Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632627 nr. 20

32 627 (Glas)tuinbouw

Nr. 20 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 oktober 2015

Zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg Landbouw inclusief mestbeleid op 1 juli 2015 (Kamerstuk 33 037, nr. 158), bied ik u hierbij mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de uitkomsten van het bestuurlijk overleg over de waterzuivering in de glastuinbouw aan.

Met LTO Glaskracht Nederland, de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie (Nefyto), de Unie van Waterschappen (UvW), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Stichting Natuur en Milieu en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is op 22 september 2015 een bestuurlijk overleg gevoerd, na een eerder bestuurlijk overleg op 30 april 2015 en uitwerking op ambtelijk niveau in de tussentijd. De uitkomsten zijn beschreven in het hoofdlijnenakkoord dat als bijlage bij deze brief is opgenomen1. In het kort komt het erop neer dat via de milieuregelgeving per 1 januari 2018 een zuiveringsplicht met een rendement van tenminste 95% gaat gelden voor de glastuinbouw. In het hoofdlijnenakkoord zijn afspraken gemaakt met alle betrokken partijen om dit te kunnen realiseren, onder meer over de synchronisatie van de zuiveringsplicht die het Ctgb via de toelating van middelen kan opnemen met de zuiveringsplicht via de milieuregelgeving. Behalve Natuur en Milieu, dat vindt dat voor alle in de glastuinbouw toegelaten neonicotinoïden geen uitstel kan worden verleend van de zuiveringsplicht, kunnen de partijen zich hierin vinden. De planning, een delicate balans tussen enerzijds milieuafwegingen en anderzijds economische afwegingen, is daarmee haalbaar en betaalbaar zoals gevraagd met de motie Bosman/Lodders (Kamerstuk 27 858, nr. 259).

Naar aanleiding van de toezegging tijdens het AO op 1 juli om de Kamer te informeren over het akkoord over de zuiveringsplicht, is door het Kamerlid Ouwehand (PvdD) de vraag gesteld: «Wil de Staatssecretaris dan ook ingaan op mijn vraag naar de analyse van het kabinet of dit geldt als een minder vergaande maatregel die zij kan hanteren als argument om de neonicotinoïden niet helemaal van de markt te halen?». Hieronder wordt ingegaan op de gestelde vraag.

De zuivering van het afvalwater die vanaf 1 januari 2018 verplicht zal worden voor de glastuinbouw, is reeds voorzien als maatregel in de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst (brief 14 mei 2013, Kamerstuk 27 858, nr. 146).

Deze zuiveringsplicht zal gelden voor alle gewasbeschermingsmiddelen en is essentieel om de normoverschrijdingen in het oppervlaktewater sterk terug te dringen. Aan de hand van de uitkomsten van het LEI-onderzoek naar de betaalbaarheid en het daaraan gekoppelde uitstel van 1 januari 2016 tot 1 januari 2018 zoals bestuurlijk overeen is gekomen, mag de maatregel als proportioneel worden beschouwd.

De zuiveringsplicht via de milieuregelgeving staat op zich los van discussies en ontwikkelingen rondom neonicotinoïden. Zoals door de Staatssecretaris van Economische Zaken aan u is gemeld (Kamerstuk 27 858, nr. 304 en eerder Kamerstuk 27 858, nr. 276) is alle wetenschappelijke informatie over mogelijke nadelige effecten van het gebruik van de neonicotinoïden steeds beoordeeld door de European Food Safety Authority (EFSA) en het Ctgb. Met name voor de bescherming van bijen zijn al aanvullende risicobeperkende voorschriften opgenomen of toelatingen ingetrokken. Ook het EASAC-rapport over effecten van neonicotinoïden op ecosystemen wordt op deze manier benut om te bezien of het nodig is om nog meer maatregelen te nemen met betrekking tot de huidige toelatingen van neonicotinoïden. Zoals eerder toegezegd zal de Staatssecretaris van Economische Zaken uw Kamer binnenkort informeren over de beoordeling van het EASAC-rapport door het Ctgb.

Uitgangspunt binnen het toelatingskader is dat het gebruik van een toegelaten middel niet leidt tot onaanvaardbare effecten op mens, dier en milieu. Als door nieuwe inzichten blijkt dat dat toch het geval is, wordt ingegrepen in de toelating, bijvoorbeeld met aanvullende gebruiksvoorschriften of – zo nodig – met de intrekking van de toelating.

Voor zover afvalwaterzuivering een afdoende maatregel is om onaanvaardbare effecten op het milieu tegen te gaan, wordt zuivering verplicht via de toelating en is het intrekken van de toelating niet aan de orde. Zo geldt voor bijvoorbeeld imidacloprid (een neonicotinoïde) sinds mei 2014 via het wettelijke gebruiksvoorschrift een zuiveringsplicht voor het afvalwater in de glastuinbouw. Deze verplichting blijft gelden. De Staatssecretaris van Economische Zaken zal uw Kamer binnenkort informeren over de recente meetgegevens over imidacloprid in het oppervlaktewater. Voor effecten die zijn gerelateerd aan bijensterfte, moet worden gedacht aan geheel andere maatregelen. Een voorbeeld hiervan is het niet gebruiken van het middel op voor bijen aantrekkelijke gewassen.

Ten slotte ga ik in op de vraag die Kamerlid Dikkers (PvdA) tijdens het AO op 1 juli heeft gesteld, waarin werd gepleit om per 1 januari 2016 al een zuiveringsplicht in te stellen voor neonicotinoïden, thiacloprid, thiamethoxam en acetamiprid, zoals nu ook al het geval is voor imidacloprid. De zuiveringsplicht via de milieuregelgeving zal per 1 januari 2018 gelden voor alle gewasbeschermingsmiddelen en daarin wordt geen onderscheid gemaakt in specifieke gewasbeschermingsmiddelen (of werkzame stoffen daarin). Via het toelatingsbeleid wordt wel gekeken naar middelen. Dit heeft er dan ook toe geleid dat voor enkele middelen al een zuivering is voorgeschreven via het wettelijke gebruiksvoorschrift. Het toelatingsbeleid kent twee sporen waarop dit voorschrijven tot stand kan komen. Ten eerste kan zuivering worden voorgeschreven als bij een beoordeling van een middel, of bij de herbeoordeling die tenminste eens per tien jaar wordt uitgevoerd, blijkt dat zuivering nodig is om te voldoen aan de toelatingsvoorwaarden.

Ten tweede kan zuivering worden voorgeschreven in bestaande toelatingen als op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat dit nodig is om te voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, zoals bij imidacloprid is gebeurd. Het oordeel en de bevoegdheid voor een dergelijk ingrijpen ligt in Nederland bij de toelatingsautoriteit Ctgb.

De huidige beschikbare wetenschappelijke informatie over de werkzame stoffen die het Kamerlid Dikkers heeft genoemd tijdens het AO op 1 juli, geeft geen rechtvaardiging om in te grijpen in de toelating, dus ook niet voor het voorschrijven van zuivering voor deze stoffen per 1 januari 2016.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl