Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132815 nr. 7

32 815 Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 5 september 2011

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen die de fracties hebben gesteld. In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties. Om vragen zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden is daarbij op een aantal plaatsen afgeweken van de volgorde van het verslag.

1. Inleiding

De regering heeft kennis genomen van de opvattingen van de leden van de diverse fracties over het wetsvoorstel.

De regering beoogt met dit wetsvoorstel een aantal maatregelen te treffen die de tijdelijke vangnetfunctie van de WWB nog meer voorop stelt en de verplichtingen waaraan uitkeringsgerechtigden moeten voldoen aanscherpen. Deze regering stelt eigen verantwoordelijkheid voorop: de bijstand moet niet alleen het vangnet zijn, maar ook een springplank naar werk voor iedereen die kan werken.

2. Aanscherping voorwaarden en sanctie voor jongeren

De leden van de VVD-fractie willen weten of de regering de opvatting deelt dat wanneer jongeren aan het begin van hun werkzame leven in de bijstand terechtkomen, dit belemmerend zou kunnen werken om werk te verkrijgen. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven waaruit blijkt dat het jongeren sinds de inwerkingtreding van de WIJ ontbrak aan eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten op welke wijze de huidige systematiek van de WIJ teveel de verantwoordelijkheid ondermijnt om zelf werk te zoeken of een opleiding te volgen. De leden van de fractie van de SP vragen of de regering kan uiteen zetten hoeveel jongeren niets doen en achterover leunen. De leden van de SP-fractie vragen of de regering van mening is dat jongeren, die een beroep doen op de WIJ of Wajong, achterover leunen en niets doen.

De regering onderschrijft de opvatting van de leden van de VVD-fractie. Jongeren horen niet in de bijstand. Jongeren zijn zelf verantwoordelijk voor leren en werken. Zij moeten zelf de mogelijkheden die het onderwijs hen biedt benutten. Als het onderwijs geen mogelijkheden meer biedt, moeten ze bereid zijn iedere baan te accepteren. Een baan biedt altijd betere kansen dan een uitkering. Zo creëren ze een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt en ligt vanaf de aanvang van hun loopbaan hun toekomst in eigen hand.

De Wet investeren in jongeren (WIJ) was een eerste stap om de eigen verantwoordelijkheid van jongeren te benadrukken om zelf een opleiding of een baan te zoeken. Met de WIJ is het accent voor jongeren verlegd naar werken of leren, met als afgeleide de inkomensvoorziening. De regering onderschrijft het uitgangspunt van de WIJ, maar wil nadrukkelijk een stap verder gaan. De regering is van mening dat de huidige systematiek ruimte laat voor een afwachtende en vrijblijvende houding van jongeren. De WIJ biedt jongeren te veel ruimte om te kijken met welk aanbod de gemeente komt. Los van de vraag of het jongeren – met of zonder uitkering – in praktijk ontbreekt aan eigen verantwoordelijkheid, acht de regering dat principieel onjuist. De regering verankert de eigen verantwoordelijkheid van jongeren voor leren en werken daarom in de wet.

De jongere, die zich meldt bij het loket van UWV, moet eerst zelf vier weken zoeken naar een baan of naar de mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs. Heeft deze jongere aantoonbaar voldoende inspanningen verricht en desondanks geen baan of onderwijs verkregen, dan kan de jongere een aanvraag doen voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

De leden van verschillende fracties hebben vragen gesteld over de inspanningen die jongeren eerst 4 weken zelf moeten leveren. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan aangeven wat moet worden verstaan onder «aantoonbare inspanningen» die jongeren moeten verrichten alvorens in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering en ondersteuning en wat de regering verstaat onder consequenties. De leden van de fracties van VVD, PvdA, PVV, SP en ChristenUnie vragen de regering om aan te geven welke bewijsstukken door jongeren moeten worden overgelegd om te bewijzen dat hij of zij voldoende inspanningen heeft gepleegd om werk of scholing te vinden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WWB. De leden van de VVD-fractie vragen voorts wanneer er in de visie van de regering sprake is van voldoende aantoonbare inspanningen om werk te vinden. Kan dit betekenen dat van betrokkene wordt verlangd dat hij of zij zich bij alle uitzendbureaus laat inschrijven. En in hoeverre kan van betrokkene worden verlangd dat hij of zij zijn zoekgebied dient uit te breiden binnen heel Nederland of zelfs daarbuiten. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten wat wordt bedoeld met «aantoonbare inspanning». Zij vragen daarbij hoeveel aantoonbare inspanning in de visie van de regering wordt verwacht. De leden van de PvdA-fractie vragen verder hoe «aantoonbare inspanning» praktisch vertaald is naar inspanning tot het vinden van werk en inspanning tot het vinden van een opleiding. Voorts vragen deze leden of daarbij nog onderscheid wordt gemaakt tussen werk of opleiding, die passend is, en zo ja wie dat bepaalt. Ook vragen deze leden of in de visie van de regering elk werk of iedere opleiding passend is. Ook vragen zij op welke manier de jongere wordt geïnformeerd over de verplichting om in de vier weken voorafgaand aan het indienen van een aanvraag voor bijstand en ondersteuning zelf naar werk te zoeken dan wel zijn mogelijkheden te onderzoeken binnen het ’s Rijks kas bekostigde onderwijs. Kan het zo zijn vragen deze leden, of een jongere geen aanspraak kan maken op een uitkering omdat hij of zij een negatief bindend studieadvies heeft gekregen?

De leden van de PVV-fractie vragen wat wordt verstaan onder het plegen van «aantoonbare inspanningen» voor jongeren, die op zoek zijn naar werk. Zij vragen hoe dit toetsbaar wordt gemaakt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering ook om nader toe te lichten wat precies wordt bedoeld met «aantoonbare inspanningen om zelf werk te vinden». Deze leden vragen daarbij wanneer er in de visie van de regering voldoende inspanningen zijn gepleegd om aan te tonen dat er in voldoende mate naar werk is gezocht zonder positief resultaat. De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten wat wordt verstaan onder het «zoeken naar werk» en het «onderzoeken van mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs». Deze leden vragen of de regering kan uiteenzetten op welke wijze een jongere kan aantonen aan beide plichten te hebben voldaan en op welke wijze wordt getoetst of een jongere voldoende inspanning heeft geleverd om een baan te vinden of de mogelijkheden tot een opleiding uit te zoeken. Voorts vragen zij hoeveel sollicitatiebrieven een jongere in de zoekperiode van vier weken moet versturen om aan de plicht om naar werk te zoeken te voldoen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wanneer er sprake is van een situatie waarin een jongere een aantoonbare inspanning voor het onderzoeken van de mogelijkheden van reguliere scholing heeft verricht en wat daarmee precies wordt bedoeld. Zij vragen wanneer er voldoende inspanningen zijn verricht om aan te tonen dat er in voldoende mate naar werk is gezocht ondanks dat het geen resultaat heeft opgeleverd. De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd of de regering heeft overwogen om een objectief toetsingskader te maken op basis waarvan wordt bepaald of jongeren voldoende inspanning leveren.

De regering stelt in voorliggend wetsvoorstel voor om de jongere, die zich meldt bij het loket van het UWV, eerst zelf vier weken te laten zoeken naar werk of naar mogelijkheden in het regulier bekostigd onderwijs. Het UWV stelt de jongere bij zijn melding op de hoogte van de voorwaarde om algemeen geaccepteerde arbeid te zoeken en te aanvaarden. Ook wijst het UWV de jongere bij die gelegenheid op het feit dat hij bij zijn aanvraag documenten moet verstrekken op basis waarvan het college kan beoordelen of de jongere nog mogelijkheden heeft binnen het regulier bekostigd onderwijs.

Bij het indienen van de aanvraag voor bijstand en ondersteuning (na vier weken) moet de jongere aantonen dat er geen mogelijkheden zijn binnen het regulier onderwijs en op de arbeidsmarkt. De regering schrijft ter zake niets voor. Het is de verantwoordelijkheid van de jongere zelf om die inspanningen te verrichten en van de verrichte inspanningen bewijsmateriaal te verzamelen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een verklaring van een functionaris van de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten of om een bindend studieadvies dat onderwijsinstellingen vanaf volgend jaar aan leerlingen kunnen gaan verstrekken.

Voor wat betreft inspanningen gericht op het vinden van werk kan het bijvoorbeeld gaan om het overleggen van sollicitatiebrieven met reacties van werkgevers of inschrijvingsbewijzen bij uitzendbureaus. De jongere moet naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid zien te verkrijgen en deze aanvaarden. De jongere zoekt ook in andere regio’s dan waar men woonachtig is en in uiteenlopende sectoren of bedrijfstakken.

Het is vervolgens aan het college om te bepalen of de jongere voldoende inspanningen heeft gepleegd. Het college zal hierbij een individuele, op de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden toegesneden afweging maken.

De regering stelt voor dat er geen recht op uitkering en ondersteuning is als een jongere regulier onderwijs kan volgen, maar het niet doet. Hetzelfde geldt wanneer een jongere overduidelijk de verplichtingen tot arbeidsinschakeling niet wil nakomen. Heeft een jongere in de periode van vier weken bijvoorbeeld slechts een enkele sollicitatie verricht en is hij of zij ook niet van plan dit meer te gaan doen, dan is er geen recht op uitkering en ondersteuning.

Normaal gesproken zit de jongere na de periode van vier weken op school of is de jongere aan het werk. Als een jongere regulier onderwijs gaat volgen, dat hem aanspraak geeft op studiefinanciering, is dat zijn of haar middel van bestaan. Als de jongere aan het werk is, voorziet deze zoals het hoort zelf in zijn middelen van bestaan. Mocht het inkomen echter, ondanks maximale inspanningen toch onder het sociaal minimum liggen en er is binnen het gezin geen andere bron van inkomen of vermogen dan vult de overheid tijdelijk aan tot sociaal minimum. De nadruk ligt op tijdelijk, de jongere zal zich maximaal moeten blijven inspannen om in zijn eigen onderhoud te voorzien.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het verschil in de praktijk tussen een recht op werkleeraanbod en een aanspraak op ondersteuning. De leden van de SP-fractie verzoeken de regering de verschillen toe te lichten tussen het recht op een werkleeraanbod en het recht op ondersteuning. Deze leden vragen ook of het college van burgemeester en wethouders verplicht is om een jongere ondersteuning te bieden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting wat precies het verschil is tussen het huidige recht op een werkleeraanbod en de aanspraak op ondersteuning. Voorts vragen deze leden in hoeverre de omzetting van het recht op werkleeraanbod in een aanspraak op ondersteuning nog meer consequenties heeft dan alleen de wijziging dat jongeren de eerste vier weken zelf moeten proberen om verder te gaan leren of om werk te vinden.

In de WIJ ligt met het werkleeraanbod de verplichting om een inspanning te leveren bij het college. Het onderhavig wetsvoorstel verschuift de verantwoordelijkheid naar de jongere waarbij onder voorwaarden en op aanvraag de gemeente ondersteuning kan bieden in geval dit echt nodig is.

Een jongere kan – vier weken na melding bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) – een aanvraag voor bijstand en ondersteuning indienen bij het UWV. Zoals gebruikelijk draagt het UWV de aanvraag ter behandeling over aan het college. Bij een aanspraak op ondersteuning heeft de jongere geen recht op een specifieke voorziening. Het college gaat alleen in op een verzoek als het college dat nodig acht. Als het college vindt dat een jongere ondersteuning nodig heeft, wordt in samenspraak met de jongere in een plan van aanpak neergelegd hoe die ondersteuning eruit ziet. Hierbij gelden wederzijdse afspraken waarbij het college vastlegt welke verplichtingen tegenover de ondersteuning staan. Het plan van aanpak heeft de hoedanigheid van een bijlage bij het besluit tot toekenning van bijstand en is daarmee vatbaar voor bezwaar en beroep.

De leden van de PvdA-fractie vragen of een jongere, die bij eerste melding bij het UWV kan aantonen dat hij of zij al minstens vier weken voldoet aan de verplichting tot aantoonbare inspanning, direct in aanmerking kan komen voor ondersteuning.

Het voorstel van wet voorziet hier niet in. Na de eerste melding bij het UWV begint de periode van 4 weken waarin jongeren zelf moeten zoeken naar werk of school. Het college neemt een aanvraag niet eerder dan na die vier weken in behandeling.

De leden van de fracties van VVD, PVV, PvdA en CU vragen of de regering kan toelichten hoe vaak een jongere, nadat hem of haar ondersteuning en/of uitkering is geweigerd, zich opnieuw kan melden bij het UWV en de gemeente voor een nieuwe procedure. De leden van de CDA-fractie vragen of jongeren, die bezwaar hebben aangetekend tegen de beslissing van de gemeente om geen ondersteuning of uitkering aan te bieden en die zich nogmaals bij het loket van het UWV melden, weer een zoekperiode van vier weken krijgen.

Er bestaat geen recht op bijstand voor de jongere als uit diens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de plicht tot arbeidsinschakeling of nadere door het college opgelegde verplichtingen niet wil nakomen. Als het college de uitkering en ondersteuning heeft geweigerd, kan de jongere zich opnieuw bij het loket van het UWV melden. Ongeacht of een jongere bezwaar heeft aangetekend tegen een eerder genomen besluit van het college, gaat er dan een nieuwe zoekperiode van vier weken gelden. Na die vier weken kan de jongere weer een nieuwe aanvraag voor uitkering en ondersteuning indienen. De jongere moet dan aantonen deze keer wel aan de verplichtingen te voldoen. In het wetsvoorstel is geen grens gesteld aan het aantal keren dat een jongere zich opnieuw bij het loket van het UWV kan melden. De regering gaat er van uit, dat de weigering van uitkering en ondersteuning leidt tot een actieve en verantwoordelijke opstelling van de jongere en een verbetering van zijn gedrag

De leden van de VVD-fractie vragen de regering om toe te lichten op welke vormen van ondersteuning een jongere aanspraak kan maken indien de jongere voldoende inspanningen heeft verricht om werk te verkrijgen of om zijn scholingsmogelijkheden te onderzoeken. Ook vragen deze leden wat de regering verstaat onder «maatwerk verlenen». Voorts vragen deze leden wat in de visie van de regering in een plan van aanpak moet komen te staan en in hoeverre de eigen verantwoordelijkheid van de jongere hierbij voorop staat. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering kan concretiseren waaruit een plan van aanpak dient te bestaan en hoe vaak het plan van aanpak geëvalueerd dient te worden. De leden van de fracties van de PvdA, de PVV, de SP en de ChristenUnie vragen op welke vormen van ondersteuning door het college van burgemeester en wethouders een jongere recht heeft zodra hij of zij een uitkering op grond van de WWB krijgt. Ook vragen de leden van de PvdA-fractie op welke manier de aanspraak op ondersteuning is te verzilveren. De leden van de fracties van de SP en de ChristenUnie vragen ook waaruit die ondersteuning minimaal bestaat. Voorts vragen deze leden op welke wijze een jongere het college van B&W kan aanspreken op de verantwoordelijkheid, die het college heeft om jongeren naar de arbeidsmarkt te begeleiden.

Indien de jongere voldoende inspanningen heeft geleverd dan kan hij of zij om ondersteuning vragen. Hoe deze ondersteuning eruit ziet verschilt per persoon. Niet iedereen heeft ondersteuning nodig. En als ondersteuning nodig is, verschilt dat per persoon. Het is aan het college om maatwerk te leveren. Dat betekent dat de voorzieningen worden afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van het individu. Daarbij kan de gemeente bijvoorbeeld ook de arbeidsmarktsituatie in de regio meewegen. Hetzelfde re-integratie-instrumentarium zoals dat in de WIJ is opgenomen staat gemeenten ter beschikking.

Het college legt in samenspraak met de jongere in een plan van aanpak vast hoe de eventuele ondersteuning er uit ziet en welke verplichtingen betrokkene heeft. Dit plan van aanpak wordt als bijlage bij het toekenningsbesluit van algemene bijstand gevoegd. De beschikking is vatbaar voor bezwaar en beroep. De regering wil dat jongeren blijvend door het college worden aangesproken op hun mogelijkheden om aan het werk te gaan. Beide partijen zijn gehouden aan de in het plan opgenomen afspraken.

De leden van de fracties van de VVD, CU en de PVV vragen de regering om toe te lichten hoe vaak het plan van aanpak moet worden geëvalueerd.

In het wetsvoorstel is geen bepaling opgenomen met betrekking tot de periodiciteit van evaluatie van het plan van aanpak. Het is aan het college om in overleg met de jongere hierover afspraken te maken.

De leden van de VVD-fractie vragen of er ook consequenties zijn wanneer gemeenten de afspraken niet voldoende nakomen. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe jongeren, die van mening zijn onvoldoende ondersteuning te krijgen, deze alsnog kunnen krijgen.

Afspraken moeten worden nagekomen, zowel door de jongere als door het college. Als een jongere het niet eens is met het feitelijk handelen van het college (bijvoorbeeld als het college bepaalde afspraken uit het plan van aanpak niet nakomt) kan de jongere het college hierop aanspreken. Als dit niet tot het gewenste resultaat leidt, kan betrokkene een procedure bij de burgerlijke rechter aanspannen.

De leden van de fracties van de VVD, de ChristenUnie en D66 vragen waarom de regering er niet voor gekozen heeft om de termijn van vier weken ook uit te breiden naar mensen boven de 27 jaar, die een beroep doen op een uitkering op grond van de WWB.

Op grond van de huidige wetgeving is het mogelijk dat colleges ook voor mensen ouder dan 27 jaar inspanningsverplichtingen van 4 weken invoeren. Het college in Rotterdam heeft hiertoe bijvoorbeeld initiatief genomen.

De regering heeft er voor gekozen dit regime specifiek verplicht te stellen voor de groep jongeren tot 27 jaar. Jongeren staan aan het begin van hun loopbaan. Zoals eerder gememoreerd vindt de regering het van groot belang om juist bij de start op de arbeidsmarkt eigen initiatief en verantwoordelijkheid te benadrukken. Hiermee leert een jongere vanaf het begin het uitgangspunt dat men in een eigen inkomen voorziet. Een beroep op de samenleving doe je pas bij uiterste noodzaak en is alleen bedoeld voor mensen die het echt nodig hebben.

De leden van de VVD-fractie willen weten of er, behalve de termijn van vier weken, ook andere manieren zijn om de eigen verantwoordelijkheid van de jongeren in de wet te verankeren en welke deze dan zijn.

Het uitgangspunt is dat men zelf een inkomen verwerft. De WWB biedt een vangnet voor mensen die dat tijdelijk niet lukt. Eigen verantwoordelijkheid staat daarmee voor iedereen voorop in de WWB. Met deze maatregel benadrukt het kabinet dit beginsel specifiek voor jongeren, om eigen initiatief en verantwoordelijkheid aan het begin van hun werkzame leven te benadrukken.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen voorts weten hoe de regering het risico inschat dat er problemen in de uitvoering gaan ontstaan als het onduidelijk is wanneer er sprake van verwijtbaarheid van de jongere is. De leden van de VVD-fractie vragen waarom de mogelijkheid van verlaging van de uitkering (indien onvoldoende wordt voldaan aan de verplichting om werk te vinden) wordt geschapen naast het niet aanbieden of intrekken van de uitkering. Deze leden vragen ook of de regering kan aangeven bij welke mate van verwijtbaarheid welk bedrag op de uitkering zou moeten worden gekort. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten in welke mate het college van burgemeester en wethouders de hoogte van de uitkering zal verlagen wanneer blijkt dat een jongere niet voldoende aan zijn verplichting om werk te zoeken heeft voldaan. Deze leden vragen voorts hoe de mate van verwijtbaarheid van de jongere meetbaar wordt gemaakt en hoe dat zal corresponderen met de hoogte van de uitkering. De leden van de PVV-fractie vragen wanneer in de visie van de regering een jongere niet voldoet aan de verplichtingen om werk te vinden, hoe dit toetsbaar wordt gemaakt. Ook vragen deze leden hoe, hoe vaak, wordt gecheckt of jongeren aan de verplichting voldoen om werk te vinden. Voorts vragen ze de regering een indicatie te geven bij welke mate van verwijtbaarheid welk bedrag voor verlaging van de uitkering hoort. De leden van de SP-fractie vragen de regering een definitie te geven van «gedrag en houding van een jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij geen inspanningen heeft gepleegd en onwillig blijft om aan het werk te gaan». Deze leden vragen ook of de regering concrete voorbeelden kan geven van «gedrag en houding van een jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij geen inspanningen heeft gepleegd en onwillig blijft om aan het werk te gaan». De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd of de regering vindt dat gemeenten dit mee moeten nemen in hun afweging om een uitkering te korten. Deze leden zijn bijvoorbeeld benieuwd of de regering een korting op de uitkering gerechtvaardigd vindt in de situatie dat een jongere daardoor zijn huur niet meer kan betalen en op straat terecht komt. De leden van de fractie van D66 vragen welke mate van gebrek aan inspanning gepaard gaat met welk bedrag aan lagere uitkeringen en of hieraan een maximum zit. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering een indicatie kan geven bij welke mate van verwijtbaarheid welk bedrag als verlaging van de uitkering wordt toegepast.

Wanneer de jongere zijn afspraken uit het plan van aanpak niet of onvoldoende nakomt en bij zeer ernstige misdragingen jegens het college (agressie), beëindigt of verlaagt het college de uitkering. De bijstand wordt niet beëindigd of verlaagd als er geen sprake is van verwijtbaarheid. Deze mogelijkheid bevatten de WIJ en de WWB op dit moment al. Met dit wetsvoorstel worden de verplichtingen voor jongeren aangescherpt. Dat gebeurt om te beginnen door introductie van de 4 weken termijn waarin jongeren eerst zelf vier weken zoeken naar werk of naar mogelijkheden in het regulier bekostigd onderwijs.

Een tweede aanscherping betreft de bevoegdheid voor het college de uitkering in te trekken. Als uit zijn houding en gedragingen blijkt dat de jongere de plicht tot arbeidsinschakeling of nadere door het college opgelegde verplichtingen niet nakomt trekt het college de uitkering in. Hiertoe kan het college overgaan indien sprake is van een ernstige situatie die de jongere ook niet van plan is te veranderen. De regering denkt daarbij bijvoorbeeld aan de jongere die, hoewel hij daar wel toe in staat is, niet reageert op aangeboden vacatures of de jongere die nauwelijks sollicitatieactiviteiten onderneemt.

Het is aan het college een adequaat handhavingsbeleid te voeren. Dit beleid legt het college vast in een verordening. Hierin leggen colleges onder andere vast in welke gevallen een uitkering moet worden gekort met welke bedragen. Onderdeel van het handhavingsbeleid van het college is ook hoe en hoe vaak een gemeente controleert of jongeren aan hun plichten hebben voldaan. Deze beleidsvrijheid is niet nieuw. De regering heeft er alle vertrouwen in dat colleges de aangescherpte uitgangspunten oppakken en een goede afweging maken van eventuele verwijtbaarheid van de jongere. Het college biedt de jongere daarbij, in zijn of haar eigen belang, duidelijkheid over de eigen verantwoordelijkheid door hen waar nodig maatregelen op te leggen.

De leden van de VVD-fractie willen weten wat de regering verstaat onder «mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs». De leden vragen of van een betrokkene kan worden verlangd dat hij of zij nader onderwijs gaat genieten zonder dat betrokkene aanspraak (meer) kan maken op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten (WTOS) of de Wet op de studiefinanciering (WSF).

De gedachte hierachter is, dat de jongere eerst (dat wil zeggen in de vier weken na melding bij het UWV) onderzoekt of het onderwijs dat het Rijk aanbiedt en financiert op hem van toepassing kan zijn, alvorens hij een beroep doet op de gemeente. Hierbij is niet van belang of in verband met dat onderwijs aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming op grond van de WTOS of studiefinanciering op grond van de WSF.

Als een jongere eenmaal onderwijs volgt is voor het recht op algemene bijstand wel van belang of hij aanspraak heeft op studiefinanciering of op een tegemoetkoming op grond van de WTOS. Voor een jongere met een aanspraak op studiefinanciering bestaat geen recht op bijstand. Studiefinanciering wordt voor hem immers aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Een tegemoetkoming op grond van de WTOS is dat niet. Volgt een jongere onderwijs en ontvangt hij in verband daarmee een tegemoetkoming op grond van de WTOS, en heeft de jongere voorts onvoldoende middelen om in zijn bestaan te voorzien, dan kan hij, met inachtneming van de verplichtingen van de WWB, in aanmerking komen voor bijstand.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe dat is in het geval iemand geen studiebeurs kan ontvangen, maar wel een sociale lening kan aangaan.

De WWB vult aan ten opzichte van een voorliggende voorziening. Tot de voorliggende voorzieningen worden gerekend alle mogelijke prestaties op grond van publiekrechtelijke regelingen, dan wel op grond van privaatrechtelijke regelingen, zoals een arbeidsovereenkomst.

Uit jurisprudentie blijkt dat een via de WSF geboden mogelijkheid om een rentedragende lening af te sluiten kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening, waarvan de passendheid niet kan worden ontnomen door het feit dat een studieschuld wordt opgebouwd.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven wat de prikkel voor de gemeenten is om deze aanscherping voor jongeren tot 27 jaar ook naar behoren uit te voeren.

De prikkel voor gemeenten om de aanscherping van het regime voor jongeren tot 27 jaar naar behoren uit te voeren is gelegen in de financieringssystematiek van de WWB. Deze systematiek prikkelt gemeenten te voorkomen dat mensen de WWB instromen. De regering gaat er voorts van uit dat gemeenten als publiek orgaan bijdragen aan de zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid van jongeren aan het begin van hun carrière. Deze aanscherping is voor gemeenten een ondersteuning van hun beleid om jongeren niet te laten instromen in de WWB. Overigens is de regering wel voornemens om periodiek onderzoek te doen naar de naleving en de handhaving.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering er niet voor gekozen heeft om jongeren tot 27 jaar geheel uit te sluiten van een inkomensvoorziening als de bijstand.

Uitgangspunt is dat jongeren geen beroep doen op de bijstand en zelf zorgen voor hun inkomen. De regering is van mening dat voor iedereen in Nederland die desondanks (tijdelijk) geen inkomen kan verwerven en indien er geen andere voorzieningen zijn, een door de overheid gecreëerd vangnet beschikbaar dient te zijn. In het Regeerakkoord is daarom afgesproken de voorwaarden en sanctie voor jongeren tot 27 jaar die een beroep doen op de WIJ aan te scherpen.

De leden van de VVD-fractie vragen of er landen bestaan waar dit wel het geval is of waar er verminderd aanspraak kan worden gemaakt door jongeren op een bijstandsvoorziening.

Binnen Europa is er een verscheidenheid van regelingen voor het recht op een bijstandsvoorziening voor jongeren. Zo kent een aantal Europese landen een leeftijdsnorm van 18 jaar. De leeftijdsnorm is daar gekoppeld aan de meerderjarigheidsgrens (Denemarken, Hongarije, IJsland, Malta, Polen), soms met uitzonderingen voor personen met kinderen (bijvoorbeeld België).

Er zijn ook landen die op een andere wijze invulling geven aan het bieden van bijstand in geval van onvoldoende bestaansmiddelen. In dat geval moet het hele systeem van voorzieningen bekeken worden. Frankrijk kent «le Revenu de Solidarité Active (RSA). De RSA kent een bijstandsuitkering vanaf 25 jaar. Personen jonger dan 25 jaar komen ten laste van hun ouders. Een uitzondering geldt voor personen jonger dan 25 jaar met een kind of in verwachting van een kind. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook personen tussen 18 en 25 jaar voor een RSA in aanmerking komen. Een voorwaarde is dat er ten minste twee jaar is gewerkt gedurende een driejarige referteperiode. Als er korter dan twee jaar is gewerkt dan wordt hiermee rekening gehouden naar rato van de gewerkte tijd. Personen die tussen de 18 en 25 jaar gewerkt hebben, worden niet beschouwd als personen die ten laste komen van hun ouders.

In Luxemburg heeft men recht op bijstand vanaf de leeftijd van 25 jaar. Een uitzondering geldt voor meerderjarigen boven de 18 jaar die ongeschikt zijn om te werken, meerderjarigen boven de 18 jaar die gehandicapten verzorgen en personen die kinderen opvoeden waar ze kinderbijslag voor ontvangen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om in de wet op te nemen dat wanneer er mogelijkheden zijn om regulier bekostigd onderwijs te volgen, de inkomensvoorziening of ondersteuning wordt geweigerd.

De regering beoogt dit effect te bereiken door het voorstel om in artikel 7, derde lid van de WWB te regelen dat het college niet verantwoordelijk is voor ondersteuning van mensen jonger dan 27 jaar die regulier bekostigd onderwijs kunnen volgen (Artikel I, onderdeel E van het wetsvoorstel), alsmede door het voorstel om in artikel 13, tweede lid te regelen dat voor hen geen recht bestaat op algemene bijstand (Artikel I, onderdeel L van het wetsvoorstel).

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd hoe de nauwere samenwerking tussen gemeentelijke diensten en onderwijsinstellingen tot stand kan worden gebracht. Ook vragen deze

leden zich af wanneer het overleg met de VNG en organisaties van onderwijs en hulpverlening om met hen te bespreken of zij gezamenlijk verantwoordelijkheid willen nemen in de regio en om te bespreken of een gezamenlijke richtlijn voor samenwerking in de regio hierbij behulpzaam kan zijn, zal plaatsvinden en wat de regering hiervan verwacht. De leden van de PvdA-fractie vragen aan de regering om de toelichting over de samenwerking en afstemming tussen gemeenten en onderwijsinstellingen, concreter te maken. Deze leden vragen tevens of er al plannen zijn voor deze samenwerking. Voorts vragen zij of er doelen zijn geformuleerd voor de samenwerking tussen gemeenten en onderwijsinstellingen, of er een tijdspad beschikbaar is voor de samenwerking en afstemming tussen gemeenten en onderwijsinstellingen en welke verantwoordelijkheid de regering zelf neemt voor het behalen van de doelen voor de samenwerking tussen gemeenten en onderwijsinstellingen. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de integrale samenwerking tussen gemeenten, onderwijsinstellingen, hulpverlening en werkgevers concreet wordt vormgegeven.

De concrete invulling van de samenwerking tussen gemeentelijke diensten en onderwijsinstellingen laat zich niet voorschrijven door de regering. Dit moet op lokaal niveau vorm worden gegeven vanuit het besef dat effectieve uitvoering van de WWB alleen kan slagen met een goede samenwerking in de keten van school naar werk. Doel is vergroting van de arbeidsparticipatie door de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt goed te laten verlopen. Met een sterke gemeentelijke regie op de leef-, zorg- en werksituatie van mensen met een arbeidsbeperking en een goede organisatie van een integrale aanpak, is een kwaliteitsslag mogelijk. De beleidsvrijheid die de colleges krijgen voor het invullen van deze samenwerking is van belang om maatwerk te kunnen toepassen. De Wet SUWI biedt de juridische voorzieningen om de samenwerking in te richten, bijvoorbeeld door een koppelingsmogelijkheid met onderwijs (BRON)-gegevens.

Het kabinet zal overleg voeren met de VNG en organisaties van onderwijs en hulpverlening, zoals bijvoorbeeld de MBO-raad en MO-Groep om met hen te bespreken of een gezamenlijke richtlijn voor samenwerking in de regio hierbij behulpzaam kan zijn. Goede voorbeelden van samenwerking tussen gemeentelijke diensten en onderwijsinstellingen zijn onder andere al te vinden via de website van de VNG. Van belang is dat de uitvoerende en bestuurlijke partijen zelf aangeven op welke wijze het kabinet hier een bijdrage aan kan leveren. Verkennende gesprekken met de VNG naar de invulling van de faciliterende rol van het Rijk, zijn reeds gestart.

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere toelichting op de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel voor jongeren met multiproblematiek en/of zwerfjongeren en of er mogelijkheden zijn om af te wijken voor deze doelgroep. De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier de regering verwacht dat een jongere, die zich heeft aangemeld voor ondersteuning bij het vinden van werk en/of opleiding, voorziet in zijn of haar levensonderhoud en eventuele kosten, die gemaakt moeten worden voor bijvoorbeeld sollicitatie gedurende de eerste vier weken. Deze leden vragen ook of een jongere een voorschot kan krijgen gedurende de eerste vier weken voor kosten van levensonderhoud en eventuele kosten, die gemaakt moeten worden voor bijvoorbeeld sollicitatie gedurende de eerste vier weken. De leden van de CDA-fractie vragen of een hulpbehoevende jongere bij de eerste melding bij het UWV een aanvraag kan indienen voor een voorschot en – indien hulpbehoevende jongeren bij de eerste melding bij het UWV een aanvraag kunnen indienen voor een voorschot – welke voorwaarden dan gelden en wie jongeren op deze mogelijkheid wijst.

De leden van de SP-fractie vragen of er in de vier weken dat een jongere op zoek moet naar werk of de mogelijkheden van regulier bekostigd onderwijs moet zoeken een mogelijkheid is tot het aanvragen van een voorschot op de uitkering en zo nee, op welke wijze de jongere in deze vier weken in zijn of haar inkomen moet voorzien. Ook vragen deze leden wanneer het recht op een uitkering (of voorschot) ingaat. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten welke nadere voorwaarden er gaan gelden voor het voorschot dat het college van burgemeester en wethouders aan jongeren kan toekennen.

Alle jongeren die zich bij het loket van het UWV melden, moeten eerst vier weken zelf zoeken naar werk, dan wel onderzoeken welke scholingsmogelijkheden zij (nog) hebben. Na de periode van vier weken kunnen zij een aanvraag doen voor een uitkering en ondersteuning. Indien het college de aanvraag toewijst, betaalt het college de uitkering met terugwerkende kracht over de 4 weken uit.

In de vier weken zoekperiode bestaat geen recht op een voorschot. Het is gebruikelijk om in die periode in de kosten van bestaan te voorzien middels de laatste salarisbetaling of de laatste uitkeringsverstrekking. Het benadrukt eveneens het belang van de jongere om zo snel mogelijk aan het werk of naar school te gaan. In levensbedreigende noodsituaties kan het college bij uitzondering in de vier weken zoekperiode een voorschot verlenen.

Als het niet gelukt is werk te vinden of weer naar school te gaan, kan de jongere na de zoekperiode een aanvraag om bijstand indienen. Indien nodig kan het college dan een voorschot toekennen in de vorm van een renteloze lening, zolang het recht op algemene bijstand niet is vastgesteld. Het voorschot wordt binnen vier weken na aanvraag verleend. Er is geen recht op voorschot als betrokkene de voor de vaststelling van het recht op bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken verwijtbaar niet of niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt of als hij anderszins niet meewerkt. Ook bestaat geen recht op voorschot als bij de aanvraag meteen al duidelijk is dat er geen recht op bijstand is. Het college zal -zoals nu al gebruikelijk is- een jongere wijzen op de mogelijkheid om een voorschot aan te vragen, als het college dit in een individueel geval noodzakelijk acht.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre in de visie van de regering naast houding en gedrag ook andere zaken, die de kansen op de arbeidsmarkt kunnen belemmeren, bijvoorbeeld kleding en het beheersen van de Nederlandse taal, kunnen leiden tot het weigeren van een uitkering of ondersteuning.

De regering legt in dit wetsvoorstel de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan. Die verantwoordelijkheid is niet vrijblijvend. Waar mensen tekortschieten in het besef van die verantwoordelijkheid, stopt de verantwoordelijkheid van de overheid voor uitkering of ondersteuning. De regering wil dat elk handelen of nalaten te handelen dat de kansen op de arbeidsmarkt de facto belemmert, bijvoorbeeld kleding leidt tot weigeren van ondersteuning dan wel weigeren of verlaging van uitkering. Het is aan de gemeente dit in individuele gevallen te beoordelen. Het kabinet onderzoekt momenteel de invulling die gemeenten daaraan geven. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek zal het kabinet bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn om het college in staat te stellen adequaat op te treden bij alle vormen van werkweigering.

