﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="sg" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31507-2/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1/2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2008-2009 B</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="rel_1_0_7_1__1.1" markup="1xa"></versie>
    <vervangt>NDS15362</vervangt>
    <ordernr>KST123114</ordernr>
    <vergjaar>2008-2009</vergjaar>
    <volgnr>B</volgnr>
    <onderw>
      <nummer>31 507</nummer>
      <naam>Stichting Servicecentrum Scholenhuisvesting</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>2</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <al>Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vastgesteld <datum>9 oktober 2008</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vaste commissie voor Financiën<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>, heeft
behoefte om over de brief van de minister van Financiën d.d. 11 juni
2008 inzake de oprichting van een stichting voor het servicecentrum voor onderwijshuisvesting
(Kamerstuk 31 507, nr. 1), enkele vragen en opmerkingen voor te leggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vragen en opmerkingen zijn op 22 september 2008 aan de minister
voorgelegd. Bij brief van 8 oktober 2008 zijn ze door de minister van
Financiën beantwoord.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Blok</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Berck</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">I Vragen en opmerkingen van de commissie</tuskop>
      <al>Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 9 oktober 2008. Het oordeel dat de voorgenomen rechtshandeling een
voorafgaande machtiging bij de wet behoeft kan door een van beide Kamers worden
uitgesproken uiterlijk op 3 november 2008 Bij deze termijnen is rekening
gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer.De commissie heeft nog enkele
opmerkingen en vragen die met name zijn gericht op de nut- en noodzaakvraag
en op het gebruik van het Stichtingenkader.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie vraagt zich af welke kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen
gelden voor dit expertisecentrum? Wat moet wanneer bereikt zijn?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister loopt het Stichtingenkader niet systematisch af in deze brief
met het voorstel tot oprichting. Heeft de minister het Beleidskader voor Stichtingen
gebruikt voor dit geval? Waarom blijkt uit de brief niet of het Beleidskader
voor Stichtingen systematisch is doorgelopen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kan de advisering van gemeenten en scholen niet worden overgelaten aan
privaatrechtelijke adviesbureaus? Zal met de oprichting van deze stichting
sprake zijn van oneigenlijke concurrentie van een door de rijksoverheid gesubsidieerde
instelling met deze marktpartijen? Zo ja, gaat de minister nog maatregelen
nemen om oneigenlijke concurrentie te voorkomen? Waarom acht de minister de
advisering en stimulering van integrale aanbesteding nu wel een publieke taak
en over drie jaar niet meer? Hoe wordt de kennis en expertise die met de subsidie
zal worden opgebouwd bewaard voor de scholen en gemeenten (continuïteit)?
Waarom zijn de doelstellingen van de stichting zo sterk gefocust op de stimulering
van integrale aanbesteding en niet op bijvoorbeeld oplossingen op maat, waarbij
wellicht ook traditionele aanbestedingsvormen zouden kunnen worden geadviseerd?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kan de minister nader toelichten waarom een kenniscentrumfunctie –
die niet ingrijpt op de autonomie van de scholen en gemeenten – niet
binnen de Rijksoverheid kan worden ingebed?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Welke juridische status heeft het Steunpunt brede scholen momenteel? Is
reeds een subsidie verstrekt aan het Steunpunt brede scholen? Kan de minister
nader toelichten waarom dit (inhoudelijke) steunpunt zal worden ondergebracht
bij het (fysieke) Servicecentrum Onderwijshuisvesting?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Heeft de minister conform artikel 96, tweede lid, van de Comptabiliteitswet
2001, overleg gevoerd met de Algemene Rekenkamer? Kan de Kamer de bevindingen
en de eventuele briefwisseling ontvangen van het overleg met de Algemene Rekenkamer
in het kader van artikel 96, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001? Kan
de minister aangeven of en zo ja, hoe hij gevolg heeft gegeven aan de bevindingen
van de Algemene Rekenkamer in het kader van artikel 96 tweede lid van de Comptabiliteitswet
2001?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Heeft de minister conform het Beleidskader voor Stichtingen advies gevraagd
aan de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen? Kan de Kamer dit advies ontvangen?
Kan de minister aangeven of en zo ja, hoe hij gevolg heeft gegeven aan het
advies van de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kan de minister nader ingaan op zijn beslissing om in te zetten op integrale
aanbesteding voor schoolgebouwen op basis van slechts 1 waarneming? Kan de
minister nader toelichten waarom zo specifiek wordt gefocust op integrale
aanbesteding als generieke oplossing en niet op bredere ondersteuning op maat? </al>
      <tuskop letat="vet">II Reactie van de minister</tuskop>
      <al>In deze brief beantwoord ik mede namens de Staatssecretaris van OCW de
vragen over de oprichting van een stichting voor het servicecentrum onderwijshuisvesting
(Kamerstukken 2008–2009, 31 507, nr.1) zoals voorgelegd op 22 september
2008.</al>
      <tuskop letat="rom">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie vraagt zich af welke kwalitatieve en kwantitatieve
doelstellingen gelden voor dit expertisecentrum? Wat moet wanneer bereikt
zijn?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kwalitatieve doelstellingen van het servicecentrum na drie jaar zijn:</al>
      <al>a. bevorderen van onderwijshuisvesting met een betere prijs-kwaliteitverhouding
(value for money) door de toepassing van innovatieve contractvormen; door
de creativiteit en innovativiteit van private partijen te benutten kan over
de levensduur van een gebouw kwalitatieve en financiële meerwaarde worden
bereikt; het schoolbestuur kan zich hierdoor meer richten op haar kerntaak
van onderwijs geven en hoeft zich minder zorgen te maken over huisvestingsaangelegenheden.</al>
      <al>b. stimuleren en in staat stellen van schoolbesturen en gemeenten om een
transparante en zakelijke afweging te maken tussen innovatief en traditioneel
aanbesteden;</al>
      <al>c. in staat stellen van schoolbesturen en gemeenten om innovatieve aanbestedingsvormen
op effectieve wijze te implementeren.</al>
      <al>Kwantitatieve doelstelling is dat na drie jaar 30 nieuwe PPC’s/afwegingsinstrumenten
behandeld zijn waarvan 20 nieuwe projecten innovatief zijn aanbesteed.</al>
      <tuskop letat="rom">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De minister loopt het Stichtingenkader niet systematisch
af in deze brief met het voorstel tot oprichting. Heeft de minister het Beleidskader
voor Stichtingen gebruikt voor dit geval? Waarom blijkt uit de brief niet
of het Beleidskader voor Stichtingen systematisch is doorgelopen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Beleidskader voor Stichtingen biedt overwegingen die kunnen leiden
tot het aangaan van een oprichtingsrelatie met een stichting. Dit Beleidskader
is gebruikt bij de oprichting van deze stichting. Hiernaar wordt verwezen
in de inleiding van de brief. De relevante overwegingen (onder meer nut/noodzaak
van het oprichten van een stichting, governance en de bevoegdheden van de
ministeries) komen aan de orde in de brief en in de meegestuurde concept-statuten.</al>
      <tuskop letat="rom">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de advisering van gemeenten en scholen niet worden
overgelaten aan privaatrechtelijke adviesbureaus?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het servicecentrum bouwt voort op de huidige publieke taak van de ministeries
van Financiën en OCW om D(esign)-B(uild)-F(inance)-M(aintain) en O(perate)
bij onderwijshuisvesting te stimuleren teneinde meerwaarde (betere prijs/kwaliteit)
te bereiken over de levensduur van een huisvestingsproject door een geïntegreerde
aanbesteding. Deze publieke taak vloeit voor uit het kabinetsbeleid ten aanzien
van het stimuleren van DBFMO, dat naast onderwijshuisvesting ook plaatsvindt
in de sectoren infrastructuur, rijkshuisvesting, zorg en defensie. Naast DBFMO
zal het servicecentrum overigens ook andere integrale aanbestedingsvormen
stimuleren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waar opportuun zal het servicecentrum nauw samenwerken met en zoveel mogelijk
gebruik maken van de bestaande kennis en expertise bij commerciële
adviesbureaus om deze taak te realiseren. Het servicecentrum zal complementair
aan deze marktpartijen werken.</al>
      <tuskop letat="rom">4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zal met de oprichting van deze stichting sprake zijn
van oneigenlijke concurrentie van een door de rijksoverheid gesubsidieerde
instelling met deze marktpartijen? Zo ja, gaat de minister nog maatregelen
nemen om oneigenlijke concurrentie te voorkomen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is geen sprake van oneigenlijke concurrentie. Het servicecentrum kan
niet worden beschouwd als een onderneming in Europeesrechtelijke zin omdat
het servicecentrum zelf geen economische activiteiten gaat verrichten in concurrentie
met marktpartijen. Het servicecentrum neemt de taak over van Financiën
en OCW ten aanzien van het bevorderen van PPS. Gemeenten en scholen zullen
nog steeds marktpartijen (zoals advocaten of adviesbureaus) moeten inhuren
voor specifieke advisering in concrete projecten. Hierbij zullen de scholen
en gemeenten uiteraard de aanbestedingsregels in acht moeten nemen.</al>
      <tuskop letat="rom">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom acht de minister de advisering en stimulering
van integrale aanbesteding nu wel een publieke taak en over drie jaar niet
meer?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is de bedoeling dat integrale aanbesteding bij onderwijshuisvesting
door de oprichting van het servicecentrum een impuls krijgt. Scholen en gemeenten
hebben drie jaar de tijd om de kennis en expertise op te bouwen om een zakelijke
beslissing te nemen over integrale aanbestedingsvormen. Na drie jaar wordt
geëvalueerd of het servicecentrum haar doelstellingen heeft gehaald.
Aan de hand van de uitkomst van deze evaluatie wordt besloten over het vervolg
van het servicecentrum. Indien uit de evaluatie na drie jaar blijkt dat er
onvoldoende draagvlak is voor integrale aanbesteding bij onderwijshuisvesting
of dat het servicecentrum geen toegevoegde waarde meer heeft, dan houdt het
servicecentrum op te bestaan. Ingeval blijkt dat er wel draagvlak is of dat
het servicecentrum nog wel toegevoegde waarde heeft, dan zullen de scholen
en gemeenten zelf ervoor moeten zorgen dat het servicecentrum kan blijven
voortbestaan. In ieder geval worden de subsidies van Financiën en OCW
na drie jaar stop gezet. Dit geeft de juiste prikkel aan het servicecentrum
om zich te bewijzen alsmede aan scholen en gemeenten om de ondersteuning en
kennis/expertise ten aanzien van integraal aanbesteden daarna zelf te organiseren.</al>
      <tuskop letat="rom">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt de kennis en expertise die met de subsidie
zal worden opgebouwd bewaard voor de scholen en gemeenten (continuïteit)?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het servicecentrum zal de kennis en expertise die wordt opgedaan bij individuele
projecten verzamelen in een openbaar toegankelijke kennisbank en beschikbaar
stellen aan gemeenten en scholen. Geborgd zal worden dat na de evaluatie van
het servicecentrum de kennisbank openbaar beschikbaar blijft.</al>
      <tuskop letat="rom">7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom zijn de doelstellingen van de stichting zo sterk
gefocust op de stimulering van integrale aanbesteding en niet op bijvoorbeeld
oplossingen op maat, waarbij wellicht ook traditionele aanbestedingsvormen
zouden kunnen worden geadviseerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het servicecentrum zal scholen en gemeenten helpen om een zakelijke en
transparante afweging te maken tussen verschillende aanbestedingsvormen.
Voorop staat de beste prijs/kwaliteit-verhouding over de levensduur van een
project (value for money). Per project zal deze afweging moeten worden gemaakt,
waarbij ook traditionele aanbestedingsvormen zullen worden meegenomen. Ingeval
blijkt dat deze traditionele aanbestedingsvorm in een specifiek geval tot
de meeste value for money leidt dan wordt een school of gemeente geadviseerd
daarvoor te kiezen.</al>
      <tuskop letat="rom">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de minister nader toelichten waarom een kenniscentrumfunctie –
die niet ingrijpt op de autonomie van de scholen en gemeenten – niet
binnen de Rijksoverheid kan worden ingebed?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen de Rijksoverheid is er geen instantie verantwoordelijk voor het
nemen van beslissingen over specifieke onderwijshuisvestingsprojecten. Deze
beslissingen worden genomen op decentraal niveau door autonome scholen en/of
gemeenten. Het servicecentrum moet worden van én voor scholen en gemeenten,
zelfstandig en bestuurlijk zo dicht mogelijk bij de sector. Het servicecentrum
moet zodanig dicht worden gepositioneerd bij die partijen die de investeringsbeslissingen
nemen. Gelet op de ervaringen met PPS in andere sectoren biedt dit de meeste
kans van slagen omdat op deze manier PPS wordt geïntegreerd in hun eigen
besluitvormingsprocessen.</al>
      <tuskop letat="rom">9</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke juridische status heeft het Steunpunt brede scholen
momenteel? Is reeds een subsidie verstrekt aan het Steunpunt brede scholen?
Kan de minister nader toelichten waarom dit (inhoudelijke) steunpunt zal worden
ondergebracht bij het (fysieke) Servicecentrum Onderwijshuisvesting?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment worden nog de voorbereidingen getroffen voor de inrichting
van het Steunpunt brede scholen. Het steunpunt heeft nog geen juridische status
en heeft dan ook nog geen subsidie ontvangen. Het steunpunt is bedoeld om
een helder aanspreekpunt voor scholen en gemeenten te vormen, expertise te
bundelen en actieve ondersteuning te bieden die leidt tot inhoudelijke verdieping
van brede scholen. Voorlichting en communicatieve activiteiten zullen daarbij
een belangrijke rol spelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Servicecentrum Onderwijshuisvesting zal actieve ondersteuning bieden
als het gaat om het innovatieve vormen van aanbesteding bij huisvesting. Dit
betreft dus het fysieke deel. De doelgroep die interesse zal tonen in meer
innovatieve vormen van aanbesteden is naar verwachting ook de groep die geïnteresseerd
is in het «verbreden» van het onderwijs. Dit zal ook andersom
gelden. Door een verbinding/samenwerkingsverband tussen beide instellingen
kan een win-win situatie ontstaan voor alle betrokken partijen. Het fysiek
onderbrengen van beide instellingen in één gebouw versterkt
deze win-win situatie.</al>
      <tuskop letat="rom">10</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de minister conform artikel 96, tweede lid, van
de Comptabiliteitswet 2001, overleg gevoerd met de Algemene Rekenkamer? Kan
de Kamer de bevindingen en de eventuele briefwisseling ontvangen van het overleg
met de Algemene Rekenkamer in het kader van artikel 96, tweede lid, van de
Comptabiliteitswet 2001? Kan de minister aangeven of en zo ja, hoe hij gevolg
heeft gegeven aan de bevindingen van de Algemene Rekenkamer in het kader van
artikel 96 tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001? </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. Bijgevoegd zijn de bevindingen van de Algemene Rekenkamer, waarin
wordt geconstateerd dat de Rekenkamer controlebevoegdheden krijgt bij de Stichting
Servicecentrum Onderwijshuisvesting.<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="rom">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de minister conform het Beleidskader voor Stichtingen
advies gevraagd aan de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen? Kan de Kamer
dit advies ontvangen? Kan de minister aangeven of en zo ja, hoe hij gevolg
heeft gegeven aan het advies van de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De oprichting van het Servicecentrum Onderwijshuisvesting is conform het
Beleidskader voor Stichtingen voorgelegd aan de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen.
Deze zag geen aanleiding om hierover formeel advies op te stellen.</al>
      <tuskop letat="rom">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de minister nader ingaan op zijn beslissing om
in te zetten op integrale aanbesteding voor schoolgebouwen op basis van slechts
1 waarneming?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is veel concrete interesse in en behoefte aan integrale oplossingen
voor complexe huisvestingproblemen bij scholen en gemeenten. Voorts zijn de
ervaringen met DBFMO onder meer bij rijkshuisvesting en weginfrastructuur
positief. Dit is aanleiding om verder te gaan met het stimuleren van integrale
aanbesteding. Inmiddels hebben de gemeenten Brummen, Eindhoven en Vught PPC’s
laten uitvoeren ten behoeve van een beslissing om een DBFMO-aanbesteding te
starten. Ook uit de marktverkenning zoals beschreven in het business plan
voor het servicecentrum komt duidelijk naar voren dat er potentieel veel projecten
zijn die baat hebben bij integraal aanbesteden. Verder zal het servicecentrum
naast DBFMO zich ook richten op andere integrale aanbestedingsvormen. Hierdoor
wordt het aantal potentiële projecten aanzienlijk vergroot.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts zijn in vele andere landen PPS-constructies ontstaan in de onderwijssector.
Naast veel projecten in het VK zijn ook in andere landen PPS-scholen aanbesteed,
zoals Australië, België, Duitsland, Griekenland, Canada, Denemarken,
Egypte, Noord-Ierland, Schotland en Wales. Wel is het verschil tussen deze
landen en Nederland de wijze waarop de besluitvorming en bekostiging van schoolgebouwen
is georganiseerd. In de landen waar PPS zich sneller ontwikkelt is de besluitvorming
over scholenbouw centraal georganiseerd. Dit maakt het ook mogelijk om projecten
te bundelen en de schaalgrootte te vergroten. </al>
      <tuskop letat="rom">13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de minister nader toelichten waarom zo specifiek
wordt gefocust op integrale aanbesteding als generieke oplossing en niet op
bredere ondersteuning op maat?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het servicecentrum wordt verantwoordelijk voor de publieke taak om in
den brede PPS bij onderwijshuisvesting te stimuleren. Voor wat betreft DBFMO
zullen Financiën en OCW gedurende de periode van subsidieverlening politiek
eindverantwoordelijk blijven voor de doelstelling om DBFMO ook bij onderwijshuisvesting
tot een reëel alternatief te maken voor andere vormen van aanbesteding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het servicecentrum zal scholen en gemeenten helpen om een zakelijke en
transparante afweging te maken tussen verschillende aanbestedingsvormen. Voorop
staat de beste prijs/kwaliteit-verhouding over de levensduur van een project
(value for money). Per project zal uiteraard sprake zijn van maatwerk.
Ingeval een niet-integrale aanbesteding tot de meeste value for money leidt
dan wordt geadviseerd dat een school of gemeente uiteraard hiervoor kiest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>mede namens de Staatssecretaris van OCW (PO),</al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Financiën,</functie>
        <naam>W. J. Bos </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:</al>
    <al>Leden: van der Vlies (SGP), Blok (VVD), Voorzitter, Ten Hoopen (CDA),
Ondervoorzitter, Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot
Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD),
Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma
(PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (CU), Van der Burg (VVD), Van
Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Heerts (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD),
Tang (PvdA), Vos (PvdA), Bashir (SP) en Sap (GL).</al>
    <al>Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Remkes (VVD), Jonker (CDA), Aptroot
(VVD), De Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), De
Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der
Veen (PvdA), Smilde (CDA), Anker (CU), Vacature (algemeen), De Roon (PVV),
Van Dam (PvdA), Smeets (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA),
Roefs (PvdA), Van Gerven (SP) en Vendrik (GL).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>