Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731839 nr. 570

31 839 Jeugdzorg

Nr. 570 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 20 maart 2017

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de brief van 12 september 2016 over de reactie op het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer» (Kamerstuk 31 839, nr. 540).

De vragen en opmerkingen zijn op 18 november 2016 aan de Minister van Veiligheid en Justitie voorgelegd. Bij brief van 16 maart 2017 zijn de vragen, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Ypma

De griffier van de commissie, Hessing-Puts

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer».

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer». Bij ieder kind dat achtergelaten wordt aangetroffen, roept dit de vraag op of dit op enigerlei wijze voorkomen had kunnen worden.

Deze leden zijn het met de Minister eens dat de moeders zo goed mogelijk moeten worden bereikt en worden begeleid door hulpverlening. Dit doet niet alleen recht aan de vrouwen zelf, maar ook aan het kind. Het kind heeft het recht op te groeien bij zijn eigen ouder(s) en het recht te weten van wie hij afstamt. De inspanningen van de hulpverlening moeten hier volgens voornoemde leden daarop (mede) gericht zijn. Zoals de Minister ook aangeeft zijn er helaas situaties waarin vrouwen desondanks hun naam niet willen geven. Dit kan zijn wegens veiligheidsredenen. In dat geval moet volgens voornoemde leden de veiligheid van de moeder zoveel mogelijk geborgd worden en waar mogelijk zonder dat daarbij inbreuk wordt gemaakt op het belang van het kind om zijn afkomst te kennen. De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden te zien dat dit ook het uitgangspunt is van het kabinet is. Wel hebben zij nog enkele vragen over de kabinetsreactie.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer». Deze leden hebben een aantal vragen, die mogelijk ook te beantwoorden zijn met ervaringen of onderzoeken uit andere landen. Is er onderzoek gedaan naar vrouwen die hun baby te vondeling hebben gelegd? Wat is hieruit gekomen? Is er ook onderzoek gedaan naar vrouwen die hun baby hebben gedood na de geboorte? Wat beweegt hen? Wat is er gebeurd met kinderen die te vondeling zijn gelegd? Krijgen zij (psychische) hulp? In welke mate proberen zij (tevergeefs) een beroep te doen op hun afstemmingsrecht? Hoe is het verloop van het gezag bij baby’s die te vondeling worden gelegd en hebben zich specifieke problemen met deze kinderen geopenbaard?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer». Ook hebben deze leden goede nota genomen van de adviezen zoals ingebracht tijdens het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer op 28 september 2016 over dit onderwerp.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister waarin hij een reactie geeft op het bericht dat er voor het eerst een baby in een vondelingenkamer is achtergelaten. Deze leden vernemen graag een uiteenzetting van strafrechtelijke en juridische consequenties die verbonden zijn aan het oprichten van een vondelingenkamer en aan het ten vondeling leggen van een kind. De Minister geeft ook aan dat hij niet staat achter de (uiterste) oplossing van een vondelingenkamer. Voornoemde leden menen ook dat het afstammingsrecht van het kind, zoals gewaarborgd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) nageleefd dient te worden. Echter is de realiteit dat er enkele vondelingenkamers bestaan in Nederland. Om die reden doen deze leden een aantal dringende oproepen aan de Minister.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer». Zij hebben een aantal vragen naar aanleiding van deze brief.

Uitgangspunt

De leden van de CDA-fractie onderschrijven in het bijzonder het pleidooi van enkele organisaties om terughoudend te zijn in de roep om een toename van het aantal vondelingenkamers in Nederland en om in te zetten op een toename van de bekendheid en beschikbaarheid van alternatieven voor ter vondelinglegging en voor structurele financiering van de ondersteuning van vrouwen die onbedoeld zwanger zijn geraakt. Graag vernemen deze leden of de Minister deze uitgangspunten onderschrijft voor het te voeren beleid omtrent dit onderwerp.

De leden van de D66-fractie merken op dat de Minister stelt dat het onderwerp van de vondelingenkamer al jaren breed in de belangstelling staat van velen. Deze leden zijn niet helemaal gerust op dergelijke uitspraken. Deze bewoording straalt bijna iets positiefs uit, terwijl ook de Minister niet achter de vondelingen kamer lijkt te staat. Kan de Minister aangeven welke risico’s hij ziet?

Voornoemde leden erkennen dat er in pijnlijke, lastige situaties soms geen andere uitweg lijkt voor de moeder dan afstand te doen van haar kind. Bijvoorbeeld in situaties van misbruik of eerwraak, of andere situaties waarin vrouwen hun naam niet willen prijsgeven. De Minister stelt dat indien een vrouw haar naam niet prijs wil geven de veiligheid van de moeder zoveel mogelijk wordt geborgd, zonder inbreuk te maken op afstammingsrecht van het kind. Daarom hebben voornoemde leden al eerder aangegeven onderzoek te willen naar de mogelijkheid om onder een pseudoniem te bevallen. Dit is iets anders dan anoniem bevallen, of bevallen onder geheimhouding. Deze leden zouden graag zien dat de Minister deze mogelijkheid gaat onderzoeken voor Nederland, en daarbij kijkt naar Duits voorbeeld. Is de Minister hiertoe bereid?

Belangrijkste vraag is eigenlijk hoe vondelingenkamers kunnen worden voorkomen. Of ziet de Minister enige vorm van bestaansrecht?

Deze leden ontvangen graag een toelichting waarom het Openbaar Ministerie (OM) in de casus van de Groningse vondeling heeft afgezien van strafrechtelijk onderzoek.

Afstand ter adoptie

De leden van de VVD-fractie constateren dat binnen de huidige wettelijke kaders de mogelijkheid bestaat te bevallen onder geheimhouding. In hoeverre verschilt die mogelijkheid van bevallen onder pseudoniem, zoals geopperd door FIOM? Wat zijn de juridische consequenties en gevolgen van beide mogelijkheden?

Welke ervaringen zijn in het buitenland opgedaan met bevallen onder pseudoniem? In hoeverre is die variant strijdig met het recht op afstammingsinformatie uit het IVRK en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)?

Bij de leden van de SP-fractie leven zorgen over de decentralisatie van de zorg gericht op vrouwen die hun baby willen afstaan. Aangezien het om een zeer laag aantal vrouwen gaat, heeft deze zorg mogelijk bij sommige gemeenten geen prioriteit waardoor er voor hen geen goede zorg beschikbaar is. Dat is ook niet zo gek, een kleine gemeente waar misschien eens per vijf jaar een vrouw haar baby wil afstaan zal niet snel investeren in de specialistische kennis op dit gebied. Een gemeente waar een wethouder toevallig persoonlijke ervaringen heeft met het afstand doen van kinderen kan daarentegen mogelijk juist wel veel in deze specifieke zorg investeren. Kan de Minister hierop reflecteren? Op welke manier wordt ervoor gewaakt dat de zorg niet versnipperd en teveel gedecentraliseerd raakt?

De leden van de CDA-fractie vragen een reactie op de in het rondetafelgesprek concreet aangedragen adviezen, waaronder de vijf adviezen van het FIOM (laagdrempelige keuzehulp, 24-uurs telefoonlijn, campagnevoering over vroegtijdige veilige hulp, bevallen onder pseudoniem en het treffen van voorzieningen voor het kind om later zijn afstemmingsgegevens te achterhalen).

Zij vragen voorts wat de concrete uitkomsten geweest zijn van de overleggen die de regering zou voeren met onder andere FIOM en Siriz om de hulpverlening aan vrouwen met een voornemen tot afstand ter adoptie, zoals aangekondigd in de onderhavige brief.

Ook vragen deze leden naar de uitkomst van de aangekondigde inventarisatie of de bestaande praktijk van bevallen onder geheimhouding verbeterd kan worden. Dit punt kwam veelvuldig terugkwam in het hierboven genoemde rondetafelgesprek.

De leden van de D66-fractie merken op dat hulpverlening voor vrouwen die hun kind af willen staan op orde moet zijn en van groot belang is. De genoemde leden waarderen dat de Minister hier op een zelfde wijze over denkt. Subsidies voor organisaties zoals FIOM dienen dan ook gewaarborgd te blijven. Deelt de Minister deze mening? Kan de Minister ook aangeven op welke termijn hij verwacht naar de Kamer te kunnen terugkoppelen hoe de hulpverlening aan zwangere vrouwen met een voornemen tot afstand ter adoptie verbeterd kan worden? Voorts verzoeken de leden de Minister onderzoek te doen naar de voor- en nadelen van vondelingenkamers en te analyseren hoe de samenwerking tussen alle organisaties verbeterd kan worden om knelpunten weg te nemen en in de tussentijd te waarborgen dat er geen extra kamers meer geopend zullen worden.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de Minister aangeeft dat FIOM en Siriz werkafspraken hebben over het begeleiden van vrouwen bij ongewenste zwangerschap en bij het voornemen tot afstand ter adoptie. Is de Minister ervan op de hoogte dat deze organisaties werken volgens een uitgebreid protocol dat is afgesproken met de Raad voor Kinderbescherming met de bedoeling om de rechten en belangen van het (ongeboren) kind te beschermen en dat het dus om meer gaat dan werkafspraken?

Stichting Beschermde Wieg

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Stichting Beschermde Wieg hulp biedt aan vrouwen die afstand willen doen van hun kind. Dit wordt gedaan door hulpverlening en het oprichten van vondelingenkamers. Anonimiteit is bij de hulp het uitgangspunt. Juist door deze anonimiteit lijken vrouwen zich eerder te wenden tot de Stichting Beschermde Wieg dan de reguliere hulpverlening.

In veel gevallen, na gesprekken met de vrouwen te hebben gevoerd, worden toch gegevens achtergelaten waardoor het kind later kan beschikken over afstammingsgegevens. Voornoemde leden vragen of deze vrouwen gebaat zouden zijn bij de mogelijkheid van het bevallen onder pseudoniem. Juist gezien de haken en ogen aan het bevallen onder geheimhouding. Hoe kijkt de Minister aan tegen de Stichting Beschermde Wieg? Deze leden zijn het met de Minister eens dat goede voorlichting en hulpverlening in een vroegtijdig stadium het meest recht doen aan de belangen van moeder en kind. Maar hoe helpen we de vrouwen die zich niet in een vroegtijdig stadium (willen) melden en anoniem willen blijven?

De Stichting Beschermde Wieg is 24-uur per dag bereikbaar. De bereikbaarheid van de reguliere hulp daarentegen zoals FIOM, is beperkt. Is de Minister van mening dat, naast aandacht voor vrouwen in noodsituaties, ook extra aandacht nodig is voor de grote groep vrouwen die ongewenst zwanger is? Hoe kijkt de Minister aan tegen het instellen van een gratis 24-uurs noodlijn? Gezien het veelvuldig gebruik van de 24-uurs noodlijn van Stichting Beschermde Wieg lijkt er behoefte te zijn aan zo’n voorziening. De leden van PvdA-fractie vinden dat er voorkomen moet worden dat er geconcurreerd wordt met verschillende hulplijnen. Maar reguliere hulp moet goed beschikbaar zijn.

De aan het woord zijnde leden maken zich zorgen om mogelijke gaten die gevallen zijn in het aanbod van de beschikbare hulp voor ongewenst zwangere vrouwen bij de transitie van het aanbod naar gemeentes. Kan de Minister aangeven in welke gemeente het aanbod van hulp aan ongewenst zwangere vrouwen op orde is en of er gemeenten zijn waar dit niet het geval is?

De leden van de PvdA-fractie hebben een vraag over de manier waarop de Stichting Beschermde Wieg gegevens heeft opgeslagen van een aantal moeders die zij geholpen hebben. De gegevens zijn opgeslagen bij een voor de Raad voor de Kinderbescherming onbekende notaris en niet bij een centrale opslagplaats. Enkel de Stichting Beschermde Wieg heeft de naam van de notaris. Dat maakt het volgens deze leden onzeker of de gegevens nog beschikbaar zijn tegen de tijd dat de kinderen 16 jaar zijn. Daarnaast is het onduidelijk of deze gegevens, indien beschikbaar, wel bij het kind terecht komen. Daarom vragen zij of de Minister het belang ziet van een centraal register, bijvoorbeeld bij de Stichting Donorgegevens kunstmatige bevruchting?

