweer?

Voornoemde leden stellen vast dat er regio’s zijn waarbinnen de meeste gemeenten de brandweertaak regionaliseerden, maar er één of enkele gemeente(n) niet meedeed. Deze enkele gemeente heeft de brandweerzorg goed op orde. Welke waarborgen worden er richting die gemeente(n) gegeven ten aanzien van hun inbreng aan personeel, waardering van het bezit en de hoogte van de gewenste bijdrage? Hoe kan worden gewaarborgd dat er voor deze gemeente(n) een serieuze onderhandelingspositie is ten opzichte van een al bestaande organisatie? Hoe wordt voorkomen dat deze gemeente(n) die volstrekt handelden in overeenstemming met de wet, niet in een achterstandspositie komen? Welke garantie geeft de regering deze gemeente(n)? Wat gebeurt er als juist in deze situatie partijen het niet eens kunnen worden over de positie van personeel, waardering van bezit etc.?

De aan het woord zijnde leden merken op dat door enkele gemeentebestuurders aan hen is gevraagd hoe de al jaren bestaande inzet van de brandweervrijwilliger bij lokale activiteiten blijvend kan worden geborgd. Zo levert de vrijwillige brandweer inzet bij manifestaties en/of optochten. Dit is jaren gebeurd met instemming van en onder verantwoordelijkheid van de burgemeester. Er zijn voorbeelden bekend waarbij nu al sprake is van volledige regionalisering, de burgemeester instemt met inzet van brandweervrijwilligers bij een traditionele lokale manifestatie en de organisatie ineens en voor het eerst wordt geconfronteerd met rekening van de brandweerregio. Deelt de regering de opvatting dat een dergelijke aanpak het draagvlak voor regionalisering zowel bij bestuur, brandweermensen als burgers/organisaties volledig onderuit haalt? Deze leden verwachten op dit punt een ondubbelzinnige reactie waaruit blijkt dat jarenlang gegroeide lokale gewoonten in redelijkheid blijven gerespecteerd.

De leden van de SP-fractie merken op dat veel brandweerlieden en gemeenten de gevolgen van de gedwongen regionalisering vrezen. De regering stelt in de memorie van toelichting dat betrokkenheid bij het reilen en zeilen van de lokale brandweerpost van de brandweervrijwilligers blijft gewaarborgd en de band die veel brandweerlieden hebben met hun lokale gemeenschap behouden blijft. Dat staat haaks op de geluiden die deze leden ontvangen van de werkvloer. Uit onderzoek van de SP onder 3 701 brandweerlieden, zowel vrijwilligers als beroeps, blijkt dat 58% van de deelnemers de regionalisering van de brandweer niet zien zitten. Zij zien een aantal negatieve gevolgen, zoals een grotere afstand tussen leiding en werkvloer en mede daardoor minder betrokkenheid van het personeel bij het beleid. Ook denken veel brandweerlieden dat regionalisering leidt tot minder democratische controle door de gemeenteraad. Verder worden genoemd demotivatie en een leegloop van vrijwilligers, meer bestuurslagen en onbekwame managers, te veel managers zonder verstand of gevoel voor brandweerzaken, te veel en te dure overhead, bezuinigingen op de werkvloer, verkeerde verdeling van de budgetten, kostenverhoging door een sterke toename van de bureaucratie, minder betrokkenheid van de werkvloer en de inwoners van desbetreffende gemeenten, het oprekken van de opkomsttijden, zorgen over de (on)veiligheid burgers en personeel, (verplichte) kazernering van vrijwilligers, (gedwongen) 24 uur per dag beschikbaarheid voor vrijwilligers, te veel eisen, vakinhoudelijk zwakke tot ver ondermaatse managers, minder aanloop nieuwe vrijwilligers door minder binding, en afbraak van de operationele inzet. Verder geeft 60% van de brandweerlieden aan een terugloop te zien in de hoeveelheid beschikbare vrijwilligers. 45% hiervan geeft als reden dat vrijwilligers de regionalisering van de brandweer niet zien zitten. De leden van de SP-fractie vragen de regering waar zij de aanname in de memorie van toelichting over betrokkenheid van de vrijwilligers op heeft gebaseerd en verzoeken om een nadere onderbouwing.