De leden van de VVD-fractie vragen om een precisering van hetgeen geregeld is omtrent de overgang van de WIJ naar de WWB. De leden van de fracties van de SP en ChristenUnie vragen of lopende trajecten per 1 januari 2012 worden afgebroken. De leden van de PVV-fractie vragen wat wordt bedoeld met het in overeenstemming brengen van een in het kader van de WIJ gedaan werkleeraanbod met de WWB. Ook vragen zij of er naast het werkleeraanbod andere vormen van ondersteuning zijn in de WIJ waarvoor een overgangsregeling van toepassing is en zo ja, welke dat dan zijn en hoe de overgangsregeling eruit ziet.

Besluiten op grond van de WIJ gelden vanaf de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel als besluiten op grond van de WWB. Dit betekent dat een inkomensvoorziening op grond van de WIJ wordt omgezet in algemene bijstand op grond van de WWB, waarbij voor de jongere die een inkomensvoorziening op grond van de WIJ ontving ook het overgangsrecht met betrekking tot de gezinsbijstand op grond van het voorgestelde artikel 78s van de WWB van toepassing is.

Verder wordt een werkleeraanbod op grond van de WIJ op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel omgezet in een aanbod tot ondersteuning op grond van de WWB. Daarbij is geregeld dat jongeren wier werkleeraanbod al is ingegaan voordat het wetsvoorstel in werking treedt, hun werkleeraanbod behouden gedurende maximaal zes maanden na inwerkingtreding. Dit is alleen anders indien het werkleeraanbod eerder eindigt dan die 6 maanden, in dat geval behoudt de jongere zijn werkleeraanbod voor de duur van het werkleeraanbod.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de werking van de WIJ is geëvalueerd.

De evaluatie van de WIJ is nog niet afgerond. De Kamer ontvangt najaar 2011 de resultaten van de evaluatie van de WIJ.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat door samenvoegen van de WIJ en WWB voor jongeren die aanspraak willen maken op ondersteuning bij het vinden van werk of opleiding, ook wordt gekeken naar het gezinsinkomen. Deze leden vragen voorts of jongeren die vanwege het inkomen van gezinsleden niet in aanmerking komen voor een uitkering, wel aanspraak op inhoudelijke ondersteuning maken.

Met onderhavig wetsvoorstel introduceert de regering het gezin als een zelfstandig subject van bijstand. Bij de bijstandsverlening moeten in beginsel de middelen van alle gezinsleden in aanmerking worden genomen. De WIJ en WWB worden in verband hiermee samengevoegd.

Mocht de gezinsbijstand ertoe leiden dat er geen bijstaand aan het gezin wordt verstrekt, kan een jongere zich als niet-uitkeringsgerechtigde wenden tot het college voor ondersteuning. Het is aan het college om te bepalen of iemand daadwerkelijk ondersteuning nodig heeft om aan het werk te komen, en indien dat het geval is hoe die ondersteuning eruit ziet.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat de winst en de financiële besparingen zijn van de zoekperiode van vier weken. De leden van de PVV-fractie vragen de regering of de voorgestelde maatregelen er toe leiden dat minder jongeren aanspraak maken op de uitkering en zo ja wat hiervan de gevolgen voor de uitkeringlasten zijn. De leden van de SP-fractie vragen wat de besparing is van «niet melders» als gevolg van de geïntroduceerde zoekperiode van vier weken. Deze leden vragen de regering hoeveel jongeren geen uitkering krijgen als gevolg van onvoldoende inspanning tijdens de zoekperiode van vier weken en wat hier de besparing van is.

Dit wetsvoorstel ligt in het verlengde van de WIJ, maar gaat een stap verder. Met dit wetsvoorstel verankert de regering de eigen verantwoordelijkheid van jongeren voor leren en werken in de wet. De jongere die zich meldt bij het loket van het UWV moet eerst zelf vier weken zoeken naar een baan of naar de mogelijkheden binnen het regulier onderwijs. De financiële gevolgen die de regering bij invoering van de WIJ heeft gesteld blijven onveranderd. De huidige wetswijziging leidt derhalve niet tot aanvullende besparingen.

Verschillende fracties hebben vragen gesteld over uitval tijdens de zoekperiode en over niet-melders. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de regering het risico acht op uitval in de zoekperiode van vier weken. Deze leden vragen of de jongeren die in de zoekperiode van vier weken van de radar verdwijnen nog wel terug te vinden zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wat de regering gaat ondernemen om te voorkomen dat de groep niet-melders toeneemt. De leden van de SP-fractie vragen de regering naar hoeveel jongeren zich door de introductie van de vier weken periode niet meer zullen melden en op welke wijze worden niet-melders opgespoord. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten hoe de regering een toename in het aantal niet-melders door de vier weken zoekperiode gaat voorkomen en vragen hoe groot de groep niet-melders is en wat de gevolgen zijn van de maatregelen voor de omvang van de groep niet-melders.

De activiteiten omtrent niet-melders, die colleges nu al hanteren kunnen na de samenvoeging van de WIJ met de WWB onverminderd worden voortgezet. Om de groep niet-melders in beeld te krijgen beschikken de colleges al over een groot aantal (onderwijs)gegevens en mogelijkheden om bestanden te koppelen. Per 1 januari 2011 zijn drie wetswijzigingen in werking getreden om de uitwisseling van gegevens op dit punt verder te vergemakkelijken1.

Wanneer jongeren na de zoekperiode van vier weken zich niet meer melden bij de gemeente kan het college via bestandskoppelingen nagaan hoeveel van deze jongeren werk hebben gevonden of weer een opleiding zijn gaan volgen. Ook kan zichtbaar worden voor het college welke jongeren helemaal niet meer in beeld zijn. Het is aan de beleidsvrijheid van het college of, en zo ja welke activiteiten zij onderneemt voor deze jongeren die nergens meer in beeld zijn.

Via de gegevens van het CBS kan worden berekend dat de groep die geen onderwijs volgt, niet werkt en ook niet bij de gemeente bekend staat als werkzoekende in 2009 bijna 5 procent vormde van alle jongeren van 18 tot 27 jaar. Uit onderzoek (Risicojongeren in Rotterdam, Den Haag en Utrecht, Berenschot 2007) blijkt dat de groep niet-melders divers is en niet per se problematisch hoeft te zijn; hieronder vallen namelijk ook pas afgestudeerden, reizende jongeren en jongeren die via een uitzendbureau naar werk zoeken. De regering ziet »niet-melders» daarom niet automatisch als een zorg-doelgroep die ondersteuning moet krijgen. De omvang van deze groep zal de komende jaren door het CBS worden gevolgd om te kunnen constateren of er sprake is van een wijziging in het aantal.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de maatregel inzake de zoekperiode van vier weken zich verhoudt tot de wens van de regering tot het terugdringen van schulden onder jongeren en hoe de maatregel zich verhoudt tot de Grondwet.

De WWB blijft voor mensen die het op eigen kracht niet redden het uiterste vangnet. Ook voor jongeren. Het complementaire karakter van de uitkering brengt met zich mee dat bijstand altijd aanvullend is op de eigen middelen. De burger moet er naar vermogen alles aan doen om in zijn eigen bestaan te voorzien. Wanneer sprake is van zeer dringende redenen kan het college in individuele gevallen aan iemand die geen recht op algemene bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden financiële bijstand verlenen. Hierbij dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen andere wijze te verhelpen zijn.

De Nederlandse Grondwet regelt in artikel 20, derde lid, een bij wet te regelen recht op bijstand. Verder is voor Nederland het Europees Sociaal handvest (ESH) relevant. Deze bepalingen dragen de overheid op om voor mensen zonder voldoende bestaansmiddelen een basisrecht op bijstand te regelen. De WWB en de wijzigingen daarvan zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel voorzien hierin.

In z’n algemeenheid vindt de regering het terugdringen van problematische schulden belangrijk. Het beleid van de overheid richt zich dan ook op het voorkomen van problematische schulden en de toerusting van mensen om hieraan zelf de belangrijkste bijdrage te kunnen leveren. Uitgangspunt hierbij is dat iedereen, jong en oud, zelf verantwoordelijk is voor het aanpassen van zijn uitgavenpatroon aan de hoogte van zijn inkomen. In Nederland wordt iedereen vanaf 18 jaar in staat geacht financiële verplichtingen aan te gaan. De eigen verantwoordelijkheid, ook van jongeren, voor het voorkomen van schulden en het bevorderen van de zelfredzaamheid wil de regering dan ook benadrukken. Het invoeren van de zoekperiode van vier weken voor jongeren past hierbij.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering op welke wijze kan worden voorkomen dat gemeenten bij het bieden van ondersteuning bij het vinden van een baan ervoor kiezen zich te richten op de meer bemiddelbare jongeren.

Op grond van de WWB moet de gemeenteraad bij het bij verordening stellen van regels met betrekking tot de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en voorzieningen hiervoor, evenwichtige aandacht besteden aan de verschillende doelgroepen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering vindt dat jongeren niet in de bijstand thuis horen en zij vragen of Wajongeren wel in de bijstand thuis horen.

Jongeren horen niet in de bijstand. Jongeren zijn zelf verantwoordelijk voor leren en werken. Zij moeten zelf de mogelijkheden die het onderwijs hen biedt benutten. Zo creëren ze een zelf opgebouwde uitgangspositie op de arbeidsmarkt. De regering heeft er daarom voor gekozen het regime voor jongeren tot 27 jaar in de WWB aan te scherpen.

De regering heeft in het Regeerakkoord ook afgesproken te komen tot één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt, die de WWB, Wajong en WSW hervormt. Voor jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn blijft de Wajong bestaan. Deze afspraak werkt de regering uit in het wetsvoorstel Werken naar Vermogen.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe groot, in absolute aantallen en in percentages van de totale bijstandspopulatie, per maatregel de groep huishoudens is waarop de desbetreffende maatregel betrekking heeft. Ook de leden van de D66-fractie vragen daarnaar.

Onderstaande tabel geeft het gevraagde overzicht weer, waarbij de inkomensnormering, verordeningsplicht en inkomen uit studiefinanciering buiten beschouwing zijn gelaten omdat het in de eerste twee gevallen niet noodzakelijkerwijs bijstandscliënten betreft, en in het laatste geval zijn de aantallen te beperkt om tot uitdrukking te kunnen brengen.

Tabel 2.1

Maatregel

Populatie (*1000)

Als percentage van de totale bijstandspopulatie (ultimo 2010)

Aanscherping voorwaarden en sancties voor jongeren

34,5

12

Aanscherping gezinsbijstand en huishoudinkomentoets

18

6

Tegenprestatie naar vermogen

307

100

Beperking verblijfsduur in het buitenland1

38,5

100

Alleenstaande ouders in de WWB

77

25

X Noot
1

Het betreft hier 65-plussers. Het percentage is derhalve afgezet tegen de populatie 65-plussers met een aanvullende bijstandsuitkering. De maatregel heeft ook betrekking op 65-minners die zowel een tijdelijke ontheffing van de arbeids- als de re-integratieverplichting hebben. De regering heeft geen inzicht in de omvang van deze groep.

De leden van de CDA-fractie vragen of gemeenteambtenaren hulp kunnen bieden aan jongeren die gedwongen afhaken omdat ze hun HAVO 4 nog moeten afronden maar dat niet op de school kunnen doen waar ze zijn blijven zitten. Ook vragen zij welke verantwoordelijkheden middelbare scholen daarbij hebben.

Havo en vwo kennen geen maximale verblijfsduur. Er bestaat geen grens aan het aantal keren dat een jongere kan doubleren of zakken op havo en vwo. Op dit moment is een wetswijziging in voorbereiding waarbij de bestaande maximale verblijfsduur in het vmbo wordt afgeschaft (zie Kamerstukken II 2010/11, 32 558, nr. 2). De school voor voortgezet onderwijs legt zelf de regels vast rond doorstromen en doubleren in het voortgezet onderwijs. Dat een havoleerling van school af moet, betekent niet automatisch dat hij of zij de overstap moet maken naar het middelbaar beroepsonderwijs. Een leerling kan de overstap maken naar een andere school voor voortgezet onderwijs (VO), naar het volwassenen onderwijs (vavo) of naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). De verantwoordelijkheid van gemeenteambtenaren ligt bij de uitoefening van de regionale meld- en coördinatiefunctie, waar een van hun kerntaken is een sluitende melding en registratie, doorverwijzing en herplaatsing van voortijdig schoolverlaters. De colleges hebben via de regionale meld- en coördinatiefunctie (RMC) de expertise en mogelijkheden om hulp te bieden daar waar nodig indien voortijdige schooluitval zich heeft voorgedaan.

De leden van de CDA-fractie vragen of scholen geen acceptatieplicht hebben.

De scholen voor voortgezet onderwijs hebben geen acceptatieplicht. In principe beslist het bevoegd gezag van een vo-school over de toelating van jongeren (artikel 2 van het Inrichtingsbesluit Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Bij de toelating worden het oordeel van de directeur van de basisschool en een onderzoek naar de geschiktheid voor het volgen van het gewenste onderwijs betrokken (artikelen 3 en 4 van het Inrichtingsbesluit). De school kan daarbij rekening houden met de mogelijkheden van de school mede in relatie tot de betrokken jongere. Voor toelating tot de hogere leerjaren in het voortgezet onderwijs kan de school aanvullende toelatingseisen stellen. VO-scholen kunnen leerlingen in principe pas uitschrijven als ze tot een andere school zijn toegelaten (artikel 5 van het Bekostigingsbesluit WVO).

MBO-scholen hanteren aan de hand van wettelijke voorschriften hun eigen instroombeleid waarbij zij onder andere naar de regionale arbeidsmarkt dienen te kijken. Alleen de opleidingen op niveau 1 en deels op niveau 2 kennen wat betreft vooropleiding een mogelijkheid tot drempelloze instroom. Met het Actieplan MBO (Kamerstukken II 2010/11, 31 524, nr. 88) zullen vooropleidingseisen voor alle mbo-2-opleidingen van kracht worden en zal de drempelloze instroom beperkt worden tot de niveau-1 («entree»)-opleidingen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om een beschrijving van de oorzaken van werkloosheid, dakloosheid, schooluitval, armoede en uitkeringsafhankelijkheid onder jongeren. De leden van de SP-fractie vragen waardoor het aantal daklozen jongeren groeit in de visie van de regering.

De oorzaken van maatschappelijke uitval van jongeren zijn zeer divers. Voorbeelden van oorzaken zijn ontoereikende inzet op school of op het werk, het daardoor ontbreken van diploma’s of een baan, een lichtverstandelijke handicap, slechte thuissituatie of een psychische aandoening. Vaak is sprake van een combinatie van factoren. Pas wanneer de jongere niet in staat is om zelf of binnen de gezinsstructuur de regie te voeren om de problemen op te lossen leiden de individuele problemen tot maatschappelijke uitval. De oorzaken kunnen liggen bij de jongere maar ook bij omstandigheden buiten de jongere.

Het feit dat problemen vaak op verschillende beleidsterreinen liggen (met verschillende financiers of verantwoordelijken) maakt de aanpak van die problemen complex. De decentralisatie van begeleiding op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en jeugdzorg naar gemeenten, die de regering voornemens is, versterkt de gemeentelijke regierol en brengt een integrale oplossing dichterbij. De regering heeft kort geleden in een brief aan de Tweede Kamer over de beleidsvoornemens maatschappelijke opvang en zwerfjongeren ( Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 21) al aangegeven dat nog niet vastgesteld kan worden of er sprake is van een toename van het aantal dakloze jongeren. Er is voor het eerst een vastgesteld cijfer over het aantal zwerfjongeren. Gegevens over voorgaande jaren om mee te vergelijken zijn er niet.

De leden van de SP-fractie vragen welke verantwoordelijkheid de regering ziet voor opvoeders, de overheid en werkgevers voor leren of werken van jongeren.

De regering stelt de eigen verantwoordelijkheid van mensen om de regie over hun leven te voeren, centraal. Voor jongeren zijn ouders, opvoeders, overheid en werkgevers belangrijke vormende factoren om hen tot verantwoordelijke burgers te maken. Ouders/opvoeders hebben met name de taak jongeren te vormen, hen het belang van scholing, werk en goed burgerschap bij te brengen en te wijzen op de waarde daarvan voor hun persoonlijke ontwikkeling en zelfverwerkelijking. De overheid biedt, onder andere via het mogelijk maken van onderwijs, de mogelijkheden tot ontplooiing.

Werkgevers hebben een belangrijke vormende rol. Het werken in een bedrijf vormt en bevestigt voor jongeren de normen en waarden die in de maatschappij gelden. Een belangrijke waarde daarvan is dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor de regie op hoe ze hun leven willen inrichten.

De leden van de SP-fractie vragen wat er gebeurt als de jongeren de eigen verantwoordelijkheid niet kunnen nemen, bijvoorbeeld vanwege psychosociale problemen. De leden van de SGP vragen hoe en in hoeverre wordt meegewogen of jongeren in de periode van vier weken zelfstandig in staat zijn te zoeken naar scholing of werk.

Alle jongeren die zich bij het loket van het UWV melden, moeten eerst vier weken zelf zoeken naar werk, dan wel onderzoeken welke scholingsmogelijkheden zij (nog) hebben. Na de periode van vier weken kunnen zij een aanvraag doen voor uitkering en ondersteuning. Het college beoordeelt of de jongere zich in de periode van vier weken voldoende heeft ingespannen en hoe zijn houding en gedragingen waren. Bij deze beoordeling zal ook rekening worden gehouden met eventuele psychosociale problemen. Als het college besluit om de jongere bijstand te verlenen, zal het college ook bij de aan de jongere op te leggen verplichtingen in het plan van aanpak rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van het individu.

De leden van de SP-fractie delen de mening van de regering dat jongeren in beginsel niet uitkeringsafhankelijk worden. Zij moeten werken of leren. De leden van de SP-fractie vragen of de regering de mening deelt van deze dat door deze maatregel het aantal dakloze jongeren zal groeien. Zo nee, waarom niet? Voorts vragen zij in hoeverre deze maatregel bij zal dragen aan het terugdringen van het aantal daklozen jongeren.

De maatregel heeft tot doel jongeren te activeren om te kiezen voor het volgen van onderwijs of het zoeken van werk. De regering deelt de mening van deze leden, dat door deze maatregel het aantal dakloze jongeren zal groeien niet. Door onderwijs te volgen of te werken verschaft de jongere zich een inkomen. Eventueel kan de jongere terugvallen op bijstand. Door werk of onderwijs wordt het perspectief van jongeren vergroot, zodat de kans op dakloosheid in de toekomst afneemt. Bovendien krijgen colleges door decentralisaties op andere, aanpalende gemeentelijke terreinen, zoals de decentralisatie van begeleiding uit de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en op termijn de decentralisatie van de Jeugdzorg, extra mogelijkheden in handen om jongeren met multiproblematiek op een meer integrale wijze te ondersteunen. In combinatie met dit wetsvoorstel stelt de decentralisaties de gemeenten in staat op professionele wijze maatwerk te leveren. Daarbij hoort ook dat als een jongere zich bij het UWV meldt en het UWV in overleg met de gemeente inschat dat het risico van dakloosheid reëel is en dat er sprake is van een urgente situatie, voor het college de mogelijkheid bestaat op grond van zeer dringende redenen (artikel 16 van de WWB) bijstand te verlenen.

De leden van de SP-fractie vragen of de jongere, die na vier weken wordt afgewezen en in bezwaar gaat, een inkomensvoorziening krijgt totdat er een beslissing wordt genomen over het bezwaarschrift.

Indien het college een aanvraag voor bijstand van een jongere afwijst, kan de jongere hiertegen bezwaar maken. De jongere krijgt in de tussentijd geen bijstand. Bezwaar heeft geen schorsende werking. Wie tijdens een bezwaar- (of beroeps)procedure in financiële problemen dreigt te komen, kan aan de president van de rechtbank (of de Centrale Raad van Beroep) een voorlopige voorziening vragen. Daarbij kan bijvoorbeeld verzocht worden om de uitkering toch uit te betalen over de periode dat er nog geen uitspraak is gedaan inzake het ingestelde bezwaar.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze het inkomensgat tussen een verstrekking op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (RVA-regeling) en een uitkering op grond van de WWB voor vluchtelingenjongeren wordt opgevangen. Deze leden vragen voorts of de regering bereid is om in het wetsvoorstel rekening te houden met de specifieke situatie van jonge vluchtelingen, die een eerste aanvraag op grond van de WWB doen, nadat ze vanuit een asielzoekerscentrum zijn verhuisd naar een woning in een gemeente. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten hoe bij het voorstel voor de wachttermijn van vier weken voor de indiening van een WWB-aanvraag door personen jonger dan 27 jaar rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van vluchtelingenjongeren, die een eerste WWB aanvraag doen, nadat ze vanuit een asielzoekerscentrum zijn verhuisd naar een woning in een gemeente. Deze leden vragen hoe een inkomensgat van vier weken voor deze doelgroep wordt voorkomen.

Vluchtelingen(jongeren) die over een verblijfsvergunning beschikken en in Nederland wonen, zijn in de WWB gelijkgesteld met in Nederland woonachtige Nederlanders. Ook voor deze vluchtelingenjongeren geldt dus, net als voor alle andere jongeren onder de 27 jaar die onder de WWB (gaan) vallen, dat zij met de maatregelen in het wetsvoorstel eerst geacht worden zelf vier weken op zoek te gaan naar werk of scholing. Het feit dat zij, alvorens een beroep op bijstand te doen, een verstrekking op grond van de RVA-regeling ontvingen, doet daar niet aan af. Immers de regering wil dat alle jongeren onder de 27 jaar in vergelijkbare situaties op hun eigen verantwoordelijkheid worden aangesproken. Zij moeten eerst zelf vier weken op zoek gaan naar werk of scholing.

De SP vraagt of de regering kan aangeven hoeveel banen voor jongeren er met dit onderdeel uit het wetsvoorstel gecreëerd worden. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten met welke maatregelen de regering de kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt gaat vergroten, zodat de kans op het daadwerkelijk vinden van werk ook groter wordt.

De aanscherping van de voorwaarden en sancties voor jongeren hebben tot doel de eigen verantwoordelijkheid van de jongere veel duidelijker te verankeren in de wetgeving. Het is hiermee in eerste instantie aan de jongere zelf om zijn kansen tot het vinden van een baan te vergroten.

De leden van de fractie van D66 vragen of de regering meent dat gemeenten ervoor moeten waken dat jongeren niet in zware problemen komen doordat ze niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien vanwege aanscherping van de voorwaarden en sancties.

De regering is van oordeel dat alle mensen, ook jongeren, er zelf voor moeten waken dat zij in zware problemen komen doordat zij niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Juist daarom wil de regering dat jongeren zich al in een vroeg stadium bewust worden van hun eigen verantwoordelijkheid voor de toekomst. Zij moeten gebruik maken van de onderwijsmogelijkheden die geboden worden en zich hiermee zo goed mogelijk voorbereiden op de arbeidsmarkt. Zelf werk zoeken is een volgende stap. Opleiding en werk kunnen in de ogen van de regering tot een succes worden met eigen inzet en initiatief. Dat is ook de reden dat de regering een zoekperiode van vier weken voorstelt, voordat de jongere een aanvraag kan doen voor uitkering of ondersteuning. De jongere heeft het heft in de eerste plaats in eigen hand. Als de jongere na de periode van vier weken geen werk of scholing heeft gevonden, kan hij een aanvraag voor bijstand en ondersteuning indienen.

De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd of de regering het risico onderkent dat gemeenten te snel overgaan tot kortingen op de uitkeringen om zo bezuinigingen te realiseren op hun begroting en welke maatregel de regering hiertegen heeft getroffen of overwogen.

De regering is voorstander van een duidelijke, consequente en vastberaden benadering van mensen in een uitkeringssituatie. Iedereen die kan werken, moet werken. En iedereen moet er ook alles aan doen om dat werk te verwerven. Op grond van de WWB zijn colleges verplicht om een sanctie toe te passen op de bijstand als iemand zijn verplichtingen niet nakomt, behoudens indien elke verwijtbaarheid ontbreekt. Gemeentelijke budgettaire afwegingen mogen daarin geen rol spelen. Een besluit tot verlaging of weigering van de bijstandsuitkering is vatbaar voor bezwaar en beroep. Dit biedt voldoende waarborgen voor de jongere op besluitvorming die voldoet aan het wettelijk kader.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan aangeven of de bestaande kennis en capaciteit bij colleges voldoende is om maatwerk te bieden en zo ja, waaruit dat blijkt, en zo nee welke maatregelen de regering neemt om ervoor te zorgen dat zij dat kunnen.

Gezien de ervaringen die de laatste jaren zijn opgedaan met de uitvoering van de WWB (sinds 2004) en de WIJ (sinds 2009), waarin «maatwerk» het uitgangspunt is, heeft de regering er vertrouwen in, dat de colleges ook met de voorgestelde wijzigingen goed uit de voeten kunnen. Daar waar dit nog niet optimaal is, verwacht de regering dat deze maatregel bijdraagt aan de verdere ontwikkeling van een professionele uitvoering van de WWB. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voornemens om gemeenten te ondersteun en bij de implementatie van dit wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering de huidige WIJ niet eerst evalueert alvorens tot nieuwe wijzigingen over te gaan. Voorts vragen deze leden hoe regering oordeelt over de doeltreffendheid en de effecten van de WIJ tot nu toe.

De WIJ was een eerste stap naar het uitgangspunt dat een jongere hoort te werken of te leren. De regering onderschrijft de uitgangspunten van de WIJ, maar gaat met deze aanscherping een stap verder. De regering is van mening dat de huidige systematiek ruimte laat voor een afwachtende en vrijblijvende houding van jongeren. De WIJ biedt jongeren ruimte om te kijken met welk aanbod de gemeente komt. Dat acht de regering principieel onjuist. De regering benadrukt het belang van de eigen verantwoordelijkheid en verankert deze in de wet.

De resultaten van de evaluatie van de WIJ ontvangt de Kamer najaar 2011.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of gemeenten de beleidsvrijheid krijgen om te mogen afwijken van de wachttijd van vier weken als dat opname in een opvanginstelling mogelijk maakt en als afwijking niet mogelijk is, waarom de regering hierin niet wil voorzien.

Zoals aangegeven in antwoord op eerdere vragen van de leden van de VVD-fractie en van de SP-fractie over de situatie van zwerfjongeren, geeft de WWB het college reeds de bevoegdheid om af te wijken op grond van zeer dringende redenen. Gezien de reikwijdte van deze bevoegdheid ziet de regering geen aanleiding voor een specifieke afwijkingsbepaling in dit wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie vragen of de RMC-functie ook automatisch op de hoogte wordt gesteld wanneer een jongere zich meldt bij het loket van UWV.

RMC- medewerkers krijgen melding over schoolverzuim of dreigende uitval via het digitale verzuimloket van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Verder heeft in een aantal regio’s een pilot gelopen waarbij RMC’s periodiek gegevens (of de jongere al een baan heeft of ingeschreven is als werkzoekende of als uitkeringsgerechtigde) uit het SUWI-domein kregen. Na evaluatie is recent besloten de pilots uit te breiden over het hele land. Naast de periodieke levering van gegevens uit het SUWI-domein aan RMC’s, wordt RMC’s hierbij ook de mogelijkheid geboden om een inkijk te doen in een speciale omgeving van het SUWI-domein (het betreft een beperkte selectie van gegevens, waaronder gegevens van het UWV) op individueel niveau.

3. Aanscherping gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets

De leden van de VVD-fractie vragen onderzoeken te overleggen waaruit naar voren komt dat werklozen, die een verlaging van hun uitkering of geen uitkering te wachten staan, sneller blijken uit te stromen dan andere werklozen. De leden van de SP-fractie wijzen erop dat de regering de gezinsbijstand wil aanscherpen, omdat werken vanuit een uitkering moet gaan lonen. Ook deze leden vragen de regering uiteen te zetten waaruit zou blijken dat werklozen, die een verlaging van hun uitkering of geen uitkering te wachten staat, sneller blijken uit te stromen. Deze leden vragen voorts hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de conclusies uit het onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) waaruit blijkt dat financieel gewin nauwelijks een prikkel is om het zoekgedrag van bijstandsgerechtigden te intensiveren.

De bijstand is bedoeld als een laatste vangnet. Kenmerkend voor de bijstand is het complementaire karakter waardoor eerst alle middelen waarover wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt voor het levensonderhoud dienen te worden aangewend voordat een beroep op dit laatste vangnet wordt gedaan. Waar in een huishouden middelen zijn, hoort geen bijstand verstrekt te worden. In de situatie van een gezin met meerderjarige kinderen komt dit uitgangspunt in de bestaande situatie onvoldoende tot uitdrukking. Daarom is het van belang dat het complementaire karakter van de bijstand op dit punt wordt aangescherpt door gezinsbijstand als norm te nemen en de huishoudinkomenstoets voor alle meerderjarige gezinsleden te laten gelden.

Het is niet aanvaardbaar dat in het ene huis een kostwinner met minimumloon een gezin moet onderhouden terwijl bij de buren een bijstandsgezin met niet-werkende inwonende meerderjarige kinderen meer dan twee keer zoveel inkomen heeft. Een stapeling van bijstandsuitkeringen die leidt tot een inkomen ver boven het minimumloon stimuleert niet om te gaan werken. Er moet daarom voorkomen worden dat er binnen een gezin meerdere bijstandsuitkeringen worden gestapeld of dat binnen een gezin naast loon ook bijstandsuitkeringen worden verstrekt. De beoogde vorm van de gezinsbijstand en de huishoudinkomenstoets leidt tot een lagere uitkering waardoor een financiële prikkel ontstaat om het zoekgedrag te intensiveren en sneller een baan te accepteren en zodoende de inkomenspositie te verbeteren.

Dat uitkeringsgerechtigden reageren op financiële prikkels waardoor het zoekgedrag wordt geïntensiveerd blijkt uit het rapport «Riant aan de kant: Een analyse van de invloed van uitkeringsvoorwaarden op werkloosheidsduur»; Rapport Statistiek en Onderzoek GAK. Aanvullend verwijst de regering naar de CPB-notitie «Armoedeval geeft wél gedragseffecten». Hierin concludeert het CPB dat de bevindingen van het door de Leden van de SP aangehaalde SCP-onderzoek geen aanleiding geven tot bijstelling van het overheersende beeld uit economisch onderzoek dat de armoedeval gedragseffecten heeft. Immers, internationaal onderzoek laat het consistente beeld zien dat op het moment dat werk meer gaat lonen, de inspanning om werk te zoeken toeneemt en uitkeringsgerechtigden ook meer geneigd zijn banen te accepteren. Het onderhavige wetsvoorstel gaat hier dan ook van uit.

De leden van de VVD-fractie geven aan dat de regering toelicht dat het wettelijk minimumloon in andere landen lager is dan in Nederland. Deze leden vragen of de regering kan aangeven wat het niveau van het wettelijk minimumloon in andere landen is.

Het wettelijk minimum loon bestaat niet in alle EU-landen. Er bestaat bijvoorbeeld geen wettelijk minimumloon in Duitsland, Zweden, Denemarken, Oostenrijk en Italië. Hieronder volgt een tabel van belangrijke EU-landen waar men wel een wettelijk minimumloon heeft (Cijfers Eurostat 01–01 2011).

Tabel 3.1 Belangrijke EU-landen waar men een wettelijk minimumloon kent

Land

Hoogte wettelijk bruto minimumloon in €.- afgerond

NL

1 424

België

1 415

Frankrijk

1 365

UK

1 139

Spanje

748

Portugal

566

Polen

349

Tsjechië

319

Slovenië

748

Hongarije

281

Roemenië

157

Bulgarije

123

Deze leden vragen voorts om een overzicht van het bijstandsniveau in andere landen.

Net als in Nederland is in andere landen de hoogte van de bijstandsnorm afhankelijk van de gezinssamenstelling. Daarnaast kennen sommige landen verschillende minimumregelingen met verschillende aanvullende vergoedingen voor verschillende doelgroepen. Zo worden in het VK de huurkosten volledig vergoed en krijgt men in Zweden en Duitsland meer bijstand naarmate men meer of oudere kinderen heeft. Met deze aanvullende vergoedingen is in het overzicht geen rekening gehouden. (Missoc, cijfers 01-01-2011).

Tabel 3.2 Overzicht van het bijstandsniveau in andere landen

Land

Gehuwden

Alleenstaande ouder met één kind jonger dan 5 jaar

Alleenstaande

Denemarken I

€ 2 646.-

€ 1 758.-

€ 1 323.-

Denemarken II

€ 1 414.-

onbekend

€ 853.-

Nederland

€ 1 314.-

€ 1 182.-

€ 920.-

Noorwegen

€ 1 073.-

€ 892.-

€ 646.-

België

€ 968.-

€ 968.-

€ 726.-

Frankrijk

€ 860.-

€ 788.-

€ 460.-

Duitsland

€ 646.-

€ 574.-

€ 359.-

Zweden

€ 630.-

€ 578.-

€ 383.-

Finland

€ 615.-

€ 362.-

€ 362.-

VK

€ 536.-

€ 613.-

€ 343.-

Noot: in Denemarken heeft men in de eerste 6 maanden (I) recht op een hoger bijstandsniveau, daarna is het bijstandsniveau aanzienlijk lager (II) De uitkering in Denemarken is een bruto-uitkering, andere landen kennen een netto uitkering.

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat gezinsleden door de voorgestelde wetswijziging niet langer ieder voor zich een individuele bijstandsuitkering kunnen aanvragen. Zij zullen dit gezamenlijk moeten doen als gezin als zelfstandig subject. Deze leden vragen aan wie deze gezamenlijke uitkering dan verstrekt wordt, bijvoorbeeld aan het hoofd van het gezin. De leden vragen wie dat dan is en of er een gezamenlijke bankrekening noodzakelijk is. Ook de leden van de fracties van PvdA-, CDA- en SP vragen op welke manier de uitkering wordt uitbetaald. Deze leden vragen of de uitkering wordt verdeeld over de verschillende leden van het huishouden of naar één rekening gaat. Daarbij vragen zij of nog rekening wordt gehouden met wie er toegang heeft tot deze rekening. De leden van de PVV-fractie vragen eveneens of inzicht kan worden gegeven in de wijze waarop een uitkering wordt uitbetaald. Zij vragen daarbij, samen met de leden van de CDA-, SP- en ChristenUnie-fracties», of de uitkering evenredig wordt verdeeld over de gezinsleden of dat één gezinslid het totaalbedrag krijgt uitgekeerd voor het hele gezin uitgekeerd. In dit laatste geval vragen zij aan welk gezinslid dat dan is. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarbij of het gaat om de gezinsleden, die werkloos zijn.

In antwoord op de vragen van de leden van de fracties van de VVD, CDA, PvdA, SP, PVV en ChristenUnie meldt de regering dat in het wetsvoorstel is geregeld dat het recht op bijstand de meerderjarige rechthebbende gezinsleden gezamenlijk toe komt. De uitbetaling van de bijstandsuitkering kan op twee manieren. De gezinsleden kiezen welke manier ze willen. De eerste manier is dat de bijstandsuitkering in gelijke delen aan ieder van de meerderjarige gezinsleden wordt uitbetaald. Dit is de hoofdregel, die geldt als de gezinsleden niet gezamenlijk om de tweede manier van uitbetalen verzoeken. Die tweede manier is dat de bijstandsuitkering op gezamenlijk verzoek van de meerderjarige gezinsleden aan één van hen voor het geheel wordt uitbetaald. Aan wie dat dan is en op welke bankrekening, maken de gezinsleden onderling uit. Zij kunnen daarbij rekening houden met wie er toegang heeft tot deze bankrekening of met het gezinslid dat werkloos is.

