Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831532 nr. 198

31 532 Voedingsbeleid

Nr. 198 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 22 mei 2018

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en kwaliteit en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 19 april 2018 overleg gevoerd over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 23 april 2015 ter aanbieding van de derde Monitor Voedselverspilling in Nederland (Kamerstuk 31 532, nr. 148);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 13 juli 2015 met een verslag over de internationale conferentie NO MORE FOOD TO WASTE, 16-19 juni 2015 (Kamerstuk 31 532, nr. 152);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 29 september 2015 met de reactie op de motie van de leden Schouten en Grashoff inzake de tijdsduur van ongekoelde presentatie van levensmiddelen (Kamerstuk 34 087, nr. 10);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 27 oktober 2015 over de publicatie Monitor Duurzaam Voedsel 2014 (Kamerstuk 31 532, nr. 155);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 30 oktober 2015 over de voedselagenda voor veilig, gezond en duurzaam voedsel (Kamerstuk 31 532, nr. 156);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 1 mei 2016 over de nieuwe Nationale Strategie GMO groente en fruit (Kamerstuk 31 532, nr. 161);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 19 mei 2016 met de antwoorden op vragen van de commissie over de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Naar een voedselbeleid» (Kamerstuk 31 532, nr. 162);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 18 augustus 2016 over de rapporten voedselverspilling (Kamerstuk 31 532, nr. 165);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 23 september 2016 over de toekomstbestendige Agrofood Export (Kamerstukken 33 625 en 31532, nr. 227);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 30 september 2016 over Jong Leren Eten (Kamerstuk 31 532, nr. 169);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 14 oktober 2016 over de uitkomsten ordening duurzaamheidskeurmerken voor voedsel (Kamerstuk 31 532, nr. 170);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 15 november 2016 over de publicatie Monitor Duurzaam Voedsel 2015 (Kamerstuk 31 532, nr. 172);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 21 november 2016 over transparantie in de voedselketen (Kamerstuk 31 532, nr. 173);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 21 november 2016 over de voortgang Voedselagenda voor veilig, gezond en duurzaam voedsel (Kamerstuk 31 532, nr. 174);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 8 december 2016 over transparantie voedselketen (Kamerstuk 31 532, nr. 176);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 20 januari 2017 over de rapporten Nederlandse handel in agrarische producten (Wageningen Economic Research) en Richting een toekomstbestendige agribusiness (CBS) (Kamerstukken 33 625 en 31532, nr. 241);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 25 januari 2017 met stand van zaken Nationaal Actieplan Groenten en Fruit (Kamerstuk 31 532, nr. 178);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 25 januari 2017 over transparantie in de voedselketen (Kamerstuk 31 532, nr. 179);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 23 februari 2017 over de slotverklaring Nationale Voedseltop op 26 januari 2017 (Kamerstuk 31 532, nr. 180);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 23 mei 2017 ter aanbieding van rapporten over voedselverspilling in Nederland (Kamerstuk 31 532, nr. 183);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 3 oktober 2017 over de publicatie Monitor Duurzaam Voedsel 2016 (Kamerstuk 31 532, nr. 188);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 24 oktober 2017 met de reactie op verzoek commissie inzake de «Voedselvisie naar een gezond en duurzaam voedselsysteem in 2030» van Stichting Natuur & Milieu (Kamerstuk 31 532, nr. 189);

  • de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Vice-Minister-President d.d. 20 maart 2018 over de agenda Taskforce Circular Economy in Food (Kamerstuk 31 532, nr. 190);

  • de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Vice-Minister-President d.d. 16 april 2018 over de accenten in het voedselbeleid voor de komende jaren (Kamerstuk 31 532, nr. 193);

  • de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Vice-Minister-President d.d. 16 april 2018 met de reactie op verzoek commissie inzake het artikel «Minder vlees eten om klimaat te redden berust op misverstand» (Kamerstuk 31 532, nr. 197).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Kuiken

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Lodders

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Haveman-Schüssel

Voorzitter: Geurts

Griffier: Haveman-Schüssel

Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Van Brenk, Dik-Faber, Futselaar, Geurts, Grashoff, Graus, De Groot, Kuiken, Moorlag, Ouwehand en Weverling.

Aanvang 10.01 uur.

De voorzitter:

Goedemorgen. Hierbij open ik het algemeen overleg over voedsel. Ik heb geconstateerd dat er nog brieven uit 2015 op de agenda stonden. Het is dus tijd dat we het er weer over hebben. Welkom aan de mensen op de publieke tribune en de collega's. Ik neem even onze voorzitter van de commissie waar. Er waren wat perikelen onderweg deze kant op. Met uw welnemen zal ik proberen het voorzitterschap op mij te nemen. Ik stel voor dat wij twee interrupties op elkaar plegen. We hebben zeven minuten spreektijd per fractie.

Ik zou graag de heer De Groot, die spreekt namens de D66-fractie, als eerste het woord willen geven.

De heer De Groot (D66):

Dank u, mijnheer de voorzitter. Ik ben zeer verheugd met de aanwezigheid van de twee bewindslieden vandaag, die allebei, op hun wijze, een enorme bijdrage kunnen leveren aan gezond voedsel. Ik ben ook dankbaar voor hun positieve brief van afgelopen maandag. Deze inbreng is mede namens Antje Diertens, die de preventieportefeuille heeft. Bij ons is dat één verhaal.

Voordat ik tot een paar concrete punten kom, wil ik schetsen waar dit overleg voor D66 over gaat. De helft van de Nederlanders heeft overgewicht. Nog geen 1% van de kinderen eet volgens de Schijf van Vijf. We eten ons ziek en we kijken vervolgens naar de gezondheidszorg om ons weer beter te maken. Deze gezondheidszorg kost ons 90 miljard euro per jaar. Een groot deel van deze ziektes kan voorkomen worden met gezonde voeding. Een aantal ziektes, zoals diabetes 2, kunnen zelfs voor een deel worden genezen met gezonde voeding. Daarnaast zijn we als consument van ons voedsel vervreemd. Kinderen denken dat melk uit de supermarkt komt, de gezondheid van producten is niet in een oogopslag te lezen en we zijn in volstrekte verwarring over wat nu een duurzame en gezonde voedselkeuze is. Iedereen is zijn eigen goeroe.

Wat nodig is, is een voedseltransitie. D66 wil consumenten weer een plek geven in het voedselsysteem. Daarvoor willen we vandaag een paar eerste concrete ideeën presenteren. In de eerste plaats moeten jonge kinderen weer gezond gaan eten. In de tweede plaats moet voedsel een integraal onderdeel worden van de preventieagenda. In de derde plaats moet het de consument gemakkelijker worden gemaakt, met heldere logo's, om een gezonde en duurzame keuze te gaan maken.

Voorzitter. Kinderen eerst. Hier past een compliment aan de Minister van LNV voor haar inspanningen op het gebied van moestuinen. Ik heb de afgelopen maanden tientallen mensen gesproken, vol enthousiasme, met de prachtigste initiatieven, die aan de gang wilden met moestuinen. Alles is er ook al, qua beleid, alleen die mensen wisten niet waar ze heen moesten. Nu is er een prachtige website, Jong Leren Eten, met makelaars in de provincies. Ik heb er ook eentje gebeld. Dat werkt eigenlijk best, alleen die website is echt volkomen onbekend. Dus een verzoek aan de Minister: zorg dat daarvoor wat meer bekendheid komt, dat al die groene initiatieven ook weten waar ze terechtkunnen en ook ondersteuning kunnen krijgen. Er zijn geloof ik 166 volgers op Twitter van de betreffende website. Dat zegt wel iets. De site is net in de lucht, maar al die initiateven moeten niet op de rotsen vallen.

Voor de Staatssecretaris. Al in 2016 zou het bedrijfsleven kindermarketing aanpakken. In 2017 was dat nog steeds de intentie. Het lijkt me nu aan de Staatssecretaris om met het bedrijfsleven voor de zomer echt afspraken te maken over de aanpak van kindermarketing. K3 mag wat D66 betreft wel op de komkommer, maar niet op de KitKat.

Ten tweede: voedsel als preventie. Het beleid is versnipperd. We hebben de Gezonde Schoolkantine. Die zit bij het Voedingscentrum. De Gezonde School zit dan weer bij VWS. JOGG zit bij een aparte organisatie en Jong Leren Eten zit bij LNV.

De voorzitter:

Ik heb een interruptie van de heer Futselaar voor u.

De heer Futselaar (SP):

Ja, met excuus, maar nog even op het vorige punt van de kindermarketing. De heer De Groot zegt daarover veel waar ik het mee eens kan zijn. Hij schetst ook, in mijn interpretatie, dat het allemaal wel wat lang duurt. Als het nou niet lukt om tot verbeteringen of afspraken te komen met de industrie, ziet de D66-fractie dan ook iets in eenzijdig als overheid dan maar ingrijpen in de marketing om te voorkomen dat we doorgaan op de huidige weg?

De heer De Groot (D66):

Ik denk dat dat heel erg lastig is in de context waarin wij leven, namelijk Europa. Het zal uiteindelijk toch het bedrijfsleven zelf moeten zijn dat hier verantwoordelijkheid voor neemt. Ik heb ook begrepen dat het bedrijfsleven dat wil. Die intentie is uitgesproken. Het moet wel heel gek lopen als we hier tot regelgeving moeten overgaan. Dat zijn we wel heel diep gezonken. Dus wat mij betreft krijgt het bedrijfsleven nog een kans.

De heer Futselaar (SP):

Het bedrijfsleven krijgt nog een kans, want er wordt gesproken. Die route is dus niet afgesloten. Maar door te zeggen «het is of dat of via Europa» vind ik dat de heer De Groot wel heel erg veel mogelijkheden uitsluit. Wij kunnen van alles doen, of het nou om reclames voor drank of wat dan ook gaat. Dat kun je natuurlijk ook doen bij specifieke kindergerichte marketing, bijvoorbeeld zelfs door gewoon überhaupt te stoppen met reclame voor kinderen, waarvan je je kunt afvragen wat voor doel het eigenlijk heeft. Denkt de heer De Groot niet dat door deze optie categorisch weg te doen de druk op dit soort gesprekken met de industrie ook nogal beperkt is?

De heer De Groot (D66):

Ik deel absoluut de irritatie. 2016; 2017 nog steeds de intentie. Daarom zeg ik ook nu gewoon: voor de zomer moet het geregeld zijn. Dat kan ook. Laten we dan weer eens met elkaar om de tafel gaan zitten. Maar ik geloof wel dat dat gaat lukken. Ik ben ook benieuwd naar het antwoord van de Staatssecretaris hierop.

Voedsel als preventie, het tweede blokje. Het beleid is versnipperd. Ik zei het al, de schoolkantine, de Gezonde School, het zit allemaal ergens anders. Dat is natuurlijk ook verklaarbaar. Elke Minister of Staatssecretaris heeft de laatste jaren een prachtig nieuw initiatief gelanceerd, met steeds een klein beetje geld. Laten we nou hutje bij mutje gooien en er integraal en effectief beleid van maken. Het verzoek aan deze Minister is dus niet zozeer om te komen met nieuwe initiatieven, maar om te zorgen dat er gewoon één helder loket en één helder beleid komen ten aanzien van voedsel. In de preventiebrief staat terecht dat voedsel onlosmakelijk verbonden is met de aanpak van overgewicht. Dat is prima, maar voor D66 betekent dit dat het voedselbeleid van LNV onlosmakelijk onderdeel vormt van het preventieakkoord. Dus niet meer aparte hokjes vanuit de ministeries, maar één beleid.

Voorzitter. Ten derde, en niet in de laatste plaats, de consument. Met het verdwijnen van het vinkje is een gat vallen. Voor D66 is het niet de vraag of er een logo moet komen, maar wanneer. In ieder geval voor 2019 moeten afspraken met het bedrijfsleven zijn gemaakt. Ervaringen in Groot-Brittannië en het Verenigd Koninkrijk geven aan dat er best wel mogelijkheden zijn. Benut die ervaringen. Dat scheelt een hoop tijd. Van belang is wel dat het logo voor alle producten geldt en dat producten die van de Schijf van Vijf zijn of daaraan gelieerd, zeker goed hierin zitten. Zorg dan ook dat zwaar bewerkte voedingsmiddelen een beetje achteraan het etiket komen. Zorg in ieder geval dat voor consumenten in een oogopslag duidelijk is wat de gezondere keuze is.

Daarnaast moet duidelijk worden wat de werkelijke prijs van voedsel is. De Minister heeft eerder op schriftelijke vragen van D66 aangegeven een pilot te willen starten, zodat je kunt zien wat de werkelijke prijs is. Dat is hartstikke goed, maar laten we daar een beetje vaart mee maken en zorg ook daar dat de consument in een oogopslag kan zien wat dan de duurzamere keuze is. Ik realiseer me dat dat een heel ingewikkelde discussie is, want sommige ketens zijn duurzamer dan andere, maar laat dat dan ook in het etiket of in het logo naar voren komen. Je moet altijd eten. Je moet dus ook altijd kijken «wat is dit?», afgezet tegen bijvoorbeeld een plantaardige variant. Soms is dierlijk dan ook nog weleens duurzamer. Als de bonusprijs op het etiket kan, dan kan voor D66 ook de malusprijs erop, in figuurlijke zin. Ik hoop dat de Minister snel die pilot gaat starten.

Tot slot, voorzitter. Complimenten voor de aanpak voedselverspilling. Er komt nog iets over handelsnormen. Daar zal mijn collega iets over zeggen. Daar sluiten wij ons bij aan.

We hebben een unieke kans vandaag om echt een transitie in te zetten, een shift van geld voor gezondheidszorg naar gezond eten vooraf. Dan leven mensen langer, gezonder. Er is ook nog een businesscase van te maken, want elke euro die je investeert, kan je dubbel en dwars terugverdienen. Maar het gaat om gezonde mensen. Dus voedsel integraal, expliciet onderdeel van het gezondheidsbeleid. Het voedselbeleid moet niet een nietje zijn door allerlei leuke initiatieven. Ten tweede: consumenten moeten een gezondere en duurzamere keus makkelijk kunnen maken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u, mijnheer De Groot. Ik heb nog een interruptie van mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

We hebben een zeer interessant rondetafelgesprek gehad over voedsel en een heel mooi rapport van de Raad voor de leefomgeving, die zegt dat het onvermijdelijk is – onvermijdelijk – dat de veestapel moet krimpen, maar vooral ook dat we plantaardiger moeten gaan eten. De experts die we daar gehoord hebben, zeiden ook dat er dan wel iets meer moet gebeuren dan wat D66 hier nu inbrengt. Het kabinet heeft gezegd nog met een reactie te komen op dat rapport. Ik vind vertraging niet zo verstandig, maar goed. Wat geeft D66 het kabinet mee in het nadenken over die toch zeer belangrijke aanbevelingen van de raad?

De heer De Groot (D66):

Dank u wel voor deze vraag. Er zijn eigenlijk drie dingen die ik zou willen meegeven. Het eerste is dat door de exportpositie van Nederland eigenlijk een knip zit tussen de consumptie en de productie. Het is dus niet zozeer automatisch zo dat als je de productie van dierlijke eiwitten terugdringt, ook de consumptie teruggaat. Dat is één.

Het tweede is de manier waarop de Rli kijkt naar ons productiesysteem. Ze stellen voor dat het kleiner dan nu moet. Ik denk dat daar heel veel mensen het mee eens zijn. Dat is ook de reden dat het kabinet inzet op sanering van de varkenshouderij. Alleen, als je dat doet zonder een transitie, dan wordt het minder van hetzelfde. In het huidige systeem zitten nu eenmaal zaken die gewoon inefficiënt zijn, bijvoorbeeld dat we heel veel granen van over de hele wereld aanslepen en aan dieren voeren. Dat is gewoon een systeemfout. Daar vind ik de Rli absoluut tekortschieten, om te kijken hoe we naar een ander systeem kunnen. Gelukkig hebben we met elkaar tegen de Minister gezegd: ga kijken hoe je met kringlooplandbouw tot een duurzame voedselproductie kunt komen.

Het derde element gaat over consumptie. Daarover zegt de Rli dat je minder dierlijk en meer plantaardig moet eten. Dat ligt altijd genuanceerd, maar een ding is zeker. Als je volgens de Schijf van Vijf eet, en daar is de verhouding dierlijk/plantaardig ongeveer fiftyfifty, dan heb je zowel een gezonde keuze als een duurzamere keuze. Daarom vindt D66 het zo van belang dat de consumenten zelf kunnen kiezen, zodat automatisch die beweging naar minder dierlijk en meer plantaardig wordt ingezet. Want als we volgens de Schijf van Vijf gaan eten, dan is dat in alle opzichten goed.

De voorzitter:

Zullen we vanaf nu ook afspreken om korte interrupties te plegen en ook korte antwoorden te geven? Vervolgvraag van mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het klinkt natuurlijk allemaal fantastisch en het zou mooi zijn als we die Schijf van Vijf halen, maar D66 weet ook dat alle inzet tot nu toe daar niet toe heeft geleid. Mensen eten nog steeds veel te weinig groenten en fruit. De doelstellingen die de Rli, en het zijn geen nieuwe doelstellingen, als onvermijdelijk hanteert, gaan ook nog verder. Dus die Schijf van Vijf moet nog verder worden aangepast, naar meer plantaardig en minder dierlijk. De ideeën waar D66 mee komt zijn, met alle respect, tijdens het rondetafelgesprek toch wel een beetje weggezet als gerommel in de marge. Moestuinen, de Partij voor de Dieren is er ontzettend voor, maar je gaat daar niet die transitie mee bewerkstelligen waar D66 het nota bene over heeft. Ik had dus verwacht vandaag van D66 strijdbare actie voor die transitie te horen. En ik hoor het niet.

De heer De Groot (D66):

Hier kan ik echt heel kort op antwoorden, want ik kan verwijzen naar mijn inbreng waar drie heel concrete ideeën zijn gepresenteerd, die ook nog uitvoerbaar zijn en waarmee we heel belangrijke eerste stappen kunnen zetten naar die transitie. Ik herken me dus niet in deze vraag.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Moorlag. Hij spreekt namens de Partij voor de Arbeid.

De heer Moorlag (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb vanmorgen even op de website van Albert Heijn gekeken. Daar worden frikandellen aangeboden: twintig stuks voor € 3,69, omgerekend per kilo € 2,64, € 0,18 per stuk. Op de website van Albert Heijn worden ook appels aangeboden: € 2,99 voor zes stuks, een kilo. Kiloprijs dus bijna € 3, per stuk € 0,50. Dit is toch wel symptomatisch voor een breed maatschappelijk probleem dat wij hebben. Als je kijkt naar de maatschappelijke kosten die in die producten zitten, dan zou die prijs toch heel anders moeten liggen.

Voorzitter. De Partij van de Arbeid vindt het belangrijk dat we zeker kunnen zijn van goed en eerlijk voedsel. Voedsel dat goed smaakt, gezond is, niet dwingt tot diëten na oud en nieuw en na de zomervakantie. Voedsel waar we geen diabetes van krijgen en ook geen hart- en vaatziekten. Bovendien voedsel dat zo geproduceerd wordt dat het gebruik van meststoffen, bestrijdingsmiddelen en de emissie van broeikasgassen sterk wordt verminderd.

De paradox is: dat goede, veilige en verantwoorde voedsel is er. We hebben nog nooit zo'n goed en veilig voedselaanbod gehad. Maar wij zitten gevangen in het systeem van voedselproductie, voedselaanbod en voedselconsumptie. Boeren zitten erin gevangen. Zij worden gedwongen tot massaproductie. De producent en detailhandel zitten erin gevangen, want die hebben belang bij zo groot mogelijke omzetvolumes. En de consumenten zitten erin gevangen, want op straat en bij de benzinepomp in de winkel lopen zij eerder tegen fastfood aan dan tegen gezond voedsel. Het is ook niet voor niets dat de groenteconsumptie in Nederland nog steeds afneemt.

Voorzitter. Het is hoog tijd dat we loskomen van die gijzeling van de productie- en consumptiedwang. Er moet echt een ketenaanpak komen. Ik heb waardering voor het initiatief van collega De Groot van D66. Hij zegt dat er meer moestuinen moeten komen. Maar dat is toch wel een beetje een vorm van decoratief beleid. Er moet echt een veel fundamentelere aanpak komen, een ketenaanpak, een samenhangende aanpak gelijk aan het model van het energie- en klimaatakkoord. De hele keten moet daarbij betrokken worden, de producenten, de detailhandel en de consumentenorganisaties. Er moeten gewoon concrete doelen worden gesteld. De voedselproductie moet gepaard gaan met veel lagere broeikasemissies. We kunnen niet om het rapport van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur heen. Ik weet dat de hardcore belangenbehartigers van de agrarische sector – de heer Geurts is daar wel een beetje een vertegenwoordiger van en mevrouw Lodders van de VVD is dat doorgaans ook wel – vinden dat we niet hoeven te kijken naar het volume van de intensieve veesector. Maar naar mijn smaak wordt dan een poging ondernomen om een olifant kreukvrij achter het behang weg te plakken. Je zult op enig moment moeten komen tot een reductie van de productie van dierlijk eiwit.

We moeten streven naar een aanpak van voedselverspilling. 30% van het voedsel gaat verloren. Voedsel dat niet geproduceerd hoeft te worden voor de verspilling, leidt ook niet tot emissie van broeikasgassen en tot gebruik van mest. Het moet echt aangepakt worden.

We moeten onnodig ongezonde producten uitbannen. In Engeland is er een heel veelbelovende ontwikkeling zichtbaar. Suiker wordt er beprijsd. Die beprijzing, die prikkel, richt zich niet op de consument maar met name op de producent. Je ziet dat producenten daardoor minder ongezond voedsel gaan produceren. Zo'n aanpak verdient ook een onderzoek in Nederland. Mijn vraag aan de bewindslieden is of zij bereid zijn om daarnaar te kijken en om er onderzoek naar te doen.

We zullen ook moeten sturen op gedragsverandering. Het consumeren van voedsel zit gewoon ingebakken in routines. We moeten vaststellen dat we met overheidscampagnes van alles en nog wat kunnen doen, maar we moeten ons ook realiseren dat de Allerhande van Albert Heijn meer invloed heeft dan welke overheidscampagne dan ook. Albert Heijn heeft in de jaren zeventig Nederland leren wijn drinken. Eigenlijk zouden we er in zo'n ketenaanpak naar moeten streven dat Albert Heijn mensen gaat leren om ander en beter voedsel te consumeren. Dat kun je niet solitair van de grootgrutters verwachten. Daar is echt die ketenaanpak voor nodig. Er zullen in de toekomst verdienmodellen moeten zijn voor zowel de detailhandel als de agrarische sector. Dit kun je niet realiseren met geïsoleerde maatregelen.

Voorzitter. Naar mijn smaak kun je met innovatie ook veel bereiken. Ik ben vorige week bij een glastuinbouwbedrijf geweest van een ondernemer, Duijvestijn, in Pijnacker. Ik word eerlijk gezegd heel blij van wat ik daar zie. Er is een bijna gesloten systeem. In een paar generaties heeft het bedrijf zich enorm ontwikkeld. Deze wijze van voedselproductie is toonaangevend, met een minimum aan meststof en een minimum aan bestrijdingsmiddelen. Ze hebben daar een bijna gesloten kringloop. Daar liggen gewoon kansen. Er liggen ook kansen om internationaal bij te dragen aan het oplossen van de crisis die er toch wel is rond voedselproductie en preventie.

De PvdA pleit voor daadkrachtig en nuchter beleid, een aanpak die dus niet alleen gericht is op consumenten maar ook op producenten en op de grootwinkelketens. Dat betekent ook dat wij niet met een romantisch beeld naar voeding moeten kijken. Het geeft misschien een heel goed gevoel om een smoothie te gaan nuttigen bij een foodtruck die als oldtimer, met een dampende uitlaat, 150 kilometer heeft afgelegd. Dat geeft misschien het goede gevoel dat je heel duurzaam bezig bent. Maar de PvdA gelooft veel meer in een innovatieve aanpak. Naar mijn smaak moet er ook worden gestreefd naar goede, volwaardige vervangers van dierlijk eiwit. Die zijn er al wel, maar die moeten verder geïnnoveerd worden, niet alleen op het gebied van voedselkwaliteit maar ook op het gebied van smaakbeleving.

De voorzitter:

En uw laatste zin?

De heer Moorlag (PvdA):

Oei, mijn laatste zin, voorzitter. Mijn laatste zin bestaat uit drie concrete punten waar de PvdA naar streeft. Eén, een heel concreet punt, is dat de PvdA vindt dat er een beeldmerk moet komen om verantwoorde producten herkenbaar te maken voor de consument. Daar heeft de Consumentenbond voor gepleit. Het tweede is dat er prijsprikkels moeten komen voor het bedrijfsleven om gezonder voedsel te produceren. Ik heb er zo-even iets over gezegd.

De voorzitter:

Meneer Moorlag, u bent ver over uw tijd heen.

De heer Moorlag (PvdA):

Oké.

De voorzitter:

Echt uw laatste zin.

De heer Moorlag (PvdA):

Dan moet ik afsluiten. Dan kom ik er in tweede termijn op terug, of bij interruptie.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Moorlag (PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Ouwehand. Zij spreekt namens de Partij van de Dieren. Sorry, de Partij vóór de Dieren. En het is de Partij ván de Arbeid.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, gelukkig is de mens ook een diersoort. Voorzitter. Een belangrijk debat vandaag over de toekomst van ons voedsel. En dat allemaal in het kader van de grootste uitdaging waarvoor deze generatie, waar we vandaag allemaal toe behoren, voor staat. Of we nu 15 zijn en ons zorgen maken over de toekomst, of 55, we moeten de aarde leefbaar zien te houden voor mens en dier. Binnen die enorme uitdaging spreken we vandaag over voedsel. Dat is zeer terecht, want onze voedselconsumptie heeft een enorme impact op de leefbaarheid van de aarde, de klimaatverandering, het behoud van natuur en biodiversiteit en niet te vergeten het dierenwelzijn en een gelijkwaardige en rechtvaardige verdeling van voedsel over de wereld, zodat onze consumptie niet gepaard gaat met mensenrechtenschendingen elders, direct en indirect.

Voorzitter. Ik ben dus blij dat we vandaag dit debat kunnen voeren. Ik ben ook blij dat ik kan beginnen met een compliment. Dat gebeurt niet zo heel vaak als je een oppositiepartij bent als de Partij voor de Dieren. Begin maart was de eerste Nationale Week Zonder Vlees. En wat zag ik gebeuren? Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit deed een oproepje: beste mensen, vandaag start de eerste editie; doe jij ook mee? Een vrijblijvende oproep. Het lijkt iets kleins, maar het is zeker wel moedig. Ik heb het Partij van de Arbeid-bewindspersonen, die ook best wisten dat we beter ietsje minder vlees kunnen eten, niet zien doen. Laat ik het zo zeggen: het is mooi illustratief voor de moed die deze Minister wel degelijk heeft om over onderwerpen die misschien gevoelig kunnen liggen toch een standpunt in te nemen.

