Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132815 nr. 8

32 815 Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 5 september 2011

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het in artikel I, onderdeel L, voorgestelde artikel 13, tweede lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel

2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

2

Artikel I, onderdeel Z, komt te luiden:

Z

Artikel 32, derde en vierde lid, komt te luiden:

3. Indien een of meer gezinsleden geen recht op algemene bijstand hebben, wordt zijn of hun inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de meerderjarige gezinsleden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn of hun inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor het gezin. Voor de vaststelling van het inkomen van het niet-rechthebbende gezinslid of de niet-rechthebbende gezinsleden is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

4. In afwijking van het derde lid wordt, indien het een gezin betreft waarbij gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat.

3

Artikel I, onderdeel AM, komt te luiden:

AM

Artikel 47b wordt als volgt gewijzigd:

1. «9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b,» wordt vervangen door: 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c,.

2. Na «40, tweede tot en met zesde lid,» wordt ingevoegd: 41, vierde en vijfde lid,.

3. «43, eerste en derde lid,» wordt vervangen door: 43, eerste, derde, vierde en vijfde lid,.

4. Na «66,» wordt ingevoegd: 78s, derde en vierde lid, 78t, tweede lid,.

4

Artikel I, onderdeel B, zoals dat is opgenomen na artikel I, onderdeel AZ, wordt verletterd tot onderdeel BA.

5

In het in artikel I, onderdeel BA (nieuw), voorgestelde artikel 78s, eerste lid, onderdeel b, wordt «artikelen 21, onderdeel c» vervangen door: artikelen 21, tweede lid, onderdeel c.

6

Artikel III, onderdeel B, vervalt.

7

Artikel III, onderdeel C, komt te luiden:

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand» vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

5. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 187,28 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:

a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,

b. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken, en

c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

6. Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het vijfde lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

8

Artikel IV, onderdeel B, vervalt.

9

Artikel IV, onderdeel C, komt te luiden:

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het achtste lid wordt «artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand» vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

9. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 187,28 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:

a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,

b. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, en

c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

10. Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het negende lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

10

Artikel IX komt te luiden:

ARTIKEL IX. WIJZIGING VAN DE TIJDELIJKE WET PILOT LOONDISPENSATIE

De Tijdelijke wet pilot loondispensatie wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel c, vervalt «, dan wel een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren».

B

In artikel 8, derde lid, wordt «de wet krachtens welke betrokkene onmiddellijk voor aanvang van zijn dienstbetrekking een uitkering, dan wel een inkomensvoorziening ontving» vervangen door: de Wet werk en bijstand.

Toelichting

Onderdeel 1

In het wetsvoorstel is geregeld dat geen recht op algemene bijstand heeft de jongere die ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering. Uit het algemeen deel van de memorie van toelichting op het wetsvoorstel blijkt dat de regering ook wil voorstellen dat jongeren van het recht op algemene bijstand worden uitgesloten, die ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen in verband waarmee zij geen aanspraak hebben op studiefinanciering (zoals voortgezet onderwijs), maar dit nalaten. Dit wordt nu door middel van deze nota van wijziging in artikel 13, tweede lid, onderdeel c, onder 2, geregeld. Hiermee wordt dit onderdeel in lijn gebracht met de bedoeling zoals verwoord in het algemeen deel van de memorie van toelichting op het wetsvoorstel.

Onderdeel 3

In artikel 47b is geregeld dat indien de Sociale verzekeringsbank (SVB) op grond van artikel 47a, eerste lid, algemene bijstand verleent, voor de toepassing van een aantal artikelen in plaats van «het college» gelezen wordt «de Sociale verzekeringsbank». In onderdeel AM van artikel I is een aantal artikelen aan die opsomming toegevoegd. In onderdeel 7 wordt nu geregeld dat er een uitzondering komt te gelden voor artikel 9, eerste lid, onderdeel c. Dit om te bereiken dat ingeval er algemene bijstand door de SVB wordt verstrekt het college bevoegd is om een belanghebbende op te dragen om naar vermogen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Concreet zal het dan gaan om een echtgenoot – jonger dan 65 jaar (of daarmee gelijkgestelde) – van een persoon van 65 jaar of ouder aan wie de SVB algemene bijstand verstrekt.

