﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nadv">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31769-6/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2008-2009</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="rel_1_0_7_4__1.1" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST127928</ordernr>
    <vergjaar>2008-2009</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>31 769</nummer>
      <naam>Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele bijzondere wetten in
verband met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>6</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 12 februari 2009</datum>
      <al>Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag dat de vaste
commissie voor Justitie heeft uitgebracht over het onderhavige wetsvoorstel.
In deze nota ga ik in op de vragen en opmerkingen in het verslag, waarbij
zoveel mogelijk de volgorde van het verslag is gevolgd.</al>
      <al>Tegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag wordt een nota
van wijziging ingediend.</al>
      <tuskop letat="vet">I. ALGEMEEN</tuskop>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de SP-fractie geven aan dat het hun enigszins vreemd voorkomt
om een aantal termijnen aan te passen, juist vanwege het doel van de Wet dwangsom
en beroep bij niet tijdig beslissen. Dat doel is dat er een beslissing moet
worden genomen binnen de wettelijke beslistermijn, bij gebreke waarvan een
dwangsom kan worden opgelegd. De leden van de GroenLinks-fractie betreuren
het dat er wijzigingen moeten worden doorgevoerd in de eerder vastgestelde
beslistermijnen.</al>
      <al>De leden van de PvdA-fractie geven aan te begrijpen dat de huidige beslistermijnen
in sommige gevallen in de praktijk niet haalbaar zijn.</al>
      <al>De leden van de VVD-fractie wijzen er op dat het van groot belang is dat
bestuursorganen hun organisatie goed op orde hebben en de in de wet geregelde
beslistermijnen halen. Ook de leden van de SGP-fractie kunnen zich voorstellen
dat in specifieke gevallen de beslistermijnen van de Wet dwangsom in de praktijk
te krap zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het uitgangspunt van het kabinet is dat eerst moet worden gekeken of organisatorische
maatregelen kunnen helpen. Alleen als ondanks een goede organisatie beslistermijnen
toch niet haalbaar zijn, is verlenging van beslistermijnen aan de orde: kennelijk
zijn dan de beslistermijnen niet realistisch. De indieners van het voorstel
voor de Wet dwangsom hebben zelf ook onderkend dat hun voorstel zou dwingen
tot een herbeoordeling van de haalbaarheid van bestaande termijnen. Daartoe
heeft het kabinet begin dit jaar een inventarisatie gedaan naar wettelijke
beslistermijnen die in de praktijk als knellend worden ervaren. Uit de inventarisatie
binnen het ministerie van Justitie kwam naar voren dat bepaalde beslistermijnen
als knellend worden ervaren en niet door organisatorische maatregelen
zijn op te lossen. Om die reden is het onderhavige wetsvoorstel opgesteld.</al>
      <tuskop letat="vet">II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel I</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij mogelijkheden ziet
de procedure van artikel 7 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (het verzoek
tot geslachtsnaamwijziging) te versnellen. De gemeenten doen er gemiddeld
vijfenzeventig dagen over om onderzoek te verrichten. Geldt er voor de gemeente
momenteel geen termijn? Zo nee, verdient het geen aanbeveling wel een termijn
te stellen? En is er aansluitend daadwerkelijk nog vijfenzestig dagen nodig
voor het aanvullend rapport of een medisch advies en de beslissing van de
minister? Graag ontvangen deze leden een toelichting op dit punt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voordat een verzoek wordt uitgezet voor onderzoek door de gemeente vindt
in het werkproces onderzoek plaats naar de haalbaarheid en compleetheid van
het verzoek. Hiermee wordt voorkomen dat de verzoeker leges moet betalen voor
een aanvraag die bij voorbaat evident kansloos is. In dit kader is veelal
nadere correspondentie met de verzoeker nodig. Met dit deel van het proces
is meestal 3 à 4 weken gemoeid. Voor het uitbrengen van een advies
wordt door het werkproces naamswijziging aan de gemeenten standaard een termijn