De bewindspersonen geven aan dat het OM de casus van de Groningse vondeling in onderzoek heeft gehad en op grond van bijzondere omstandigheden besloten heeft het strafrechtelijk onderzoek te beëindigen. Tijdens een rondtafelgesprek over de vondelingenkamer heeft het Wetenschappelijk Bureau van het OM aangegeven te twijfelen of gebruik van de vondelingenkamer onder het huidige strafrecht te vervolgens is. Kan de Minister hierop reageren?

De Minister geeft tot slot aan dat de komst van de Stichting Beschermde Wieg de vraag oproept of en zo ja, hoe de hulpverlening aan zwangere vrouwen met het voornemen tot afstand ter adoptie verbeterd kan worden. Daarom zullen de bewindspersonen in overleg treden met FIOM en Siriz. Daarnaast zal worden geïnventariseerd of de bestaande praktijk onder geheimhouding verbeterd kan worden. Is deze inventarisatie al afgerond? Zo ja, wat is de uitkomst? Zo nee, waarom niet en wanneer kan de Kamer het resultaat van deze inventarisatie verwachten? FIOM heeft in een rondetafelgesprek aangegeven dat er veel haken en ogen zitten aan het bevallen onder geheimhouding. Instanties kunnen de geheimhouding vaak niet garanderen. Zo wordt geen recht gedaan aan de wens van de moeder en daarbij is het onveilig indien gevaar dreigt wanneer bekend wordt dat ze een kind hebben gekregen. Zodra het kind is aangegeven bij de gemeente kan iets fout gaan. De naam van de moeder wordt dan in het systeem gekoppeld aan het kind. De huidige koppelingen van veel systemen speelt hierin een rol. En het slagen van een bevalling onder geheimhouding hangt dan ook vaak af van de medewerking van alle instanties en fouten hebben snel grote gevolgen. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop en daarbij de oplossing die de bewindspersonen voor deze problematiek voor ogen hebben.

Meerder partijen waaronder FIOM adviseren bevallen onder pseudoniem mogelijk te maken. Op die wijze is het zeker dat het kind op de hoogte is van de situatie en vanaf een vastgestelde leeftijd zijn afstammingsgegevens in een centraal register kan achterhalen. Op deze manier ontstaat er een plek waar dit soort gegevens te vinden zijn. Ook ontstaan er niet verschillende «loketten», waaronder nu de persoonsgegevens bij de notaris neergelegd door de Stichting Beschermde Wieg. Voor een kind moet later duidelijk zijn waar hij naar toe kan om te beschikken over zijn afstammingsgegeven. Hoe denkt de Minister over de mogelijkheid van bevallen onder pseudoniem met een centraal register? Is de Minister bereid de wettelijke mogelijkheden tot bevallen onder pseudoniem te onderzoeken?

De leden van de SP-fractie delen voor een groot deel de opvatting van de Minister. Deze leden zien vondelingenkamers niet als dé oplossing voor moeder en kind. Er moet vooral fors worden ingezet op goede voorlichting en hulpverlening in een vroegtijdig stadium. Op die manier kan meer recht worden gedaan aan de belangen van het kind en de moeder. Tegelijkertijd zien deze leden dat de vondelingenkamers op het moment toch een uiterste optie zijn voor moeders. Volgens de Stichting Beschermde Wieg worden elk jaar in Nederland twee levende en vier tot zes overleden kinderen gevonden en lijkt dit het topje van de ijsberg te zijn. Kan de Minister aangeven of deze cijfers kloppen en waarom vermoed zou kunnen worden dat dit inderdaad het topje van de ijsberg is? Is de Minister bereid meer uit te wijden over waarom er in het geval van de Groningse vondeling niet is overgegaan tot strafrechtelijke vervolging? Kan hierin een precedent worden gezien en kunnen vondelingenkamers ervanuit gaan dat zij niet strafrechtelijk vervolgd zullen worden? Kunnen de huidige vondelingenkamers eigenlijk wel gezien worden als zuiver te vondeling leggen aangezien het geen eenzijdige actie betreft? Graag vernemen voornoemde leden of de huidige praktijk van de vondelingenkamers dan wel geschaard kunnen worden onder artikel 236 van het Wetboek van Strafrecht: het verduisteren van afstamming. Zo ja, klopt het dan dat er volgens het derde lid een vervolgingsbeletsel is en er geen juridische mogelijkheden zijn om tot vervolging over te gaan?

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de alternatieven die beschikbaar zijn van groot belang zijn. Heeft de Minister reeds geïnventariseerd of de bestaande praktijk van bevallen onder geheimhouding verbeterd kan worden? Zo ja, wat is hieruit gekomen en hoe zal hiermee verder worden gegaan? Zo nee, wanneer verwacht de Minister de Kamer hierover te kunnen informeren? Daarnaast is door verschillende organisaties ook de optie van bevallen onder pseudoniem geopperd. Hierbij wordt een pseudoniem op de geboorteakte vermeldt, de echte naam van de moeder zou bij een notaris terecht komen waarbij een kind na bijvoorbeeld 16 jaar de identiteit van zijn/haar echte moeder kan achterhalen. Hoe staat de Minister hier tegenover en wat vindt hij van de termijn van 16 jaar? Zou het dan goed zijn om de echte namen en pseudoniemen in een centraal register te registreren? Waarom wel of niet?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister op de hoogte is van de werkwijze van de Stichting Beschermde Wieg in de zaak waar de brief over gaat? Erkent de Minister dat deze werkwijze wezenlijk verschilt van de protocollaire afspraken die FIOM en Siriz moeten volgen? Wat vindt de Minister ervan dat vrouwen bij de Stichting Beschermde Wieg worden geholpen door een vrijwilliger, terwijl bij FIOM en Siriz gespecialiseerde hulpverleners werkzaam zijn? Kan de Minister aangeven welke scholing deze vrijwilligers hebben ontvangen?