Wat eigenlijk nog mooier was, is dat er in dezelfde week een nieuwsbericht kwam met de kop: Minister begint Zeeuwse toer met een flink stuk varkensvlees. Toen dacht ik: kijk, nu heeft de Minister in levenden lijve zelf meegemaakt dat je wel goede voornemens kunt hebben, maar dat het niet erg helpt als de omgeving daar niet op is ingericht. Ik ga ervan uit dat de Minister dacht dat ze een weekje geen vlees zou gaan eten, maar ja, dan moet je dat dus doorgeven aan de mensen die je hebben uitgenodigd. En dan zit je daar en dan hebben ze standaard gewoon vlees gemaakt. Het is onaardig om te zeggen dat je dat niet wilt. Dit illustreert dus goed waarom we de voedselomgeving in dienst moeten stellen van de mooie ambities die het kabinet op zichzelf wel schetst in de brief over voedsel. Anders komen we er niet.

Dat is ook wat de deskundigen ons hebben gezegd in het rondetafelgesprek dat we hier hebben gevoerd over voedsel. Zonder het veranderen van de voedselomgeving gaat het dus niet werken. Dan hebben we het over beprijzing van dat wat we beter wat minder kunnen eten, van dat wat grote schade geeft. We moeten er iets voor doen om mensen de juiste keuzes te laten maken. We voldoen nog steeds bij lange na niet aan de Schijf van Vijf en dan moeten we zelfs nog verder, naar meer plantaardig.

Dan kom ik bij mijn tweede compliment, aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid. Ik zag hem bij Nieuwsuur en bij verschillende andere mediapodia echt een lans breken voor minder drinken met z'n allen. Dat ligt ook gevoelig in de samenleving. We kennen de effecten. Het is beter om daar niet langer voor weg te lopen, ook al zeggen mensen dan dat je aan het betuttelen bent. Nee, zei hij, we zouden het normaal moeten vinden dat je matigt met alcohol. Ik denk dat we kunnen concluderen dat dit de vormen van leiderschap zijn die we nodig hebben in deze transitie. Het lijkt erop dat we binnen dit kabinet het leiderschap moeten hebben van de ChristenUnie-bewindspersonen. Dus ik zou zeggen: houd die lijn vast.

Maar ik heb natuurlijk ook kritiek, anders was ik hier niet voor de Partij voor de Dieren. In de brief die het kabinet heeft geschreven over waar het naartoe wil met het voedselbeleid staan een aantal goede dingen. Het gaat heus de goede kant op, maar het wordt niet concreet. Het lijkt er toch op dat het kabinet op dit moment de moeilijke keuzes nog uit de weg wil gaan. Het rapport van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur is geschreven op verzoek van het kabinet. Het zijn op zich geen nieuwe cijfers, maar de raad zegt wel: eigenlijk is het geen advies, eigenlijk is dit onontkoombaar. We zullen naar een plantaardiger samenleving toe moeten. Dat betekent: veel doen aan de consumptiekant en een krimp van de veestapel. Het is niet verstandig om daarmee te wachten. Dat is eigenlijk het enige advies. Het moet toch, dus sorteer daar op voor. Wacht daar niet mee. Ik wil deze Minister van Landbouw wel meegeven dat een oud-CDA-minister van Landbouw inmiddels zegt: we willen misschien wel een intensieve veehouderij, maar die heeft geen toekomst in Nederland. Die zegt dus eigenlijk hetzelfde: laten we voorsorteren op een einde aan de intensieve veehouderij. Doe je dat niet, dan verspil je kostbare jaren die boeren echt nodig hebben om deze transitie mee te maken.

Voorzitter. In de brief valt het volgende op. Natuurlijk, voedsel gaat over duurzaamheid. Maar het belangrijkste punt, dat we plantaardiger moeten gaan eten, komt er niet heel scherp uit naar voren. Dieren in Nederland worden niet alleen doodgemaakt, maar, zo blijkt uit deze brief, ook een beetje doodgezwegen, terwijl de maatschappelijke opvattingen over dierenwelzijn een vast element zijn in de discussie over voedsel. Tekenend daarin was dat de NVWA onlangs een rapport heeft uitgebracht over de situatie in de Nederlandse pluimveehouderijen. Die is behoorlijk dramatisch. We debatteren hier nu vier uur. In die vier uur sterven 4.600 vleeskuikens, gewoon vanwege het simpele feit dat ze zijn doorgefokt op extra groei en geen normale leefomstandigheden hebben. 10 miljoen dieren per jaar komen niet eens levend de stal uit, vanwege dat systeem. De Minister reageerde hierop met te zeggen: mensen moeten wel een eerlijke prijs betalen voor voedsel. Daar zijn we het ontzettend mee eens. Wat we in Nederland kunnen en moeten doen, moeten we ook doen. Daarin heeft de Minister de steun van de Partij voor de Dieren. Maar je kunt natuurlijk niet tegen Nederlandse burgers zeggen: jullie moeten meer betalen en wij gaan de export ongehinderd doorzetten. Want op de wereldmarkt heeft de Minister geen invloed. Hoe verhoudt de discussie over wat een maatschappelijk geaccepteerde vorm is van dierenhouden zich tot wat we zelf in Nederland kunnen doen om voedsel een normale prijs te laten hebben? Daar is de Partij voor de Dieren ontzettend voor. Maar je kunt niet op beide paarden blijven wedden, dus én een grote exportsector én mensen hier in Nederland proberen duidelijk te maken dat de verbeteringen moeten komen uit meer betalen voor voedsel.

De voorzitter:

Kunt u tot een afronding komen? Uw zeven minuten spreektijd zijn voorbij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Zeker, voorzitter. Dan rond ik af door het kabinet te wijzen op de grote maatschappelijke kosten voor mens en dier en voor de belastingbetaler als we deze transitie niet inzetten. Het gaat dus om eigenstandige ambities. Deze bewindslieden hebben laten zien dat ze niet per se bang zijn om taboeonderwerpen aan te snijden. Dat is precies wat we nodig hebben.

De heer Weverling (VVD):

Zojuist, in een van uw laatste zinnen, had u het over de export. Wat is er mis met een export van 100 miljard vanuit Nederland op het gebied van LNV?

De voorzitter:

Graag kort, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Wat er mis mee is? Ik kan verschillende elementen aanboren, maar laat ik dan die nemen waarin altijd het heikele punt zit, namelijk dat wij vinden dat boeren een goede boterham moeten kunnen verdienen. Als iedere expert blijft zeggen – je kan het ook met eigen ogen zien – dat de wereldmarkt niet per se de beste plek is voor Nederlandse boeren om te concurreren, omdat onze grond duur is en onze arbeid relatief duur is – dat is maar goed ook, want mensen moeten normaal betaald worden – kan je ook een keer de conclusie trekken dat het een gevecht is dat je niet kan winnen. Je kan dus beter boeren helpen om regionaal te produceren, waar we dan een normale prijs voor betalen.

De voorzitter:

De heer Weverling, een vervolgvraag.

De heer Weverling (VVD):

Export zorgt juist voor banen en een boterham voor boeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De VVD kijkt altijd met oogkleppen op naar de agrosector. In Nederland raken we nog steeds iedere week bosjes boeren kwijt. Het is dan nog maar de vraag of de stelling van de VVD klopt. Extra banen? Niet voor de boeren hier. In onze slachterijen staan goedkope arbeidskrachten uit voormalige Oostbloklanden te werken. Dat banenverhaal gaat dus helemaal niet op. En dan nog iets. De transitie wordt gelukkig ook in de agrosector in gang gezet. Een worstenmaker als Zwanenberg zegt: wij gaan naar 50% plantaardig en daar houden we gewoon werkgelegenheid bij over. We kunnen dus inzetten op een transitie met behoud van de waarden die het kabinet schetst: een echte prijs voor voedsel en een eerlijke boterham voor de boer, binnen de grenzen van wat de aarde aankan. Dan is de exportpositie van Nederland, die op dit moment heel sterk is gericht op bulkproductie, op lage prijzen en op hoge maatschappelijke kosten, niet vol te houden.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Weverling, die spreekt namens de VVD-fractie.

De heer Weverling (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Nederland mag zichzelf gelukkig prijzen op het gebied van voedselzekerheid en voedselveiligheid. Wij spelen al eeuwenlang een belangrijke rol als producent en exporteur van voedsel. Op het gebied van land- en tuinbouw zijn we zelfs de op een na grootste exporteur. Hierdoor hebben we veel kennis vergaard en ontwikkeld. Deze kennis is veel waard en is een mondiaal exportartikel van grote maatschappelijke en economische waarde.

Als voormalig wethouder in Westland ken ik het belang van innovatieve bedrijven in de voedselsector. Tijdens handelsmissies werd mij keer op keer duidelijk hoe gewild Nederland is om zijn duurzame, efficiënte en innovatieve werkwijze. In 2013 organiseerden wij daarom het Nationaal Voedingsdebat. Inmiddels staat in het Westland het World Horti Center. Dagelijks komen daar 1.200 leerlingen. Het bestaat uit 90 bedrijven en er zijn vele praktische researchmogelijkheden in kassen.

Voorzitter. De agenda is vol. Ik wil graag op een aantal punten ingaan, allereerst op de voedselverspilling. Wereldwijd wordt jaarlijks zo'n 400 miljard ton voedsel geproduceerd. Maar liefst een derde daarvan gaat verloren, direct bij of na de oogst, door verspilling in de rest van de keten of bij de consument. We zien rondom dit onderwerp meerdere maatschappelijke initiatieven opkomen: De Verspillingsfabriek, Kromkommer, Kipster, Verspunt Westland voor de voedselbanken en Peeves.nl, om er maar een paar te noemen. Deze initiatieven zetten zich in om voedselverspilling nog verder tegen te gaan. De Minister heeft met hetzelfde doel in maart de Taskforce Circular Economy in Food opgericht. Mijn complimenten daarvoor. Een vraag aan de Minister is: wanneer kan de taskforce weer worden opgeheven? Met andere woorden, wanneer is zij tevreden met het behaalde resultaat?

De Nederlandse tuinbouw is een voor de voedselvoorziening onmisbare topsector, die zoekt naar nieuwe verdienmodellen. De Nationale Strategie GMO groente en fruit kan het perspectief voor de tuinbouw versterken, aangezien deze tot doel heeft het concurrentievermogen en de marktgerichtheid te stimuleren. De Minister liet weten dat vooral de grotere partijen niet deelnemen aan de regeling als gevolg van de Europese erkenningseisen. Ziet de Minister mogelijkheden om deze trend te keren? Zo ja, wat is hiervoor nodig?

De versterking van de afzetstructuur is ook van belang. In het regeerakkoord is een duidelijke zin opgenomen over de ongelijke marktmacht en het aanpassen van de Mededingingswet. Kan de Minister aangeven hoe het hiermee staat?

De consumptie van groente en fruit ligt in Nederland lager dan de door de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum aanbevolen hoeveelheden. Daarom is begin 2017 gestart met het Nationaal Actieplan Groenten en Fruit. Tot nu toe heeft dit actieplan 5 miljoen mensen aangespoord om meer groente en fruit te eten. Is de Minister tevreden met dat resultaat? Aan de Staatssecretaris heb ik de vraag wanneer te meten is of het ook impact heeft op de gezondheid van mensen. Is hij bijvoorbeeld bereid dit te testen bij een specifieke groep patiënten?

De voorzitter:

Er is een interruptie van mevrouw Ouwehand voor u.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Als het gaat om de productie van groente en fruit en het verhogen van de consumptie daarvan, liggen de Partij voor de Dieren en de VVD niet eens zover uit elkaar. We delen die ambitie. Kijk eens aan: we sluiten coalities vandaag. Maar we vroegen in het rondetafelgesprek ook aan alle experts of het verstandig is om in het licht van die ambities de btw op groenten en fruit te verhogen. Iedereen zei: nee, dat is natuurlijk superdom en dat moet je niet doen. De VVD is de grootste regeringspartij. Is de VVD bereid om te zeggen: we hadden het wel afgesproken maar we zien er toch van af en komen met een andere oplossing?

De heer Weverling (VVD):

Ik moet kort antwoorden van de voorzitter. Ik kan alleen maar zeggen: we zitten hier niet in de commissie Financiën. Het lijkt mij dus niet verstandig om daar nu verder op in te gaan.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, een vervolgvraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik bewaar mijn vervolginterruptie dan voor een volgende keer.

De voorzitter:

Meneer Weverling, de heer Grashoff heeft ook een interruptie voor u.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik neem deze toch even over, want ik had al eenzelfde interruptie bedacht. Een heel eenvoudige maatregel die ook in financiële zin de Staat der Nederlanden heel weinig kost, is het btw-nultarief op heel specifieke producten in de voedselsector zetten, bijvoorbeeld groente en fruit. Dat zou een manier kunnen zijn om die in één keer een stevige positie te geven. Je hebt het dan niet over 2% verschil en niet over enorme maatregelen met gigantische financiële consequenties. Wel maak je voor dat gezonde voedsel een uitzondering met een nultarief voor btw. Hoe staat de heer Weverling daartegenover?

De heer Weverling (VVD):

Ik hoor duidelijk wat de heer Grashoff zegt. Er zijn in de coalitieonderhandelingen diverse afspraken gemaakt. We moeten het in een groter verband zien. Ik heb ook goed gehoord wat tijdens de rondetafel is gezegd, maar laat ik het hier op dit moment bij houden. U had, denk ik, ook geen ander antwoord van mij verwacht.

De voorzitter:

De heer Grashoff heeft geen vervolgvraag. Meneer Weverling, gaat u verder met uw betoog.

De heer Weverling (VVD):

Tijdens het rondetafelgesprek werd duidelijk dat het wetenschappelijk moeilijk is om te claimen dat verse groenten en vers fruit gezond zijn, maar kinderarts Koen Joosten was zeer uitgesproken over het effect van groente en fruit op de gezondheid van jonge kinderen. Is de Staatssecretaris bereid om een onderzoek te starten naar de effecten van inhoudsstoffen op de gezondheid? In de voedselbrief van afgelopen maandag staat dat de Minister binnenkort komt met haar visie op landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Dat is ook het moment om de tuinbouwsector te omarmen. De Minister heeft vorige week in China nog kunnen ervaren wat de innovatieve kracht is van die sector. Vooralsnog staat er echter niet echt specifiek voor de tuinbouw geld op de begroting van LNV. Dat zou kunnen betekenen dat deze sector op het ministerie niet de aandacht krijgt die hij verdient. Is de Minister bereid om in haar brief met haar visie op de toekomst ook een uitgebreide paragraaf op te nemen over de Nederlandse tuinbouw? Ook heb ik aan de Minister de vraag of het mogelijk is om het Nederlandse tuinbouwmodel gestructureerd in het buitenland in de markt te zetten en hierover in overleg te gaan met de voorlopers in de tuinbouwsector, zodat in andere landen local for local geproduceerd kan worden. Met onze kennis kunnen we tenslotte helpen om het wereldwijde voedselvraagstuk op te lossen.

De voorzitter:

Ik heb een interruptie van de heer Moorlag voor u.

De heer Moorlag (PvdA):

De heer Weverling geeft aan wat naar zijn idee in visie van de Minister moet komen te staan. Ik heb zo-even gepleit voor een ketenaanpak, waarbij je kijkt naar zowel de productie als de afzet en consumptie van voedsel. Kan de VVD dat idee omarmen?

De heer Weverling (VVD):

Voor ieder goed idee moet je openstaan. Ik weet niet exact wat u met die ketenaanpak bedoelt. Ik weet dat de tuinbouwsector een heel sterke keten is. Dat begint bij innovatieve veredelingstechnieken en gaat tot aan transport, logistiek en het op de markt brengen van producten. Men teelt ook duurzaam op allerlei manieren en neemt energiemaatregelen, met aardwarmte bijvoorbeeld. Ik weet dus niet waar u precies op doelt, maar je moet er nooit direct nee op zeggen.

De heer Moorlag (PvdA):

Ik zie de innovatie in de glastuinbouwsector ook. Ik denk dat die een bijdrage kan leveren aan de oplossing van een aantal vraagstukken, maar het gaat de PvdA erom dat je komt tot een meer samenhangende ketenaanpak, om een aantal uitwassen in de huidige situatie aan te pakken. We hebben gezondheidsproblemen omdat we te zout en te veel suiker eten. Consumptiepatronen moeten dus aangepast worden. We hebben te veel voedselverspilling. We hebben productiedwang. We hebben een systeem waarin boeren te veel op volume en te weinig op kwaliteit moeten produceren om hun inkomen te kunnen verdienen. Zou je dat niet in samenhang moeten aanpakken, zoals dat nu bijvoorbeeld met het energie- en klimaatakkoord gebeurt, dus dat je alle partners in de hele keten bij elkaar brengt en via een dialoog tot een goede, samenhangende aanpak komt?

De heer Weverling (VVD):

Het is op zich duidelijk wat u zegt. Daar kunnen we zeker positief met elkaar over nadenken. Er zou inderdaad meer synergie kunnen zijn tussen enerzijds voedsel en anderzijds preventiebeleid.

Ik vervolg. Voedselketens worden steeds complexer en ondoorzichtiger. Niet alleen consumenten, maar ook bedrijven willen meer informatie over hoe en waar voedsel geproduceerd wordt met het oog op voedselveiligheid, milieu en arbeidsomstandigheden. Hier wordt op ingespeeld door evenementen als Kom in de Kas, de Dutch Agri Food Week, de Week van de Boer en de Floriade Almere met als thema feeding the city. Gegevens hieromtrent zijn steeds meer beschikbaar. In Frankrijk en België wordt op dit moment geëxperimenteerd met blockchain in de voedselketen. Door het scannen van een code op bijvoorbeeld een pakje kipfilet kunnen consumenten veel te weten komen over het product, bijvoorbeeld wanneer de kip geboren is, wat die gegeten heeft, of die medicijnen heeft gekregen of wanneer die geslacht en verwerkt is. Ook kan men kennismaken met de boer of tuinder achter het product. Het Ministerie van LNV laat op dit moment een onderzoek uitvoeren naar blockchain in de agrifoodsector. Kan de Minister aangeven wanneer de resultaten van dit onderzoek worden gedeeld met de Kamer? En deelt zij met de VVD de mening dat het belangrijk is vooral ook naar de praktische uitvoerbaarheid van dit soort technieken te kijken?

Dan nog wat korte vragen, allereerst over de door ons ingediende en breed gesteunde motie over de Impulsagenda Greenports 3.0, oftewel het Beraad van Boskoop, die in december bij de begrotingsbehandeling is aangenomen. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is? Is de Minister bereid om ons dit najaar, voor de begrotingsbehandeling, schriftelijk op de hoogte te stellen van de Impulsagenda Greenports 3.0?

Met behulp van moderne veredelingsmethodes kunnen veredelaars nog preciezer, sneller en beter bijdragen aan de ontwikkeling van voedseltoepassingen. Dit leidt tot voedselproducten met een betere voedingswaarde, die langer houdbaar blijven en die tot minder verspilling leiden. Kan de Minister aangeven hoe het staat met de inzet van Nederland in Europa op zaken als CRISPR-Cas9, zoals genoemd in het regeerakkoord?

Tot slot iets wat misschien een beetje in navolging is van wat de heer Moorlag zojuist heeft gezegd. Zien beide bewindslieden mogelijkheden voor meer synergie in beide portefeuilles, dus enerzijds voeding en anderzijds preventie en gezondheid? Als preventiebeleid puur gaat over bijvoorbeeld obesitas, heb ik persoonlijk het gevoel dat de preventie al tekort is geschoten. In navolging van de heer Koen Joosten, de arts van het Erasmus Medisch Centrum, zeg ik dat we heel jong moeten beginnen met gezonde voeding.

De voorzitter:

Ik heb een interruptie van de heer De Groot voor u.

De heer De Groot (D66):

Ik zat echt een beetje te wachten op die laatste opmerking, want ik zocht naar het onderwerp van vandaag, de relatie tussen voedsel en preventie. U geeft terecht aan dat je bij obesitas al te laat bent. Bent u met de fractie van D66 van mening dat je het echt moet hebben over voeding en overgewicht, dus dat je die onder één kopje en noemer moet opnemen in het preventieakkoord?

De heer Weverling (VVD):

Wij hebben ook een woordvoerder preventie, dus laat ik niet voor hem spreken. Volgens mij is het AO over dat onderwerp verplaatst naar 17 mei. We moeten overgewicht zien te voorkomen. Daarom was ik zo enthousiast over de bijdrage van kinderarts Koen Joosten, die zegt in de praktijk al heel duidelijk te kunnen zien wat gezonde voeding doet. Er werd zelfs gepleit voor een speciaal directoraat tussen het Ministerie van VWS en LNV. Laten we daar niet gelijk vandaag een motie over indienen, maar ik snap die gedachte vanuit het veld. Mevrouw Ouwehand had het over beide ChristenUnie-bewindslieden. Ik sluit me daar graag bij aan, dus laten zij beiden de boodschap oppakken om daar meer synergie in te krijgen.

De heer De Groot (D66):

Het is, als we de bewindslieden oproepen integraal te werken, denk ik goed als we dat in onze eigen fracties ook doen. Maar het is goed om te horen dat voedsel een onderwerp moet zijn van het preventieakkoord. Of dat in dezelfde zin met overgewicht moet worden genoemd, mag u dan in de fractie nog uitmaken, maar voedsel hoort daar in ieder geval in.

De voorzitter:

Ik hoor geen vraag. De heer Grashoff heeft nog een interruptie voor de heer Weverling.

De heer Grashoff (GroenLinks):

De heer Weverling begon zijn verhaal met een bekende positionering, namelijk over de fantastische exportpositie van Nederland op het gebied van de landbouw. Ik zou hem, zeker als vertegenwoordiger van de partij die zich om de economie bekommert, de vraag willen voorleggen of hij ermee bekend is dat de intensieve veehouderij voor 0,07% bijdraagt aan ons bruto binnenlands product. Is de heer Weverling het met mij eens dat, ondanks de grote export, de toegevoegde waarde van vlees voor onze economie blijkbaar heel laag is? En is de heer Weverling het dan met mij eens dat we na een kritische analyse van de prijs van vlees ofwel de maatschappelijke afwenteling van kosten, zoals bijvoorbeeld CE Delft die heeft gemaakt, wellicht tot de conclusie zouden moeten komen dat de economische bijdrage niet eens positief maar negatief is?

De heer Weverling (VVD):

Ik heb geprobeerd aan te geven dat Nederland een exportland is met 100 miljard aan producten, maar dat er tegelijkertijd ook heel veel kennis is. Wij zijn al eeuwenlang over heel de wereld te vinden en handelen over heel de wereld. De export van producten is mooi, maar daarnaast is die kennis ook heel belangrijk. We kunnen zorgen voor local-for-localmogelijkheden, productielocaties all over the world. Die kennis moeten we juist zien te vermarkten. Vandaar ook die oproep van mij aan mevrouw Schouten.

De voorzitter:

Een vervolgvraag, meneer Grashoff?

De heer Grashoff (GroenLinks):

Dit is een heel algemeen antwoord. Ik ontken helemaal niet dat er onderdelen in de agrarische sector zijn waar export belangrijk is, waar kennis heel belangrijk is en waar zowel export van kennis als van producten van belang is. Maar ik vroeg de heer Weverling heel specifiek naar de sector van de intensieve veehouderij en ik noemde een paar cijfers en gegevens over die sector, maar daar gaat hij niet op in. Ik vraag hem toch nog een keer om dat te doen.

De heer Weverling (VVD):

Ik moet u eerlijk zeggen dat ik niet precies weet wat de bijdrage is van de veesector aan het bruto binnenlands product en zo. Als u dit zegt, dan neem ik dat aan.

De voorzitter:

Dank, meneer Weverling. Dan is nu het woord aan de heer Futselaar. Hij spreekt namens de Socialistische Partij.

De heer Futselaar (SP):

Dank u wel, voorzitter. Als er iets is aan mij wat je in één oogopslag kunt zien, dan is het wel dat ik kennelijk iets heb met voedsel, helaas. Maar ik ben daarin niet de enige. Wij bij de commissie zijn de afgelopen weken en maanden overspoeld met voorstellen, papers, en allerlei andere gevraagde en ongevraagde informatie, ook in het kader van de hoorzitting. Daaruit blijkt dat Nederlanders zich betrokken voelen bij hun voedsel en de productie ervan. En dat is op zichzelf goed nieuws.

Wij moeten wel constateren dat niet alles in onze voedselketen altijd helemaal loopt zoals we dat zouden willen. Ik noem twee willekeurige casussen van vorige week. De eerste: een mosselbedrijf krijgt een hoge boete omdat men ten onrechte producten verkoopt onder MSC-keurmerk. En men heeft bovendien verzuimd om onveilige mosselen tijdig terug te nemen. De tweede: een individu heeft afgekeurd broodbeleg, dat vernietigd had moeten worden, via Facebook aangeboden. Je kunt dit negatief bekijken en stellen dat stevig toezicht duidelijk nog steeds nodig is. Maar je kunt het ook positief bekijken en zeggen: kennelijk werkt het systeem af en toe, want in deze gevallen wordt men gepakt. Maar wij praten hier vaak over welk toezicht in welk deel van de sector moet worden ingezet als het gaat om voedsel. Waar hebben we de NVWA voor nodig? Dan moeten we constateren dat die NVWA toch wel heel erg nodig is. Nee, de goeden moeten niet onnodig lijden onder de kwaden, maar we moeten ook niet zo naïef zijn om te denken dat kwaadwilligen niet bestaan. Een goed keurmerk en een duidelijke norm, die bestaan, zijn niet genoeg om te voorkomen dat sommige mensen proberen er misbruik van te maken. Wie de garantie wil dat voedsel veilig is, zal bereid moeten zijn om daarvoor te betalen.

Maar voedsel wordt ook veilig door meer transparantie. Hoe zit het eigenlijk met de pilot over herkomstinformatie in de varkensketen die ooit was ingezet? Wat komt daaruit? In een eerder overleg, met Minister Bruins, heb ik bovendien de toezegging gekregen dat hij zich op Europees niveau gaat inzetten voor de voortgang in het dossier van gezondheidsclaims. Ik wil graag weten hoe het daarmee inmiddels staat.

Maar we moeten niet wachten op Brussel als het gaat om eerlijke communicatie over voedsel; daar is al eerder wat over gezegd. Onder andere de Consumentenbond pleit voor een helder en eenduidig voedselkeuzelogo, waardoor consumenten heldere, begrijpelijke en – niet onbelangrijk – eerlijke informatie krijgen over de voedingswaarde van een product. In verschillende landen om ons heen werken dit soort systemen prima. Dus is de Minister bereid om met een voorstel te komen, in overleg met de industrie maar niet afhankelijk van de industrie, om tot een dergelijk systeem te komen? Ik hoop niet dat ik hier het antwoord ga krijgen: wij willen dit graag in EU-verband doen. Want als het dossier over gezondheidsclaims iets laat zien, dan is het wel dat je jaren en jaren moet wachten voordat je iets krijgt als je zegt: wij willen dit graag in EU-verband doen. We kunnen zo veel nationale preventieakkoorden overgewicht beginnen als we willen, maar als niet duidelijk is welk product gezond is, is het uiteindelijk allemaal dweilen met de kraan open.

Voedsel is in Nederland in het algemeen van hoge kwaliteit en er is een hoge graad van veiligheid in vergelijking met de situatie wereldwijd. En de Nederlandse voedselproductie behoort tot de top als het gaat om efficiëntie. Maar daar betalen de Nederlanders een prijs voor, een prijs die hoger is dan wat wij in de supermarkt bij de kassa neerleggen. Dat geldt bovenal voor vlees. Het is een feit dat de maatschappelijke kosten van vleesproductie niet allemaal in de vleesprijs vertegenwoordigd worden. Dat zie je terug in onderzoeken, zoals De echte prijs van vlees, maar ook in het regeerakkoord, waarin bijvoorbeeld specifiek daarop maatregelen moeten worden genomen.

Bovendien is een groot deel van onze voedselproductie voor de export bestemd. Dat betekent dat Nederlandse burgers een extra kostprijs betalen voor eten dat in het buitenland geconsumeerd wordt. Het helpt natuurlijk ook niet dat daarnaast nog een btw-verhoging, die dit kabinet doorvoert, ervoor zorgt dat gezond voedsel duurder wordt. Door die btw-verhoging wordt het anderhalf keer meer belast. Ik heb de discussie van daarnet gevolgd. Ik heb niet de illusie dat we in een AO het btw-beleid van dit kabinet gaan veranderen, maar ik zou wel willen vragen of het kabinet bereid is om te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn van een verlaging van de btw op bijvoorbeeld groenten en fruit, zowel de gevolgen voor het consumentengedrag als voor de positie van producenten. Dat lijkt me toch het minste.

Gisteravond heeft de Minister ons een brief gestuurd met haar reactie op het rapport De echte prijs van vlees. In die brief erkent zij dat aan voedsel extra maatschappelijke kosten kunnen zitten, al is het in dit verband in de brief specifiek noemen van vlees duidelijk nog een brug te ver. In de brief wordt gesteld dat er het volgende gaat gebeuren. «Maatschappelijke partijen en kennisinstellingen gaan een meerjarig programma initiëren om te experimenteren met werkwijzen om de werkelijke kosten van voedsel in beeld te brengen.» Dit is toch niet ontzettend ambitieus, zou ik willen zeggen. We gaan dus in samenspraak met mensen middelen zoeken om te experimenteren om achter de gegevens te komen, alsof we niet al heel veel weten en alsof we niet weten wat bijvoorbeeld waterwinbedrijven moeten neerleggen vanwege te veel mest en andere stoffen in water. Heel veel van die gegevens zijn er al.

En wat wordt er nu eigenlijk gedaan met het advies van de commissie-Nijpels van de SER? Daarin werd ons voorgesteld om een ketenregisseur aan te stellen om de verduurzaming van de veehouderij aan te jagen en te versnellen. Gebeurt daar iets mee, of is dit ook een rapport dat in een la terechtkomt?

We zien dat de consument zich in toenemende mate verzet tegen doorgaan in de oude stijl. Dat zien we bijvoorbeeld op dit moment in de melkveesector. Melkveehouders die meer dan de reguliere hoeveelheid melk produceren, worden gekort door FrieslandCampina, simpelweg omdat er niet meer genoeg vraag is naar oudestijlproducten. De consument keert zich af van de traditionele grootschalige landbouw. De steeds meer op kwantitatieve groei gerichte productie is geen heilzame weg. De Nederlandse schaal staat dat ook simpelweg niet meer toe. Dat laten ook de tientallen protesten zien die elk willekeurig moment in het land bezig zijn tegen megastallen en mestvergisters.

We moeten dus toe naar een voedselproductie die beter past bij de Nederlandse schaal, die meer natuurinclusief is, in essentie grondgebonden is en in ieder geval niet schadelijk is voor de biodiversiteit. De stapel aan rapporten die dat zeggen, is ook inmiddels hoog genoeg; ik hoef ze niet allemaal te noemen, want ze zijn al door anderen aangehaald.

Dit ligt bij producenten, dit ligt bij consumenten, maar dit ligt ook bij de overheid. Wat gaan wij nu feitelijk doen? We hebben een twaalf pagina's tellende brief over voedselbeleid gekregen, maar goed beschouwd staat daar eigenlijk best weinig nieuws in. Hoe gaan wij er nou voor zorgen dat de Nederlandse voedselproductie komt te passen binnen een Nederlandse schaal zonder de kosten daarvan op de maatschappij af te wentelen?

Ik heb samen met collega De Groot vragen gesteld over het kenniscentrum voor bestrijding van voedselfraude in Brussel. De vragen zijn deze week beantwoord, waarvoor dank. Maar die antwoorden waren wel verre van bevredigend. De Minister stelt dat de oprichting een initiatief van de Commissie was en dat de rol van dit instituut niet botst met de rol van de NVWA. Maar dat roept bij mijn fractie veel vragen op omdat deze instelling specifiek zegt dat zij informatie over voedselfraude aan een breed publiek kenbaar wil maken. We hebben de fipronilcrisis gehad en we weten allemaal hoe moeizaam en hoe gevoelig de communicatie daarover is geweest. De SP ziet grote risico's bij voedselschandalen ontstaan als wij in Brussel een instelling hebben die apart gaat communiceren over voedselfraude. Dus wij zijn van mening dat het kabinet zich tegen deze instelling moet verzetten op Europese schaal.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Van Brenk. Zij spreekt namens de fractie van 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank u wel, voorzitter. Vorige week kwamen zorgwekkende cijfers naar buiten over het suikergebruik in Nederland; 30 klontjes per dag. Dat is voor mannen het dubbele van wat ze mogen gebruiken en voor vrouwen zelfs meer dan het dubbele. Dit is echt een groot gevaar voor de volksgezondheid, want te veel suiker leidt niet alleen tot overgewicht, maar ook tot chronische aandoeningen zoals diabetes type 2. Wij vragen dan ook aan de Staatssecretaris van VWS wat hij nu van deze cijfers denkt. Besteedt hij hier aandacht aan in zijn preventieakkoord dat hij aan het voorbereiden is?

Ook zouden wij graag willen vragen of er meer dwingende regelgeving kan komen ter bevordering van duidelijker en eerlijker etikettering. Veel mensen hebben helemaal niet door dat er bij bewerkte producten suiker is toegevoegd en dat allerlei gezond klinkende maar misleidende namen op het etiket staan vermeld. En ja, er zijn afspraken met de voedselindustrie gemaakt, maar 50PLUS heeft al eerder gezegd: de markt reguleert en corrigeert zichzelf echt niet. Actie is wat ons betreft nodig.

De Consumentenbond stelt voor om een stoplichtsysteem op het etiket te gebruiken in plaats van een vinkje. Wij vinden dat een goed idee en wij willen graag weten van de Staatssecretaris hoe hij daartegen aankijkt. Verder denken wij dat het verstandig is om een voorlichtingscampagne te initiëren waardoor mensen zich meer bewust worden van het gebruik van suiker. Ook zouden wij graag van de Staatssecretaris willen horen hoe hij aankijkt tegen het idee van de suikertaks, een idee dat in Engeland succesvol is. Er zijn daar resultaten. Ziet de Staatssecretaris er iets in om dat ook in Nederland in te voeren?

De heer Graus (PVV):

Ik wil graag aan mijn collega van 50PLUS een vraag stellen over dat stoplichtsysteem dat zij voorstelt. Dat hebben wij in het verleden ook weleens gedaan. Maar moet dat systeem dan niet ook gelden voor ritueel gemartelde, zeer dieronvriendelijke en niet-duurzame producten? Er zijn gewoon echt ritueel gemartelde producten zoals halalvlees en koosjer vlees. Moet daar dan niet ook een rood stoplicht op komen? Liefst zou ik zien dat die producten verboden werden, maar moet er tot het zo ver is in ieder geval niet een rood stoplicht op komen?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik vind eigenlijk wel dat de heer Graus hier een punt heeft. Als je praat over gezond en duurzaam, zou je daar zeker ook naar moeten kijken. Ik vind dat helemaal geen gek idee en wij zouden daar niet tegen zijn, meneer Graus.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, zeg ik via u, meneer de voorzitter.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog met een ander onderwerp, waar ik tot nu toe nog niet over heb horen spreken en dat voor ons een heel belangrijk punt is. Ik zou graag willen vragen of de bewindslieden daarop zouden willen reageren. Wij vinden dat in zorgopleidingen voedingsleer een ondergeschoven kindje is. Ik weet dat dit onderwerp bij uw collega hoort, maar het is van groot belang dat kennis van voeding eigenlijk een belangrijke plaats zou moeten innemen bij opleidingen van niveau verzorgenden 2 tot en met de universitaire studie geneeskunde. Je mag van geluk spreken als je één dagdeel les krijgt over voeding. Maar dat is natuurlijk volstrekt onvoldoende omdat je weet dat voeding een hele belangrijke bijdrage kan leveren aan genezing. Dat hebben we gezien in een prachtig voorbeeld van een Leidse studie waaruit bleek dat de helft van de mensen met diabetes type 2 door gezonde voeding en een goede leefstijl van medicatie af kan komen. We weten hoeveel kosten er verbonden zijn aan medicatie. Daarom denk ik dat het van groot belang is dat we hier veel aandacht aan besteden. Want hoe kan een arts nou goed adviseren over iemands gezondheid zonder dat hij ook nadenkt over, en kennis heeft van voedsel? In die studie staat dat er 3 miljard te besparen valt. Daarbij ging het alleen nog maar over diabetes. Onze vraag is dus: zou voedingsleer in zorgopleidingen niet een veel hogere plaats moeten krijgen en zou er niet veel meer aandacht aan besteed moeten worden, zeker ook in het kader van ondervoeding? Dat laatste is een punt dat wij regelmatig aankaarten. Welke mogelijkheden zien de bewindslieden?

We hebben het over kennis van gezonde voeding. Ik denk dat het heel goed is als we hiermee beginnen bij de allerjongsten. Jong geleerd is oud gedaan. We weten dat mensen met een lagere sociaaleconomische status zes jaar korter leven en vaker een chronische ziekte hebben. Mensen krijgen verkeerde gewoontes jong aangeleerd. Daarom denken wij inderdaad dat het van groot belang is dat kinderen zo vroeg mogelijk in aanraking komen met gezonde voeding. 50PLUS vraagt aan de bewindslieden welke mogelijkheden zij zien om op de basisschool meer les te geven en kinderen meer ervaring te laten opdoen met gezonde voeding. Een collega zei al dat sommige kinderen denken dat melk uit de supermarkt komt.

Betaalbaarheid van de gezonde en verantwoorde keuze is een probleem. Mijn collega van de PvdA had het over frikandellen. Ik heb hier het voorbeeld van de Big Mac. Die is even duur als twee paprika's. We zouden toch moeten willen dat mensen eerder voor een paprika kiezen dan voor de Big Mac? Hoe kan het nou dat mensen met lage inkomens verleid worden om een slechtere keuze te maken omdat die keuze beter voelt voor de portemonnee? Welke mogelijkheden zien de bewindslieden om gezond voedsel betaalbaarder te maken?

Vorige week, tijdens de hoorzitting, zei mevrouw Engelen van de organisatie Kromkommer dat het schap in de winkel geen weerspiegeling is van de natuur. Afwijkende groente en afwijkend fruit zijn onvoldoende zichtbaar in de schappen. Zij zei: als je al twee wortels ziet die zijn samengegroeid, of een appel met wat beschadigingen, dan worden ze verkocht onder de naam «buitenbeentjes». Daarmee krijgen ze al een negatieve connotatie mee. Zij zei ook dat er bij elf soorten groenten en fruit EU-handelsnormen specifiek op uiterlijk zijn, en dat dat leidt tot verspilling. Ik zou graag van de Minister horen hoe zij daartegen aankijkt. Is zij bereid om zich in Europa hard te maken voor afschaffing van deze eisen?

Tot slot wil ik de Minister bedanken voor het feit dat zij in haar brief aandacht besteedt aan de Sustainable Development Goals. Landbouw en mijn SDG 6 over water hangen heel nauw samen. Schoon water is voor iedereen van groot belang. Nou weten wij dat op 15 juli onze Staatssecretaris van Infra en Water naar de high-levelbijeenkomst gaat over die SDG's. Stel dat de adoptieouders met bewindslieden zouden willen praten over wat de inbreng is op 15 juli – ik zal dat met de collega-adoptieouders gaan initiëren – zou de Minister dan bereid zijn om daar positief gehoor aan te geven, en haar collega's van BUZA en die van Infra en Water willen oproepen om met de adoptieouders samen te komen om deze bijeenkomst voor te bereiden? Ik denk namelijk dat dit een belangrijke bijeenkomst is. Ik hoop dat zij daar positief op in zal gaan. Ik zal de andere adoptieouders via de procedurevergaderingen daartoe oproepen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Dik-Faber. Zij spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Voedsel is door de commissie aangewezen als prioritair thema. Vorige week hebben we al een eerste rondetafel gehad, waarbij vooral de consument centraal stond. Volgend jaar gaan we een tweede rondetafel organiseren, waar vooral de producent centraal staat. Maar ik wil me vandaag vooral aansluiten bij de thema's die nu aan de orde zijn en die vorige week ook aan de rondetafel langs zijn gekomen, namelijk gezond eten en voedselverspilling.

Als adoptieouder van Sustainable Development Goal nummer 12 ben ik heel blij om te zien dat de Minister voedselverspilling gaat aanpakken. Er is een taskforce en er is geld, namelijk 7 miljoen. Bedrijven moeten verspilling monitoren en transparant maken, en in 2030 moet de verspilling zijn gehalveerd. Er zijn tussendoelen in 2020 en 2025.

Maar gisteren nam ik een «verboden vrucht» in ontvangst, een dubbele kiwi in de vorm van een hartje. Zulke vruchten mogen niet verkocht worden; bizar. Veel groente en fruit ligt niet in het schap vanwege de «looks». Er zijn wel initiatieven, zoals de «buitenbeentjes», maar doordat deze in een apart schap liggen, gaat er toch de suggestie van uit dat deze van een mindere kwaliteit zijn, terwijl er alleen maar wordt geselecteerd op uiterlijk. In navolging van een groot aantal maatschappelijke organisaties die zich inzetten om voedselverspilling tegen te gaan, bepleit de ChristenUnie een nieuwe definitie van kwaliteit. Kwaliteit gaat niet over de «looks», maar over versheid, veiligheid en smaak.

Europa heeft dit ook begrepen, maar helaas maar een klein beetje. In 2009 zijn weliswaar de specifieke handelsnormen voor 25 producten afgeschaft, maar ze gelden nog steeds voor 11 producten die samen driekwart van de financiële waarde van de groente- en fruithandel vertegenwoordigen, dus een substantieel deel. Daarom vraag ik of de Minister dit in Europa aan de orde wil stellen en zich ervoor wil inzetten om de specifieke handelsnormen ook voor deze laatste elf producten af te schaffen.

Daarbovenop hebben supermarkten ook nog eens eigen eisen. Ze spelen een wedstrijdje wie de meest perfecte groene en het meest perfecte fruit heeft, waardoor producten vaak al niet eens in het schap belanden maar direct doorgaan naar veevoer of vergister. Wil de Minister daarom in gesprek gaan met de retail en erop aandringen dat supermarkten met dit spelletje stoppen? De natuur geeft ons kromme komkommers en rare paprika's. Laten we ervoor zorgen dat het schap weerspiegelt wat de natuur ons te bieden heeft.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik kwam door tijdgebrek in mijn eigen termijn niet aan dit onderwerp toe, maar ik wist zeker dat mevrouw Dik-Faber een vurig pleidooi zou houden tegen voedselverspilling, en zij stelt me niet teleur. Ik heb ook die kiwi in ontvangst mogen nemen en ik steun alles wat mevrouw Dik-Faber hier zegt. En ik zou er nog een schepje bovenop willen doen. Ik ben benieuwd hoe zij daarnaar kijkt. Ja, die Europese handelsnormen moeten we afschaffen, maar dat duurt nog wel eventjes. Zou het niet een goed idee zijn om in Nederland een gedoogbeleid af te kondigen? Want voor zover ik weet, moet de NVWA handelaren die dit willen verkopen, een boete geven. De NVWA heeft volgens mij wel andere dingen te doen. Als we nou afspreken: jongens, jullie krijgen voorlopig geen boete? Dat is ook meteen een leuk signaal richting Europa. Voelt mevrouw Dik-Faber voor een gedoogbeleid voor dit soort prachtige tweelingkiwi's, andere groente en ander fruit?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik moet bekennen dat deze kiwi's regelmatig op mijn fruitschaal liggen. Dat zegt wel wat. Ik ben eerlijk gezegd gewoon heel erg blij met deze burgerlijke ongehoorzaamheid van de leverancier van mijn kiwi's. Dus ik kan me ontzettend goed voorstellen wat mevrouw Ouwehand hier nu bepleit. Ja, daar kan ik me heel veel bij voorstellen. Tegelijkertijd weet ik niet hoe reëel het is. Dus ik zou deze vraag graag willen doorspelen aan de Minister. Als er kansen zijn, zou ik zeggen: ja, laten we dat doen, want dit zijn veilige producten die alleen om de looks afgekeurd worden. Ik weet inderdaad wel andere taken waar de NVWA zich op zou moeten richten. Maar of het kan, weet ik niet. We vragen het aan de Minister.

Voorzitter. Ik wil doorgaan met verspilling in de horeca. In het regeerakkoord is daarover ook een passage opgenomen. Als je verschillende rapporten hierop naslaat, kom je ook verschillende cijfers tegen over de omvang van de verspilling. Er is dus geen goed zicht op het probleem. Wil de Minister binnen de taskforce extra aandacht besteden aan de verspilling in de horeca om de problematiek gewoon in kaart te brengen? Onlangs was ik bij een restaurant in Woerden dat voedselverspilling op de kaart zet. De kok vertelde dat als hij witlof met een bruin vlekje heeft, hij dat wegsnijdt en er bijvoorbeeld nog een lekkere salade van kan maken. Maar als er kraakwitte witlof in een verpakking zit met de datum van gisteren daarop, dan mag je daar als restauranthouder niks meer mee doen. Voedselveiligheid is belangrijk, maar is de regelgeving hier niet doorgeschoten? Ik vraag de Minister of zij de houding en de regelgeving binnen de NVWA ten aanzien van nieuwe initiatieven in de horeca met betrekking tot voedselverspilling wil evalueren.

En intussen vraag ik me ook af waarom er überhaupt een datum moet staan op verpakte groente en fruit. Het is goed dat de Minister zich ervoor inzet om onnodige houdbaarheidsdata te schrappen, maar kan de categorie verpakte, niet-bewerkte groente en fruit daar ook niet onder vallen?

Soms hebben consumenten twijfels over de voedselveiligheid in restaurants waar gewerkt wordt met verspilde producten. Dat is volgens mij jammer en niet nodig. Zou de Minister ook dit thema op de agenda van de taskforce willen zetten?

Voor consumentenvertrouwen is het belangrijk dat de consument weet wat hij eet, hoe het geproduceerd is en waar het vandaan komt. Dat is niet vanzelfsprekend, nu steeds minder mensen direct of indirect verbonden zijn aan het boerenbedrijf. Korte ketens kunnen helpen. Onlangs was ik bij een supermarkt in Alphen die een aanzienlijk deel van zijn rundvlees opkoopt bij boeren uit de buurt. Op de verpakking kunnen consumenten het verhaal van de boer lezen. In de Gelderse Vallei bezocht ik een varkenshouder die met een nieuw stalconcept de boer op is gegaan en zelf zijn afzet bij supermarkten in de regio heeft georganiseerd. Het is mooi als er, naast hoogtechnologische innovaties waar Nederland om bekend staat, ook sociale innovaties ontstaan in de verbinding tussen boer en burger. De voorbeelden die ik zojuist noemde, vind ik exemplarisch. Ik zie dat streekproducten steeds meer mainstream worden en toe zijn aan een nieuwe definitie. Dat lijkt me een goede ontwikkeling. Waarom zou je de producten uit Verweggistan halen als onze eigen boeren en tuinders prachtige producten kunnen leveren?

In de kabinetsbrief las ik dat er gedacht wordt aan het benchmarken van supermarkten voor gezond en duurzaam voedsel. Wat is de status daarvan? Kan het betrekken van voedsel uit de regio daar ook een onderdeel van worden? Daarbij mag die regio breed geïnterpreteerd worden, dus de brede regio.

Ik kom op gezond voedsel. Nog altijd eten mensen te zout, zoet en vet. Dat gaat ten koste van onze gezondheid. Diabetes is volksziekte nummer 1. Talloze producten bevatten sluipsuikers en de fabrikanten verkopen suikerpraatjes. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat er maar liefst 50 benamingen voor suiker op het etiket staan. Verbeteringen in de productsamenstelling die de levensmiddelenindustrie belooft, gaan met muizenstapjes. Ik zie dan ook reikhalzend uit naar het preventieakkoord waar de Staatssecretaris nu hard aan werkt. Hoe gaan we ervoor zorgen dat mensen gezonder gaan eten?

De Schijf van Vijf is er. Die is belangrijk. De samenstelling van producten moet echter beter, maar ook de informatie op het etiket. Vorige week heeft de Consumentenbond het Consumentenonderzoek Voedselkeuzelogo's gepresenteerd. Het is goed dat de Staatssecretaris dit betrekt bij het op te stellen preventieakkoord. Ook ervaringen uit andere landen kunnen behulpzaam zijn. Voor de ChristenUnie is van belang dat consumenten met het etiket begrijpelijke informatie krijgen die onafhankelijk getoetst en gevalideerd is.

Gezond eten begint ook al heel jong. Daarom ben ik ook blij om te lezen dat het kabinet het programma Gezonde School met onder andere smaaklessen wil voortzetten. Mijn vraag is wel, ook in navolging van D66, of daar meer samenhang in kan worden gebracht zodat het effectiever wordt en we meer kinderen kunnen bereiken.

Tot slot: gezond en voldoende voedsel zijn niet vanzelfsprekend. Elke dag weer werken onze Nederlandse boeren en tuinders voor ons dagelijks voedsel. Maar hoe dankbaar zijn we daarvoor? De aanhoudende verspilling van voedsel is weinig hoopgevend. Boeren en tuinders zijn prijsnemer en krijgen lang niet altijd een eerlijke prijs voor hun producten. Tegelijkertijd lijkt voedsel soms religie. Je bent wat je eet. De consument is kritischer dan ooit. Dat biedt ook kansen. De ChristenUnie is ervan overtuigd dat een betere verbinding tussen boer en burger zal leiden tot herwaardering van ons voedsel en een beter voedselsysteem.

Dank u wel, voorzitter. Ik hoop dat ik binnen de tijd ben gebleven en het zou helpen als hier een klokje komt.

De voorzitter:

We zullen het doorgeven, mevrouw Dik-Faber. En complimenten voor het feit dat u binnen uw spreektijd gebleven bent.

Het woord is aan de heer Graus. Hij spreekt namens de Partij voor de Vrijheid.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, meneer de voorzitter. We hebben het over het rode stoplicht gehad. Daar heeft de PVV, daar heb ikzelf en daar heeft mevrouw Reinette Klever, die er helaas niet meer is, ook naar gevraagd. Bovendien ligt er ook een gehonoreerde motie-Graus ten behoeve van de etikettering. Daar had ik graag ook een reactie op gehad van de Minister, want ook de Consumentenbond acht het van groot belang dat er een duidelijk voedselkeuzelogo op de voorkant van verpakkingen van voedingsmiddelen komt.

Dan moet dat zeker gelden voor het meest dieronvriendelijke vlees dat er bestaat, namelijk ritueel gemartelde producten van weerloze dieren die zogenaamd opgeofferd worden onder het mom van vrijheid van geloof, wat natuurlijk onzin is. Het is niet meer van deze tijd en als gelovigen hun piemeltje laten besnijden, doen ze dat ook met een verdoving. Dit kan dus echt niet meer. Ze moeten meegaan met hun tijd. Ik verzoek de Minister hierop te reageren. Wij hebben liefst een verbod op ritueel gemartelde producten. Maar helaas is er geen diervriendelijke Kamermeerderheid; daar moeten we even op wachten. Dus zolang deze producten er nog zijn, kunnen we er wel voor zorgen dat er in ieder geval een logo komt, zodat mensen dat dieronvriendelijke vlees niet door de strot geduwd krijgen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik weet dat we hier in een debat zitten over voedsel, maar elke keer wordt dit thema door de heer Graus weer aan de orde gesteld. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar daarom toch de volgende vraag. Als de PVV een partij is die keer op keer hamert op de joods-christelijke waarden van Nederland, wat is dat dan waard als zij tegelijk keer op keer zegt: stop maar met de rituele slacht? Dat is toch volstrekt tegenstrijdig? Het belang van de joods-christelijke waarden en de joods-christelijke traditie is dan toch ook niks meer waard voor de PVV?

De heer Graus (PVV):

Dat klopt niet. Ik ben misschien wel een van de meest christelijke en gelovige Kamerleden. Ik ben grootgebracht door een priester, mijn voogd, ik heb familie in Rome en noem het allemaal maar op. Ik was zelf ook priester geworden als het celibaat niet had bestaan. Maar ik hou te veel van vrouwen, dus daarom heb ik het niet gedaan, want dan was ik ook in de fout gegaan, net als veel priesters. Dat is echt de reden, maar het geloof staat bij mij boven alles en is voor mij leidend. Maar de priesters en pastoors die om mij heen zitten en die mij groot hebben gebracht, veroordelen het ritueel martelen net zo goed. Zij zeggen: geen enkele god – volgens mij moet er maar eentje bestaan – heeft dat zo gewild en bedoeld. En sterker nog, het staat ook nergens beschreven, nergens. Het mag helemaal niet. Van geen enkel geloof mag je onfatsoenlijk met mensen of met dieren omgaan. Dat is ontoelaatbaar.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

We hebben het hier niet over het christendom, maar over het joodse geloof. De PVV zegt keer op keer dat er godsdienstvrijheid is in ons land en dat we onze joods-christelijke traditie moeten hooghouden. Dat is wat ik hier aan de orde stel. Je kan niet tegelijkertijd zeggen dat de joodse traditie een plek in ons land heeft en dat de rituele slacht aan banden moet worden gelegd. Dit wordt door de PVV weggezet als het martelen van dieren. Is de heer Graus weleens bij een rituele slacht aanwezig geweest? Bij mijn weten is er in het verleden een uitnodiging geweest aan alle partijen in de Kamer om daarbij aanwezig te zijn. Als enige was er toen iemand van de ChristenUnie aanwezig. Geen enkele andere partij heeft aan die oproep gehoor gegeven. Er worden hier dus kwalificaties geuit op basis van verhalen, terwijl de heer Graus niet de moeite heeft genomen zelf zijn licht op te komen steken. Daar wil ik wel de vinger op leggen.

