﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31289-8/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2007-2008</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="rel_1_0_5_5__1.1" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST113410</ordernr>
    <vergjaar>2007-2008</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>31 289</nummer>
      <naam>Voortgezet Onderwijs</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>8</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>4 december 2007</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>U ontvangt hierbij een rapport van het GION/Risbo «Innovaties in
het voortgezet onderwijs».<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> Dit rapport
vloeit voort uit de aankondiging van mijn ambtsvoorganger in haar brief aan
Uw Kamer van 27 september 2006, dat zij een onderzoek zal entameren naar
de effecten van innovaties op het leerproces en de leerresultaten van jongeren
(TK 30 800 VIII, nr. 6). Het onderhavige onderzoeksrapport is hiervan
het resultaat. In deze brief beschrijf ik achtereenvolgens:</al>
      <al>1. de achtergrond en context bij dit onderzoek</al>
      <al>2. de belangrijkste uitkomsten</al>
      <al>3. implicaties voor beleid</al>
      <tuskop letat="vet">1. Achtergrond en context</tuskop>
      <al>Scholen in het voortgezet onderwijs geven de laatste jaren actief vorm
aan nieuwe onderwijspraktijken, gericht op een betere kwaliteit en betere
leerresultaten. Ze doen dit eigener beweging, en met het oogmerk om jongeren
tot betere leerprestaties aan te zetten, ze te motiveren, uitval te voorkomen,
talentontwikkeling te versterken of met het oog op andere aspecten van beter
leren en onderwijzen. Scholen hebben daarvoor de ruimte en die ruimte nemen
ze in toenemende mate; zij het dat scholen zich ook vaak nog wel onvoldoende
bewust zijn van de ruimte die de regelgeving biedt. Desondanks is sprake van
een grote variëteit aan initiatieven van onderop om de onderwijspraktijk
te veranderen en te verbeteren. Soms gaat het om veranderingen binnen de school,
maar in toenemende mate gaat het om onderwijspraktijken die samenwerking vergen
tussen de school en partners uit het bedrijfsleven, de sport, de cultuur,
de jeugdzorg, vrijwilligersorganisaties en andere partijen die een bijdrage
kunnen leveren aan het leer- en ontwikkelingsproces van jongeren. Innovatie
staat hoe dan ook in het teken van een betere kwaliteit van onderwijzen en
leren. Scholen hebben daarbij zelf het initiatief. De aanpak waarbij innovatie
van onderop kansen krijgt geniet groot draagvlak in het veld. De VO-raad vervult
een centrale rol in de innovatiestrategie voor het voortgezet
onderwijs. Over deze ontwikkelingen is Uw Kamer de afgelopen jaren bij verschillende
gelegenheden geïnformeerd (Koers VO 29 200 VIII, nr. 151, TK
29 800 VIII, nr. 251, TK 30 800 VIII, nr. 6)</al>
      <tuskop letat="cur">Bedachtzaamheid</tuskop>
      <al>Innovatie is op een eenvoudige manier te definiëren: het is nieuw
of anders, en het is gericht op de verbetering van de kwaliteit van leren
en onderwijzen. Dat effect kun je alleen vaststellen als je de innovatie in
de praktijk uitprobeert. Dat vraagt een benadering waarbij scholen een goede
balans vinden tussen elan om te vernieuwen en bedachtzaamheid in de aanpak
ervan. Wetenschappelijke fundering en bewaking is hierbij essentieel. Zo’n
benadering is bijvoorbeeld gevonden in de Expeditie Durven Delen Doen, een
recent initiatief van de VO-raad dat er op gericht is om op een zorgvuldige
en wetenschappelijk gefundeerde wijze ervaring op te doen met andere vormgevingen
van het onderwijs. Een initiatief als de Expeditie sluit ook aan bij het advies
van de Onderwijsraad uit 2006 («Naar meer evidence-based onderwijs«)
om ontwikkelingen in de onderwijspraktijk van een adequate wetenschappelijke
fundering te voorzien. Het FES-project «Leren door te experimenteren»
past ook in de ontwikkeling naar meer wetenschappelijke fundering van de onderwijspraktijk.
Een voorbeeld van een op wetenschappelijke leest geschoeide aanpak vinden
we ook in het project onderbouw van de heer H. Meijerink. En als laatste illustratie:
de ontwikkeling waarbij scholen meer te zeggen gaan krijgen over de R&amp;D
functie in de SLOA wetgeving (TK 30 300 VIII, nr. 182) past in deze
benadering. In een motie (31 031 VIII, nr. 11) over «evidence
based onderwijs» heeft Uw Kamer op 27 juni 2007 het belang hiervan
onderstreept. Terecht, want gedegen wetenschappelijke fundering is essentieel
voor de kwaliteit van en het draagvlak voor onderwijsinnovatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Groeiende kennisbasis over innovatie</tuskop>
      <al>Het onderhavige onderzoek staat in het teken van deze ontwikkeling. Het
onderzoek maakt deel uit van een groeiende en bredere kennisbasis over de
merites van onderwijsinnovatie, een kennisbasis die wordt gevormd door verschillende
recente onderzoeken, verkenningen en adviezen. Deels zijn zij afgerond, deels
staan zij nog op stapel:</al>
      <al>• Beweging in beeld. Een publicatie van de VO-raad over innovatie
in het voortgezet onderwijs 2007 (mei 2007);</al>
      <al>• Een advies van de VROM Raad en de Onderwijsraad over de «Leerwerklandschappen»
(september 2007);</al>
      <al>• Een studie van dr. S. Waslander «Leren door innoveren»,
in opdracht van de VO-raad (oktober 2007);</al>
      <al>• Een verkenning van de Onderwijsraad «Sturen van vernieuwende
onderwijspraktijken» (november 2007);</al>
      <al>• Een onderzoek van de innovatieprojecten van de Beleidsregel Vooruit!
van 2004 (verschijnt eerste helft 2008, zie TK 29 800 VIII, nr. 251);</al>
      <al>• Een onderzoek naar de effecten op de kwaliteit van het onderwijs
van samenwerking tussen scholen en partners als bedrijven, sport en cultuur
(begin 2008);</al>
      <al>• De monitor onderbouw van de Projectgroep Onderbouw (medio december)</al>
      <al>• Het Innovatieplatform werkt op dit moment aan een advies over onderwijsinnovatie.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Belangrijkste uitkomsten van het onderzoek</tuskop>
      <al>Het verkennende onderzoek van Risbo/GION naar de effecten van innovaties
biedt een belangrijke bijdrage aan de kennisvermeerdering over innovatie.
In feite is het voor het eerst dat een zo omvattend onderzoek naar de opbrengsten
van innovatie in het voortgezet onderwijs plaatsvindt. Een voor onderzoekers
ook lastig te ontginnen terrein, zo blijkt uit het rapport. De onderzoekers
beschouwen hun rapport daarom als een eerste stap om te voorzien in een hiaat
op het terrein van kennis over innovatie. Daarmee is mijns inziens de beperking
maar ook de waarde van dit onderzoek goed uitgedrukt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzoekers hebben het begrip innovatie breed gedefinieerd: als in
de beschikbare onderzoeksgegevens gemeld wordt dat sprake is van innovatie,
dan beschouwen de onderzoekers dit ook als zodanig. Het onderzoek is zo te
vergelijken met een breed sleepnet waarmee een grote variëteit aan vernieuwende
praktijken wordt opgehaald. Voor een onderzoek als dit beschouw ik dat ook
als een juiste keus: het gaat immers om een brede oriëntatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzoekers hebben zich gebaseerd op onderzoeksmateriaal uit zowel
het buitenland als uit Nederland: bestaand onderzoek, websites, reeds bestaande
gegevens van onder meer de VO-raad of de Inspectie. Ze hebben gebruik gemaakt
van secundair materiaal om scholen niet te belasten met enquêtes en
andersoortige rechtstreekse bevraging. Dit levert uiteraard een beperking
op, maar men kon toch beschikken over een schat aan gegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Belangrijkste constateringen</tuskop>
      <al>De onderzoekers constateren een grote variëteit aan vernieuwende
onderwijspraktijken in het voortgezet onderwijs. De innovatiebeweging is sterk
op gang gekomen, aldus het rapport. Maar wat zijn de effecten van deze innovaties
op de kwaliteit van het leren en onderwijzen? Alles afwegende stellen de onderzoekers
vast dat het nu beschikbare materiaal ons nog niet in staat stelt wetenschappelijk