Deze leden vragen wat de Minister vindt van de constatering dat er blijkbaar vrouwen zijn die geen beroep op de reguliere hulpverlening kunnen, durven of willen doen? Is de Minister het met genoemde leden eens dat in dat geval er alles aan gedaan moet worden om de drempels tot de reguliere hulpverlening weg te nemen in plaats van de toevlucht te zoeken tot anoniem bevallen via een private organisatie? Is de Minister het met deze leden eens dat anoniem bevallen niet moet worden gestimuleerd of aangemoedigd? Zo ja, wat vindt de Minister dan van deze keuzemogelijkheid die de Stichting Beschermde Wieg aanbiedt? Zo nee, waarom niet?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat de bijzondere omstandigheden zijn waardoor het OM besloten heeft het strafrechtelijk onderzoek naar de casus van de Groningse vondeling te beëindigen. Klopt het dat er sprake is van een omissie in de wetgeving, waardoor het OM geen vervolging kon instellen? Zo ja, is de Minister bereid om deze omissie te repareren? Zo nee, wat is dan de reden dat het onderzoek is beëindigd?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister op de hoogte is van de beperkingen van de mogelijkheid om te bevallen onder geheimhouding, met als grootste beperking dat instanties de geheimhouding niet kunnen garanderen. Is de Minister bereid om te onderzoeken of het wettelijk mogelijk zou kunnen worden gemaakt om te bevallen onder pseudoniem, zoals in Duitsland al mogelijk is?

Voornoemde leden vragen wat de Minister ervan vindt dat de gegevens van een aantal moeders die geholpen zijn door de Stichting Beschermde Wieg zijn opgeslagen bij een onbekende notaris, buiten het zicht van de Raad voor Kinderbescherming. Is de Minister bereid om te onderzoek of deze gegevens kunnen worden opgeslagen bij de Stichting donorgegevens (kunstmatige bevruchting)?

Een van de knelpunten die ongewenst zwangere vrouwen ervaren is dat professionele hulpverlening niet 24 uur per dag gratis beschikbaar is. Dit terwijl de 24-uursnoodlijn van de Stichting Beschermde Wieg wel degelijk voorziet in een behoefte. Ook in Duitsland is er een landelijk telefoonnummer. De lijn van de Stichting Beschermde Wieg wordt echter bemand door vrijwilligers. De aan het woord zijnde leden vragen of de Minister bereid is te kijken naar de mogelijkheid van een gratis 24-uurs telefoonlijn met daarachter professionele hulpverleners.

Tot slot zijn de leden van de ChristenUnie-fractie benieuwd wat de Minister gaat doen om te zorgen dat meer vrouwen op de hoogte zijn van de bestaande mogelijkheden tot hulp bij ongewenste zwangerschap. Deze leden zijn ervan overtuigd dat als bevallen onder pseudoniem mogelijk wordt en dit ook duidelijk middels een campagne wordt gecommuniceerd, dat dan meer vrouwen zich zullen wenden tot de reguliere, professionele hulpverlening omdat hiermee een belangrijke barrière wordt weggenomen. Zij hopen dan ook dat de Minister deze optie serieus wil onderzoeken.

II. Reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie

Inleiding:

Uw Kamer heeft zich, mede naar aanleiding van de brief van 12 september 2016 van mijn ambtsvoorganger (Kamerstuk 31 839, nr. 540), waarin – mede namens de Staatssecretaris van VWS – een reactie is gegeven op het bericht «voor het eerst een baby in vondelingenkamer», door diverse organisaties laten informeren in een rondetafelbijeenkomst. Uit de vragen en opmerkingen van uw Kamer in onderhavig verslag schriftelijk overleg maak ik op dat de fracties in grote lijnen de uitgangspunten van de Staatssecretaris van VWS en mij onderschrijven. Dit uitgangspunt houdt in dat vrouwen zo goed mogelijk worden bereikt en begeleid door hulpverlening, dat de inspanningen er op gericht zijn om kinderen op te laten groeien bij hun eigen ouder(s) en dat zij weten van wie zij afstammen, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat er vrouwen kunnen zijn die om veiligheidsredenen geheimhouding wensen. De vraag van de leden van de CDA-fractie over de uitgangspunten, kan ik daarom bevestigend beantwoorden.

De door uw Kamer gestelde vragen betreffen grotendeels de volgende vijf thema’s: te vondeling gelegde kinderen en afstandsmoeders, Stichting Beschermde Wieg, hulpverlening, bevallen onder geheimhouding en de inzet van het strafrecht. Hieronder zal ik daarom – mede namens de Staatssecretaris van VWS – afzonderlijk ingaan op deze thema’s.

Te vondeling gelegde kinderen en afstandsmoeders:

De leden van de SP-fractie vragen naar het jaarlijks aantal te vondeling gelegde kinderen en levenloos gevonden kinderen. Ze vragen of de cijfers inderdaad het topje van de ijsberg zijn.

Jaarlijks worden in Nederland gemiddeld nul tot twee kinderen te vondeling gelegd. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) heeft in 2016 te maken gehad met vier zaken (van vijf kinderen) waarbij de moeder door tussenkomst van Stichting Beschermde Wieg afstand heeft gedaan van haar kind. Cijfers over het aantal levenloos gevonden baby’s worden landelijk niet officieel bijgehouden. Volgens het NIDAA1 gaat het om gemiddeld vier per jaar. In hoeverre sprake is van een topje van de ijsberg is niet te beantwoorden. Bij te vondeling gelegde kinderen mag aangenomen worden dat dit aantal klopt, aangezien het doel van te vondeling leggen in de meeste gevallen zal zijn dat het kind gevonden wordt. Bij levenloos gevonden kinderen zal het echter de bedoeling kunnen zijn dat het kind niet wordt gevonden. Op dit soort praktijken heeft de overheid daarom slechts beperkt zicht.

De leden van de SP-fractie vragen vervolgens of er onderzoek is gedaan naar vrouwen die hun baby te vondeling hebben gelegd of hebben gedood na de geboorte.

Over neonaticide is een aantal (wetenschappelijke) artikelen geschreven en zijn tevens enkele onderzoeken gedaan of gaande2. Een bevinding luidt dat in vrijwel alle gevallen sprake is van een psychiatrische stoornis bij de moeder, die niet geneigd zal zijn om prenatale zorg in te roepen.3 Over vrouwen die hun kind te vondeling hebben gelegd is mij geen onderzoek bekend.