De heer Graus (PVV):

Hier maak ik bezwaar tegen. Ik vind het echt schofterig wat hier gezegd wordt. Al jaren voordat ik hier in de Kamer kwam, heb ik alle rituele martelingen bijgewoond die er maar zijn, ook tijdens mijn opleiding, tijdens een paraveterinaire opleiding die ik moest genieten voor de veterinaire farmacie. Ik vind het echt schandalig dat dit gezegd wordt omdat er één uitnodiging is gekomen waar ik niet op in ben gegaan omdat ik die ellende al zo vaak gezien heb. Waarom moet ik daar nóg een keer naar toe? Waarom? Ik kan daar niet van slapen. Waarom moet ik daar iedere keer mee geconfronteerd worden? Ik vind dit dus echt schandalig. Hier wordt gezegd dat ik het niet heb gezien als ik er één keer niet ben als ik word uitgenodigd. Bovendien heb ik de beste veterinaire denktank die er bestaat in heel Europa, met dierenartsen die wél ter zake deskundig zijn. Zij vinden het schandelijk wat er gebeurt. Ik kreeg een vraag. Ik wil alleen maar zeggen dat wij hebben gezegd: geen enkele vrijheid van geloof, godsdienst, ideologie of hoe je het allemaal maar wilt noemen, mag leiden tot de mishandeling van dieren. En ook zeggen wij dan: dat geldt voor de onderdrukking van vrouwen en de mishandeling van vrouwen, de mishandeling van homo's, maar ook voor de marteling van weerloze dieren, die ook volgens uw geloof eerder geschapen zijn dan de mens. Dus kom op, alsjeblieft zeg, laten we er respectvol mee omgaan. Marteling heeft niets te maken met de vrijheid van geloof.

De voorzitter:

Meneer Graus, vervolgt u uw betoog.

De heer Graus (PVV):

Nee, maar wacht even, ik werd aangevallen, meneer de voorzitter! Ik zei al: de besnijdenissen gebeuren ook niet meer zo, hoor. Dat gebeurt ook allemaal met verdoving. Ze doen dus bij mensen wel aan pijnbestrijding en bij dieren niet. Dit kan niet, dit is middeleeuws, dit is barbaars en daarom ben ik in de Kamer gegaan. Ik strijd tegen dierenleed en dat blijf ik doen tot aan mijn dood. Wereldwijd ga ik dat doen, ook als ik hier uit de Kamer ben. En het is mijn goed recht om dat te doen.

De voorzitter:

Meneer Graus, vervolgt u uw betoog.

De heer Graus (PVV):

Geen enkele god heeft het zo bedoeld.

Ik wil ook vragen om een beter verdienmodel. Dat werd al aangehaald door mevrouw Ouwehand. Er is ook een aangenomen motie-Graus voor boeren en tuinders ter behoud van kleine gezins- en familiebedrijven en ten laste van de retail, want ik kom ook altijd met een oplossing. Waar moet je het van halen? Van de retail, de machtige retailers. Die motie dient ook ter afbouw van de bioindustrie. Juist de kleine familiebedrijfjes die de koeien wel iedere dag vrij in en uit laten lopen, moeten we meer gaan steunen en we moeten af van die verschrikkelijke bioindustrie. Vandaar dat ik vraag om een beter verdienmodel voor die kleinere boeren.

Ik ben een fervent Coca-Colagebruiker. Dat is misschien ook wel te zien aan mijn buik, maar het is ook een medicinaal product. Ik ben daar altijd gefascineerd door geweest. Sterker nog, het was ooit een medicinaal product. Nu is het ook een frisdrank geworden, maar nog steeds wordt het in bepaalde landen ingezet zonder prik, zelfs tegen zonnesteken en noem het allemaal maar op. Het gebeurt nog steeds, door artsen, hoor! We moeten dus niet te veel een aanval gaan doen op producten waar suiker in zit, want sommige producten zijn gewoon echt heel erg nodig. Ik heb heel veel baat bij Coca-Cola, bij heel veel toestanden waar ik mee te maken heb gehad. Laten we dus wel wezen: we moeten niet alleen maar de aanval openen.

De voorzitter:

Er is een interruptie van mevrouw Van Brenk.

De heer Graus (PVV):

Hoelang heb ik nog, voorzitter? Ik kan nergens een tijd zien. Hoelang heb ik nog?

De voorzitter:

U heeft nog ongeveer anderhalve minuut, maar u krijgt nu eerst een interruptie van mevrouw Van Brenk.

De heer Graus (PVV):

Heeft u net tijdens de interruptie de tijd misschien laten doorlopen?

De voorzitter:

Misschien kunt u wat sneller praten.

De heer Graus (PVV):

Ik heb nog maar één kantje gehad.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik wil graag iets aan de heer Graus vragen. Ik gun iedereen zijn Coca-Cola. Ik ben fan van Coca-Cola light. Denkt u niet dat Coca-Cola ook zou kunnen met iets minder suiker? Want dan is het nog steeds Coca-Cola.

De heer Graus (PVV):

Ja, maar het probleem, dat misschien ook met ontwenning te maken heeft, is dat ik al die Coca-Cola light producten heb geprobeerd maar dat ik daar beroerd van werd. Echt, ik werd daar hondsberoerd van. Uiteindelijk ging ik daardoor meer chocola en meer drop eten. De wielrenner Rob Ruijgh, een van onze beste wielrenners, heeft tegen mij gezegd dat je de suikers van drop en chocola minder snel verbrandt dan de snelle suikers van Coca-Cola. Daar heeft hij gelijk in, want ik ben aan het afvallen. Ik ben weer terug op de gewone Coca-Cola en ik ben aan het afvallen. Ik voel me er ook beter bij. Iedereen moet zelf weten wat hij allemaal slikt, drinkt en eet, maar geen ritueel gemarteld vlees.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik wil meneer Graus natuurlijk niet aan de Coca-Cola helpen, maar wij blijven bij ons betoog dat het echt wel met minder suiker zou moeten kunnen.

De voorzitter:

Meneer Graus, u heeft nog drieënhalve minuut. Ik zat naar de nanosecondes te kijken.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, want ik schrok mij een hoedje. Echt waar! Ik dacht: dat ga ik nooit meer halen.

Duurzaam voedsel betekent volgens de regering een eetpatroon met meer groenten en fruit en minder vlees en zuivel. Hoe staat het met in-vitromeat, kweekvlees? Ik weet dat Nederland daar al heel vroeg mee bezig was. Gekweekte weefsels kunnen we straks ook allemaal gebruiken om dierproeven af te bouwen, waar we het binnenkort ook over gaan hebben. Dus hoe staat het daar allemaal mee?

Ook ik heb de vraag over de btw-verhoging. Die vraag had ik hier al staan, hoor. Afgelopen vrijdag moest ik alles al inleveren bij de fractie. Ik had dus al staan: staat die btw-verhoging op groente en fruit van 6% naar 9% niet haaks op de plannen van het kabinet? Ook ik had die vraag. Dus graag een reactie daarop.

Als de bescherming van de volksgezondheid en de voedselveiligheid de hoogste prioriteit heeft, is het dan niet de hoogste tijd voor een echt grove kwantitatieve en kwalitatieve uitbreiding van de NVWA, waar de PVV al vanaf 2006 om vraagt? Ik weet dat deze regering iets aan uitbreiding heeft gedaan, maar we redden het daar niet mee. De voedselschandalen achtervolgen ons en het dierenleed achtervolgt ons. De dierenpolitie kan de meldingen niet meer aan. We moeten daar gewoon echt uitbreiding voor hebben. Controle, handhaving en het aanpakken van hufters moeten we echt doen. Dan doen we ook iets aan voedselveiligheid.

Waarom komt er nog steeds dieronvriendelijk, volstrekt niet duurzaam en soms zelfs besmet Braziliaans vlees binnen? Hoe kan dat toch allemaal? Dat kan toch allemaal niet? Terwijl onze boeren vooroplopen, kan het toch niet zo zijn dat we het ergens vandaan halen waar ze het woord «dierenwelzijn» nog moeten uitvinden en waar ze allerlei ziektes hebben waar ieder antibioticum zich hier van terugtrekt? Dat kan natuurlijk niet. Het riekt ernaar dat het klimaat belangrijker is dan de dieren- en volksgezondheid. Ik heb ook de vraag staan waarom we die rituele martelingen nog steeds toestaan. Dat heb ik al een paar keer gezegd bij dit Braziliaanse verhaal. Kom nou eens met een goed argument, los van de vrijheid van geloof. Die gaat hier helemaal niet over, want dit heeft niks met vrijheid van geloof te maken.

Ik wil het ook hebben over de torenhoge muren en lasten waar Nederlandse voedselproducenten tegen aanlopen. Vorige week heb ik met Geert Wilders, mijn fractievoorzitter – bij ons in de fractie ook wel «grote smurf» genoemd – en met Alexander Kops twee vooraanstaande aardbeien- en tomatenkwekers bezocht in Venlo. We hebben beloofd de volgende punten in te brengen. Ik vraag de Minister van LNV dus om goed te luisteren, want het zijn drie verzoeken en daar wil ik graag een actie en reactie op. Voor biologisch werkende boeren en kwekers moet een noodmedicijnkastje blijven bestaan. Daar vragen ze allemaal om, ook deze ondernemers. Ze werken met natuurlijke bestuivers. Ze werken al volledig biologisch. Ze werken met hommels en met wantsen, die schimmels en zo bestrijden. Die mensen werken dus al zo goed mogelijk, maar ze moeten af en toe toch ook een noodmedicijnkastje hebben. Dat wordt door de NVWA onmogelijk gemaakt. Help die mensen daarmee! Ik breng dit nu voor de tweede keer in. Ik hoop dus echt dat hier nu actie op wordt ondernomen. Ze kunnen het werk tegen parasieten en schimmels soms niet aan. Vaak redden ze het dus niet met die wantsen. Zo'n busje kost € 800. Hommels die uit Hongarije en zo komen, zijn iets goedkoper, maar die zijn voor de bestuiving en hebben niks met die bestrijding te maken. Dus help die ondernemers hiermee!

Het is absurd dat pure natuurproducten zoals melk en bier, gebruikt om bijvoorbeeld komkommers te reinigen en, let wel, niet om slakken te doden, onder de gewasbeschermingsmiddelen vallen. Er moet een toelating worden aangevraagd, waardoor hoge financiële en administratieve lasten volgen. Dat kan niet. Graag een actie en een reactie.

De voorzitter:

Meneer Graus, u bent door uw spreektijd heen.

De heer Graus (PVV):

Dan kom ik bij mijn laatste verzoek.

De voorzitter:

Wilt u komen tot afronding?

De heer Graus (PVV):

Ja, hier komt het laatste verzoek. Wij willen dat groente- en fruitsubstraten, waaronder kokosbladerenbedding, waar ze groente en fruit laten groeien, niet meer als afvalstof worden gezien en niet meer met een heffing worden belast, maar dat ze daarvoor als waardevolle grond- en bouwstof een ontheffing krijgen. En ik wil graag een onderzoek – dat is mij toegezegd door de vorige Minister van Volksgezondheid – dat we gaan kijken naar de blue zones aangaande fytotherapeutische kruiden, kurkuma tegen kanker, resveratrol tegen hartfalen en al die producten. Waarom betrekken wij de blue zones niet bij onze oncologische en cardiologische producten? Waarom gebeurt dat niet? De voorbeelden liggen er en daar wordt niets mee gedaan. Dat is mij toegezegd en dan wil ik ook graag dat die toezegging gestand wordt gedaan, want ik bekleed het hoogste ambt in Nederland. Ze mag niet iets beloven en dat dan niet nakomen. Dat kan niet, zelfs niet ten opzichte van Jan met de pet maar zeker niet ten opzichte van het lid Graus.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Graus, voor uw bijdrage.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Grashoff, die spreekt namens de fractie van GroenLinks.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. We staan in deze wereld, als het over voedsel gaat, voor heel grote uitdagingen. Ook in Nederland staan we echt voor grote uitdagingen op het punt van onze voedselproductie. Die voedselproductie legt een enorm beslag op onze milieugebruiksruimte. Met een groeiende wereldbevolking zal die druk toenemen, maar we moeten ook vaststellen dat bij een gelijkblijvende bevolking, om en nabij zoals hier in Nederland, die milieudruk onverantwoord hoog is. De studies die aantonen dat het voor een echt duurzame landbouw belangrijk is om aanzienlijk minder dierlijke eiwitten te gaan produceren en consumeren, stapelen zich op. Het rapport van de Raad voor de leefomgeving was daarbij een zoveelste rapport op die al hoge stapel. Daar kunnen we wel een boekenkast mee vullen: minder vlees eten en meer plantaardige eiwitten.

Ik zie dit in het beleid van de Minister eigenlijk nog niet terug. Ongeveer 60% van ons landbouwareaal – ook in Nederland; ook wereldwijd ligt dit percentage heel hoog – gebruiken we voor vleesproductie en vleesgerelateerde producten, zoals zuivel. Ik was een beetje verrast toen ik vorige week las dat het als een overwinning wordt gezien dat Nederland weer kalfsvlees kan gaan exporteren naar China. Dan denk ik: wat is nou eigenlijk het beleid van deze Minister? Ik had liever gezien dat deze Minister niet daarop zou tamboereren maar op het daadwerkelijk hard inzetten op die verandering van productie en consumptie in Nederland. Dat zullen we wel moeten doen, al was het simpelweg maar om aan de klimaatdoelen te kunnen voldoen. Een recente studie van CE Delft in opdracht van Natuur & Milieu, De echte prijs van vlees, gaf aan dat de prijs van vlees, als je de maatschappelijke kosten meeneemt, zo'n 26% tot 53% hoger zou moeten zijn dan die nu is. Wie betaalt dat dan? De Nederlandse belastingbetaler, want dit zijn maatschappelijk afgewentelde kosten. Dit betekent dat meer kalfsvlees exporteren naar China eigenlijk een klap in het gezicht is van de belastingbetaler hier in Nederland. Dat is effe een andere kijk op de export van landbouwproducten, meneer Weverling. Als je dan meeneemt dat met name die vleesproductie eigenlijk maar een heel klein deel van onze totale economie is, moeten we de bakens toch met elkaar verzetten, ook om weer een eerlijke boterham te kunnen laten verdienen door de boeren die in die tak van sport werken? Want alleen als dat er minder zijn, is uiteindelijk voor de bedrijven zelf een betere boterham te verdienen.

Voorzitter. Duurzaam voedsel betekent ook natuurinclusief voedsel, maar ik maak even een zijstapje, want het lijkt erop dat het Standing Committee in Europa, het bekende SCoPAFF, volgende week gaat stemmen over neonicotinoïden. Dit is eigenlijk de enige mogelijkheid die ik heb om daar toch nog even de aandacht op te vestigen. Ik hoop dat het op koningsdag dubbel feest is, niet alleen voor de Koning maar ook voor de bijenkoninginnen. Dat zou kunnen als de Minister het voorstel voor dat verbod van harte gaat steunen. Gaat de Minister dat doen? En is de Minister het met de GroenLinksfractie eens dat het niet meer zou moeten gaan om het bevechten van uitzonderingsposities, maar dat Nederland er voluit voor zou moeten gaan? Dus geen uitzondering voor suikerbieten en geen uitzondering voor zaadcoating.

Terecht legt de Minister de nadruk op voedselverspilling. Dat is heel goed, maar we moeten ook vaststellen dat het voorgangers van deze Minister in elk geval totaal niet gelukt is om daadwerkelijk iets te doen aan die voedselverspilling, ondanks de inspanningen van onder meer mevrouw Carla Dik-Faber, die zich daar al jaren voor inspant. De doelstelling was bijvoorbeeld al eerder om van 2009 tot 2015 20% minder voedsel te verspillen. Het resultaat was nul. Dat betekent dat dit een taaie materie is. Ik zie in de brief van deze Minister toch een opeenstapeling van betrekkelijk zachte aanpakken, met samenwerking en «kijken» met partijen in de sector en de keten. Ik snap dat aan de ene kant wel, maar is het aan de andere kant niet tijd voor een wat strakkere benadering? Zou de Minister daarop in willen gaan en is zij het met de fractie van GroenLinks eens dat we serieus zouden moeten onderzoeken welke meer dwingende aanpak we zouden moeten kunnen kiezen?

Voorzitter. Eerlijk voedsel voor mens, dier en milieu betekent ook: eerlijk voor de boer en voor de consument. Dat betreft onder meer de etikettering. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat consumenten behoefte hebben aan duidelijke etikettering, met in één oogopslag heldere informatie over gezondheid, duurzaamheid en dierenwelzijn. Het vinkje bestaat niet meer, maar op welke manier gaan we daar nou het nieuwe, goed gedefinieerde en voor alle consumenten duidelijke alternatief voor bedenken? Gaat de Minister daarvoor met voorstellen komen en, zo ja, wanneer?

Voor boeren gaat het erom dat er op dit moment een te lage prijs betaald wordt. De Minister kaart dat in de brief terecht aan, maar ook daarvoor geldt dat dit een taaie materie is en dat we een aantal dingen missen. Eén van de dingen die we missen, is het verkorten van voedselketens en het daarmee genereren van eerlijkere verdienmodellen. Hoe minder schakels in de keten, hoe kleiner de afstand tussen producent en consument, hoe meer er een eerlijke prijs voor de boer overblijft. Dat is in elk geval een gegeven dat we tot nu toe ook in de praktijk zien. Wat gaat de Minister daaraan doen en is zij bereid om dat verkorten van productieketens nadrukkelijk te stimuleren?

Tot slot kom ik nog één keer terug op het volgende. Als er sprake is van het betrekken van maatschappelijke kosten in de productie van ons voedsel, vraag ik deze Minister niet alleen hoe zij dat inzichtelijk zou willen maken maar ook hoe zij die maatschappelijke kosten van de productie van voedsel in Nederland terug zou willen dringen, want dat zou dan het doel moeten zijn. Dat gaat met name om de maatschappelijke kosten van de productie van vlees en dierlijke producten. Hoe gaat zij die maatschappelijke kosten significant omlaag brengen?

Voorzitter. Daar wil ik het voor dit moment bij laten.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Ouwehand, zou u onze voorzitter willen vervangen?

Voorzitter: Ouwehand

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Geurts, als laatste spreker van de kant van de Kamer, namens het CDA.

De heer Geurts (CDA):

Dank, voorzitter. We hebben de beste boeren en tuinders van de wereld en ons voedsel is van topkwaliteit. Dat gegeven dreigt nu alleen vaak onder te sneeuwen. De hoogste standaarden gelden hier en onze boeren en tuinders blijven zichzelf verbeteren. Alleen wordt dat niet altijd gezien. Boeren en tuinders doen hun best om zich open op te stellen en houden open dagen op hun bedrijf. Het CDA gelooft niet in de traditionele tegenstellingen tussen stad en platteland. Veel verstedelijkt gebied is in zijn buitengebieden verweven met agrarische gebieden. Ook de lokale afzet van producten kan de inbedding van de landbouw in de streek en in de samenleving versterken. Daarom vindt het CDA het belangrijk dat er werk wordt gemaakt van de ondersteuning van de initiatieven om de verbinding tussen boer en burger te versterken. Dit CDA-punt heeft het samen met drie andere partijen ook in het regeerakkoord gehaald. Nu wil het geval dat de Hoeksche Waard werkt aan een kenniscentrum, genaamd Foodlab. Het voornemen is om in dit kenniscentrum verbinding te leggen tussen stad – in dit geval Rotterdam; dat moet de Minister aanspreken – en het platteland. Hier wordt dus een punt uit het regeerakkoord uitgewerkt in de praktijk. Ik ben enthousiast over deze inzet van de regio Hoeksche Waard. Het is een anticipeerregio en dit soort initiatieven werkt ook als een economische motor. In dit Foodlab wordt de voedingsbodem voor de Randstad gelegd. De vraag die ik heb aan de Minister, is de volgende. Is zij bereid met de regio Hoeksche Waard te praten over dat Foodlab en hoe het kan bijdragen aan de uitvoering van het regeerakkoord?

Ook het versterken van de organisatie van streekproducten kan het net aangehaalde punt uit het regeerakkoord verder in de praktijk brengen. Is het mogelijk om de organisatie van streekproducten te versterken, zodat gezamenlijke afzet en promotie beter mogelijk worden? Hoe brengen we de boer of de boerin weer meer bij de mensen thuis, nu steeds minder mensen nog familie met een boerenbedrijf hebben? We willen toch allemaal dat er respect is voor het boerenvak, zodat een toekomstige generatie het met plezier blijft doen. Het telen van voedsel en de boeren en tuinders die dat doen, verdienen een plek in onze samenleving. Voor het algemeen belang moeten we niet zoeken naar het conflict. Misschien willen ook de ngo's helpen bij het verbinden van boeren en stad, en misschien wil de Postcodeloterij projecten hiervoor ondersteunen. De verbinding zoeken met markten voor streekproducten of met open dagen door gezamenlijke projecten tussen boeren en natuur- en milieuorganisaties, met daarbij ook oog voor het weidevogelbeheer. Hoe kijkt de Minister naar een faciliterende rol in deze verbinding?

Voorzitter. Het CDA maakt zich zorgen over de moeilijke positie van boeren ten opzichte van grote inkopers in de retail. Het kabinet wil hier ook iets aan doen, onder andere door oneerlijke handelspraktijken aan te pakken. We kijken uit naar de uitwerking van dit punt in het regeerakkoord. Daarnaast lijkt het erop dat steeds meer handel in agrarische producten en landbouwgrond in handen van buitenlandse partijen komt, of al is. En met «buitenland» bedoel ik dan landen van buiten Europa. Zo is onlangs het grootste landbouwbedrijf van Europa verkocht aan een investeerder uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het CDA maakt zich hier zorgen over en vraagt de Minister hoe zij hier tegenaan kijkt en of zij deze zorgen deelt. Welke dreiging met betrekking tot de Europese voedselzekerheid gaat hiervan uit en wat kunnen we hiertegen doen?

Voorzitter. Er zijn veel producten die we in de Europese Unie telen of verbouwen, maar die we ook importeren uit de rest van de wereld. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar het is wenselijk dat die producten ook voldoen aan onze duurzaamheids- en dierenwelzijnsnormen. Niet alleen is het wenselijk dat ook in andere landen duurzaam en met oog voor dierenwelzijn wordt geteeld, er is ook concurrentievervalsing voor Europese boeren. Kan de Minister aangeven of de discussie over duurzaamheidsnormen geagendeerd is in WTO-verband? Misschien kan zij ook aangeven hoe die discussie verloopt. Ik snap dat een WTO-traject een zeer lange en complexe, mogelijk zelfs eindeloze weg is, maar ik vraag het toch, ook via de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Daarom kan er beter voor gekozen worden om in handelsverdragen afspraken te maken over de regels waar geïmporteerde producten aan moeten voldoen.

We zien nu dat aardbeien uit Egypte worden geïmporteerd, waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt die in Europa niet zijn toegelaten. Eigeel en eiwit worden geïmporteerd van legbatterijeieren van overal ter wereld, en verse eieren uit legbatterijen komen Europa soms ook nog wel in. Ook maakt de Oekraïne gebruik – ik zag dat laatst – van een gat in een handelsakkoord en importeert het meer kipproducten dan in eerste instantie werd aangenomen. Daarom het verzoek aan de Minister om in beeld te brengen hoe de voorwaarden op het gebied van duurzaamheid en dierenwelzijn opgenomen worden in handelsverdragen en eigenlijk ook hoe dat beter kan. Ik snap dat ik dan ook bij de Minister van Buitenlandse Handel moet zijn, maar het lijkt mij verstandig dat de Minister van LNV dat signaal in het kabinet afgeeft. Eigenlijk is mijn simpele vraag: is de Minister bereid dit in het kabinet aanhangig te maken?

Tot slot. Voor de landbouwsector is het van belang om gezamenlijk afspraken te maken en om te kunnen investeren in innovatie. Hiervoor werkt men samen in producentenorganisaties. Met een algemeenverbindendverklaring kunnen deze organisaties gezamenlijk de sector versterken. We zien nu dat het toch vrij moeilijk is om een avv, een algemeenverbindendverklaring, goedgekeurd te krijgen door de ministeries. Is de Minister bereid, met de ervaring die zij opgedaan heeft bij de avv-verlening aan de akkerbouw, om te kijken of het aanvragen van een avv structureel vereenvoudigd kan worden? Wil zij hierover het gesprek aangaan met de diverse sectoren? Ik denk dat dit ook van belang is voor de innovatie op het gebied van voedsel.

Gezien mijn spreektijd sluit ik mij aan bij de woorden die de ChristenUnie-fractie heeft gesproken over de verspilling. Mevrouw Dik-Faber en ook de Minister in haar vorige positie hebben daarover een heel aantal moties ingediend.

De voorzitter:

Hartelijk dank. U mag nog even blijven staan. Er zijn interrupties voor u. Als eerste de heer Moorlag en daarna mevrouw Dik-Faber. De heer Moorlag.

De heer Moorlag (PvdA):

Niet zozeer een interruptie op wat de heer Geurts heeft gezegd, maar meer op wat hij níet heeft gezegd. Ondanks zijn lofzang op de agrarische sector is het natuurlijk wel zo dat wij in ons hele voedselsysteem tegen twee enorme problemen aanlopen. Eén is dat er veel te veel emissies zijn; CO2, maar ook andere emissies. Ten tweede moet je, als je kijkt naar ons systeem van voedselproductie, maar vooral naar hoe dat voedsel in de retail uiteindelijk wordt omgezet in spullen die in de supermarkt komen te liggen, vaststellen dat voedsel te vaak schadelijke effecten heeft op de gezondheid. Mijn vraag aan de heer Geurts is: wat is het antwoord van het CDA daarop?

De heer Geurts (CDA):

Ik denk dat ik het kort moet houden. Hier kan een heel uitgebreid antwoord op komen. Als ik het heel kort wil zeggen, zou ik de heer Moorlag verwijzen naar de inbrengen die we de afgelopen tijd hebben gehouden. Ik zal er iets meer woorden aan wijden. Ik ben en het CDA is van mening dat de voedselproductie in Nederland op een zeer hoog niveau plaatsvindt: efficiënt en met zo min mogelijk uitstoot naar ons milieu. Dat het beter kan: ja. Als u het regeerakkoord goed leest, ziet u ook dat daar stappen in gezet worden. Als wij dat in Nederland zo goed kunnen, exporteren wij dat ook naar de rest van de wereld. Om die kennis en kunde – daar is straks ook al aan gerefereerd – staan ze te springen in China, evenals om onze goede producten. En ja, ik ben trots dat daar kalfsvlees heengaat. Die Chinezen weten het in ieder geval wel te waarderen, anders dan een aantal partijen in deze Kamer, die dat niet of minder kunnen.

De voorzitter:

Dat was nog best een lang kort antwoord. De heer Moorlag.

De heer Moorlag (PvdA):

Ik ben ook trots hoor op onze agrarische sector. Per eenheid productie is de emissie natuurlijk lager dan in veel andere landen. Ik denk dat we ook veel zaken hebben die geschikt zijn voor export. Ik denk bijvoorbeeld aan het glastuinbouwconcept, niet direct aan kalfsvlees. Maar mijn vraag aan de heer Geurts is: hoe gaan wij de emissies van CO2 en andere schadelijke stoffen vanuit de agrarische sector naar beneden brengen? En bent u ook voor overheidsinterventies om gezonder voedsel in de schappen van de supermarkten te krijgen?

De heer Geurts (CDA):

Dat zijn twee vragen. Met ingrijpen door de overheid zou ik terughoudend willen zijn. Dat moet alleen als het nodig is. Er komt binnenkort een AO Preventie met mijn collega Anne Kuik. Daar staat dit onderwerp ook op de agenda en daar zal het debat hierover wel vervolgd worden. Ik ben dus terughoudend met interventies en ik roep de heer Moorlag op om te kijken naar hoe het er in Nederland aan toegaat, maar ook naar hoe zo min mogelijk uitstoot naar het milieu… We zijn een voorbeeld voor de rest van de wereld! Er komen hier drommen landen kijken hoe wij het doen, omdat ze dat zo mooi vinden en omdat ze dat ook in eigen land zouden willen hebben. Wij zijn een van de betere landen in de omgang met het milieu. Kan het beter? Ja, het kan altijd beter. Daar zijn we ook mee bezig, maar kijk nou eens naar de oorsprong en kom hier niet aan met doemscenario's dat het in Nederland zo slecht gaat.

