Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032418 nr. 3

32 418 Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt , omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).

Algemeen

1. Inleiding

In het Algemeen Overleg van 11 november 2008 heb ik nadere regelgeving voor buitengerechtelijke incassokosten aangekondigd (Kamerstukken II 2008/09, 24 515, nr. 144). Bij brief van 29 juni 2009 heb ik de contouren van een regeling geschetst. Deze brief is behandeld tijdens het Algemeen Overleg van 9 september 2009 over armoedebeleid (Kamerstukken II 2008/09, 24 515, nr. 155 en Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 160). Met name consumenten en kleine bedrijven, zoals eenmanszaken, moeten worden beschermd tegen onredelijke incassokosten. In dit wetsvoorstel is een grondslag opgenomen voor een algemene maatregel van bestuur waarin de vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt gemaximeerd.

De maatstaf voor het bepalen en begrenzen van de hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is opgenomen in artikel 96 lid 2 onder c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze bepaling houdt in dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Volgens de rechtspraak geldt hierbij een dubbele redelijkheidstoets: niet alleen moet het maken van de incassokosten redelijk zijn, maar ook moet de omvang van deze kosten redelijk zijn. Partijen kunnen ook afspraken maken over de hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Vaak wordt overeengekomen dat de buitengerechtelijke kosten een vast bedrag of een bepaald percentage van de verschuldigde som bedragen. Op grond van artikel 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) mag de rechter bedongen buitengerechtelijke incassokosten matigen. Indien een incassogeschil voor de rechter komt, zal deze vaak op het punt van de buitengerechtelijke incassokosten conform de aanbevelingen in het rapport Voor-werk II besluiten.1

De norm die in artikel 6:96 lid 2 onder c BW is neergelegd, blijkt in de buitengerechtelijke fase niet steeds voldoende houvast te bieden om vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor de incassokosten verschuldigd is. De schuldenaar die wordt geconfronteerd met incassokosten verkeert vaak in onzekerheid of de in rekening gebrachte kosten redelijk zijn. Zeker bij vorderingen met betrekking tot relatief kleine bedragen, zal de schuldenaar het vaak niet op een rechtszaak laten aankomen. De onzekerheid die artikel 6:96 BW thans laat omtrent het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, kan worden vermeden door de daarin opgenomen norm nader in te vullen. Dit biedt niet alleen aan de schuldenaar, maar ook aan de schuldeiser duidelijkheid over de buitengerechtelijke incassokosten die hij in rekening kan brengen.

Ik stel daarom voor om in de wet een grondslag op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen voor de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In de algemene maatregel van bestuur zal de maximale vergoeding worden vastgesteld voor vorderingen uit overeenkomst tot betaling van een geldsom met een hoofdsom van maximaal € 25 000. De beperking tot vorderingen uit overeenkomst is gekozen omdat de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) dan eenvoudig is vast stellen. Deze grens is gekozen omdat wordt beoogd met name consumenten en kleine bedrijven, zoals eenmanszaken te beschermen. Deze grens sluit ook aan bij het wetsvoorstel waarin onder meer wordt voorgesteld de competentiegrens van de kantonrechter te verhogen tot € 25 000 (Kamerstukken 32 021). De vergoeding voor incassokosten wordt berekend als percentage van het verschuldigde bedrag, waarbij het percentage trapsgewijs lager wordt naarmate de vordering hoger wordt. Over de eerste € 2500 van de vordering mag de vergoeding voor de incassokosten maximaal 15% van de hoofdsom bedragen. Over de volgende € 2500 van de vordering bedraagt de vergoeding maximaal 10%. Vervolgens geldt dat de vergoeding voor de incassokosten ten hoogste 5% over de volgende € 5000 van de vordering bedraagt. Over de volgende € 15 000 van de vordering mag maximaal 1% als vergoeding voor incassokosten worden berekend. Daarbij geldt ook een minimumbedrag voor de vergoeding van incassokosten van € 40. De regeling is van dwingendrechtelijke aard; partijen zijn voor het vaststellen van de incassokosten voor vorderingen tot € 25 000 gebonden aan deze rekenwijze. Dit biedt rechtszekerheid over de hoogte van de incassokosten en voorkomt conflicten daarover.

