﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32820-F/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>32 820</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Nieuwe visie cultuurbeleid</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer kamer="1">F</ondernummer>
      </stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-07">7 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap<noot id="ID-1246907-d40e74" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Samenstelling:</noot.al><noot.al>Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan-Kilic (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)</noot.al></noot> heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over <nadruk type="vet">het advies van de Raad voor Cultuur over nominatie Representatieve Lijst Unesco-verdrag immaterieel erfgoed</nadruk>. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>De uitgaande brief van 31 maart 2026.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>De antwoordbrief van 22 april 2026.</al>
              </li>
            </lijst>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
            <naam>
              <achternaam>De Graag</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap</al>
            <al>Den Haag, 31 maart 2026</al>
            <al>De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben met belangstelling kennisgenomen van het door de Raad voor Cultuur op 5 maart 2026 gepubliceerde advies over de voordracht ter nominatie voor de «Representatieve Lijst van het Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid» van UNESCO.<noot id="ID-1246907-d40e120" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van de Raad voor Cultuur is op 5 maart 2026 gepubliceerd en op 6 maart 2026 door de Raad voor Cultuur aangeboden aan de leden van de commissie OCW (Brief met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>).</noot.al></noot> De leden van de fractie van de <nadruk type="vet">BBB </nadruk>willen u naar aanleiding hiervan een aantal vragen stellen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB</tussenkop>
            <al>Het advies van de Raad voor Cultuur over de voordracht ter nominatie voor de «Representatieve Lijst van het Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid» is opgesteld naar aanleiding van een aanvraag van 12 juni 2025 door de toenmalige Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap,<noot id="ID-1246907-d40e142" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.raadvoorcultuur.nl/documenten/2025/10/17/adviesaanvraag-raad-voor-cultuur---nominatie-immaterieel-erfgoed-unesco-2027" soort="URL" status="actief">Brief van de (toenmalige) Minister van OCW van 12 juni 2026</extref> aan de Raad voor Cultuur betreffende een Adviesaanvraag Nominatie Unesco-verdrag immaterieel erfgoed.</noot.al></noot> met het verzoek een voorselectie te maken van vijf kansrijke erfgoedelementen uit de «Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland».</al>
            <al>De leden van de BBB-fractie stellen vast dat u op basis van voornoemd advies uit de vijf door de Raad voor Cultuur aangedragen kandidaten er één moeten kiezen om namens het Koninkrijk voor te dragen bij UNESCO.<noot id="ID-1246907-d40e157" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 1 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> Zijn de criteria die u daarvoor gebruikt eerder met het parlement besproken en daar goedgekeurd? Als dit het geval is vernemen deze leden graag waar dit is gepubliceerd.</al>
            <al>Verder vragen de leden van de BBB-fractie welke politieke weging u voornemens bent toe te passen op het advies van de Raad voor Cultuur, om uw keuze te bepalen. In hoeveel gevallen bent u of uw voorganger in het verleden afgeweken van een advies van de Raad voor Cultuur voor het aan de UNESCO aandragen van nominaties voor werelderfgoed?</al>
            <al>De leden van de BBB-fractie merken op dat de huidige procedure technocratisch lijkt te zijn ingericht, terwijl het hier ook gaat om nationale representatie. Acht u de huidige procedure democratisch voldoende gelegitimeerd?</al>
            <al>Kunt u de criteria die u hanteert bij uw keuze voor de nominatie richting de UNESCO limitatief opsommen en wegen, bijvoorbeeld in percentage of prioriteit? Zijn er «knock-out criteria», zoals bijvoorbeeld strijd met de Grondwet? Hoe wordt subjectiviteit zoals «verbinden» en «empowerment» geminimaliseerd? De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat begrippen als «diversiteit», «verbinden» en «empowerment» normatief en politiek geladen lijken. Zij vragen u op welke wijze willekeur in dit verband wordt voorkomen.</al>
            <al>Hoe wordt formeel binnen UNESCO besloten welke door landen voorgestelde erfgoedelementen daadwerkelijk als immaterieel werelderfgoed worden geregistreerd? Is er bijvoorbeeld een meerderheid van aangesloten landen voor nodig?</al>
            <al>Hoe vaak zijn Nederlandse voordrachten aan UNESCO voor (immaterieel) werelderfgoed afgewezen en waarom? In hoeverre speelt geopolitiek (steun van andere landen) een rol? Bestaat er lobby of onderlinge ruil («jij steunt mij, ik steun jou»)? Neemt u in uw keuze voor de aanstaande Nederlandse nominatie mee welke aangedragen kandidaat op (de meeste) steun van andere landen kan rekenen?</al>
            <al>Kunt u aangeven hoe lang in uw visie (immaterieel) erfgoed in Nederland moet bestaan voordat u dit bij de UNESCO wil aandragen als (immaterieel) erfgoed van ons land? Zonder duidelijke tijdsdimensie dreigt het begrip erfgoed te vervagen tot actuele cultuur of evenementenbeleid, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Wat is volgens u de minimale «duur» (in jaren of generaties) voordat sprake is van immaterieel erfgoed? Kunt voorbeelden geven van eerder door u (of uw voorganger) afgewezen elementen wegens «te recent»?</al>
            <al>Is bij de beslissing die in 2023 leidde tot het inschrijven als UNESCO-erfgoed van het Rotterdams Zomercarnaval meegewogen hoe lang dit al bestond? Als dit het geval is, kunt u dan het aantal jaren aangeven dat toen als criterium is gehanteerd? Is bij deze voordracht het parlement betrokken geweest en zo ja, op welke wijze?</al>
            <al>Bent u voornemens de voordracht aan UNESCO voor immaterieel erfgoed vooraf voor goedkeuring voor te leggen aan het parlement, zodat dit ook op steun van een democratisch gekozen meerderheid van de volksvertegenwoordigers van de bevolking kan rekenen?</al>
            <al>Welke personen («beoefenaars»)<noot id="ID-1246907-d40e198" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 2 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> of organisaties hebben de voordracht gedaan voor de vijf kandidaten die de Raad voor Cultuur nu adviseert? Is de documentatie van deze nominaties publiek toegankelijk?</al>
            <al>Wat zijn de vereisten om in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland te worden opgenomen? Hoe vaak per jaar gebeurt dat? Hoeveel procent van de aanvragen om opgenomen te worden wordt afgewezen? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor afwijzing?</al>
            <al>Wordt het parlement door u gevraagd om instemming voor toevoegingen in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland? Is (hiermee) geborgd dat deze erfgoederen expliciet op brede politieke en maatschappelijke instemming zijn gebaseerd? Als dit niet zo gebeurt: bent u bereid hiertoe een wetswijziging voor te stellen, zodat het parlement bepaalt wat het nationaal (immaterieel) erfgoed vindt?</al>
            <al>Is één van de huidige Nederlandse (immateriële) UNESCO-erfgoederen aan seksuele geaardheid verbonden? Op basis van welk artikel uit de Grondwet, wet of jurisprudentie acht de Minister «positieve discriminatie» in dit verband toegestaan? Hoe wordt voorkomen dat de staat normatief partij kiest in maatschappelijke discussies?</al>
            <al>Heeft het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) voor de selectie van de vijf kandidaten geen andere, inhoudelijke criteria gehanteerd dan «goed georganiseerd te zijn en actief te willen en kunnen bijdragen aan het samenstellen van een eventueel nominatiedossier»?<noot id="ID-1246907-d40e224" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 3 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> Als er wel andere criteria zijn gehanteerd vernemen de leden van de BBB-fractie graag welke dat zijn.</al>
            <al>De Raad voor Cultuur geeft aan dat hij heeft gekeken naar 32 erfgoedelementen, «groot en klein».<noot id="ID-1246907-d40e240" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 3 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> Kunt u aangeven of de Raad voor Cultuur een minimumaantal beoefenaars heeft gehanteerd om in de procedure te worden meegenomen? Moesten die ook een minimale geografische spreiding hebben? Als dit niet het geval is, kunt u de Raad voor Cultuur vragen dit in het vervolg wel te doen?</al>
            <al>Is de schaal waarop een immaterieel erfgoed wordt beoefend niet een logisch criterium om namens heel Nederland aan UNESCO te mogen worden voorgedragen, zo vragen de leden van de BBB-fractie. Nationale voordracht zonder brede maatschappelijke basis kan de legitimiteit van UNESCO-inschrijvingen ondermijnen. Hoe voorkomt u in uw internationaal cultuurbeleid dat niche-activiteiten een disproportionele nationale status krijgen? In welke besluitvormingsprocessen is dit nu wel en in welke is het niet als criterium opgenomen?</al>
            <al>In de «commissie met deskundigen»<noot id="ID-1246907-d40e260" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 3 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> die binnen de Raad voor Cultuur het advies heeft opgesteld, lijken weinig of geen historici te zitten, en bijvoorbeeld ook weinig of geen medewerkers van cultuurafdelingen van gemeenten, die wellicht een beter beeld op amateurkunsten en volkscultuur hebben, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Houdt u toezicht op de samenstelling van werkgroepen van de Raad voor Cultuur? Hoe voorkomt u belangenverstrengeling en zogenaamde «netwerkcorruptie»?</al>
            <al>De Raad voor Cultuur heeft in zijn brief aan u samengevat weergegeven met welke criteria de Raad heeft gewerkt.<noot id="ID-1246907-d40e276" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 5 e.v. (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> De leden van de BBB-fractie hebben hierover enkele vragen.</al>
            <al>In de eerste plaats vragen zij welke elementen uit de <nadruk type="cur">Sustainable Development Goals</nadruk> de Raad voor Cultuur precies heeft meegenomen onder het (deel)criterium «diversiteit».<noot id="ID-1246907-d40e295" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 5 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> (In hoeverre) passen deze volgens u binnen de Nederlandse Grondwet, met name het verbod op discriminatie? Eenzelfde vraag stellen de leden van de BBB met betrekking tot het door de Raad voor Cultuur gehanteerde criterium bevorderen van natuur.<noot id="ID-1246907-d40e308" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Ibid.</noot.al></noot> Hoe is dit door de Raad voor Cultuur geoperationaliseerd? Hoe zijn erfgoedelementen precies beoordeeld of zij de natuur wel bevorderen?</al>
            <al>De Raad voor Cultuur schrijft verder dat het ministerie heeft aangegeven dat erfgoedelementen die «verbinden» extra «gewaardeerd» moeten worden.<noot id="ID-1246907-d40e320" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 6 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> Waarom heeft u het tegenovergestelde niet ook als criterium aan de Raad voor Cultuur opgegeven, te weten dat erfgoedelementen geen mensen en groepen mogen uitsluiten, of dat dergelijke discriminatie «minder gewaardeerd» moet worden?</al>
            <al>Als negende punt geeft de Raad voor Cultuur aan dat als criterium is meegenomen «of de Nederlandse staat zich met een bepaald erfgoedelement internationaal zou willen profileren».<noot id="ID-1246907-d40e336" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Ibid.</noot.al></noot> De Staat is slechts de uitvoerende macht, zo stellen de leden van de BBB-fractie vast. Kunt u er bij de Raad voor Cultuur op aandringen in het vervolg te beoordelen of een voordracht op een meerderheid in het parlement kan rekenen? Dus of de volksvertegenwoordiging en via haar de bevolking zich met een bepaald erfgoedelement internationaal zou willen profileren?</al>
            <al>Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Raad voor Cultuur als tiende criterium heeft geselecteerd de inschatting dat een voordracht zou resulteren in «empowerment van een bepaalde groep» en «nationaal zichtbaar» worden?<noot id="ID-1246907-d40e349" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Ibid.</noot.al></noot> Zou de Raad voor Cultuur zich niet moeten beperken tot het bepalen of iets erfgoed is, en dan wel nationaal erfgoed dat al heel lang, heel vaak en op heel veel plaatsen in ons land zichtbaar is? Gaat de Raad voor Cultuur met zijn criterium ook niet buiten het beoordelingscriterium van het UNESCO-verdrag dat slechts sprake hoeft te zijn van «ensuring visibility» en «reflecting cultural diversity»?<noot id="ID-1246907-d40e358" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, voetnoot 8 op p. 6 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>Waarom heeft de Raad voor Cultuur, al dan niet op verzoek van u, als criterium meegenomen of en in hoeverre «voortleven en doorontwikkeling» van een erfgoedelement zonder steun en subsidie van overheden waarschijnlijk is?<noot id="ID-1246907-d40e373" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Brief van de Raad voor Cultuur aan de Minister van OCW ter aanbieding van het advies «Representatieve lijst van cultureel immaterieel erfgoed van de mensheid» van 5 maart 2026, p. 6 (gevoegd als bij de Brief van de Raad voor Cultuur van 6 maart 2026 aan de commissie OCW met kenmerk <extref doc="https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260306/advies_raad_voor_cultuur/f%3D/vmvljq4kp4mm.pdf" soort="URL" status="actief">180185</extref>.</noot.al></noot> Zouden erfgoedelementen die al lang zonder (veel) subsidie(s) bestaan en niet meer moeten worden gewaardeerd, meer als uiting van duurzaam erfgoed van de bevolking moeten worden gezien? Zou u er bij de Raad voor Cultuur op willen aandringen dit in het vervolg als criterium op te nemen?</al>
            <al>Ook lijkt de Raad voor Cultuur te schrijven dat in het UNESCO-verdrag staat dat ook in lidstaten door weinig mensen beoefende immateriële erfgoederen als werelderfgoed kunnen worden ingeschreven, zo menen de leden van de BBB-fractie. Hoe kunnen deze volgens u heel Nederland vertegenwoordigen?</al>
            <al>Welke bevoegdheden voor (immaterieel) erfgoed liggen nu expliciet bij gemeente, provincie, Rijk en UNESCO? Zijn er voorbeelden waar deze lagen conflicteren? Is volgens u voor (immaterieel) erfgoed het subsidiariteitsbeginsel nu goed en volledig voor deze vier «bestuurslagen» toegepast? En is goed belegd dat binnen elke «laag» de eigen «volksvertegenwoordiging» bepaalt wat zij als haar erfgoed ziet? Bent u bereid zich in te spannen voor het beter vastleggen van deze subsidiariteits- en democratische uitgangspunten in zowel het UNESCO-verdrag als de Nederlandse Erfgoedwet?</al>
            <al>Kunt u volgens het UNESCO-verdrag een eerder door Nederland aangedragen en inmiddels door UNESCO ingeschreven erfgoedelement terugtrekken dan wel laten uitschrijven? Als dit het geval is kunt u dan aangeven in welk artikel van het verdrag of de Nederlandse Erfgoedwet dit staat? Als dit er niet staat, bent u dan bereid zich ervoor in te spannen dat deze mogelijkheid in zowel het verdrag als de wet wordt opgenomen?</al>
            <al>Wat is het totale budget voor immaterieel erfgoedbeleid (meerjarig)? Hoeveel gaat naar overhead versus directe ondersteuning van beoefenaars?</al>
            <al>Is er een kosten-batenanalyse van de huidige Nederlandse (immateriële) erfgoederen die zijn geregistreerd of geaccepteerd als UNESCO-werelderfgoed? Zo ja, waar is deze gepubliceerd? Als dit niet het geval is, bent u dan bereid deze te maken?</al>
            <al>Hoeveel subsidies en andere financiële steun, al dan niet via het Gemeentefonds en Provinciefonds, verstrekt u jaarlijks voor erfgoedactiviteiten aan gemeenten respectievelijk provincies? Is dit per inwoner voor alle provincies respectievelijk voor alle gemeenten gelijk? Zo niet: hoeveel wijkt het af en waarom wordt dit niet gelijk verdeeld?</al>
            <al>Volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn er nu 63.000 Rijksmonumenten.<noot id="ID-1246907-d40e408" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><extref doc="http://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/r/rijksmonumentenregister" soort="URL" status="actief">www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/r/rijksmonumentenregister</extref>, bezocht op 16 maart 2026.</noot.al></noot> Vindt u deze allemaal van nationaal belang? Volgens de Erfgoedwet mogen provincies monumenten als provinciaal erfgoed aanwijzen. Heeft u de indruk dat alle provincies dat redelijkerwijze voor alle monumenten, die noch van nationaal, noch van lokaal, gemeentelijk belang zijn, hebben gedaan?</al>
            <al>Bent u bereid verder onderzoek te laten doen of administratieve lasten en regelgevingsdruk voor eigenaren of beoefenaren van diverse soorten erfgoed kunnen worden gereduceerd?</al>
            <al>De vorige regering heeft ingevoerde stichtingen en verenigingen nooit voor meer dan de helft van de begroting willen subsidiëren. Dit maakte hun positie al gelijker aan menige organisatie voor amateurkunst en volkscultuur. Bent u bereid dit, met een enkele gemotiveerde uitzondering, in uw verantwoordelijkheidsdomein terug te brengen naar een derde, en wel als maximum voor de financiële steun van alle overheden samen?</al>
            <al>Van welke andere verdragen inzake erfgoed dan genoemd UNESCO-verdrag is Nederland partij? Met welke regelmaat worden deze geëvalueerd op het dienen van het Nederlands cultureel belang? Welke evaluaties zijn de afgelopen jaren naar het parlement gestuurd? Hebben evaluaties tot aanpassingen geleid?</al>
            <al>Financiert u het KIEN? Met welke voorwaarden wordt het financieel ondersteund? (Hoe) houdt u toezicht op de activiteiten van het centrum? Welke verdere relatie(s) heeft u met het KIEN? Hoe wordt onafhankelijkheid van KIEN geborgd bij financiering door de overheid? Zijn er evaluaties of audits uitgevoerd op KIEN? Zo ja, waar zijn deze terug te vinden?</al>
            <al>Hoe wordt belangenverstrengeling tussen KIEN en de Raad voor Cultuur enerzijds, en de personen en organisaties die immaterieel erfgoed beoefenen of vertegenwoordigen anderzijds, concreet gemonitord, beoordeeld en gesanctioneerd?</al>
            <al>Wat is volgens u het primaire doel van deelname aan het UNESCO-verdrag: bescherming van erfgoed, internationale profilering of binnenlandse maatschappelijke beleidsdoelen?</al>
            <al>De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag uiterlijk<nadruk type="vet"> 28 april 2026</nadruk>.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>Voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.W.</voornaam>
              <achternaam>Rietkerk</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal</al>
            <al>Den Haag, 22 april 2026</al>
            <al>Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de leden van de BBB fractie betreffende advies van de Raad voor Cultuur over nominatie Representatieve Lijst Unesco-verdrag immaterieel erfgoed.</al>
            <al>De vragen werden ingezonden op 31 maart 2026 met kenmerk 180457.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
            <naam>
              <voornaam>R.M.</voornaam>
              <achternaam>Letschert</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden van de fractie van de BBB van de vaste commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ingediend door het lid Rietkerk (CDA) op 31 maart 2026, over het advies van de Raad voor Cultuur over nominatie Representatieve Lijst Unesco-verdrag immaterieel erfgoed</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 1:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie stellen vast dat u op basis van voornoemd advies uit de vijf door de Raad voor Cultuur aangedragen kandidaten er één moeten kiezen om namens het Koninkrijk voor te dragen bij UNESCO. Zijn de criteria die u daarvoor gebruikt eerder met het parlement besproken en daar goedgekeurd? Als dit het geval is vernemen deze leden graag waar dit is gepubliceerd.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Verder vragen de leden van de BBB-fractie welke politieke weging u voornemens bent toe te passen op het advies van de Raad voor Cultuur, om uw keuze te bepalen. In hoeveel gevallen bent u of uw voorganger in het verleden afgeweken van een advies van de Raad voor Cultuur voor het aan de UNESCO aandragen van nominaties voor werelderfgoed?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie merken op dat de huidige procedure technocratisch lijkt te zijn ingericht, terwijl het hier ook gaat om nationale representatie. Acht u de huidige procedure democratisch voldoende gelegitimeerd?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kunt u de criteria die u hanteert bij uw keuze voor de nominatie richting de UNESCO limitatief opsommen en wegen, bijvoorbeeld in percentage of prioriteit? Zijn er «knock-out criteria», zoals bijvoorbeeld strijd met de Grondwet? Hoe wordt subjectiviteit zoals «verbinden» en «empowerment» geminimaliseerd? De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat begrippen als «diversiteit» «verbinden» en «empowerment» normatief en politiek geladen lijken. Zij vragen u op welke wijze willekeur in dit verband wordt voorkomen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bent u voornemens de voordracht aan UNESCO voor immaterieel erfgoed vooraf voor goedkeuring voor te leggen aan het parlement, zodat dit ook op steun van een democratisch gekozen meerderheid van de volksvertegenwoordigers van de bevolking kan rekenen?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Als negende punt geeft de Raad voor Cultuur aan dat als criterium is meegenomen «of de Nederlandse staat zich met een bepaald erfgoedelement internationaal zou willen profileren» De Staat is slechts de uitvoerende macht, zo stellen de leden van de BBB-fractie vast. Kunt u er bij de Raad voor Cultuur op aandringen in het vervolg te beoordelen of een voordracht op een meerderheid in het parlement kan rekenen? Dus of de volksvertegenwoordiging en via haar de bevolking zich met een bepaald erfgoedelement internationaal zou willen profileren?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 1:</nadruk>
              </al>
              <al>Sinds de ratificatie van het Unesco-verdrag ter Bescherming van het Immaterieel Cultureel Erfgoed (hierna: Unesco-verdrag) door het Koninkrijk der Nederlanden in 2012, is gebruik gemaakt van eenzelfde opzet om te komen tot nominaties voor de Representatieve Lijst van Immaterieel Erfgoed van de Mensheid (hierna: Representatieve Lijst).</al>
            </al-groep>
            <al>De Minister vraagt de Raad voor Cultuur per adviesaanvraag om kansrijke kandidaten te selecteren uit de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland (hierna: Inventaris). De Raad voor Cultuur beoordeelt de kandidaten aan de hand van een beoordelings- en selectiekader waarin de toetsingscriteria van Unesco zijn opgenomen. Zo wordt willekeur voorkomen. Op basis van het advies van de Raad neemt de Minister een besluit over de voordracht. Bij alle eerdere nominatietrajecten heeft de bewindspersoon het advies gevolgd. Vervolgens stelt de erfgoedgemeenschap, in samenwerking met het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), een nominatiedossier op dat na goedkeuring door de ministerraad bij Unesco wordt ingediend. De Tweede Kamer wordt vervolgens geïnformeerd over de voordracht.</al>
            <al>De inrichting van het nominatieproces vloeit voort uit een fundamenteel beginsel van het cultuurbeleid: de overheid is geen beoordelaar van de inhoud en kwaliteit van cultuur. Dit beginsel is geen nieuwe keuze, maar een uitgangspunt dat in Nederland al sinds de negentiende eeuw geldt en door achtereenvolgende kabinetten is onderschreven (het «Thorbecke-principe»). Dit beginsel beschermt cultuur tegen politieke inmenging.</al>
            <al>Mijn voorganger heeft aan de Raad voor Cultuur gevraagd om vijf kansrijke kandidaten te selecteren uit de Inventaris voor de Representatieve Lijst van het Unesco-verdrag. Op 5 maart 2026 ontving ik dit advies. Door de Raad voor Cultuur zijn vijf immaterieel erfgoedelementen geselecteerd. Vanuit het eerder omschreven beginsel dat de politiek zich niet mengt in de inhoud van cultuur past het mij als Minister niet om te bepalen welk van deze vijf elementen moet worden voorgedragen voor nominatie voor de Representatieve Lijst. Dit gebeurt via een aanvullend advies dat ik inmiddels aan de Raad voor Cultuur heb gevraagd. Op basis van het advies neem een besluit. Dit advies wordt uiterlijk 1 mei 2026 verwacht.</al>
            <al>De Raad voor Cultuur beschikt over de noodzakelijke expertise om een onafhankelijk inhoudelijk onderbouwd advies te geven over welk element voor te dragen ter nominatie. Op basis van het aanvullende advies neem ik een zorgvuldig en gemotiveerd besluit. Parlementaire goedkeuring van de nominatie voor de Representatieve Lijst zou tot politisering van immaterieel erfgoed leiden en dat vind ik ongewenst.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 2:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoe wordt formeel binnen UNESCO besloten welke door landen voorgestelde erfgoedelementen daadwerkelijk als immaterieel werelderfgoed worden geregistreerd? Is er bijvoorbeeld een meerderheid van aangesloten landen voor nodig?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Hoe vaak zijn Nederlandse voordrachten aan UNESCO voor (immaterieel) werelderfgoed afgewezen en waarom? In hoeverre speelt geopolitiek (steun van andere landen) een rol? Bestaat er lobby of onderlinge ruil («jij steunt mij, ik steun jou»)? Neemt u in uw keuze voor de aanstaande Nederlandse nominatie mee welke aangedragen kandidaat op (de meeste) steun van andere landen kan rekenen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 2:</nadruk>
              </al>
              <al>Elke verdragsstaat kan eens in de twee jaar een vorm van immaterieel erfgoed voordragen voor nominatie voor de Representatieve Lijst. Het ingediende nominatiedossier wordt eerst door het Unesco Secretariaat technisch getoetst op volledigheid. Vervolgens beoordeelt een onafhankelijke expertcommissie, de Evaluation Body, de nominatie inhoudelijk op basis van de criteria van het verdrag. De Evaluation Body geeft een inhoudelijk oordeel, dat het Intergouvernementeel Comité, bestaande uit 24 verdragspartijen, in nagenoeg alle gevallen bekrachtigt. Alle Nederlandse nominaties zijn tot op heden bijgeschreven.</al>
            </al-groep>
            <al>Het Unesco-verdrag heeft een inhoudelijk en op erfgoedgemeenschappen gericht karakter. Steun van andere verdragspartijen is geen criterium in het verdere traject.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 3:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u aangeven hoe lang in uw visie (immaterieel) erfgoed in Nederland moet bestaan voordat u dit bij de UNESCO wil aandragen als (immaterieel) erfgoed van ons land? Zonder duidelijke tijdsdimensie dreigt het begrip erfgoed te vervagen tot actuele cultuur of evenementenbeleid, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Wat is volgens u de minimale «duur» (in jaren of generaties) voordat sprake is van immaterieel erfgoed? Kunt voorbeelden geven van eerder door u (of uw voorganger) afgewezen elementen wegens «te recent»?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Is bij de beslissing die in 2023 leidde tot het inschrijven als UNESCO-erfgoed van het Rotterdams Zomercarnaval meegewogen hoe lang dit al bestond? Als dit het geval is, kunt u dan het aantal jaren aangeven dat toen als criterium is gehanteerd? Is bij deze voordracht het parlement betrokken geweest en zo ja, op welke wijze?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 3:</nadruk>
              </al>
              <al>In de definitie van immaterieel erfgoed in het Unesco-verdrag is geen minimale tijdsduur in jaren vastgelegd. Immaterieel erfgoed is levend en dynamisch, het verandert met de tijd. De kernvraag is niet hoe oud een traditie is, maar of er sprake is van overdracht van generatie op generatie. Hierbij geldt dat het aan de erfgoedgemeenschappen zelf is om te bepalen wat hun immaterieel erfgoed is en hoe zij het beoefenen en overdragen. Dit bottom-up-principe is een fundamenteel uitgangspunt van het Unesco-verdrag. Ook de definitie van cultureel erfgoed in de Erfgoedwet kent geen leeftijdsgrens.</al>
            </al-groep>
            <al>Ondanks dat er geen exacte definitie is van de tijd dat een cultuuruiting moet bestaan voordat het als «immaterieel erfgoed» wordt beschouwd, wordt er in de praktijk vanuit gegaan dat deze minstens één generatie is overgedragen. Het Zomercarnaval in Rotterdam is begin jaren tachtig begonnen. Sindsdien hebben al meerdere generaties dansers, begeleiders of bestuursleden hun kennis en vaardigheden aan nieuwe groepen dansers of bestuursleden overdragen. Hier is duidelijk sprake van overdracht, zoals het Unesco-verdrag dit bedoelt.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 4:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Welke personen («beoefenaars») of organisaties hebben de voordracht gedaan voor de vijf kandidaten die de Raad voor Cultuur nu adviseert? Is de documentatie van deze nominaties publiek toegankelijk?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 4:</nadruk>
              </al>
              <al>Op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die wordt beheerd door het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), is zichtbaar welke organisaties het desbetreffende element hebben voorgedragen voor de Inventaris. Dit zijn ook de organisaties die hebben aangegeven genomineerd te willen worden voor de Representatieve Lijst. De informatie over de bijschrijvingen op de Inventaris is publiek toegankelijk via de website van KIEN.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 5:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat zijn de vereisten om in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland te worden opgenomen? Hoe vaak per jaar gebeurt dat? Hoeveel procent van de aanvragen om opgenomen te worden wordt afgewezen? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor afwijzing?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Wordt het parlement door u gevraagd om instemming voor toevoegingen in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland? Is (hiermee) geborgd dat deze erfgoederen expliciet op brede politieke en maatschappelijke instemming zijn gebaseerd? Als dit niet zo gebeurt: bent u bereid hiertoe een wetswijziging voor te stellen, zodat het parlement bepaalt wat het nationaal (immaterieel) erfgoed vindt?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 5:</nadruk>
              </al>