Tevens vragen de leden van de SP-fractie naar wat er is gebeurd met kinderen die te vondeling zijn gelegd en hoe het gezag verloopt.

Wanneer een kind te vondeling is gelegd, wordt altijd de RvdK ingeschakeld om het gezag over het kind te regelen. De RvdK verzoekt zo spoedig mogelijk een voorlopige voogdijmaatregel bij de rechter, waarbij een gecertificeerde instelling (hierna: GI) als voogd wordt voorgesteld. De GI neemt alle verdere beslissingen over het kind en zorgt ervoor dat het kind in een pleeggezin wordt geplaatst. Gedurende de periode van de voorlopige voogdij start de RvdK een onderzoek naar het definitieve gezag. Wanneer – tijdens het onderzoek van de RvdK – niet bekend wordt wie de ouders zijn, verzoekt de RvdK de rechter om de GI te belasten met de definitieve voogdij. De GI zoekt in samenspraak met de RvdK een geschikt pleeggezin voor het kind. Wanneer de pleegouders een jaar voor het kind hebben gezorgd kunnen zij bij de rechter een verzoek tot adoptie indienen. In het merendeel van de gevallen waarin een kind te vondeling is gelegd, wordt echter de identiteit van de ouders achterhaald en wordt in overleg met hen bekeken waar het kind het best geplaatst kan worden. Ook komt het voor dat ouders alsnog besluiten zelf voor het kind te zorgen.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of deze kinderen psychische hulp krijgen, te maken hebben met specifieke problemen en in welke mate zij (tevergeefs) een beroep doen op hun afstammingsrecht.

Kinderen hebben het recht om te weten van wie zij afstammen. Van wie een kind afstamt maakt een belangrijk deel uit van zijn of haar identiteit; het verkrijgen van informatie hierover valt onder het recht op bescherming van de eigen identiteit.4 Een (ter adoptie afgestaan) kind dat meer wil weten over zijn afstamming kan bij de RvdK terecht en kan zijn dossier inzien met inachtneming van de privacy van andere personen op wie het dossier betrekking heeft. Sinds 1987 worden afstands- en adoptiedossiers voor een onbeperkte duur bewaard. Kinderen die te vondeling zijn gelegd kunnen weliswaar informatie verkrijgen over het proces van te vondeling gelegd zijn en de tijd erna, maar hun afstammingsgegevens kunnen zij veelal niet achterhalen. Wellicht zullen zij daarom ook geen poging daartoe ondernemen. In welke mate er tevergeefs een beroep op het afstammingsrecht wordt gedaan is daarom niet te beantwoorden. FIOM beheert daarnaast sinds enige tijd een vondelingenregister, waar te vondeling gelegde kinderen en ouders die hun kind te vondeling hebben gelegd met elkaar in contact kunnen komen. Wanneer een te vondeling gelegd persoon kampt met psychische problemen, kan hij of zij net als een ieder met psychische hulpvragen terecht bij de reguliere zorg.

Stichting Beschermde Wieg:

Er zijn diverse vragen gesteld over Stichting Beschermde Wieg en de vondelingenkamers. De leden van de D66-fractie vragen welke risico’s ik zie en of ik enige vorm van bestaansrecht zie. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe ik aankijk tegen Stichting Beschermde Wieg.

In de eerdergenoemde brief van 12 september 2016 (Kamerstuk 31 839, nr. 540) is aangegeven dat er weliswaar begrip is voor het feit dat deze stichting zich het lot aantrekt van vrouwen die geen beroep op de reguliere hulpverlening durven of willen doen, maar dat de (uiterste) oplossing die zij daaraan verbindt niet wordt gedeeld. Door de wijze waarop Stichting Beschermde Wieg op dit moment opereert, waaronder het openen van en breed communiceren over vondelingenkamers, bestaat het risico dat ongewenst zwangere vrouwen zich primair tot deze Stichting wenden. De insteek van de Staatssecretaris van VWS is echter dat deze vrouwen laagdrempelig en in een vroeg stadium in de zwangerschap professionele hulpverlening krijgen zoals onder andere FIOM en Siriz die bieden.

De leden van de ChristenUnie vragen of ik op de hoogte ben van het protocol dat is afgesproken met de RvdK en van de werkwijze van Stichting Beschermde Wieg in de zaak waar de brief (van 12 september 2016 (Kamerstuk 31 839, nr. 540)) over gaat. Deze leden vragen voorts of ik erken dat deze werkwijze verschilt van de protocollaire afspraken die FIOM en Siriz moeten volgen. De leden van de fractie van D66 vragen hoe de samenwerking tussen alle organisaties verbeterd kan worden om knelpunten weg te nemen.

Uiteraard ben ik op de hoogte van het genoemde protocol Afstand ter adoptie, dat in samenwerking tussen de RvdK, FIOM, Siriz en Jeugdzorg Nederland tot stand is gekomen. Hierin is neergelegd hoe deze instanties handelen en samenwerken wanneer ouders afstand willen doen van een kind. Daarnaast zijn er ook werkafspraken gemaakt tussen onder andere FIOM, Siriz en de RvdK voor het geval dat bevallen onder geheimhouding plaatsvindt. De werkwijze van Stichting Beschermde Wieg verschilt in ieder geval in die zin dat deze Stichting vrouwen die het voornemen hebben tot afstand doen de garantie biedt dat hun gegevens niet bekend zullen worden. Er ligt een fundamenteel verschil in opvatting tussen enerzijds Stichting Beschermde Wieg en anderzijds de andere organisaties over de vraag hoe de belangen van het kind en die van de moeder het beste zijn gediend. De partijen zijn in 2016 twee keer bij elkaar gekomen om van gedachten te wisselen over de verschillende standpunten en te verkennen in hoeverre samenwerking mogelijk is, maar samenwerking kan pas echt vorm krijgen wanneer er gedeelde uitgangspunten zijn.

In reactie op de vraag van de leden van de D66-fractie om onderzoek te doen naar de voor- en nadelen van vondelingenkamers wijs ik graag op het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) die hier eerder onderzoek naar heeft gedaan5. Gelet hierop zie ik daarom geen aanleiding om nader onderzoek te (laten) verrichten.

Hulpverlening:

Door de leden van diverse fracties worden vragen gesteld met betrekking tot verbetering van de hulpverlening. De leden van de CDA-fractie vragen naar de concrete uitkomsten van het overleg met FIOM en Siriz. De leden van de SP-fractie vragen om een reflectie op de decentralisatie en mogelijke versnippering, waarbij de PvdA-fractie verzoekt om aan te geven in welke gemeente het aanbod van hulp aan ongewenst zwangere vrouwen op orde is en of er gemeenten zijn waar dit niet het geval is. De leden van de D66-fractie vragen naar de termijn waarop teruggekoppeld kan worden hoe de hulpverlening aan zwangere vrouwen met een voornemen tot afstand ter adoptie verbeterd kan worden.

Het Ministerie van VWS ondersteunt de kennis- en expertise-infrastructuur via instellingssubsidies aan FIOM en Siriz. De uitvoering van de taken zijn een lokale verantwoordelijkheid. De gemeenten hebben hiervoor de bevoegdheden en de middelen. Hulpverlening door FIOM en Siriz kan net als die van lokale aanbieders desgewenst door de gemeenten worden ingekocht. In het kader van de keuzehulpverlening ontvangt FIOM subsidie om de kennis en ondersteuning hiervan te organiseren. Hiernaast zal de Staatssecretaris van VWS separaat een reactie geven op de initiatiefnota van de SGP die hier ook op ingaat en heeft hij in zijn brief van 3 november 20166 een aanvullend onderzoek aangekondigd om te kijken wat vanuit de vraag van zwangere vrouwen noodzakelijk is.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe vrouwen geholpen kunnen worden die zich niet in een vroegtijdig stadium (willen) melden en anoniem willen blijven. Daarnaast vragen zij of ik van mening ben dat extra aandacht nodig is voor de grote groep vrouwen die ongewenst zwanger is. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat ik vind van de constatering dat er blijkbaar vrouwen zijn die geen beroep op de reguliere hulpverlening kunnen, durven of willen doen.

De Staatssecretaris van VWS, die hierover gaat, vindt het van belang dat iedereen een beroep op reguliere hulpverlening kan doen. Dit is ook het geval: zo is ons zorgstelsel ingericht. Hiervoor zijn bijvoorbeeld ook anonieme hulpmiddelen beschikbaar. Uiteindelijk is het daarbij wel aan de vrouw zelf of ze ervoor kiest om hiervan gebruik te maken.

De vraag van de fractieleden van de ChristenUnie of de regering het ermee eens is dat er alles aan gedaan moet worden om de drempels tot de reguliere hulpverlening weg te nemen in plaats van de toevlucht te zoeken tot anoniem bevallen via een private organisatie, beantwoorden de Staatssecretaris van VWS en ik bevestigend. Daarnaast vragen zij wat er aan wordt gedaan dat meer vrouwen op de hoogte zijn van de bestaande mogelijkheden tot hulp bij ongewenste zwangerschap.

Het is aan de professionele organisaties om zorg te dragen voor kennis- en informatieoverdracht. Hiertoe ontvangen de instellingen subsidies. Het is aan gemeenten om hun burgers te informeren over het lokale ondersteuningsaanbod. Wel heeft FIOM in samenwerking met Rutgers en Soa AIDS Nederland een module ontwikkeld op sense.info. Dit is een laagdrempelige site met antwoorden op vragen rondom seksualiteit. Op deze wijze ontwikkelen de landelijke instituten verschillende instrumenten voor kennis- en informatieoverdracht.

Zowel de leden van de CDA-fractie als die van de PvdA- en ChristenUnie vragen naar de mogelijkheid voor het beschikbaar stellen van een gratis 24-uurs telefoonlijn met professionele hulpverleners. De Staatssecretaris van VWS zal de telefonische bereikbaarheid van hulp meenemen in het in zijn brief van 3 november 2016 (Kamerstuk 32 279, nr. 99) aangekondigde onderzoek naar de behoeften van (tiener)moeders naar zorg en ondersteuning. Vooralsnog zijn er geen indicaties (ook niet van aanbieders) dat verdere uitbreiding naar nachtelijke uren noodzakelijk is.

Wat betreft de vraag van de leden van de CDA-fractie inzake laagdrempelige keuzehulp, laat de Staatssecretaris van VWS weten dat FIOM online hulp biedt bij keuzegesprekken. Verder heeft FIOM afspraken gemaakt met de lokale GGD’en over uitvoering van de keuzehulpgesprekken. Hiervoor traint FIOM medewerkers van de GGD’en en van de seksuele gezondheidspoli’s. Het is hiernaast aan gemeenten om uitvoering te geven aan deze ondersteunende taken waar deze passen in de zorg en ondersteuning vanuit de Wmo. Het Rijk ondersteunt de kennisinfrastructuur en deling van expertise via een instellingssubsidie aan FIOM.

De leden van de D66-fractie vragen of de subsidie voor organisaties als FIOM gewaarborgd blijft. Ook hiervoor verwijs ik naar de brief van de Staatssecretaris van VWS van 3 november 2016 (Kamerstuk 32 279, nr. 99). De Staatssecretaris van VWS is en blijft systeemverantwoordelijk. Daarbij hoort een goede kennis- en expertise-infrastructuur. FIOM is één van de partijen die deze functie namens het Rijk uitvoert. Om deze reden ontvangt FIOM, zoals hierboven reeds is aangegeven, een jaarlijkse instellingssubsidie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat ik ervan vind dat vrouwen bij Stichting Beschermde Wieg worden geholpen door vrijwilligers. Daarnaast vragen deze leden naar de scholing van deze vrijwilligers.

De Staatssecretaris van VWS heeft respect voor de vrijwilligers van de Stichting Beschermde Wieg die zich het lot aantrekken van vrouwen die geen beroep op de reguliere hulpverlening durven of willen doen. Hij heeft geen oordeel over het feit dat deze vrouwen door vrijwilligers worden geholpen. De stichting geeft zelf aan op hun website dat het vrijwilligers zijn met een professionele achtergrond die vier keer per jaar verdiepingsbijeenkomsten krijgen van verschillende specialisten.