De normering van de incassokosten die in de algemene maatregel van bestuur wordt uitgewerkt laat niet toe dat er een hogere vergoeding voor de incassokosten in rekening wordt gebracht dan de maximale vergoeding die in de regeling is opgenomen. Partijen kunnen ook niet een hogere vergoeding van de incassokosten bedingen, zoals bijvoorbeeld in algemene voorwaarden. Op grond van artikel 3:40 lid 2 BW is een dergelijk beding vernietigbaar. Dit geldt ook wanneer het beding op grond van artikel 6:91 BW als boetebeding kan worden aangemerkt. De schuldenaar kan het beding zelf vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring. Daarnaast kan het beding worden vernietigd door een rechterlijke uitspraak (vgl. artikel 3:49 BW). In beginsel dient een schuldenaar zich voor de rechter te beroepen op deze vernietigingsgrond. Het slot van artikel 3:40 lid 2 BW maakt het echter ook mogelijk dat de rechter een beding ambtshalve terzijde stelt in het belang van de schuldenaar.

Daarnaast zij gewezen op de mogelijkheid om in een collectieve actie aan de rechter een verbod te vragen van het gebruik van met de nieuwe wettelijke regeling strijdige bedingen in algemene voorwaarden. Zie in het bijzonder artikel 6:240 lid 1 BW, waarin is bepaald dat een beding in algemene voorwaarden dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling, onredelijk bezwarend is. Bij het verbod van het gebruik van zo'n beding kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat nagelaten is om in algemene voorwaarden opgenomen bepalingen omtrent de vergoeding van incassokosten aan te passen aan de nieuwe wettelijke regels. Deze overtreding kan ingevolge artikel 6:240 lid 3 BW door een consumentenorganisatie of door een beroeps- of bedrijfsorganisatie aan de rechter worden voorgelegd. Een belangenorganisatie kan dit vorderen, los van enig concreet geschil.

2. Adviezen

Een voorontwerp van het wetsvoorstel en de algemene maatregel van bestuur zijn voor publieke consultatie op de website www.internetconsultatie.nl geplaatst. Op het voorontwerp is onder andere gereageerd door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen, de Vereniging van Incasso- en Procesadvocaten, de Vereniging Voor Credit Management en het Verbond van Credit Management Bedrijven, de Consumentenbond en de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden/MOgroep. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Raad voor de rechtspraak hebben naar aanleiding van een adviesaanvraag advies uitgebracht over de ontwerpregeling. Het voorontwerp is ook besproken met de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht.

Over het algemeen heeft men steun uitgesproken voor een regeling ter normering van de incassokosten omdat dit duidelijkheid geeft over de hoogte van de incassokosten die in rekening mogen worden gebracht aan zowel de schuldenaar als de schuldeiser. Met betrekking tot verschillende aspecten van de regeling zijn opmerkingen gemaakt of nadere aanbevelingen gedaan. Dit heeft tot enkele aanpassingen van het wetsvoorstel geleid.

In het wetsvoorstel zijn geen informatieverplichtingen voor het bedrijfsleven of burgers aan de overheid opgenomen. Het wetsvoorstel leidt daarom niet tot een toe- of afname van de administratieve lasten.

Artikelen

Artikel I

Voorgesteld wordt om in artikel 6:96 BW een grondslag op te nemen voor een algemene maatregel van bestuur waarin nadere regels gesteld kunnen worden over de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW). Deze grondslag is neergelegd in het nieuwe vierde lid van artikel 6:96 BW.