Deze leden delen de zorgen van de bonden met betrekking tot de medezeggenschapspositie en de gebrekkige inspraakmogelijkheden van brandweerlieden na de gedwongen regionalisering. De regering geeft aan dit een verantwoordelijkheid te vinden van de veiligheidsregio’s. Als eerder gesteld zijn deze leden van mening dat de regionalisering gevolgen heeft voor de belangen van de werknemers in de brandweersector en dat dit niet mag worden overgelaten aan de veiligheidsregio’s. Zij vragen naar de mogelijkheden om ook op dit punt de inspraak van de werkvloer te verankeren in de wet.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat met het onderhavige wetsvoorstel de brandweer wordt geregionaliseerd conform de eerder in het verslag aangehaalde motie Hennis-Plasschaert c.s.. Deze leden constateren dat er veel onrust is onder brandweervrijwilligers over deze regionalisering. Ook zijn er zorgen over het opheffen van lokale brandweervoorzieningen zoals uitrukposten en duikteams. Zij vragen een overzicht van de ontwikkeling van het aantal brandweervrijwilligers in de laatste jaren en de verwachte ontwikkeling in de komende jaren en wat dit betekent voor de financiering van de brandweerfunctie aangezien de kosten voor beroepsbrandweer hoger zijn.

Voornoemde leden constateren dat in 14 veiligheidsregio’s nog niet is overgegaan tot volledige regionalisering. Dit betreft dus meer dan de helft van de regio’s. Deze leden vragen daarom hoeveel gemeenten momenteel nog een eigen brandweer kennen.

De aan het woord zijnde leden constateren dat in genoemde veiligheidsregio’s wel al gefunctioneerd wordt binnen een regio. Indien opschaling nodig is, kan al gefunctioneerd worden als één korps. Genoemde leden missen daarom de argumentatie waarom regionalisering verplicht zou moeten worden. Waarom is het formeel bestaan van twee brandweerkorpsen die in de praktijk goed samenwerken geen ideale situatie? In de memorie van toelichting wordt geschreven dat regionalisering nodig is voor het behalen van de noodzakelijke kwaliteit, maar op dezelfde pagina staat dat gemeentelijke brandweerkorpsen al aan alle eisen aangaande de brandweer uit de Wet veiligheidsregio’s en de daarop gebaseerde besluiten moeten voldoen. Waarom is de regionalisering dan toch noodzakelijk voor de kwaliteit van de brandweerzorg?

De leden van de ChristenUnie-fractie brengen in herinnering dat de VNG heeft gepleit voor onderzoek naar het belang van lokale aansturing met betrekking tot veiligheidsregio’s, fysieke veiligheid en de regionale brandweer. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat dit pas zal worden gedaan bij de evaluatie van de wet veiligheidsregio’s. Genoemde leden pleiten ervoor dit onderzoek te vervroegen nu verschillende regio’s tot nu toe bewust gekozen hebben om de brandweer niet te regionaliseren en voor de politie in een ander wetsvoorstel inmiddels is gekozen voor de vorming van een nationale politie waarmee de oorspronkelijke uitgangspunten van de vorming van veiligheidsregio’s zijn verlaten.

De aan het woord zijnde leden merken op dat in verschillende regio’s al is overgegaan tot regionalisering. Is dit inmiddels geëvalueerd en in hoeverre zijn de lessen hieruit verwerkt in het voorliggende wetsvoorstel?

