Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832827 nr. 124

32 827 Toekomst mediabeleid

Nr. 124 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 maart 2018

Op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen heeft een evaluatie plaatsgevonden van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, over de periode 2011–2016. Deze evaluatie dient ter beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het fonds.

Het evaluatierapport, opgesteld door bureau Dialogic uit Utrecht, treft u bijgaand aan.1 Het oordeel van Dialogic is overwegend positief. Het bestuur van het Stimuleringsfonds is verzocht om op het rapport te reageren.

Evaluatie Stimuleringsfonds voor de Journalistiek 2011–2016

Bureau Dialogic is nagegaan op welke wijze het Fonds invulling heeft gegeven aan zijn missie, doelstellingen en wettelijke taken in de periode 2011–2016. Op basis van deskresearch, interviews met stakeholders en een online survey heeft Dialogic zich een oordeel gevormd over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het Fonds. Ook is nagegaan wat er is gebeurd met de zes verbeterpunten die bij de vorige evaluatie van het Fonds zijn geformuleerd.2 Tenslotte formuleert Dialogic een achttal aanbevelingen, gericht op het Fonds en op het Ministerie van OCW.

Doelstelling en taken van het Fonds

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek beoogt de kwaliteit, diversiteit en onafhankelijkheid van de journalistiek te stimuleren door met geld, kennis en onderzoek de vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland te bevorderen. Om dit doel te bereiken, kan het Fonds onderzoek (laten) verrichten over het functioneren van de journalistiek of subsidie verlenen aan projecten.

Het Fonds is op basis van artikel 8.3 van de Mediawet 2008 belast met drie taken:

  • 1. Het verstrekken van subsidies;

  • 2. Het verrichten of doen verrichten van onderzoek met betrekking tot het functioneren van de pers;

  • 3. De uitvoering van overige taken die zijn opgedragen bij of krachtens de Mediawet 2008 en andere wetten.

Het Fonds ontvangt een jaarlijkse dotatie uit het Mediabudget; die dotatie bedroeg in 2016 ca € 2,2 miljoen.

Hoofdconclusie, doeltreffendheid, doelmatigheid

De hoofdconclusie van Dialogic luidt: «Het Fonds is er in de afgelopen evaluatieperiode (2011–2016) in geslaagd om op professionele en effectieve wijze uitvoering te geven aan zijn wettelijke taken inzake subsidieverlening en onderzoek. Het is daarbij tevens gelukt om de sector meer en beter te betrekken (ook de kleine en nieuwe spelers) en zijn zichtbaarheid te vergroten. (...) Meer strategisch ontwikkelt het Fonds zich van een subsidieverstrekker naar een katalysator voor innovatie».

Dialogic is positief over de doeltreffendheid van het Fonds: het Fonds heeft in de onderzochte periode zijn taken naar behoren uitgevoerd. Met name de stimulering van innovatie wordt in het veld breed onderschreven en als belangrijkste meerwaarde van het Fonds ervaren waarbij ondermeer de scenariostudie als goed voorbeeld van onderzoek dat veel impact heeft gehad in de vorm van ontstane samenwerking tussen het SvdJ (zowel bureau als bestuur) en het veld (zowel private als publieke partijen) wordt genoemd.3

Ook over de doelmatigheid van het Fonds oordeelt Dialogic positief: de subsidieaanvragers zijn in de breedte tevreden over het aanvraagproces, van aanvraag tot en met besluitvorming en terugkoppeling.

Verbeterpunten vorige evaluatie (2006–2010)

De vorige evaluatie leverde een zestal verbeterpunten op. Dialogic stelt vast dat het Fonds die allemaal goed heeft opgevolgd. Dat heeft geleid tot grotere transparantie bij de subsidieverlening, onderzoek dat beter aansluit bij de actuele behoeften van het journalistieke veld, meer toenadering tussen Fonds en veld (betere zichtbaarheid van het Fonds), een systematische verzameling van kengetallen en regelmatige evaluatie van de diverse regelingen van het Fonds.