Als in een gezin ook gehuwden zijn, kan op gezamenlijk verzoek van de echtgenoten hun deel van de uitkering worden uitbetaald aan een van hen.

De leden van de CDA- en SP-fracties vragen bovendien of het hele gezin zich tegelijkertijd moet melden bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering. De leden van de CDA-fractie vragen daarbij nog wat er gebeurt als één van de gezinsleden hieraan niet aan meewerkt, of bijvoorbeeld op vakantie is. De leden van de PvdA-fractie vragen eveneens of alle gezinsleden van een gezin dat een uitkering aanvraagt zich tegelijkertijd moeten melden aan het gemeenteloket. De leden van de PvdA vragen daarnaast of 27-minners, 65-minners en 65-plussers tegelijk bij hetzelfde loket terecht kunnen.

De regering wijst erop dat ook de aanvraag van de bijstandsuitkering op twee manieren kan. De eerste manier is dat de bijstandsuitkering door de meerderjarige gezinsleden gezamenlijk wordt aangevraagd. Of het gehele gezin zich dan tegelijkertijd moet melden, bepalen het UWV en de colleges. Zij zijn verantwoordelijk voor de inrichting van de uitvoering ter plekke. De tweede manier is dat de bijstandsuitkering door één of meer van hen met schriftelijke toestemming van de ander of anderen wordt ingediend. Op deze wijze is het niet noodzakelijk dat alle gezinsleden zich tegelijkertijd melden. Ook als iemand tijdelijk elders verblijft, kan hij of zij schriftelijk toestemming geven voor de aanvraag van een bijstandsuitkering.

Als iemand niet wil meewerken aan de aanvraag van een bijstandsuitkering, kan de aanvraag niet tot stand komen. Een bijstandsuitkering moet door alle meerderjarige gezinsleden worden aangevraagd, omdat het recht op en hoogte van de gezinsbijstand afhankelijk is van de omstandigheden van alle gezinsleden. Als één van de gezinsleden uitdrukkelijk weigert in te stemmen met de aanvraag om bijstand en daardoor het belang van de overige gezinsleden in het gedrang komt, kan het college in uitzonderingsgevallen het recht op bijstand ambtshalve vaststellen.

Bij welk loket zij terecht kunnen is afhankelijk van hoe het UWV en de colleges lokaal de uitvoering hebben ingericht. Door de verantwoordelijkheid hiervoor decentraal te beleggen wordt de mogelijkheid gecreëerd om een klantgerichte benadering optimaal te maken. Ingeval er sprake is van een persoon van 65 jaar en ouder met een partner jonger dan 65 jaar dient de aanvraag om aanvullende bijstand op grond van de Aio te worden gedaan bij de SVB, die deze regeling uitvoert.

De leden van de VVD- en D66-fracties constateren dat de regering een uitzondering maakt voor de situatie waarin een meerderjarig bloed- of aanverwant in de eerste graad studeert of een opleiding volgt en wiens in aanmerking te nemen inkomen niet meer bedraagt dan 80% van het netto minimumloon, inclusief vakantiebijslag en inclusief de ontvangen studiefinanciering. Deze leden willen graag weten waarop dit percentage van 80% is gebaseerd, dan wel is gestoeld. De leden van de VVD-fractie vragen voorts waarom de beroepsbegeleidende leerweg als uitgangspunt wordt genomen en niet bijvoorbeeld het maximale wat iemand mag bijverdienen naast een studiebeurs. In een dergelijke situatie waarin de ouders bijstand genieten zal de meerderjarige student veelal naast de studiebeurs een maximale aanvullende beurs ontvangen.

Aangezien studerenden in zijn algemeenheid niet fulltime werken, is de beroepsbegeleidende leerweg (vier dagen werken tegen het wettelijk minimumloon, één dag naar school) als uitgangspunt genomen. Op grond van de Wet studiefinanciering 2000 kan een studerende naast de studiefinanciering bijverdienen tot € 13 215 (2011) per jaar. Dit acht de regering niet passen bij minimumkarakter van de WWB. Daarom is de regering bij het maximale dat een studerende mag verdienen, uitgegaan van het wettelijk minimumloon inclusief de studiefinanciering.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd hoeveel procent van het netto minimumloon de studiefinanciering bedraagt voor deze groep.

In de onderstaande figuur wordt de studiefinanciering uitgedrukt in percentages van het netto referentieminimumloon (uitgaande van de bijstandsnorm voor paren van 21 jaar en ouder). In het hoger onderwijs geldt dat de basisbeurs ca. 7% van het referentieminimumloon bedraagt en de maximale aanvullende beurs ca. 17%. In het beroepsonderwijs geldt dat de basisbeurs circa 6% van het referentieminimumloon bedraagt en de maximaal aanvullende beurs circa 23%.


                  Figuur 3.1: Studiefinanciering 2010/2011 (basis en maximale aanvullende beurs) in percentages van het netto referentieminimumloon inclusief vakantietoeslag (bedrag januari-juni 2011).

Figuur 3.1: Studiefinanciering 2010/2011 (basis en maximale aanvullende beurs) in percentages van het netto referentieminimumloon inclusief vakantietoeslag (bedrag januari-juni 2011).

De leden van de VVD-fractie vragen voorts of de regering kan aangeven hoeveel deze meerderjarige student per maand in gemiddeld aantal euro’s mag bijverdienen naast zijn maximale beurs en hoeveel zijn inkomsten in totaal zullen zijn gerelateerd aan de kosten, die een gemiddeld inwonende student voor zijn studie dient te maken.

In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat het inkomen uit studiefinanciering in het kader van de WWB in aanmerking wordt genomen naar de normbedragen voor kosten van levensonderhoud op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (artikel 3.18). Voor een thuiswonende student die hoger onderwijs of beroepsonderwijs volgt, bedragen deze normbedragen respectievelijk € 604,15 per maand en € 462,08 per maand. Een thuiswonende student wordt niet tot het gezin gerekend als hij tot € 1 023,42 per maand inclusief het normbedrag levensonderhoud studiefinanciering bijverdient. Het verschil tussen dit bedrag en de genoemde normbedragen is wat een thuiswonende student gemiddeld genomen kan bijverdienen met werk.  De kosten die een gemiddelde inwonende student voor zijn studie dient te maken bedroegen in 2009 circa 121 euro per maand, zo blijkt uit de studentenmonitor. Het gaat hier om de gemiddelde uitgaven aan collegegeld en boeken op basis van de gegevens over 3,5 duizend thuiswonende studenten.

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het feit dat een tweede uitzondering wordt gemaakt indien er sprake is van een zorgbehoevend gezinslid, dat beschikt over een geldig indicatiebesluit op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) voor tien of meer uren zorg in de week. Deze leden vragen of de regering kan aangeven of deze uitzondering ook van toepassing is wanneer er meerdere zorgbehoevenden zijn binnen het gezin, waarbij weliswaar een lager indicatiebesluit per zorgbehoevende bestaat, maar opgeteld tien of meer uren zorg nodig zijn. De leden van de PVV-fractie en de SP-fractie vragen of het aantal van tien zorguren geldt per zorgbehoevend persoon of per gezin. Ook vragen deze leden of als er bijvoorbeeld twee gezinsleden een indicatiebesluit op grond van de AWBZ hebben voor, tezamen, meer dan tien uur in de week, en deze zorg wordt door een gezinslid verleend, de uitzondering dan ook geldt.

In antwoord op de vragen van de leden van de fracties van de VVD, PVV en SP geeft de regering aan dat in dat geval de uitzondering niet van toepassing is. De uitzondering is namelijk niet gericht op de zorgverlener, maar op de zorgbehoevende. De uitzondering geldt alleen als het zorgbehoevende gezinslid een geldig indicatiebesluit heeft waarin is opgenomen dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week zorg op grond van de AWBZ. Omdat de uitzondering leidt tot een eigen bijstandsuitkering en inkomenstoets vindt de regering het gerechtvaardigd dat iedere zorgbehoevende in een gezin aan de gestelde eisen voldoet. Bij een AWBZ-indicatie minder dan 10 uur acht de regering het mogelijk dat de mantelzorg gecombineerd kan worden met werk.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering ook kan aangeven wat deze uitzondering betekent voor een situatie dat er meerdere gezinsleden zijn, die deze zorg kunnen bieden, bijvoorbeeld aan een zorgbehoevend broertje door een schoolgaand of studerend inwonende meerderjarige zus. De leden van de PvdA-fractie vragen of de voorgestelde uitzondering van de gezinsbijstand voor een zorgbehoevende persoon met een AWBZ-indicatie alleen mogelijk in het geval waarin een kind voor zijn ouder zorgt of een ouder voor zijn kind. Deze leden vragen of de uitzondering ook geldt als een partner de andere zorgbehoevende partner verzorgd.

De leden van de PVV-fractie constateren dat in de memorie van toelichting op bladzijde 9 wordt gesproken over een zorgrelatie tussen ouders en kinderen. Deze leden vragen of de uitzondering ook geldt voor andere zorgsituaties, waar bijvoorbeeld een broer voor een zus zorgt of waarbij partners voor elkaar zorgen. Deze leden vragen daarnaast of het aantal van tien of meer zorguren door één en hetzelfde gezinslid moet worden verleend of dat het aantal zorguren over andere gezinsleden mag zijn verdeeld. Ook de leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten of het aantal zorguren door één persoon uit het huishouden moet worden verleend of dat het aantal zorguren kan worden verspreid over verschillende gezinsleden. Zij vragen voorts of de uitzondering voor gezinsbijstand alleen geldt voor ouders, die zorg verlenen aan de kinderen of ook andersom. Deze leden vragen ook of deze uitzondering ook geldt als het ene meerderjarige thuiswonende kind het andere meerderjarige thuiswonende kind zorg of als de ene ouder de andere ouder zorg verleent. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan aangeven of het aantal van tien of meer zorguren door één en hetzelfde gezinslid moet worden verleend of dat het aantal zorguren over andere gezinsleden verdeeld mag zijn.

In antwoord op de vragen van de leden van de fracties van de VVD, PVV, PvdA, SP en ChristenUnie meldt de regering dat de uitzondering op de gezinsbijstand wegens zorgbehoefte alleen geldt als

  • de zorg aan één of meer zorgbehoevende meerderjarige kinderen wordt verleend door één of beide ouders binnen het gezin

  • dan wel als de zorg aan één ouder of aan beide ouders wordt verleend door één of meer meerderjarige kinderen binnen het gezin.

Het gaat dus om zorg aan en door bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. De uitzondering geldt dus niet als een de ene partner in een gezin waar ook meerderjarige inwonende kinderen aanwezig zijn de andere zorgbehoevende partner verzorgt. Ook geldt de uitzondering niet als in dergelijke situatie een broer voor zijn zus zorgt.

De zorguren behoeven niet door één en hetzelfde gezinslid te worden verleend. Ouders kunnen bijvoorbeeld het aantal van tien of meer zorguren onderling verdelen (zie het beoogde artikel 4, vijfde lid onderdeel c).

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de regering toelicht dat deze mantelzorg ook reden is om een uitzondering te maken op de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en tot het verrichten van een tegenprestatie door de zorgverlenende (stief/schoon) ouder(s) of het zorgverlenende (stief/aangetrouwde) meerderjarige kind. Deze leden vragen of de regering dit niet opmerkelijk acht en in hoeverre deze zorg verschilt van bijvoorbeeld de zorg voor het kind onder de vijf jaar door een alleenstaande ouder, waarbij nu juist de vrijstelling van de sollicitatieplicht met het voorliggende wetsvoorstel wordt afgeschaft.

De regering acht dit niet opmerkelijk. In dit wetsvoorstel stelt de regering geen algemene ontheffingsmogelijkheid voor mantelzorg voor. Degene die mantelzorg verleent, heeft in beginsel de verplichting algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit wetsvoorstel wijzigt dit niet. Wel regelt dit wetsvoorstel dat de belanghebbende de plicht heeft algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, als er voldaan is aan een aantal voorwaarden. Het college moet namelijk eerst beoordelen of het verlenen van mantelzorg gecombineerd kan worden met werk. Als het college van oordeel is dat dat niet kan, hoeft de belanghebbende dat werk niet te aanvaarden. De plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden blijft echter wel onverkort gelden. Een andere baan kan immers wel gecombineerd worden met mantelzorg. Op deze manier kan het college maatwerk verlenen bij de combinatie van werk en mantelzorg. Dit is van een andere orde dan de algemene ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders met een kind tot vijf jaar, die met dit wetsvoorstel wordt afgeschaft. Door die algemene ontheffingsmogelijkheid geldt de plicht tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerd arbeid in zijn geheel niet.

In vervolg op de voorgaande vraag vragen de leden van de VVD-fractie of de regering vindt dat een zorgverlenende ouder naast de zorg voor een zorgbehoevend kind met bijvoorbeeld een indicatiebesluit van tien uur zorg ook een aantal uren een andere vorm van tegenprestatie naar vermogen zou kunnen leveren.

Het wetsvoorstel biedt hiertoe de mogelijkheid. Of het mogelijk is het verlenen van mantelzorg te combineren met het verrichten van een tegenprestatie, is afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval. Deze beoordeling is aan het college dat maatwerk verleent.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven wat het effect is op de hoogte van de gezinsuitkering wanneer een zorgbehoevend persoon met een indicatiebesluit van tien uur zorg of meer 65 jaar wordt en daarmee niet meer onder de uitzondering valt. De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten wat het effect is op de hoogte van de gezinsbijstand als een zorgbehoevend persoon vanwege zijn of haar leeftijd eerst wel, en vervolgens niet meer onder de uitzonderingsregel valt vanwege het passeren van de leeftijd van 65 jaar. De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de uitzondering voor het verlenen van mantelzorg bij de huishoudinkomenstoets niet geldt als de zorgbehoevende de AOW-leeftijd heeft bereikt, wat leidt tot het risico dat kinderen geen mantelzorg meer aan hun ouders gaan verlenen om te voorkomen dat zij zelf hun uitkering verliezen. Waarom acht de regering deze ontwikkeling wenselijk. Voorts vragen deze leden in welke mate er een groter beroep op zorginstelling wordt veroorzaakt en tot welke extra kosten dit leidt.

Als de zorgbehoevende persoon 65 jaar wordt, wordt zijn WWB-uitkering vervangen door een AOW-uitkering en een eventueel aanvullend pensioen. Net als nu het geval is zal het inkomen van het zorgverlenende inwonende kind geen gevolgen hebben op de hoogte van de AOW-uitkering. Bovendien geldt voor (zorgbehoevende) mensen van 65 jaar en ouder – anders dan voor mensen jonger dan 65 jaar – het recht op categoriale bijzondere bijstand indien er uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten aanwezig zijn. Onder dit recht vallen meer kosten dan onder de categoriale bijzondere bijstand voor mensen jonger dan 65 jaar. Hierdoor kunnen de colleges goed rekening houden met zorgkosten en dus ook met kosten van voorzieningen waardoor mensen buiten een zorginstelling kunnen blijven. De regering gaat er derhalve van uit dat voor zorgbehoevenden die 65 jaar worden voldoende wordt voorzien in de kosten van de zorgbehoefte.

Ook willen de leden van de VVD-fractie weten wat het effect is op de uitzonderingen op de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerd arbeid en tot het verrichten van een tegenprestatie naar vermogen van de zorgverlener, wanneer een zorgbehoevend persoon met een indicatiebesluit van tien uur zorg of meer 65 jaar wordt.

In dit wetvoorstel wordt voorgesteld dat de verplichting voor mantelzorgers om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en tot het verrichten van een tegenprestatie alleen bestaat als het college zich genoegzaam heeft overtuigd dat dit te combineren is met het verlenen van de mantelzorg. Deze uitzondering geldt ongeacht de leeftijd van de mantelzorger.

De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde wetswijziging in de visie van de regering het effect kan hebben dat kinderen minder snel hun ouders in huis zullen verzorgen.

Het doel van het wetsvoorstel is om de vangnetfunctie van de WWB voorop te stellen Daarnaast wil de regering, meer dan nu het geval is, stapeling van uitkeringen binnen een gezin tegengaan of dat binnen een gezin naast loon óók bijstandsuitkeringen worden verstrekt. De regering onderkent dat het voorstel een effect kan hebben op de bereidheid van kinderen om ouders in huis te verzorgen. Dit is evenwel het gevolg van de eigen keuzes en afhankelijk van meer omstandigheden dan louter de financiële aanpassing zoals in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld.

De leden van de VVD- en de PvdA-fracties zijn benieuwd naar de situatie waarin één van de gezinsleden onvoldoende meewerkt aan de verplichtingen om werk te verkrijgen, bijvoorbeeld het thuiswonend meerderjarig kind onder de 27 jaar. Deze leden vragen welke effecten dit kan hebben voor de gezinsuitkering en in welke mate er dan een korting op de gezinsuitkering plaatsvindt.

Deze leden vragen vervolgens of er omstandigheden zouden kunnen zijn die ertoe kunnen leiden dat door toedoen van één gezinslid de gezinsuitkering zou kunnen worden ingetrokken of verlaagd. De leden van de PvdA-fractie vragen voorts wat de rest van het gezin in een dergelijk geval kan doen om de niet de dupe te worden van een niet-meewerkend gezinslid. De leden van de SP-fractie vragen de regering eveneens om toe te lichten wat er gebeurt als één gezinslid zich onttrekt aan de sollicitatieplicht of re-integratieplicht. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie willen weten wat het gevolg is voor de uitkering van de andere gezinsleden indien bijvoorbeeld één van de gezinsleden zijn verplichtingen niet nakomt. De leden van de SP-fractie vragen daarbij of dan de gezinsbijstand wordt gekort, ook als de reden van de sanctie volkomen buiten de schuld van de andere gezinsleden ligt.

Als één van de meerderjarige gezinsleden onvoldoende meewerkt aan de verplichtingen om werk te verkrijgen dan wel andere aan de bijstand verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, is het college verplicht de gezinsbijstand te verlagen of in te trekken. De hoogte en de duur van de verlaging wordt door het college vastgesteld. Het gemeentelijk verlagingenbeleid is vastgelegd in een gemeentelijke verordening. De overige gezinsleden kunnen het gezinslid dat niet meewerkt aanspreken op zijn gedrag en erop wijzen dat zij geconfronteerd worden met de consequenties van dat gedrag. Het feit dat de reden van deze verlaging buiten de schuld van de andere gezinsleden ligt, doet hier niet aan af. De regering wijst er overigens op dat dit niet nieuw is. Als één van de gehuwden of ongehuwd samenwonenden de aan de bijstand verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, wordt in de huidige situatie eveneens de gehuwdennorm verlaagd, ook als de reden van de verlaging buiten de schuld van de andere echtgenoot of ongehuwd samenwonende ligt.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering effecten verwacht van de huishoudinkomentoets op bijzondere bijstand en mogelijk schuldhulp. Zo nee, waarom niet? De leden van de SP-fractie verzoeken de regering om een toelichting over welke consequenties de versobering van de uitkering voor gezinnen heeft voor het beroep op bijzondere bijstand, WMO, armoedebeleid en schuldhulpverlening. Kan de regering dit per voorziening toelichten zo vragen zij? De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat gemeenten een groter beroep op sociale vangnetten zoals de bijzondere bijstand en de schuldhulpverlening verwachten en dat de regering ook aangeeft dat problemen, die als gevolg van het wetsvoorstel ontstaan, moeten worden opgelost via de bijzondere bijstand. Zij willen weten welke consequenties de regering verwacht. Met welk aantal zal naar verwachting het beroep op de bijzondere bijstand en de schuldhulpverlening toenemen en wat zijn financiële gevolgen voor gemeenten hiervan zo vragen deze leden.

De bijstand is bedoeld als een laatste vangnet. Kenmerkend voor de bijstand is het complementaire karakter waardoor eerst alle middelen waarover wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt voor het levensonderhoud dienen te worden aangewend voordat een beroep op dit laatste vangnet mag worden gedaan. Waar in een huishouden inkomsten zijn, hoort geen bijstand verstrekt te worden. In de situatie van een gezin met meerderjarige kinderen komt dit uitgangspunt in de bestaande situatie onvoldoende tot uitdrukking waardoor er de facto niet noodzakelijke kosten via de WWB worden afgewenteld op de algemene middelen. Daarom is het van belang dat het complementaire karakter van de bijstand op dit punt wordt aangescherpt door gezinsbijstand als norm te nemen en de huishoudinkomenstoets voor alle meerderjarige gezinsleden te laten gelden. In de nieuwe situatie wordt de gezinsnorm volgens de wettelijk regeling en wettelijke definitie toereikend geacht. Iedere teruggang in inkomen kan tot het ontstaan van financiële problemen leiden. Het is aan mensen zelf om hierop te anticiperen. Mensen zijn eerst en vooral zelf verantwoordelijk om (het risico) op problematische schulden te voorkomen en zullen dus actie moeten ondernemen, zoals het vergroten van hun inkomsten of aanpassen van hun bestedingspatroon. De regering verwacht dan ook niet dat de voorgestelde maatregel tot ingrijpende effecten op de bijzondere bijstand en de schuldhulpverlening zal leiden. De bevoegdheid van gemeenten om binnen de wettelijke kaders van de WWB een eigen inkomensondersteuningsbeleid vast te stellen en de beschikbare middelen daarbij naar eigen inzicht op een zo effectief mogelijke manier in te zetten, wordt niet gewijzigd. Zoals ook in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is aangegeven, is de regering van mening dat de gemeenten zelf de mogelijkheid hebben om extra druk op de bijzondere bijstand en schuldhulpverlening te voorkomen.

Gemeenten kunnen op grond van de WMO mensen met meerdere problemen een integraal hulpaanbod doen. De in dit wetsvoorstel aangekondigde maatregelen brengen daar geen wijziging in aan.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven welke andere indirecte effecten dit voorstel met zich mee kan brengen naast bijvoorbeeld lasten op de huurtoeslag en welke kosten daarmee globaal gemoeid zijn. Deze leden vraagt om een uitleg van de overgangsregelingen met betrekking tot de indirecte effecten van het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vragen met hoeveel extra huursubsidie en extra uitwonende studiefinanciering rekening moet worden gehouden. Deze leden vragen voorts hoeveel van deze mensen elders woonruimte zullen zoeken en welke effecten dat heeft op de woningmarkt. Deze leden vragen ook of er nog andere negatieve indirecte gevolgen van deze maatregel denkbaar zijn. De leden van de SGP-fractie vragen of de directe en indirecte kosten die het gevolg zijn van invoering van een huishoudinkomenstoets opwegen tegen de baten. Wat zijn de geschatte uitgaven voor bijvoorbeeld de huurtoeslag aan de genoemde 8 000 uitkeringsgerechtigden, zo vragen deze leden?

De indirecte effecten, bijvoorbeeld op de huurtoeslag of uitwonende studiefinanciering, zijn zogenaamde tweede orde effecten die nimmer worden meegenomen in de berekeningen bij een wetsvoorstel. Evenwel zijn de gevolgen voor de huurtoeslag naar verwachting beperkt, de soort woning die betrokken zal worden en het inkomen van de betreffende persoon c.q. huishouden zijn hierbij bepalend. De gevolgen voor de uitwonende studiefinanciering zullen nagenoeg nihil zijn aangezien er een ruime uitzonderingsbepaling voor studenten bestaat. Naar verwachting zullen studenten daarom nagenoeg niet het huishouden verlaten als gevolg van deze maatregel.

De som van de directe kosten en baten waarnaar de leden van de SGP-fractie vragen, komt uit op een besparing van structureel € 54 miljoen. Daarmee wegen kosten op tegen de baten.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre middels communicatie mensen op de hoogte worden gesteld van de aanstaande wijzigingen. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de regering gaat zorgen voor een adequate informatievoorziening aan alle cliënten waarop de verschillende maatregelen betrekking hebben.

Zoals aangegeven in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie, is het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voornemens om gemeenten te ondersteunen bij de implementatie van het voorliggende wetsvoorstel. Communicatie naar de burger, in de vorm van voorlichtingsmateriaal, kan daarvan onderdeel zijn. Colleges zijn verantwoordelijk voor de voorlichting aan bijstandsgerechtigden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering uiteen kan zetten hoe zij deze stap ziet in het licht van de ontwikkeling van het stelsel van sociale zekerheid in Nederland over de jaren. De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe deze ingrijpende maatregel in de praktijk uitwerkt en gezinnen die moeten aanpakken. De leden van de SP vragen of de huidige WWB in de visie van de regering onvoldoende prikkelt om aan het werk te gaan. Deze leden vragen vervolgens dat als de WWB onvoldoende prikkels hoe dat zich verhoudt tot de jubelverhalen over de WWB in de afgelopen jaren.

De regering constateert dat er over de jaren in toenemende mate een onbalans is opgetreden in het recht op uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen, en daarmee in de verantwoordelijkheid van de overheid en die van de individuele burger. Deze onbalans is ontstaan doordat de verplichtingen, die voortvloeien uit de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, ondergeschikt zijn geworden aan het recht, in plaats van nevengeschikt. Dit leidt tot een beroep op de sociale zekerheid dat afbreuk doet aan de solidariteit, fundament van de sociale zekerheid. Voorts gaat de onbalans ten koste van de betaalbaarheid van de sociale zekerheid. Ook de deelname aan het arbeidsproces, die met het oog op de toenemende vergrijzing van cruciaal belang is, én de kansen van mensen op werk en daarmee op perspectief, zelfrespect, sociale contacten en sociale betrokkenheid wordt daarmee ondermijnd. De voorgestelde gezinsbijstand en de huishoudinkomenstoets leidt tot een sterkere prikkel voor zowel ouder(s) als meerderjarig kind om aan het werk gaan. Met het aantal personen binnen het gezin neemt het arbeidspotentieel toe. Er zijn meer gezinsleden die potentieel kunnen werken om zo een beroep op een bijstandsuitkering te voorkomen. Van betrokkenen mag verwacht worden dat zij de verantwoordelijkheid nemen om die mogelijkheden naar vermogen te benutten. Dit past bij het uitgangspunt dat een ieder zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en dat alleen dan een beroep op de WWB noodzakelijk is als werk (tijdelijk) niet mogelijk is. In dit licht bezien is deze stap even logisch als noodzakelijk en doet die geenszins af aan de eerder bereikte resultaten en het succes van de WWB.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe er gecontroleerd gaat worden.

Bij de vaststelling van de gezinsbijstand zoals in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, kunnen de colleges gebruikmaken van de instrumenten die hen bij de uitvoering van de WWB ter beschikking staan zoals koppeling van bestanden, huisbezoeken en het hanteren van risicoprofielen. Het is aan colleges om een adequaat controle- en handhavingsbeleid te voeren.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de inkomenssituatie en het toekomstperspectief van gezinnen in verschillende samenstelling. Zij vragen de regering met klem deze situaties zorgvuldig uit te werken.

Bij de gezintypes die met dit wetsvoorstel te maken krijgen zijn er drie hoofdgroepen huishoudens te onderscheiden waarop de huishoudinkomenstoets invloed heeft, namelijk:

  • 1. Vader en/of moeder werkt of heeft inkomen uit andere bron, kind ontvangt bijstand.

  • 2. Vader en/of moeder ontvangt bijstand, kind werkt of heeft inkomen uit andere bron.

  • 3. Vader en/of moeder ontvangt bijstand, kind ontvangt bijstand.

Kenmerkend voor de bijstand is het complementaire karakter dat eerst andere inkomstenbronnen moeten worden aangewend voordat dit laatste vangnet wordt gebruikt. Waar in een huishouden eigen inkomsten zijn, hoort geen bijstand verstrekt te worden. Daarom is het van belang dat het complementaire karakter van de bijstand op dit punt wordt aangescherpt door gezinsbijstand als norm te nemen en de huishoudinkomenstoets voor alle meerderjarige gezinsleden te laten gelden.

In de situatie van een gezin met meerderjarige kinderen komt dit uitgangspunt in de bestaande situatie onvoldoende tot uitdrukking waardoor er de facto niet noodzakelijke kosten via de WWB worden afgewenteld op de algemene middelen. Een stapeling van uitkeringen die leidt tot een inkomen ver boven het minimumloon stimuleert niet om te gaan werken. Het is niet aanvaardbaar dat in het ene huis een kostwinner met minimumloon een gezin moet onderhouden terwijl bij de buren een bijstandsgezin met niet-werkende inwonende meerderjarige kinderen meer dan twee keer zoveel inkomen heeft. Door de invoering van de huishoudinkomenstoets ontstaan meer prikkels tot participatie dan nu het geval is. Met name voor de groepen waarin een van de huishoudleden overig inkomen heeft, is dit het geval. Voor deze groepen loont het om te gaan werken omdat het direct tot stijging van het gezinsinkomen leidt. De komende decennia wordt in toenemende mate krapte verwacht op de arbeidsmarkt, die in verschillende sectoren tot tekorten zal leiden. Iedereen die kan werken is straks dus hard nodig. De regering heeft daarbij ook de belangen op het oog van de belastingbetaler die de kosten van de WWB moet opbrengen.

De leden van de PvdA- en de SP-fracties vragen of de grootte van een huishouden nog invloed heeft op de hoogte van de uitkering. De leden van de ChristenUnie-fractie willen eveneens weten hoe de regering rekening houdt met de gezinssamenstellingen. In hoeverre is het aantal personen van invloed op de hoogte van de uitkering. De leden van de PvdA- en de PVV-fracties vragen de regering of een gezin in de bijstand met zes leden een even hoge uitkering krijgt als een gezin in de bijstand met drie leden. De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of de grootte van een huishouden invloed heeft op de normbedragen van de huishoudinkomenstoets of de vermogenstoets.

Als bloed- en aanverwanten in de eerste graad in dezelfde woning wonen, ontvangen zij één gezamenlijke uitkering van 100% van het netto referentieminimumloon («gezinsbijstand»), ongeacht het aantal gezinsleden in de eerste graad binnen dat huishouden, zo antwoordt de regering op de vragen van de leden van de fracties van de PvdA, SP, ChristenUnie en PVV.

Een gezin met zes leden krijgt een even hoge uitkering als een gezin in de bijstand met drie leden, mits dit gezin bestaat uit bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning wonen.

De grootte van een huishouden heeft geen invloed op de normbedragen van de vermogenstoets.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering het begrip gezin zoals dat gehanteerd zal worden in de WWB nader kan definiëren. Zij vragen daarbij hoe inwonende neven en nichten, kleinkinderen, pleegkinderen, oudtantes of andere inwonenden hierin passen. De leden van de SP-fractie hebben geconstateerd dat bloed- en aanverwanten in de eerste graad worden meegerekend bij de gezinsbijstand. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe de gezinsbijstand wordt berekend in het geval er in één huishouden zowel eerste- als tweedegraads gezinsleden wonen, bijvoorbeeld in het geval waarin opa en oma inwonen bij een gezin. Zij vragen of de grootouders in dat geval een aparte bijstandsuitkering krijgen of dat zij worden meegerekend met de gezinsbijstand.

In de huidige WWB wordt er van uitgegaan dat alleen gehuwden of ongehuwd samenwonenden alle algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen waardoor er bij hen sprake is van maximale schaalvoordelen binnen de huishouding. De regering is van mening dat hiervan ook sprake is bij degenen die bloed- en aanverwanten in de eerste graad zijn en die bij elkaar wonen in dezelfde woning. Dat sprake is van een leefsituatie die naar aard gelijkenis vertoont met die van gehuwden blijkt uit het feit dat ook de bloed- en aanverwanten in de eerste graad op grond van artikel 392 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek jegens elkaar een onderhoudsverplichting hebben2.

De definitie van gezin in de zin van dit wetsvoorstel omvat drie leefvormen. De eerste zijn gehuwden en de daarmee gelijkgestelde ongehuwd samenwonenden die een gezamenlijke huishouding voeren. Als twee neven of nichten, twee grootouders, een grootouder met een kleinkind, twee oudtantes of twee andere inwonenden in dezelfde woning wonen én zij voeren met elkaar een gezamenlijke huishouding, dan worden zij als ongehuwd samenwonenden gelijkgesteld met gehuwden en vallen zij onder de definitie van gezin. Deze leefvorm valt onder de huidige WWB evenwel ook al onder de definitie van gezin en is dus niet nieuw. De twee volgende leefvormen zijn wel nieuw in vergelijking met de huidige situatie.

De tweede leefvorm die onder de nieuwe definitie van gezin valt zijn de gehuwden en daarmee gelijkgestelde ongehuwd samenwonenden die met hun meerderjarige kinderen en eventueel hun minderjarige kinderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De derde leefvorm die onder de nieuwe definitie van gezin valt zijn de alleenstaande of de alleenstaande ouder met één of meer meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in deze woning hebben. Onder meerderjarige kinderen wordt tevens verstaan de meerderjarige stiefkinderen en de meerderjarige aangetrouwde kinderen. Een minderjarig of meerderjarig voormalig pleegkind behoort niet tot het gezin. Zij blijven zelfstandig subject van bijstand. Uit deze definitiebepaling blijkt dat als gezin wordt aangemerkt de bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. Onder de nieuwe definitie van gezin vallen -in aansluiting op artikel 392 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek- ook grootouders met kinderen en kleinkinderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Grootouders die alleen met kleinkinderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning vallen niet onder het begrip gezin.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de status is van een inwonend kind dat ouder is dan 21 jaar en dat kostgeld betaalt. Is dat kind vergelijkbaar met een zakelijke relatie, zo vragen deze leden? De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten op welke wijze er wordt omgegaan met een eerstegraads bloedverwant (zoon), die eveneens een zakelijke relatie (onderhuurderschap) heeft met andere personen (ouders) uit het gezin. Zij vragen of deze zoon een aparte bijstandsuitkering krijgt of dat hij onder de gezinsbijstand valt.

Een inwonend meerderjarig kind dat inwonend is bij zijn of haar ouder of ouders maakt onderdeel uit van een gezin naar de definitie zoals dat in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld. Het maakt daarbij niet uit dat dit kind kostgeld betaalt aan zijn of haar ouder(s) dan wel dat dit kind onderhuurder is bij zijn of haar ouder(s).

De leden van de PvdA-fractie vragen of voor alle leden van het gezin de sollicitatieplicht, dan wel de plicht tot tegenprestatie geldt? PvdA 46 Deze leden vragen daarbij of deze plichten ook gelden voor kinderen ouder dan 16 jaar en in welke gevallen dit wel en in welke gevallen dit niet het geval is.

De aan de bijstand verbonden verplichtingen, zoals de arbeids-, re-integratie en inlichtingenverplichting alsmede de plicht tot een tegenprestatie, geldt voor ieder van de meerderjarige gezinsleden. Deze plichten gelden niet voor minderjarige kinderen van 16 en 17 jaar.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering om te reageren op de volgende situaties.

Een huishouden bestaat uit twee ouders en twee kinderen van 16 en 17 jaar. Deze leden vragen hoeveel de kinderen ieder mogen verdienen om onder de inkomensgrenzen te blijven en niet als kostwinner te worden aangemerkt.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat het inkomen van minderjarige kinderen van 16 en 17 jaar tot € 827,00 netto per maand per persoon niet bij de middelentoets in aanmerking wordt genomen. Naar de mening van de regering betekent de toets op de inkomsten van minderjarige kinderen dat alleen hoge inkomsten, bijvoorbeeld uit modellenwerk of uit internetbedrijfjes, die niet in verhouding staan tot wat leeftijdsgenoten plegen te verdienen in aanmerking worden genomen. Dit brengt beter tot uitdrukking dat de WWB als laatste vangnet alleen bedoeld is voor degenen die dat echt nodig hebben.

Een huishouden bestaat uit twee ouders met een uitkering en een meerderjarig kind. Het kind werkt tegen het wettelijke minimumloon. Beide ouders zijn volledig arbeidsongeschikt. Na een tijdje wordt duidelijk dat het inkomen van alleen het kind niet genoeg is om rond te komen. De leden van de PvdA-fractie vragen welke opties het kind in dat geval heeft.

Als sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid van beide ouders ligt het in de rede dat zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, waardoor zij niet op bijstand zijn aangewezen.

Mocht dit anders zijn, dan zal bij volledige arbeidsongeschiktheid ook sprake zijn van een AWBZ-indicatie van 10 uren of meer waardoor de ouders zelfstandig recht krijgen op bijstand onder de voorwaarde dat het kind voor die uren mantelzorg verleend.

In overige gevallen is de regering van mening dat de voorgestelde gezinsnorm volgens de wettelijke regeling en wettelijke definitie toereikend kan worden geacht.

De leden van de PvdA-fractie vragen of in een huishouden dat bestaat uit een werkende jonge alleenstaande moeder, haar bijstandgerechtigde ouder en haar schoolgaande broers, de werkende jonge moeder verantwoordelijk wordt voor het hele gezin.

De verantwoordelijkheid voor het gezin berust bij ieder van de gezinsleden. Met het aantal personen binnen het gezin neemt het arbeidspotentieel toe. Ook van de bijstandsgerechtigde ouder mag verwacht worden dat hij of zij de verantwoordelijkheid neemt om die mogelijkheden te benutten. Mocht in de beschreven situatie een beroep op bijstand worden gedaan, dan worden deze bloedverwanten in de eerste graad aangemerkt als een gezin. Alleen als het gezamenlijk inkomen van de gezinsleden lager is dan de relevante bijstandsnorm, wordt dit inkomen aangevuld tot het sociaal minimum.

Een huishouden bestaat uit een alleenstaande ouder, volledig arbeidsongeschikt, en een meerderjarige zoon. De zoon doet volgens het college van burgemeester en wethouders niet voldoende zijn best om een baan te vinden. De leden van de fractie van de PvdA vragen of de ouder de zoon uit huis moet zetten om verzekerd te blijven van een inkomen.

De regering is van mening dat de alleenstaande ouder niet de zoon uit huis moet zetten maar hem of haar krachtig moet aanspreken op zijn of haar gedrag. Ieder gezinslid is verantwoordelijk het beroep op bijstand zo kort mogelijk te houden. De regering is van mening dat niet kan worden geaccepteerd dat jongeren niets doen en achterover leunen. Jongeren horen niet in bijstand thuis. Zij moeten werken of leren. Als jongeren daarvoor onvoldoende aantoonbare inspanningen plegen, dienen deze gedragingen te worden gesanctioneerd. Als jongeren nog thuis wonen bij hun ouders, vindt die sanctionering plaats op de gezinsbijstand. De jongeren kunnen dit voorkomen door hun gedrag aan te passen en aantoonbaar werk gaan zoeken of (weer) naar school gaan.

Twee bevriende huishoudens in dezelfde straat bestaan uit ouders met een uitkering en meerderjarige werkende kinderen. De kinderen zouden graag uit huis gaan, maar kunnen geen zelfstandige woonruimte vinden. De leden van de PvdA-fractie vragen of het lucratief wordt om kinderen uit te wisselen.

Waar hier de focus op moet liggen is dat betrokken ouders uit de uitkering en aan het werk gaan. De casus die beschreven wordt door de leden van de PvdA-fractie kenmerken een situatie waarin de focus is gericht op het behoud van de uitkering, waarbij het ontwerpen van oneigenlijke of onrechtmatige constructies niet geschuwd wordt. De regering wil perverse gedragingen niet belonen met extra uitkeringen in een huishouden.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of de regering kan toelichten hoe ver de regering gaat om de eigenverantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van jongeren te stimuleren. Zij vragen of het onderhouden van iemands ouders ook eigen verantwoordelijkheid is en of het uitzicht op het onderhouden van iemands ouders ook een stimulans biedt om te gaan werken. De leden vragen voorts of het noodgedwongen op kamers gaan ook bedoeld is om de zelfredzaamheid van jongeren te stimuleren. Deze leden maken zich grote zorgen over het toekomstperspectief van deze jongeren. De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is dat de regering ervoor kiest dat kinderen met ouders in de bijstand minder kansen krijgen en minder perspectief op een betere toekomst dan kinderen met ouders zonder een bijstandsuitkering. Deze leden vragen of de regering zich ervan bewust is dat met het voorliggende wetsvoorstel armoede weer erfelijk wordt en kinderen met ouders in de bijstand geen mogelijkheden krijgen om te ontsnappen aan de armoede situatie.

Van belang is niet alleen dat de kinderen aan het werk gaan, maar ook dat de ouders aan het werk gaan. Uit het rapport «Voorbestemd tot achterstand?» van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat armoede niet erfelijk is. De meeste kinderen die opgroeien in armoede zijn later niet arm of sociaal uitgesloten. In tegenstelling tot de leden van de fracties van de PvdA en SP is de regering van mening dat zij met dit wetsvoorstel jongeren toekomstperspectief bieden door de nadruk te leggen op werk. Teveel mensen – ook jongeren – die kunnen en willen werken, staan nu nog langs de kant. Dat vindt de regering onacceptabel. De regering neemt daarom maatregelen om meer mensen aan het werk te krijgen. Werk gaat boven een uitkering. Zowel voor de ouder(s) als voor de jongeren is de stap naar werk de beste weg om uit de armoede te komen en zelfredzaam te zijn. Werk zorgt voor inkomen en kan zo helpen armoede te voorkomen of te beëindigen. Werk biedt bovendien structuur en is een belangrijke voorwaarde om deel te nemen aan de maatschappij. Dit verklaart waarom mensen die werken minder sociaal uitgesloten zijn, terwijl het ontvangen van een uitkering de kans daarop juist vergroot3.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om de tabel op bladzijde 12 en 13 van de memorie van toelichting aan te vullen met inkomenseffecten voor kostwinners, die een baan hebben op WML.

In de onderstaande tabel worden de oorspronkelijke inkomenseffecten aangevuld met de inkomenseffecten voor kostwinners die een baan hebben op WML met thuiswonende kinderen in de bijstand.

Tabel 3.3

Huishoudtype

Inkomensituatie ouders/kind(eren)

Inkomenseffect huishouden (in %)

Alleenstaande1 met thuiswonend meerderjarig kind1 in de bijstand

Bijstand/ bijstand

– 18%

Kostwinner met een thuiswonend meerderjarig kind1 in de bijstand

WML/bijstand

– 39%

Modaal/ bijstand

– 30%

Kostwinner met twee thuiswonende meerderjarige kinderen1 in bijstand

WML/bijstand

– 57%

Modaal/bijstand

– 47%

Meerderjarig kind met modaal inkomen + paar2 in de bijstand1

Bijstand/modaal

– 41%

X Noot
1

uitgaande van een bijstandsuitkering van 60% van het netto referentieminimumloon

X Noot
2

uitgaande van een bijstandsuitkering van 90% van het netto referentieminimumloon

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om nader toe te lichten hoe de voorstellen in het kader van de Wet werken naar vermogen (WWNV) samenvallen met het onderhavige wetsvoorstel. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de nu aangekondigde wijzigingen en de samenvoeging van de WIJ met de WWB zich verhouden tot de geplande invoering van de WWNV. Daarbij vragen deze leden of er als gevolg van de aangekondigde WWNV nog verdere wijzigingen zijn, die doorgevoerd gaan worden voor de desbetreffende doelgroep van de WWB/WIJ en welke wijzigingen dit zijn.

Zoals aangegeven in de hoofdlijnennotitie «Werken naar vermogen» (Kamerstukken II 2010/11, 29 544 nr. 297) zullen de wijzigingen in de WWB/WIJ van toepassing zijn op de nieuwe instroom in de WWNV.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er niet in één keer een wetsvoorstel voor de WWNV wordt ingediend door de regering.

Het wetsvoorstel voor de WWNV zal dit najaar worden ingediend bij de Tweede Kamer. Uit de afspraken in het regeer- en gedoogakkoord en de hoofdlijnennotitie «Werken naar vermogen» vloeien verschillende tijdpaden voort voor de wetsvoorstellen WWNV en de WWB-maatregelen. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de WWB-maatregelen is 1 januari 2012 en de invoering van de WWNV is voorzien per 1 januari 2013.

De leden van de PvdA-fractie vragen of bij de doorrekening rekening is gehouden met de toestroom van Wajongers na 2012.

Op grond van het voorliggende wetsvoorstel zijn Wajongeren zoals bedoeld in paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting vrijgesteld van de huishoudinkomenstoets. Dit is meegenomen in de berekeningen.

De leden van de PvdA-fractie willen weten of er rekening is gehouden met de gevolgen van de huishoudtoets voor jongeren met een arbeidshandicap die na invoering van de WWNV geen uitkering meer ontvangen omdat hun ouders over inkomen beschikken.

Deze groep is in de berekeningen niet meegenomen, ze maken immers onderdeel uit van het wetsvoorstel Wet Werken naar Vermogen. In dat nog in te dienen wetsvoorstel zal deze groep derhalve worden meegenomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen voor welk deel van de jaarlijkse Wajong-instroom het zal gelden dat ze geen uitkering meer ontvangen als gevolg van het inkomen van de ouders en tevens wat de effecten op de mogelijkheden van de ouders zullen zijn.

De Wajong-uitkering is uitgezonderd van de huishoudinkomenstoets.

De leden van de PvdA-fractie vragen met hoeveel verbrekingen van familiaire familieverbanden de regering in de doorrekening rekening heeft gehouden en of dat per regio verschilt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen met hoeveel verbrekingen van gezinsverbanden als gevolg van de huishoudinkomenstoets de regering rekening houdt. De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre naar het oordeel van de regering meegewogen moet worden dat gezinsleden zelfstandig gaan wonen als gevolg van de invoering van de huishoudinkomenstoets. Voorts vragen deze leden een nadere onderbouwing van het aantal gezinsleden dat zelfstandig zal gaan wonen als gevolg van deze maatregel. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering er rekening mee heeft gehouden dat kinderen eerder geneigd zijn het huis te verlaten. De leden van de SP-fractie vragen de regering van hoeveel mensen, die besluiten zelfstandig te gaan wonen, de regering is uitgegaan bij de berekeningen van de financiële effecten van dit voorstel en waarop dit aantal is gebaseerd .

Het is mogelijk dat huishoudens als gevolg de aanscherping gezinsbijstand en huishoudinkomentoets besluiten om familiaire samenlevingsverbanden te verbreken. Dit besluit is evenwel het gevolg van de eigen keuzes en afhankelijk van meer omstandigheden dan louter deze financiële aanpassing. De regering wil bij de weging van het voorstel geen rekening houden met mensen die zich richten op constructies om bijstand te behouden. Colleges dienen ervoor te zorgen dat mensen zo snel mogelijk weer aan het werk gaan. De regering houdt er rekening mee dat in circa 10 duizend gevallen besloten zal worden de huishoudsamenstelling aan te passen. Dit is tevens terug te vinden in paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting. Een nadere uitsplitsing naar regio is niet mogelijk.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel mensen, die zorg nodig hebben en vooralsnog extramuraal verzorgd werden, als gevolg van het wetsvoorstel naar een instelling gaan.

Door een uitzondering te maken voor zorgbehoevende leden van het huishouden (volgens AWBZ indicatie voor 10 uur of meer per week) wordt gezorgd dat mantelzorg binnen het gezin wordt gefaciliteerd en er geen reden is dat een zorgbehoevend gezinslid naar een instelling gaat.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel mensen, die zorg nodig hebben en mantelzorg krijgen van een gezinslid, zelfstandig zullen gaan wonen en een extra beroep doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of de AWBZ.

Door een uitzondering te maken voor zorgbehoevende leden van het huishouden (volgens AWBZ indicatie voor 10 uur of meer per week) worden deze gezinsleden uitgezonderd van de maatregel. Voor deze personen geeft het wetsvoorstel dan ook geen aanleiding om het huishouden te verlaten.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de uitzondering voor gezinsleden, die een ander lid van het gezin verzorgen, in de praktijk wordt gebracht. De regering kiest ervoor uit te gaan van een AWBZ-indicatie, die zal moeten uitwijzen of een gezinslid minimaal tien uur zorg per week behoeft. De regering merkt daarbij op dat ook gemeenten indicaties voor zorg afgeven, maar dat deze indicaties per gemeente kunnen verschillen. De leden van de PvdA-fractie hebben in dat kader een aantal vragen gesteld. Zij vragen of het klopt het dat, ondanks deze verschillen in indicatie, in de visie van de regering de zorgbehoefte van het gezinslid niet anders is?

Gezien de bestaande verschillen tussen AWBZ (persoonlijke zorg, verzekeringsaanspraak, landelijke indicatie) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (zorg bij het huishouden, compensatieplicht gemeenten, gemeentelijke indicatie) beantwoordt de regering de vraag van deze leden ontkennend. Zoals aangegeven in het nader rapport, beoogt de regering een eenduidig en substantieel criterium te hanteren. Daarvan is geen sprake bij de verschillen die ook de leden van de PvdA-fractie constateren.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het zo kan zijn dat mensen, die door de gemeente een indicatie hebben gekregen voor ten minste tien uur zorg per week, geen AWBZ-indicatie voor zorg hebben. Voorts vragen deze leden of er dan voor de verzorgenden van deze mensen geen uitzondering gemaakt zal worden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering geen mogelijkheden ziet om ontheffing te verlenen bij mantelzorg voor zorg vanuit een Wmo-indicatie, aangezien daar ook sprake is van concrete criteria voor bijvoorbeeld het aantal uren hulp bij het huishouden waarop iemand aanspraak kan maken. De leden van de SGP-fractie vragen waarom op dit punt Wmo-indicaties onvoldoende aanknopingspunten bieden, terwijl een ontheffing van de sollicitatieplicht vanwege mantelzorg op grond van Wmo-indicaties wel wordt geaccepteerd.

Hoewel een AWBZ-indicatie en een gemeentelijke indicatie voor tien uur zorg per week in de praktijk vaak samengaan, is het mogelijk dat er een gemeentelijke indicatie is en geen AWBZ-indicatie. Bijvoorbeeld – zoals de leden van de ChristenUnie-fractie ook aangeven – als het gaat om hulp bij het huishouden, zoals opruimen, schoonmaken en ramen zemen. De gemeentelijke indicatie voldoet dan niet aan het door de regering gestelde criterium dat deze substantieel moet zijn en valt daarmee buiten het bereik van de door de regering beoogde uitzondering. Een ontheffing als genoemd door de leden van de SGP-fractie is niet in de WWB opgenomen. Wel kent de WWB, in artikel 31, tweede lid, onder u, een vrijlating voor een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning (het mantelzorgcompliment). Deze uitkering kan, gezien doel en strekking, geen aanknopingspunt zijn voor de door de regering beoogde uitzondering op de gezinsbijstand.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe zal worden omgegaan met mensen, die een AWBZ-indicatie voor begeleiding hebben van meer dan tien uur per week, nu de functie begeleiding zal worden overgeheveld naar de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Voorts vragen deze leden of verzorgenden van kinderen, die meer dan tien uur zorg per week nodig hebben en als gevolg van de IQ >70-maatregel mogelijk worden uitgesloten van AWBZ-zorg onder de uitzonderingsregel vallen. De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in de relatie tussen de domeinen zorg en bijstand tegenstrijdige signalen afgeeft. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de regering er rekening mee houdt dat er steeds minder zorg vanuit de AWBZ wordt geïndiceerd, maar in plaats daarvan meer vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Welk gevolg heeft dit volgens de regering voor de mate waarin een ontheffing van de huishoudinkomenstoets bij mantelzorg op grond van een AWBZ-indicatie in de toekomst nog verleend kan worden. Deze leden vragen waarom de regering juist nu gemeenten meer verantwoordelijkheid krijgen, de rol van Wmo-indicaties binnen de gezinsbijstand niet wordt erkend. Tevens vragen zij waarom de regering zich juist baseert op AWBZ-indicaties terwijl het beroep op de AWBZ wordt beperkt. Hoe wordt, zo vragen deze leden, voldoende recht gedaan aan noodzakelijke zorg die in toenemende mate buiten de kaders van de AWBZ valt.

De verschuiving van een bepaalde vorm van zorg van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning is opgenomen in het Regeerakkoord. Op dit moment is die verschuiving nog niet geconcretiseerd in een wet(svoorstel). De regering wil in het voorliggende wetsvoorstel niet op de concretisering vooruit lopen. Als de concretisering daartoe aanleiding mocht geven, zullen de consequenties daarvan voor de WWB in het betreffende wetsvoorstel worden meegenomen.

De leden van de PvdA-fractie willen weten of de regering een stijging voorziet van het aantal mensen dat een AWBZ-indicatie zal aanvragen. De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe groot deze stijging, als die zich voordoet, is en welke kosten daarmee gemoeid zijn.

De regering verwacht dat dit effect zich niet of nagenoeg niet zal voordoen. Wanneer iemand zorgbehoevend is voor 10 uur of meer dan is het reeds in het belang van de betreffende persoon om deze indicatie aan te vragen. Dit wetsvoorstel verandert dat in die zin niet.

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie of de uitzondering alleen geldt voor het meetellen tot het gezin, of heeft uitzondering ook betrekking tot de verplichting tot solliciteren en/of tegenprestatie.

Als het college op verzoek van de belanghebbende een zorgbehoevend persoon uitzondert van de gezinsbijstand betekent dit niet automatisch dat de zorgverlenende ouder(s) of het zorgverlenend meerderjarig inwonend kind tijdelijk worden ontheven van de arbeids- en/of de re-integratieverplichting dan wel van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie. Dit vergt een afzonderlijke beoordeling van de omstandigheden in het individueel geval door het college.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering in de doorrekening van de maatregel rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van gemeenten om uitzonderingen te maken.

De regering heeft bij de doorrekening van de maatregel rekening gehouden met de uitzonderingen zoals benoemd in het wetsvoorstel. Zonder deze uitzonderingen zouden de financiële besparingen hoger zijn geweest. De regering vindt het echter van belang om de gecreëerde uitzonderingen in het wetsvoorstel op te nemen. De inhoudelijke redenen voor de diverse uitzonderingen zijn terug te vinden in paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het vrij is aan de gemeenten ervoor te kiezen geen uitzondering te maken voor gezinsleden die een ander zorgbehoevend gezinslid verzorgen. Zij vragen of gemeenten ook kunnen besluiten daarvoor geen uitzondering te maken. Ook de leden van de SP-fractie vragen de regering of gemeenten zelf mogen bepalen of een gezin met een indicatiebesluit van meer dan tien zorguren op grond van de AWBZ al dan niet wordt uitgezonderd van de gezinsbijstand of dat dit landelijk wordt vastgelegd in de wet.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat het college op verzoek van de belanghebbende gelet op de duur van de te verlenen zorg een zorgbehoevend gezinslid kan uitzonderen van de gezinsbijstand. Dit is een afweging die het college maakt en waarin zij maatwerk kan verlenen. A contrario kan het college ook besluiten geen uitzondering te maken.

De leden van de PvdA-fractie vragen om toe te lichten hoeveel van de huidige Wajongers, die volledig arbeidsongeschikt zijn, een AWBZ-indicatie hebben van meer dan tien uur per week of daarvoor in aanmerking zouden komen.

Circa 30% van alle Wajongers heeft een AWBZ-indicatie.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel jonggehandicapten meer dan tien uur AWBZ-zorg per week ontvangen (uitgesplitst naar gedeeltelijk en volledig arbeidsongeschiktheid).

Uit informatie van CIZ over de omvang van TOG-aanvragen blijkt voorts dat deze indicatie in de helft van de gevallen voor meer dan 10 uur per week is. Hieruit volgt dat circa 30 duizend jonggehandicapten meer dan tien uur AWBZ-zorg per week ontvangen. Een uitsplitsing binnen deze groep naar gedeeltelijk en volledig arbeidsongeschikt is niet beschikbaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel niet volledig arbeidsongeschikte Wajongers er zijn en hoeveel van hen in een gezin wonen met bijstandgerechtigde ouders.

In de Wajong worden verschillende begrippen gehanteerd om de mate van arbeidsongeschiktheid te duiden. De begrippen volledig en niet-volledig (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt worden gehanteerd voor Wajongers die vóór 2010 zijn ingestroomd in de Wajong. Eind 2010 waren er circa 3,8 duizend Wajongers niet volledig arbeidsongeschikt. Het volledig arbeidsongeschikt zijn in de Wajong voor 2010, betekent overigens niet dat je geen arbeidsvermogen hebt; een groot van hen kan, met ondersteuning, wel aan het werk. In de Wajong na 1 januari 2010 wordt onderscheid gemaakt tussen mensen die helemaal niet kunnen werken en mensen die wel arbeidsvermogen hebben, zij het beperkter dan mensen die niet arbeidsongeschikt zijn. Eind 2012 waren er circa 5,6 duizend Wajongers met arbeidsvermogen.

Het is niet bekend hoeveel niet-volledig arbeidsongeschikte mensen met een Wajong-uitering voor en na 1 januari 2010 in een gezin met bijstandsgerechtigde ouders woonden.

De leden van de PVV-fractie stellen vast dat personen ouder dan 65 jaar zich moeten melden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dit geldt ook voor een gezin bestaande uit gehuwden waarvan één van de echtgenoten 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar (ook als deze jonger is dan 27 jaar). Echter, bij een gezin waarvan één van de gezinsleden jonger is dan 65 jaar, niet zijnde de partner van de persoon van 65 jaar of ouder, geldt dat de melding en aanvraag geschiedt bij het college van burgemeester en wethouders. Deze leden vragen op welke manier betrokkenen worden geïnformeerd over waar zij zich moeten melden indien zij aanspraak op de WWB of een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio) willen maken.

Alleen echtgenoten en daarmee gelijkgestelden waarvan één partner 65 jaar of ouder is en één partner jonger is dan 65 jaar dienen een aanvraag om aanvullende bijstand in bij de SVB. Als er bij echtgenoten ook meerderjarige kinderen inwonen, dient de aanvraag om aanvullende bijstand te worden ingediend bij het werkplein UWV. De werkpleinen UWV, colleges en SVB zijn verantwoordelijk voor de voorlichting aan potentieel uitkeringsgerechtigden. Mocht een aanvraag na invoering van het wetsvoorstel per abuis bij de verkeerde uitvoeringsinstantie zijn ingediend, dan is deze uitvoeringsinstantie verplicht op grond van de Algemene wet bestuursrecht de aanvraag door te sturen naar de uitvoeringsinstantie die wel bevoegd is de aanvraag te behandelen. Dit biedt voldoende waarborgen.

Naar de mening van de leden van de CDA-fractie wordt door de huishoudinkomenstoets ook het sparen voor een eigen huis door eerst nog bij de ouders te blijven wonen ondermijnd. Om dit negatieve effect te ondervangen pleiten deze leden ervoor om jongeren, die nog thuis wonen, in staat te stellen een «eigen-huis»-rekening te openen en dit spaargeld niet onder de huishoudinkomenstoets te laten vallen. Deze leden vragen wat de regering van dit idee vindt.

Het idee van de leden van de CDA-fractie een «eigen-huis»-rekening voor verdienende inwonende meerderjarige kinderen past niet binnen het complementaire karakter van de WWB. Een aanvulling op grond van de WWB is alleen mogelijk als er geen eigen middelen zijn of als deze middelen onvoldoende zijn. Een «eigen-huis»-rekening is hiermee strijdig. De kosten voor levensonderhoud worden daardoor feitelijk via de bijstand afgewenteld op de algemene middelen. De WWB is niet bedoeld als faciliteit voor financiering van een eigen woning.

In de ogen van de leden van de CDA-fractie kan een ander ongewenst neveneffect van de voorgestelde maatregelen zijn dat bestaande familiaire zorgrelaties worden onderbroken. De leden van de CDA-fractie stellen met genoegen vast dat dit effect wordt ondervangen doordat, zoals eerder door deze leden bepleit, een uitzondering kan worden gemaakt voor die gezinsleden, die een ander gezinslid verzorgen op basis van een zorgindicatie van tien uur of meer op grond van de AWBZ. Door deze uitzondering moet voorkomen worden, dat de zorgbehoevende personen, aan wie mantelzorg wordt geboden, vanwege toenemende kosten uit huis geplaatst moeten worden. Deze leden vragen nog wel of de criteria tot het verlenen van ontheffing niet te scherp in de wetgeving zijn geformuleerd. Zo moet worden aangetoond dat er een AWZB-indicatie bestaat van tenminste tien uur voor vijf specifieke terreinen (artikel 4, lid 5a) en mag de verzorger geen persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen (artikel 4, lid 5b). Zij vrezen dat met zulke zware criteria in de praktijk vrijwel niemand voor deze ontheffing in aanmerking zal komen. Naar de mening van de leden van de CDA-fractie kan dit niet de bedoeling zijn. De leden van de SGP-fractie vragen of de criteria voor uitzondering van gezinsbijstand op grond het van verlenen van zorg een reëel beroep op deze uitzondering mogelijk maken.

De regering van mening dat de bedoelde criteria niet te scherp zijn geformuleerd. De regering heeft, zoals ook is aangegeven in het nader rapport, gekozen voor het criterium van een zorgindicatie van 10 uur of meer krachtens de AWBZ omdat dit een eenduidig en substantieel criterium is. Dit criterium is ook van toepassing bij de Tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) waar het een reëel criterium is gebleken. Het moet gaan om mantelzorg die voorkomt dat een zorgbehoevende uit huis wordt geplaatst. De bepaling inzake het persoonsgebonden budget strekt ertoe dat de zorg niet tegen betaling door de verzorger wordt verleend. In dat geval ziet de regering geen aanleiding om (ook nog) een uitzondering te maken op de gezinsbijstand.

Met in achtneming van de gestelde criteria raamt de regering dat ongeveer 2 000 huishoudens in aanmerking zullen komen voor de uitzondering op de gezinsbijstand vanwege de zorg voor gezinsleden met een zorgindicatie van tien uur of meer op grond van de AWBZ.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bij benadering kan aangeven hoe groot het percentage van de verzorgers van de huidige Wajongers (volledig arbeidsongeschikt, dan wel niet volledig arbeidsongeschikt) is, dat voor een ontheffing in aanmerking zal komen.

In dit wetsvoorstel is opgenomen dat de verplichtingen tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en tot het verrichten van een tegenprestatie door zorgverlener pas gaan gelden als het college zich genoegzaam heeft overtuigd dat de zorgverlener de te verlenen zorg kan combineren met die verplichtingen. Het college heeft reeds de mogelijkheid een zorgverlener wegens zorgtaken tijdelijk een ontheffing verlenen van de arbeids- en re-integratieverplichting alsmede van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie. Er zijn hierover geen cijfers beschikbaar.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het denkbaar acht de uitkering nog verder te verlagen dan thans wordt voorgesteld en waar in de visie van de regering de grens ligt.

Het voorliggende wetsvoorstel verlaagt de uitkering niet, het scherpt de voorwaarden voor het recht op uitkering aan. De hoogte van het in Nederland geldende sociaal minimum is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder de economische groei, het arbeidspotentieel, het activerende karakter van de sociale zekerheid en de ontwikkeling van de lonen in Nederland, die in onderling verband worden bezien.

De leden van de SP-fractie vragen bij welk uitkeringsbedrag uitkeringsgerechtigden maximaal worden geprikkeld om aan het werk te gaan. Voorts vragen zij waar het omslagpunt ligt.

De maximale financiële prikkel treedt op wanneer de inkomensvooruitgang bij een transitie uitkering naar werk het hoogst is – dus bij een uitkering van nul. De prikkel om te gaan werken neemt af naarmate het uitkeringsbedrag toeneemt. Er is geen financiële prikkel meer wanneer het uitkeringsbedrag gelijk is aan de hoogte van het te verwachten loon bij transitie naar werk. Hier ligt dan ook het omslagpunt.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering stelt dat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zich niet altijd zullen vinden. In de visie van de regering is dit vanwege een lagere arbeidsprestatie dan het minimumloon of de cao. Hierdoor zouden mensen een grotere kans lopen op (blijvende) werkeloosheid, de zogenoemde productiviteitsval. Zij vragen hoeveel WWB-gerechtigden met deze situatie te maken hebben. Welke definitie hanteert de regering hierbij?

De leden van de SP-fractie vragen voorts of dit in de visie van de regering betekent dat personen, die naar vermogen werken maar volgens de regering niet productief werken, ook onder het wettelijke minimumloon betaald mogen worden. Deze leden vragen hoe dit en het instrument loondispensatie zich verhouden tot internationale verdragen en in het bijzonder ILO verdragen. En hoe het instrument loondispensatie zich verhoudt tot de uitspraak in de memorie van toelichting dat «met werk het minimumloon is gegarandeerd». Ook vragen zij hoe het minimumloon wordt gegarandeerd voor mensen, die met loondispensatie aan de slag moeten.

De productiviteitsval wordt veroorzaakt doordat de geldelijke waarde van iemands arbeidsprestatie achterblijft bij het minimumloon (of het laagste cao-loon). Dit feit wordt idealiter individueel vastgesteld en bij voorkeur in een daadwerkelijke arbeidsrelatie. Dit maakt het niet mogelijk een precieze inschatting te geven van de aantallen personen in de WWB voor wie de productiviteitsval de (belangrijkste) belemmering vormt. Naar inschatting van de Commissie fundamentele herbezinning van de Wsw (2008) heeft een substantieel aantal personen in de WWB met de productiviteitsval te maken. De regering is voornemens om middels de Wet werken naar vermogen het instrument loondispensatie beschikbaar te stellen aan gemeenten voor mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Dit wetsvoorstel zal dit najaar worden ingediend bij de Tweede Kamer. De memorie van toelichting zal het instrument loondispensatie uitgebreid toelichten. Ook zal ingegaan worden op de internationale aspecten van de WWNV.

De leden van de SP-fractie verzoeken de regering een overzicht te geven van het netto huishoudboekje (normale inkomsten en uitgaven) – volgens de NIBUD normen – van een bijstandsgezin met één, met twee, met drie en met vier meerderjarige kinderen op basis van de nieuwe regels. Zij vragen hierbij alle inkomsten en uitgaven zoals zorgpremie, zorgtoeslagen, energierekening, huurkosten te betrekken. Zij vragen verder of de regering concreet kan maken op welke wijze gezinnen «zuiniger moeten gaan leven» vanwege de inkomensachteruitgang.

De regering vindt de behoefte om een oordeel te kunnen vellen over de hoogte van het inkomen van een bijstandsgezin aan de hand van een vergelijking met bijvoorbeeld de minimumbegroting van het Nibud voorstelbaar. De regering is evenwel van oordeel dat een dergelijke vergelijking geen recht doet aan het doel waarmee de minimumbegrotingen worden opgesteld. De minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud zijn bedoeld om huishoudens handvatten te bieden voor budgettering; zij zijn niet bedoeld om te definiëren welke inkomenshoogte huishoudens absoluut nodig hebben om rond te komen. Deze begrotingen voldoen naar het oordeel van de regering voor het beoogde doel, met dien verstande dat elk huishouden uiteindelijk zelf verantwoordelijk is om in de specifieke situatie de inkomsten en uitgaven in balans te houden. De regering zal zich om die reden onthouden van een vergelijking tussen de minimumbegrotingen en de hoogte van het sociaal minimum voor verschillende huishoudsituaties, dat al sinds jaar en dag is gekoppeld aan het WML.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of het klopt dat in de voorbeelden van de inkomenseffecten op bladzijde 12 van de memorie van toelichting voor een alleenstaande is uitgegaan van een bijstandsuitkering van 50% van het WML + een gemeentelijke toeslag van 10% van het WML.

Zoals in de memorie van toelichting aangegeven, is er uitgegaan van een bijstandsuitkering ter hoogte van 60% van het referentieminimumloon. Deze is opgebouwd uit een bijstandsuitkering volgens de geldende norm voor alleenstaanden (50% van het referentieminimumloon) en een gemeentelijke toeslag ter hoogte van 10% van het referentieminimumloon.

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten bij welke voorbeeldhuishoudens op bladzijde 12 van de memorie van toelichting er geen enkel recht meer bestaat op een bijstandsuitkering.

De onderstaande tabel gaat in op het recht op een bijstandsuitkering na het toepassen van de huishoudinkomenstoets voor de weergegeven voorbeeldhuishoudens.

Tabel 3.4

Huishoudtype

Inkomensituatie ouders/kind(eren)

Recht op bijstand na huishoudinkomenstoets

Alleenstaande met thuiswonend meerderjarig kind in de bijstand

Bijstand/ bijstand

Ja

Kostwinner met een thuiswonend meerderjarig kind in de bijstand

Modaal/ bijstand

Nee

Kostwinner met twee thuiswonende meerderjarige kinderen in bijstand

Modaal/bijstand

Nee

Meerderjarig kind met modaal inkomen + paar in de bijstand

Bijstand/modaal

Nee

De leden van de SP vragen of de regering kan toelichten hoe de percentages van de inkomenseffecten in de tabel op bladzijde 12 van de memorie van toelichting tot stand zijn gekomen en welke netto bedragen zijn gehanteerd.

De percentages van de inkomenseffecten zijn tot stand gekomen door het absolute inkomenseffect te delen door het oorspronkelijke besteedbaar inkomen (i.e. het netto inkomen, gecorrigeerd voor te betalen zorgpremies en ontvangen zorgtoeslag). Voor modaal inkomen is uitgegaan van een netto inkomen (loon minus inkomstenbelasting) van € 24 336 voor kostwinners en van een netto inkomen van € 22 863 voor het werkend kind. Voor de bijstand van een inwonend meerderjarig kind is uitgegaan van 60% van het referentieminimumloon= € 9 582. Voor de bijstand van een paar met inwonende meerderjarige kind(eren) is uitgegaan van 90% van het referentieminimumloon = € 14 372. Ten slotte is er uitgegaan van een gezinsbijstandsnorm in de nieuwe situatie ter hoogte van 100% van het referentieminimumloon= € 15 969 netto. De bedragen hebben betrekking op 2012 (op basis van CPB-raming CEP2011). Vanwege de overgangsregeling treden de inkomenseffecten verspreid over 2012 en 2013 op.

De leden van de SP-fractie vragen de regering de tabel aan te vullen met voorbeeldhuishoudens waarin de inkomenssituatie van ouders/kinderen (tweede kolom) op bijstandsniveau en op het niveau van het wettelijk minimumloon zit. De onderstaande tabel bevat aanvullingen op de oorspronkelijke tabel met voorbeelden van werkenden met een jaarinkomen op WML-niveau. De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel een huishouden dat bestaat uit twee ouders met een uitkering en een meerderjarig kind dat werkt tegen het minimumloon, er in inkomen op achteruit gaat, in euro’s en in procenten.

De onderstaande tabel bevat aanvullingen op de oorspronkelijke tabel met voorbeelden van werkenden met een jaarinkomen op WML-niveau.

Tabel 3.5

Huishoudtype

Inkomensituatie ouders/kind(eren)

Inkomenseffect huishouden (in percentages)

Alleenstaande1 met thuiswonend meerderjarig kind1 in de bijstand

Bijstand/ bijstand

– 18%

Kostwinner met een thuiswonend meerderjarig kind1 in de bijstand

WML/ bijstand

– 39%

Modaal/ bijstand

– 30%

Kostwinner met twee thuiswonende meerderjarige kinderen1 in bijstand

WML/bijstand

– 57%

Modaal/bijstand

– 47%

Meerderjarig kind met inkomen + paar2 in de bijstand1

Bijstand/WML

– 49%3

Bijstand/Modaal

– 41%

X Noot
1

uitgaande van een bijstandsuitkering van 60% van het netto referentieminimumloon

X Noot
2

uitgaande van een bijstandsuitkering van 90% van het netto referentieminimumloon

X Noot
3

het door de leden van de PvdA-fractie gevraagde bedrag bij deze situatie is circa 13 787 euro op jaarbasis

De leden van de SP-fractie vragen de regering inzicht te geven in hoeveel jonggehandicapten na de invoering van de WWNV vanwege de invoering van de gezinsbijstand en huishoudinkomen geen aanspraak meer kunnen maken op een uitkering omdat de ouders over inkomen beschikken. Deze leden vragen op welke wijze ouders met een laag inkomen in dat geval de zorg voor hun kind op zich kunnen nemen.

De effecten van de WWNV zullen in het wetsvoorstel werken naar vermogen worden toegelicht. Dit wetsvoorstel zal dit najaar worden ingediend bij de Tweede Kamer.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel personen met een bijstandsuitkering op dit moment een geldig indicatiebesluit hebben op grond van de AWBZ voor meer dan tien zorguren.

Naar inschatting van de regering zijn er op dit moment circa 17 duizend personen met een bijstandsuitkering en een AWBZ indicatiebesluit voor 10 uur of meer.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat huidige jonggehandicapten worden uitgezonderd van de toets op het huishoudinkomen.

Deze leden vragen of het klopt dat deze uitzondering vervalt op het moment dat de WWNV in werking treedt. De wijze waarop de nu voorgestelde huishoudinkomenstoets gaat gelden bij jongeren met een arbeidsbeperking maakt onderdeel uit van het nog in te dienen wetsvoorstel werken naar vermogen. Dit wetsvoorstel werken naar vermogen zal dit najaar worden ingediend bij de Tweede Kamer.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten of een samenwonend stel waarvan één persoon recht heeft op een Wajong-uitkering ook wordt uitgezonderd van de huishoudtoets?

De uitzondering van de Wajong-uitkering van de huishoudinkomenstoets geldt niet voor een samenwonend stel of een gehuwd stel waarvan één persoon recht heeft op een Wajong-uitkering. De uitzondering geldt alleen als er daarbij ook inwonende meerderjarige kinderen zijn.

De leden van de SP-fractie constateren dat als blijkt dat er mogelijkheden zijn voor een jongere in het WWB-gerechtigde gezin in het regulier bekostigd onderwijs de ondersteuning aan deze jongere wordt geweigerd. Deze leden vragen of het vermogen van deze jongere dan wel wordt meegenomen bij de huishoudtoets op de aanvraag voor een WWB-uitkering van het gezin. Zij vragen of de regering het wenselijk acht om het vermogen van deze jongere uit te zonderen.

Als een jongere in een WWB-gerechtigd gezin regulier bekostigd onderwijs volgt of aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt deze studerende jongere van de gezinsbijstand en daarmee van de huishoudinkomenstoets uitgesloten. Voorwaarde is dat het inkomen van deze studerende jongere minder bedraagt dan € 1 023,42 netto per maand. Als aan deze voorwaarden is voldaan, wordt zowel het inkomen als het vermogen van de jongere niet bij de bijstandsverlening aan het gezin in aanmerking genomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om aan te geven hoeveel gezinnen in werkelijkheid in de omschreven situatie zitten, ook in procenten. De leden van de SGP-fractie willen weten van hoeveel uitkeringen er sprake is in de circa 18 duizend gezinnen waarover gesproken wordt. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een overzicht te geven in tabelvorm van de (bron van) inkomsten van de verschillende familieleden uit een huishouden waar één of meer personen in de bijstand zit in de huidige situatie. Deze leden zijn bijvoorbeeld benieuwd of het in de huidige situatie vaak voorkomt dat de ouders bijstand ontvangen, maar dat een inwonend kind een fulltime baan heeft. Ook zijn deze leden benieuwd naar de omgekeerde situatie en andere mogelijkheden. De leden van de D66-fractie constateren dat de regering de gezinsbijstand wil aanscherpen om ervoor te zorgen dat het meer loont om vanuit een uitkering aan het werk te gaan. Deze leden constateren voorts dat de introductie van een huishoudinkomenstoets leidt tot een korting van de bijstand als één van de gezinsleden een baan vindt. Zij vragen de regering om deze negatieve effecten op de arbeidsparticipatie inzichtelijk te maken via cijfermatige onderbouwing. Voorts vragen deze leden hoe vaak deze situatie voorkomt en met welke elasticiteit met betrekking tot arbeidsparticipatie moet rekening gehouden worden. De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een nadere onderbouwing van de activerende werking van de gezinsbijstand. In hoeverre kan bijvoorbeeld activerende werking worden verondersteld wanneer een kind door het wegvallen van de bijstand voor zijn ouders met een baan per maand slechts € 100 erop vooruit zou gaan ten opzichte van een uitkeringssituatie.

Onderstaande tabel gaat in op de aantallen huishoudens naar type inkomensbron.

Tabel 3.6

Ouder/kind(eren)

Bijstand kind

Werk/overige inkomensbron kind

Bijstand ouder

2 200 (12%)

8 000 (44%)

Werk/overige inkomensbron ouders

7 800 (43%)

Onbekend

In totaal zijn er dus circa 18 duizend huishoudens die met de huishoudinkomenstoets te maken krijgen. De aanscherping van de gezinsbijstand heeft naar verwachting een netto positief effect op de arbeidsparticipatie. Allereerst heeft de inkomenstoets een positief effect voor huishoudens met thuiswonende meerderjarige kinderen waarin niemand bijstand ontvangt. Zowel ouders als kinderen zullen er namelijk scherper op gericht zijn werkloosheid te voorkomen, omdat zij door het invoeren van de huishoudinkomenstoets geen recht meer hebben op een bijstandsuitkering.

Hiernaast zijn er de huishoudens waar minstens één huishoudlid bijstand heeft en die te maken krijgen met de huishoudinkomenstoets:

  • 1. Vader en/of moeder werkt of heeft inkomen uit andere bron, kind ontvangt bijstand. Het betreft hier naar verwachting ca. 7 800 huishoudens

  • 2. Vader en/of moeder ontvangt bijstand, kind werkt of heeft inkomen uit andere bron. Het betreft hier naar verwachting ca. 8 000 huishouden

  • 3. Vader en/of moeder ontvangt bijstand, kind ontvangt bijstand. Het betreft hier naar verwachting ca. 2 200 huishoudens.

Voor de eerste twee groepen zijn de participatie-effecten van de huishoudinkomenstoets naar verwachting positief. Het accepteren van werk door de ouder of het kind leidt namelijk niet meer tot het wegvallen van een uitkering. De huishoudinkomenstoets zorgt er dus voort dat werken beter loont voor de eerste twee groepen.

Voor de derde groep zijn de participatie-effecten zowel negatief als positief. Het negatieve aspect wordt veroorzaakt doordat het accepteren van werk door de ouder of het kind namelijk niet alleen leidt tot het wegvallen van de eigen uitkering (vaak 60% WML voor inwonend kind), maar tot het wegvallen van de uitkering van het gehele huishoudens (100% WML). Werken loont daardoor minder. Er is echter juist wél sprake van een positief effect wanneer niet één, maar meerdere gezinsleden aan het werk gaan. Er hoeven dan niet meerdere uitkeringen overtroffen te worden door inkomen uit werk, maar slechts één.

Netto bezien is het effect van de huishoudinkomenstoets op de participatie naar verwachting positief. Dit omdat de groepen waarop de inkomenstoets een positief effect heeft (inclusief de huishoudens met thuiswonende meerderjarige kinderen waar nu niemand een bijstandsuitkering heeft) veel groter zijn.

In antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie deelt de regering mee dat de activerende werking van dit wetsvoorstel ligt besloten in de aanscherping van de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan. Hierbij past niet dat een inkomensvooruitgang van «slechts € 100 per maand» aanleiding zou kunnen zijn om niet aan het werk te gaan; eigen verantwoordelijkheid weegt zwaarder dan inkomensvooruitgang. Het uitgangspunt waar de regering consequent vanuit gaat, is dat «wie kan werken, werkt», ook in die gevallen waarbij de inkomensvooruitgang beperkt is.

De leden van de D66-fractie zijn voorts benieuwd of er contact is geweest met het CPB over de effecten op de arbeidsparticipatie en welke inschatting het CPB maakt.

Het CPB is niet gevraagd om een inschatting van de effecten. Dit omdat de groep waarop de huishoudenstoets betrekking heeft beperkt is (ca. 18 duizend huishoudens). Het CPB heeft het Regeerakkoord in zijn geheel beoordeeld en doorgerekend op de effecten op de arbeidsparticipatie.

De leden van de D66-fractie vragen de regering om een gedetailleerd inzicht in de berekening achter de schatting van de effecten op de overheidsfinanciën en de arbeidsparticipatie van de maatregel aanscherping gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets.

Op basis van statistieken van de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) blijkt dat wanneer er rekening wordt gehouden met de in dit wetsvoorstel gecreëerde uitzonderingen er naar schatting circa 18 duizend huishoudens zijn die met de aangescherpte gezinsbijstand en huishoudinkomenstoets te maken krijgen. Bij deze huishoudens treden gedragseffecten op. Zo zullen inwonende kinderen kunnen besluiten het huishouden te verlaten. In totaal wordt er rekening mee gehouden met de mogelijkheid dat dit circa 10 duizend maal zal voor komen. Er resteren dan 8 duizend huishoudens waarbij een uitkering verloren gaat. Dit betekent echter niet dat de besparing 8 duizend maal de gemiddelde WWB-uitkeringshoogte voor inwonenden bedraagt. Dan zou de besparing enkele tientallen miljoenen hoger uitvallen. Er zijn factoren die deze besparing dempen. Doordat personen die het huishouden verlaten mogelijk een hogere uitkering krijgen dan voorheen (wegens het wegvallen van de gemeentelijk korting als gevolg van het kunnen delen van kosten) neemt de besparing af. Daarnaast verliezen meerderjarige inwonende kinderen bij alleenstaanden of alleenstaande ouders weliswaar hun huidige uitkering, maar krijgen deze alleenstaanden en alleenstaande ouders nu wel de gezinsuitkering die met 100% hoger is dan de oorspronkelijke uitkering. Rekening houdend met al deze effecten komt de structurele besparing uit op 54 miljoen per jaar. Het wetsvoorstel draagt er toe bij de WWB optimaal activerend te maken. Door deze activerende werking hebben de maatregelen per saldo een positief effect op de arbeidsparticipatie.

De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen erop dat de afdeling advisering van de Raad van State een ruwheid constateert in de WWB, namelijk dat er geen rekening wordt gehouden met gezinnen van meer dan twee kinderen, maar voor minderjarige kinderen wordt verwezen naar de diverse kindregelingen. De regering onderschrijft dit, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Deze leden vragen echter waarom de regering dan tegelijkertijd de kindregelingen voor minderjarige kinderen ook beperkt tot twee kinderen per gezin. Ook vragen deze leden hoe er dan rekening wordt gehouden met de reactie van de afdeling advisering van de Raad van State.

De regering merkt op dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat de uitkeringsnormering in de WWB een ruwheid kent bij de uitkeringsnormering van twee of meer personen. Dit betreft in de huidige WWB gezinnen met één of meer minderjarige kinderen die een uitkering ontvangen van 100% van het netto sociaal minimum. In haar reactie geeft de regering aan dat zij met het voorliggende wetsvoorstel ook aan gezinnen met inwonende meerderjarige kinderen eenzelfde uitkering wil geven. Dat voor minderjarige kinderen aanvullende voorzieningen beschikbaar zijn, zoals de kindregelingen, doet daar niet aan af. Meerderjarige kinderen kunnen een beroep doen op inkomensafhankelijke regelingen en belangrijker, meerderjarige kinderen kunnen werken of leren en worden geacht dat te doen om zo een beroep op bijstand te voorkomen. De regering heeft hiermee voldoende rekening gehouden met de reactie van de Afdeling. In de nota naar aanleiding van verslag bij het wetsvoorstel wijziging op Wet op het kindgebondenbudget (Kamerstukken II 2010/11, 32 798, nr. 7) wordt nader ingegaan op de voorgenomen bezuinigingen op het kindgebondenbudget.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts wat de maatregelen betekenen voor iemand met een bijstandsuitkering, die in een GGZ-instelling verblijft.

Voor degene die in een inrichting verblijft en voorafgaand aan en tijdens de opname geen deel uitmaakte van een gezin, verandert er niets. Voor degene die in een inrichting verblijft en voorafgaand aan en tijdens de opname wel deel uitmaakt van een gezin, verwijst de regering voor de gevolgen voor de uitkering naar het voorgestelde artikel R in het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de nu voorgestelde huishoudinkomenstoets in de toekomst onder de aankomende WWNV op dezelfde wijze gaat gelden bij jongeren met een arbeidsbeperking. Deze leden willen weten hoeveel jongeren met een arbeidsbeperking van de jaarlijkse instroom hierdoor worden getroffen en vragen welk effect dit zal hebben op de mogelijkheden voor ouders om zelf de zorg voor hun kind op zich te nemen. Ook vragen deze leden de regering om een overzicht te geven van de extra zorgkosten, die ontstaan doordat ouders deze zorg niet meer zelf kunnen verlenen.

In de hoofdlijnennotitie «Werken naar vermogen» is aangegeven dat mensen in de WWNV te maken krijgen met de polisvoorwaarden van de WWB. Ook het onderhavige wetsvoorstel met wijzigingen in de WWB/WIJ zal van toepassing zijn op de WWNV. De wijze waarop de nu voorgestelde huishoudinkomenstoets gaat gelden bij jongeren met een arbeidsbeperking en hoeveel jongeren het jaarlijks betreft, maakt onderdeel uit van het nog in te dienen wetsvoorstel werken naar vermogen.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten hoe de mantelzorger moet aantonen dat ten minste het aantal uren waarvoor zorg vanuit de AWBZ is geïndiceerd als mantelzorg wordt gegeven.

De mantelzorger moet aannemelijk maken dat ten minste het aantal uren waarvoor zorg vanuit de AWBZ is geïndiceerd als mantelzorg wordt gegeven (zie het beoogde artikel 4, vijfde lid onderdeel c). Aannemelijk maken is een lichtere vorm van bewijslast dan aantonen, waaraan bijvoorbeeld voldaan kan worden door verklaringen van derden, zoals de verzorgde of andere gezinsleden, of door te wijzen op waarneembare feiten.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom mantelzorg niet expliciet is genoemd als een tegenprestatie voor de uitkering. Ook de leden van de SGP-fractie vragen de regering of het mogelijk is ter voldoening van de verplichte tegenprestatie mantelzorg te verrichten.

Mantelzorg is onbetaalde zorg voor zieke familieleden of vrienden. Zoals toegelicht in antwoord op eerdere vragen van de leden van de fracties van PvdA, SP en ChristenUnie, heeft de regering geen activiteiten opgenomen die onder de tegenprestatie zijn aan te merken. De regering ziet geen aanleiding om hierop voor mantelzorg een uitzondering te maken, temeer daar de aard van mantelzorg niet past bij het verlichtende karakter van de tegenprestatie. Het gaat bij mantelzorg om intensieve zorg voor langere tijd, die in eigen kring wordt verleend. In het wetsvoorstel is de beperkende voorwaarde opgenomen dat de plicht tot een tegenprestatie uitsluitend »naar vermogen» kan worden opgelegd, waarbij betrokkene daar door het college pas toe verplicht kan worden, indien dat college zich genoegzaam heeft overtuigd van de mogelijkheid dat betrokkene eventueel aanwezige zorgtaken kan combineren met die verplichting. Met andere woorden: het college dient rekening te houden met de door betrokkene te verlenen mantelzorg.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de onderhoudsplicht en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van gehuwden en gezinsleden wil versterken. Geloofwaardige toepassing van dit uitgangspunt vraagt naar de mening van deze leden om consequente uitwerking. Zij vragen of de regering voorstellen overweegt om in de fiscaliteit het gezamenlijke inkomen van partners als uitgangspunt te nemen. Waarom is daarvan momenteel geen sprake?

Wijziging van de uitgangspunten c.q. de grondslagen voor belastingheffing vraagt een uitgebreide discussie die naar het oordeel van de regering buiten het bereik van dit wetsvoorstel valt. Met de invoering van de gezinsinkomenstoets beoogt de regering niet alleen rekening te houden met de inkomsten van aanvrager en partner, maar met de inkomsten van alle gezinsleden. De aanscherping van de gezinsbijstand en de huishoudinkomenstoets versterkt naar de mening van de regering de prikkel tot werkhervatting en daarmee het activerende karakter van de WWB.

De leden de SGP-fractie vragen ook hoe het wetsvoorstel voor afschaffing van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon, waardoor juist de gezamenlijke verantwoordelijkheid van partners wordt ondergraven, te rijmen is met de inzet van dit wetsvoorstel op meer gezamenlijke verantwoordelijkheid.

De regering zorgt met het wetsvoorstel geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon (Kamerstukken II 2010/11, 32 777) ervoor dat de uitkering zich ontwikkelt in lijn met het netto minimumloon van een kostwinner. Dit betekent niet dat in de WWB een individualisering van het draagkrachtbeginsel wordt doorgevoerd. De regering is consequent met deze wetsvoorstellen die beide gericht zijn op het bevorderen van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden.

De leden van de SGP-fractie vragen of de principiële overwegingen, die ten grondslag liggen aan invoering van de huishoudinkomenstoets, voor de regering dusdanig zwaar wegen dat budgettaire overwegingen eventueel ondergeschikt zijn. Deze leden vragen of invoering van deze maatregel ook wenselijk is wanneer zou blijken dat de budgettaire voordelen per saldo vrijwel nihil zijn, terwijl deze maatregel negatieve gevolgen heeft voor familieverbanden.

De WWB verstrekt geen aanvullende bijstand waar er sprake is van voldoende inkomen. De beoogde vorm van de gezinsbijstand en de huishoudinkomenstoets leidt tot een lagere uitkering waardoor een financiële prikkel ontstaat om het zoekgedrag te intensiveren en sneller een baan te accepteren en zodoende de inkomenspositie te verbeteren. Met het aantal personen binnen het gezin neemt het arbeidspotentieel toe. Er zijn meer gezinsleden die potentieel kunnen werken om zo een beroep op een bijstandsuitkering te voorkomen. Van betrokkenen mag verwacht worden dat zij de verantwoordelijkheid nemen om die mogelijkheden te benutten. Dit past bij het uitgangspunt dat een ieder zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en dat alleen dan een beroep op de WWB noodzakelijk is als werk (tijdelijk) niet mogelijk is en er geen andere voorziening zijn. Zo blijft de WWB een vangnet voor de mensen die het echt nodig hebben en wordt afwenteling op de algemene middelen voorkomen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat door invoering van de gezinsbijstand de erkenning van het onderscheid tussen gehuwden met en zonder kinderen wegvalt. In het huidige systeem krijgt dit onderscheid vorm door de mogelijkheid van de aanvullende uitkering van ouders of kinderen of aanvullend inkomen. Gehuwden zonder kinderen krijgen in de toekomst hetzelfde niveau van bijstand als gehuwden met kinderen, terwijl de lasten voor laatstgenoemden onmiskenbaar zwaarder zijn. Deze leden vragen op welke wijze de regering een voorziening treft om dit onderscheid weg te nemen. Dit klemt des temeer wanneer het situaties betreft waarin zowel ouders als kinderen niet aan het werk kunnen. Deze leden vragen om in aanvulling op situaties, waarin uitgegaan wordt van reële kansen op werk, aan deze situaties aandacht te besteden.

In de huidige normering van de WWB krijgen gehuwden met en zonder inwonende minderjarige kinderen in beide gevallen een uitkering ter hoogte van 100% van het netto sociaal minimum. Voor minderjarige kinderen bestaan daarnaast aanvullende voorzieningen, zoals de kindregelingen. Het voorliggende wetsvoorstel verandert dat niet. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld aan gezinnen met inwonende meerderjarige kinderen eveneens een uitkering ter hoogte van 100% van het netto sociaal minimum te verstrekken. Zo wordt voorkomen dat er binnen een gezin meerdere bijstandsuitkeringen worden gestapeld of dat binnen een gezin naast loon óók bijstandsuitkeringen voorkomen. Dat is ongewenst. Meerderjarige kinderen kunnen een beroep doen op inkomensafhankelijke regelingen.

Belangrijker is echter dat meerderjarige kinderen kunnen werken of leren en geacht worden dat te doen om zo een beroep op de bijstand te voorkomen. De voorgestelde gezinsbijstand en de huishoudinkomenstoets leidt tot een sterkere prikkel voor zowel ouder(s) als meerderjarig kind om aan het werk gaan. Met het aantal personen binnen het gezin neemt het arbeidspotentieel toe. Er zijn meer gezinsleden die kunnen werken om zo een beroep op een bijstandsuitkering te voorkomen. Van betrokkenen mag verwacht worden dat zij de verantwoordelijkheid nemen om die mogelijkheden te benutten. Dit past bij het uitgangspunt dat een ieder zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en dat alleen dan een beroep op de WWB noodzakelijk is als werk (tijdelijk) niet mogelijk is. Als werk nog niet mogelijk is vanwege een zorgbehoefte op grond van een AWBZ- zorgindicatie van 10 uur of meer of vanwege studie voorziet dit wetsvoorstel in een uitzondering op de gezinsbijstand. Voor de gevallen waarin alle gezinsleden niet kunnen werken – dit zal eerder uitzondering dan regel zijn – zijn daarmee voldoende waarborgen gecreëerd. De regering treft daarom geen voorziening.

De leden van de SGP-fractie vragen voorts hoe de gezinsbijstand zich verhoudt tot de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR), waarin het inkomen van de partners centraal staat.

De AWIR bevat algemene bepalingen voor het vaststellen van o.a. het toetsingsinkomen in inkomensafhankelijke regelingen. Uitgangspunt in de AWIR, is dat het gaat om het inkomen van de aanvrager en dat van de partner gezamenlijk. Uitgangspunt van het voorliggende wetsvoorstel is dat het gaat om ouders en meerderjarige kinderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Het verschil in uitgangspunten vindt zijn oorzaak in de verschillen tussen de AWIR enerzijds en de WWB anderzijds. Bij de AWIR gaat het om bijdragen in bepaalde kosten, bij de WWB gaat het om een veel ruimer kostenbegrip, namelijk de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij de AWIR is sprake van inkomensafhankelijkheid, bij de WWB van een complementair karakter dat inhoudt dat eerst andere inkomstenbronnen worden aangewend voordat dit laatste vangnet wordt gebruikt. Het leidende uitgangspunt van de WWB in de vorm van de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan ontbreekt bij de AWIR. Anders dan bij de WWB, speelt de activerende werking bij de AWIR geen rol. Gezien deze verschillen vindt de regering dat het partnerbegrip in de AWIR en het gezinsbegrip in de WWB in een juiste verhouding ten opzichte van elkaar staan.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering bijvoorbeeld de eis stelt dat de zorg volledig in eigen persoon verleend moet worden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de regering bij de uitzonderingsbepaling voor de AWBZ-indicatie rekening houdt met het feit dat mantelzorgers doorgaans niet de zorg van de AWBZ-indicatie volledig kunnen uitvoeren, omdat de zorg van de AWBZ-indicatie ook verpleegkundige handelingen behelst. De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering het gegeven verdisconteert dat bepaalde handelingen risicovol zijn en voorbehouden aan beroepskrachten.

In antwoord op deze vragen van de fracties van de SGP en de ChristenUnie verwijst de regering naar het beoogde artikel 4, vijfde lid onderdeel b. Daarin is sprake van «een of meer van de soorten zorg» – te weten persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, verblijf, of voortgezet verblijf. In onderdeel c van dat lid is sprake van «zorg, die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in onderdeel b». Bezien in hun onderlinge verband volgt uit deze bepalingen dat de zorg niet volledig, dat wil zeggen niet voor alle soorten zorg, in eigen persoon moet worden verleend. Wel geldt uit hetgeen verder in vorenbedoeld onderdeel c is bepaald, dat de zorg voor ten minste tien uren per week wordt verleend. Uiteraard dienen mantelzorgers geen handelingen uit te voeren die risicovol zijn en die buiten hun competentie liggen. De praktijk wijst uit dat daarmee niet alle verpleegkundige handelingen zijn uitgesloten. Een deel van de mantelzorgers heeft een verpleegkundige achtergrond en is daardoor in staat de betreffende handelingen te verrichten. Een ander deel van de mantelzorgers beschikt over aangeleerde ervaringsdeskundigheid.

De leden van de SGP-fractie vragen welke inspanningen de regering bovendien verricht om de verstrekking van 0-urenindicaties te verhelpen.

Het Centrum Indicatiestelling Zorg stelt in eerste instantie op basis van onderzoek de bruto zorgbehoefte vast. Het gaat dan om de zorg waarop de verzekerde vanuit de AWBZ is aangewezen. (ter toelichting: de verzekerde is niet aangewezen op AWBZ-zorg voor zover het gaat om gebruikelijke zorg en zorg waarvoor de verzekerde wettelijk voorliggende voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen kan aanspreken.) Vervolgens kan de verzekerde op vrijwillige basis eventuele mantelzorg in mindering laten brengen op zijn indicatie omdat men voor deze zorg dan feitelijk niet afhankelijk is van de AWBZ. Indien mantelzorgers alle zorg leverden verstrekte het CIZ in het verleden wel nul-urenindicaties. Dat behoort tot het verleden. In gevallen waarin een verzekerde voor een bepaald doel een beschikking van het CIZ wenst waaruit blijkt dat men aanspraak heeft op AWBZ-zorg, zal de verzekerde ervoor moeten kiezen de omvang van de bruto-zorgvraag op het indicatiebesluit te laten vermelden. Het gevolg van de inzet van mantelzorg is dan dat de AWBZ-indicatie dan niet, of slechts ten dele wordt verzilverd. Deze werkwijze sluit aan bij de beoordeling door de gemeente of sprake is van een substantiële bruto zorgvraag.

4. Samenvoeging met de Wet Investeren in Jongeren (WIJ)

De leden van de CDA-fractie stemmen in met het voorstel om de wet WIJ op te heffen en samen te voegen met de WWB. Ook het voorstel om het recht op een leeraanbod te vervangen door een aanspraak van de jongere op ondersteuning wordt door deze leden ondersteund. Daarvoor is het naar de mening van de leden van de CDA-fractie wel nodig dat de problematiek van de jongeren op een effectieve manier integraal wordt opgepakt. Het is dan ook positief dat de regering het initiatief neemt tot overleg met VNG en organisaties van onderwijs en hulpverlening om hiervoor gezamenlijk verantwoordelijk te willen zijn. Deze leden vragen of de regering het overleg met de VNG en organisaties van onderwijs en hulpverlening inmiddels is gestart.

Verkennende gesprekken met de VNG naar de invulling van de faciliterende rol van het Rijk bij een integrale aanpak van de regeerakkoordmaatregelen, zijn reeds gestart. De onderwijsraden en koepelorganisaties van hulpverleningsinstanties zullen nog in het najaar door het kabinet worden uitgenodigd om samen met de VNG over een eventuele gezamenlijke richtlijn te spreken. Van belang is dat de uitvoerende en bestuurlijke partijen zelf aangeven waar het Rijk een faciliterende rol kan hebben bij het tot stand komen van een integrale aanpak.

5. Tegenprestatie naar vermogen

De leden van de VVD-fractie willen graag van de regering weten waarom er voor gekozen is om met dit wetsvoorstel de gemeente de bevoegdheid te geven om een tegenprestatie naar vermogen te verlangen van mensen, die een beroep op de solidariteit van de samenleving doen en niet bijvoorbeeld door dit in een verordeningplicht te regelen.

Van iedereen die een bijstandsuitkering krijgt, mag verwacht worden dat hij of zij iets doet voor die uitkering: voor wat hoort wat. Daarom voert de regering een tegenprestatie naar vermogen in. De regering geeft met dit wetsvoorstel colleges een ruimere bevoegdheid om uitkeringsgerechtigden te laten participeren. Colleges kunnen dit invullen, al dan niet via een verordening.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de regering erop toeziet dat aan deze wens van de regering ook gestalte wordt gegeven, zodat naast het belang van de gemeenschap ook in het belang van betrokkenen zelf invulling wordt gegeven aan maatschappelijke betrokkenheid.

Colleges kunnen besluiten gebruik te maken van de mogelijkheid een tegenprestatie te vergen. De regering treedt niet in dergelijke besluiten, maar zal de toepassing ervan volgen.

De leden van de VVD-fractie concluderen dat de regering van mening is dat iemand niet kan worden gedwongen tot het verrichten van een tegenprestatie naar vermogen, maar dat het niet nakomen van de plicht kan leiden tot het opleggen van een (financiële) maatregel door het college en vragen wat in de visie van de regering daaronder kan worden verstaan. Ook vragen deze leden of bijvoorbeeld een uitkering tijdelijk kan worden ingetrokken en of de wettelijke mogelijkheden voor gemeenten in de visie van de regering hiertoe toereikend zijn.

Het aanvragen van een WWB-uitkering geschiedt op vrijwillige basis en berust niet op een verplichting. Aan het verlenen van een WWB-uitkering zijn wel voorwaarden verbonden. De regering is van mening dat van iemand die een beroep doet op de samenleving een tegenprestatie kan worden verlangd. De regering beziet momenteel de sanctiemogelijkheden ende toereikendheid en de naleving ervan.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering niet heeft overwogen om de verantwoordelijkheid voor een tegenprestatie naar vermogen meer ook bij de betrokkenen zelf neer te leggen, dat de betrokkenen verplicht worden om zelf naar maatschappelijke nuttige activiteiten te zoeken.

De regering wil voorkomen dat de tegenprestatie de focus afleidt van het doel dat geldt voor iedere bijstandsgerechtigde, te weten: zo snel mogelijk uit de bijstand en naar werk. De tegenprestatie betreft daarom werkzaamheden van tijdelijke aard die worden opgedragen in plaats van het opleggen van een verplichting deze te zoeken. Een dergelijke zoekverplichting geldt voor betaalde arbeid. Dit wetsvoorstel staat niet in de weg dat de betrokkene zelf – vrijwillig – een tegenprestatie aandraagt en die voorlegt aan het college.

De leden van de SP-fractie vragen naar de reden waarom bijstandsgerechtigden verplicht vrijwilligerswerk moeten doen.

De regering is van oordeel dat van mensen die een beroep doen op de solidariteit van de samenleving een tegenprestatie mag worden verlangd. De tegenprestatie is geen vrijwilligerswerk. Vrijwilligerswerk vindt plaats op eigen initiatief van de vrijwilliger en kan niet, zoals de tegenprestatie, door het college worden verplicht.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het gegarandeerde minimumloon dat de regering voorstaat met regulier werk, zich verhoudt met de mensen die met loondispensatie of bij wijze van verplichte tegenprestatie aan het werk gaan. Zij vragen welke gevolgen dit heeft voor de garantie van het minimumloon en voor de definitie van «werk».

Veel mensen in de bijstand hebben arbeidsmogelijkheden. Het is belangrijk voor henzelf en de maatschappij dat zij zoveel mogelijk in regulier werk aan de slag gaan of in ieder geval een tegenprestatie leveren. In het geval dat een WWB-gerechtigde een tegenprestatie levert, voorziet het wetsvoorstel er in dat het gaat om onbeloonde, additionele werkzaamheden die maatschappelijk nuttig zijn, met behoud van de uitkering. Er is hier geen sprake van «werk» en het minimumloon speelt hierin geen rol.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de gevolgen van de verplichte tegenprestatie voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Zij vrezen, evenals de afdeling advisering van de Raad van State, voor verdringing. Deze leden vragen wat de regering verstaat onder «normale burgerlijke verplichtingen». De leden van de ChristenUnie-fractie constateren tevens dat de afdeling advisering van de Raad van State kritisch is over de tegenprestatie wegens spanningen met het internationaal recht en in het bijzonder het ILO-verdrag nr. 29. Deze leden vragen een nadere toelichting van de regering waarom de tegenprestatie als een normale burgerplicht kan worden beschouwd, aangezien volgens de argumentatie van de regering hierom geen spanning zal zijn met het internationaal recht. Ook de leden van de SP-fractie verzoeken de regering om een definitie van «normale burgerplichten». Zij vragen daarbij wat abnormale burgerplichten zijn.

In het wetsvoorstel zijn kaders aangegeven waarmee een college rekening dient te houden wanneer zij een tegenprestatie oplegt. Een van de voorwaarden is dat er geen verdringing op de reguliere arbeidsmarkt mag plaats vinden.

Zoals eveneens is aangegeven in de Memorie van toelichting wordt in het ILO-verdrag nr. 29 gesproken van burgerlijke verplichtingen als het gaat om diensten, uitgevoerd in het onmiddellijk belang van de gemeenschap en diensten, die uit dien hoofde beschouwd kunnen worden als normale, op de leden van de gemeenschap rustende, burgerlijke verplichtingen, op voorwaarde dat de bevolking zelf of haar rechtstreekse vertegenwoordigers het recht hebben zich uit te spreken over de noodzakelijkheid van die diensten. De tegenprestatie valt daarbinnen.

De leden van de PvdA-fractie vragen om voorbeelden van «maatschappelijk nuttige activiteiten». De leden van de SP-fractie vragen een overzicht van concrete werkzaamheden, die een aanvulling zijn op de reguliere arbeid en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De leden van de PvdA-fractie vragen of het schoonhouden van de openbare ruimte in de visie van de regering een burgerlijke verplichting is en of dit in de visie van de regering een maatschappelijk nuttige activiteit is. De leden van de PvdA-fractie vragen wat in vorenstaand kader de visie van de regering is op het uitdelen van maaltijden in een verzorgingshuis of het rondrijden van bejaarden in een taxibusje. De leden van de SP-fractie vragen of werkzaamheden, waarop wordt bezuinigd door gemeenten, zoals sneeuwschuiven, koffie schenken, beheer wijkcentra werkzaamheden, werkzaamheden zijn die vallen onder de tegenprestatie naar vermogen.

Het wetsvoorstel geeft geen overzicht van mogelijke additionele werkzaamheden, want de regering wil voorkomen bij voorbaat te beperken of uit te sluiten wat wel en niet mogelijk is. De invulling daarvan behoort tot de beleidsvrijheid van de colleges. In het wetsvoorstel is wel een aantal voorwaardelijke criteria opgenomen waaraan het opleggen van een tegenprestatie dient te voldoen. Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie. De omvang van de activiteiten die als tegenprestatie worden opgelegd en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Het onderhouden en schoonhouden van de publieke ruimte is naar het oordeel van de regering doorgaans een zeer nuttige maatschappelijke activiteit. In veel gevallen worden (delen van) schoonmaak en onderhoud als betaalde economische activiteit verricht. De vraag of schoonmaken en onderhouden van de openbare ruimte het soort nuttige activiteit is in die zin dat die als tegenprestatie kan worden opgelegd, is afhankelijk van de specifieke situatie, de lokale omstandigheden en de omvang en duur van de activiteiten. Dit zal per situatie bekeken moeten worden. Bij die afweging zal het college zich bovendien rekenschap moeten geven of het gaat om additionele, maatschappelijk nuttige werkzaamheden die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Het vorenstaande geldt ook voor activiteiten als uitdelen van maaltijden in een verzorgingshuis of het rijden van ouderen in een taxibusje, koffieschenken, activiteiten rond wijkcentra.