Deze leden vragen op welke manier de betrokkenheid van brandweervrijwilligers bij hun korps wordt vergroot met dit wetsvoorstel nu de afstand tot het bestuur van de brandweer wordt vergroot. Bij wie moet de brandweervrijwilliger in de nieuwe situatie nu aankloppen? Wie is de werkgever? Brandweerlieden die nu nog bij een gemeentelijke brandweerorganisatie werkzaam zijn, zullen immers na invoering van bovenstaande wetswijziging worden aangestuurd door de veiligheidsregio. Het wetsvoorstel laat tegelijkertijd de ruimte dat zij formeel werkzaam blijven bij de gemeente, waardoor hun medezeggenschapspositie volgens genoemde leden onduidelijk wordt. Het is volgens de memorie van toelichting aan het bestuur van de veiligheidsregio om aandacht te geven aan de medezeggenschapspositie van het brandweerpersoneel. Deze leden vragen waarom hier niet gekozen is voor centrale afspraken of regelingen waaraan in ieder geval moet worden voldaan die desgewenst kan worden aangevuld met regionale afspraken. Juist in een organisatie met zoveel vrijwilligers en de transitie naar de veiligheidsregio’s vinden genoemde leden het van belang dat de medezeggenschap goed geregeld is en dat brandweervrijwilligers ook mee kunnen praten op regionaal en bovenregionaal niveau.

De leden van de SGP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het onderbrengen van de gemeentelijke brandweer op regionaal niveau een effectieve en efficiënte manier is om de gesignaleerde tekorten in kwaliteit, effectiviteit en doelmatigheid weg te nemen. Zij vragen of bij die efficiëntie ook gedacht is aan de mogelijkheid dat veel vrijwilligers er grote moeite mee hebben om steeds meer op regionaal niveau te moeten gaan werken. Is het in dat licht wel zo efficiënt en doelmatig om de brandweerzorg op regionaal niveau te regelen? Is het risico niet groot dat veel vrijwilligers zullen stoppen en dat daarvoor in de plaats andere mensen gevonden moeten worden?

Voornoemde leden merken op dat het aantal brandweerkazernes in de loop van de jaren sterk is afgenomen. Zij maken zich hier zorgen over, omdat juist bij brand een snelle aanwezigheid van de brandweer van cruciaal belang is. Daar zijn vaak mensenlevens mee gemoeid. Deze leden vragen de regering dan ook om aan te geven op welke manier voorkomen wordt dat regionalisering ertoe leidt dat er nog meer lokale kazernes verdwijnen. Op welke manier gaat de regering er bij regionalisering voor zorgen dat de brandweer lokaal verankerd blijft?

De aan het woord zijnde leden merken op dat de regering van mening is dat voor het behalen van kwaliteit volledige regionalisering de beste oplossing is. Graag horen zij in hoeverre de regering concreet onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van de lokale korpsen. Is er daar wel werkelijk sprake van een lagere kwaliteit? Er is toch juist ook op lokaal niveau veel aandacht geweest voor goede kwaliteit van de brandweerzorg? Is schaalvergroting volgens de regering per definitie een garantie voor betere kwaliteit?

Graag vernemen de leden van de SGP-fractie hoeveel gemeenten een gemeentelijke brandweer kennen. Heeft de regering de indruk dat die gemeenten geen doelmatige besteding van publieke middelen nastreven? Wat zijn naar de mening van de regering de argumenten van die gemeenten om een lokale brandweer te hebben?

Deze leden lezen dat er 14 veiligheidsregio’s zijn die niet alle brandweertaken uitvoeren. Graag vernemen zij van de regering wat de argumenten van die regio’s zijn om niet alle brandweertaken op regionaal niveau uit te voeren. Zou dit te maken kunnen hebben met de in die regio’s als het beste geachte taakverdeling? In de praktijk is er een diverse invulling van de manier waarop regio’s zijn ingericht. Zijn er binnen de bestaande veiligheidsregio’s voorbeelden van verdere decentralisatie in districten of andere eenheden? Blijft die mogelijkheid ook in de praktijk bestaan?

De leden van de SGP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat in de praktijk brandweerlieden steeds meer belast worden met administratieve werkzaamheden. Kan de regering aangeven om welk soort werkzaamheden dit gaat? Zijn dat administratieve werkzaamheden die eerst niet gebeurden of werden ze uitgevoerd door anderen?

Voornoemde leden merken op dat krachtens artikel 25, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s de regionale brandweer onder leiding staat van een commandant. Tegelijkertijd bestaat er wel een bevoegdheid voor burgemeester inzake rampen en ongevallen. Deze leden vragen wie in een geval van een concrete ramp de leiding heeft over de uitvoering van de brandweertaken. Wat is in dat geval de concrete bevoegdheid en taak van de burgemeester?

De leden van de SGP-fractie brengen in herinnering dat de VNG in de consultatiefase heeft aangegeven het belangrijk te vinden dat er een duidelijke mogelijkheid is voor lokale aansturing. Ook deze leden vinden dit van belang. Wil de regering in overweging nemen om alsnog op korte termijn onderzoek te doen naar de mogelijkheden om lokale aansturing te verbeteren?

3.3. Samenhang tussen regionale brandweer en nationale politie

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat voor de nationale politie wordt voorgesteld over te gaan tot 10 regio’s in plaats van aansluiting te zoeken bij de 25 veiligheidsregio’s. Deze leden hebben al hun zorgen geuit over deze opschaling bij de politie. Gevolg hiervan is ook dat er allerlei bestuurlijke overlegconstructies en ambtelijke afstemming nodig zijn omdat de brandweer wel gaat opereren op de schaal van veiligheidsregio’s. Genoemde leden vragen hoeveel fte er gepaard gaat met de extra benodigde coördinatie en afstemming en hoe dit gefinancierd gaat worden. Gaat dit ten koste van het aantal brandweerlieden?

4. Financiële gevolgen voor het Rijk en decentrale overheden

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat voor wat betreft de financiële consequenties van het wetsvoorstel er wordt verwezen naar een ingesteld onderzoek. Op 21 september 2011 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie het resultaat van dat onderzoek naar de Kamer (Kamerstuk 29 517, nr. 52). Is de conclusie juist dat de minister van Veiligheid en Justitie niet bijdraagt in de kosten van regionalisering omdat de gemeenten deze kosten op termijn terug verdienen? Is de BTW-compensatie voldoende bij een overgangstermijn van maximaal twee jaar, zoals deze leden voorstaan? Overigens vragen deze leden van de CDA-fractie in dit verband ook naar de zienswijze van de regering over verdeling van de kosten van kwaliteitsverbetering. Deelt de regering de opvatting dat kwaliteitsverbeteringen en/of overige besluiten met financiële consequenties die door het rijk aan de regio’s worden opgelegd dienen samen te gaan met een al dan niet structurele financiële bijdrage?

De leden van de SP-fractie merken op dat er onderzoek is gedaan naar de financiële gevolgen van de gedwongen regionalisering. Geconcludeerd wordt dat de gehele regionaliseringsopgave 134 miljoen euro kost. De regering concludeert vervolgens dat de kosten voor de baat uitgaan, omdat binnen een periode van zeven jaar dit bedrag terugverdiend is door besparingen die de regionalisering op zou leveren. Is het juist dat de regering niet voornemens is de gemeenten en de korpsen financieel te ondersteunen bij het proces van regionalisering? Deze leden maken zich hierover zorgen. De regering stelt dat de extra uitgaven die de gemeenten daar in de beginjaren voor zullen moeten doen kunnen worden beschouwd als een investering in een doelmatiger organisatie van de brandweer. Veel gemeenten hebben echter op dit moment door bezuinigingen helemaal geen geld voor een dergelijke investering. De gevolgen worden ook al zichtbaar. Er worden in verschillende korpsen kazernes en posten gesloten en er wordt zelfs gesproken over het oprekken van opkomsttijden. Er wordt dus niet geïnvesteerd in de brandweer, zoals de regering stelt, maar bezuinigd. Graag ontvangen deze leden een reactie op dit punt.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in de memorie van toelichting meldt dat er onderzoek plaatsvindt naar kosten, besparingen en efficiencyvoordelen. Deze leden verbazen zich erover dat dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden, terwijl in het wetsvoorstel wel het uitgangspunt is dat er sprake is van een doelmatiger besteding van de middelen. Hoe heeft de regering dan tot die conclusie kunnen komen? Zou het niet voor de hand hebben gelegen om dat onderzoek naar de kosten en besparingen te doen voor indiening van het wetsvoorstel?

5. Consultatie

De leden van de SP-fractie merken op dat de bonden in hun reactie een aantal punten aansnijden, zoals de onduidelijkheid met betrekking tot de eindverantwoordelijkheid voor de brandbestrijding en de aanbeveling om te komen tot een eenduidige organisatorische inrichting van elke veiligheidsregio (één organisatiemodel). De regering gaat hier niet op in, anders dan de constatering dat de reacties niet hebben geleid tot wijziging van het voorstel. Deze leden vinden dat erg mager. Zij constateren dat de bonden nuttige aanbevelingen doen en vragen de regering alsnog in te gaan op de door hen aangeleverde reacties

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de schriftelijke reacties van de gezamenlijke vakorganisaties en van de Vakvereniging Brandweervrijwilligers (VBV) niet hebben geleid tot wijziging van het wetsvoorstel. Deze leden vragen om een gemotiveerde reactie op deze ingebrachte punten. De VBV spreekt in hun reactie over een overkill aan kantoren, kantoorbanen, management en bureaucratie. Voornoemde leden vragen daarom een overzicht van omvang van de overhead binnen de brandweer. Is er een analyse gemaakt in hoeverre de overhead met invoering van dit wetsvoorstel wordt verkleind?

Genoemde leden vragen een reactie op de brief van de VBV van 8 maart 2011 waarin een vergelijking wordt getrokken met de zogenaamde community response teams in Amerika. Daar is er voor gekozen om juist meer verantwoordelijkheid bij de burgers neer te leggen, een vorm van georganiseerde zelfredzaamheid. Dit staat haaks op wat diezelfde wetenschappers gulzig bestuur noemen, aldus de VBV. Deze leden vragen om een reactie van de regering op de stelling van de VBV dat dat nu wel is wat gebeurt met de regionalisering. Deelt de regering de mening dat als een deel van de organisatie van de brandweer, zoals rampbestrijding meer centraal (regionaal) moet, er tegelijkertijd een beweging op gang moet komen die een versterking en vergrote zichtbaarheid van de lokale brandweerzorg, meer lokaal inbedt? Zo ja, is de regering bereid juist in deze tijden van financiële schaarste te gaan investeren in het vrijwilligersbeleid binnen de brandweer en met dit wetsvoorstel de positie van de vrijwillige brandweer te versterken?

De leden van de SGP-fractie merken op dat de regering aangeeft dat de bijdragen van de VBV en de vakcentrales niet hebben geleid tot wijziging van het wetsvoorstel. Kan de regering toelichten wat de achtergrond ervan is dat hier geen wijzigingen uit voortgevloeid zijn? Is er inzake medezeggenschap en betrokkenheid van werknemers en vrijwilligers niet meer te zeggen dan dat het de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio is? Gebeurt dit op dit moment ook in de praktijk?

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel E

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat besturen van de veiligheidsregio’s gemeenschappelijk taken kunnen uitbesteden aan het Instituut, maar dat dit niet verplicht is. Deze leden hechten waarde aan de vrijheid van de veiligheidsregio’s maar vragen waarom er niet gekozen is om een beperkte lijst van taken vast te stellen die wel verplicht via het Instituut lopen om een effectieve inzet van het Instituut mogelijk te maken. Zij vragen daarom om een nadere motivatie per taak voor de keuze om de verplichting te vervangen door een kan-bepaling.

Onderdeel M

De leden van de SGP-fractie vragen of de inlichtingen alleen gevraagd mogen worden in het kader van de bevoegdheid op basis van artikel 72 van de wet. Heeft de minister van Veiligheid en Justitie geen mogelijkheid voor inlichtingen die niet rechtsreeks gaan over (vermoedens van) ernstige taakverwaarlozing?