gesteld van 8 weken. Die termijn wordt echter zelden gehaald, mede omdat verschillende
belanghebbenden door de gemeenten moeten worden gehoord. In de praktijk blijkt
11 weken voor het uitbrengen van het onderzoek realistisch. De 5 resterende
weken zijn nodig om het verzoek zorgvuldig te kunnen afwikkelen, bijvoorbeeld
door het vragen van aanvullende informatie aan de verzoeker, belanghebbenden,
de gemeente en/of de medisch adviseur.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel II</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie vragen de regering wanneer naar verwachting
de capaciteit van het Centraal Orgaan Verklaringen Omtrent het Gedrag (COVOG)
wel toereikend zal zijn om binnen de termijn te kunnen beslissen. Verder vragen
zij welke vertraging de verwachte groei van het aantal VOG (Verklaring Omtrent
het Gedrag)-aanvragen met zich mee zal brengen, wat de gemiddelde wachttijd
zal zijn voor een VOG-verklaring en welke wachttijd de regering acceptabel
vindt. Ook vragen zij tot wanneer er uitstel is van de dwangsomregeling voor
VOG-aanvragen. Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie de regering inzichtelijk
te maken tot welk moment het uitstel van de dwangsomregeling voor VOG-aanvragen
zal gelden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De dwangsomregeling zal gedurende drie jaar na inwerkingtreding van de
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen niet van toepassing zijn
op beslissingen op een aanvraag van een Verklaring omtrent het gedrag.</al>
      <al>COVOG verwacht de komende drie jaar als gevolg van een uitbreiding van
de toepasselijkheid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
dat het aantal aanvragen fors zal toenemen. In de memorie van toelichting
is reeds ingegaan op de uitbreiding die komend jaar te verwachten is ten aanzien
van de vrijwilliger en de ondernemer die een opdracht krijgt van een aanbestedende
dienst. In dit verband kan ook nog gewezen worden op ontwikkelingen die gaande
zijn waardoor de mogelijkheid bestaat dat ook andere nieuwe doelgroepen een
VOG dienen aan te vragen. Het gaat dan om het beroepsgoederenvervoer en de
gezondheidszorg.</al>
      <al>Op dit moment is niet exact te voorspellen wanneer de toename te verwachten
is en hoe groot deze zal zijn. In de periode van 3 jaar zal COVOG zich een
definitief en eenduidig beeld kunnen vormen van de genoemde toename van het
aantal aanvragen en van de ter zake noodzakelijk te treffen maatregelen. Hieronder
wordt begrepen het verrichten van een onderzoek met betrekking tot de functionaliteit
van het (automatiserings) systeem waarmee de aanvragen worden behandeld en
mogelijk het nemen van maatregelen. COVOG speelt op dit moment al zo veel
mogelijk in op de verwachte ontwikkelingen en is inmiddels gestart met het
werven van extra personeel.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel III</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie geven aan er begrip voor te hebben dat wanneer
het voornemen bestaat afwijzend te beslissen op een VOG-aanvraag, dit meer
tijd in beslag zal nemen dan wanneer er geen bezwaar is gevonden de VOG-verklaring
te verlenen. Zij vragen of de regering nog mogelijkheden ziet dit proces toch
enigszins te bespoedigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij een afwijzende beslissing dient vaak aanvullende informatie bij het
OM te worden ingewonnen en dient de aanvrager de mogelijkheid te krijgen om
schriftelijk, dan wel mondeling via een hoorzitting, te reageren op het voornemen
tot afwijzing. Vervolgens dient deze reactie te worden verwerkt in de beslissing
tot afwijzing. De extra termijn van 4 weken is daarvoor passend.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV</tuskop>
      <al>De leden van de PvdA-fractie, de SP-fractie, de VVD-fractie, de Groenlinks-fractie
en de SGP-fractie hebben soortgelijke vragen gesteld over de voorgestelde
beslistermijn van 30 maanden in de Wobka. Gelet op de overeenkomsten tussen
de vragen van deze leden zal ik deze hieronder gezamenlijk beantwoorden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De totale duur van de adoptieprocedure en het opnemen van een buitenlands
kind wordt bepaald door het beperkte aantal adoptiekinderen. De lange beslistermijn
is niet het gevolg van organisatorische problemen of een gebrek aan capaciteit.
De lange beslistermijn is ingegeven vanuit de bewuste keuze om de vraag naar
en het aanbod van adoptiekinderen goed op elkaar af te stemmen. Het is niet
eenvoudig een specifieke (maximum) termijn in de wet vast te leggen aangezien
de vraag naar en het aanbod van adoptiekinderen fluctueren en het lastig is
te voorzien hoe zich dit in de toekomst zal ontwikkelen.</al>
      <al>Er is na uitvoerig overleg met de Tweede Kamer voor gekozen om een wachttijd
bij interlandelijke adoptie aan het begin van de procedure voorafgaande aan
de afgifte van een beginseltoestemming te leggen. Dit om een te grote druk
in de fase van bemiddeling door vergunninghouders te voorkomen. Een te grote
druk in die fase van de procedure zou namelijk het ongewenste gevolg hebben
dat de periode vanaf het verkrijgen van een beginseltoestemming tot het beschikbaar
komen van een kind zodanig lang wordt dat de verrichte gezinsonderzoeken hun
waarde verliezen.</al>
      <al>Om de grote groep wachtende aspirant-adoptiefouders vooruitlopend op de
procedure al inzicht in de situatie te geven, organiseert de Stichting Adoptievoorzieningen
sinds oktober 2007 een pilot waarin extra informatiebijeenkomsten voor aspirant-adoptiefouders
worden gegeven die wachten op de verplichte voorlichtingsbijeenkomsten. Daarvoor
is extra tijdelijke subsidiegelden beschikbaar gesteld. Doel van deze bijeenkomsten
is om aspirant-adoptiefouders een reëel beeld te geven van de huidige
adoptiepraktijk, zodat zij hun eigen situatie op de kansen en mogelijkheden
van adopteren kunnen inschatten. Momenteel is een evaluatie van deze pilot
gaande. Afhankelijk van de uitkomsten van deze evaluatie zal de pilot een
structureel karakter krijgen of niet.</al>
      <al>In de voorlichting wordt aandacht aan dit aspect geschonken en ook worden
mensen ingelicht over het systeem van pleegzorg in Nederland, zodat zij eventueel
een andere keuze kunnen maken.</al>
      <al>Plaatsing van de wachttijd vooraan in de procedure heeft ook als gevolg
dat lang moet worden gewacht op het gezinsonderzoek. In de gehele procedure
neemt het gezinsonderzoek echter niet veel tijd in beslag. Het naar voren
halen van het gezinsonderzoek als gevolg van het leggen van de wachttijd naar
een later tijdstip in de procedure zal (vrijwel) altijd betekenen dat er meerdere
keren een gezinsonderzoek zal moeten plaatsvinden.In een periode van enkele
jaren kunnen er immers nogal wat veranderingen in het leven van mensen optreden.
Bovendien eisen de meeste landen van herkomst een recent (jaarlijks) gezinsrapport.
Dit vraagt extra veel capaciteit van de Raad voor de Kinderbescherming.</al>
      <al>Voorts bestaat het risico dat mensen intussen de maximum leeftijdsgrens
bereiken. De druk op de vergunninghouders neemt toe om snel te bemiddelen,
met het risico van onzorgvuldige bemiddelingen. Dat is zeker aan de orde als
er een gerede kans bestaat dat de beginseltoestemming van de aspirant-adoptiefouders
verloopt of dat zij over de leeftijdsgrens raken wanneer er niet snel een
kind beschikbaar komt.</al>
      <al>De opmerking van de PvdA-fractie dat het in geval een tweede kind wel
eens om zes jaar kan gaan alvorens een adoptiekind een broertje of zusje krijgt
is niet juist. Er bestaat een voorrangsregeling voor adoptiefouders die reeds
een adoptiekind hebben en een tweede of volgend kind willen adopteren. De
adoptieprocedure is voor deze ouders aanzienlijk korter.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Alles nogmaals overwegende en het gegeven dat onlangs sprake is van een
daling van de wachttijd daar zich steeds minder aspirant-adoptiefouders aanmelden
bij de Stichting Adoptievoorzieningen, heb ik besloten de Wobka tijdelijk
uit te sluiten van de dwangsomregeling. Naar het zich laat aanzien zal de
beslistermijn in 2009 dan ook korter zijn dan 30 maanden. Het rapport van
de Commissie Kalsbeek geeft aanleiding tot een algehele herziening van de
Wobka. Tijdens de voorbereiding van die wetswijziging kan nader worden onderzocht
of het tijdelijke karakter van de uitsluiting een structureel karakter dient
te krijgen danwel wat een reële beslistermijn is.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel V</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie hebben aangegeven begrip te hebben voor het
voorstel de termijn voor het aanvragen van een vergunning voor een particuliere
beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te verlengen tot dertien weken,
gelet op het feit dat zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is. De leden vragen
hoeveel procent van de vergunningaanvragen momenteel niet binnen dertien weken
wordt afgehandeld?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit percentage ligt op dit moment rond de 20%.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering nader inzichtelijk te
maken om welke reden de beslistermijn voor de aanvraag van een vergunning
op basis van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
van acht weken is verruimd naar dertien weken. In de toelichting wordt slechts
aangegeven dat zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is en gesprekken met belanghebbenden
de nodige tijd vergen. Zij vragen of de regering het noodzakelijke onderzoek,
de stappen en duur, nader kan toelichten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voordat een verzoek voor advies wordt uitgezet bij de politie wordt het
verzoek beoordeeld op volledigheid. In dat kader is meestal nadere correspondentie
met de verzoeker nodig. Daarmee is meestal 2 weken gemoeid. Het onderzoek
door de politie betreft de betrouwbaarheid van de leidinggevenden (en ander
beleidsmedewerkers) binnen de organisatie. Verder beoordeelt de politie de
opzet en inrichting van de organisatie, onder meer door ter plaatse onderzoek
te verrichten en gesprekken te voeren met de verzoekers. Het gaat daarbij
onder meer om een beoordeling van het materieel dat de organisatie gebruikt
en de opslag van vertrouwelijke gegevens. Met het doen van onderzoek en het
uitbrengen van advies is in de praktijk 6 weken gemoeid. De resterende tijd
is nodig om het verzoek zorgvuldig te kunnen afhandelen, bijvoorbeeld door
het vragen van nadere informatie aan de verzoeker of de politie.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel VI</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie hebben aangegeven begrip te hebben voor het
verlengen van de termijn voor een verzoek tot ontheffing van voorschriften
of verboden op grond van de wet Wapens en munitie. Ook hier geldt dat zorgvuldig
onderzoek vereist is. Zij vragen hoeveel procent van de vergunningaanvragen
momenteel niet binnen dertien weken wordt afgehandeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit percentage ligt op dit moment rond de 10%.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering nader inzichtelijk te
maken om welke reden de beslistermijn voor de aanvraag van een vergunning
op basis van de Wet wapens en munitie van acht weken is verruimd naar dertien
weken. In de toelichting wordt slechts aangegeven dat zorgvuldig onderzoek
noodzakelijk is en gesprekken met belanghebbenden de nodige tijd vergen. Zij
vragen of de regering het noodzakelijke onderzoek, de stappen en duur, nader
kan toelichten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voordat een verzoek voor advies wordt uitgezet bij de politie wordt het
verzoek beoordeeld op volledigheid. In dat kader is meestal nadere correspondentie
met de verzoeker nodig. Daarmee zijn meestal 2 weken gemoeid. Het onderzoek
door de politie betreft de betrouwbaarheid van de wapenbeheerders en het voldoen
aan de overige vereisten die worden gesteld om in aanmerking te komen voor
een ontheffing. Zo zal bijvoorbeeld beoordeeld moeten worden of de verzoeker
kan worden gezien als een museale instelling of een serieuze wapenverzamelaar
of dat de wapens binnen het ontheffingenbeleid vallen. Met het doen van onderzoek
en het uitbrengen van advies is in de praktijk 6 weken gemoeid. De resterende
tijd is nodig om het verzoek zorgvuldig te kunnen afhandelen, bijvoorbeeld
door het vragen van nadere informatie aan de verzoeker of de politie.</al>
      <ondtek>
        <functie>De staatssecretaris van Justitie,</functie>
        <naam>N. Albayrak</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>