Uit de tweede zin van het voorgestelde vierde lid volgt dat de algemene maatregel van bestuur dwingend de maximale vergoeding voor incassokosten voorschrijft. Van de regels in de algemene maatregel van bestuur kan niet ten nadele van de schuldenaar worden afgeweken. De vergoeding voor de incassokosten die aan de schuldenaar in rekening mag worden gebracht, wordt daarmee gemaximeerd. Afwijking van de vaste berekenwijze van de vergoeding is alleen mogelijk, wanneer er een lagere vergoeding wordt overeengekomen.

Op grond van de huidige laatste zinsnede van lid 2 van artikel 6:96 BW komen buitengerechtelijke kosten niet als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, als deze kosten op grond van artikel 241 Rv als proceskosten worden vergoed. Wanneer het tot een geding komt kunnen bepaalde handelingen verricht voorafgaand aan het geding, worden aangemerkt als verrichtingen ten behoeve van het geding, bijvoorbeeld het bestuderen van het dossier. In dat geval plegen de regels voor proceskosten hiervoor een vergoeding in te sluiten en komen deze niet meer voor afzonderlijke vergoeding als buitengerechtelijke incassokosten in aanmerking. Zij «verschieten van kleur». Ten behoeve van de leesbaarheid van artikel 6:96 BW wordt voorgesteld wordt om dit voorschrift, dat ook geldt voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 onder b BW) te verplaatsen naar een apart derde lid van artikel 6:96 BW.

Op grond van de nieuwe regeling wordt voor vorderingen met een hoofdsom tot € 25.000 een vaste maximale vergoeding voor de incassokosten vastgesteld. Ook de rechter zal de vergoeding voor de incassokosten conform de nieuwe regeling vaststellen. De laatste zin van het nieuwe vierde lid bewerkstelligt dat de regeling over het van kleur verschieten niet geldt voor incassokosten die op grond van de nieuwe regeling krachtens artikel 6:96 BW zijn gemaximeerd. De ratio van deze regeling is dat de normering en maximering van incassokosten enigszins abstraheert van de individuele incassohandelingen. De genormeerde vergoeding is immers een forfaitair percentage dat niet is gekoppeld aan een precieze berekening van de kosten van bijvoorbeeld het versturen van een aantal aanmaningen in een individuele zaak.

Artikel II

A

In artikel 241 Rv is een spiegelbepaling van artikel 6:96 BW opgenomen wat betreft de incassokosten die, wanneer het tot een geding komt volgens de regels voor proceskosten worden vergoed. Op grond van artikel 241 Rv komen handelingen waarvoor de regeling inzake proceskosten een vergoeding pleegt in te sluiten, niet voor vergoeding als incassokosten in aanmerking. De voorgestelde aanvulling van artikel 241 Rv sluit, gelijk de derde zin van het nieuwe vierde lid van artikel 6:96 BW, uit dat incassohandelingen waarvoor op grond van de nieuwe regeling een vaste vergoeding is berekend, zodra het tot een procedure komt, van kleur verschieten.

B

In artikel 242 Rv is de mogelijkheid voor de rechter opgenomen om de vergoeding voor bedongen buitengerechtelijke incassokosten te matigen. Partijen zijn echter voor vorderingen met een hoofdsom tot € 25 000 gebonden aan de nadere regelgeving over de hoogte van de vergoeding. Wanneer zij afspraken maken over de vergoeding, kunnen zij alleen afwijken van de regeling indien een lagere vergoeding wordt overeengekomen. Dit volgt uit het voorgestelde artikel 6:96 lid 4 BW, waarin is bepaald dat van deze regels niet ten nadele van de schuldenaar kan worden afgeweken. De matigingsbevoegdheid van de rechter die thans bestaat voor alle vorderingen, is daarom voor vorderingen met een hoofdsom van maximaal € 25 000 van geen betekenis.

In het tweede lid van artikel 242 Rv is thans reeds bepaald dat de rechter geen matigingsbevoegdheid toekomt wanneer een kostenregeling in een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen. Dit voorschrift is in stand gehouden.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

In het rapport Voor-werk II zijn aanbevelingen opgenomen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak voor de wijze waarop de rechter kan omgaan met het toekennen van buitengerechtelijke incassokosten.