              <al>Om opgenomen te worden in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland moet een erfgoedgemeenschap zichzelf aanmelden bij KIEN, die de Inventaris beheert. Samen met de gemeenschap wordt bekeken (1) of het immaterieel erfgoed binnen de Inventaris past; (2) of het past bij een bestaande inschrijving op de Inventaris of dat het een voor de Inventaris nieuwe vorm van immaterieel erfgoed is; en (3) of er behoefte is aan ondersteuning bij het borgen van het immaterieel erfgoed. Borgen omvat het beoefenen, ontwikkelen en overdragen van immaterieel erfgoed door een erfgoedgemeenschap.</al>
            </al-groep>
            <al>Om op de Inventaris te passen moet een cultuuruiting binnen één van de vijf domeinen binnen de definitie van immaterieel erfgoed van het Unesco-verdrag vallen; mondelinge tradities, uitvoerende kunsten, sociale praktijken, rituelen en feestelijke gebeurtenissen, kennis en praktijken met betrekking tot de natuur en traditionele ambachten. Het immaterieel erfgoed moet op dit moment worden beoefend en doorgegeven. De praktijk moet aansluiten bij de ethische uitgangspunten van Unesco en mag niet indruisen tegen Nederlandse wetgeving. Daarnaast moet de aanmelding komen van een persoon of groep die het erfgoed zelf beoefent en in leven houdt.</al>
            <al>De coördinatie van het Unesco-verdrag staat in Nederland op afstand van de politiek, bij KIEN, uitgaande van een bottom-up-benadering. Het is aan de gemeenschappen zelf om zich aan te melden voor de Inventaris. Dit uitgangspunt is een fundamenteel kenmerk van het Unesco-verdrag en waarborgt dat het erfgoed wordt gedragen door de gemeenschappen die het beoefenen. Een wetswijziging waardoor het parlement zou bepalen wat «nationaal immaterieel erfgoed» is, druist in tegen het bottom-up-principe van het Unesco-verdrag en tegen het hierboven gememoreerde «Thorbecke principe».</al>
            <al>De bijschrijving op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland per jaar zijn onregelmatig, gegevens hierover zijn te vinden op de Erfgoedmonitor.<noot id="ID-1246907-d40e602" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al><extref doc="https://erfgoedmonitor.cultureelerfgoed.nl/mosaic/dashboard/immaterieel-erfgoed" soort="URL" status="actief">https://erfgoedmonitor.cultureelerfgoed.nl/mosaic/dashboard/immaterieel-erfgoed</extref></noot.al></noot> Gegevens over het afwijzen en de eventuele reden daarvoor worden niet bekend gemaakt.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 6:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Is één van de huidige Nederlandse (immateriële) UNESCO-erfgoederen aan seksuele geaardheid verbonden? Op basis van welk artikel uit de Grondwet, wet of jurisprudentie acht de Minister «positieve discriminatie» in dit verband toegestaan? Hoe wordt voorkomen dat de staat normatief partij kiest in maatschappelijke discussies?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 6:</nadruk>
              </al>
              <al>Er is geen sprake van positieve discriminatie bij zowel de Inventaris als het traject van de nominatie. De Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland staat open voor alle gemeenschappen die zich herkennen in de Unesco-definitie van immaterieel erfgoed. De procedure voor bijschrijving op de Inventaris en voor nominatie voor de Representatieve Lijst is voor alle erfgoedgemeenschappen gelijk.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 7:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Heeft het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) voor de selectie van de vijf kandidaten geen andere, inhoudelijke criteria gehanteerd dan «goed georganiseerd te zijn en actief te willen en kunnen bijdragen aan het samenstellen van een eventueel nominatiedossier»? Als er wel andere criteria zijn gehanteerd vernemen de leden van de BBB-fractie graag welke dat zijn.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 7:</nadruk>
              </al>
              <al>KIEN heeft in de uitvraag richting immaterieel erfgoedgemeenschappen op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland enkele aanvullende vragen gesteld. Deze vragen hadden als doel informatie op te halen over de aard van het immaterieel erfgoed en waren ter informatie voor het selectieproces van de Raad voor Cultuur. Er is ook uitgevraagd of de gemeenschap mogelijkheden ziet voor een multinationale voordracht. Er zaten daarnaast geen aanvullende criteria bij.</al>
            </al-groep>
            <al>KIEN heeft een faciliterende rol binnen het proces rond nominatie. Ten eerste heeft KIEN een online vragenlijst verspreid onder alle partijen op de Inventaris om te inventariseren welke erfgoedgemeenschappen geïnteresseerd waren in een internationale nominatie, en of de gemeenschap de mogelijkheid heeft capaciteit beschikbaar te stellen om bij te dragen aan het samenstellen van het nominatiedossier. Deze inventarisatie heeft KIEN doorgestuurd naar de Raad voor Cultuur.</al>
            <al>Ten tweede heeft KIEN met het bureau van de Raad voor Cultuur contact gehad om feitelijke en procedurele kennis te delen over het Unesco-verdrag en de werkwijze en criteria rond nominatie voor de Representatieve Lijst.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 8:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Raad voor Cultuur geeft aan dat hij heeft gekeken naar 32 erfgoedelementen, «groot en klein» Kunt u aangeven of de Raad voor Cultuur een minimumaantal beoefenaars heeft gehanteerd om in de procedure te worden meegenomen? Moesten die ook een minimale geografische spreiding hebben? Als dit niet het geval is, kunt u de Raad voor Cultuur vragen dit in het vervolg wel te doen</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Is de schaal waarop een immaterieel erfgoed wordt beoefend niet een logisch criterium om namens heel Nederland aan UNESCO te mogen worden voorgedragen, zo vragen de leden van de BBB-fractie. Nationale voordracht zonder brede maatschappelijke basis kan de legitimiteit van UNESCO-inschrijvingen ondermijnen. Hoe voorkomt u in uw internationaal cultuurbeleid dat niche-activiteiten een disproportionele nationale status krijgen? In welke besluitvormingsprocessen is dit nu wel en in welke is het niet als criterium opgenomen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Raad voor Cultuur als tiende criterium heeft geselecteerd de inschatting dat een voordracht zou resulteren in «empowerment van een bepaalde groep» en «nationaal zichtbaar» worden? Zou de Raad voor Cultuur zich niet moeten beperken tot het bepalen of iets erfgoed is, en dan wel nationaal erfgoed dat al heel lang, heel vaak en op heel veel plaatsen in ons land zichtbaar is? Gaat de Raad voor Cultuur met zijn criterium ook niet buiten het beoordelingscriterium van het UNESCO-verdrag dat slechts sprake hoeft te zijn van «ensuring visibility» en «reflecting cultural diversity»?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ook lijkt de Raad voor Cultuur te schrijven dat in het UNESCO-verdrag staat dat ook in lidstaten door weinig mensen beoefende immateriële erfgoederen als werelderfgoed kunnen worden ingeschreven, zo menen de leden van de BBB-fractie. Hoe kunnen deze volgens u heel Nederland vertegenwoordigen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 8:</nadruk>
              </al>
              <al>Het Unesco-verdrag richt zich op «gemeenschappen, groepen en individuen». Een voorbeeld van een individu is dat een historisch ambacht door nog maar één ambachtsman wordt uitgevoerd. Schaal en omvang zijn vanuit dit Unesco-verdrag geen criteria om als «immaterieel erfgoed» te worden gezien of voor bijschrijving op de Representatieve Lijst.</al>
            </al-groep>
            <al>De aanname dat een bijschrijving op de Representatieve Lijst de gehele bevolking van een verdragspartij zou moeten vertegenwoordigen, strookt niet met het doel en het gedachtengoed van deze lijst en het verdrag. De Representatieve Lijst is geen lijst met uitingsvormen van nationale identiteiten, maar een internationaal instrument om de diversiteit van immaterieel erfgoed en menselijke creativiteit wereldwijd te tonen en borging van deze vormen van immaterieel erfgoed te ondersteunen.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 9:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de «commissie met deskundigen» die binnen de Raad voor Cultuur het advies heeft opgesteld, lijken weinig of geen historici te zitten, en bijvoorbeeld ook weinig of geen medewerkers van cultuurafdelingen van gemeenten, die wellicht een beter beeld op amateurkunsten en volkscultuur hebben, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Houdt u toezicht op de samenstelling van werkgroepen van de Raad voor Cultuur? Hoe voorkomt u belangenverstrengeling en zogenaamde «netwerkcorruptie»?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 9:</nadruk>
              </al>
              <al>De Raad is een onafhankelijk adviesorgaan en de samenstelling van de commissies is een verantwoordelijkheid van de Raad zelf. Ik heb het volste vertrouwen in de zuivere taakopvatting en een onafhankelijke uitvoering van adviesaanvragen door de Raad voor Cultuur en ik houd hierop geen toezicht.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 10:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Raad voor Cultuur heeft in zijn brief aan u samengevat weergegeven met welke criteria de Raad heeft gewerkt. De leden van de BBB-fractie hebben hierover enkele vragen.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de eerste plaats vragen zij welke elementen uit de Sustainable Development Goals de Raad voor Cultuur precies heeft meegenomen onder het (deel)criterium «diversiteit». In hoeverre passen deze volgens u binnen de Nederlandse Grondwet, met name het verbod op discriminatie? Eenzelfde vraag stellen de leden van de BBB met betrekking tot het door de Raad voor Cultuur gehanteerde criterium bevorderen van natuur. Hoe is dit door de Raad voor Cultuur geoperationaliseerd? Hoe zijn erfgoedelementen precies beoordeeld of zij de natuur wel bevorderen?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Raad voor Cultuur schrijft verder dat het ministerie heeft aangegeven dat erfgoedelementen die «verbinden» extra «gewaardeerd» moeten worden. Waarom heeft u het tegenovergestelde niet ook als criterium aan de Raad voor Cultuur opgegeven, te weten dat erfgoedelementen geen mensen en groepen mogen uitsluiten, of dat dergelijke discriminatie «minder gewaardeerd» moet worden?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Waarom heeft de Raad voor Cultuur, al dan niet op verzoek van u, als criterium meegenomen of en in hoeverre «voortleven en doorontwikkeling» van een erfgoedelement zonder steun en subsidie van overheden waarschijnlijk is? Zouden erfgoedelementen die al lang zonder (veel) subsidie(s) bestaan en niet meer moeten worden gewaardeerd, meer als uiting van duurzaam erfgoed van de bevolking moeten worden gezien? Zou u er bij de Raad voor Cultuur op willen aandringen dit in het vervolg als criterium op te nemen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 10:</nadruk>
              </al>
              <al>De Sustainable Development Goals (SDG’s) zijn door de VN-lidstaten aangenomen, niet strijdig met de Grondwet en vormen binnen het Unesco-verdrag een inhoudelijk uitgangspunt. De erfgoedgemeenschap die naar aanleiding van het besluit van de Minister dit jaar een nominatiedossier gaat maken voor bijschrijving op de Representatieve Lijst zal in dit dossier vragen moeten beantwoorden over de koppeling van het desbetreffende immaterieel erfgoed met de SDG’s. Zodoende vormen de SDG’s een relevant criterium binnen het advies van de Raad.</al>
            </al-groep>
            <al>Naast deze algemene observatie, heb ik geen inzicht in de interne gesprekken van de commissie en de totstandkoming van het advies. De rolverdeling tussen de Raad voor Cultuur en het Ministerie van OCW is hierin duidelijk: de advisering van de Raad is bewust op afstand georganiseerd. Het staat de Raad voor Cultuur vrij om voortbouwend op het Unesco-verdrag tot een eigenstandig selectie- en beoordelingskader te komen.</al>
            <al>De bescherming tegen discriminatie is geen ontbrekend criterium, maar is via Artikel 2 van het Unesco-verdrag onlosmakelijk onderdeel van de Representatieve Lijst. Hierin staat dat enkel immaterieel erfgoed «in aanmerking wordt genomen dat verenigbaar is met bestaande internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten en met de vereisten van wederzijds respect tussen gemeenschappen, groepen en individuen.» Erfgoedelementen die discrimineren of uitsluiten komen daarmee niet in aanmerking voor bijschrijving op de Representatieve lijst.</al>
            <al>De mate waarin een erfgoedelement al dan niet subsidie van de overheid ontvangt, is geen criterium voor bijschrijving op de Representatieve Lijst. Het criterium «voortleven en doorontwikkeling» van de Raad is gericht op de vraag of de erfgoedgemeenschap maatregelen neemt om hun immaterieel erfgoed te borgen, hetgeen goed aansluit op het Unesco-verdrag.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 11:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Welke bevoegdheden voor (immaterieel) erfgoed liggen nu expliciet bij gemeente, provincie, Rijk en UNESCO? Zijn er voorbeelden waar deze lagen conflicteren? Is volgens u voor (immaterieel) erfgoed het subsidiariteitsbeginsel nu goed en volledig voor deze vier «bestuurslagen» toegepast? En is goed belegd dat binnen elke «laag» de eigen «volksvertegenwoordiging» bepaalt wat zij als haar erfgoed ziet? Bent u bereid zich in te spannen voor het beter vastleggen van deze subsidiariteits- en democratische uitgangspunten in zowel het UNESCO-verdrag als de Nederlandse Erfgoedwet?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 11:</nadruk>
              </al>
              <al>In de <nadruk type="cur">Bestuurlijke afspraken cultuurbeoefening 2025–2028</nadruk>, gesloten tussen OCW, IPO en VNG, wordt ingegaan op de rollen en verantwoordelijkheden van de drie overheden. Deze indeling sluit aan op het <nadruk type="cur">Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur</nadruk>. OCW zet zich in voor ondersteuning van de landelijke culturele infrastructuur voor cultuurbeoefening en landelijke kennisdeling op het gebied van cultuurbeoefening. IPO en de provincies zetten zich in voor het verbinden van partijen en het faciliteren van kennisdeling op provinciaal niveau, op het terrein van cultuurbeoefening en erfgoedgemeenschappen. VNG en de gemeenten zetten zich in voor lokale instellingen, verenigingen en initiatieven op het terrein van cultuurbeoefening. Unesco heeft als internationale organisatie geen specifieke bevoegdheden in Nederland. Het verdrag richt zich op borging en niet op wettelijke bescherming.</al>
            </al-groep>
            <al>Immaterieel erfgoed is van iedereen, maar bovenal van de immaterieel erfgoedgemeenschappen die hun tradities beoefenen. Formeel hebben volksvertegenwoordigers geen rol in het bepalen wat immaterieel erfgoed is. Vanuit hun specifieke bevoegdheid en rol kunnen zij bijdragen aan het ondersteunen van immaterieel erfgoed, bijvoorbeeld via gemeentelijke subsidies of het opnemen van immaterieel erfgoed in omgevingsvisies. Het vastleggen van bepalingen over parlementaire betrokkenheid bij de vaststelling van immaterieel erfgoed is in strijd met de bottom-up benadering van het verdrag en het «Thorbecke principe».</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 12:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u volgens het UNESCO-verdrag een eerder door Nederland aangedragen en inmiddels door UNESCO ingeschreven erfgoedelement terugtrekken dan wel laten uitschrijven? Als dit het geval is kunt u dan aangeven in welk artikel van het verdrag of de Nederlandse Erfgoedwet dit staat? Als dit er niet staat, bent u dan bereid zich ervoor in te spannen dat deze mogelijkheid in zowel het verdrag als de wet wordt opgenomen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 12:</nadruk>
              </al>
              <al>Op grond van paragraaf 40 van de Operational Directives van het Unesco-verdrag kan een element worden verwijderd van de Representatieve Lijst wanneer het Intergouvernementeel Comité vaststelt dat het element niet langer voldoet aan een of meer criteria voor bijschrijving. Een verdragsstaat kan een verzoek hiervoor indienen. Ik zie geen reden om gebruik te maken van deze mogelijkheid voor de elementen die namens het Koninkrijk der Nederlanden zijn bijgeschreven op de Representatieve Lijst.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 13:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat is het totale budget voor immaterieel erfgoedbeleid (meerjarig)? Hoeveel gaat naar overhead versus directe ondersteuning van beoefenaars?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Financiert u het KIEN? Met welke voorwaarden wordt het financieel ondersteund? (Hoe) houdt u toezicht op de activiteiten van het centrum? Welke verdere relatie(s) heeft u met het KIEN? Hoe wordt onafhankelijkheid van KIEN geborgd bij financiering door de overheid? Zijn er evaluaties of audits uitgevoerd op KIEN? Zo ja, waar zijn deze terug te vinden?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 13:</nadruk>
              </al>
              <al>Het budget voor immaterieel erfgoedbeleid valt uiteen in een aantal onderdelen. Via de meerjarenregelingen van het Fonds voor Cultuurparticipatie is ca. 3,6 miljoen euro beschikbaar voor een periode van vier jaar. Daarnaast is ca. 1 miljoen euro beschikbaar binnen de Projectregeling Gemeenschappen. Voor verschillende activiteiten is jaarlijks ca. 0,4 miljoen euro beschikbaar op het reguliere budget van OCW. Het overgrote deel van deze middelen komt direct ten goede aan de ondersteuning van erfgoedgemeenschappen en de uitvoering van het verdrag.</al>
            </al-groep>
            <al>Ik financier KIEN via de Erfgoedwet-subsidie aan het Nederlands Openluchtmuseum (NOM), in de vorm van een geoormerkte subsidie voor de uitvoering van de taken van KIEN. KIEN is sinds 2017 onderdeel van het NOM als eigenstandige stichting. De voorwaarden voor de financiering zijn vastgelegd in de Erfgoedwet-subsidie van het NOM en verbonden aan de beschrijving van de taken van KIEN in bijlage 1 van de <nadruk type="cur">Kamerbrief «immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen»</nadruk>. KIEN brengt een zelfstandig activiteitenplan uit en een werkplan per jaar. Dit wordt als bijlage aan het beleids- en activiteitenplan van het NOM toegevoegd. KIEN werkt daarnaast met een eigen jaarlijks werkplan met eigen begroting. De jaarverantwoording van KIEN is opgenomen in het jaarverslag van het NOM, die op de website van het NOM beschikbaar is.</al>
            <al>De onafhankelijkheid van KIEN wordt geborgd doordat KIEN een zelfstandig beleidsplan en werkplan heeft, een eigen directeur en een Raad van Advies met externe deskundigen. KIEN onderschrijft statutair de Governance Code Cultuur, de Fair Practice Code en de Code Diversiteit &amp; Inclusie. In 2023 is een <nadruk type="cur">Visitatierapport rijksmusea</nadruk> opgesteld over het NOM, waar activiteiten van KIEN gekoppeld aan NOM in zijn meegenomen. Daarnaast is in 2023 het onderzoek <nadruk type="cur">Levend erfgoed</nadruk> uitgevoerd ten behoeve van de <nadruk type="cur">Kamerbrief «immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen» </nadruk>waarin ook het functioneren van KIEN is geëvalueerd.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 14:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Is er een kosten-batenanalyse van de huidige Nederlandse (immateriële) erfgoederen die zijn geregistreerd of geaccepteerd als UNESCO-werelderfgoed? Zo ja, waar is deze gepubliceerd? Als dit niet het geval is, bent u dan bereid deze te maken?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 14:</nadruk>
              </al>
              <al>Bij de ratificatie van het Unesco-verdrag ter bescherming van immaterieel erfgoed heeft de afweging plaatsgevonden of dit verdrag een meerwaarde zou betekenen voor Nederland en de Nederlandse erfgoedzorg. Die afweging is toen als positief beoordeeld. In de toelichtende nota bij het Verdrag is aangegeven dat Nederland met de implementatie van het Verdrag de bewustwording, zichtbaarheid, kennis en daarmee het behoud van immaterieel erfgoed (en nieuwe vormen ervan) wil versterken.</al>
            </al-groep>
            <al>Bij nominaties van individuele specifieke immateriële erfgoederen vindt een afweging op inhoudelijke gronden plaats, waarbij de Raad voor Cultuur toetst aan de doelstellingen van het Verdrag. Er worden geen kosten-batenanalyses uitgevoerd van het immaterieel erfgoed dat vanuit het Koninkrijk der Nederlanden wordt bijgeschreven op de Representatieve Lijst. Immaterieel erfgoed raakt aan culturele, maatschappelijke en sociale waarden en aan sociale cohesie, leefbaarheid en gemeenschapszin. Dit zijn waarden die lastig in een traditionele kosten-batenanalyse te zetten zijn. Dit is in mijn ogen ook juist, omdat het ongewenst is dat we alleen erfgoed behouden dat geld in het laatje brengt. Ik ben dan ook niet voornemens een dergelijke analyse te laten uitvoeren.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 15:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoeveel subsidies en andere financiële steun, al dan niet via het Gemeentefonds en Provinciefonds, verstrekt u jaarlijks voor erfgoedactiviteiten aan gemeenten respectievelijk provincies? Is dit per inwoner voor alle provincies respectievelijk voor alle gemeenten gelijk? Zo niet: hoeveel wijkt het af en waarom wordt dit niet gelijk verdeeld?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 15:</nadruk>
              </al>
              <al>Er gaat geen specifieke geldstroom van Rijk naar gemeenten of provincies voor activiteiten verbonden aan immaterieel erfgoed. Waardoor dit ook niet verschilt per gemeente of provincie.</al>
            </al-groep>
            <al>Gemeenten en provincies ontvangen via een verdeelsleutel respectievelijk via het Gemeentefonds en Provincies middelen voor cultuur en erfgoed die zij naar eigen inzicht kunnen uitgeven. Waarbij gemeenten en provincies de beleids- en bestedingsvrijheid hebben ten aanzien van de middelen die ze uit de fondsen ontvangen. Gemeenten geven in totaal bijna € 2,3 miljard en provincies ruim € 350 miljoen uit aan cultuur, waaronder aan erfgoed en erfgoedactiviteiten.<noot id="ID-1246907-d40e815" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Detaillering cultuurlasten gemeenten en provincies, 2023 <extref doc="https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2024/detaillering-cultuurlasten-gemeenten-en-provincies-2023?onepage=true" soort="URL" status="actief">https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2024/detaillering-cultuurlasten-gemeenten-en-provincies-2023?onepage=true</extref></noot.al></noot></al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 16:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn er nu 63.000 Rijksmonumenten. Vindt u deze allemaal van nationaal belang? Volgens de Erfgoedwet mogen provincies monumenten als provinciaal erfgoed aanwijzen. Heeft u de indruk dat alle provincies dat redelijkerwijze voor alle monumenten, die noch van nationaal, noch van lokaal, gemeentelijk belang zijn, hebben gedaan?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 16:</nadruk>
              </al>