De uiteindelijke beoordeling of op lokaal niveau activiteiten voldoen aan de in het wetsvoorstel verwoorde definitie en randvoorwaarden is aan het college.

De leden van de PvdA-fractie vragen, dat als het onderscheid tussen deze maatschappelijk nuttige werkzaamheden en regulier werk afhankelijk is van economische factoren en van «de bereidheid om loon te betalen» voor die werkzaamheden, hoe de regering dan kan garanderen dat mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt hun betaalde baan niet zullen verliezen aan mensen, die voldoen aan hun wettelijke plicht tot tegenprestatie. Zij vragen voorts of de regering het met hen eens is dat er met de introductie van mensen, die een tegenprestatie leveren, een bepalende factor wordt toegevoegd aan de werking van de arbeidsmarkt en of de introductie van de tegenprestatie de «bereidheid tot het betalen van loon» voor bepaalde werkzaamheden, zal beïnvloeden.

De regering heeft juist ter voorkoming van valse concurrentie en verdringing in het wetsvoorstel opgenomen dat de maatschappelijk nuttige activiteiten een additioneel karakter dienen te hebben. Daarnaast zullen de omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd in de regel beperkt dienen te zijn. Deze condities voorkomen dat werkzaamheden verricht in het kader van de tegenprestatie een verdringing op de arbeidsmarkt teweeg zullen brengen. De regering is het dan ook niet eens met de stelling van de leden van de PvdA-fractie dat er met de introductie van mensen, die een tegenprestatie leveren, een bepalende factor wordt toegevoegd aan de werking van de arbeidsmarkt. De bereidheid tot het betalen van loon voor bepaalde werkzaamheden zal door de introductie van de tegenprestatie niet worden beïnvloed.

De leden van de PvdA-fractie en de leden van de SP-fractie vragen om nader in te gaan op de opmerking van de afdeling advisering van de Raad van State dat er spanning zou kunnen bestaan tussen het onderhavige wetsvoorstel en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en verdrag nr. 29 van de ILO.

Het gaat bij de tegenprestatie om een nieuwe burgerlijke verplichting en niet om gedwongen arbeid als bedoeld in artikel 2 van het ILO-verdrag nr. 29. Het verdrag spreekt van burgerlijke verplichtingen als het gaat om diensten, uitgevoerd in het onmiddellijk belang van de gemeenschap en diensten, die uit dien hoofde beschouwd kunnen worden als normale, op de leden van de gemeenschap rustende, burgerlijke verplichtingen, op voorwaarde dat de bevolking zelf of haar rechtstreekse vertegenwoordigers het recht hebben zich uit te spreken over de noodzakelijkheid van die diensten. De tegenprestatie stemt daarmee overeen. In het geval van de tegenprestatie gaat het om het opleggen van burgerlijke verplichtingen of kleine gemeenschapsdiensten, aan uitsluitend inwoners die aangewezen zijn op uitkeringen die bekostigd worden uit de algemene middelen. Daarnaast gelden nog de beperkende voorwaarden dat de verplichtingen slechts «naar vermogen» kunnen worden opgelegd en dat een betrokkene daar door het college pas toe verplicht kan worden, indien het college zich er genoegzaam van heeft overtuigd dat betrokkene eventueel aanwezige zorgtaken kan combineren met die verplichtingen.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een reactie op de opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State dat de negatieve (financiële) maatregel, het uitsluiten van het vangnet van de bijstand, bij weigering van de opdracht tot het leveren van een tegenprestatie, niet te veronachtzamen is.

De regering deelt de analyse dat een financiële maatregel niet te veronachtzamen is. De regering vindt dat een financiële maatregel gepast is, indien mensen die zijn aangewezen op de algemene middelen en weigeren daar een tegenprestatie tegenover te zetten.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is gehoor te geven aan de eisen, die voortvloeien uit verdrag nr. 29 van de ILO verdrag, die stellen dat de werkzaamheden niet ten goede mogen komen aan private partijen en dat gebruikelijke betaling dient plaats te vinden.

De tegenprestatie, zoals gedefinieerd in het wetsvoorstel , heeft betrekking op maatschappelijk nuttige activiteiten en niet op activiteiten die tot doel hebben ten goede te komen aan private partijen.

De leden van de fracties van de ChristenUnie, de PvdA en de SP vragen hoe lang en hoeveel uur per maand uitkeringsgerechtigden een tegenprestatie moeten leveren. De leden van de SP-fractie vragen of bijstandsgerechtigden zeven dagen per week, 24 uur per dag opgeroepen kunnen worden om een tegenprestatie te leveren. Voorts vragen deze leden wat verstaan wordt onder de zinsnede dat de «omvang van de werkzaamheden en de duur in tijd in de regel beperkt moet zijn» en zij vragen de regering dit te concretiseren.

Het wetsvoorstel voorziet er in dat van iemand die een beroep doet op een WWB- dan wel een IOAW- of IOAZ-uitkering – het college de bevoegdheid heeft om deze te verplichten om naar vermogen een tegenprestatie te leveren.De tegenprestatie mag niet in de weg staan aan het verkrijgen van betaalde arbeid of aan de re-integratie op de arbeidsmarkt. De omvang van de onbetaalde maatschappelijk nuttige werkzaamheden en de duur in de tijd dienen daarom in de regel beperkt te zijn. Het college bepaalt aan de hand van de specifieke omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie. Gezien dit specifieke karakter is er geen algemene norm voor de duur en een concreet aantal uren te stellen. Oproepbaarheid gedurende zeven dagen per week, 24 uur per dag valt in ieder geval buiten de algemeen aanvaarde normen.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten of de uitkeringsgerechtigde elk aanbod moet accepteren of dat hij een keuze heeft uit een aanbod van verschillende tegenprestaties.

De leden van de SP-fractie vragen hoe het leveren van een tegenprestatie zich verhoudt tot de plicht van bijstandsgerechtigden om te solliciteren en te re-integreren. De leden van de PvdA-fractie vragen of iemand die een tegenprestatie levert ook moet voldoen aan de sollicitatieplicht. De leden van de SP-fractie vragen of werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie worden verricht door uitkeringsgerechtigden met ontheffing van de re-integratie/sollicitatieplicht. De leden van de CDA-fractie vragen hoe gewaarborgd wordt dat er geen verdringing ontstaat en voorkomen wordt dat er misbruik wordt gemaakt van bijstandsgerechtigden door hen nietszeggend werk te laten doen.

Het leveren van een tegenprestatie en de plicht om te solliciteren en te re-integreren zijn verplichtingen die naast elkaar gelden. De onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die als tegenprestatie opgedragen kunnen worden, mogen niet in de weg staan bij het verkrijgen of accepteren van betaalde arbeid of van de re-integratie gericht op arbeidsinschakeling. Het uitgangspunt «werk boven uitkering» staat voorop. Ook belanghebbenden met ontheffing van de re-integratie/sollicitatieplicht kunnen verplicht worden om een tegenprestatie te verrichten

Indien de gemeente gebruik maakt van haar bevoegdheid om een tegenprestatie te verlangen en overeenkomstig de wet een tegenprestatie opdraagt aan een betrokkene dan is deze gehouden daar gehoor aan te geven.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie op welke manier het vermogen tot tegenprestatie wordt bepaald en wie dat bepaalt, deelt de regering mee dat het wetsvoorstel er in voorziet dat het college bepaalt in welke mate de betrokkene naar vermogen maatschappelijk nuttige werkzaamheden kan verrichten. Hierbij zal het college rekening dienen te houden met de specifieke omstandigheden van de belanghebbende en de lokale situatie.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de mensen die een tegenprestatie leveren verzekerd zijn. De tegenprestatie wordt verricht met behoud van uitkering. Dat betekent dat het uitkeringsregime van toepassing is. Als men uitvalt, blijft het recht op de uitkering bestaan. Het college kan daarnaast een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid of de arbeidsongeschiktheid door die activiteiten, afsluiten.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier rekening wordt gehouden met kinderopvang.

Het college dient bij het opleggen van een tegenprestatie rekening te houden met de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde en diens mogelijkheden om zorg en verplichtingen te combineren.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie wat er gebeurt met eventuele reiskosten, deelt de regering mee dat het college bepaalt hoe er met eventuele reiskosten wordt omgegaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er een maximale termijn is verbonden aan het leveren van een tegenprestatie. Dit is niet het geval.

De leden van de CDA-fractie vragen waarin dit voorstel verschilt van de mogelijkheden, die gemeenten nu al hebben om via work-first projecten bijstandsgerechtigden aan het werk te helpen. De onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die als tegenprestatie opgedragen kunnen worden, zullen naar hun aard niet direct gericht hoeven te zijn op toeleiding tot de arbeidsmarkt. Work-first projecten hebben tot doel de terugkeer van belanghebbende op de arbeidsmarkt en dienen daarom primair nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene richting de arbeidsmarkt.

De leden van de SP-fractie vragen om een toelichting op welke wijze het verplichten tot een tegenprestatie bijstandsgerechtigden uit de armoede helpt en hen aan een baan met een fatsoenlijk salaris helpt.

De regering wijst erop dat mensen zelf verantwoordelijk zijn om te voorzien in de middelen van bestaan. Voor het geval zij daarin (tijdelijk) niet kunnen voorzien, is er bijstand. De regering is van mening dat van iedereen die een beroep doet op de solidariteit van de samenleving een tegenprestatie mag worden verlangd. De tegenprestatie heeft niet tot doel mensen uit de armoede te helpen of te re-integreren naar betaalde arbeid, maar het leveren van tegenprestatie bij het ontvangen van een uitkering. Daarmee beoogt de regering tot uitdrukking te brengen dat als een beroep wordt gedaan op de solidariteit van de samenleving, de samenleving daar iets voor terug mag vragen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het wenselijk acht om de in te zetten instrumenten in de bijstand niet langer in dienst te laten staan van het aan het werk helpen van mensen, maar als middel om goedkoop publieke taken uit te voeren.

De regering is het eens met de leden van de SP- fractie dat de instrumenten in de bijstand in dienst staan en dienen te staan aan het aan het werk krijgen van mensen zodat ze geen beroep op bijstand meer hoeven doen. Op grond van de huidige artikelen 9 van de WWB en 37 van de IOAW en IOAZ hebben colleges al de beschikking over de instrumenten om uitkeringsgerechtigden te verplichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling te aanvaarden. Daarnaast is er het instrument tegenprestatie. De tegenprestatie moet niet afleiden van de bestaande verplichtingen of reeds bestaand (publiek) werk verdringen. De in het wetsvoorstel verwoorde definitie en randvoorwaarden zorgen daarvoor.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering stelt dat de tegenprestatie niet bedoeld is als re-integratie instrument en de in dat kader te verrichten werkzaamheden juist geen onderdeel mogen uitmaken van werkzaamheden, die in het algemeen verkeer als arbeid op de reguliere arbeidsmarkt worden aangeduid. Zij vragen om een definitie van «arbeid op de reguliere arbeidsmarkt». Arbeid op de reguliere arbeidsmarkt zijn werkzaamheden die worden gevraagd op de arbeidsmarkt waarvoor een bepaald loon wordt aangeboden. In de Memorie van Toelichting bij de tegenprestatie is «arbeid op de reguliere arbeidsmarkt» genoemd om een onderscheid aan te geven tussen onbetaalde maatschappelijk nuttige werkzaamheden en betaald werk.

De leden van de SP-fractie vragen of alle leden die onder de gezinsbijstand vallen, apart een tegenprestatie moeten leveren of één persoon uit het gezin. De verplichtingen benoemd in artikel 9 van de WWB, gelden voor alle meerderjarige leden die onder de gezinsbijstand vallen, voor zover zij niet van die verplichtingen ontheven zijn.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de regering uitvoering gaat geven aan de motie Karabulut (Kamerstukken II 2010/11, 32 500 XV, nr. 32), die ook van politici met wachtgeldregeling een tegenprestatie vraagt. Voor de beantwoording van deze vraag verwijst de regering naar de brief van 28 maart 2011 van de minister van BZK inzake de motie van mevrouw Karabulut (Kamerstukken II, 2010/11, 32 500 XV, nr. 78). Hierin is aangegeven dat het karakter van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) zodanig verschilt van de WWB dat een plicht tot tegenprestatie niet in de Appa zal worden opgenomen.

6. Beperking van de verblijfsduur in het buitenland

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom er niet voor is gekozen om de vakantieperiode van vier weken verder terug te brengen, zodat bijstandsgerechtigden, die in staat zijn om te werken ook langer beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Deze leden vragen voorts of de regering kan aangeven welke redenen eraan ten grondslag liggen dat bijstandsgerechtigden vier weken lang per jaar ontheven zijn van de verplichtingen, die een uitkering op grond van de WWB met zich mee brengt. Zij vragen de regering ook aan te geven waarom ervoor is gekozen dat vakantie in het buitenland wordt toegestaan en niet bijvoorbeeld beperkt wordt door vakantie op te nemen in het binnenland. Deze leden vragen voorts de regering of zij van oordeel is of het verstrekken van een bijstandsuitkering zich verhoudt met het zich kunnen permitteren van het doorbrengen van vakantie in het buitenland.

De regering wil de export van sociale zekerheidsuitkeringen waar mogelijk beperken. Dit voorstel sluit daarbij aan. De regering brengt met dit voorstel de maximale verblijfsduur met behoud van bijstand in het buitenland, ook voor bijstandsgerechtigden tot 65 jaar die een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen hebben, terug van 13 naar 4 weken per kalenderjaar. De verplichtingen die aan het recht op bijstand zijn verbonden, blijven tijdens het tijdelijk verblijf in het buitenland van kracht. Of de bijstandgerechtigde al dan niet van deze mogelijkheid gebruik maakt, is ter beoordeling aan de bijstandsgerechtigde zelf, en zal afhangen van de keuzes die worden gemaakt ten aanzien van het uitgavenpatroon. De regering ziet dit als een eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde en treedt daar in beginsel niet in.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven of er naast de bijstandsuitkering ook sprake is van het verstrekken van vakantiegeld ten laste van de gemeenschap en om welke bedragen het daarbij gaat.

Van de algemene bijstandsuitkering wordt 5% gereserveerd voor het vakantiegeld. Het gaat hierbij – afhankelijk van het huishoudtype – om bedragen van € 33,00 (alleenstaanden vanaf 27 jaar) tot € 65,99 (gehuwden/samenwonenden) per maand. De algemene bijstandsuitkering wordt maandelijks betaalbaar gesteld, exclusief het vakantiegeld. Het gereserveerde vakantiegeld wordt betaalbaar gesteld in de maand juni.

In vervolg op de voorgaande vraag vragen de leden van de VVD-fractie het in het licht van het territorialiteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 11, eerste lid van de WWB, niet eerder vanzelfsprekend moeten zijn dat deze middelen vanuit de gemeenschap die bedoeld zijn om te voorzien in de bestaanskosten hier te lande ook daadwerkelijk wordt uitgegeven hier te lande en niet in het buitenland. Deze leden vragen de opvatting van de regering hierover.

Een uitkering op grond van de WWB is bedoeld als een sociaal vangnet om in Nederland in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De regering stelt daarom met dit wetsvoorstel voor om de standaard verblijfsduur met behoud van bijstand in het buitenland van vier weken per kalenderjaar – zonder uitzondering – van toepassing te verklaren op alle bijstandsgerechtigden tot 65 jaar. De regering ziet de daadwerkelijke besteding van de uitkering als een eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde en treedt daar in beginsel niet in.

Op welke wijze vindt in de visie van de regering de communicatie plaats in het kader van deze wijzigingen van verblijfsduur in het buitenland, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Het is aan gemeenten betrokkenen te informeren over hun rechten en plichten bij aanvraag en verstrekking van een uitkering op grond van de WWB. Voor de SVB geldt dat het gehele bestand van personen die een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio) ontvangen schriftelijk zal worden geïnformeerd.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij uit een kan zetten hoe zij het handhavingsbeleid voor zich ziet van gemeenten en uitvoeringsorganisaties zodat deze vakantietermijnen ook daadwerkelijk in acht worden genomen en sancties worden getroffen indien dit niet het geval is. In het kader van de voorgaande vraag willen deze leden weten hoe een gemeente gaat controleren wanneer een bijstandsgerechtigde bijvoorbeeld al vier weken vakantie heeft genoten en vervolgens met de auto naar het buitenland gaat.

Op grond van artikel 17 van de WWB is belanghebbende verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het college en Sociale Verzekeringsbank (SVB) leggen de bijstandsgerechtigde de verplichting op om zijn verblijf in het buitenland vóóraf te melden; belanghebbende is hiertoe dan op grond van artikel 17 van de WWB gehouden. Uitgangspunt bij artikel 17 is dat van belanghebbende kan worden verlangd dat hij de gegevens en inlichtingen verstrekt zodat het college kan beoordelen of het beroep op bijstand terecht wordt gedaan. Indien deze informatie wordt verzwegen of onjuist wordt verstrekt met het oogmerk een (hogere) bijstandsuitkering te krijgen, is er sprake van uitkeringsfraude waarop sancties staan. De bevoegd- en verantwoordelijkheden op het terrein van de handhaving liggen primair bij de het college en de SVB.

De leden van de PvdA-fractie vragen of 65-plussers, die op grond van de bijzondere bijstand een reparatie ontvangen voor hun AOW-gat, nog maar maximaal acht weken in het buitenland mogen verblijven. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom zij de verblijfsduur in het buitenland van 65-plussers, die middels de bijzondere bijstand een reparatie ontvangen voor hun AOW-gat, wil beperken tot maximaal acht weken, terwijl die periode enkele jaren geleden juist nog was uitgebreid. De leden van de PvdA-fractie vragen samen met de leden van de CDA-fractie of Surinaamse Nederlanders niet meer mogen overwinteren in hun thuisland zonder inkomensgevolgen. De leden van de CDA-fractie vernemen graag van de regering wat precies de achtergrond van het voorstel is om 65-plussers, die middels de bijzondere bijstand een reparatie ontvangen voor hun AOW-gat nog maar maximaal acht weken toe te staan in het buitenland te verblijven. Deze leden wijzen erop dat 65 plussers toch niet meer sollicitatieplichtig zijn. De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten waarom ook bijstandsgerechtigden, die niet beschikbaar hoeven te zijn voor de arbeidsmarkt, in Nederland niet meer dan vier weken in het buitenland mogen verblijven.

De regering merkt op dat 65 plussers met een onvolledige AOW, en daardoor een inkomen onder het sociaal minimum, niet via de bijzondere bijstand een reparatie voor hun AOW-gat ontvangen, maar een beroep kunnen doen op de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio). De AIO vult het inkomen aan tot het sociaal minimum om in Nederland in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De regering heeft er in het voorliggende wetsvoorstel voor gekozen om alle bijstandsgerechtigden maximaal een standaardtermijn van vier weken verblijf buiten Nederland met behoud van bijstand toe te staan, ongeacht de vraag of zij al dan niet ontheven zijn van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Hiermee sluit de termijn voor verblijf buiten Nederland met behoud van bijstand aan bij het uitgangspunt dat de bijstand bedoeld is als een sociaal vangnet om in Nederland in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Het bestaande verschil tussen bijstandsgerechtigden jonger en ouder dan 65 jaar heeft de regering gerespecteerd. Daarom voorziet dit wetsvoorstel in een expliciete uitzondering voor deze groep op de standaardtermijn, die met acht weken per kalenderjaar het dubbele is van de standaardtermijn. Een langere termijn acht de regering in strijd met het uitgangspunt dat de bijstand bedoeld is als een sociaal vangnet om in Nederland in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of er nog onderscheid wordt gemaakt in vakantiebestemming, en of daarbij een verblijf in Nederland of een andere EU-lidstaat minder erg dan een verblijf buiten de EU.

De hiervoor genoemde termijn van maximaal acht weken per kalenderjaar ziet uitsluitend op periode dat een Aio-gerechtigde met behoud van de Aio-uitkering buiten Nederland mag verblijven. Het is hierbij niet relevant of de bijstandsgerechtigde in een buitenland binnen of buiten de EU verblijf houdt.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat de hoogte van de aanvulling van het AOW-gat wordt verlaagd door deze te koppelen aan het bijstandniveau voor mensen jonger dan 65 jaar, in plaats van de huidige koppeling aan het bijstandniveau na 65 jaar. Wat zijn hiervan de inkomensgevolgen voor betrokkenen.

De bijstandsverlening aan mensen met een «AOW-gat», een onvolledige opbouw van AOW door onvoldoende verzekerde jaren, is geregeld in de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio). Anders dan deze leden veronderstellen, wordt de Aio in dat wetsvoorstel niet gekoppeld aan het bijstandsniveau voor mensen jonger dan 65 jaar. De Aio blijft op het huidige (hogere) niveau gehandhaafd en vervolgens wordt de verdere ontwikkeling van de Aio gelijkgeschakeld met die van de bijstand voor mensen jonger dan 65 jaar. De afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon (Kamerstukken II 2010/11, 32 777 nrs. 1-3) werkt op deze manier door in de bijstandsnormen voor mensen van 65 jaar of ouder. Het effect van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon op het besteedbaar inkomen is net, als bij de bijstand voor mensen jonger dan 65 jaar, -½% tot -¾% per jaar. Het huidige verschil in hoogte tussen bijstandsnormen voor mensen tot 65 jaar en voor mensen van 65 jaar of ouder blijft echter in stand. Het verschil voor een alleenstaande bedraagt thans circa ruim € 1 000 netto per jaar en voor een paar circa € 900.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of het gezinsinkomen wordt gekort, als een meerderjarige jongere met ouders in de bijstand in de zomervakantie zes weken gaat interrailen. In vervolg hierop, willen de leden van de PvdA-fractie tevens weten of het verrichten van zes weken vrijwilligerswerk door deze jongere, bijvoorbeeld in een kindertehuis in Roemenië, gevolgen heeft voor de gezinsbijstand. De leden van de SP-fractie vragen of de gezinsbijstand wordt gekort indien een meerderjarig kind zonder werk of opleiding met ouders in de bijstand meer dan vier weken op vakantie, en zo ja, met hoeveel precies.

Meerderjarige kinderen die deel uitmaken van de gezinsbijstand kunnen, net als de overige gezinsleden, maximaal vier weken per kalenderjaar met behoud van het recht op gezinsbijstand buiten Nederland. Indien een van de gezinsleden langer dan vier weken buiten Nederland verblijft, wordt niet langer aan een voorwaarde voor het recht op bijstand voldaan. Dat kan dus inderdaad gevolgen hebben voor het recht op en de hoogte van de gezinsbijstand. Wat die gevolgen in een concret situatie zijn, is ter beoordeling aan het college.

In dit verband vragen de leden van de PvdA-fractie wat het geval is indien zijn of haar ouders dan beloven dat jaar niet op vakantie te gaan, of vakantiedagen binnen een huishouden overdraagbaar en verhandelbaar zijn, en de leden van een huishouden ook allemaal tegelijkertijd op vakantie moeten gaan.

De toegestane maximale verblijfsduur van vier weken per kalenderjaar met behoud van bijstand buiten Nederland geldt voor alle individuele leden tot 65 jaar van het bijstandsgerechtigde huishouden afzonderlijk en is niet overdraagbaar en verhandelbaar.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering of er uitzonderingssituaties mogelijk zijn, waarin bijstandsgerechtigden wel langer dan de voorgestelde vakantietermijn in het buitenland mogen blijven zonder hun recht op (aanvullende) bijstand te verliezen, en zo ja, welke situaties dat dan zijn. De leden van de D66-fractie constateren dat de regering de doorbetaling van de uitkering bij verblijf in het buitenland wil beperken. Deze leden kunnen zich voorstellen dat in sommige gevallen een langer verblijf in buitenland noodzakelijk of gerechtvaardigd is. Een voorbeeld is als iemand in het buitenland ziek wordt of een ongeval krijgt en daardoor langere tijd in het ziekenhuis belandt.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of de regering van mening is dat er uitzonderingssituaties mogelijk zijn, waarin een persoon geen keus heeft en wel langer in buitenland moet verblijven. Tevens vragen deze leden of het onderhavige wetsvoorstel voorziet in mogelijkheden tot coulance met betrekking tot deze uitzonderingssituaties. De leden van de SP-fractie vragen of er een uitzondering wordt gemaakt voor bijstandsgerechtigden, die vanwege een lichamelijke beperking niet beschikbaar hoeven te zijn voor de arbeidsmarkt in Nederland en om gezondheidsredenen een langere periode willen verblijven in een ander klimaat. Zij vragen in dit verband tevens of er uitzonderingssituaties mogelijk zijn waarbij bijstandsgerechtigden wel langer dan de vastgestelde termijn in het buitenland mogen verblijven zonder hun recht op bijstand te verliezen, en zo, welke situaties dat dan zijn.

Een belanghebbende die langer dan de in de WWB toegestane verblijfsduur buiten Nederland verblijft, heeft geen recht op bijstand. In het huidige artikel 16 van de WWB is een uitzonderingsbepaling opgenomen op grond waarvan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, toch bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

In dit verband dient dan vast te staan dat er sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van zeer dringende redenen dient een strikt individuele beoordeling door de gemeente van het voorliggende geval plaats te vinden. Er moet dan -conform de reeds ontwikkelde jurisprudentie hieromtrent- sprake zijn van acute levensbedreigende omstandigheden waarin de belanghebbende zelf verkeerd.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om een toelichting over hoeveel verzwegen vermogen in het buitenland, dan wel de opbouw daarvan, wordt voorkomen met de voorgestelde beperking van de verblijfsduur in het buitenland, en verzoeken de regering dit nader te onderbouwen.

De beperking van de verblijfsduur in het buitenland draagt bij aan een betere handhaving, omdat het recht op bijstand van personen die langdurig in het buitenland verblijven, voor het college en de SVB moeilijk te beoordelen en te handhaven is. Het korter toestaan van verblijf in het buitenland met behoud van bijstand levert naar verwachting minder verzwegen vermogen in het buitenland op. Immers de bijstandgerechtigden die voorheen maximaal 13 of 26 weken met behoud van bijstand in het buitenland konden verblijven hebben bij een verkorting van de toegestane verblijfsduur geen of minder baat bij het in standhouden van (verzwegen) vermogensobjecten in het buitenland.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten hoe de procedure in het werk gaat op het moment dat een bijstandsgerechtigde langer in het buitenland wil verblijven en daardoor geen recht meer heeft op het recht op bijstand. Wordt de uitkering dan «bevroren» of wordt deze beëindigd en moet de bijstandsgerechtigde bij terugkeer opnieuw een aanvraag indienen, inclusief de bijbehorende administratieve lasten, zo willen deze leden weten.

Bijstandsgerechtigden die langer dan de toegestane maximale verblijfsduur buiten Nederland willen verblijven, zijn in de WWB uitgesloten van het recht op bijstand. De bijstand dient in die gevallen dan ook te worden beëindigd. Indien bij terugkeer door de betreffende belanghebbende opnieuw bijstand wordt aangevraagd, zal het college opnieuw moeten beoordelen of er een recht op bijstand bestaat. Indien een langdurig verblijf in het buitenland negatieve gevolgen heeft gehad voor de kansen op arbeidsinschakeling en re-integratie, is aan het college om een passende maatregel op te leggen in de vorm van een tijdelijke verlaging van de bijstand wegens het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen tevens of hier geen sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van de groep overige AOW’ers, die wel langer in het buitenland kunnen verblijven. Deze leden ontvangen graag een toelichting hoe voorkomen wordt dat er afbreuk wordt gedaan aan het gelijkheidsbeginsel.

Gezien de verschillen in uitgangspunten tussen de AOW enerzijds en de bijstand en de Aio anderzijds, is er geen sprake van een ongelijke behandeling tussen de groep die een Aio-uitkering ontvangt en de overige AOW-ers. Immers de AOW betreft een volksverzekering waarvan het recht op opgebouwde uitkering ook bij een eventueel structureel verblijf in het buitenland blijft bestaan. Dit geldt zowel voor een volledige als voor een onvolledige AOW-uitkering. In dat opzicht wordt geen onderscheid gemaakt tussen beide groepen. Anders dan de bijstand en de Aio, kent de AOW niet het territorialiteitsbeginsel. Dit beginsel brengt met zich mee dat indien een onvolledige uitkering wordt aangevuld met een Aio-uitkering, deze aanvullende uitkering alleen bij een verblijf in het buitenland van maximaal acht weken per kalenderjaar kan worden verstrekt.

7. Alleenstaande ouders in de Wet werk en bijstand (WWB)

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten wat het maandelijkse netto-inkomen van een alleenstaande ouder van een kind tot 12 jaar bedraagt wanneer die ouder gebruikt maakt van de maximale vrijlating van 12,5%. De leden van de SP-fractie vragen of de regering een overzicht kan geven van de netto inkomsten van een alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar per maand met maximale vrijlating.

Het maandelijkse netto inkomen zal bestaan uit de bijstandsuitkering plus de inkomsten uit arbeid, tezamen € 1 187,87 per maand, en de maximale vrijlating van € 120. Daarmee komt het maandelijks netto inkomen op € 1 307,87 (bedragen per 1 juli 2011 op basis van een zelfstandig wonende alleenstaande ouder en inclusief vakantiegeld).

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten welke andere regelingen er zijn en welke maatregelen wellicht nog genomen gaan worden om voor (alleenstaande) ouders van kinderen tot 12 jaar de combinatie van werk en zorg te vergemakkelijken en te voorkomen dat er sprake zal zijn van een armoedeval wanneer die ouder gaat werken. De leden van de SP-fractie vragen welke maatregelen de regering neemt om de combinatie van zorg en arbeid te vergemakkelijken voor alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering.

De regering wil alleenstaande ouders een optimale kans bieden om arbeid en zorg te combineren en op zelf te voorzien in de noodzakelijke middelen van het bestaan. Alleenstaande ouders in de bijstand moeten aan het werk, net als andere bijstandsgerechtigden. De bestaande ontheffing van de arbeidsverplichting van maximaal zes jaar voor bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar past niet binnen deze doelstellingen. Lange afwezigheid op de arbeidsmarkt werkt nadelig op de kans op werk; het vergroot de afstand tot de arbeidsmarkt. Bovendien geeft het een verkeerd signaal waar het betreft de mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren, als zou de combinatie gedurende zes jaar niet mogelijk zijn. Daarom schaft de regering deze ontheffingsmogelijkheid af. Daarnaast wijzigt de regering de bestaande vrijlating voor alleenstaande ouders om (gaan) werken financieel aantrekkelijker te maken voor alleenstaande ouders.

Voorts zijn er de bestaande maatregelen die de combinatie van werk en zorg vergemakkelijken. Zo kunnen alleenstaande ouders die gaan werken gebruik maken van kinderopvang en de vergoeding van de betreffende kosten. Colleges kunnen maatwerk leveren: de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene. Ook de fiscaliteit houdt rekening met de combinatie van arbeid en zorg door de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het verschil in inkomen kan laten zien bij de vrijlating van heffingskortingen en het inkomen bij de nieuwe vrijlating, die de vrijlating van heffingskortingen vervangt. De leden van de PvdA-fractie welk effect de maximale vrijlating van 12,5% van het netto inkomen heeft. De maximale vrijlating is € 120 per maand. Zolang iemand dus nog recht heeft op bijstand en in aanmerking komt voor de maximale vrijlating dan zal in alle situaties zowel het netto als het besteedbaar inkomen € 120 per maand hoger zijn dan wanneer er geen vrijlating zou zijn.

Onderstaande grafiek laat voor de twee vormen van vrijlating zien wat het totale netto inkomen is als gevolg van werk en aanvulling vanuit de bijstand bij verschillende hoogten van het netto inkomen uit werk. Te zien is dat bij de vrijlating met 12,5% het netto inkomen geleidelijk stijgt naar een maximum en bij de vrijlating van heffingskortingen het inkomen bij de inkomensgrens van de combinatiekorting (€ 4 814) sneller stijgt en op een hoger niveau uitkomt. Overigens is het van belang zich te realiseren dat de vrijlating van heffingskortingen alleen geldt voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5. De nieuwe vrijlating gaat gelden voor alleenstaande ouders met kinderen van nul tot twaalf jaar en zorgt er daarmee voor dat werken ook voor alleenstaande ouders met kinderen tussen de vijf en twaalf jaar oud meer lonend wordt.

Figuur 7.1

Figuur 7.1

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering de nieuwe vrijlating zo vorm geeft dat meer werken loont en dat er zo min mogelijk sprake is van een armoedeval. Deze leden vragen of de regering kan aangeven in welke situaties er desondanks sprake zal zijn van een armoedeval.

Armoedeval treedt op wanneer iemand die gaat werken en/of meer gaat verdienen meer kwijtraakt aan verlies van uitkering en/of toeslagen of door kosten voor bijvoorbeeld kinderopvang. Ook met de vrijlatingsregeling kan het in specifieke gevallen voorkomen dat een alleenstaande ouder die meer gaat werken een lager besteedbaar inkomen overhoudt. Die situatie doet zich voor als de alleenstaande ouder uit de bijstand gaat omdat het inkomen hoger is geworden dan de norm maar lager dan de som van de norm plus vrijlating. De regering merkt hierbij op dat de armoedeval de betrokkene niet ontslaat van de verplichting om (meer uren) te gaan werken als dat mogelijk is.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie of de regering voorts kan aangeven of deze nieuwe vrijlating ook geen gevolgen heeft voor toeslagen als huurtoeslag, zorgtoeslag en dergelijke, deelt de regering mee dat de vrijlating die gevolgen inderdaad niet heeft.

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat in individuele gevallen het college van burgemeester en wethouders tijdelijk een ontheffing kan verlenen van de arbeidsverplichting op grond van dringende redenen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering daar voorbeelden van te geven. De leden van de PvdA-fractie vragen of alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar nog in aanmerking kunnen komen voor individuele ontheffing van de arbeidsverplichting. De leden van de SP-fractie vragen welke redenen er kunnen zijn voor alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar om ontheffing te verkrijgen van de sollicitatieplicht en re-integratieplicht. De leden van de SP-fractie vragen of het mogelijk is dat alleenstaande ouders met kinderen met gedragsproblemen alsnog ontheffing krijgen van de sollicitatieplicht en re-integratieplicht. De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering niet de keuze krijgen om kinderen zelf op te voeden. De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering recht doet aan alleenstaande ouders, die, hoezeer zij ook de waarde van arbeid inzien, uit overtuiging zelf de opvoeding en verzorging van hun kinderen tot de leeftijd van vijf jaar ter hand willen nemen. Deze leden vragen voorts of de regering onderkent dat het afschaffen van de specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar feitelijk leidt tot arbeidsdwang.

Ook voor de doelgroep alleenstaande ouders geldt dat financiële onafhankelijkheid de voorkeur heeft boven uitkeringsafhankelijkheid. Als de ouder gaat werken, betekent dat meer inkomen voor het gezin en meer contacten in de maatschappij en een beter rolpatroon. Uit onderzoek blijkt dat werk helpt armoede te voorkomen of te beëindigen, het biedt structuur en is een belangrijke voorwaarde om deel te nemen aan de maatschappij. Mensen die werken zijn minder sociaal uitgesloten, het ontvangen van een uitkering vergroot de kans daarop juist4. De regering wil de wet zo aanpassen dat alleenstaande ouders maximaal gestimuleerd worden te gaan werken. De WWB legt in beginsel aan iedereen de verplichting op om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Daarbij wordt gekeken naar de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene. Wanneer in individuele gevallen wegens dringende redenen tijdelijk niet gevergd kan worden dat het individu betaalde arbeid verricht of gebruik kan maken van door de gemeente aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, kan het college in die individuele gevallen tijdelijk afzien van het opleggen van de arbeids- en re-integratieplicht, voor zover en voor zolang re-integratie niet in redelijkheid mogelijk is. Zorgtaken kunnen een dringende reden zijn voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieplicht, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een door de gemeente aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In welke individuele gevallen en met welke dringende reden dat is, is aan het oordeel van het college. Daarmee is er een evenwichtig stelsel van rechten en plichten, waarbinnen de alleenstaande ouder invulling kan geven aan de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De regering ziet het dragen van die verantwoordelijkheid niet als arbeidsdwang.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering van oordeel is dat wanneer er kinderopvang geregeld zou kunnen worden door de ouder er geen sprake is van dringende redenen, die een tijdelijk ontheffing rechtvaardigen.

Zoals aangegeven in het antwoord op eerdere vragen van de leden van de VVD-fractie is het aan het oordeel van het college wanneer er sprake is van dringende redenen die een tijdelijke ontheffing in het individuele geval rechtvaardigt. Het verkrijgen van kinderopvang en de inzet daarbij van de ouder zelf, speelt hierbij een rol. Wat betreft de voorwaarde dat het college, bij het opleggen van de arbeidsverplichting, rekening dient te houden met onder andere de beschikbaarheid van passende kinderopvang betekent overigens niet per definitie dat het college dat zelf hoeft te doen. De belanghebbende kan daar zelf ook in voorzien.

De leden van de VVD-fractie vragen verder welke overgangsregeling van kracht wordt en hoe iemand van deze wijziging op de hoogte wordt gebracht. De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar de berekeningen achter de keuze om de ontheffing van arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar af te schaffen. Voorts willen deze leden weten hoeveel alleenstaande ouders uit de bijstand zullen stromen als gevolg van het afschaffen van deze ontheffing. Ook de leden van de SP-fractie vragen hoeveel mensen door het afschaffen van de ontheffing van de sollicitatieplicht uit de bijstand zullen stromen.

Alleenstaande ouders die een specifieke ontheffing van de arbeidsverplichting hebben op grond van artikel 9a van de WWB, behouden deze ontheffing voor de duur van de ontheffing, met als maximale duur zes maanden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. In deze zes maanden kan het college onderzoeken of het noodzakelijk is de alleenstaande ouder tijdelijk een individuele ontheffing van de arbeids- en re-integratieplicht te geven. Indien dat het geval is, komt de individuele ontheffing na zes maanden in plaats van de specifieke ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van artikel 9a van de WWB. Indien het college dit niet noodzakelijk acht, zal vanaf zes maanden na inwerkingtreding de arbeids- en re-integratieplicht gaan gelden.

Vanuit het oogpunt van deregulering en beleidsvrijheid van het college merkt de regering op dat het aan het college is op welke wijze alleenstaande ouders, op wie de specifieke ontheffing van toepassing is, op de hoogte worden gebracht van de wijziging.

Artikel 9a van de WWB geeft alleenstaande ouders met kind jonger dan vijf jaar recht om op verzoek ontheven te worden van arbeidsplicht. Het afschaffen van deze mogelijkheid leidt tot een afnemend gebruik van de bijstand, omdat alleenstaande ouders bij gebrek aan ontheffing eerder gaan werken. Naar verwachting zal het afschaffen van deze ontheffing leiden tot een structurele daling van de instroom in de bijstand met ongeveer 1,5 duizend uitkeringen, en daarmee een structurele besparing op de uitkeringslasten van circa € 20 miljoen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom er voor een overgangsregeling van twee maanden is gekozen voor diegenen, die gebruik maken van de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd en/of de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Om personen in staat te stellen zich op de nieuwe situatie in te stellen, wordt een overgangstermijn van twee maanden in acht genomen. Gelet op dat het gaat om een stimulerende regeling waarbij een deel van de arbeidsinkomsten wordt vrijgelaten waardoor de alleenstaande ouder een hoger netto inkomen ontvangt wanneer hij aan het werk gaat en het bedrag wat hiermee gemoeid is, acht de regering een overgangstermijn van twee maanden voldoende.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering toelicht dat uit onderzoek blijkt dat alleenstaande ouders, die nog niet aan het werk zijn, de belemmeringen bij het combineren van werk en zorg als ernstiger ervaren dan alleenstaande ouders, die wel werken. De leden van de VVD-fractie willen weten of en zo ja, wat de regering gaat doen om de perceptie, opvattingen en de motivatie van deze groep te verbeteren.

Zoals eerder aangegeven in antwoord op een vraag van deze leden en van de leden van de SP-fractie, wil de regering alleenstaande ouders de optimale kans bieden om arbeid en zorg te combineren en op die manier zelf te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Daarom schaft de regering deze specifieke ontheffingsmogelijkheid van de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders af. Daarmee wil de regering een einde maken aan de perceptie en de opvatting dat werk en zorg gedurende een lange periode niet te combineren zouden zijn. De regering maakt (gaan) werken financieel aantrekkelijker voor alleenstaande ouders door een nieuwe vrijlating te introduceren. De afschaffing van de ontheffing en de introductie van een vrijlating versterken elkaars effect. Alleenstaande ouders die nog niet werken kunnen hiermee straks ervaren dat werk bijdraagt aan factoren als (zelf)waardering, het algemeen welzijn en een positieve voorbeeldfunctie voor hun kinderen. Zij gaan ervaren dat werk leidt tot contacten in de maatschappij, waarmee percepties, opvattingen en hun motivatie ten aanzien van de combinatie van werk en zorg verbeteren. Door maatwerk te leveren met de re-integratievoorzieningen die hen ter beschikking staan, kunnen de colleges hieraan een bijdrage leveren.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel alleenstaande ouders gebruik maken van de ontheffing van de arbeidsverplichting. De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel mensen sinds de invoering van de specifieke ontheffingsmogelijkheid van deze regeling gebruik hebben gemaakt.

De door deze leden gevraagde gegevens zijn niet beschikbaar. In zijn algemeenheid is te zeggen dat in 2010 29 procent van alle bijstandsgerechtigden een vrijstelling van de arbeidsplicht heeft (bron: Divosa monitor 2011–1). Op 20 januari 2010 heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Monitor Bestuurlijk Akkoord aan uw Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2009/10, 29 544, nr. 223). Daarbij zat een kwalitatief onderzoek over deze specifieke ontheffingsmogelijkheid. Dit onderzoek gaf de stand van zaken één jaar na inwerkingtreding van de specifieke ontheffingsmogelijkheid. Het merendeel van de verleende ontheffingen door gemeenten werd tijdelijk en individueel verleend op grond van dringende redenen: oftewel de algemene ontheffing uit de WWB. Geïnterviewde gemeenten gaven aan dat deze ontheffingsmogelijkheid toereikend is, ook voor alleenstaande ouders.

Op grond van het onderhavige wetsvoorstel kunnen alleenstaande ouders met kinderen tot twaalf jaar in aanmerking komen voor een vrijlating van 12,5% van hun netto-inkomsten uit arbeid, tot een maximum van € 120 per maand voor een maximale duur van drie jaar. De leden van de PvdA-fractie vragen in welke gevallen een college van burgemeester en wethouders zal beslissen dat dit niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

Voor de toepassing van de inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar is, ten behoeve van eendracht in de uitvoering, aangesloten bij de reeds bestaande algemene inkomstenvrijlating die geldt voor alle bijstandsgerechtigden (artikel 31, tweede lid, onderdeel n). Er zijn situaties denkbaar waarin het college kan besluiten dat de inzet van een inkomstenvrijlating niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, bijvoorbeeld als iemand makkelijk kan werken zonder deze stimulans. Ook voor deze nieuwe inkomstenvrijlating geldt dat het uiteindelijk aan het oordeel van het college is of de inzet van het instrument in individuele gevallen al dan niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom gekozen is voor een eventuele vrijlating van drie jaar en niet tot het moment dat het jongste kind twaalf jaar wordt.

De regering heeft gekozen voor een maximale duur van de totale vrijlating van drie jaar. De regering is van mening dat alleenstaande ouders vanwege de combinatie van werk en zorgtaken langer de tijd nodig hebben dan alleenstaanden of gehuwden om hun arbeidsuren uit te breiden en zo uit de bijstand te stromen. Een half jaar is voor hen te kort. De regering is van mening dat uitstroom uit de bijstand door urenuitbreiding of het krijgen van een hoger uurloon binnen drie jaar bereikt zou moeten kunnen worden. De leeftijd van het kind speelt hierbij geen rol.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de gevolgen van de nieuwe vrijlating zijn voor het inkomen voor alleenstaande ouders, rekening houdend met de kosten van kinderopvang bij één kind en bij twee kinderen in de situatie dat de kinderen jonger zijn dan 5 en tussen 5 en 12 jaar.Dit alles in het geval de alleenstaande ouder werkt tegen het WML, tegen 110% van het WML, tegen 120% van het WML, 130% van het WML, 140% van het WML en 150% van het WML. Voorts vragen zij hoe dit zich verhoudt met de situatie waarin het inkomen van alleenstaande ouders werd vrijgelaten van heffingskortingen.

Zowel voor de bestaande inkomensvrijlatingen als voor de inkomensvrijlating waarin het voorliggende wetsvoorstel voorziet, geldt dat het recht daarop bestaat zo lang de alleenstaande ouder niet meer verdient dan het normbedrag van de bijstand. Als een alleenstaande ouder dus het WML verdient of 110%, 120%, 130%, 140%, 150% daarvan, bestaat geen recht meer op de vrijlating. Hoe het netto inkomen zich verhoudt tot het netto inkomen in de situatie met de vrijlating van heffingskortingen is getoond in het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de VVD-fractie (figuur 2). Hierbij is van belang zich te realiseren dat de vrijlating van heffingskortingen alleen geldt voor ouders met kinderen jonger dan 5 jaar. Het aantal kinderen is bij geen van de vrijlatingen van belang.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de geschatte kosten en opbrengsten zijn van de voorgestelde maatregel en hoe verhouden die zich tot die van de Wet Vazalo.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de geschatte kosten en opbrengsten van voorgestelde maatregel. Tevens vragen deze leden hoe zich dit verhoudt tot de wet Vazalo. De regering gaat er van uit dat wordt gedoeld op de vervanging van de inkomstenvrijlating van heffingskortingen (Inkomensafhankelijke combinatiekorting en het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd) als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel c, voor de nieuwe inkomstenvrijlating van 12,5% van het inkomen uit arbeid voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar.

Zoals in paragraaf 4.5 van de memorie van toelichting vermeld, verwacht de regering dat de kosten van deze maatregel (zoals een langere inkomensvrijlating) wegvallen tegen de opbrengsten van deze maatregel (zoals snellere gehele of gedeeltelijke uitstroom uit de bijstand). Per saldo verwacht de regering derhalve geen budgettaire consequenties bij dit onderdeel van het wetsvoorstel.

De Wet voorziening arbeid en zorg alleenstaande ouders (Vazalo) gaat uit van andere uitgangspunten en werking; zo is er een andere definitie van de doelgroep, duur, voorwaarden en uitvoering. Deze verschillen verklaren dat ook de budgettaire consequenties verschillen. Zo zijn de budgettaire consequenties van Vazalo door de regering geraamd op een kostenpost van structureel 16 miljoen euro, welke bij intrekking vrijvallen, en zijn de voorgestelde bovengenoemde maatregelen kostenneutraal.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de inkomenssituatie van alleenstaande ouders, die gaan werken of studeren met behulp van de Wet Vazalo zich verhoudt met die van alleenstaande ouders met kinderen die nu willen gaan werken.

De Wet Vazalo wordt ingetrokken en zal dus niet in werking treden. Op grond van de Wet Vazalo zouden alleenstaande ouders recht op een toeslag hebben als zij werkten. Het recht op een toeslag zou ook hebben voortbestaan bij het verlaten van de bijstand. Dat is niet het geval bij de vrijlating van 12,5% van het netto inkomen. Van de nieuwe vrijlating kan alleen gebruik worden gemaakt als er gewerkt wordt en mensen een inkomen hebben dat lager is dan de bijstandsnorm. Belangrijk verschil met de Wet Vazalo is verder dat die wet een inkomensgrens hanteert waarboven pas recht bestaat op een toeslag. Deze inkomensgrens ligt in prijzen van nu rond de € 665 per maand. Bij de nieuwe vrijlating is die inkomensgrens er niet en wordt bij werken direct 12,5% van het netto inkomen vrijgelaten. Hiermee wordt effectiever bereikt dat (meer) werken ook (meer) loont. De toeslag in de Wet Vazalo zou in prijzen van nu uitkomen op circa € 68 per maand. De maximale vrijlating die met onderhavig wetsvoorstel wordt voorgesteld bedraagt € 120 per maand. In de Wet Vazalo wordt kinderalimentatie niet als middel aangemerkt. Het complementaire karakter van bijstand brengt met zich mee, dat dit in het kader van de WWB wel het geval is.

De leden van de SP-fractie vragen de regering hoeveel alleenstaande ouders in de WWB in armoede leven. Deze leden vragen hoeveel kinderen van alleenstaande ouders in de WWB opgroeien in armoede.

Het begrip armoede is niet eenduidig en met brede publieke en wetenschappelijke instemming te definiëren. In studies van het CBS en SCP worden vaak verschillende criteria gebruikt, zoals de lage inkomensgrens, de beleidsmatige inkomensgrens, het basisbehoeftencriterium en het niet-veel-maar-toereikend criterium. Een eenduidige grens is moeilijk te trekken.

Het aantal alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering (WWB/WIJ) is 77 duizend (CBS 2010) en het aantal kinderen van deze groep bedraagt naar schatting 150 duizend (gemeentelijke basisadministratie). Het sociaal minimum biedt een adequaat inkomensniveau. Het sociaal minimum is in Nederland gekoppeld aan het minimumloon. Onderzoek van Eurostat laat zien dat het minimumloon (en daarmee ook het sociaal minimum) in Nederland tot een van de hoogste in Europa behoort. De groep alleenstaande ouders kan daarbij veelal ook aanspraak maken op aanvullende inkomensondersteunende voorzieningen, waardoor ook hun besteedbare inkomen op een adequaat niveau ligt. Volgens de CBS Inkomensbeoordeling huishoudens van 2009 zien huishoudens op het sociaal minimum zichzelf vaker niet dan wel als levend in armoede: 38 procent van de huishoudens onder of rond het sociaal minimum geeft aan moeilijk tot zeer moeilijk te kunnen rondkomen.

Ook inkomens boven het sociaal minimum hebben soms moeite om rond te komen. Onderzoek door de RWI (Wie zijn de werkende armen?, 2011) laat zien dat ook voor mensen met een betaalde baan sprake kan zijn van armoede. Mensen met inkomen uit arbeid lopen echter het kleinste risico op armoede. Werk blijft de beste weg uit armoede. Het onlangs verschenen rapport «Voorbestemd tot achterstand?» van het SCP laat zien dat werk nog steeds één van de belangrijkste factoren is op uit de armoede te ontsnappen. Het hebben van ouders die werken, biedt kinderen sociaaleconomische hulpbronnen. Ouders zijn voor kinderen daarin een rolmodel. Het SCP benadrukt dat werk zorgt voor inkomen en zo kan helpen om armoede te voorkomen of te beëindigen. Werk biedt bovendien structuur en is een belangrijke voorwaarde om deel te nemen aan de maatschappij. Dit verklaart waarom mensen die werken minder sociaal uitgesloten zijn, terwijl het ontvangen van een uitkering, volgens het SCP, de kans daarop juist vergroot. De regering wil alleenstaande ouders daarom de optimale kans bieden om arbeid en zorg te combineren. Dit kabinet neemt daarvoor maatregelen om mensen (meer) te laten werken en afhankelijkheid van uitkeringen terug te dringen. Meer arbeidsdeelname draagt bij aan het tegengaan van armoede en sociale uitsluiting. Doordat ouders gaan werken, krijgen hun kinderen betere kansen op een goede toekomst.

De leden van de SP-fractie vragen of alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering de kinderopvang beschikbaar en volledig vergoed krijgen. Voorts vragen deze leden of de regering kan toelichten hoeveel gemeenten in Nederland de kinderopvang voor alleenstaande ouders met parttime werk of een traject naar arbeid vergoeden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een overzicht van de gevolgen van de afschaffing van de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar voor het beroep op de kinderopvang en de daaruit volgende hogere kosten. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre het voor deze ouders mogelijk is om de kosten voor de kinderopvang te betalen aangezien gemeenten wegens de bezuinigingen hiervoor minder vaak bijzondere bijstand willen verstrekken.

Het afschaffen van de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders heeft naar verwachting tot gevolg dat meer alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar zullen gaan werken. Dit zorgt voor minder uitgaven aan de bijstand en meer belastinginkomsten afhankelijk van hoeveel er verdiend wordt. Alleenstaande ouders hebben recht op verschillende heffingskortingen en betalen daardoor niet snel belasting.

Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering kan op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteit peuterspeelzalen in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, wanneer de ouder gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling die de noodzaak tot kinderopvang met zich meebrengt (de ouder is dan een zogenaamde doelgroepouder). In 2012 bedraagt de kinderopvangtoeslag in de laagste inkomensklasse  90,7%  voor het eerste kind en 93,3% voor volgende kinderen, van de kosten van kinderopvang, tot de maximumuurprijs. Daarnaast heeft de doelgroepouder in de bijstand recht op een gemeentelijke aanvulling van 4,5% voor het eerste kind en 3,5% voor volgende kinderen. Daarmee wordt 95,2% voor het eerste kind en 96,8% voor volgende kinderen van de kosten van kinderopvang voor deze ouder vergoed. Voor werkende alleenstaande ouders wordt de totale toeslag door de Belastingdienst/ Toeslagen uitgekeerd. Voor doelgroepers betaalt de Belastingdienst/ Toeslagen het inkomensafhankelijke deel en de gemeente de vaste voet in de toeslag plus de gemeentelijke aanvulling. Alle gemeenten zijn op grond van de Wet kinderopvang verplicht om dit deel van de toeslag uit te keren.

Of gemeenten nog bijzondere bijstand willen verstrekken voor de kosten van kinderopvang is een keuze van gemeenten, aan wie de verlening van bijzondere bijstand beleidsmatig en financieel gedecentraliseerd is. Gemeenten moeten er bij de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden wel rekening mee houden of er passende kinderopvang beschikbaar is.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten of alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering aan het werk moeten of ook een opleiding mogen volgen in het kader van hun re-integratie.

Ook voor de doelgroep alleenstaande ouders geldt dat financiële onafhankelijkheid de voorkeur heeft boven uitkeringsafhankelijkheid. De WWB legt in beginsel aan iedereen de verplichting op om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Het college heeft, ook zonder de specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders, de mogelijkheid om re-integratievoorzieningen aan te bieden, zoals scholing. Uitgangspunt hierbij is dat er, gelet op de belastbaarheid van de betrokkene, een zodanig scholingsniveau wordt gerealiseerd dat er met een deeltijdbaan onafhankelijkheid van de bijstand kan worden verworven.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten of de huidige alleenstaande ouders met ontheffing van de sollicitatieplicht en een opleidingsplicht per 1 januari 2012 de gestarte opleiding moeten staken en aan het werk moeten.

In aansluiting op het antwoord van een eerdere vraag van de leden van de VVD-fractie geldt voor alleenstaande ouders die een specifieke ontheffing van de arbeidsverplichting hebben op grond van artikel 9a van de WWB, dat zij deze ontheffing behouden voor de duur van de ontheffing, met als maximale duur zes maanden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit geldt ook voor de, aan de ontheffing gekoppelde, scholingsplicht. Na deze zes maanden zal de arbeids- en re-integratieplicht gaan gelden. Zoals hiervoor in antwoord op een vraag van de SP-fractie is aangegeven, heeft het college, ook zonder de specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders, de mogelijkheid om re-integratievoorzieningen aan te bieden. Dit kan ook scholing zijn. Het is aan het oordeel van het college of de inzet van scholing al dan niet bijdraagt aan de arbeidsparticipatie.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of alleenstaande ouders onder de 27 jaar met een WWB-uitkering ook aanspraak kunnen maken op de nieuwe regeling voor een ruimere vrijlating. De leden van de SP-fractie vragen wat de argumenten van de regering zijn om alleenstaande ouders onder de 27 jaar met een bijstandsuitkering uit te zonderen van de ruimere vrijlatingsregels. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten waarom de regering alleenstaande jonge ouders tot 27 jaar niet meer in aanmerking wil laten komen voor het recht op vrijlating maar alleenstaande ouders boven de 27 jaar wel. Zij vragen waarom de regering dit onderscheid gerechtvaardigd vindt.

De regering verwacht van jongeren extra inzet om op eigen kracht de bijstand te verlaten. Dit wetsvoorstel benadrukt verder het uitgangspunt dat jongeren moeten werken of leren of een combinatie van beide. Dit geldt ook voor alleenstaande ouders onder de 27 jaar. Ook van hen verwacht de regering dat zij de mogelijkheden van reguliere scholing moeten onderzoeken en dat dit prevaleert boven het recht op bijstand. Wanneer er toch recht op inkomensondersteuning bestaat, doordat studie bijvoorbeeld geen mogelijkheid meer is, acht de regering het reëel dat ook deze alleenstaande ouders onder de 27 jaar op eigen kracht de uitkering verlaten. Naar het oordeel van de regering moet een signaal uitgaan dat men op jonge leeftijd zelf actief moet zijn om te werken of te leren voor zijn toekomt. Een activerende regeling past daar volgens de regering niet bij.

De leden van de SP-fractie vragen naar het percentage alleenstaande ouders met een WIJ/WWB-uitkering jonger dan 27 jaar. Ultimo 2010 was ca 13% van de alleenstaande ouders in de bijstand jonger dan 27 jaar.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering een overzicht kan geven van de maandelijkse kosten van kinderopvang voor kinderen onder de 12 jaar.

De kosten van kinderopvang zijn afhankelijk van de opvangsoort, het aantal opvanguren dat wordt afgenomen, het gezinsinkomen, het aantal kinderen in het gezin en de kinderopvangaanbieder waar ouders voor kiezen. De maandelijkse kosten van kinderopvang variëren dus sterk per gezin.

De leden van de SP-fractie vragen of de drie jaar vrijlating per kind geldt of dat een alleenstaande ouder eenmalig drie jaar gebruik kan maken van de vrijlating.

Voor de toepassing van de inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de toepassing van de algemene vrijlating (artikel 31, tweede lid onderdeel n WWB). Deze inkomstenvrijlating geldt eenmalig5.

De leden van de SP-fractie vragen of de drie jaar werken aaneengesloten moeten zijn om in aanmerking te komen voor de vrijlating.

Deze vrijlating voor alleenstaande ouders volgt op de bestaande algemene vrijlating van inkomsten uit arbeid (bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de WWB) waarbij geldt dat een percentage van de inkomsten uit arbeid gedurende de maximale periode van zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend. Daarna kunnen alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar nog eens gebruik maken van de nieuwe vrijlating waarbij geldt dat een percentage van de inkomsten uit arbeid gedurende nog eens maximaal 30 aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend. Dat betekent dat een alleenstaande ouders in totaal maximaal drie jaar gebruik kan maken van een inkomstenvrijlating om zijn arbeidsuren uit te breiden. Wanneer het college besluit deze vrijlating in te zetten gaat deze periode lopen en is het niet mogelijk deze tussentijds stop te zetten. Uiteraard is het mogelijk ook een kortere periode dan de maximale periode van drie jaar gebruik te maken van de vrijlating. Het college dient voor de alleenstaande ouder in het specifieke geval een afweging te maken of de inzet van de vrijlating al dan niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Voor de toepassing van de nieuwe inkomstenvrijlating is ook op dit punt dus geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de algemene inkomstenvrijlating.

De leden van de SP-fractie vragen op welke regelingen deze ouders op dit moment aanspraak kunnen maken.

(Werkende) (alleenstaande) ouders kunnen op dit moment gebruik maken van fiscale regelingen zoals de alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Naast deze fiscale regelingen zijn er verschillende inkomensondersteunende regeling voor mensen met een laag inkomen, waar ook een alleenstaande ouder gebruik van kan maken, zoals de kinderbijslag, zorgtoeslag, huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebondenbudget.

Artikel 9, vierde lid, van de WWB, voorziet verder dat, bij het opleggen van de arbeidsverplichting aan alleenstaande ouders met een kind tot 12 jaar slechts geldt nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene. In individuele gevallen kan het college een tijdelijke ontheffing verlenen op grond van dringende redenen.

De leden van de D66-fractie constateren dat alleenstaande ouders met een kind tot twaalf jaar in aanmerking komen voor een vrijlating van 12,5% van hun netto-inkomsten. Deze leden zijn benieuwd of het klopt dat de kosten van de belastingderving bij het Rijk terecht komen. Voorts vragen deze leden of colleges van burgemeester en wethouders niet te snel zullen oordelen dat de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, aangezien zij de kosten hiervan niet hoeven te dragen.

Anders dan deze leden veronderstellen, is er geen belastingderving. Wanneer het college van oordeel is dat de inzet van een inkomstenvrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling zal het college, gedurende de totale periode van drie jaar, bij het verrekenen van het netto inkomen uit werk 12,5% van het inkomen uit werk buiten beschouwing laten (niet tot de middelen rekenen) tot een maximum van € 120 per maand (€ 1 440 per jaar). Bij de bepaling van het recht en de hoogte op bijstand wordt door het college dus uitgegaan van een lager inkomen dan waarover de alleenstaande oude feitelijk beschikt, wat resulteert in een hogere inkomensondersteuning door het college. Voorts merkt de regering op dat voor de toepassing van de nieuwe vrijlating geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van de toepassing van de reeds bestaande algemene vrijlating die geldt voor alle bijstandsgerechtigden (artikel 31, tweede lid, onderdeel n, WWB).

8. Normering inkomensgrens gemeentelijk minimabeleid

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe de regering kan voorkomen dat gemeenten als gevolg van de normering van de categoriale bijzondere bijstand de grenzen zullen opzoeken door het verlenen van individuele bijzondere bijstand aan inkomensgroepen boven de 110%.

De grenzen van de verlening van de bijzondere bijstand waaraan de colleges zijn gebonden, zijn duidelijk gemarkeerd. De verlening van bijzondere bijstand als inkomensondersteunend instrument is financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan de colleges. De bijzondere bijstand kent de vormen individuele bijzondere bijstand, categoriale bijzondere bijstand, en de bijzondere vorm van categoriale bijzondere bijstand, de langdurigheidstoeslag. Het wetsvoorstel beoogt alléén voor de verlening van de categoriale bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag een centrale inkomensnorm te stellen. De regering is van mening dat de individuele bijzondere bijstand – als laatste vangnet van de Nederlandse sociale zekerheid – voor een ieder bereikbaar moet zijn en blijven, dus voor ook bijvoorbeeld «werkende armen». Een eventueel optredende armoedeval wordt naar de mening van de regering verkleind omdat het voor de colleges mogelijk blijft om ook werkende armen – voor zover zij een inkomen net boven de 110% van het sociaal minimum verdienen – in specifieke gevallen «een (individueel) zetje in de rug te geven». Bovendien is er bij de verlening van de individuele bijzondere bijstand altijd sprake van gerichte verstrekkingen, dat wil zeggen dat er altijd directe feitelijke kosten tegenover de inkomensondersteuning moeten staan.

De leden van de VVD- fractie vragen naar de opvatting van de regering over het feit dat juist «werkende armen» door deze maatregel onevenredig worden benadeeld ten opzichte van inactieven. Deze leden vragen voorts of de regering het eens is met de visie dat eerder juist de groep werkende armen een extra ondersteuning verdient ten opzichte van inactieven, en hoe de regering denkt dit te gaan stimuleren.

De regering deelt deze opvatting niet. De centrale inkomensnormering benadeelt «werkende armen» niet ten opzichte van de inactieven. Zoals hiervoor aangegeven blijft namelijk de individuele bijzondere bijstand voor een ieder en dus ook voor werkende armen, bereikbaar. De regering gaat de gemeenten stimuleren om bij de beoordeling van het recht op individuele bijstand ook de kosten te betrekken die de belanghebbende daadwerkelijk maakt voor de kosten van kinderopvang. De regering ziet, gelet op de mogelijkheden voor de verlening van individuele bijzondere bijstand, geen reden om de mensen met een inkomen boven 110% van het sociaal minimum ook via categoriale ongerichte gemeentelijk inkomenssuppleties extra te ondersteunen.

Wat is in dit licht de opvatting van de regering over de langdurigheidstoeslag, zo willen de leden van de VVD-fractie weten.

De langdurigheidstoeslag is een vorm van ongerichte categoriale inkomensondersteuning. Het wetsvoorstel voorziet daarom ook voor deze vorm van inkomensondersteuning in een centrale inkomensnormering. In dit verband benadrukt de regering dat uit het op 29 november 2010 aan de Kamer aangeboden IWI rapport over de gedecentraliseerde langdurigheidstoeslag (Kamerstukken II 2010/11, 31 441, nr. 13), is gebleken dat ongeveer 80 % van de gemeenten de gemeentelijke inkomensnorm voor het recht op langdurigheidstoeslag op maximaal 105% van de toepasselijke bijstandsnorm hebben gesteld, en daarmee dus reeds binnen de in dit wetsvoorstel genoemde centrale inkomensnorm van 110% vallen.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering toe te lichten waarom de regering er niet voor gekozen heeft om het gehele gemeentelijke minimabeleid, inclusief de kwijtscheldingen van lokale belastingen en heffingen en de individuele bijzondere bijstand, te normeren.

Gemeenten zijn bij het verlenen van kwijtschelding gebonden aan de door de staatssecretaris van Financiën in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 vastgestelde regels. De kwijtscheldingsregeling hanteert grenzen die ten hoogste op bijstandsniveau zitten. Voor gemeenten geldt, grofweg gesteld, dat iemand voor kwijtschelding in aanmerking komt als er sprake is van een betalingscapaciteit die lager ligt dan of gelijk is aan de bijstandsuitkering. De betalingscapaciteit wordt bepaald aan de hand van inkomsten en uitgaven in het individuele geval. Dit betekent dat als sprake is in het kader van de kwijtschelding van een betalingscapaciteit van meer dan 110% van het sociaal minimum sowieso geen kwijtschelding wordt verleend.

Bij de individuele bijzondere bijstand heeft de regering niet voor een centrale inkomensnormering gekozen omdat bij deze vorm van ondersteuning altijd het individueel maatwerk en een vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten voorop staat. Een centraal opgelegde inkomensnorm past daar niet bij.

De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat in het regeerakkoord is vastgelegd dat het gemeentelijk inkomensbeleid wordt vastgelegd op maximaal 110% van het WML. Deze inkomensnormering zal gelden voor categoriale bijzondere bijstand, niet voor individuele bijzondere bijstand. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom ervoor is gekozen om categoriale bijzondere bijstand te normeren, en of het verlenen van bijzondere bijstand niet onder de gemeentelijke vrijheid valt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting waarom regering de inkomensgrens voor het gemeentelijk minimabeleid normeert tot 110 % van het WML.

Zoals hiervoor in antwoord op een vraag van de VVD-fractie is aangegeven, is de verlening van bijzondere bijstand als inkomensondersteunend instrument financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan de colleges. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt echter niet alle vormen van gemeentelijke inkomensondersteuning te normeren, doch alleen in die gevallen waarin de colleges de bevoegdheid hebben om een generiek gemeentelijk inkomensbeleid te voeren. Van een generiek gemeentelijk inkomensbeleid is sprake indien categoriaal aan mensen inkomensondersteuning wordt verstrekt zonder dat er sprake is van vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten. In feite is bij deze vorm van inkomensbeleid sprake van ongerichtheid van de inkomensaanvullingen.

De gemeenten hebben deze bevoegdheid omdat in de WWB een expliciete uitzondering is gemaakt op het algemene uitgangspunt dat het generiek inkomensbeleid is voorbehouden aan het rijk. De huidige gemeentelijke praktijk laat zien dat de gemeenten bij de verlening van de categoriale bijzondere bijstand een inkomensgrens leggen, die varieert van 105% van het sociaalminimum tot 130% van het sociaalminimum. De regering wil voorkomen dat de colleges het rijksinkomensbeleid doorkruisen met eigen inkomensbeleid. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de omvang van de doelgroep waarvoor de colleges een categoriaal inkomensbeleid mogen voeren, beperkt door een normering van het inkomen van de doelgroep tot 110% van het sociaal minimum. Het betreft hier dus een aanvullend wettelijk kader voor de toepassing van de categoriale bijzondere bijstand en een betere afstemming tussen de bevoegdheden van Rijk en gemeenten.

De leden van de PvdA-fractie vragen of is gebleken dat gemeenten het beschikbare budget voor bijzondere bijstand niet goed hebben ingezet.

De keuze van de regering om het gemeentelijk categoriaal inkomensbeleid te normeren heeft geen relatie met de vraag of de gemeenten al dan niet het beschikbare budget voor de bijzondere bijstand goed hebben ingezet. De colleges zijn immers vrij om zelf te bepalen welk deel van de gemeentelijke middelen binnen het gemeentelijk domein wordt ingezet voor het gemeentelijk armoedebeleid. Het zogenaamde fictief budget bijzondere bijstand dat vanuit het rijk aan de algemene middelen van het gemeentefonds wordt toegevoegd is een ongeoormerkt budget.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of de regering de geschatte besparing van € 40 mln. nader kan toelichten en of de regering een extra beroep op de bijzondere bijstand als gevolg van de introductie van de inkomenstoets op huishoudenniveau verwacht. De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband ook om hoeveel extra gezinnen het in dat geval gaat, en of er ook rekening is gehouden met een eventuele stijging van de uitgaven aan individuele bijzondere bijstand.

De regering merkt op dat de € 40 miljoen een taakstellende uitname uit het gemeentefonds betreft, die voortkomt uit de afspraken gemaakt in het Regeer- en Gedoogakkoord 2010.

Het doel van de aanscherping van de gezinsbijstand en huishoudinkomentoets is om de prikkel tot werkhervatting te versterken. Door de maatregelen zullen mensen die kunnen werken, worden gestimuleerd om aan het werk te gaan, waardoor men zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Zoals hiervoor reeds aangegeven, verwacht de regering dat de in dit wetsvoorstel aangekondigde maatregelen daarom geen directe effecten hebben op het beroep dat op de bijzondere bijstand gedaan wordt. De regering verwacht dan ook dat er ook geen sprake is van extra gezinnen die een beroep op de bijzondere bijstand doen.

Daarnaast geldt dat de colleges de bevoegdheid hebben en houden om binnen de wettelijke kaders van de WWB een eigen gemeentelijk inkomensbeleid vast te stellen en de beschikbare middelen daarbij naar eigen inzicht op een zo effectief mogelijk manier in te zetten.

De leden van de PvdA-fractie vragen of bij de geschatte besparing van € 40 mln. rekening is gehouden met een mogelijk extra beroep op bijzondere bijstand als gevolg van het afschaffen van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon.

Er ligt geen relatie tussen de geschatte besparing van € 40 mln en de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon. De geschatte besparing betreft de normering van de inkomensgrens voor categoriale bijzondere en de langdurigheidstoeslag op 110% van het toepasselijk sociaal minimum en raakt niet aan het recht op individuele bijzondere bijstand. De afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon betreft de hoogte van de daaraan gekoppelde uitkeringen. Die uitkeringen bedragen maximaal 100% van het toepasselijke sociaal minimum. Nu de inkomensnormering wordt gesteld op 110% van het toepasselijke sociaal minimum, krijgen de mensen die zo’n uitkering ontvangen dus niet te maken met deze normering.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten waarom de regering mensen in Nederland met een laag inkomen nog verder de armoede in wil duwen door het armoedebeleid in gemeenten drastisch terug te schroeven.