Onderdeel 4

Abusievelijk was het onderdeel van artikel I dat volgt op onderdeel AZ geletterd B. Dit moet BA zijn. Deze fout wordt bij deze hersteld.

Onderdelen 6 en 8

De onderdelen B van de artikelen III en IV vervallen. In die onderdelen werd aan artikel 6, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 6, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) een onderdeel toegevoegd waarin werd bepaald dat personen van het recht op uitkering zijn uitgesloten voor zover uit hun houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat zij de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling niet willen nakomen. Beoogd werd hiermee hetzelfde te regelen als in artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de WWB wordt geregeld. De wijziging van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, richt zich echter op mensen jonger dan 27 jaar en vloeit voort uit de overwegingen van de regering om de voorwaarden en sancties voor jongeren aan te scherpen. De IOAW en IOAZ richten zich vooral op een groep mensen ouder dan 27 jaar. De uitsluitingsgronden zoals opgenomen in onderdeel B van de artikelen III en IV worden om die reden bij nader inzien niet juist geacht.

Onderdelen 7 en 9

De wijziging van de artikelen 8, vierde lid, van de IOAW en 8, achtste lid, van de IOAZ is technisch van aard. Momenteel wordt er in de artikelen 8, vierde lid, van de IOAW en 8, achtste lid van de IOAZ per abuis nog verwezen naar artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de WWB, in plaats van artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de WWB.

In de voorgestelde artikelen 8, vijfde lid, van de IOAW en 8, negende lid, van de IOAZ was een verkeerd bedrag, namelijk een netto bedrag, opgenomen. In deze nota van wijziging wordt het bedrag gecorrigeerd en omgerekend tot een bruto bedrag van € 187, 28.

Tevens wordt er een lid toegevoegd aan de artikelen 8 van de IOAW en 8 van de IOAZ. In dat lid wordt geregeld dat het bedrag in artikel 8, vijfde lid, van de IOAW en 8, negende lid, van de IOAZ wordt herzien op het moment dat de ontwikkeling van artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de WWB, daar aanleiding toe geeft. Voor het herzien van het bedrag, bedoeld in de artikelen 8, vijfde lid, van de IOAW en 8, negende lid, van de IOAZ, wordt aangesloten bij de ontwikkeling van de vrijlating, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de WWB, omdat daarin eenzelfde vrijlating van inkomen is geregeld. Het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de WWB wordt op grond van artikel 38, tweede lid, van de WWB herzien met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt.

Onderdeel 10

In het wetsvoorstel wordt in artikel IX alleen artikel 1 van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie (Tijdelijke wet) gewijzigd. Hier wordt nu een wijziging van artikel 8 van de Tijdelijke wet aan toegevoegd. In het derde lid van artikel 8 is bepaald dat voor de toepassing van andere wetten een aanvullende uitkering op grond van de Tijdelijke wet wordt aangemerkt als een uitkering op grond van de wet krachtens welke de persoon die die aanvullende uitkering ontvangt voor zijn dienstbetrekking een uitkering ontving. Dit kunnen twee wetten zijn, namelijk de WWB en de Wet investeren in jongeren (WIJ). De WIJ wordt echter met dit wetsvoorstel ingetrokken. Dat zou tot gevolg hebben dat de uitkering op grond van de Tijdelijke wet van iemand die voor zijn dienstbetrekking een uitkering op grond van de WIJ had, ook na intrekking van de WIJ wordt gezien als uitkering op grond van de WIJ. Dit is niet de bedoeling. Vandaar dat nu in artikel 8, derde lid, wordt bepaald dat een uitkering op grond van de Tijdelijke wet wordt gezien als uitkering op grond van de WWB.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom