Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931537 nr. 6

31 537
Voorstel van wet van de leden Koşer Kaya en Blok tot wijziging van de Pensioenwet met betrekking tot de medezeggenschap van pensioengerechtigden in pensioenfondsbesturen

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 27 april 2009

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de initiatiefnemers de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zullen beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave: blz.

1. Doelstelling/aanleiding initiatiefwetsvoorstel 1

2. Inhoud initiatiefwetsvoorstel 5

1. Doelstelling/aanleiding initiatiefwetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het voorstel van wet van de leden Koşer Kaya en Blok ten aanzien van de medezeggenschap van pensioengerechtigden in pensioenfondsbesturen. Zij vinden dat door de twee «medezeggenschapsconvenanten» de medezeggenschap van pensioengerechtigden bij hun pensioenregeling is verbeterd. De meeste pensioenfondsen hebben momenteel een vorm van medezeggenschap geregeld. De zelfregulering heeft zijn uitwerking gehad. Maar nog niet alle pensioenfondsen voldoen aan de afspraken zoals vastgesteld in het laatste convenant. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat op het terrein van medezeggenschap in deelnemersraden bij pensioenfondsen nog veel te verbeteren valt, dit in overleg met de Stichting van de Arbeid en de pensioenkoepels. Het initiatief heeft tot doel een gelijke positie tussen actieven en pensioengerechtigden te bereiken. Het wetsvoorstel heeft daarnaast betrekking op de pensioengerechtigden van de bedrijfstakpensioenfondsen (bpf’en) die hiermee ook het recht zouden krijgen op vertegenwoordiging in de besturen van hun fondsen, via een raadpleging. Het wetsvoorstel gaat hiermee veel verder dan de twee conventanten afgelopen 10 jaar.

De leden van de CDA-fractie hebben met name nog veel vragen voor de indieners.

Uit de evaluatie van de Sociaal-Economische Raad, De Nederlandsche Bank en TNS NIPO blijkt dat vrijwel alle fondsen die dat volgens het convenant verplicht zijn, de medezeggenschap van gepensioneerden hebben gerealiseerd. Zes jaar geleden spraken werkgevers, werknemers en ouderenorganisaties in een convenant af om dit beter te regelen. Eerst zou dat via vrijwillige afspraken gebeuren, maar mochten die onvoldoende opleveren, dan zouden ze de mogelijkheden onderzoeken om hun afspraken vast te leggen in wetgeving. Werkgevers, werknemers en ouderenorganisaties zijn overeengekomen dat ze nu gaan bezien hoe ze een de verdere naleving van hun afspraken nog kunnen verbeteren. In hoeverre nemen de indieners deze evaluatie en afspraken mee in hun wetsvoorstel?

Wat is de aanleiding in het wetsvoorstel om de beroepsgang naar de Ondernemingskamer te vergemakkelijken ten opzichte van de wijze waarop dat nu is geregeld in de Pensioenwet voor ondernemingspensioenfondsen (opf’en)?

Het wetsvoorstel richt zich primair op de medezeggenschap van gepensioneerden waardoor de belangen van deze groep ten opzichte van andere groepen deelnemers alsmede slapers in het bestuur meer expliciet zullen worden behartigd. Denk daarbij bijvoorbeeld aan jongeren, vrouwen, gehandicapten, arbeidsongeschikten, werklozen en (vanwege de specifieke overgangsproblematiek) de groep tussen de 40–55 jaar. Zijn de indieners zich van het risico bewust dat deze groepen ook een plaats in het bestuur zullen opeisen als vertegenwoordigers van hun deelbelangen? Zijn de indieners van mening dat dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van het huidige pensioenstelsel dat op collectiviteit en solidariteit is gebaseerd? Graag zien zij een reactie tegemoet op dit geschetste mogelijke risico.

Het CNV gaat met zijn jongerenorganisatie en Netspar een masterclass opzetten om jongeren voor te bereiden op een positie in pensioenfondsbesturen. Als motivatie geven zij aan dat van alle bestuurders slechts 2% tussen de 18 en 35 jaar is, terwijl gepensioneerden oververtegenwoordigd zijn. Volgens het CNV slaan de indieners de plank mis met hun initiatiefwetsvoorstel om juist gepensioneerden een betere positie te geven. Zij geven aan dat pensioen van ons allemaal is en dat dit niet alleen door oudere mannen moet worden beheerd. Wat vinden de indieners van deze kritiek? Herkennen de indieners zich in de geschetste problematiek en analyse van het CNV? Wat zijn de indieners voornemens om met deze kritiek te doen?

Volgens de Pensioenwet worden onder pensioengerechtigden ook de personen begrepen voor wie nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen is ingegaan. Is dat ook gewenst in dit kader? Wordt er ten aanzien van bestuursdeelname nog onderscheid gemaakt tussen de verschillende groepen?

De ANBO geeft aan dat deelname van de aan het CSO verbonden ouderenorganisaties aan de besturen van bedrijfstakpensioenfondsen een ernstige verstoring zal beteken van de wijze waarop nu de besluitvorming plaatsvindt. De huidige financiële problemen in de pensioensector en de lange termijn discussie over de houdbaarheid van ons pensioenstelsel vragen volgens de ANBO om een evenwichtige benadering door alle betrokken partijen. Graag willen de leden van de CDA-fractie een reactie op deze waarschuwing van de ANBO. Kunnen de indieners zich bij deze mogelijke verstoring iets voorstellen? Wat zijn de indieners voornemens om deze verstoring niet plaats te laten vinden?

Kunnen de indieners een reactie geven op de vragen en opmerkingen in de position papers van de OPF en de VB?

De Raad van State had een aantal punten van kritiek, zoals het wetsvoorstel bezien in relatie tot aanstaande situaties, de procedure betreffende de keuze voor een vertegenwoordiging van pensioengerechtigden in het pensioenfondsbestuur, het beroepsrecht en de gehoudenheid van een pensioenfonds mee te werken aan de oprichting en instand-houding van een vereniging van pensioengerechtigden. De leden van de CDA-fractie vragen waarom de indieners zich zo weinig aangetrokken hebben van de adviezen van de Raad van State.

De leden van de PvdA-fractie waarderen de inzet van de initiatienemers. Ook zij zijn voorstander van versterking van de medezeggenschap van pensioengerechtigden in pensioenfondsen, hetzij in deelnemersraden, hetzij in verantwoordingsorganen, hetzij in pensioenfondsbesturen. De leden van de PvdA-fractie zijn echter niet overtuigd dat dit wettelijk moet worden vastgelegd, zoals de initiatiefnemers voorstellen. De leden hebben daarom nog aanvullende vragen en opmerkingen over het voorliggende voorstel.

De leden van de PvdA-fractie zijn voorstander van de zelfregulering van de medezeggenschap van pensioengerechtigden via de STAR en het CSO. Zij zijn daarom ook verheugd dat beide partijen voldoende aanknopingspunten zien om samen verder te praten over eventuele verbeteringen naar aanleiding van de uitkomsten van het evaluatieonderzoek van de SER (Rapport «Eindevaluatie medezeggenschap gepensioneerden»). De leden van de PvdA-fractie willen graag beide convenantpartners de mogelijkheid geven om samen met de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen, de Stichting Ondernemingspensioenfondsen en de Unie van Beroepspensioensfondsen overleg te voeren over verbeteringen, alvorens tot wetgeving over te gaan.

Zien de initiatiefnemers aanleiding om het voorliggende wetsvoorstel aan te passen naar aanleiding van de uitkomsten van de door de SER opgestelde «Eindevaluatie medezeggenschap gepensioneerden»?

De leden van de PvdA-fractie vinden dat recht moet worden gedaan aan de verschillen tussen bedrijfstakpensioenfondsen en ondernemingspensioenfondsen. De huidige mogelijkheid tot maatwerk wordt op deze manier onmogelijk. Door de voorgestelde wijzigingen in de Pensioenwet verdwijnen de onderscheidende kenmerken tussen beide soorten pensioenfondsen. Vinden de initiatiefnemers dat er eigenlijk nog maar één soort pensioenfondsen zou moeten bestaan in Nederland?

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij constateren dat het wetsvoorstel voorziet in een opsplitsing van het aantal werknemerszetels in zetels voor gepensioneerden en werknemers op basis van onderlinge getalsverhoudingen. Voor pensioenfondsen die aan vergrijzing onderhevig zijn, betekent dat, dat het aandeel in de zetels voor gepensioneerden de overhand zal hebben. Daardoor zouden de belangen van de werknemers geschaad kunnen worden. Alleen al om dit te voorkomen lijkt het de leden van de SP-fractie veel verstandiger om op meer evenwichtige wijze de belangen van de diverse betrokkenen te verdelen. Werkgevers 1/3 – werknemers 1/3 – gepensioneerden 1/3.

De leden van de SP-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel de mogelijkheid open laat om, indien de betrokken partijen het daarover onderling eens worden, de vertegenwoordigers van werknemers en gepensioneerden gezamenlijk meer zetels te geven, zodat de extra zetels voor de pensioengerechtigden niet ten koste gaan van de werknemers (tenminste pariteit). De leden van de SP-fractie vragen of het dan niet veel verstandiger is om het voorstel van de SP in de wet vast te leggen. Daarbij in ogenschouw nemende, dat het negatieve advies van de Raad van State indertijd was gebaseerd op het grote belang van de werkgever. Dit belang is al geruime tijd aan het verminderen (beschikbare premieregelingen) en dus valt dit argument van de Raad van State steeds makkelijker te weerleggen.

Het feit, dat inmiddels veel pensioenregelingen gebaseerd zijn op het middelloon, geeft een meer gelijkwaardig belang bij indexatieverlening en zou volgens het OPF daarom deelname van gepensioneerden aan besturen niet meer (of minder) noodzakelijk maken. De leden van de SP-fractie vragen een reactie op deze stelling.

De leden van de SP-fractie vragen om een reactie op de stelling, dat opname van gepensioneerden in het bestuur het draagvlak voor pensioen bij jongeren zeker niet zal vergroten, maar eerder zal verminderen.

De leden van de SP-fractie vragen of er nu wel of geen keuzerecht bestaat met betrekking tot bestuursdeelname van pensioengerechtigden.

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming en belangstelling kennis genomen van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. De leden van deze fractie hebben nog wel enkele opmerkingen.

De voorgeschiedenis van dit wetsvoorstel is lang geweest. De indieners van het wetsvoorstel hebben terecht eerst de evaluatie van het tweede convenant tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO afgewacht. Uit de laatste evaluatie (19 maart 2009) blijkt echter dat 70% van de Nederlandse pensioengerechtigden nog steeds niet is vertegenwoordigd. Het is daarom tijd om met wettelijke maatregelen te komen.

De leden van de VVD-fractie zijn principieel voorstander van medezeggenschap van pensioengerechtigden in pensioenfondsen. Pensioenfondsen kennen drie grote groepen belanghebbenden, de werkgevers, de werknemers en de pensioengerechtigden. Deze laatste groep heeft op dit moment geen inspraak. Wat de VVD-fractie betreft hebben zij ook recht op medezeggenschap. Dit wetsvoorstel regelt de medezeggenschap van pensioengerechtigden en wordt daarom van harte ondersteund.

Daarnaast is er op dit moment als gevolg van de kredietcrisis veel onrust op de Nederlandse pensioenmarkt. Voor het draagvlak van maatregelen (geen indexatie, een verhoging van de premie of op termijn eventueel afstempelen) is het goed als alle belanghebbenden aan tafel zitten. Dit is in de tijd van economische onrust een extra argument voor het wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel tot medezeggenschap van pensioengerechtigden in pensioenfondsbesturen. Zij hebben de volgende vragen:

Wat is de bereidheid van de pensioengerechtigden om deel uit te maken van een deelnemersraad of pensioenfondsbestuur? Hebben de indieners ook stimuleringsmaatregelen in acht genomen om deze pensioengerechtigden deel te laten nemen aan het bestuur of deelnemersraad?

Als iedere partij (werknemers, werkgevers en gepensioneerden) op een gelijke wijze vertegenwoordigd wordt ontstaan er tegengestelde belangen, alleen werkgevers en werknemers hebben hetzelfde standpunt op het gebied van investering en indexering op de lange termijn, terwijl pensioengerechtigden juist veranderingen en zekerheid op de korte termijn willen hebben. Moeten de pensioengerechtigden om bovengenoemde reden geen groter aandeel in de medezeggenschap hebben?

Hoe worden deze deelnemersraden en pensioenfondsbesturen samengesteld?

De mogelijkheid voor pensioengerechtigden om deel te nemen in het bestuur was er altijd al, echter werd dit door veel fondsen niet mogelijk gemaakt. Wat is hier de reden van?

Hoeveel pensioenfondsen zijn bereid hun invloed te delen met pensioengerechtigden?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennis genomen van het onderliggend wetsvoorstel. Zij willen allereerst de indieners complimenteren met het werk dat verzet is en waarderen hun inspanning om de inspraak in de pensioenfondsbesturen evenwichtig te maken. Wel hebben deze leden nog enkele vragen bij het wetsvoorstel.

De initiatiefnemers stellen dat de inspraak van pensioengerechtigden niet of onvoldoende geregeld is in de Pensioenwet, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Zij vragen de indieners nader te onderbouwen waarom de huidige werknemersorganisaties – die ook ouderenbonden vertegenwoordigen – onvoldoende de belangen van gepensioneerden zouden behartigen in de praktijk. Voorts vragen deze leden hoe vaak de afgelopen 10 jaar de premies voor de werknemers zijn verhoogd en de pensioenuitkeringen bevroren of verlaagd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de initiatiefnemers of het toelaten van alle mogelijke postactievengroepen ook een precedent kan scheppen naar andere groepen die zich onvoldoende vertegenwoordigd achten, bijvoorbeeld voormalige werknemers die nu huisman of huisvrouw zijn en de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de initiatiefnemers ook dit initiatiefwetsvoorstel hebben voorgelegd aan de SER, STAR en/of CSO ter commentaar. En zo ja, wat was hiervan de uitkomst?

2. Inhoud initiatiefwetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie vragen of de medezeggenschap van vertegenwoordigers van gepensioneerden in de besturen van bpf’en op gespannen voet staat met de wettelijke taken en verplichtingen van pensioenfondsbestuurders. Een fonds dient namelijk collegiaal te worden bestuurd. Alle bestuursleden dienen steeds een evenwichtige afweging te maken van de belangen van alle stakeholders. Bestuursleden zijn geen vertegenwoordigers van de onderscheiden geledingen, maar worden door die geledingen voorgedragen. Bij besturen gaat het om zeggenschap. Is het niet het meest zuiver om de medezeggenschap los daarvan te organiseren en vorm te geven? Leidt een bestuursdeelname van gepensioneerden om aan medezeggenschap vorm en inhoud te geven er niet toe dat de druk toeneemt om juist deelbelangen van de gepensioneerden te behartigen? Graag zien de leden van de CDA-fractie een reactie van de indieners op deze principiële afweging.

Hoe groot achten de indieners de kans dat als gevolg van dit wetsvoorstel in het arbeidsvoorwaardenoverleg besloten zal worden om tot een «defined contribution regeling» over te gaan? Wat zouden daarvoor de redenen kunnen zijn? Zou hiermee de solidariteit tussen pensioengerechtigden en actieven onder druk komen te staan?

De gedachte is om de verplichting tot raadpleging die thans geldt voor ondernemingspensioenfondsen ook door te trekken naar bedrijfstakpensioenfondsen. Echter, de keuze bij opf’en is of een bestuursvertegenwoordiging dan wel een deelnemersraad. Waarom is deze keuze niet doorgetrokken naar de bpf-situatie? De recent afgeronde evaluatie van het medezeggenschapsconvenant laat zien dat de ervaringen met een deelnemersraad in bpf’en, voor zowel werknemers als de gepensioneerden, heel gunstig zijn als het vehikel voor de medezeggenschap. Zijn de indieners voornemens om deze evaluatieresultaten in hun wetsvoorstel mee te nemen en dus hun voorstel te wijzigen?

Wat is de reden voor het ontbreken van een maximering van het aantal bestuurszetels door de vertegenwoordigers van de gepensioneerden, zoals dat wel van toepassing is voor opf’en met bestuursvertegenwoordiging (maximaal de helft van het totaal aantal «werknemerszetels»)?

Speelt in het wetsvoorstel het aantal gepensioneerden een rol? Gaan ook als er maar één gepensioneerde is alle registers open? Daarnaast dient volgens het wetsvoorstel de wens van de meerderheid van de gepensioneerden te worden gevolgd, ook als er sprake is van een respons van slechts 10% van het totaal aantal gepensioneerden. Bij opf’en geldt een minimale respons van 50%. Wat zijn de redenen om geen minimale respons te vereisen?