De mening van deze leden, dat sprake is van een drastisch terug schroeven van het armoedebeleid in gemeenten, deelt de regering niet. Het wetsvoorstel brengt namelijk geen wijziging in de gemeentelijke bevoegd- en verantwoordelijkheid voor inkomensondersteuning op basis van individueel maatwerk. Alleen daar waar de colleges in de WWB de bevoegdheid hebben een generiek gemeentelijk inkomensbeleid te voeren, wordt een inkomensnormering aangebracht. In de voorgaande beantwoording heeft de regering toegelicht waarom hiervoor is gekozen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel kinderen, die in armoede moeten opgroeien, de dupe zijn van de voorgestelde maatregelen.

Voor de financiële positie van een gezin zijn de ouders als eerste verantwoordelijk. Het is aan mensen zelf om te anticiperen op fluctuaties in inkomen door inkomsten te vergroten of hun bestedingspatroon aan te passen. Wanneer het (tijdelijk) niet lukt om zelfstandig in het bestaan te voorzien, is er het vangnet van de bijstand dat een adequaat inkomensniveau biedt. Tevens hebben gemeenten de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verlenen en blijft de individuele bijzondere bijstand – als laatste vangnet – voor een ieder bereikbaar, ter beoordeling door de gemeente. Gemeenten kunnen daarmee adequate inkomensondersteuning blijven bieden, ook voor gezinnen met kinderen.

De SP-fractie vraagt de regering toe te lichten hoeveel kinderen niet meer kunnen deelnemen aan sport en worden ontsloten van culturele activiteiten vanwege de normering van het armoedebeleid. Gemeenten houden de mogelijkheden om binnen de wettelijke kaders en normen van de WWB invulling te geven aan het eigen gemeentelijke armoedebeleid en aan de categoriale en individuele bijzondere bijstand. Door de tijdelijke verordeningsplicht worden gemeenten bovendien gestimuleerd actief beleid te voeren gericht op deelname van kinderen aan sport en culturele activiteiten.

De leden van de SP-fractie vragen voorts wat er gebeurt met sociale gemeenten, die weigeren het minimabeleid te normeren op 110% van de bijstandsnorm, maar een hogere grens uitkiezen. Gemeenten die categoriaal bijzondere bijstand verstrekken in afwijking van de expliciet in de WWB opgenomen regeling, voeren de wet onrechtmatig uit. Het is staand beleid dat een dergelijke onrechtmatigheid wordt aangemerkt als een ernstige tekortkoming als bedoeld in artikel 76 van de WWB. Hieruit volgt dat aan de gemeente, op grond van voornoemd artikel, een aanwijzing gegeven kan worden. Momenteel wordt onderzocht of het mogelijk is het wettelijk regime met betrekking tot de aanwijzing zodanig aan te scherpen, dat ingeval van een verwijtbare ernstige tekortkoming een aanwijzing direct gekoppeld wordt aan een financiële maatregel en dat de aanwijzing ook gevolgen zal hebben voor de gemeente indien zij een beroep doet op de incidentele- of meerjarige aanvullende uitkering. Indien het onderzoek positief uitvalt, zal de regering hiertoe een wetsvoorstel bij uw Kamer indienen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten welk effect de normering van de armoedegrens heeft op armoedebestrijding, schuldhulpverlening, toestroom bij de voedsel- en kledingbanken en criminaliteitcijfers.

Gemeenten houden bij de normering de bevoegdheid om binnen de wettelijke kaders van de WWB invulling te geven aan het eigen gemeentelijke inkomensondersteuningsbeleid (armoedebeleid en bijzondere bijstand). Bovendien blijft de individuele bijzondere bijstand – als laatste vangnet – voor een ieder beschikbaar, ter beoordeling door de gemeente. De regering meent daarom dat de in dit wetsvoorstel aangekondigde maatregelen geen directe effecten hebben op de in de vraag genoemde onderwerpen.

Hoe past dit in het geven van vrije beleidsruimte aan gemeenten wat telkens het uitgangspunt is in het regeringsbeleid zo willen de leden van de ChristenUnie-fractie weten.

De vrije beleidsruimte voor de colleges bij de verlening van de bijzondere bijstand blijft het uitgangspunt van de WWB. Zoals hiervoor is aangegeven wordt alleen de beleidsvrijheid van colleges om zelf de inkomensgrenzen te bepalen bij het generieke gemeentelijk minimabeleid genormeerd. De gemeentelijke bevoegd- en verantwoordelijkheid voor inkomensondersteuning op basis van individueel maatwerk (de individuele bijzondere bijstand) blijven ongewijzigd. Immers individueel maatwerk is hét belangrijkste uitgangspunt van de verlening van bijzondere bijstand, en daarbij is er geen sprake van ongerichte verstrekkingen.

In antwoord op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie hoeveel burgers, met een inkomen boven de voorgestelde centrale inkomensnorm, gebruik maken van een door een gemeente aangeboden ziektekostenverzekering, deelt de regering mee geen inzicht te hebben in deze aantallen. Deze leden vragen voorts of voor deze burgers de mogelijkheid wegvalt om gebruik te maken van een door de gemeente aangeboden ziektekostenverzekering.

Het staat de colleges vrij om deze mensen wel gebruik te laten maken van de (premie)kortingen en specifieke polisvoorwaarden die de gemeente met de zorgverzekering is overeengekomen, mits de gemeente daarbij niet overgaat tot vergoeding van aanvullende premie of een deel daarvan.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts of de langdurigheidstoeslag ook onder de normering van het gemeentelijke minimabeleid tot 110 % van het WML komt te vallen.

De langdurigheidstoeslag is ook een vorm van gemeentelijke categoriale inkomensondersteuning en valt derhalve ook onder de centrale inkomensnormering die in het voorliggende wetsvoorstel is vastgesteld op 110% van het sociaal minimum.

De leden van de SGP-fractie constateren dat door een combinatie van bezuinigingen op allerlei terreinen de behoefte aan maatwerk op lokaal niveau sterker gevoeld wordt. Te strakke kaders voor gemeentelijk beleid kunnen adequate oplossingen belemmeren zo stellen deze leden.

Zij vragen of het in dat licht niet onverstandig en onlogisch is een verdergaande beperking aan te brengen op het gemeentelijk inkomensbeleid, ook als het gaat om de categoriale bijstand. Deze leden vragen voorts of er niet als vanzelf meer prikkels voor een evenwichtig gemeentelijk beleid komen nu gemeenten op allerlei terreinen meer verantwoordelijkheid krijgen, waardoor deze maatregel onwenselijk is.

Zoals de regering in bovenstaande antwoorden op de vragen van de leden van meerdere fracties heeft aangegeven, blijven de gemeentelijke bevoegd- en verantwoordelijkheid voor inkomensondersteuning op basis van individueel maatwerk (de individuele bijzondere bijstand) ongewijzigd. Er is op dit punt als gevolg van de invoering van het voorliggende wetsvoorstel dan ook geen sprake van een strakker wettelijk kader waaraan de gemeenten zijn gebonden. De normering die in het wetsvoorstel ten aanzien van de categoriale bijzondere bijstand is aangebracht, is ingegeven door het standpunt van de regering dat het generiek gemeentelijk inkomensbeleid ten aanzien van het categoriaal verstrekken van ongerichte inkomenssuppleties zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

9. Verordeningsplicht participatie van schoolgaande kinderen

De leden van de VVD-fractie vragen de regering om aan te geven wie verantwoordelijk is voor de evaluatie van de effecten van de verordeningplicht op de participatie van de desbetreffende doelgroep en welke consequenties er zullen zijn wanneer de doelstellingen niet worden gehaald. De staatssecretaris van SZW is verantwoordelijk voor deze evaluatie. Het doel van de verordeningplicht is te bevorderen dat in elke gemeente het beleid voor de participatie van kinderen actief wordt opgepakt. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie vindt een beoordeling plaats of het wel of niet wenselijk is om gemeenten structureel te verplichten om het gemeentelijk beleid voor de participatie van kinderen in een verordening vast te leggen.

Daarnaast stellen deze leden vast dat de regering toelicht dat de regering wenst dat de inkomensondersteuning rechtstreeks aan zoveel mogelijk minderjarige kinderen ten goede komt en vragen hoe de regering dit gaat bewerkstellingen. De regering doet dit door actief kenbaar te maken aan gemeente, zoals ook in de memorie van toelichting is gedaan. Het is aan gemeenten om vanuit hun beleidsvrijheid invulling aan deze inkomensondersteuning te geven die het best past bij de lokale situatie.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom nog niet wordt gekozen voor een structurele invoering van de verordeningplicht voor gemeenten voor beleid voor participatie van schoolgaande kinderen.

De structurele mogelijkheid voor gemeenten om categoriale bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten in verband met maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen uit arme gezinnen, bestaat al. Deze bepaling, artikel 35, vijfde lid, van de WWB, is reeds per 1 januari 2009 in de WWB opgenomen. Met de invoering van de verordeningplicht wordt invulling gegeven aan de motie Spekman/Blanksma (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 181). Het doel van de verordeningplicht is te stimuleren dat in elke gemeente de participatie van kinderen actief wordt opgepakt. De verordeningsplicht zorgt ervoor dat gemeenten hiermee starten. Daarmee wordt invulling gegeven aan de motie en wordt tegelijkertijd recht gedaan aan het uitgangspunt van beleidsvrijheid van gemeenten voor het uitvoeren van de categoriale bijzondere bijstand zoals in de WWB is vastgelegd. Om die laatste reden is ook gekozen voor een tijdelijke verordeningsplicht.

Voorts vragen de leden van PvdA-fractie wie de wet na twee jaar gaat evalueren en op basis van welke maatstaven en of de rijksdoelstellingen, die in de vorige regeringsperiode werden afgesproken ook worden betrokken bij de evaluatie.

De verordeningsplicht zal twee jaar na invoering worden geëvalueerd. Uw Kamer zal te zijner tijd geïnformeerd worden over wie de evaluatie zal uitvoeren. Doel van de verordeningplicht is te stimuleren dat in elke gemeente de participatie van kinderen actief wordt opgepakt. Of de verordeningplicht dit effect heeft gehad zal centraal staan in de evaluatie.

Daarnaast vragen de leden van de PvdA zich af of de rijksdoelstellingen, die in de vorige regeringsperiode werden afgesproken ook worden betrokken bij de evaluatie.

De Rijksdoelstellingen van het vorige kabinet om in de periode 2008–2010 het aantal kinderen dat niet participeert vanwege financiële redenen met de helft te verminderen, zal niet worden meegenomen bij de evaluatie van de verordeningplicht. Dit kabinet stelt geen kwantitatieve doelstellingen voor de participatie van kinderen. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om dat op lokaal niveau vorm te geven.

De effecten van deze verordeningsplicht worden over twee jaar geëvalueerd. Deze leden zijn benieuwd naar de resultaten van deze evaluatie.

De regering zal de evaluatie te zijner tijd aan de Tweede Kamer aanbieden.

10. Inkomen uit studiefinanciering

De leden van de VVD-fractie vragen de regering om toe te lichten wat de effecten zijn van de correctie van de door de regering genoemde discrepantie, die op bladzijde 25 van de memorie van toelichting wordt gesignaleerd. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom bij de uitzondering van meerderjarige kinderen, die studeren, de studiefinanciering wordt meegerekend bij het inkomen. Zij vragen daarbij of studiefinanciering voor thuiswonenden niet puur bedoeld is als tegemoetkoming van studiekosten en of een studielening ook wordt meegeteld tot het inkomen van deze studenten. Deze leden vragen ook of bij deze grens wordt aangesloten bij de maximale bijverdiengrens voor studenten en vragen naar de redenen waarom dat wel, dan wel niet het geval is. De leden van de D66-fractie constateren dat de regering de normbedragen voor levensonderhoud bij de studiefinanciering aanpast. Deze leden vragen de regering hoe hoog deze normbedragen in de huidige en de beoogde situatie zijn.

Het effect waarnaar de leden van de VVD-fractie vragen is dat door de correctie van het normbedrag voor levensonderhoud een groter deel van de studiefinanciering als inkomen bij de bijstand in aanmerking wordt genomen. In onderstaande tabel wordt dit effect geïllustreerd. In deze tabel zijn, mede in antwoord op de vragen van de leden van de D66-fractie, de huidige en de beoogde normbedragen opgenomen. In de beoogde situatie zijn de normbedragen gebaseerd op overzicht 1 van artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. In de huidige situatie zijn de normbedragen gebaseerd op artikel 33, tweede lid van de WWB.

Tabel 10.1
 

Beoogde situatie

Huidige situatie

 

Hoger onderwijs

Beroepsonderwijs

 

Thuiswonend

€ 604,15

€ 462,08

€ 310,23

Uitwonend

€ 794,69

€ 652,62

€ 557,27

Bedragen per maand geldend per 1 januari 2011

Het in aanmerking nemen van het juiste, hogere normbedrag voor levensonderhoud bij de bijstandsverlening past bij het complementaire karakter van de WWB.

Inkomen uit studiefinanciering is een inkomensbestanddeel waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Daarom wordt dit inkomen in aanmerking genomen bij de bijstandsverlening aan de partner van de studerende, bij de verlening van bijzondere bijstand en bij de uitzondering op de gezinsbijstand voor bij hun ouders inwonende meerderjarige kinderen die studeren, zo antwoordt de regering op de vragen van de leden van de PvdA-fractie. De studiefinanciering is niet puur bedoeld als tegemoetkoming van studiekosten. De studiefinanciering wordt ook geacht bij te dragen aan de kosten van levensonderhoud. De WWB houdt hiermee rekening tot de eerdergenoemd normbedragen voor levensonderhoud. De vorm van de studiefinanciering maakt daarbij niet uit. Ook een studielening wordt als inkomensbestanddeel aangemerkt6.

Bij de uitzondering van de gezinsbijstand voor studerende gezinsleden is geen aansluiting gezocht bij de bijverdiengrens van de Wet studiefinanciering 2000. Zoals eerder op vragen van de leden van de fracties van de VVD en D66 is aangeven, is er voor gekozen om één normbedrag voor alle studerenden te hanteren, ongeacht hun opleiding of studie en ongeacht de leeftijd, waarboven het in aanmerking te nemen inkomen niet mag uitkomen. De beroepsbegeleidende leerweg (BBL) is als uitgangspunt genomen, waarbij studenten gemiddeld vier dagen in de week werken en een dag naar school gaan. Gezien de studie- en lesprogramma’s wordt er van uitgegaan dat meer dagen werken per week niet te combineren valt met studeren. Het normbedrag is vervolgens gerelateerd aan het netto minimumloon, inclusief vakantiebijslag, voor personen van 23 jaar en ouder. Het normbedrag relateren aan een hoger inkomen past niet binnen de complementariteit van de WWB. Ook valt het vrijlaten van een hoger bedrag niet uit te leggen aan meerderjarige inwonenden kinderen die niet (meer) studeren, maar werken. Hun inkomen wordt als zij onderdeel zijn van een gezin volledig in aanmerking genomen.

11. Invoering en overgangsrecht

De leden van de CDA-fractie hebben een vraag over de beoogde ingangsdatum van dit wetsvoorstel van 1 januari 2012. Volgens de gemeenten is het onmogelijk om per die datum de huishoudtoets goed uit te kunnen voeren en zijn er ook andere ICT-problemen, die ervoor zouden zorgen dat de ingangsdatum van 1 januari 2012 niet gehaald gaat worden. Deze leden verzoeken de regering om een reactie en een nadere toelichting hierover. De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de VNG heeft aangegeven bezwaren te hebben over de beoogde invoeringsdatum, onder andere in verband met aanpassingen van ICT. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven in welke mate de regering hiermee rekening heeft gehouden in de overgangstermijnen en wat verwacht de regering in deze meer expliciet van de gemeenten. Deze leden vragen voorts in hoeverre de regering het risico loopt dat de ingeboekte bezuinigingen voor 2012 niet gehaald zou kunnen worden en hoe denkt de regering dit te kunnen voorkomen. De leden van de PvdA-fractie vragen of de VNG met het inbouwen van de verschillende overgangsregelingen de wijzigingen in de WWB wel per 1 januari 2012 denkt in te kunnen voeren. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten waarom de regering geen rekening houdt met het commentaar van de gemeenten dat de huishoudinkomenstoets op zijn vroegst pas per juli 2012 kan worden ingevoerd wegens noodzakelijke aanpassingen van de computersystemen.

De regering wenst vast te houden aan invoering van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen per 1 januari 2012. In het wetsvoorstel is voorzien in overgangsrecht voor het zittende bestand van 2 tot 6 maanden. Hiermee hebben colleges voldoende tijd om voor het zittend bestand de maatregelen voor te bereiden en uit te voeren. De nieuwe instroom, die plaatsvindt vanaf 1 januari 2012, zal in het eerste half jaar beperkt in omvang zijn. Vertraging in de behandeling c.q. uitstel van invoering zal leiden tot besparingsverliezen, die binnen het kader van de SZW-begroting zullen moeten worden gecompenseerd.

12. Financiële gevolgen

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de financiële paragraaf staat vermeld dat de besparing, als gevolg van het minder vaak een beroep doen op de bijstand, van het opheffen van de ontheffingsmogelijkheid structureel € 20 mln. bedraagt. De leden van de VVD-fractie vragen een uitgebreide toelichting op de € 20 miljoen besparing die gemoeid is met het opheffen van de ontheffingsmogelijkheid van de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders.

Artikel 9a van de WWB geeft alleenstaande ouders met kind jonger dan vijf jaar recht om op verzoek ontheven te worden van arbeidsplicht. Het afschaffen van deze mogelijkheid leidt tot een afnemend gebruik van de bijstand, omdat alleenstaande ouders bij gebrek aan ontheffing eerder gaan werken. Naar verwachting zal het afschaffen van deze ontheffing leiden tot een structurele daling van de instroom in de bijstand met ongeveer 1,5 duizend uitkeringen, en daarmee een structurele besparing op de uitkeringslasten van circa € 20 miljoen.

De leden van de VVD-fractie willen weten waarom de regering ervoor heeft gekozen geen budgettaire consequenties op te nemen voor de aanscherping voorwaarden en sancties bij jongeren tot 27 jaar door het niet verder budgettair te vertalen in additionele taakstellende uitname uit de Wet bundeling uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (BUIG). De leden willen weten wat volgens de regering de financiële effecten hiervan zijn die dan ten gunste komen voor de colleges.

Dit wetsvoorstel ligt in het verlengde van de WIJ, maar gaat een stap verder. Zoals is te lezen in hoofdstuk 2 beoogt de regering met deze aanscherping van het regime voor jongeren in de WWB de eigen verantwoordelijkheid van deze jongere verder te benadrukken. De jongere die zich meldt bij het loket van het UWV moet eerst zelf vier weken zoeken naar een baan of naar de mogelijkheden binnen het regulier onderwijs. Het instrument is complementair aan de instrumenten in de huidige WIJ. De financiële gevolgen die de regering bij invoering van de WIJ heeft gesteld blijven onveranderd. De huidige wetswijziging leidt derhalve niet tot aanvullende besparingen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er geen budgettaire consequenties worden opgenomen voor 65-minners die hun vakantietermijn in strijd met de WWB overschrijden.

De regering is van mening dat de maatregel voor deze groep 65-minners tot gevolg heeft dat deze groep niet, dan wel vrijwel niet, langer dan de toegestane verblijfsduur in het buitenland zal verblijven, gezien de financiële consequenties voor het inkomen in de vorm van beëindiging van de bijstandsuitkering. Hiermee zijn er voor het Rijk geen besparingen, maar wordt het onbeoogd gebruik van het bijstandsvangnet verder voorkomen.

De leden van de D66-fractie vragen de regering om een nadere onderbouwing van de ingeboekte besparing van € 40 miljoen door normering van de inkomensgrens van het gemeentelijk minimabeleid op 110%.

De € 40 miljoen betreft een taakstellende uitname uit het gemeentefonds, die voortkomt uit de afspraken gemaakt in het Regeer- en Gedoogakkoord 2010.  Met deze maatregel op het terrein van categoriale inkomensondersteuning wil de regering zo veel mogelijk voorkomen dat de gemeenten het centrale inkomensbeleid van het rijk met een eigen inkomensbeleid doorkruisen. Het ongericht verstrekken van categoriale gemeentelijke inkomensondersteuning wordt daarom met dit wetsvoorstel door middel van het stellen van een inkomensnormering beperkt.

De leden van D66-fractie vragen de regering of bij de ingeboekte bezuinigingen ook rekening is gehouden met de effecten van stijging van de armoedeval.

De regering merkt op dat de armoedeval in veel gevallen niet verslechtert maar verbetert. De inkomensamenstelling van het gezin en de mate waarin personen zullen gaan werken zijn hierbij bepalend. Zie voor verdere duiding de antwoorden op eerdere vragen van de leden van de D66-fractie in hoofdstuk 3.

13. Ontvangen commentaren

De regering geeft in een reactie naar de VNG aan naar aanleiding van zorgen in het kader van toename van schuldhulp dat het de eigen verantwoordelijkheid van mensen is om hun gedrag aan te passen op de gewijzigde omstandigheden en dat gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor de vangnetten en zij ook zelf kunnen bepalen wie daartoe toegang heeft en daarmee extra toename kunnen voorkomen. De leden van de VVD-fractie vragen welke houding de regering verwacht van de gemeenten in deze situaties wanneer mensen nalaten om hun gedrag aan te passen aan de gewijzigde financiële omstandigheden.

Mogelijke financiële gevolgen die kunnen ontstaan door het voorliggende wetsvoorstel zijn het gevolg van het gegeven dat mensen hun bestedingen niet aan de nieuwe situatie hebben aangepast, een nieuwe situatie die weliswaar een lager inkomen impliceert, maar nog steeds toereikend is volgens de wettelijke regeling en definitie. In het algemeen kan ieder negatief inkomenseffect (al dan niet als gevolg van rijksbeleid) mensen in financiële problemen brengen. De eigen verantwoordelijkheid van mensen is om het gedrag aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Daarmee wordt voorkomen dat ze in een dergelijke situatie terecht komen waarbij een beroep op schuldhulpverlening moet worden gedaan. De beste aanpassing om dit te voorkomen is de stap naar werk te maken. Als in deze situaties mensen nalaten hun gedrag aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden verwacht de regering van de gemeenten dat zij belanghebbenden hierop aanspreken. Aanvullende bijstandsverlening of aanvulling via het gemeentelijk minimabeleid is niet aan de orde omdat dit het Rijksbeleid zou doorkruisen.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering te reageren op de opmerkingen van de VNG, die aangeeft te twijfelen of de beoogde bezuinigingen wel allemaal kunnen worden gehaald en erop wijst dat de regering te snel maatregelen wil doorvoeren, waarbij de VNG specifiek waarschuwt voor hogere kosten in de uitvoering door de nieuwe, meer intensieve controle op de huishoudtoets. De regering heeft zich ten doel gesteld om de maatregelen met betrekking tot de WWB en WIJ in het Regeerakkoord voortvarend uit te werken in een voorstel van wet dat kan worden ingediend bij het parlement, waarbij gestreefd wordt naar invoering per 1 januari 2012 voor de nieuwe instroom. Voor het zittend bestand is voorzien in overgangsrecht voor het zittende bestand van 2 tot 6 maanden. Dit wetsvoorstel draagt bij aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën.

De regering is zich ervan bewust dat uitvoering van dit wetsvoorstel de nodige inzet en flexibiliteit van colleges vergt. Voor een uitgebreidere reactie verwijst regering naar paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering de mening over de uitvoeringsproblemen deelt, die gemeenten verwachten als gevolg van de noodzakelijke intensievere controle op het totale inkomen.

Het vaststellen van de leefvorm en controle op inkomen maken reeds onderdeel uit van de taken in het kader van de uitvoering van de WWB door gemeenten. Hierbij kunnen colleges gebruik maken van de instrumenten die hen bij de uitvoering van de WWB ter beschikking staan zoals koppeling van bestanden, huisbezoeken en het hanteren van risicoprofielen. De colleges bepalen zelf of en op welke wijze deze instrumenten worden ingezet. De regering treedt hier niet in.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij de zorg van gemeenten reëel vindt dat de verwachte daling van 10 duizend mensen uit de WWB niet wordt gehaald doordat kinderen wegens de huishoudinkomenstoets financieel geprikkeld worden om sneller uit huis te gaan. Indien dit niet het geval is, dan willen de leden van de ChristenUnie-fractie weten waarom de regering deze zorg van de gemeenten niet deelt. In haar berekening heeft de regering rekening gehouden met de mogelijkheid dat personen sneller uit huis zullen gaan. De verwachte afname van het aantal uitkeringen en de daaraan verbonden besparing acht de regering dan ook reëel.

Op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie of de regering het effect van de maatregelen gaat evalueren en zo ja, binnen welk termijn antwoordt de regering dat het wetsvoorstel niet voorziet in een evaluatiebepaling. De regering zal de effecten van het wetsvoorstel volgen via het reguliere overleg met VNG, Divosa en gemeenten en via de financiële en statistische gegevens die gemeenten aanleveren.

14. Overig

De leden van de PVV-fractie vragen de regering op welke manier uitvoering wordt gegeven aan de twee aangenomen moties De Jong/Azmani (Kamerstukken II 2010/11, 17 050 nrs. 405 en 406) om invulling te geven aan het credo van deze regering dat bijstandsfraude niet mag lonen.

Het kabinet zal de concrete uitwerking van deze moties betrekken bij de uitwerking van de fraude-aanpak in wetgeving. Dit wetsvoorstel kan de Tweede Kamer begin volgend jaar tegemoet zien.

De leden van de SP-fractie vragen wat de precieze doelstelling en ambitie van de regering is als het gaat om de terugdringing van het aantal mensen dat afhankelijk is van de WWB.

Doelstelling en ambitie van de regering is meer mensen aan het werk. Het regeerakkoord stelt dat mensen niet afhankelijk mogen worden gemaakt van en uitkering. Voorkomen moet worden dat mensen worden afgeschreven en permanent aan de kant staan. Gezien de economische context zijn de doelstelling en ambities niet te vertalen in concrete aantallen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom de huidige regels onvoldoende zijn om (langdurige) bijstandsgerechtigden aan het werk te krijgen.

Zoals aangegeven bij een eerdere vraag van de leden van de PvdA-fractie of de regering uiteen kan zetten hoe zij de invoering van de gezinsbijstand ziet in het licht van de ontwikkeling van het stelsel van sociale zekerheid in Nederland over de jaren, is er een onbalans ontstaan tussen het recht op uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen. Met de maatregelen in het voorliggende wetsvoorstel beoogt de regering herstel van die balans door aanscherping van de verplichtingen.

De leden van de SP-fractie vragen toe te lichten wat per onderdeel de doelstelling is van dit wetsvoorstel als het gaat om het aantal mensen dat vanuit de bijstand een reguliere baan vindt met een beloning van minimaal het WML.

De doelstelling van het kabinet is om de WWB optimaal activerend te laten zijn in de richting van werk. De eigen verantwoordelijkheid staat hierbij voorop. Werk is de basis voor zelfstandigheid, het benutten van talenten en vaardigheden en de beste manier om uit armoede te komen. Dit wetsvoorstel draagt tot dat doel bij. Het kabinet heeft derhalve geen doelstellingen per maatregel voor uitstroom naar werk op minimaal WML-niveau. De maatregelen dragen ertoe bij de WWB als geheel optimaal activerend te laten zijn.

De vraag van de leden van de SP-fractie of de regering onderkent dat er een groep bijstandsgerechtigden is, die vanwege een verstandelijke, psychische of lichamelijke beperking (29% volgens Divosamonitor 2011 deel 1) geen sollicitatieplicht of re-integratieplicht hebben en hiervan zijn ontheven, beantwoordt de regering bevestigend.

In de implicatie van de vraag van deze leden of de regering het bij een bevestigend antwoord het gerechtvaardigd acht om deze groep uit te sluiten van de maatregelen, die activerend zouden moeten werken, maar voor hen juist meer armoede behelzen (gezinsbijstand, huishoudinkomen, normering inkomensbeleid) kan de regering hen niet volgen. Waar het de gezinsbijstand en het huishoudinkomen betreft is het op zijn minst onduidelijk hoeveel mensen uit de bedoelde groep hiermee te maken krijgen. Zo zij tot een huishouden behoren dat met deze maatregelen te maken krijgt, staat niet vast dat tot dat huishouden geen gezinslid behoort dat geen beperkingen heeft en dus aan het werk kan gaan om zo het huishoudinkomen op peil te brengen. Mocht de situatie zich voordoen dat de beperkingen alle leden van de huishouding betreffen, dan behoren de uitzonderingen op de meergenoemde maatregelen tot de mogelijkheden en/of biedt het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Werken naar vermogen uitkomst. Dat de normering van het inkomensbeleid meer armoede behelst is feitelijk onjuist. Deze mensen zijn ontheven van de sollicitatieplicht of re-integratieplicht die verbonden is aan de bijstand en bijstand is altijd minder dan de normering van het gemeentelijk inkomensbeleid op 110% van het wettelijk minimumloon.

De leden van de SP vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de CPB/CBS cijfers inzake armoede met oververtegenwoordiging van uitkeringsgerechtigden en of de regering bereid is een armoede-effectrapportage uit te voeren. Gemeenten laten in de praktijk al regelmatig de effecten van hun armoedebeleid in beeld brengen. Bijvoorbeeld door een MER (Minima Effect Rapportage) uit te laten voeren door het NIBUD. De verantwoordelijkheid voor beleid en uitvoering van armoedebestrijding ligt immers bij gemeenten. De colleges leggen daarbij verantwoording af aan de Gemeenteraden. Het is niet aan de regering om over de effecten van beleid van individuele gemeenten te oordelen of daar verder onderzoek naar te doen.

15. Artikelsgewijs

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een precieze omschrijving van het begrip «gezin». De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een nadere toelichting en een helder overzicht welke personen op welke gronden voor uitzondering van de gezinstoets in aanmerking komen.

Onder de nieuwe definitie van «gezin» wordt het volgende verstaan:

  • de gehuwden tezamen,

  • de gehuwden met hun minderjarige en/of meerderjarige kinderen,

  • de alleenstaande ouder met zijn minderjarige en meerderjarige kinderen

  • de alleenstaande met zijn meerderjarige kinderen, en

  • grootouders met kinderen en kleinkinderen,

die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

Bovenstaande definitie heeft tot gevolg dat in ieder geval een aantal samenlevingsvormen niet tot het gezin behoren. Dat betreft de volgende:

  • een alleenstaande ouder met alleen minderjarige kinderen en geen meerderjarige inwonende kinderen,

  • een alleenstaande zonder meerderjarige inwonende kinderen

  • grootouders met inwonend(e) kleinkind(eren) zonder dat de ouder(s) van de kleinkinderen bij hun inwonen.

Er zijn drie groepen personen die uitgezonderd (kunnen) worden van het begrip «gezin» en daarmee dus ook van de gezinstoets. Dit betreft ten eerste de personen die op grond van artikel 4, tweede lid, worden uitgezonderd van het begrip «meerderjarig kind». Het gaat hierbij om kinderen van 18 jaar of ouder wier in aanmerking te nemen inkomen (inclusief de ontvangen studiefinanciering) niet meer bedraagt dan 80% van het netto minimumloon, inclusief vakantiebijslag. Daarnaast dient het kind uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, aanspraak te hebben op studiefinanciering, of voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking te komen. De uitzondering van deze groep personen van het begrip meerderjarig kind heeft tot gevolg dat ze niet tot het gezin worden gerekend.

Ten tweede kan op grond van artikel 4, vijfde lid, het college op verzoek van een belanghebbende besluiten dat een zorgbehoevend gezinslid onder bepaalde voorwaarden niet tot een gezin behoort. Er moet dan wel zijn voldaan aan de voorwaarden zoals ze zijn omschreven in het vijfde lid. Zie voor een nadere toelichting op deze voorwaarden de artikelsgewijze toelichting.

Ten slotte wordt er door middel van de nota van wijziging een uitzondering op het begrip toegevoegd. De persoon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten die niet tot een gezin behoort dat enkel uit gehuwden bestaat of enkel bestaat uit gehuwden met een of meer hun ten laste komende kinderen, wordt uitgezonderd van het begrip gezin. Zie ook de toelichting op de nota van wijziging.

Indien grootouders en kleinkinderen niet onder de definitie van «gezin» vallen, willen de leden van de ChristenUnie-fractie graag weten waarom hiervoor gekozen is door de regering.

In reactie hierop verwijst de regering ook naar het antwoord op de vorige vraag. Op grond van artikel 4, derde lid, vallen grootouders met kinderen en kleinkinderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben ook onder het begrip gezin.

De leden van de SGP-fractie willen weten waarom er niet voor is gekozen om de inhoud van het derde lid van artikel 4 op te nemen in het eerste lid, onderdeel c, van artikel 4.

Dit is in eerste instantie inderdaad overwogen. Echter, dit bleek een onleesbaar resultaat op te leveren. Vandaar dat gekozen is om dit in een apart lid te regelen.

De leden van de SGP-fractie vragen voorts waarom de uitzondering met betrekking tot het verlenen van zorg afzonderlijke geregeld wordt in de artikelen 3 en 4. Zij constateren dat ten aanzien van bloedverwanten in de tweede graad slechts de algemene zorgbehoefte wordt vermeld in het huidige artikel 3, tweede lid, maar dat voor bloedverwanten in de eerste graad de uitgebreide voorwaarden worden beschreven in het voorgestelde artikel 4, vijfde lid.

In artikel 4 is de uitzondering geregeld voor het verlenen van zorg aan een bloed- of aanverwant in de eerste graad. Het college kan worden verzocht om de bloed- of aanverwant in de eerste graad aan wie zorg wordt verleend van het begrip «gezin» uit te zonderen. Aangezien het begrip «gezin» in artikel 4 wordt omschreven, is er voor gekozen om de uitzondering op dat begrip in hetzelfde artikel te regelen. In artikel 3 is geregeld dat een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding met een ander voert gelijk wordt gesteld met «echtgenoot», tenzij die ander een bloedverwant in de tweede graad met een zorgbehoefte is. Deze uitzondering is in artikel 3 opgenomen omdat in dat artikel de algemene begrippen «echtgenoot» en «gezamenlijke huidhouding» worden geregeld.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom


X Noot
1

Het betreft hier:

a. wijziging besluit SUWI zodat gemeenten RMC gegevens mogen gebruiken voor WWB en WIJ,

b. wijziging besluit SUWI zodat gegevens van DUO op individuele basis via Suwinet kunnen worden geraadpleegd

c. wijziging Wet op het onderwijstoezicht (WOT) zodat gemeenten gegevens kunnen krijgen uit BRON voor uitvoering WIJ.

X Noot
2

Er bestaat op grond van artikel 392 van boek 1 van het Burgerlijke Wetboek wederkerig een onderhoudsplicht tussen ouder(s) – eigen kind, stiefouder(s) – stiefkind en schoonouders en aangetrouwde kinderen.

X Noot
3

Rapport Sociaal Cultureel Planbureau, «Voorbestemd tot achterstand?», Den Haag, augustus 2011, p. 15

X Noot
4

Sociaal Cultureel Planbureau, «Voorbestemd tot achterstand?», Den Haag, augustus 2011.

X Noot
5

Kamerstukken I 2003/04, 28 870, nr. B, p. 30 en p. 32

X Noot
6

Zie ook CRvB 28 juni 2005, nr. 03/4704 NABW, RSV 2005/264 en CRvB 8 juni 2010, nr. 08/3996, LJN: BM 7 255