Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-201331415 nr. A

31 415 DNA-onderzoek in strafzaken

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 april 2013

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie1 hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit DNA-onderzoek in strafzaken. Zij begrijpen dat de bewaartermijnen die gelden voor DNA-gegevens aangepast dienen te worden in verband met de Wet aanpassing verjaringsregeling (Stb. 2012, 572). Aangezien met de inwerkingtreding van deze wet voor meer misdrijven dan voorheen het geval was, de verjaringstermijnen worden verlengd of opgeheven, hebben zij in dit verband nog een aantal vragen die zijn opgenomen in de brief aan de minister van Veiligheid en Justitie van 22 februari 2013.

De minister heeft op 17 april 2013 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Kim van Dooren

BRIEF AAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Den Haag, 22 februari 2013

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit DNA-onderzoek in strafzaken. Zij begrijpen dat de bewaartermijnen die gelden voor DNA-gegevens aangepast dienen te worden in verband met de Wet aanpassing verjaringsregeling (Stb. 2012, 572). Aangezien met de inwerkingtreding van deze wet voor meer misdrijven dan voorheen het geval was, de verjaringstermijnen worden verlengd of opgeheven, hebben zij in dit verband nog een aantal vragen.

De bewaartermijn van 80 jaar gaat ook gelden voor DNA-gegevens van overleden slachtoffers, vermiste personen en onbekende verdachten die in verband staan met een misdrijf dat als gevolg van de genoemde wet niet langer zal verjaren, aldus de toelichting. Wat gebeurt er met DNA-materiaal dat in het kader van een opsporingsonderzoek vrijwillig door personen is afgestaan? Wordt dit ook maximaal tachtig jaar bewaard? Zo ja, zijn de personen die dit materiaal vrijwillig hebben afgestaan, daarvan op de hoogte? Zo nee, op welk moment wordt dit materiaal dan vernietigd en worden betrokkenen daarvan in kennis gesteld?

Een bewaartermijn van 80 jaar is dusdanig lang dat het standpunt verdedigd zou kunnen

worden dat na afloop daarvan niemand meer belang heeft bij het vernietigen van genoemde gegevens. Toch is het van belang dat deze bewaartermijnen worden bewaakt en dat gegevens na afloop daarvan worden vernietigd. De vraag is of een zodanig systeem is ontwikkeld, hoe dit wordt bewaakt en of dit voldoende bescherming biedt. Graag een reactie van de regering.

De leden van de commissie zien uw antwoord met belangstelling –  en bij voorkeur binnen vier weken – tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, A. Broekers-Knol

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 april 2013

Bij brief van 24 januari 2013 heb ik bij uw Kamer voorgehangen het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden (verder: het ontwerpbesluit). Bij brief van 22 februari 2013 gaven de leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie aan te begrijpen dat de bewaartermijnen die gelden voor het celmateriaal en de DNA-profielen aangepast dienen te worden in verband met de Wet aanpassing verjaringsregeling (Stb. 2012, 572). Wel hebben zij naar aanleiding van het ontwerpbesluit nog een aantal vragen die ik graag met deze brief beantwoord.

Vrijwillig afgestaan DNA-materiaal

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie vroegen wat er gebeurt met DNA-materiaal dat in het kader van het opsporingsonderzoek vrijwillig door personen is afgestaan.

Voor zover het gaat om een verdachte die toestemming heeft gegeven tot het afnemen van zijn DNA-materiaal, geldt dat diens DNA-gegevens op grond van artikel 17 jo. artikel 16 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (verder: het DNA-Besluit) worden vernietigd zodra betrokkene niet langer wordt aangemerkt als verdachte van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hiervan is in ieder geval sprake bij een beslissing tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak geëindigd is, een vrijspraak of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een maatregel als bedoeld in de artikelen 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Wanneer een verdachte wordt veroordeeld, worden zijn DNA-gegevens overeenkomstig artikel 18 van het DNA-besluit bewaard voor een periode van twintig, dertig of tachtig jaar, afhankelijk van het gepleegde misdrijf.

Met betrekking tot DNA-gegevens van derden (niet-verdachten) die vrijwillig hun DNA-materiaal hebben afgestaan, bepaalt artikel 13, tweede lid, van het DNA-Besluit dat dit terstond wordt vernietigd nadat is vastgesteld dat het DNA-profiel van de derde niet overeenkomt met het DNA-profiel van de onbekende verdachte (het DNA-sporenmateriaal) dat in verband met hetzelfde strafbare feit is verkregen, dan wel terstond nadat de derde het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft medegedeeld dat hij zijn toestemming tot het verwerken van zijn celmateriaal heeft ingetrokken.

Zoals ik in de memorie van antwoord bij het (toen nog) wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de introductie van DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere onderwerpen (Kamerstukken I 2011/12, 32 168, C, p. 5) had aangekondigd, heb ik laten onderzoeken of het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken op een zodanige wijze zou moeten worden aangepast dat het celmateriaal en de DNA-profielen van derden – indien zij toestemming geven voor het langer bewaren van hun DNA-gegevens – pas worden vernietigd na afloop van de strafzaak in het kader waarvan hun celmateriaal is afgenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek ben ik voornemens het DNA-Besluit op dit punt aan te passen. Een ontwerpbesluit daartoe zal worden voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer.

Degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank is verwerkt, wordt – zo merk ik in reactie op een vraag van de leden van de vaste commissie op – niet actief op de hoogte gesteld van het feit dat zijn DNA-profiel en het daarbij horende celmateriaal worden vernietigd. Dat neemt niet weg dat de betrokkene zich wel op basis van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens tot het NFI kan wenden met een verzoek hem op de hoogte te stellen van het feit of zijn DNA-gegevens bij het NFI worden bewaard. Dit zogeheten recht op kennisneming biedt hem de mogelijkheid om er achter te komen of zijn profiel in de DNA-databank is vastgelegd en of celmateriaal van hem bij het NFI is opgeslagen. Indien mocht blijken dat zijn DNA-profiel en celmateriaal bij dit instituut worden bewaard en dit in strijd is met de geldende regelgeving, kan hij vervolgens de Minister van Veiligheid en Justitie verzoeken zijn profiel en celmateriaal te laten vernietigen. Het is mijn bedoeling om naar aanleiding van de toezegging die ik op 6 november jl. tijdens de plenaire behandeling van de Wet aanpassing regeling verjaring in uw Kamer heb gedaan (Handelingen I 2012/13 6-8-49), in het op te stellen protocol over het verwerken van derdenmateriaal aan het recht op informatie expliciet aandacht te besteden. Dit protocol zal gelijktijdig met de bovengenoemde wijziging van het DNA-Besluit worden opgesteld en worden voorgelegd aan de Tweede en Eerste Kamer.

Vernietiging vingerafdrukken en DNA-materiaal

Aan alle DNA-profielen moet een bewaartermijn worden gekoppeld. Voor zover het gaat om vingerafdrukken of DNA-gegevens van overleden slachtoffers, vermiste personen en onbekende verdachten (verder: DNA-sporen), zoals in dit ontwerpbesluit, bevat artikel 18, dertiende lid, van het DNA-Besluit de plicht voor het openbaar ministerie om aan het NFI de bewaartermijn door te geven die aan de desbetreffende DNA-gegevens moet worden gekoppeld.

Met de leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie acht ik het van belang dat de termijnen voor het bewaren van de DNA-gegevens zorgvuldig worden bewaakt en dat deze gegevens na afloop van de in het DNA-Besluit opgenomen bewaartermijnen worden vernietigd. Dit geldt ook wanneer het een bewaartermijn betreft van tachtig jaar. In de nabije toekomst zal de vernietiging van gegevens die tachtig jaar mogen worden bewaard zich dit niet direct voordoen, omdat DNA onderzoek pas sinds ongeveer vijfentwintig jaar wordt toegepast. Een systeem hiervoor is al wel in ontwikkeling.

Naar ik vertrouw heb ik met het bovenstaande naar genoegen geantwoord op de bij de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie levende vragen over het ontwerpbesluit.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Broekers-Knol (VVD) (voorzitter), Kneppers-Heijnert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vicevoorzitter), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Swagerman (VVD)