              <al>Alle rijksmonumenten zijn als zodanig aangewezen omdat zij van nationale betekenis zijn. Er wordt door provincies slechts beperkt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om provinciale monumenten aan te wijzen. Alleen de provincies Drenthe en Noord-Holland doen dit. In totaal zijn er 829 provinciale monumenten geregistreerd (bron: erfgoedmonitor). Het is niet mijn indruk dat er door deze verschillen erfgoed tussen wal en schip valt.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 17:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Bent u bereid verder onderzoek te laten doen of administratieve lasten en regelgevingsdruk voor eigenaren of beoefenaren van diverse soorten erfgoed kunnen worden gereduceerd?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De vorige regering heeft ingevoerde stichtingen en verenigingen nooit voor meer dan de helft van de begroting willen subsidiëren. Dit maakte hun positie al gelijker aan menige organisatie voor amateurkunst en volkscultuur. Bent u bereid dit, met een enkele gemotiveerde uitzondering, in uw verantwoordelijkheidsdomein terug te brengen naar een derde, en wel als maximum voor de financiële steun van alle overheden samen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 17:</nadruk>
              </al>
              <al>Ik herken het signaal dat erfgoedgemeenschappen administratieve lasten en regeldruk als belastend ervaren. Het kabinet zet in op meerdere sporen om tradities te behouden die onder druk staan door regeldruk en kosten. Het Coalitieakkoord benoemt expliciet de aandacht voor het verenigingsleven. Het is het kabinetsvoornemen om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken.</al>
            </al-groep>
            <al>In het kader van de Motie Oostenbrink (BBB) zijn de knelpunten bij gemeentelijke vergunningstrajecten voor streekevenementen in kaart gebracht. In samenwerking met de VNG zijn werksessies georganiseerd om gemeenten en vrijwilligersorganisaties knelpunten bij vergunningverlening gezamenlijk te laten aanpakken.</al>
            <al>In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 werken OCW, IPO en VNG samen om regelgeving voor vrijwilligersorganisaties – met behoud van veiligheid – laagdrempeliger te maken.</al>
            <al>Wat betreft monumentenfinanciering streven we ernaar om de aanvraagvereisten zo eenvoudig mogelijk te maken.</al>
            <al>Voor het invoeren van een generiek maximumpercentage voor subsidieverlening aan stichtingen en verenigingen in het erfgoeddomein is de financieringssituatie van organisaties in het erfgoedveld te divers.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 18:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Van welke andere verdragen inzake erfgoed dan genoemd UNESCO-verdrag is Nederland partij? Met welke regelmaat worden deze geëvalueerd op het dienen van het Nederlands cultureel belang? Welke evaluaties zijn de afgelopen jaren naar het parlement gestuurd? Hebben evaluaties tot aanpassingen geleid?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 18:</nadruk>
              </al>
              <al>De informatie over de verdragen waarvan Nederland partij is, is te vinden op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.<noot id="ID-1246907-d40e880" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/i/internationaal/verdragen" soort="URL" status="actief">https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/i/internationaal/verdragen</extref></noot.al></noot> Nederland is partij bij de volgende drie andere UNESCO erfgoedverdragen: UNESCO-verdrag 1954, Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict en het bijbehorende (Eerste) Protocol (1954) en het Tweede Protocol (1999); UNESCO-verdrag 1970, Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen; en het UNESCO-verdrag 1972, Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Werelderfgoedverdrag).</al>
            </al-groep>
            <al>Verder is Nederland partij bij de volgende erfgoedverdragen van de Raad van Europa: Verdrag van Granada (1985) Verdrag voor de bescherming van het architectonisch erfgoed in Europa; het Verdrag van Malta of Verdrag van Valletta (1992) voor het behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed en het verdrag van Florence (2000) het Raad van Europa landschapsverdrag. Het Faro Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (2005) is in 2024 ondertekend en zal naar verwachting dit jaar ter aanvaarding aan het parlement worden voorgelegd.</al>
            <al>Voor de UNESCO verdragen geldt een rapportageplicht, voor de meeste is dat één keer per vier jaar. Deze «monitoringsrapporten» zijn beschikbaar via de website van UNESCO. Deze rapporten dienen om internationaal van elkaar te leren en om nationaal de stand van implementatie van de verdragen op regelmatige wijze te toetsen. Deze rapportages zijn openbaar, maar worden niet aan het parlement gestuurd.</al>
            <al>De verdragen zijn in nationale wetgeving geïmplementeerd zoals de Erfgoedwet en de Omgevingswet, of in beleid bij Rijk, provincie en gemeenten. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed houdt toezicht op de Erfgoedwet. Jaarlijks ontvangt de Tweede Kamer een jaarverslag over het toezicht op de naleving van deze wet in Nederland. Ook publiceert de RCE de Erfgoedmonitor met feiten en cijfers over het Erfgoed in Nederland.</al>
            <al>Bevindingen over de implementatie van internationale verdragen kan leiden tot aanpassingen in het beleid. Ook kan het leiden tot aanpassingen in de wetgeving. Zo leidt de evaluatie van de Erfgoedwet tot voorstellen voor aanpassing die ook relatie kunnen hebben met betere implementatie van een internationaal verdrag.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 19:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoe wordt belangenverstrengeling tussen KIEN en de Raad voor Cultuur enerzijds, en de personen en organisaties die immaterieel erfgoed beoefenen of vertegenwoordigen anderzijds, concreet gemonitord, beoordeeld en gesanctioneerd?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 19:</nadruk>
              </al>
              <al>De Raad voor Cultuur is een onafhankelijk adviesorgaan met eigen procedures voor het voorkomen van belangenverstrengeling. De Raad hanteert een gedragscode en leden van commissies worden geselecteerd op basis van hun expertise, waarbij het hebben van geen direct persoonlijk belang een belangrijk criterium is. KIEN heeft bij het nominatieproces uitsluitend een faciliterende rol, zoals eerder is verduidelijkt.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Vragen – 20:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat is volgens u het primaire doel van deelname aan het UNESCO-verdrag: bescherming van erfgoed, internationale profilering of binnenlandse maatschappelijke beleidsdoelen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Antwoorden – 20:</nadruk>
              </al>
              <al>Het primaire doel van het Unesco-verdrag is het borgen – levend houden – van immaterieel erfgoed. Het verdrag heeft als doelen het borgen van immaterieel erfgoed te ondersteunen, respect voor immaterieel erfgoed te bevorderen, bewustzijn over het belang ervan te vergroten en internationale samenwerking te stimuleren. Erfgoedgemeenschappen die hun erfgoed beoefenen, spelen hierbij een centrale rol. Bijschrijving op de internationale lijst is geen doel op zich, maar een middel ten behoeve van het borgen van immaterieel erfgoed.</al>
            </al-groep>
            <al>In mijn beleid staat het scheppen van randvoorwaarden voor de uitvoering van het Unesco-verdrag en het stimuleren van een toekomstbestendig immaterieel erfgoedveld centraal. Zoals uiteengezet in de <nadruk type="cur">Kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen»</nadruk> is het hoofddoel van mijn immaterieel erfgoedbeleid dat gemeenschappen uit alle lagen van de samenleving in staat worden gesteld om hun erfgoed te beoefenen, ontwikkelen en door te geven aan volgende generaties.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>