De aanbeveling om het bestuursmodel te heroverwegen is weliswaar opgepakt, maar dit heeft niet geleid tot een aanpassing. Dialogic: «Het huidig executieve bestuursmodel (bestuur neemt alle besluiten) wijkt af van andere cultuurfondsen, waar een Raad van Toezichtmodel gangbaar is. Wel is het Bestuursreglement vernieuwd en zijn er heldere afspraken vastgelegd over de taak- en rolverdeling tussen bestuur en bureau. Het huidige bestuursmodel dat in de praktijk goed werkt, is bij het huidige kleine bureau te rechtvaardigen vanwege de grote betrokkenheid, expertise en netwerken van de bestuursleden en vanuit kostenefficiëntie».

Aanbevelingen huidige evaluatie (2011–2016)

Op grond van zijn onderzoek komt Dialogic met een achttal aanbevelingen, waarvan het merendeel gericht is op het Fonds zelf en enkele op het Ministerie van OCW. Ik loop ze hier na en geef daarbij kort de reactie van het Fonds-bestuur weer.4 Aan het slot van deze brief formuleer ik mijn eigen conclusies.

  • 1. Het Ministerie van OCW kan in samenspraak met het Fonds en met het veld de huidige doelstelling tegen het licht houden gezien de ontwikkeling die het Fonds in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt (van pluriformiteit naar innovatie, van geld naar kennis, etc.).

  • 2. Het Fonds zou op basis van een dergelijke herijking kunnen nagaan welke invloed dat heeft op de huidige taakstelling, in het bijzonder waar het de invulling van «overige taken» betreft. Deze lijken belangrijker te worden en zouden daarom explicieter benoemd moeten worden.

    Het Fonds beaamt dat het nuttig en billijk is om met enige regelmaat de programma’s en missie van het Fonds te (her)ijken.

  • 3. Het Fonds dient de ingeslagen weg – begeleiden van subsidieaanvragers om van hun project een succes te maken / ondernemerschap stimuleren – te blijven volgen, maar tegelijk de afweging te maken of voor deze taak het Fonds over voldoende capaciteit en competenties beschikt. De stap richting een rol als katalysator en incubator van innovatieve activiteiten vergt wellicht aanvullende en deels nieuwe expertises.

    Het Fonds geeft aan dat het de begeleiding van subsidie-aanvragers evalueert (en er steeds meer in investeert) en tekent daarbij aan dat het aan geld ontbreekt om meer middelen in te zetten.

  • 4. Het Fonds zou de portfolio van activiteiten in overweging kunnen nemen (in ieder geval niet méér regelingen creëren) en het veld betrekken om het aanbod nog beter aan te laten sluiten op de knelpunten en vragen waar het veld mee worstelt. Gegeven het (beperkte) budget adviseren wij om verdere versnippering van regelingen tegen te gaan door focus op innovatie en samenwerking te houden en de omvang van de steun per project op een minimaal niveau te houden.

    Het Fonds geeft aan op dit terrein reeds actief te zijn en goede en intensieve contacten (al dan niet georganiseerd) met de sector te onderhouden.

  • 5. Het Fonds kan als scharnier tussen politiek en het veld en als vertegenwoordigende organisatie een bijdrage leveren aan (1) de afstemming tussen verschillende onderzoeken (Stand van Nieuwsmedia en Media Monitor), (2) een gerichter en actiever onderzoeksbeleid van OCW voor de sector journalistiek; en (3) de afstemming met NVJ.

    Het Fonds laat weten, dat het graag samenwerkt met alle partijen die zich bekommeren om de journalistiek in Nederland. Het letterlijk «afstemmen van beleid» met de vakbond (NVJ) of andere organisaties gaat het Fonds een stap te ver, gezien zijn neutrale en onafhankelijke positie in het veld.

  • 6. Het Fonds vervult in toenemende mate een proactieve signaleringsfunctie richting de politiek (bijv. middels een brief aan de informateur of middels contacten met Kamerleden). Een deel van de stakeholders (vooral de private partijen) vindt het onwenselijk als de rol van het Fonds op dit punt meer neigt naar politieke lobby. De in het veld breed gedragen signaleringsfunctie zou niet moeten doorschieten en de onafhankelijkheid van het Fonds negatief beïnvloeden.

    Het Fonds bepleit – bij gelegenheid ook binnen de politiek – dat er meer aandacht komt voor journalistiek. In geen enkel geval heeft het Fonds bij dergelijke activiteiten gepleit voor specifieke keuzes. Het Fonds bewaakt zijn onafhankelijke, neutrale positie zorgvuldig.

  • 7. Het Fonds zou in de beoordeling van projectaanvragen meer nadruk kunnen (laten) leggen op potentiële leer- en netwerkeffecten van projecten. Dit moet niet beperkt blijven tot de beoordeling. Het Fonds kan aanvullend meer activiteiten ontplooien die gericht zijn op het stimuleren van (informeel) contact tussen subsidieaanvragers, het begeleiden en faciliteren van gesteunde aanvragers en het onderling uitwisselen van ervaringen (binnen de sector journalistiek en daarbuiten).

    Het Fonds geeft aan hier volop aandacht aan te geven o.a. door de eindverslagen van alle projecten (succesvol of mislukt) te publiceren, door de aanvragers aan het woord te laten komen op de site, door projectteams uit te nodigen voor activiteiten, door vertegenwoordigers van succesvolle of spectaculair mislukte projecten in te schakelen als sprekers of coaches.

  • 8. Het Ministerie van OCW kan in samenspraak met het Fonds de bestuursstructuur opnieuw overwegen wanneer het subsidiebudget en het bureau een grotere omvang aannemen om het meer in overeenstemming te brengen met andere (cultuur)fondsen. Met name het aanbrengen van een scheiding tussen bestuur en toezicht zou meer aansluiten bij de huidige opvattingen over good governance. De argumentatie die het Fonds gebruikt om de huidige praktijk voort te zetten is eerder pragmatisch dan principieel.

    Het Fonds heeft niet op deze aanbeveling gereageerd.

Conclusie

In de eerste plaats stel ik met tevredenheid vast, dat de evaluatie van het Fonds over de periode 2011–2016 overwegend positief is. Waar het gaat om de door Dialogic geformuleerde aanbevelingen kan ik mij vinden in de reactie die het Fondsbestuur daarop heeft geformuleerd.

Er vindt met het Fonds regelmatig overleg plaats, waarbij de ontwikkelingen op het terrein van de journalistiek worden gerelateerd aan de instrumenten en regelingen van het Fonds. De doelstelling van het Fonds staat in de Mediawet als volgt omschreven: «Het Stimuleringsfonds heeft tot doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming».5 Deze terminologie oogt intussen enigszins gedateerd. In de praktijk van de afgelopen jaren beoogt het Fonds de kwaliteit, diversiteit en onafhankelijkheid van de journalistiek te stimuleren door met geld, kennis en onderzoek de vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland te bevorderen.

De door Dialogic gesuggereerde heroverweging van het bestuursmodel van het Fonds beschouw ik – gelet op de goede ervaringen met het huidige bestuursmodel in de afgelopen jaren – niet als urgent. Ik wijs in dit verband ook op het Advies verkenning benoemingen bij publieke media-instellingen, dat bij brief van 22 maart 2017 aan uw Kamer is toegezonden.6 In dit advies is ook gekeken naar het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek.

Dialogic spreekt waardering uit voor hetgeen het fonds met «beperkte» middelen weet te bewerkstelligen. Ik acht een goed, onafhankelijk journalistiek aanbod van groot belang. Ik zal de komende periode bezien of het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek een rol kan spelen in het kader van een extra impuls voor onderzoeksjournalistiek en zal daarover ook met het Fonds in gesprek gaan. Ik zal uw Kamer voor de zomer informeren over de wijze waarop ik de extra impuls voor 2018 wil gaan inzetten.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Dialogic: Evaluatie Stimuleringsfonds voor de Journalistiek 2011–2016, Utrecht, 29 augustus 2017.Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Research voor Beleid: Evaluatie van het Stimuleringsfonds voor de Pers 2006–2010, Zoetermeer, oktober 2011 (Kamerstuk 32 827, nr. 28).

X Noot
3

Dit onderzoek Scenario’s voor de Toekomst van de Journalistiek (april 2015) is naar de Kamer gestuurd bij brief van 1 juni 2015, Kamerstuk 32 827, nr. 71.

X Noot
4

Ontleend aan de in voetnoot 2 genoemde reactie van het Fondsbestuur van 12 september 2017.

X Noot
5

Artikel 8.3, eerste lid van de Mediawet 2008.

X Noot
6

Brief van 22 maart 2017.