Artikel II

Onderdeel B

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het Instituut ook een aantal taken zal vervullen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden). Zij vragen hoe het bestuur van deze eilanden betrokken wordt bij het bestuur van het IFV en of deze eilanden ook in de gelegenheid gesteld worden hun zienswijze te geven over de ontwerpbegroting en het ontwerpbeleidsplan.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er in zowel in tekst van het wetsvoorstel zelf als in de memorie van toelichting, zij het op zeer bescheiden wijze, sprake is van aandacht voor de situatie op de BES-eilanden door aanpassing van de Veiligheidswet BES. Deze leden spreken hier waardering voor uit omdat aandacht voor noodzakelijke effecten van beleid op de BES-eilanden in veel voorstellen van de kant van de regering nog wordt vergeten. Met de bestuurders op de eilanden is afgesproken dat zowel bij nieuwe wetten, als bij wijzigingen en/of aanvullingen van bestaande wetten, met hen zal worden overlegd en zo mogelijk een effectentoets zal worden uitgevoerd. Kan worden aangegeven of daarvan bij dit wijzigingsvoorstel ook sprake is?

Artikel VI

De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat de VNG pleit voor een overgangstermijn voor volledige regionalisering van minimaal twee jaar. Het ontvlechtingsproces moet zorgvuldig gebeuren. Het wetsvoorstel gaat echter uit van een termijn van drie maanden. Deze leden delen het standpunt van de VNG dat een termijn van drie maanden te ambitieus is. Zij nodigen de regering uit het wetsvoorstel zodanig te wijzigen dat er sprake is van een overgangstermijn van maximaal twee jaar. Op deze manier wordt enerzijds bewerkstelligd dat de gewenste doelstelling (volledige regionalisering) is vastgelegd en anderzijds krijgen de gemeenten tijd via een zorgvuldig tijdspad zo nodig de gewenste stappen voor te bereiden en te nemen. De gemeenten kunnen er immers nog steeds voor kiezen om het eigendom van kazernes niet over te dragen en het personeel in gemeentelijke dienst te houden.

Voornoemde leden merken op dat in artikel VI, eerste lid, een besluit van het college wordt genoemd en in het tweede lid wordt aangegeven dat het bestuur van de veiligheidsregio na dit besluit de lokale taak overneemt. In de praktijk kan er tussen het nemen van het besluit en de effectuering ervan tijd zitten. Dit klemt te meer gezien de wens van deze leden om een overgangstermijn van maximaal twee jaar te hanteren. Is het niet logischer om in het tweede lid als volgt te formuleren: «na effectuering van het besluit als bedoeld in lid 1 etc.»?

De voorzitter van de commissie,

De Roon

Adjunct-griffier van de commissie,

Van Doorn


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Arib, K. (PvdA), Çörüz, C. (CDA), Roon, R. de (PVV), voorzitter, Brinkman, H. (PVV), Vermeij, R.A. (PvdA), ondervoorzitter, Raak, A.A.G.M. van (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Dibi, T. (GL), Toorenburg, M.M. van (CDA), Peters, M. (GL), Berndsen, M.A. (D66), Nieuwenhuizen-Wijbenga, C. van (VVD), Schouw, A.G. (D66), Marcouch, A. (PvdA), Steur, G.A. van der (VVD), Recourt, J. (PvdA), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Helder, L.M.J.S. (PVV), Bruins Slot, H.G.J. (CDA), Taverne, J. (VVD) en Schouten, C.J. (CU).

Plv. leden: Dijkgraaf, E. (SGP), Bouwmeester, L.T. (PvdA), Bochove, B.J. van (CDA), Dille, W.R. (PVV), Elissen, A. (PVV), Smeets, P.E. (PvdA), Kooiman, C.J.E. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Karabulut, S. (SP), Tongeren, L. van (GL), Smilde, M.C.A. (CDA), Voortman, L.G.J. (GL), Pechtold, A. (D66), Burg, B.I. van der (VVD), Koşer Kaya, F. (D66), Kuiken, A.H. (PvdA), Liefde, B.C. de (VVD), Spekman, J.L. (PvdA), Azmani, M. (VVD), Bontes, L. (PVV), Koopmans, G.P.J. (CDA), Dijkhoff, K.H.D.M. (VVD) en Slob, A. (CU).