In het bestuur van een pensioenfonds moeten volgens het wetsvoorstel vertegenwoordigers van pensioengerechtigden zijn vertegenwoordigd indien een meerderheid van de responderende pensioengerechtigden hiervoor kiest. Ten minste tien procent van het aantal pensioengerechtigden moet zijn voorkeur kenbaar hebben gemaakt. Dit is niet afhankelijk gemaakt van het aantal pensioengerechtigden dat onderdeel uitmaakt van het bestand van het fonds. Kan hierdoor met name bij jonge fondsen geen onevenredig grote vertegenwoordiging van pensioengerechtigden in het bestuur ontstaan?

Artikel 101 gaat er vanuit dat op grond van de getalsverhouding altijd minimaal recht op een zetel bestaat, is dat feitelijk zo? Welke zetelverdeling wordt gehanteerd wanneer dit niet het geval is.

Hoe verhoudt de bestuursdeelname als vertegenwoordiging van de pensioengerechtigden zich tot artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet?

Hoe hebben de indieners het proces, organisatie en financiering van de raadpleging, kandidaatstelling, verkiezing en verantwoording van gepensioneerden bij «over het land verspreide» bpf’en voor ogen?

Wordt er bij opname van vertegenwoordigers in het bestuur ook gekeken naar de achterban van de overige bestuursleden? Hoe wordt voorkomen dat er sprake is van oververtegenwoordiging van pensioengerechtigden in het bestuur wanneer deze ook door vakbonden (al dan niet via samenwerkingsverbanden) worden vertegenwoordigd?

In de toelichting wordt aangegeven dat bij vele jongeren de vrees bestaat dat zij op pensioengebied een onevenredig grote last moeten dragen van vergrijzing en dat dit zelfs heeft geleid tot de oprichting van een eigen belangenvereniging voor jongere werknemers. Dit wordt opgepakt door introductie van een beroepsrecht van een minderheid van de deelnemersraad. Waarom wordt er bij de belangenbehartiging van pensioengerechtigden gekozen voor afdwingbare bestuursdeelname en bij bijvoorbeeld de jongeren via bescherming middels het beroepsrecht voor een minderheid van de deelnemersraad?

Bij een evenredige verdeling van zetels tussen werknemers en pensioengerechtigden kan het voorkomen dat erg vergrijsde pensioenfondsen worden gedomineerd door pensioengerechtigden. Kunnen de initiatiefnemers aangeven wat zij vinden van een situatie waarin pensioengerechtigden meer zetels in een bestuur bezetten dan werknemers vragen de leden van de PvdA-fractie. Zijn de initiatiefnemers niet bang dat in vergrijsde pensioenfondsen de belangen van de actieven ondergesneeuwd raken ten opzichte van de redelijk eenzijdige belangen van pensioengerechtigden?

De leden van de PvdA-fractie menen dat als een minderheid van ten minste 10 procent van de deelnemersraad beroepsrecht krijgt, dit hoogstwaarschijnlijk tot onwerkbare situaties zal leiden. Zeker bij kleine deelnemersraden vertegenwoordigt een lid alleen al snel 10 procent van de deelnemersraad. Zijn de initiatiefnemers bereid na te denken over verschillende percentages voor beroepsrecht bij verschillende grootten van deelnemersraden?

De leden van de SP-fractie vragen hoe het wetsvoorstel voorziet in deelname aan pensioengerechtigden in het bestuur, indien het fonds (te) weinig pensioengerechtigden heeft.

De voorzitter van de commissie,

De Wit

Adjunct-griffier van de commissie,

Esmeijer


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), De Wit (SP), voorzitter, Van Gent (GL), Blok (VVD), Tichelaar (PvdA), Van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), ondervoorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Karabulut (SP), Vos (PvdA) en Vacature (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gerkens (SP), Sap (GL), De Krom (VVD), Heerts (PvdA), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Pieper (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), Lempens (SP), Cramer (CU), Biskop (CDA), Elias (VVD), Joldersma (CDA), Fritsma (PVV), Tang (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gesthuizen (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers (VVD).