Bevallen onder geheimhouding:

De leden van de VVD-fractie vragen naar de verschillen tussen bevallen onder geheimhouding en bevallen onder pseudoniem en wat de juridische consequenties en gevolgen van beide mogelijkheden zijn.

Wanneer een vrouw bevalt en de geboorte van het kind wordt aangegeven bij de burgerlijke stand, wordt er een geboorteakte van het kind opgemaakt waarop de naam van de moeder staat vermeld. Deze gegevens van de burgerlijke stand worden verwerkt in de basisregistratie personen (BRP) van de woongemeente van de moeder van het kind. Een aantal instellingen, zoals de Sociale Verzekeringsbank en de Dienst Vaccinvoorziening, krijgen vervolgens direct automatisch bericht van de geboorte van de baby.

In Nederland kunnen vrouwen ervoor kiezen onder geheimhouding te bevallen. Dit houdt in dat de persoonlijke gegevens van de moeder in het kader van de hulpverlening geheim worden gehouden voor derden, maar dat haar naam wel op de geboorteakte van het kind wordt vermeld. Met name FIOM regelt de afstemming met gemeenten en andere instellingen en speelt daarnaast een belangrijke rol in het informeren en begeleiden van de moeder. Hiertoe zijn werkafspraken gemaakt.

Bevallen onder pseudoniem is een constructie waarbij de hulpverlening aan de moeder plaatsvindt met gebruikmaking van een pseudoniem voor de moeder. De naam van de moeder wordt niet op de geboorteakte van het kind vermeld. De gegevens van de moeder worden wel bewaard in een afgeschermd register. Deze constructie is niet toegestaan in Nederland.

De leden van de ChristenUnie en de PvdA vragen of ik op de hoogte ben van de beperkingen van bevallen onder geheimhouding. Daarnaast is door de leden van de CDA-, PvdA- en SP-fractie gevraagd naar de uitkomsten van de inventarisatie van mogelijke verbeteringen in de procedure van bevallen onder geheimhouding.

De procedure van bevallen onder geheimhouding kenmerkt zich door onderlinge afspraken tussen organisaties en personen ter bescherming van de moeder. Hoewel hun inzet te prijzen is, maakt dit de procedure wel kwetsbaar. FIOM en Siriz kunnen daarmee geen sluitende garantie geven op geheimhouding van de zwangerschap en bevalling. In september 2016 hebben medewerkers van de Ministeries van Veiligheid en Justitie, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gesproken met onder meer FIOM, Siriz en de RvdK over de ervaringen met deze procedure, de knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen. De uitkomst was dat er binnen de huidige procedure onvoldoende verbetermogelijkheden lijken te zijn om 100% garantie te kunnen bieden op volledige geheimhouding.

Zowel de fractieleden van D66, als van de PvdA en de ChristenUnie vragen of ik bereid ben de mogelijkheid om onder pseudoniem te bevallen te onderzoeken. De PvdA-fractie vraagt of vrouwen die zich nu tot Stichting Beschermde Wieg wenden gebaat zouden zijn bij de mogelijkheid van bevallen onder pseudoniem. Ook de leden van de CDA- en de SP-fractie vragen naar mijn reactie op het tijdens het rondetafelgesprek aangedragen advies om bevallen onder pseudoniem te introduceren. Er wordt door diverse partijen tevens gevraagd of een centraal register van afstammingsgegevens daarbij wenselijk is.

Het introduceren van de mogelijkheid om onder pseudoniem te bevallen (of een vergelijkbare regeling) is een stap die niet lichtzinnig genomen moet worden. Het raakt immers het fundament van het familierecht. Alvorens tot een mogelijke verkenning van de verschillende mogelijkheden over te gaan, acht ik het van groot belang om de resultaten af te wachten van de evaluatie van de wetgeving in Duitsland op het terrein van bevallen onder pseudoniem, de «Vertrauliche Geburt», die naar verwachting dit voorjaar beschikbaar zullen komen. Daarmee kan dan tevens antwoord worden gegeven op de vraag van de fractieleden van de VVD naar buitenlandse ervaringen met bevallen onder pseudoniem. De vraag van de VVD in hoeverre een dergelijke regeling in strijd is met het recht op afstammingsinformatie uit het IVRK en het EVRM hangt samen met de wijze waarop een regeling ingericht zou worden. Ook dit punt zal bij de verdere oordeelsvorming worden betrokken.

De leden van de ChristenUnie vragen of ik het er mee eens ben dat anoniem bevallen niet moet worden gestimuleerd en wat ik vind van de keuzemogelijkheid die de Stichting Beschermde Wieg aanbiedt. Voorts vragen de leden van deze partij wat ik ervan vind dat de gegevens van een aantal moeders die zijn geholpen door deze Stichting bij een onbekende notaris zijn opgeslagen.

Zoals ik aan het begin heb aangegeven, is één van de uitgangspunten die ik hanteer dat kinderen recht hebben om te weten van wie zij afstammen. Het aanmoedigen van anoniem bevallen, waarbij een vrouw haar persoonlijke gegevens in het geheel niet achter laat, vind ik dan ook onwenselijk. Overigens is mij tot dusver niet gebleken dat de vrouwen die zich tot Stichting Beschermde Wieg hebben gewend daadwerkelijk anoniem zijn bevallen. Wel loopt de Stichting met de handelwijze waarmee de persoonsgegevens van de moeder bij een (voor de overheid onbekende) notaris worden neergelegd, vooruit op een eventuele procedure van bevallen onder pseudoniem. De vraag kan gesteld worden in hoeverre het kind te zijner tijd te weten kan komen dat het is afgestaan en waar het zijn of haar afstammingsgegevens kan terugvinden.