De voorzitter:

Mevrouw Dik-Faber had ook nog een vraag voor u.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik hoorde van het CDA mooie woorden over de verbinding boer-burger en over het betrekken van producten uit de regio. Ik denk dat we daarin schouder aan schouder staan. Onze Nederlandse boeren en tuinders hebben prachtige producten, dus waarom zou je die uit Verweggistan halen? Nu worden supermarkten kennelijk gebenchmarkt, las ik in een brief van het kabinet, of er wordt gedacht aan een benchmark op gezond en duurzaam voedsel. Vindt het CDA het een goed idee om te kijken of er in die benchmark een plek kan komen voor producten uit de regio? Dat supermarkten elkaar daarop benchmarken?

De heer Geurts (CDA):

Ik zit even na te denken over deze vraag. We moeten oppassen dat we er niet een papieren tijger van maken. Nu moet ik even uit eigen beleving praten. Ik mag af en toe ook eens in de supermarkt komen. Ik woon in de gemeente Barneveld en ik zie dat een heel aantal supermarktketens ruimte maken in schappen om ook lokale producten aan te bieden. Dat juich ik van harte toe. Dat ligt een beetje aan de ketens, wie het wel doet en wie het niet doet, maar ik juich het toe. Ik wil serieus kijken naar de vraag die mevrouw Dik-Faber stelt of we vanuit de overheid daar nog wat druk op moeten zetten, maar ik denk dat het eerst aan de sector, aan de ketens zelf is om dit vorm te geven. We moeten geen papieren tijger richting de retailsector gaan sturen. Dat brengt uiteindelijk niks. Maar misschien kan mevrouw Dik-Faber mij straks nog wat bijpraten over wat zij nou precies beoogt.

De voorzitter:

Wat u allemaal zegt, roept in elk geval nieuwe vragen op. Er komen steeds meer interrupties bij. Mevrouw Dik-Faber eerst nog voor een vervolgvraag.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik zit hier in de kabinetsbrief te lezen – ik citeer maar gewoon even – «we zien goede ideeën voor het ontwikkelen van een benchmark, waarmee het brede publiek kan zien hoe supermarkten scoren op het aanbod van gezond en duurzaam voedsel. We zullen kijken op welke manier dit nuttig kan zijn om te zien of het gezonde en duurzame aanbod in supermarkten zich uitbreidt». Dus kennelijk is deze beweging al aan de gang en leven de ideeën rondom gezond en duurzaam voedsel niet primair bij het kabinet, maar ook gewoon binnen de supermarktbranche. Dan denk ik: als die ideeën er al zijn, laten we dan de scope verbreden en laten we niet alleen kijken naar gezond en duurzaam, maar ook naar voedsel uit de regio. Ook mijn idee zou niet zijn om gelijk allerlei administratieve lasten neer te leggen. Maar de ideeën zijn er, laten we ze nog iets verbreden.

De heer Geurts (CDA):

Dan snap ik het beter. Die brief had ik uiteraard ook gelezen. Goeie brief van het kabinet. Ik ben zeker bereid om mee te kijken of we dat wat verder kunnen verbreden, maar ik denk dat we die vraag ook moeten doorgeleiden naar het kabinet. Hoe kijkt het kabinet daar tegenaan? En nogmaals, we moeten oppassen dat we geen papieren tijgers ontwikkelen.

De voorzitter:

Dan zijn er nog interrupties van de heer De Groot en de heer Grashoff. Ik zou willen voorstellen om het kort te houden, want we willen het kabinet ook gelegenheid geven om te antwoorden. De heer De Groot.

De heer De Groot (D66):

Ik zoek even naar de plaats van het voedselbeleid. U heeft het gehad over de boeren en daar veel moois over gezegd. Als u kijkt naar de relatie tussen preventie en voedsel, bent u dan ook van mening dat het voedselbeleid dat we nu hebben, in de eerste plaats gewoon veel integraler moet worden, dat het niet moet gaan om allemaal kleine projecten? Vindt u in de tweede plaats ook dat het een volwaardig onderdeel moet zijn van de preventieaanpak?

De heer Geurts (CDA):

Ik denk dat vandaag een mooi voorbeeld is: we hebben hier een AO Voedsel. Ik had een inschatting gemaakt welke partijen het hier waarover gingen hebben en ik probeer daar nog wat unieks tussen te zetten. We hebben binnenkort ook nog een AO Preventie. Ik denk dat wij als Kamer ook eens moeten nadenken hoe wij het zelf wat beter in elkaar kunnen schuiven, want dit debat zal voor een deel vervolgd worden in het AO Preventie, schat ik zo in, met de keurmerken en de vinkjes en wat er allemaal bij komt. Ik zie daarin dus ook een opdracht voor onszelf. Dat gezegd hebbende, lijkt het mij dus verstandig om nog wat meer zaken in elkaar te schuiven. Ik denk dat dit ook de bewustwording in de samenleving bevordert.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik heb daarnet in mijn betoog aangegeven dat je, als je het rapport van CE Delft over de echte prijs van vlees betrekt op de Nederlandse exportpositie, de conclusie moet trekken dat er voor elke kilo geëxporteerd vlees een rekening bij de Nederlandse belastingbetaler komt te liggen. Zou de heer Geurts daar eens op in willen gaan? Wil hij zeggen of hij het nou eigenlijk logisch en terecht vindt dat wij dat met elkaar zo betalen?

De heer Geurts (CDA):

En dat moet ik dan kort doen! Toen ik de interruptie aanhoorde die richting de VVD-fractie ging, ook op dit punt, dacht ik: zou GroenLinks nou een oproep gaan doen om de sectoren te vergroten? Want het getal was toch wel heel klein voor de Nederlandse samenleving. Dat was een eerste opwelling die ik had. Misschien dat we daar eens over door kunnen praten. Wat ik van belang vind, is dat je wel goed kijkt wat er allemaal bij die cijfers betrokken wordt. Het CDA pleit er niet voor, meer dieren te gaan houden, als u dat graag wilt horen, meneer Grashoff. Nee, daar pleit ik niet voor. We doen het op een heel goeie, efficiënte wijze, met oog voor dierenwelzijn, voor milieu et cetera. Ik zou graag willen dat dit ook in Nederland… Het levert gewoon een aandeel aan ons verdienmodel. U wijst erop dat het kosten veroorzaakt voor de samenleving. Alles wat we doen, meneer Grashoff, veroorzaakt kosten, maar levert ook baten op en ik ben ervan overtuigd…

De voorzitter:

Meneer Geurts…

De heer Geurts (CDA):

… dat onze agro…

De voorzitter:

Meneer Geurts, ik denk dat uw antwoord duidelijk is.

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter, ik zal mijn laatste zin doen: dat de agrosector een heel belangrijke bijdrage levert aan onze samenleving, 101 miljard export, alles erbij, daarmee worden voor een deel ook de gezondheidskosten betaald die in de miljarden lopen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik stel nou juist vast dat de heer Geurts het onderscheid weer niet wil maken. Ik wil niet generaliseren over de totale agrarische sector, maar de kosten van de export van vlees leveren de Nederlandse economie uiteindelijk een kostenpost op en geen baten.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we het hierbij laten. O, de heer Graus heeft ook nog een interruptie.

De heer Graus (PVV):

Ik dien echt al jaren moties in om regionale en nationale producten beter aan te bieden, zelfs met Nederlandse vlaggetjes, maar ik merk nu dat ik pardoes steun krijg van de ChristenUnie. Ook gezien de christelijke verbintenis wil ik de heer Geurts toch vragen of hij dit nu ook wil overwegen. Ik ga de motie namelijk zeker opnieuw indienen. Het gaat mij dus om het prominenter aanbieden van regionale en nationale producten met een Nederlands of zelfs een regionaal vlaggetje. Wil de heer Geurts dat steunen of de motie misschien meeondertekenen, als de bewindspersonen niets toezeggen.

De heer Geurts (CDA):

Meneer Graus, we zijn samen al een paar keer in Berlijn geweest op de Grüne Woche. Je ziet dat elk land daar zijn eigen vlaggetje op producten plaatst. Ik ben er juist zo trots op dat andere landen de Nederlandse producten willen hebben. Frankrijk is misschien het slechtste voorbeeld, want als je de vlag iets draait, lijkt die op de Franse, maar in Frankrijk willen ze echt geen producten waar het Nederlandse vlaggetje op zit. Zo chauvinistisch zijn ze wel in Frankrijk. Er zijn ook andere landen. Ik ben dus wat terughoudend. Ik ben trots op onze Nederlandse ondernemers en zie er graag een vlag bij, maar ik denk dat we beter met een oranje stropdas kunnen rondlopen.

De voorzitter:

De heer Graus, kort.

De heer Graus (PVV):

Maar ik had het over de Nederlandse supermarkten. Daarover heb ik die moties ook ingediend. Het klopt ook niet wat meneer Geurts zegt, want in het buitenland slaan ze elkaar de koppen in om Nederlandse producten te krijgen. De Chinezen hebben een complete maffia opgestart om Nederlandse melkproducten te verkrijgen. Ik denk dus dat die Nederlandse vlaggetjes alleen maar positief werken en misschien af en toe een mensenleven zullen kosten, maar niet negatief werken.

De voorzitter:

De vraag is helder.

De heer Geurts (CDA):

Ik heb geleerd van mensen die handelen in China dat je moet zorgen dat er een Nederlandse tekst op staat. Nederlanders zijn dan altijd zo hulpvaardig om een Chinese tekst op Nederlandse producten te zetten, maar dan worden ze in China in een keer niet meer verkocht. Ik denk dat het verstandig is als de heer Graus en ik hier op een ander moment over doorpraten, onder het genot van een gevulde koek.

De heer Graus (PVV):

En een blikje cola!

De voorzitter:

Dank u wel. We zijn gekomen aan het einde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Het kabinet heeft even tijd nodig om de antwoorden voor te bereiden. Bovendien is het gezond om tussendoor even de benen te strekken. Ik schors de vergadering tot 12.05 uur.

De vergadering wordt van 11.50 uur tot 12.05 uur geschorst.

Voorzitter: Kuiken

De voorzitter:

Ik ga de Minister vragen om antwoord te geven op de gestelde vragen. Er komen nog wat leden binnen, maar we hebben onze tijd hard nodig. Het woord is aan de Minister.

Minister Schouten:

Dank u wel, voorzitter. Het onderwerp dat we vandaag bespreken, houdt de gemoederen bezig en is een onderwerp waar heel veel kanten aan zitten. Dat hoorden we vanochtend al in de inbreng van de diverse partijen. Dat heeft u mogelijk ook terug kunnen lezen in de brief, waar maar liefst vijf bewindspersonen bij betrokken waren. Mag ik een persoonlijke noot maken? Ik vind het vreugdevol dat ik hier met mijn collega Blokhuis zit. Dit is de eerste keer dat wij samen een debat doen en hopelijk is het niet de laatste keer.

Voorzitter. Ik was een paar weken geleden aanwezig bij het 100-jarig bestaan van Wageningen Universiteit. Daar werd teruggeblikt op de situatie van 100 jaar geleden. Los van alle academische zijdes van dat verhaal, was een van de opmerkingen dat er 100 jaar geleden op de universiteit discussie was over de vraag hoe we ervoor moesten zorgen dat er voldoende voedsel was in ons land voor de burgers. Vandaag de dag voeren we discussie over de vraag hoe we obesitas voorkomen. Ik zeg dit om aan te geven wat er in zo'n periode kan gebeuren in de vraagstukken rondom voedsel.

Voedsel raakt ons allemaal. Iedereen staat elke dag hopelijk op met een boterham, een bakje yoghurt of wat fruit. Elke dag en wellicht zelfs op dit moment nog nemen wij voedsel tot ons; ik weet niet of de gevulde koek al genuttigd is door de heer Geurts. Elke dag hebben wij voedsel nodig om te kunnen leven. Ik denk dat we ook heel goed weten wat het met mensen doet als ze onvoldoende voedsel hebben. Dat geldt niet alleen in landen waar er per definitie weinig voedsel is. Dat gebeurt ook in ons eigen land. We weten ook wat kwalitatief slecht voedsel met je doet. Ik was anderhalve week geleden in China. Daar spelen heel veel van dit soort vragen. Mensen wantrouwen het voedsel. Ze weten wat het betekent als het voedsel niet van goede kwaliteit is. Het kan er bijna letterlijk toe leiden dat hun kinderen sterven als er gerommeld is met babyvoeding. Voedsel beïnvloedt ons hele leven. Daarom is het ook zo'n belangrijk thema.

Het is ook een thema dat onderhevig is aan emotie, zoals al even werd gememoreerd. Hoe kijk je tegen voedsel aan? Wat is gezond? Wat voor plek neemt het in de samenleving in? Wij zijn onze brief begonnen met de term «de waarde van voedsel». Dat is niet voor niets. Ik denk dat we soms weleens onderschatten wat voor waarde ons voedsel heeft en wat de waarde is van al die producenten die ons dat voedsel bieden. We zijn best ver af komen te staan van de manier waarop ons voedsel gemaakt wordt en van de offers die daarvoor worden gebracht. Er wordt hard voor gewerkt en het kost veel moeite. Ik las pas een tekst die zei: het feit dat er zo veel boeren en tuinders zijn die voor ons voedsel zorgen, maakt dat wij ons daar zelf niet mee bezig hoeven te houden en dat wij ons weer kunnen richten op andere zaken. Laten we dus niet vergeten dankbaar te zijn voor degenen die dat voedsel elke dag aan ons leveren.

Er zijn ook veel maatschappelijke vraagstukken rond voedsel. Daar gaan we zo meteen ook nog wat gedetailleerder op in. We moeten duurzamer produceren. We willen graag dat er een goede balans komt tussen gezondheid, veiligheid en betaalbaar voedsel. We moeten daar ook nog wel wat stappen in zetten. Daar hebben we in de brief ook de nodige aandacht aan besteed. Laten we dankbaar zijn dat we in een land leven waar zo veel voedsel is. Tegelijkertijd moeten we niet ontkennen dat er behoorlijk wat uitdagingen zijn ten aanzien van gezondheid en productiemechanismen. Maar laten we waarderen dat we zo veel voedsel hebben.

Vanuit dat oogpunt wil ik doorgaan naar de blokjes waarin een aantal concrete vragen en thema's aan de orde komen. Ten eerste zal ik ingaan op het thema voedselverspilling. Het tweede blokje zal gaan over transparantie. Het derde over voedsel uit de regio; zo heb ik het maar genoemd. Het vierde blokje gaat over de werkelijke prijs. Het vijfde blokje is het blokje overig. Dat is geen klein blokje, want er is over nogal veel verschillende onderwerpen die mijn portefeuille raken, gesproken. Ik zal zo goed mogelijk de antwoorden proberen te formuleren.

Ik begin met het thema voedselverspilling. De heer Weverling had gelijk een mooie vraag. Hij sprak over de mooie taskforce die is opgericht en vroeg wanneer we die weer kunnen opheffen. Die vraag komt wel heel snel, want ik heb de taskforce nog maar net opgericht, maar ik snap de vraag die erachter zit. Hij vraagt eigenlijk wanneer we tevreden zijn met de behaalde resultaten. Er zijn concrete doelen geformuleerd voor wat er moet gebeuren. Dat betekent dat wij in 2030 ten minste een halvering van de voedselverspilling gerealiseerd willen hebben. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want dat is echt een enorme opgave. Daarom vind ik het ontzettend belangrijk dat de taskforce nu aan het werk is, dat alle partijen daarin samenwerken, maar ook dat we actief met bedrijven in de keten aan de slag gaan. In mijn beleving is dat de enige manier om voedselverspilling aan te pakken. We gaan inderdaad tussentijdse doelen formuleren voor 2020 en 2025. Daar zal ik de Kamer nader over informeren. Dus wanneer de taskforce opgeheven kan worden, weet ik nog niet, want we zijn nog wel even bezig.

Mevrouw Dik-Faber vraagt of de taskforce extra aandacht kan besteden aan verspilling in de horecasector. Zij gaf een aantal voorbeelden van hoe het daar gaat. Zij vroeg ook waarom er een datum moet op verpakte groenten en fruit. Waarom staat dat erop en is dat wel nodig? Als je een appel los op je fruitschaal hebt liggen, staat er tenslotte ook geen datum op. Wat betreft de verspilling in de horeca kan ik zonder meer een toezegging doen. Ik zal hierover met de taskforce contact opnemen zodat zij bekijken wat hier mogelijk is. Op de datum op verpakte groenten en fruit zal de Staatssecretaris ingaan. Ik heb in den brede ook in de brief al aangegeven dat ik een actiebereidheid heb op het punt van de THT-aanduidingen, omdat die ertoe kunnen leiden dat je voedsel eerder weggooit dan nodig is. Ook in Europees verband maak ik mij daar hard voor. Hier zullen nog wel enige stappen op gezet gaan worden.

Mevrouw Dik-Faber zei ook dat er in restaurants soms wordt gewerkt met verspilde producten. Die bewustwording helpt ook om verspilling tegen te gaan aan de kant van de consument en draagt bij aan een positief beeld van de initiatieven in de horecasector om verspilling tegen te gaan. Zij vraagt of ik dat meer op de agenda van de taskforce kan zetten. Ook in het verlengde van het vorige antwoord zeg ik dat toe.

Mevrouw Dik-Faber en mevrouw Ouwehand hebben de EU-handelsnormen aan de orde gesteld. De tweelingkiwi was daarin heel beeldend. Zij zeggen dat de EU-handelsnormen zorgen voor voedselverspilling en vragen mij wat ik daaraan ga doen. Wij zijn bezig, ook in de EU, om de normen te gebruiken voor kwaliteitsborging en dus niet voor hoe iets eruitziet, want het gaat uiteindelijk om de kwaliteit van het product. Die moet vooropstaan en daar ga ik ook niets aan afdoen, want daarover mag geen twijfel bestaan. Ik ga na of ik de normen die nu vooral op de looks zien, kan aankaarten en wat ik daaraan kan doen. Ik moet dat even concreet nagaan. Ik heb dat zo snel niet paraat, maar ik ben bereid om daarnaar te gaan kijken.

Daarnaast was er een debatje over de vraag of we die looks tot die tijd niet kunnen gedogen. Het wordt wel een beetje ingewikkeld als u de wetgever vraagt om de wet niet te handhaven. Dat ga ik dus niet doen, want dat zou precedenten scheppen, waardoor iedereen hier allerlei kansen ziet. Ik wil wel toezeggen dat ik in EU-verband ga bekijken wat er mogelijk is op dit vlak. Als er belemmeringen zijn, wil ik de regels daar ter discussie gaan stellen. Dat wordt dan het kader waarbinnen de NVWA haar werk gaat doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik snap dat de Minister zegt dat ze als wetgever de wet moet respecteren. Maar zo af en toe, zeker wat betreft de internationale handel, kan het volgens mij geen kwaad om, als die handelsnormen echt verandering behoeven, als overheid een soort burgerlijke ongehoorzaamheid in de strijd te werpen als signaal richting Europa. We weten dat die processen super traag zijn. We gedogen hier en daar ook wel andere zaken. Als je ziet dat distributeurs van biologische groenten en fruit, die eruit zien als deze tweelingkiwi, een boete dreigen te krijgen, zodat ze dit misschien niet in de handel durven brengen, terwijl het gewoon een hartstikke gezond stukje fruit is, zou het dan niet mogelijk zijn om binnen de prioritering van de NVWA te zeggen dat we dit een poosje niet te intensief gaan handhaven?

Minister Schouten:

U begrijpt dat de NVWA zelf de prioritering aanbrengt in haar werk. Dat is maar goed ook, want zij is een onafhankelijke toezichthouder. U weet ook dat mijn partij niet altijd de partij was die vooropliep bij het gedogen. Ik blijf daar volgens mij vrij consequent in. We gaan gewoon eerst bekijken welke regels belemmerend werken en wat we daar eventueel aan kunnen doen.

Mevrouw Dik-Faber en anderen vroegen specifieker naar de handelsnormen en naar hoe de retail ermee omgaat, bijvoorbeeld supermarkten die een wedstrijd maken van het aanbieden van de meest perfecte groenten en fruit. Ik wil dat gesprek over de cosmetische eisen met de retail aangaan. Dat vind ik prima, voor zover het niet raakt aan de voedselveiligheid, want dat blijft voor mij echt vooropstaan. Maar ik wil hier graag naar kijken.

In de breedte ging het ook nog over de handelsnormen an sich. Wat doen we daarmee op het terrein van de eisen die worden gesteld aan de producten en dergelijke? Ik denk dat er juist redelijk wat verspilling plaatsvindt vóórdat producten in de handel komen. Dat hangt ook samen met het feit dat die partijen het niet in de handel gaan brengen. We zien namelijk dat de verspilling niet heel groot is door de handelsnormen zoals die nu werken, maar daar zitten dan waarschijnlijk al meer groenten en fruit met de juiste looks in, zoals mevrouw Dik-Faber dat zou noemen.

De heer Grashoff zegt dat voedselverspilling taaie materie is. Hij vindt dat de brief daar een zachte aanpak op levert. Hij vroeg of we dit vraagstuk niet strakker moeten aanpakken. Ik denk juist dat we nu toch een behoorlijke tand bij zetten. Het is inderdaad weerbarstige materie. We hebben deze voedselverspillingsdoelen al langer, maar het heeft niet meteen storm gelopen met resultaten. Daarom heb ik ook zeer gedrukt op het meten waar we staan en het meten van de voortgang. Dat heb ik ook gezegd in de brief die ik in maart naar de Kamer heb gestuurd. Als we niet goed inzichtelijk hebben waar acties toe leiden, is het heel ingewikkeld om te zeggen of we op de goede weg zitten of dat we moeten bijsturen. Dat is dus een nadrukkelijk onderdeel in de agenda van de taskforce. Ik vind het ook winst dat we nu naar het hele systeem kijken. Alle partijen zitten in de taskforce. We kijken niet alleen naar afzonderlijke bedrijven of delen van een keten. De fase van bewustwording ligt wat mij betreft achter ons. We moeten nu echt concrete acties gaan plegen. We hebben de agenda ook duidelijk gemaakt. Ik heb in maart duidelijk gemaakt hoe wij hierin zitten. Ook de Taskforce Circular Economy in Food is hiermee bezig. Het momentum is er. Ik deel dat we er scherp op moeten blijven, maar ik betwist dat het alleen maar een zachte aanpak zou zijn. Ik denk dat we hierin echt stappen kunnen gaan zetten.

Volgens mij heb ik daarmee het blokje over voedselverspilling afgerond, voorzitter.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb nog een vraag, maar misschien is die voor de Staatssecretaris. Laat ik het heel kort toelichten. In het verleden werd er heel veel voedsel verspild en kon dat niet naar voedselbanken gebracht worden omdat er regels waren van de NVWA. Het is goed dat die regels er zijn, maar die blokkeerden ook wel het een en ander. Uiteindelijk zijn de NVWA en Voedselbanken Nederland samen in een hok gaan zitten en hebben ze afspraken gemaakt over een manier waarop zij er met behoud van voedselveiligheid voor konden zorgen dat er meer producten naar de voedselbanken konden gaan. Nou, dat is dus gelukt. Ik zie nu dezelfde situatie in de horeca. Daar worden regels gehandhaafd die niet bedacht zijn voor die situatie. Het op de kaart zetten van voedselverspilling is eigenlijk een nieuwe situatie. Die regels werken belemmerend. Zou de Minister wellicht kunnen bevorderen dat horeca en NVWA samen in het hok gaan zitten, zodat bekeken wordt hoe de regelgeving voor voedselveiligheid in elkaar zit en of daarover afspraken gemaakt kunnen worden? Dan kunnen er oplossingen worden bedacht voor deze toch wel nieuwe tak van sport binnen de horeca.

Minister Schouten:

Dit valt technisch gezien onder het domein van mijn collega van VWS en specifiek bij de heer Bruins, dus dat ligt niet bij mij. Maar ik wil wel benadrukken dat de NVWA geen organisatie is die alleen maar zegt «ik kan niks en ik doe niks», want ze hebben ook ten aanzien van de voedselbanken echt goed samengewerkt. Ik wil ze complimenteren voor hoe dat gegaan is. Daar zijn echt goede, werkbare afspraken gemaakt hoe je ervoor zorgt dat producten niet verspild worden maar dat de voedselkwaliteit wel gewaarborgd is. Maar ik pass deze vraag graag door naar VWS.

De voorzitter:

Oké. Dan gaan we door naar het blokje transparantie.

Minister Schouten:

Dat klopt. Voor de mensen die zich afvragen of beprijzing ook nog aan de orde komt: dat is een apart blokje. Er kunnen wat discussies door elkaar lopen op dit gebied, maar ik heb geprobeerd om het zo overzichtelijk mogelijk vorm te geven.

De heer Weverling vraagt of we kunnen bekijken wat er mogelijk is met blockchain in de agrifoodsector. Wat kunnen we daar nog meer doen, bijvoorbeeld voor de praktische uitvoerbaarheid van dit soort technieken? Daar wordt al naar gekeken, zegt de heer Weverling. Dat klopt; dat is een onderzoek van Wageningen Universiteit. De heer Weverling vraagt of we dat wat breder kunnen uitzetten. Eind 2018 stuur ik een tussenrapportage met aanbevelingen voor de implementatie van blockchain in de agrosector naar uw Kamer. De toepasbaarheid en de invulbaarheid van die techniek zijn zeker van belang in verband met de transparantie van ons voedsel; dat ben ik met de heer Weverling eens. Ik ga kijken hoe we met dit aspect kunnen omgaan, want het kan zeker een bijdrage leveren. Maar dit komt dus eind 2018 naar u toe. U moet nog even wachten.

De heer Futselaar vroeg wat er gebeurd is met de pilot naar herkomst in de varkensketen. Als hij de brief goed heeft gelezen, heeft hij gezien dat we daarin verwijzen naar de uitkomsten van die pilot. Daaruit blijkt dat consumenten het waarderen als ze meer inzicht hebben in de herkomst en transparantie van het product en dat ze zelfs bereid zijn om daar meer voor te betalen. Die resultaten zijn afgelopen week ook door de WUR naar buiten gebracht. Wij geven in de voedselbrief aan dat we verder willen werken aan het aspect van de transparantie van ons voedsel, bijvoorbeeld via het bouwen van een trusted source, een betrouwbare bron waarin we onze informatie kunnen vinden. De pilot is de aanleiding geweest om hier de komende periode verdere stappen in te ondernemen.

De heer Futselaar (SP):

Dat had ik ook in de brief gelezen inderdaad. De uitkomst, namelijk dat consumenten het waarderen om te weten waar hun voedsel vandaan komt, is nou ook weer niet zo heel erg schokkend. Ik ben vooral benieuwd hoe je praktisch kunt zorgen dat die transparantie veel breder in de keten terechtkomt. Dat is meer de vraag. Wat hebben we op dat gebied van de praktische uitwerking geleerd en wat wordt het gevolg? Ik begrijp dat er resultaten zijn die uitwijzen dat het goed is om transparant te zijn, maar ik wil graag vervolgstappen om te voorkomen dat we alleen maar een serie onderzoekjes en pilots doen en dit niet in een breder kader komt.

Minister Schouten:

Juist daar kan die trusted source een rol spelen en kan ook de blockchain van de heer Weverling toe bijdragen. Misken niet de invloed die transparantie en informatie kunnen hebben op de keuzes die mensen maken. Sterker nog, ik denk dat we de laatste jaren juist steeds meer kennis hebben van bepaalde producten, waardoor je je bijvoorbeeld realiseert dat een glas verse jus niet zo gezond is als wij dachten. Dat zijn allemaal zaken die laten zien wat informatie kan doen met de keuzes die een consument maakt. Ik vind het van groot belang om dat meer inzichtelijk te maken, en daar zijn we dus mee bezig.

De heer Futselaar (SP):

Ja, en daar kan ik een heel eind in meegaan, maar mijn angst is dat de Minister bijvoorbeeld eind 2018 de resultaten van het blockchainonderzoek opstuurt en dat blijkt dat consumenten het waarderen om via blockchain op de hoogte te worden gehouden van de herkomst van producten. Dat is mooi, maar dan zijn we nog steeds niet verder met een echte transformatie in de sector. Dat bedoel ik. Mijn angst is dat we onderzoek en pilot op onderzoek en pilot stapelen met redelijk voor de hand liggende uitkomsten, zonder dat dat leidt tot een bredere transformatie op het gebied van transparantie.

Minister Schouten:

Maar juist het feit dat er steeds meer informatie in de keten komt, kan ertoe leiden dat in de keten andere gesprekken gevoerd gaan worden. Ik vind de heer Futselaar iets te pessimistisch over de rol die informatie en transparantie kunnen spelen. Ze hebben niet alleen effect op de keuzes die de consumenten maken, die daarmee weer een effect hebben op de producenten, maar kunnen misschien ook wel in de keten tot veranderingen leiden. Laten we dus eerst onze inzet voor transparantie vergroten en de mogelijkheden op dat gebied benutten. Laten we daarna verder kijken hoe dit geïmplementeerd gaat worden. Maar ik denk dat inzichtelijk maken al een eerste grote stap is die we hier gaan zetten.

Voorzitter, ik kom bij het volgende blokje: het voedsel uit de regio. Ik dacht dat ik alle vragen over transparantie had gehad.

De voorzitter:

Als er iets is blijven liggen komt dat zo nog wel aan de orde.

Minister Schouten:

Ja, en in de overige blokjes zit ook nog veel, dus het gaat een beetje alle kanten op.

De voorzitter:

Over twintig minuten gaan we stemmen. Dan weet u dat ook alvast. Schrikt u daar niet van.

Minister Schouten:

Oké. Ik ga heel snel doorpraten. Mevrouw Dik-Faber vraagt naar het benchmarken van supermarkten voor gezond en duurzaam voedsel. Wat is de status en wat gaan we precies allemaal doen? Het idee is om supermarkten uit te dagen om meer te concurreren op duurzaam en gezond eten, in plaats van vooral op de prijs. Dat vind ik ook een interessant idee. Vanuit de u bekende – want tijdens de rondetafelsessie die u heeft belegd aanwezige – Transitiecoalitie Voedsel is ons hiervoor een voorstel gedaan dat wij interessant vinden om verder uit te werken. Dit is dus de status. Er ligt een voorstel dat nog niet in gang is gezet. Het is een interessant idee. We gaan graag met de supermarkten het gesprek aan. Ik heb begrepen dat de eerste contacten met het CBL op dit punt al gelegd zijn. Wat mij betreft kunnen we het betrekken van voedsel uit de regio daarin meenemen, maar ik moet daarover wel even het gesprek met het CBL aangaan.

De heer Grashoff had het over verkorten van de ketens en betere verdienmodellen. Mevrouw Ouwehand heeft het daar in zekere zin ook over gehad. Zij zeggen: dat leidt ook tot een betere prijs voor de boer, dus wat gaat de Minister doen om dit te stimuleren? Dit zijn belangrijke thema's, ook voor mij en deze regering. U hebt kunnen lezen dat in het regeerakkoord al die elementen worden genoemd. Hoe zorgen we ervoor dat de boer die aan de dierenwelzijnseisen voldoet en bezig is met duurzaamheid, een betere prijs krijgt voor de producten die hij produceert? En hoe kunnen we zorgen dat er bijvoorbeeld meer ruimte is voor afzet in de regio? Ik ben bezig met het opstellen van een visie, zoals ik al eerder heb aangegeven. Daarin zullen dit soort thema's verder geconcretiseerd worden.

De heer Geurts heeft het over de verbinding tussen de boer en de burger. Hij vraagt mij concreet of ik bereid ben om met de Hoeksche Waard in gesprek te gaan over het initiatief dat daar plaatsvindt. Ik vind het ontzettend belangrijk om te kijken hoe we de burgers meer bij het boerenbedrijf kunnen betrekken; ook dat zit in het regeerakkoord. Ik heb in de brief aangegeven dat we daarmee bezig gaan. Ik heb pas ook heel concreet aangegeven dat er voor kinderdagverblijven en scholen een kleine subsidie voorhanden is als zij bijvoorbeeld een keertje naar de boerderij of naar een tuinderij willen, om te zorgen dat kinderen niet hun leven lang denken dat melk gewoon uit de supermarkt komt, zoals mevrouw Van Brenk opmerkte, maar dat er daarachter ook nog wat gebeurt. Ik vind die veelheid aan initiatieven mooi. Ik ben bereid om te kijken wat precies het initiatief is in de Hoeksche Waard. Dat het dicht bij mijn eigen woonplaats is, is natuurlijk alleen maar een pre.

De heer Geurts vraagt ook hoe ik aankijk tegen het meer faciliteren van de verbinding tussen producenten en consumenten. Hij had het ook over producenten en ngo's, en noemde ook boeren en natuur. De verbinding tussen boeren en natuur vind ik een uiterst relevant thema, zoals u weet. Volgens mij ben ik daar al over begonnen toen ik hier in mijn eerste debat stond en dat blijf ik doen. Ook op dit vlak zal ik in de visie waar we mee bezig zijn, met nadere voorstellen komen om hier invulling aan te geven.

De heer Geurts vraagt ook of we de organisatie van de streekproducten kunnen versterken. De informatievoorziening voor de producenten van streekproducten wordt beter gestroomlijnd door instrumenten als het virtuele streekproductenloket. Ook heeft de RVO het programma DuurzaamDoor ingesteld. In mijn visie op landbouw zal ik ook ingaan op de relatie tussen de boer en de burger en de korte ketens. Daar vallen de streekproducten uiteraard onder.

Volgens mij heb ik hiermee ook de punten over voedsel uit de regio benoemd.

We komen nu op het punt van de werkelijke prijs en de true pricing. Een aantal leden is daarop ingegaan, onder wie de heer De Groot van D66. Hij vindt dat interessante voorstellen en ideeën en vraagt zich af hoe snel ik daarmee kan starten. Kunnen we daar een beetje vaart mee maken? Zoals de heer De Groot in de brief heeft kunnen lezen, willen we starten met een aantal pilots op het terrein van true pricing. Ook hier is de vraag weer wat de externe kosten zijn die erin zitten.

De voorzitter:

De heer Graus had nog een vraag over het vorige punt; excuus.

De heer Graus (PVV):

Dat klopt, over voedsel uit de regio. Ik ben heel erg gefascineerd door hoe men dat in Oostenrijk doet. Ik heb daar veel werkbezoeken afgelegd omdat ik daar graag mag komen. Men beschermt daar de Oostenrijkse producten, maar behoudt die ook voor het eigen volk. Er is niks mis met «eigen volk eerst», hoor. Daar is echt niks mis mee. Men plaats ze daar ook op ooghoogte met vlaggetjes «product uit de regio». De regering bemoeit zich er wel mee daar. Het moet ook een samenspel zijn tussen ondernemers, de retail en de regering, maar mijn regeringen zeggen altijd dat het niet aan hen is. Maar waarom doen andere landen het dan wel met veel succes? De Minister heeft een hoge functie hier in Nederland. Ik wil haar toch vragen of zij zich actief wil bemoeien met het promoten van regionale en nationale producten, of zij met de retail in gesprek wil gaan en of zij zich wil inzetten voor betere profilering in de retail, met Nederlandse vlaggetjes en noem het allemaal maar op, voor de Nederlandse markt en voor eigen volk, eigen mensen.

Minister Schouten:

Volgens mij heb ik net al toegezegd aan mevrouw Dik-Faber en de heer Geurts dat ik ga bekijken hoe we streekproducten kunnen meenemen in het voorstel rondom de benchmark. Daar kun je als supermarkt ook je voordeel mee doen en je winst mee halen, dus volgens mij heb ik hier net al een toezegging op gedaan.

De heer Graus (PVV):

Maar dan begrijp ik het niet goed. Pas bij de begroting, waar dit item eigenlijk hoort, heb ik dit ook gevraagd, maar toen werd het ontraden. Ik begrijp het allemaal niet. Blijkbaar komen wij hier iedere keer met ideeën, worden die ontraden en gaan andere partijen ermee vandoor. Waarom niet meteen goeie ideeën van de PVV overnemen? En ik bedoel het echt breder, hoor. Het is niet wat net is toegezegd. Ik heb het verzoek gedaan en zal dat niet herhalen. Ik zal er mogelijk een motie over indienen: in de breedte, zoals ik het net heb geformuleerd. Ik kan alles gaan herhalen, maar we moeten naar de stemmingen zo meteen.

Minister Schouten:

Het is een feit dat hier inderdaad veel onderwerpen aan de orde zijn gekomen. Dat klopt. Ik probeer daar een beetje mijn weg door te vinden. Maar ik heb mijn toezegging gedaan.

Ik was bezig met true pricing en de vraag van de heer De Groot of we de snelheid erin kunnen houden. Hij zegt: zorg in die pilot dat de consument in één oogopslag kan zien wat de duurzame keuze is. Er moeten nog best wat stappen worden gezet voor true pricing. Ook dit is makkelijker gezegd dan dat we het gerealiseerd hebben. Dit zijn allemaal zaken die we in de keten inzichtelijk moeten gaan maken. Ik denk dat het heel goed is om true pricing zo in te richten dat mensen en bedrijven inzichtelijk hebben wat de kosten zijn, zodat ze daar een keuzemogelijkheid in krijgen. We moeten het bewustzijn vergroten, waardoor meer bewuste keuzes gemaakt gaan worden. We staan echt nog aan het begin en moeten nog wat stappen zetten op dit punt, maar ik zal dit aandachtspunt van de heer De Groot hierin meenemen.

De heer Grashoff vraagt in dit verband ook hoe ik de maatschappelijke kosten voor producenten inzichtelijk maak. En hoe ga ik zorgen dat die maatschappelijke kosten, in zijn woorden, «significant omlaaggaan»? Er zijn al veel studies naar de hoogte van kosten. Deskundigen uit de praktijk hebben hier ook naar gekeken. Het inzichtelijk maken van de kosten is op dit moment niet het issue dat de hoogste prioriteit heeft. Vandaar dat we er nu wat meer effort in gaan steken om te zorgen dat daar meer gaat gebeuren. De vraag is inderdaad hoe we dit naar de praktijk vertalen. Hoe kunnen de overheid en de consument in de keten meer duurzaam handelen? We zijn met die experimenten gestart om meer inzicht te krijgen in de kosten. Wat betekent dat uiteindelijk voor het omlaag brengen van die maatschappelijke kosten? Ik denk dat het nodig is om als eerste stap die kosten inzichtelijk te maken.

De voorzitter:

Ik begin even met de heer Grashoff en daarna mevrouw Ouwehand.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik benadrukte dat heel bewust, omdat ik denk dat een analyse van maatschappelijke kosten en baten heel erg kan bijdragen aan een evenwichtiger kijk op de sector als geheel. Ik zou willen bepleiten, maar dat krijg ik niet helemaal scherp terug van de Minister, dat de Minister bij wijze van spreken zegt dat zij wel een opdracht aan het bureau CE Delft wil geven, of een andere expert op dit vlak, om inzichtelijk te maken wat het effect is van een aantal maatregelen en ontwikkelingen op die maatschappelijke kosten en baten van met name vlees en eventueel ook andere relevante voedselproducten. Dan heeft de Minister die gegevens beschikbaar en kan zij daarop gaan sturen. Dat hoor ik nog niet zo concreet terug.

Minister Schouten:

Omdat dit ook een breder vraagstuk is. Met respect voor de heer Grashoff, want hij heeft altijd ook wel scherpe analyses, maar ik vind dat hij hier toch heel nauw aan het kijken is. Laten we het voorstel van vlees pakken. Hij zegt: we gaan de maatschappelijke kosten en baten in beeld brengen. Hij heeft het dan bijvoorbeeld over de export van bepaald vlees. Wat je er ook van vindt, vlees is in veel gevallen een bijproduct. We hebben het over kalfsvlees. Kalfsvlees is een bijproduct. Kalfjes worden geboren en daardoor kunnen we ook melk produceren. Die kalfjes zijn er. Daar kunnen we van alles van vinden. Ik denk dat u daar wat anders van vindt dan ik. Maar ik vind dat het juist in het kader van de circulaire economie zeer zinvol is dat die kalfjes ook een bestemming krijgen, anders dan dat er inderdaad iets mee gebeurt wat wij allemaal een ethisch dilemma zouden vinden.

Heel veel mensen eten ook vlees, dat is de realiteit. De heer Grashoff kan zeggen dat hij vindt dat iedereen vegetariër moet worden; dat is ook een politieke opvatting. Maar als hij accepteert dat er vlees geproduceerd wordt, dan moet hij ook kijken: als wij het niet meer doen, dan komen er elders, extern kosten te liggen. Het consumeren van voedsel heeft nou eenmaal maatschappelijke kosten. Dat is niet alleen bij vlees het geval, maar ook bij andere producten. In die zin is het een nauwe blik om alleen maar te kijken naar wat er in Nederland gebeurt. Al onze keuzes hebben consequenties, ook wereldwijd. Ik weet dat de heer Grashoff zich dat aantrekt, maar dat zou hij daar ook bij moeten betrekken.

Mag ik even een wat breder voorbeeld geven? Ik denk dat dit het dilemma ook wel aardig schetst. Het gaat weer over varkensvlees. Ik was pas bij een boer die ervoor had gekozen om van gangbare varkensproductie naar de meer biologische variant te gaan, dat hij zijn beesten ook buiten liet lopen en woelen en dergelijke. Hij zette zijn producten ook lokaal af. Daar had hij heel bewust voor gekozen. Dat was zijn nieuwe model. Ik zie al een paar mensen helemaal rechtop gaan zitten en glimmen. Die kwam naar mij toe en zei: ik heb een probleem, want ik wil zo graag circulair zijn, maar de realiteit is dat een aantal delen van het varken letterlijk niet gegeten worden door de Nederlandse consument, maar wel door consumenten in China. Omdat hij biologisch produceerde, waren de kosten best hoog geworden, waardoor hij die producten niet afgezet kreeg. Het gevolg is dat dit soort delen van het varken nu in de biomassa terechtkomen. Die man voelde zich daar echt beroerd onder en dat snap ik, maar dat geeft aan dat er dus heel veel dilemma's zijn op dit beleidsterrein. Als je zegt dat het allemaal op dit punt moet, heb je niet meteen alle discussies opgelost. Sterker nog, er komen er een aantal bij waar je dan ook wat van moet vinden. Dat zie ik ook in de bredere discussie over export van producten. Wij leven niet op een eiland. Wij eten en consumeren hier. Daardoor zijn we allemaal veroorzaker van een ecologische voetafdruk, maar als we het hier niet doen, gebeurt het elders. Dan verschuiven we het probleem misschien daarnaartoe, maar dan zouden we allemaal nu acuut vegetariër moeten worden en dat hoor ik de heer Grashoff ook niet zeggen.

Een wat uitvoerig antwoord, voorzitter.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Een opmerking, en dan toch maar even iets scherper. Ik vind het vervelend om de suggestie van de Minister te krijgen dat ik hier vegetarisme bepleit. Dat is niet zo. Ik bepleit het aanzienlijk minder eten van vlees, maar dat is een heel ander uitgangspunt. Overigens is dat een uitgangspunt dat misschien nog wel meer hout snijdt dan vegetarisme als het gaat om een brede duurzaamheidsbenadering. De voorbeelden die de Minister noemt zijn heel reële voorbeelden. Het leuke van een goede maatschappelijke kosten-batenanalyse is dat die precies al die aspecten meeneemt. Als je dat op een goede manier doet, dan win je enorm aan inzicht, juist in de breedte en dan kan je op basis daarvan beter sturen. De voorbeelden die de Minister noemt, zijn een-op-een een pleidooi om de maatschappelijke kosten en baten goed te onderzoeken en zo nodig beleidsinspanningen daaraan te verbinden. Dat is ook nog een keer iets anders dan dat ik hier pleit om de export van vlees naar nul terug te brengen. Dat bepleit ik ook niet.

De voorzitter:

Kort, afrondend graag.

Minister Schouten:

Volgens mij had ik al redelijk uitgebreid antwoord gegeven. Ik heb aangegeven dat we bij true pricing een aantal zaken inzichtelijk gaan maken. Als we dat inzichtelijk krijgen, zijn we al heel wat stappen verder.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Mijn vraag ging over de dieren, die wel worden doodgemaakt, maar ook een soort van worden doodgezwegen in het voedselbeleid, maar het komt er gelukkig toch bij. Ik vraag de Minister waar de maatschappelijke opvattingen over de positie, het welzijn en de rechten van dieren terugkomen in haar voedselbeleid. Als we blijven denken op de manier waarop ik haar zonet hoorde redeneren, en zeggen dat wij relatief de laagste impact per kilogram hebben en dat ons voedsel dus duurzaam is, voorspel ik dat dat dat volledig voorbijgaat aan de maatschappelijke ontwikkeling.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De Minister heeft daar ook last van, want zij zegt steeds dat boeren niet worden gewaardeerd. Dat krijg je ervan, als je dat niet integraal meeneemt. Ik mis dat bij true pricing en bij de voedsel-app.

De voorzitter:

En dat is ook uw vraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

En dat is mijn vraag.

Minister Schouten:

Ik dacht dat we al zo veel onderwerpen hadden genoemd in die voedselbrief. Ook hier merk ik dat iedereen, als we het over voedsel hebben, begint over iets waardoor ik ongeveer het hele landbouwterrein langs ben gegaan. Ik heb geprobeerd te focussen op voedsel. Ik heb al aangegeven dat ik ook met een bredere visie ga komen. Maar als iedereen zijn eigen elementen inbrengt en zegt: dit moet ook nog in de voedselbrief en dit moet er ook nog in en dit moet er ook nog in, dan denk ik dat wij toch een voedselbrief hadden moeten sturen die nog wat breder was geweest dan 50 pagina's. Dierenwelzijn is een thema. Mevrouw Ouwehand weet ook dat we daarmee bezig zijn. Maar ik probeer hier vooral nog wat focus aan te brengen in dat hele voedseldebat, waarbij ik breder in de LNV-visie een aantal thema's zal aankaarten waarover mevrouw Ouwehand nu begint.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het zou natuurlijk prachtig zijn als dieren uit de voedselketen vallen, maar dat is niet zo. We slachten hier meer dan 620 miljoen dieren per jaar. Dat zijn er dik meer dan 1.100 dieren per minuut. Het is niet een elementje dat even terug hoort te komen in de voedselvisie, maar het staat centraal in alle dilemma's waar de Minister voor staat. Ik maak me zorgen, want ik zie al dat de andere partijen die voor duurzaamheid en dierenwelzijn waren, toch al zeggen: als het maar duurzaam is, terwijl het ook maatschappelijk gezien om de dieren draait. Dat missen we als we alleen maar focussen op klimaat of per kilo. Ik waarschuw de Minister om die fout niet te maken.

Minister Schouten:

Ik hoor wat mevrouw Ouwehand zegt, maar ik heb ook de indruk dat zij haar eigen elementen er weer insteekt die zij heel belangrijk vindt. Ik hoor dat anderen dat ook doen, dus dat is haar goed recht, maar ik probeer een klein beetje focus aan te brengen in het voedseldebat. Daarover zullen we ongetwijfeld nog wel vaker spreken.

Ik probeer de overige vragen nog te doen, voorzitter. De heer De Groot vraagt naar de website Jong Leren Eten. Laat ik eerst zeggen dat ik best trots ben op dat programma. Ik vind het een mooi programma. Ik dank de heer De Groot voor zijn complimenten, want die deel ik. Via dat programma wil ik kinderdagverblijven en scholen meer mogelijkheden geven om projecten rondom voedsel te doen. Moestuinen zitten daar ook bij. Het is ook breder. Het gaat over wat gezonde producten zijn en waar ons voedsel vandaan komt. Ik zal even kijken hoe we meer bekendheid kunnen geven aan Jong Leren Eten, zodat de website meer zichtbaarheid is. Het gaat erom dat voedseleducatie centraal komt te staan. Overigens heb ik begrepen dat er geen gebrek is aan belangstelling. Ik was bij een bijeenkomst met scholen en kinderdagverblijven en bij hen was het heel goed bekend. Zij moeten ermee werken, dus daar ben ik heel blij mee.

De heer Weverling heeft redelijk wat vragen gesteld over groenten en fruit. Ik probeer er even goed doorheen te gaan. Hij zegt dat er bij de GMO groenten en fruit vooral grote partijen zijn die niet deelnemen. Hij vraagt of ik die trend kan keren. Ik heb tijdens het AO over de Landbouw- en Visserijraad al aangegeven dat wij daarover in gesprek zijn met de sector en dat ik de Kamer zal informeren over de uitkomst van dat overleg. Ik heb in het verslag van de Landbouw- en Visserijraad aangegeven dat er goede resultaten zijn geboekt. We hebben met elkaar gezorgd voor een meer werkbare invulling van de eis dat projecten die in het operationeel programma zijn opgenomen, een vernieuwend karakter moeten hebben. Ook is meer duidelijkheid verschaft over de structuur van het operationeel programma. We hebben besloten een aantal uitgaven alsnog subsidiabel te stellen. Het wordt ook eenvoudiger om aan te tonen dat aan de vernieuwingseis wordt voldaan. Ik denk dat we op deze manier de GMO-regeling ook weer aantrekkelijker hebben kunnen maken.

De voorzitter:

Dat is de stemmingsbel. Dat betekent dat ik schors voor een kleine tien minuten.

De vergadering wordt van 12.49 uur tot 13.02 uur geschorst.

De voorzitter:

De heer Moorlag zal iets later weer aanschuiven. Ik ga ervan uit dat de heer Grashoff zo nog komt. Dan kunnen we verdergaan waar we waren.

Minister Schouten:

Voorzitter. Ik ga snel verder. De heer Weverling vroeg over het actieprogramma groenten en fruit of ik tevreden ben. Ik vind 5 miljoen een prachtig bereik. Het gaat erom dat meer mensen groente en fruit gaan eten. Ik vind het nog te vroeg om te zeggen of dat programma geslaagd is of niet, maar het loopt nog een aantal jaren door.

De heer Weverling vraagt naar de stand van zaken bij de motie over de Impulsagenda Greenports 3.0. We zijn in gesprek met de partijen van de Impulsagenda Greenports 3.0. Ik zal u in het najaar verder informeren over wat er allemaal uitkomt. De impulsagenda geeft aandacht aan belangrijke vraagstukken als klimaat. De heer Weverling vraagt om voor de begroting meer informatie te geven en dat kan ik toezeggen.

Hij vraagt ook of ik in mijn visie een uitgebreide paragraaf wil opnemen over de Nederlandse tuinbouw. Mijn visie gaat over het hele LNV-domein, dus dat is uiteraard ook de tuinbouw. Ik zie ook dat de tuinbouwsector zelf al heel innovatief bezig is op vele gebieden. Hij vraagt ook naar de export. Er is een heel netwerk van landbouwraden in het buitenland, zoals de heer Weverling weet, om ook daar ondersteuning te bieden. Ik ben er een groot voorstander van om met onze kennis en innovatie de voedselzekerheid in de wereld te verbeteren. De kennis over tuinbouw kan daaraan een heel grote bijdrage leveren.

De heer Weverling vroeg ook naar de Nederlandse inzet in Europa op zaken als CRISPR-Cas9. Er ligt nu een zaak voor bij het Europese Hof van Justitie, met de vraag hoe bepaalde nieuwe veredelingstechnieken worden gereguleerd in de EU. Deze zaak zal bepalend zijn voor de toepassing van deze nieuwe techniek in Europa. Vooruitlopend op de uitspraak gaan de ministeries van LNV en IenW al in gesprek met belangrijke partijen over de mogelijkheden die de uitspraak kan bieden voor deze toepassing en over mogelijke effecten ervan op het gebied van veiligheid en keuzevrijheid. Binnenkort wordt de Kamer ook geïnformeerd over de stand van zaken, zoals de Staatssecretaris van IenW heeft toegezegd. Het primaat bij deze discussie ligt bij de Staatssecretaris van IenW.

De heer Futselaar vraagt wat er gebeurt met het advies van de SER over de ketenregisseur voor duurzame veehouderij. We zijn het thema duurzame veehouderij breder aan het neerzetten. De laatste tijd zijn er wel meer rapporten verschenen, niet alleen het advies van de SER. Voor de zomer zal ik meer laten horen over mijn visie hierop.

Mevrouw Van Brenk vroeg naar de betaalbaarheid van gezond voedsel. Ik was gisteren toevallig bij het Voedingscentrum, en dat was heel interessant. Ik kan u aanraden om daar een keer te gaan kijken. Dat gaf aan dat het € 6 kost als je volgens de Schijf van Vijf eet, terwijl de gemiddelde bijdrage aan voedsel € 6,50 is als je dat niet doet. Gezond eten kan dus zelfs goedkoper zijn dan wat er nu regulier gemiddeld wordt gegeven.

Door meerdere leden is de vraag gesteld hoe het zit met die btw-verhoging in relatie tot gezondheid. Moet die btw-verhoging dan wel doorgaan? Er zijn ook mensen die hebben gezegd dat er een nultarief moet komen, maar dat is op basis van Europese regelgeving niet mogelijk. Ik wil er ook op wijzen dat bepaalde onderzoeken, bijvoorbeeld van het PBL, hebben aangegeven dat het niet heel effectief is om bepaald gedrag te stimuleren via btw-achtige zaken. Dat hebben zij vorig jaar geschreven in een rapport naar aanleiding van de verkiezingsprogramma's voor de verkiezingen. Zij gaven zelfs aan dat het misschien wel verstandig is om het btw-tarief te uniformeren en om andere acties heel gericht in te zetten.

Het moet mij toch van het hart dat ik alleen maar hoor over de btw-verhoging voor groente en fruit, maar ik zie hier toch ook een aantal partijen die er hard over praten en altijd bepleiten dat de btw op vlees zou moeten worden verhoogd. Ik hoor ze niet zeggen dat vlees er ook in meeloopt. Misschien zou het complimentje ook wel een keertje de andere kant op kunnen, zeg ik even uitdagend naar mevrouw Ouwehand, waar zij mij al complimenten heeft gegeven, waarvoor hartelijk dank.

De voorzitter:

Dat is inderdaad een uitdaging van mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, om te voorkomen dat er misverstanden ontstaan, de Partij voor de Dieren is een groot voorstander van het hoge btw-tarief op vlees, maar voor groente en fruit in elk geval geen verhoging. Als een nultarief niet mogelijk is, dan 1% of zo. Dat kwam in het debat niet naar voren, maar die lijn volgen wij nog steeds, dat klopt.

Minister Schouten:

Dat geeft precies aan dat mevrouw Ouwehand alleen wil wat zij wil en voor de rest niets. Ik zou zeggen: waardeer het ook als er iets wordt gedaan wat zij ook belangrijk vindt. Het gaat erom het lage tarief generiek wat omhoog te brengen.

De heer Futselaar (SP):

Laat ik nou een partij vertegenwoordigen die geen voorstander is van een vleestaks, maar die wel boos is over de btw-verhoging. Iets specifieker, ik heb gevraagd of de Minister bereid is om te laten onderzoeken wat de consequentie zou zijn van een verlaging van de heffing op groente en fruit. Je kunt breed kijken of het werkt, want groente en fruit is een aparte productsoort. Wat zou dat betekenen voor consumentengedrag en ook voor producten? Daar hebben we het ook over. Ik wil daar toch wel graag een reactie op.

Minister Schouten:

Ik heb net aangegeven dat het binnen de Europese wet- en regelgeving niet is toegestaan om lager te gaan voor deze producten.

Voorzitter. Mevrouw Van Brenk had ook een opmerking over adoptieouders en de Sustainable Development Goals. Ik moest even zoeken wat adoptieouders waren. Ik dacht: waar gaat dit over, maar ik begrijp dat jullie allemaal een doel hebben geadopteerd. Dat lijkt me een mooi initiatief. Zij gaf aan dat er 15 juli een bijeenkomst is en dat zij in de aanloop daarnaar de bewindspersonen uitnodigt om er met elkaar over te praten. Ik zou dat toch even via de procedurevergadering willen doen, want ik weet niet hoe het met mijn agenda is, en anders ga ik ook over andere bewindspersonen praten. Ik stel voor dat u bij de procedurevergadering een voorstel doet.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Maar ik begrijp dat u daar positief tegenover staat.

Minister Schouten:

Als ik uitgenodigd word door de Kamer, kom ik altijd langs, dat weet mevrouw Van Brenk. Ik kan nog geen toezegging doen of dat allemaal agendatechnisch lukt en over wat uw ideeën daarover zijn.

De heer Graus heeft verschillende vragen gesteld over de rituele slacht. Hij heeft daarover net een wat uitgesproken debatje gehad. Heel concreet zegt hij: stop met de rituele slacht. Daar hebben we het al vaker over gehad. Daar gaan we geen voorstellen toe doen. Er is net een convenant in werking getreden. Dat zijn de afspraken die we hebben gemaakt.

De heer Graus vraagt ook of er een etiket komt op de producten die met rituele slacht zijn gemaakt. We hebben daar niet heel concrete voornemens voor en ik ben ook niet van plan om dat te gaan doen. Er zijn wel afspraken gemaakt met de partners van het convenant rituele slacht over transparantie in de keten. Daarover vinden gesprekken plaats, maar ik ga daar geen aparte etikettering op zetten.

De heer Graus vraagt ook naar uitbreiding en verhoging van de NVWA. Ook deze discussie voerden we al vaak. Hij refereert ook aan de dierenpolitie. Ik heb gezegd dat mijn collega van Justitie en Veiligheid daarvoor verantwoordelijk is. Overigens weet de heer Graus ook dat er in deze kabinetsperiode een intensivering plaatsvindt bij de NVWA van structureel 20 miljoen euro.

De heer Graus vraagt ook naar de hoge kosten voor producenten. Hij noemt een aantal specifieke kwesties bij kwekers. Daar hebben we het pas nog over gehad bij het debat over gewasbescherming, kan ik mij herinneren. Hij heeft toen ook over het medicijnkastje gesproken dat volgens hem onmogelijk wordt gemaakt. De EU-verordening biologische productie zegt: geen chemische bestrijdingsmiddelen, maar slechts natuurlijke. Dat is een basisprincipe. Over uitzonderingssituaties waarin natuurlijke methodes niet werken zegt de verordening: slechts die middelen waarvan de stoffen zijn toegelaten op basis van deze verordening, dus het is beperkt mogelijk om chemische stoffen te gebruiken. Het toezicht hierop vindt plaats via Skal en niet via de NVWA.

De heer Graus stelde ook een specifiek vraag over de substraten. De andere vraag wordt door mijn collega beantwoord. Hij zegt dat dit niet meer als afvalstof wordt gezien. Hij vindt dat ook van belang in het kader van de hoge waarde van de reststroom van groente en fruit. In het kader van de circulaire economie zetten we ons daarvoor in, waarbij ook wordt gekeken naar belemmeringen in de wetgeving en anderszins. Naar dit punt wordt dus gekeken.

De heer Graus vraagt ook hoe het staat met kweekvlees. De ministeries van VWS en van EZK zijn benaderd door Hampton Creek uit Amerika voor steun binnen Nederland om hun producten op de Europese markt te kunnen toelaten. Kweekvlees is een zogenaamd novel food. Voor toelating tot de Europese markt moet eerst een procedure worden doorlopen. Wij hebben Hampton Creek in overleg met VWS ook verwezen naar de «novel foods»-procedure van de EU. Breder gezien zijn er ook nog wel wat discussies te houden over kweekvlees en dergelijke. Het is niet zo dat het nu allemaal heel massaal wordt toegelaten tot de markt. Ik denk dat we er ook goed naar moeten kijken voordat we dat zouden gaan doen.

De heer Graus (PVV):

Ik heb een vraag over een ander punt, namelijk om die kokosbladerenbedding waarin ze groente en fruit laten groeien niet meer als afvalstof te zien. Dat is namelijk een heel goede bouw- en grondstof. Die mensen moeten dat nu als een afvalstof behandelen. Dat is natuurlijk belachelijk, want dat is een supergoede bouw- en grondstof. Ik weet niet of ik daarover nu een motie moet indienen.

Wat betreft het labelen van ritueel gemartelde producten, het kan niet zo zijn dat we ons er wel mee gaan bemoeien of het 20 of 30 suikerklontjes zijn, want dat moet iedereen weten, terwijl de mensen niet mogen weten of het een ritueel gemarteld stuk vlees is, terwijl dat eigenlijk gewoon schandelijk is. Dat kan natuurlijk niet. Martelen is dodelijk, maar suiker niet. Met alle respect, ik vind het heel raar dat dit wordt afgewezen. Bovendien is er een aangenomen motie van mij dat er wel etikettering zou komen op ritueel gemartelde producten. Mensen moeten dat weten. Ik weet zeker dat meer dan 80% van de Nederlandse bevolking geen ritueel gemarteld vlees wil. Dat willen ze niet, maar ze kunnen dat niet zien. Ze krijgen dat gewoon door de strot gedrukt, en dat kan niet en dat mag niet.

Minister Schouten:

Op uw eerste vraag heb ik geprobeerd een heel welwillend antwoord te geven, maar dat is niet helemaal overgekomen, geloof ik. Ik heb over die kokosbladeren gezegd dat we gaan kijken hoe we circulariteit kunnen bevorderen. We zijn aan het kijken wat voor belemmeringen er zijn in de wet- en regelgeving. Ik denk dat ik daarover net een toezegging heb gedaan.

Over de rituele slacht hebben we al heel veel discussies gevoerd. Dat de motie over etikettering is aangenomen, is mij niet bekend. Als u vraagt of ik dat van plan ben, is het antwoord nee.

De heer Grashoff vraagt naar de stand van zaken rond neonicotinoïden en de SCoPAFF en de stemming hierover. Begin volgende week komt er een brief naar de Kamer. Dat is ruim op tijd voor de stemming in de SCoPAFF.

De heer Geurts vraagt of ik het avv-instrument meer kan stimuleren en breder kan inzetten. Blijft staan dat we wel goed moeten kijken wat het allemaal precies inhoudt. Er moeten ook gewoon procedures gevolgd worden. We zijn al aan het kijken wat we kunnen doen om het te vereenvoudigen.

De heer Geurts vraagt ook of ik in kan gaan op de discussie over de duurzaamheidsnormen in WTO-verband, en wat breder over de voorwaarden voor dierenwelzijn in de handelsverdragen. Dat ligt op het terrein van mijn collega Kaag, dat klopt. De heer Geurts vraagt om dat inzichtelijk te maken. Dat zou ik dan aan haar moeten vragen, maar misschien kan hij zelf aan haar vragen om dat wat meer te doen. We hebben aan de ene kant de WTO-normen, maar die zien vooral op voedselveiligheid. Het is waar dat dierenwelzijn daarin geen groot principe is. In de handelsakkoorden die wij zelf afsluiten, zijn er wel vaak bepalingen over opgenomen. Over de hardheid daarvan en of het afdwingbaar is, ook in EU-verband, kun je nog een hele discussie houden. Als hij daar meer inzicht in wil hebben, adviseer ik hem om dat bij collega Kaag na te vragen.

Volgens mij heb ik alle punten gehad, voorzitter.

De heer De Groot (D66):

Ik mis nog het punt van de integraliteit van het voedselbeleid. Daar heeft de Minister ook een mening over, of niet?

Minister Schouten:

Ik heb over heel veel dingen een mening. Mag ik al mijn meningen nu gaan uiten? Ik denk dat het feit dat wij hier samen zitten, al aantoont dat wij die integraliteit in het kabinet heel erg willen benadrukken. De voedselbrief is door in totaal vijf bewindspersonen gestuurd, ook namens anderen. Ik heb ook gezien dat we sinds 2015, naar ik meen, geen debat meer hebben gehad over voedsel. Ik denk dat het überhaupt al een noviteit is dat we hier bij elkaar zitten om dit thema eens apart te behandelen, en ik heb gemerkt dat integraliteit ook door de Kamer wordt gezocht. Ongeveer alle onderwerpen die enigszins een link hebben met voedsel, zijn hier aan de orde geweest. Ik denk dat het goed is om al die geledingen bij elkaar te brengen. Wij hebben geprobeerd om dat vorm te geven in de brief.

De voorzitter:

Volgens mij ligt er nog een antwoord op de vraag van de heer Moorlag.

Minister Schouten:

Ja. De heer Moorlag benadrukt het belang om dit soort zaken in ketens aan te gaan pakken. Dat onderschrijf ik. De verleiding is weleens groot om er bij bepaalde aspecten van voedsel per elementje in een keten eigen beleid op te zetten. Wat we nu proberen, is om bij alle voedselgerelateerde thema's, zoals voedselverspilling en dergelijke, in de hele keten te kijken wat er moet gebeuren. Welke bijdrage moet welke schakel in de keten leveren? In die zin onderschrijf ik het punt dat de heer Moorlag heeft gemaakt.

De heer Moorlag (PvdA):

De vraag is dan wel hoe het wordt vormgegeven. In de commissie worden er allerlei voorstellen gedaan. We moeten gewoon vaststellen dat het schip op een ijsberg afkoerst. We zijn druk bezig om boven aan dek alle dekstoelen in het gelid te zetten, maar wat de positie van de schroef en het roer is onder de waterlijn, daar hebben we het niet over. Volgens mij gaat het om twee dingen: gezonder voedsel, minder zout, suiker en energie, en duurzamer voedsel, dus minder emissies, vooral van CO2. Daar gaat het volgens mij om. Mijn vraag aan de Minister is hoe zij dat in de totale keten van boeren, de voedingsindustrie, de retail en de consumentenorganisaties gaat organiseren.

Minister Schouten:

Ik denk dat dat het hele debat is dat we aan het voeren zijn. Ik heb over verschillende elementen geprobeerd aan te geven hoe wij dat op verschillende manieren organiseren. Dat heeft te maken met transparantie, ook voor elke schakel in de keten. Wat is jouw bijdrage aan het duurzaamheidsvraagstuk of waar reduceer je het juist heel goed? Voedselverspilling heeft ook een duurzaamheidsaspect. Wat zijn de verschillende geledingen in die keten en hoe kunnen die elkaar versterken in de strijd tegen voedselverspilling? Bij alle onderwerpen die wij hebben benoemd in de brief, denk ik dat we dat proberen. Tegelijkertijd is er nog een klimaattafel gaande op het terrein van landbouw, waarin ook heel nadrukkelijk wordt gekeken naar duurzaamheid, ook over al die schakels heen. Ik denk dat dit de manier is waarop wij aan het werk zijn.

Ten aanzien van gezondheid verwijs ik naar mijn collega.

De heer Moorlag (PvdA):

Dat neemt niet weg dat het in mijn ogen wel een erg specifieke en instrumentele aanpak is, met allemaal losse plannen en ideeën. Wil de Minister het in haar denken toelaten dat er een vervolg komt op de klimaattafel, als die gereed is, om te kijken hoe je dat goed kunt uitwerken, en daarbij niet alleen te kijken naar de CO2-reductie, maar ook te streven naar minder ongezond voedsel?

Minister Schouten:

De heer Moorlag stelt mij hele grote vragen. Ik denk dat we juist duurzaam en gezond met elkaar laten samengaan en dat dit ook de hele portee van de brief is geweest. Ik wil wel een poging doen om te benadrukken, ook bij de vele aspecten die we doen, dat duurzaamheid niet betekent ongezond of omgekeerd. Ik denk dat die twee elkaar heel goed kunnen versterken en dat er geen licht zit tussen de inzet van de heer Moorlag en wat wij proberen.

De voorzitter:

Dan gaan we graag naar de Staatssecretaris toe. O, sorry, de heer Weverling heeft nog een vraag.

De heer Weverling (VVD):

Wellicht heb ik het niet goed meegekregen. Ik had een vraag gesteld over de afzetstructuur, de ACM en de mededinging.

Minister Schouten:

Ik ben samen met collega Keijzer hier hard mee aan de slag. Wij hebben volgens mij toegezegd voor de zomer met voorstellen naar de Kamer te komen, dus wij zijn er hard mee aan het werk.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dank u wel, voorzitter. In het kader van verwachtingenmanagement; ik denk dat ik nog sneller kan praten dan collega Schouten, maar volgens mij ga ik iets minder praten, maar ik beloof verder niks.

Ik wil eerst een algemeen inleidinkje geven over de relatie tussen gezond leven, gezond voedsel en een gezonde leefstijl. Vervolgens ga ik in op specifieke vragen, in drie blokjes. In de eerste plaats algemeen over het integrale beleid. De heer De Groot heeft daarover specifieke vragen gesteld. Dat is het eerste blokje, in antwoord op de vragen daarover. Het tweede blokje gaat over het instrumentarium. Er zijn vragen gesteld over kidsmarketing, etikettering, logo's en frisdranktaks of suikertaks. Dat is het derde blokje. Het vierde blokje is overige. Ik hoop dat we dan alle vragen gehad hebben.

Voorzitter. Gezond leven is een van de hoofdbeleidsdoelstellingen van VWS en van dit kabinet. Daarbij hoort uiteraard gezonde voeding en een gezonde leefstijl. Eten levert plezier op, ten minste voor de meeste mensen. Voor sommigen is het een noodzakelijk kwaad, want je moet toch de machine aan het draaien houden, maar voor veel mensen levert het plezier op. Met elkaar aan tafel zitten is vaak een genoeglijk gebeuren. Zien eten doet eten. Alleen maar positieve dingen, maar te vaak grijpen we daarbij wel heel snel naar ongezonde en goedkope voeding. De Minister van LNV en ik vinden daarom dat de waarde van eten voorop moet staan. Daarom benadrukken we dat ook in de brief die we deze week naar de Kamer hebben gestuurd. Hoe vitaal en gezond we zijn, hebben we voor een groot deel zelf in de hand; uiteraard niet helemaal, maar wel voor een groot deel. We zien dat gezond en gevarieerd eten kan bijdragen aan onze vitaliteit en onze gezondheid.

Wereldwijd zien we dat er meer welvaartsziekten zijn die samenhangen met een ongezond eetpatroon. De heer De Groot heeft daar ook op gewezen. 50% van de Nederlandse bevolking heeft overgewicht, om niet te spreken van obesitas. Er zijn meer dan een miljoen mensen in Nederland met diabetes 2, wat nauwe raakvlakken heeft met ongezonde eetpatronen. En dan heb ik het nog geeneens over hart- en vaatziekten en andere ziekten die een relatie hebben met ongezond eten.

Ik wil hierbij ook gelijk ingaan op een vraag van mevrouw Van Brenk. Zij vroeg wat de medische wereld eraan doet, als dat zo ongezond is. Zit dat wel in het curriculum van de opleiding van artsen? Een heel actueel thema. Inderdaad, daar is aandacht voor. Mijn collega Bruins is in gesprek met de medische wereld om dat goed in het curriculum te verankeren. Hij vindt daarvoor ook een open oor, want de medische wereld heeft daar aandacht voor. Feit is wel dat het er tot nu toe nog nauwelijks in zit en dat mensen in hun opleiding tot arts maar een paar uur les krijgen over voeding, bijvoorbeeld. Dat moet substantieel beter en daar is volop aandacht voor.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De Staatssecretaris praat met name over artsen, maar in onze optiek zou je het door moeten voeren in de hele keten en in alle opleidingen voor verzorgenden en verpleegkundigen,. Is de heer Bruins daar ook mee bezig?

Staatssecretaris Blokhuis:

Hij heeft contacten met dé medische wereld en dat klinkt heel breed. Volgens mij is de focus nu nog primair gericht op artsen. Ik beloof u dat ik dit met hem zal afstemmen, want ik zie hem weleens in het gebouw, om de vraag wat breder te trekken. Ik zeg erbij dat gezonde voeding in zorgcentra en in ziekenhuizen een belangrijk thema is. Dat staat hoog op de agenda. Dan heb ik dat punt ook gelijk even benoemd.

Voorzitter. Met mijn beleid focus ik op het gemakkelijker maken van een gezonde keuze. Die keuze is gelukkig vaak ook een duurzame keuze. Daarover zijn ook vragen gesteld. Het lijkt soms een tegenstelling, maar vaak ligt het in elkaars verlengde. Dat hebben wij in onze brief ook proberen te benadrukken. Daarmee hebben we dus twee vliegen in één klap: gezondheid en duurzaamheid.

Op dit moment eet de gemiddelde Nederlander niet volgens de Schijf van Vijf. Die Schijf van Vijf is door bijna alle woordvoerders benoemd. Meer groente en fruit en meer plantaardige eiwitten zijn belangrijke focuspunten daarin. Daar valt nog best wat te winnen. Heel veel Nederlanders doen dat niet. Het is mijn ambitie om consumenten bewuster te maken van hun eigen voedingspatroon, zodat we over een paar jaar kunnen zeggen dat we goede stappen hebben gezet om meer de balans te vinden die met de Schijf van Vijf wordt beoogd. Dat bespaart overigens ook zorgkosten; dat is een mooie bijvangst.

Consumenten moeten daarbij wel geholpen worden. Ik denk dat voor ons allen hier wel geldt dat je vaak door de bomen het bos niet meer ziet. Wij moeten elkaar helpen om die keuze voor gezonde en duurzame voeding ook te vergemakkelijken. Daar zijn nog behoorlijk wat aanpassingen voor nodig, dus er is nog heel veel huiswerk voor de Minister. voor mij en ook voor andere kabinetsleden.

Consumenten moeten in staat worden gesteld om goed te kiezen en daarvoor is in de eerste plaats goede informatie nodig, op het etiket, waar ik straks nog op terugkom, maar ook via een instrument als de «Kies ik gezond?»-app. Er zijn dus instrumenten waarmee wij proberen het mensen makkelijk te maken om goede keuzes te maken.

Gezond eten begint natuurlijk in de gezinnen, bij ouders met hun kinderen. Als wethouder in Apeldoorn sprak ik veel met huisartsen en met mensen die te maken hadden met de zorg in gezinnen. Een huisarts vertrouwde mij toe dat hij weleens in gezinnen kwam waar drie keer per dag de frituurpan aan stond, waarin dan ook spullen werden gebakken. Dan kun je op je klompen aanvoelen dat de boel daar enorm de bocht uit vliegt. De heer De Groot en anderen hebben benadrukt dat je niet vroeg genoeg kan beginnen om gezonde leef- en eetpatronen erin te krijgen. Zo'n gezin staat met stip bovenaan in onze aandacht.

Gelukkig hoeven we niet alle hoop alleen te vestigen op gezinnen, maar ook op educatie via het onderwijs. Ik denk dat de vehikels van Gezonde School en Gezondekinderopvang heel mooi zijn om stappen in de goede richting te zetten. Ik ben zelf bij gezonde scholen geweest, net als u, waarschijnlijk, en daar zie je een fantastische cultuur, waarbij leerkrachten er een feestje van maken om de kinderen die zij onder hun hoede hebben, te leren te bewegen en gezond te eten. Traktaties die ongezond zijn, mogen niet op school worden opgegeten, maar dat mag je thuis doen en gezonde traktaties mogen gelijk genuttigd worden. Dat zijn fantastische prikkels om een goede keuze te maken. Hetzelfde geldt voor de route via de Gezonde Schoolkantine. Dat zijn allemaal dingen die wij inzetten om de goede keuze te vergemakkelijken.

Ook moet het voedselaanbod een verbeterde samenstelling krijgen: minder zout, minder suikers en minder verzadigd vet. Daar zijn we al jaren mee bezig, via het Akkoord Verbetering Productsamenstelling. Ik heb in december een brief aan de Kamer gestuurd over de tussenstand en toen heb ik wel geconstateerd dat het tempo achterligt bij de ambities. Een van de woordvoerders, naar ik meen mevrouw Ouwehand, o nee, mevrouw Dik zei dat we in muizenstapjes gaan. Wat mij betreft moeten die stapjes inderdaad wat groter worden. De ambities die we hebben geformuleerd, moeten we sowieso halen en we moeten kijken of we er niet een tandje bovenop doen. Ik beraad me op die aanpak en ik zal de Kamer voor de zomer informeren over welke stappen wij gaan zetten in de sfeer van verbeterde samenstelling van voeding.

Voeding is heel belangrijk voor u en mij. Voorzitter, er steekt een woordvoerder zijn hand op, maar ik weet niet of ik u daarop moet attenderen.

De voorzitter:

De heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Het is heel goed dat de Staatssecretaris overweegt om er een tandje bij te zetten en om met een brief naar de Kamer te komen, maar kan hij iets meer duiding geven in welke richting hij het nu zoekt? Er is al zoveel geprobeerd tot nu toe. Mevrouw Ouwehand sprak niet voor niks over muizenstapjes. O, sorry, mevrouw Dik-Faber.

Staatssecretaris Blokhuis:

Op deze manier komt ze wel drie keer in het verslag; dat is wel een voordeel.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Dat is een onvergeeflijke fout, maar ik ga mijn excuses nog aanbieden. Die stapjes zijn niet voor niks zo klein. Dat heeft ermee te maken dat door achtereenvolgende bewindspersonen tot nu toe steeds is gekozen voor een zekere beperking, om het te doen in de sfeer van samenwerking, goed overleg met de ketenpartijen en convenanten. Is het niet tijd dat er wat strakker op gekoerst wordt, met duidelijk verplichtende regelgeving, of dat de Staatssecretaris in samenspraak met zijn collega van Financiën gaat kijken of we dit in de lastensfeer anders moeten doen?

Staatssecretaris Blokhuis:

Om heel concreet te zijn: dat laatste is wat mij betreft een optie. Ik ga straks specifiek in op vragen rond suikertaks, want ik denk dat de heer Grashoff daarop doelt, op dat soort instrumenten. In bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk zien we dat dat zoden aan de dijk zet, maar wat mij betreft is het in samenhang een heel pakket. In het kader van het preventieakkoord wil ik dit soort thema's zeker aan de orde stellen. Laat je het iets zijn voor de markt? Kijk je of de muizenstapjes iets harder kunnen? Of ga je een handje helpen, in goed overleg? Ik kom dus nog specifiek terug op de suikertaks.

De voorzitter:

Gaat u door.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Ik wilde net nog even een bruggetje maken naar de zorginstellingen en de ziekenhuizen, maar die opmerking heb ik al gemaakt, dus dat laat ik maar eventjes achterwege omwille van de tijd.

De overheid staat niet alleen voor de opgave om mensen een gezondere keuze te laten maken. Wij zijn ook aangewezen op goede ondersteuning van bedrijven en maatschappelijke organisaties, of misschien zijn die aangewezen op ons; het is maar hoe je het formuleert. Maar we moeten het samen doen. Belangrijk is dat de thema's ook lokaal worden opgepakt. Er zijn veel lokale programma's die veelbelovend zijn. Ik wijs op het programma Jongeren Op Gezond Gewicht, dat al in meer dan 130 gemeenten is uitgerold. Ook zijn er steeds meer gemeenten die aantoonbare resultaten daarvan kunnen laten zien. Ik wijs op de City Deal «Voedsel op de Stedelijke Agenda», ook een lokale aanpak, die echt hoopgevend is.

Ik noemde net al even het nationaal preventieakkoord. Daarin hebben we gekozen voor drie thema's; daarover bent u ook geïnformeerd. Binnenkort komt er weer een brief en we hebben nog een algemeen overleg over preventie. In het preventieakkoord hebben we dus drie thema's: roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik. Specifiek tegen de heer De Groot zeg ik nog even het volgende. «Overgewicht» is een negatieve duiding. Misschien zouden we meer moeten focussen op «gezond eten» of «gezond gewicht». Daarmee verbreed je de scope meteen iets. Maar u mag mij eraan houden dat ik aandacht heb voor het volledige spectrum van gezond gewicht en gezond eten. Volgens mij zijn de verwachtingen van dat preventieakkoord hooggespannen, en niet voor niets. Want wij zijn met bedrijven en met veel maatschappelijke organisaties in gesprek: sportverenigingen, cliëntenorganisaties en maatschappelijke organisaties van allerlei pluimage. Wij willen echt meters gaan maken. Dus als wordt gezegd dat de verwachtingen hooggespannen zijn, vind ik dat best wel terecht. Ik hoop dat u dat na de zomer ook nog zegt.

Voorzitter. Ik wil in mijn algemene verhaal tot slot nog een opmerking maken over voedselveiligheid. Dat is primair de portefeuille van collega Bruins. Collega Bruins houdt bij de ontwikkeling en introductie van nieuwe duurzame voedingsvarianten, bijvoorbeeld insecten of algen, in de gaten of deze nieuwe producten voldoen aan alle veiligheidseisen.

Voorzitter. Dan kom ik bij mijn drie blokjes over specifieke vragen. Het eerste blok gaat over integraliteit. De heer De Groot heeft daar flink op doorgevraagd, maar ook anderen hebben hiervoor aandacht gevraagd. Eigenlijk heeft collega Schouten het gras al voor mijn voeten weggemaaid. Zij zegt met zoveel woorden: kijk naar de laatste voedselbrief, die namens vijf bewindspersonen gestuurd is. De heer De Groot vraagt of er sprake is van voldoende integraliteit. Daar ligt volgens mij niet de vraag achter of er één bewindspersoon is die zich bezighoudt met voedsel. We willen integraliteit juist benadrukken door te zeggen dat verschillende ministeries verantwoordelijk zijn. Het minste dat de Kamer, en daarmee heel Nederland, mag verwachten is dat wij nadrukkelijk de samenwerking zoeken en integraliteit goed op ons netvlies hebben.

Is het preventiebeleid, is de preventieagenda, wel voldoende integraal? Ik hoop van harte dat ik het waarmaak als ik zeg dat ik daar mijn best voor doe en dat dit ook tot de gewenste resultaten leidt. Ik ga ervan uit dat de heer De Groot, zijn fractie of de hele Kamer mij daarin kritisch volgt. Als het maar wel positief kritisch is.

De heer Moorlag (PvdA):

Die integraliteit, de samenwerking tussen ministeries, spreekt mij aan, maar integraliteit strekt zich volgens mij ook uit tot een aantal andere belangrijke partijen. Ik noemde de voedingsindustrie en de retail al. Als wij de commerciële krachten niet weten te beteugelen, is elke overheidsinterventie volgens mij niet erg kansrijk. Ik heb nog een specifieke vraag: durft de Staatssecretaris de gedachte toe te laten dat we van al die miljarden die we nu uitgeven aan welvaartsziekten, een deel meer gericht gaan inzetten op preventie?

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat is een interessante vraag. Iedereen zal weten dat er op dit moment een enorme onbalans is. We geven jaarlijks meer dan 80 miljard aan zorg uit. Daar staat aan kaal preventiebeleid ongeveer 2 miljard tegenover. Dat omklappen is overdreven, maar er zit een onbalans in; dat voelt iedereen op z'n klompen aan. Hier staat een bewindspersoon die heel gedreven is om die balans een beetje te laten kantelen. Tegelijkertijd ben ik ook gehouden om het regeerakkoord uit te voeren. Daarin wordt een beperkt budget beschikbaar gesteld voor preventie. Dat ga ik met verve inzetten. Overigens denk ik dat er een hele beweging is, ook binnen mijn Ministerie van VWS, om van zwaar naar licht en van licht naar preventie te gaan. Daar mag u ons over de volle linie aan houden.

De heer Moorlag (PvdA):

Het tweede punt is het inschakelen van de voedingsindustrie en de retail. Het is zo tegen de wind in blazen, als wij de commerciële krachten niet weten te beteugelen. Bent u bereid om samen met hen sluitende en bindende afspraken te maken om bijvoorbeeld het gehalte aan vet, zout en suiker in voedsel terug te brengen?

Staatssecretaris Blokhuis:

In het kader van het nationaal preventieakkoord hebben wij die partijen ook aan tafel zitten. Het is mijn grote wens dat wij met een heel mooi pakket aan maatregelen komen waarmee we aantoonbaar stappen zetten richting een gezonder Nederland en waar al die partijen hun handtekening onder zetten. Bent u bereid om dat te doen, wilt u die gedachte toelaten, om de mooie woorden van de heer Moorlag te citeren? In mijn brein komt het wel redelijk binnen. Ik doorleef dat ook, ik ben heel gemotiveerd om dat te doen. Alleen, wij zijn afhankelijk van de andere partijen. Mijn inzet zal behoorlijk ambitieus zijn, maar volgens mij hebben we er niks aan als het Rijk heel ambitieus inzet en het bedrijfsleven vervolgens afhaakt. We moeten een balans zien te vinden. U mag mij erop aanspreken dat de ambities niet beperkt blijven tot muizenstapjes.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Blokhuis:

Overigens wil ik over integraliteit en de ombuiging van zorg naar preventie nog even toevoegen dat wij ook investeren in gecombineerde leefstijlinterventie. Wij willen het mogelijk maken dat dit ook declarabel wordt via de Zorgverzekeringswet. Dat moet per 1-1-2019 zijn beslag krijgen.

Voorzitter. De heer De Groot heeft over integraliteit ook gevraagd of we niet moeten toewerken naar één voedselloket. Ik had het net over de vele bomen waardoor je het bos niet meer ziet. Op zich is dat een logische gedachte. Alleen, het is wel heel spannend om dat letterlijk uit te voeren. Ik denk ook niet dat we dat moeten doen. Het voedselbeleid wordt door heel veel partijen opgepakt. Het is de ambitie, het is het streven om daar een samenhangend aanbod van te maken. Daarbij moeten we in de gaten houden of die samenhang blijvend is. Ik heb het geloof ik al twee keer gezegd: met de voedselbrief die we deze week hebben gestuurd, hebben we daar in ieder geval een goed begin mee willen maken en proberen te bereiken dat er sprake is van gezond, duurzaam en veilig voedsel voor iedereen. Om nu te zeggen dat alle initiatieven die er zijn, bij één loket moeten worden ondergebracht … Ik denk niet dat onze polsstok zo ver reikt. We moeten wel nastreven dat de verschillende loketten, de verschillende sporen – denk aan de Gezonde School en de Gezonde Kinderopvang – geen eilanden zijn. Ze moeten nadrukkelijk met elkaar verbonden zijn. Daar mag u ons op aanspreken. Dat zien wij als een grote uitdaging.

Voorzitter. Ik kom bij het derde blokje. Dat gaat over het instrumentarium. In de eerste plaats wil ik ingaan op de vragen van de heer De Groot en anderen rond kidsmarketing. Welke stappen zetten we daarin? Beperken we ons tot wat er nu is? Een mooi beeld: K3 alleen op de komkommer en niet op KitKat. Daar moeten we naartoe. Feit is dat op dit moment de voedingsreclame gericht op kinderen het resultaat is van zelfregulering. We laten het nu aan de markt over. De markt heeft in de Reclame Code hiervoor regels geformuleerd. De FNLI is verantwoordelijk voor de afspraken in de Reclame Code en VWS voert de monitoring uit. Wat mij betreft gaat het enerzijds om naleving van de afspraken die geformuleerd zijn in de Reclame Code. Ik heb dit laten monitoren door Panteia. Dit onderzoek verschijnt voor het algemeen overleg Preventiebeleid. Dus ik kan de Kamer hierover informeren voor het AO. Dan gaan het om de naleving sec van de bestaande Reclame Code. Maar het gaat er ook om of we voldoende hebben afgesproken, of dat we een tandje verder willen; de inhoudelijke kant dus. Die wil ik heel graag betrekken bij de afspraken die we gaan maken in het licht van het preventieakkoord. Dit thema is nadrukkelijk genoemd door partijen waarmee ik al aan tafel heb gezeten. Ik kan mij voorstellen dat we daar verder in willen gaan dan nu is afgesproken. Ook hier streef ik naar draagvlak, want het is heel beroerd als allerlei gezondheidsdeskundigen en sportbonden zeggen «zorg ervoor dat K3 niet meer op KitKat zit» en de FNLI vervolgens afhaakt. Dan hebben we niets bereikt met elkaar. Er moet dus draagvlak zijn. Ook daar ben ik ambitieus. Wat mij betreft staat dit op de agenda van het preventieakkoord.

Over etikettering wil ik het volgende zeggen.

De voorzitter:

Ik zag hem aarzelen, maar de heer Futselaar heeft toch een vraag.

De heer Futselaar (SP):

Collega De Groot heeft gezegd dat hij wil dat er deze zomer veranderingen komen. Als ik een bewindspersoon van deze coalitie zou zijn, zou ik me zorgen maken om zijn irritatie. Ik begrijp dat het de taak van de Staatssecretaris is om naar draagvlak te zoeken, maar op een gegeven moment moet je zeggen: als die er niet is, moeten we maar een stap zetten zonder de industrie en kijken welke andere middelen we hebben. Als je niet uitspreekt dat je eventueel bereid bent zo'n stap te zetten, is het misschien ook moeilijk om draagvlak te vinden.

Staatssecretaris Blokhuis:

In reactie daarop wil ik zeggen dat u van mij mag verwachten dat ik met de nodige bravoure en ambitie stappen wil zetten. Alleen, met heel veel bravoure en stoerheid dingen formuleren waar verder totaal geen draagvlak voor is onder bijvoorbeeld de retailers, brengt ons niet waar we willen zijn met elkaar. Het is mijn ambitie om een pakket te organiseren waar zo veel mogelijk mensen zich in herkennen. Ik sluit niet uit dat we op onderdelen maatregelen treffen waar marktpartijen heel zenuwachtig of chagrijnig van worden. Ik weet niet of de SP-fractie nu namens D66 gaat interrumperen, of …

De voorzitter:

Nee, u gaat even door. Uitlokking gebeurt genoeg.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Ik kom bij het punt etikettering. Komt er een nieuw voedselkeuzelogo, vragen D66 en de PvdA. Het beroemde vinkje gaat verdwijnen. Per 19 oktober moet dat uitgefaseerd zijn. Ik weet dat veel partijen graag zien dat er een nieuw logo komt, als opvolger van het vinkje. Ik kan me daar van alles bij voorstellen. Het wordt heel breed gesteund. Zie het bekende onderzoek van de Consumentenbond dat naar u toe is gestuurd. Supermarkten en de levensmiddelenindustrie zijn er niet vies van en ik zie dat er in de Kamer brede belangstelling is voor een opvolger van het beroemde vinkje. Ik wil er serieus naar kijken. Ik maak alleen een kanttekening. Aan elk vehikel kleven nadelen. Dat wil ik niet gebruiken als argument om dan maar niets te doen, maar ik wil het beste instrument ter hand nemen. Aan elk van de drie typen instrumenten die door de Consumentenbond onderzocht zijn, kleven wat nadeeltjes. Het zou mooi zijn als we het mooiste instrument kunnen pakken. Even heel simpel. Het Engelse voorbeeld scoort heel hoog, maar in dat stoplichtsysteem van het Verenigd Koninkrijk scoren een appel en cola allebei rood voor suikers en voor de overige nutriënten groen. Dan word je toch wel op het verkeerde been gezet. Ik zeg dit niet om welk instrument dan ook weg te duwen. Ik geef alleen aan dat elk instrument nadelen heeft. Ik wil het mooiste instrument eruit pakken. Ik hoor het mezelf herhalen. Ik ga hier niet allerlei dingen beloven zonder daar in het kader van het preventieakkoord afspraken over te maken. Maar dit is heel nadrukkelijk een agendapunt bij het preventieakkoord. Voorstellen in die richting mag u dan ook verwachten.

Voorzitter. Over etikettering van voedingsmiddelen, waar mevrouw Van Brenk en ook de heer Grashoff naar vroegen, wil ik het volgende zeggen. Het is belangrijk dat consumenten correct en eerlijk worden geïnformeerd. In oktober 2016 heeft de Kamer het actieplan etikettering ontvangen. Tijdens het algemeen overleg NVWA van 8 februari heeft mijn collega Bruins de Kamer toegezegd dat het actieplan als geheel wordt geëvalueerd en dat die evaluatie nodig is om te kijken of we vervolgstappen moeten zetten. Hij heeft gezegd: als er vervolgstappen nodig zijn, dan hoort u dat rond de jaarwisseling, in januari 2019. Ik wil dat nog even onderstrepen, want dat is het antwoord op die vraag. Dit is primair zijn portefeuille en ik geef u namens hem dit antwoord mee.

Voorzitter. Als sprekend voorbeeld van instrumenten is de suikertaks genoemd, de frisdranktaks. Mevrouw Van Brenk, de heer Moorlag en anderen hebben gevraagd: is dat geen mooi voorbeeld waar je eens over na moet denken? Ik kan daarop nog geen ja of nee zeggen. Dit ligt voor mij nog echt open. Ik wil natuurlijk kijken hoe wij het aanbod van levensmiddelen gezonder kunnen organiseren met elkaar. Uit de evaluaties in het Verenigd Koninkrijk, waar men nog maar net is begonnen, blijkt dat de industrie al gedragseffecten vertoont die wij heel wenselijk vinden. Ik wil nog wel zeggen dat wij in Nederland niet niks aan het doen zijn. In ons eigen Akkoord Verbetering Productsamenstelling heeft de frisdranksector afgesproken dat de energie-inname via frisdranken in 2020 met 15% is verlaagd. Je zou kunnen zeggen: zo gaan we het doen; laten we dat even mooi afwachten! Je kan ook zeggen: we doen er een tandje bij en gaan het hebben over de frisdranktaks. Ik meen het oprecht als ik zeg dat dat voor mij openligt. Ik vind het een heel interessante optie die ik graag wil betrekken bij het preventieakkoord. Dit staat dus op de agenda van die afspraken.

De heer Geurts (CDA):

Ik sla even aan op de uitspraak van de Staatssecretaris dat hij gedragsveranderingen ziet die hij wenselijk vindt. Ik zie in Engeland een aanpassingsstrategie: flesjes kleiner en duurder maken, maar dezelfde hoeveelheid suiker erin houden. Ik zie dat men natuurlijke vruchtsappen in plaats van andere suikers toevoegt. Vindt de Staatssecretaris dat wenselijk?

Staatssecretaris Blokhuis:

We kunnen best wat afdingen op gedragseffecten of -strategieën. Feit is wel dat de conclusie van de net ingezette suikertaks in Engeland is dat het onaantrekkelijker wordt om veel suikerhoudende producten aan te schaffen.

De heer Geurts (CDA):

Het gaat mij om het volgende. De Staatssecretaris geeft net aan dat hij wenselijk gedrag ziet in het Verenigd Koninkrijk. Ik geef aan dat de voorbeelden die ik net heb gegeven, volgens mij onwenselijk zijn. Dus hoe bedoelt u nou «wenselijk»? Dit is toch onwenselijk?

Staatssecretaris Blokhuis:

Gezien de Schijf van Vijf is het onze ambitie om minder suikerinname door consumenten te laten plaatsvinden. Je ziet dat het invoeren van de suikertaks bij producenten leidt tot gedragseffecten die suikerhoudende producten onaantrekkelijker maken. Ik ga ervan uit dat er dan dus ook minder geconsumeerd wordt. Dat is wat mij betreft wel een wenselijke ontwikkeling. Als de CDA-fractie daar anders over denkt, hoor ik het graag.

De voorzitter:

Nee, niet nu, meneer Geurts. Staatssecretaris, mag ik u vragen om …

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik ben bijna klaar, voorzitter.

De voorzitter:

Fijn.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. De heer Weverling en de heer Graus hebben een vraag gesteld over de effecten van het eten van meer groente en fruit op de gezondheid. Feit is dat wij weten dat de gemiddelde Nederlander veel en veel te weinig groente en fruit eet. Het initiatief van het Nationaal Actieplan Groenten en Fruit om consumenten te bewegen tot het eten van meer groente en fruit is dan ook heel erg goed. De Schijf van Vijf is in 2016 aangepast met een benadrukking van deze gezonde elementen. Nu dat in de Schijf van Vijf is opgenomen op advies van de Gezondheidsraad – volgens mij is dat een gerenommeerd instituut in Nederland, niet heel omstreden – vind ik het niet nodig om die effecten te meten, want de Gezondheidsraad adviseert om de Schijf van Vijf op deze manier in te richten. Ik vind het overdone om nu te gaan meten tot welke gezondheidseffecten het leidt, omdat dit gewoon deel uitmaakt van onze Schijf van Vijf op advies van de Gezondheidsraad.

De heer Weverling (VVD):

Op zich is het natuurlijk heel positief wat de Staatssecretaris zegt: het is niet nodig om de effecten op de gezondheid te meten, omdat de Gezondheidsraad de Schijf van Vijf positief beoordeelt. Daaruit kun je concluderen dat verse groente gezond ís. Dat zal ook niemand hier bestrijden. Alleen meen ik me te herinneren dat de NVWA ook weleens boetes heeft uitgedeeld aan bedrijven die zeiden dat broccoli gezond is. Toen dacht ik: daar gaat ergens iets niet helemaal goed. Nou gaat het mij niet zozeer om die NVWA, maar hier lijkt nog een soort van discrepantie in te zitten. Men mag niet claimen dat het gezond is.

Staatssecretaris Blokhuis:

Over de claimdiscussie had ik volgens mij nog een antwoord, als dat mag van de voorzitter. Daar kom ik straks even op terug.

Voorzitter. Mevrouw Dik-Faber heeft gevraagd naar de houdbaarheidsdatum in relatie tot voedselverspilling. Dat is natuurlijk een heel precair evenwicht. Hoe ruim ga je daarmee om? De voedselveiligheid is in het geding en je wilt iets aan voedselverspilling doen. Die twee zijn niet altijd de grootste vrienden. Een feit is wel dat de vermelding van een houdbaarheidsdatum voor vers en groenten in Europa niet verplicht is. Ik ben niet de grootste specialist op dit gebied, maar weet wel dat dit dan weer niet geldt voor bijvoorbeeld gehakte andijvie of witlof. Maar voor hele stukken, bijvoorbeeld hele witlofstronken, geldt vanuit Europa geen hard voorschrift om er een t.h.t. bij te zetten. Overigens werken de Minister voor MZS en de Minister van Landbouw aan voorstellen om de lijst met producten uit te breiden in het kader van de voedselveiligheid.

Een vraag die hieraan gerelateerd is, is de vraag of het in het kader van het tegengaan van verspilling wenselijk zou zijn dat de NVWA in gesprek gaat met de horeca. Ik denk dat het een zinvolle suggestie is dat wij proberen dat gesprek van de grond te tillen. Ik wil daarover graag in gesprek met collega Bruins, want die heeft in de eerste plaats die gesprekken, maar ik wil mij ervoor inzetten dat die gesprekken van de grond komen. Zoals u weet, heb ik weer andere gesprekken met Koninklijke Horeca Nederland. Die hebben meer met roken te maken.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik ben heel erg blij met deze toezegging. Ik kom nog even terug op de verpakte groenten en fruit die niet bewerkt zijn, bijvoorbeeld hele appels die in een pakje zitten. Daar kun je trouwens ook van alles van vinden, maar daar staat dan ook een houdbaarheidsdatum op. Ik hoorde de Staatssecretaris net zeggen dat daar in principe Europees geen verplichting toe is. De enige reden dat het op het pakje staat, is volgens mij dat de jongens en meisjes van de Albert Heijn kunnen zien wat de volgorde is als ze gaan bijvullen. Volgens mij is er geen voedselveiligheidsreden om er een houdbaarheidsdatum op te zetten. Zou er vanuit het kabinet een inspanning kunnen komen om in gesprek met de retail te besluiten om de houdbaarheidsdatum eraf te halen?

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik wil best wel toezeggen dat we dat gesprek ook aangaan. Ik zal dan heel duidelijk aangeven waar het wel en niet voorgeschreven is en dat men het niet moet doen waar het niet nodig is. Dan gaan die vakkenvullers de bruine appels er vanzelf wel uit gooien als het zover is.

De voorzitter:

Oké.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter, ik heb nog twee antwoorden. De heer Futselaar vroeg of de Minister bereid is om zich hard te maken voor het opstellen van voedingsprofielen door de Europese Commissie. Niet?

De heer Futselaar (SP):

Ik heb eerder van Minister Bruins de toezegging gekregen om dit dossier vlot te trekken. De vraag was meer hoe het ermee staat.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik heb begrepen dat hier dit najaar meer duidelijkheid over komt. De heer Bruins zet het nadrukkelijk op de agenda. Mag ik me even laten souffleren, voorzitter? Ik hoor net van mijn ambtenaar dat het debat dan plaatsvindt. Het debat vindt plaats in het najaar, maar Nederland is nadrukkelijk initiator van het debat.

De voorzitter:

In ieder geval kan dit in het najaar terugkomen en in een debat ingebracht worden.

Dan het laatste punt dat u had?

Staatssecretaris Blokhuis:

Ja, de vraag die nog openligt. Volgens mij hebben we daar een heel mooi antwoord op, maar dat moet ik dan even halen.

De voorzitter:

Goed. Ik kijk even naar de leden …

Staatssecretaris Blokhuis:

Nee, volgens mij heeft de VVD-fractie een vraag die ik nog moet beantwoorden.

De voorzitter:

Welke vraag was dat, meneer Weverling?

De heer Weverling (VVD):

Over die gezondheidsclaims.

De voorzitter:

Ik kijk even hoe we het gaan doen. We hebben tien minuten verloren, dus we kunnen nog een kwartiertje pakken, maar dan wordt het wel echt één laatste ding. Ik zoek even hoe we dit moeten oplossen.

De heer De Groot (D66):

Ik heb nog wel behoefte aan een heel korte tweede termijn.

De voorzitter:

Dan gaan we dat heel kort doen.

De heer Graus (PVV):

Mevrouw de voorzitter, mijn vragen over de oncologische en cardiologische producten en over de fytotherapeutica zijn nog niet beantwoord. Dat ga ik niet allemaal in de tweede termijn krijgen. Ik heb hier gewoon heel duidelijke vragen over gesteld. Dat is wel belangrijk, want anders …

De voorzitter:

Ik heb twee smaken. Of we doen nu een korte tweede termijn, of we doen een tweede termijn na het reces. U had allen terecht veel vragen. Dat komt ook doordat dit onderwerp nog niet eerder op de agenda is gezet. Normaal gesproken ben ik strenger dan streng, maar wij hadden u allen nu geen recht gedaan. Ik zoek dus even naar een redelijke oplossing. Mevrouw Ouwehand?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, de Minister zei het ook al: het is voor het eerst sinds 2015 dat de Kamer over voedsel spreekt. Het zou geen recht aan het onderwerp doen als we dit met een heel korte tweede termijn afraffelen. Mijn voorkeur gaat dus uit naar een gewone tweede termijn, maar dat moet dan op een ander moment.

De voorzitter:

Ik zie de non-verbale reacties, maar kijk ook even naar de coalitiepartijen voor een soort van redelijke oplossing. We gaan geen ellenlange tweede termijn doen, maar zoeken naar een redelijke termijn waarop we een tweede termijn kunnen houden met een spreektijd van maximaal twee minuten en antwoorden. Ik denk dat dat recht doet aan het debat dat we nu hebben gevoerd. Ik zie inmiddels instemmend geknik bij iedereen, dus dat gaan we doen. Ik ga alleen nog even inventariseren welke vragen in eerste termijn zijn blijven liggen. Dan doen we een tweede termijn na het reces.

De heer Geurts (CDA):

Ik begrijp even niet wat u voorstelt. Ik neem aan dat we de tweede termijn gewoon vandaag doen?

De voorzitter:

Nee.

De heer Geurts (CDA):

Mijn voorstel zou zijn dat we de tweede termijn vandaag wel doen en het debat afronden. Coalitie of oppositie, ik heb slechte ervaringen met het vervolgen van een debat, want dan begin je gewoon overnieuw. Dus gewoon doorgaan en vandaag afronden.

De heer De Groot (D66):

Ik ben het daarmee eens. Laten we even in één minuut de zaken noemen die we nog even kwijt willen aan de bewindspersonen.

De heer Graus (PVV):

Ik maak hier bezwaar tegen. Voor mij zijn heel veel vragen niet beantwoord. Dit is egoïstisch, meneer De Groot, met alle respect.

De voorzitter:

Stop.

De heer Graus (PVV):

Uw vragen zijn behandeld, die van mij niet, dus dat is egoïstisch. U moet ook collegiaal zijn naar mij. Ook al ben ik dan oppositie, ook al ben ik van een tokkiepartij in uw ogen, u moet wel collegiaal zijn, want ik ben dat ook naar u, met alle respect.

De voorzitter:

We gaan het als volgt doen. Als de meerderheid wil dat we nu gewoon een tweede termijn doen, dan gaan we de tweede termijn doen. Dan wordt het een spreektijd van één minuut in tweede termijn. Daarna is er nog de gelegenheid om een VAO aan te vragen; die ruimte is er ook altijd nog. Dan ga ik nu alleen even kort inventariseren welke vragen zijn blijven liggen, want die moeten gewoon beantwoord worden. Dat is allereerst de vraag van de heer Weverling. De heer Graus geeft aan dat er nog een vraag is blijven liggen. Welke was dat?

De heer Graus (PVV):

De vraag over de blue zones. Minister Schippers, de vorige Minister van VWS, had een toezegging gedaan over de blue zones en preparaten die daaruit voortkomen. Die kunnen we ook hier in Nederland gaan kweken als we de veredeling niet zo belemmeren. Dat had te maken met kurkuma met piperine tegen kanker. Ik heb ook resveratrol genoemd als cardiologisch product. Daar had ik graag antwoord op gehad, vooral omdat het een toezegging was van VWS.

De heer Weverling (VVD):

Als iedereen nog een minuut praat en we krijgen ook nog antwoord in de tweede termijn, is het zo 14.30 uur. Om 14.00 uur is er een rondetafel over de brexit, die ook voor de land- en tuinbouw van belang is en waar ik graag bij aanschuif. Ik zie in dit geval niet zo'n scheidslijn tussen oppositie en coalitie. Ik sta er misschien een beetje ambivalent in.

De voorzitter:

Dan wordt het een keuze van de meerderheid. Dan ga ik gewoon alle partijen af en kijken we wat het voorstel wordt. Meneer De Groot, wat wilt u?

De heer De Groot (D66):

Een tweede termijn.

De heer Moorlag (PvdA):

Een tweede termijn na het reces.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Een normale tweede termijn na het reces.

De heer Futselaar (SP):

Na het reces, omdat we anders aanmoedigen dat bewindspersonen te lange inleidingen houden.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Tweede termijn na het reces.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Na het reces is prima.

De heer Graus (PVV):

Tweede termijn na het reces, mevrouw de voorzitter.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Daar sluit ik me bij aan.

De heer Geurts (CDA):

Het maakt niet zo veel meer uit, want ik kan koppen tellen. Ik stel voor … Maar dat gaan we in de procedurevergadering doen. Dan wordt het een tweede termijn van twee uur, is mijn ervaring.

De voorzitter:

Daar gaan we later over spreken. We hebben geïnventariseerd welke vragen er nog openlagen uit eerste termijn. Ik wil u vragen om daar antwoord op te geven, Staatssecretaris. Dan gaan we daarna afronden en doen we de tweede termijn na het reces.

Staatssecretaris Blokhuis:

Het voordeel is dat de vragen over de blue zones en broccoli alles met elkaar te maken hebben, volgens mij. Die hebben allebei te maken met gezondheidsclaims. Ik ben niet de grootste broccolispecialist in deze zaal. Feit is dat we gelukkig wel een instituut hebben dat goed kan beoordelen of dingen terecht die claim mogen dragen. Dat geldt ook voor producten uit de blue zones. Dat instituut heet de EFSA, de Europese autoriteit voor voedselveiligheid. Als die oordeelt dat een gezondheidsclaim terecht is, dan is Nederland daar uiteraard ook aan gehouden. Dat is het verhaal. Ik weet niet of broccoli daar is gesneuveld; dat zou ik moeten nagaan. Kennelijk is de EFSA strenger geweest dan sommige producenten van broccoli zouden willen.

De voorzitter:

Er komt nog een tweede termijn, dus ik stel voor dat we nu de eerste termijn afronden. Lopen we de toezeggingen nu langs of doen we dat in de tweede termijn? Dat doen we in de tweede termijn. Dan kunnen we afronden. De toezeggingen sparen we even op. We schrijven ze netjes uit, zodat we ze kunnen meenemen in de tweede termijn. Die zullen we kort na het reces inplannen.

Heel hartelijk dank. Ik dank de mensen op de tribune, de Minister en in het bijzonder de Staatssecretaris en de Kamerleden. Ik wens u een fijne middag.

Sluiting 14.03 uur.