Tot slot hebben de leden van de SP-fractie in deze context gevraagd wat ik van een eventuele leeftijdsgrens van 16 jaar vind waarop kinderen hun afstammingsgegevens kunnen opvragen wanneer sprake is van bevallen onder pseudoniem. In de Wet Donorgegevens en Kunstmatige Bevruchting is een leeftijdsgrens van 16 jaar opgenomen waarop kinderen kunnen verzoeken om geïnformeerd te worden over de persoonsgegevens van hun donor. Stichting Beschermde Wieg heeft daarbij in de door haar behandelde casussen aansluiting gezocht. Overigens adviseert de Staatscommissie herijking ouderschap om de minimale leeftijdsgrens voor opvragen van dergelijke informatie af te schaffen. De aanbevelingen van de Staatscommissie worden momenteel nader bestudeerd.

Strafrecht:

De leden van de D66-fractie vragen naar een uiteenzetting van de strafrechtelijke en juridische consequenties die verbonden zijn aan het oprichten van een vondelingenkamer en aan het te vondeling leggen van een kind. Ook vragen zij om te waarborgen dat er geen extra vondelingenkamers meer worden geopend. Door de leden van de SP-fractie wordt gevraagd of de huidige praktijk van de vondelingenkamers geschaard kan worden onder artikel 236 Wetboek van Strafrecht (Sr) en zo ja, of het klopt dat er volgens het derde lid een vervolgingsbeletsel is en geen juridische mogelijkheid om tot vervolging over te gaan.

Het te vondeling leggen van een kind is strafbaar op grond van artikel 256 Sr. Zoals eerder aan uw Kamer is bericht7 lijken de mogelijkheden om iemand die een vondelingenkamer beschikbaar stelt tegen te houden vooralsnog beperkt. Zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke mogelijkheden zijn verkend om op te kunnen treden tegen de vestiging van vondelingenkamers. Als er daadwerkelijk een kind in de vondelingenkamer is gelegd, is vervolging in theorie mogelijk op grond van overtreding van het strafbare feit verduistering van staat (artikel 236 Sr). Vervolging kan slechts plaatsvinden wanneer er een verzoek is ingesteld tot inroeping of betwisting van staat en de burgerlijke rechter een eindbeslissing heeft gegeven op dit verzoek. Indien er daadwerkelijk een kind wordt achtergelaten in de vondelingenkamer, zal aan het Openbaar Ministerie worden gevraagd of een vervolging op grond van artikel 256 Sr opportuun wordt geacht.

Zowel de leden van de fractie van het CDA als die van de SP en de CU vragen om een toelichting waarom het OM in de casus van de Groningse vondeling heeft afgezien van strafrechtelijk onderzoek. Anders dan in de media naar voren is gekomen, was er geen sprake van een situatie waarin een baby in een vondelingenkamer is achtergelaten. Het betrof een situatie waarin een moeder is bevallen onder begeleiding van een verloskundige en de moeder haar baby kort na de bevalling heeft overgedragen aan medewerkers van de Stichting Beschermde Wieg die het kind vervolgens hebben overgebracht naar het ziekenhuis. Het ging daarom om een zaak waarin afstand is gedaan ter adoptie. Het OM heeft het onderzoek naar deze zaak beëindigd omdat het over onvoldoende aanknopingspunten beschikte om het onderzoek voort te zetten.

Door diverse partijen is gevraagd naar de consequenties van het besluit van het OM om in de zaak van de Groningse vondeling af te zien van vervolging. De PvdA-fractie heeft gevraagd naar een reactie op de opmerking van het OM tijdens het rondetafelgesprek dat betwijfeld kan worden of het gebruik van de vondelingenkamer onder het huidige strafrecht te vervolgen is. De SP-fractie heeft gevraagd of de Groningse zaak als een precedent moet worden gezien en vondelingenkamers ervanuit kunnen gaan dat zij niet strafrechtelijk vervolgd zullen worden. Daarnaast vragen zij of het gebruik van een vondelingenkamer wel gezien kan worden als zuiver te vondeling leggen aangezien het geen eenzijdige actie betreft. De leden van de CU-fractie vragen of er sprake is van een omissie in de wetgeving en of er bereidheid is om de omissie te repareren.

Tijdens het rondetafelgesprek heeft een medewerker van het Wetenschappelijk Bureau van het OM een interpretatie gegeven van «te vondeling leggen» in de zin van artikel 256 Sr bij gebruik van een vondelingenkamer. Het is aan de rechter om te oordelen of in een concrete zaak sprake is van een strafbaar feit. Indien er daadwerkelijk een kind in een vondelingenkamer te vondeling wordt gelegd, zal het OM gevraagd worden of vervolging op grond van de artikelen 256 en/of 236 Sr opportuun wordt geacht. Hierbij is van belang dat het OM in de Groningse zaak op grond van bijzondere omstandigheden heeft besloten het onderzoek te beëindigen en dat iedere zaak op zijn eigen merites beoordeeld zal worden. Ik houd daarom vast aan het uitgangspunt dat ingezet wordt op voorlichting en hulpverlening en dat vervolging wordt bezien als er een kind in een vondelingenkamer wordt gelegd.


X Noot
1

NIDAA is het (particuliere) Nederlands instituut voor de documentatie van anoniem afstanddoen.

X Noot
2

Onder andere A.J. Verheugt, «Moordouders. Kinderdoding in Nederland. Een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder» (2007); Vidjija Soerdjbalie-Maikoe e.a. «Neonaticide: vaak vermoed, zelden bewezen» in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2013; K.J. de Wijs-Heijlaerts e.a. «The psyche of women committing neonaticide: a psychological study of women who kill their newborn children» in Progression in Forensic Psychiatry 2012.

X Noot
3

Handboek psychiatrie en zwangerschap (Utrecht 2015), hoofdstuk 27 Kinderdoding (Toon Verheugt en Katinka de Wijs-Heijlaerts).

X Noot
4

Zie ook «Kind en ouders in de 21ste eeuw», rapport van de Staatscommissie herijking ouderschap, december 2016 (blz. 36 e.v.) (bijlage bij Kamerstuk 33 836, nr. 18).

X Noot
5

Vondelingenkamer en babyhuis, advies d.d. 30 juni 2014 Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (bijlage bij Kamerstuk 31 839, nr. 458).

X Noot
6

Kamerstuk 32 279, nr. 99.

X Noot
7

Kamerstuk 31 839, nr. 458.