verantwoorde uitspraken te doen over de merites van innovatie voor de kwaliteit
van het onderwijs. Nog niet, want de onderzoekers achten dit in de toekomst
wel mogelijk op basis van een onderzoeksdesign dat in het onderzoeksrapport
gepresenteerd wordt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bevindingen van het onderzoek zijn in een tweetal sessies onderwerp
van gesprek geweest met onderwijsexperts, wetenschappers en vertegenwoordigers
uit de praktijk, waaronder schooldirecteuren. De verslagen van deze bijeenkomsten
zijn in het onderzoeksrapport opgenomen. In beide bijeenkomsten is naar voren
gekomen dat de rol van de docent bij innovatie en kwaliteitsverbetering cruciaal
is en de komende jaren meer aandacht behoeft. Daarbij gaat het niet alleen
om de docent als object, maar ook als subject van onderzoek, als een professional
die steeds systematischer en onderzoeksmatiger aan de slag is met zijn vak.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Implicaties voor beleid</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Scholen nemen hun verantwoordelijkheid</tuskop>
      <al>In de Beleidsagenda bij de Begroting 2008 is aangegeven dat het onderwijs
beter moet. We willen dat jongeren in het onderwijs de kwaliteiten en eigenschappen
ontwikkelen die ze tot volwaardige burgers maakt voor een florerende kennissamenleving.
Daarin geldt een rolverdeling tussen overheid en scholen. De overheid bepaalt
namens de samenleving wat jongeren moeten leren, en daarin is –
voor zover het voortgezet onderwijs betreft – via de Kwaliteitsagenda
VO ook een aantal accenten gelegd: meer nadruk op kennis, op taal- en rekenvaardigheid,
op burgerschap en op talentontwikkeling. De wijze waarop het onderwijs wordt
gegeven is – behoudens vereisten ten aanzien van«basiskwaliteit» –
een verantwoordelijkheid van de school. Kort en goed: de overheid gaat over
het «wat», de school over het «hoe». Wel wil het Kabinet
de kwaliteit van het «hoe» bevorderen, door meer wetenschappelijke
fundering van de onderwijspraktijk, door de leraar zijn vak terug te geven
en door de horizontale interactie tussen de school en belanghebbenden te versterken,
aldus de Beleidsagenda.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige onderzoek is een eerste poging om vanuit een wetenschappelijk
oogpunt zicht te krijgen op de merites van onderwijsinnovaties voor de kwaliteit
van het onderwijs. Het is in lijn met de hierboven geschetste taakverdeling
dat vooral de scholen en de docenten hun voordeel doen met de bevindingen
van dit onderzoek. Ik zal met de VO-raad en met vertegenwoordigers van leraren
bespreken hoe dit kan worden bevorderd.</al>
      <tuskop letat="cur">Alles op kwaliteit</tuskop>
      <al>Hoe nu verder? Het antwoord op die vraag wordt in belangrijke mate bepaald
door de afspraken met de VO-sector, zoals die beschreven staan in de Kwaliteitsagenda
VO. De kern van de Kwaliteitsagenda wordt gevormd door prestatieafspraken
op 6 kernthema’s, die essentieel zijn voor de kwaliteit en het publieke
vertrouwen in onderwijs: een steviger basis op taalen rekenvaardigheid, betrouwbare
examens, betere ontwikkeling van toptalent, alle leerlingen een passende kwalificatie,
versterken van burgerschap door maatschappelijke stage, en een resultaatgerichte
aanpak van zeer zwakke scholen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Elk van deze ambities daagt de scholen uit de kwaliteit van het onderwijs
te verbeteren, en onderwijspraktijken te ontwikkelen die alles uit onze jongeren
haalt wat er in zit aan talent en kwaliteit. Het is dan ook van belang dat
scholen de ruimte die hen daarvoor gegeven is goed benutten, door verantwoord
en doordacht initiatief tot vernieuwing en verbetering. Een drietal lijnen
acht ik daarbij in het bijzonder van belang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste plaats: de docent moet beter in positie komen. Het is van
groot belang – aldus de Beleidsagenda – dat de docent zelf in
de positie is de keuzes voor de meest effectieve pedagogisch didactische aanpak
te maken, in goede samenspraak met belanghebbenden, en ondersteund door hoogwaardig
wetenschappelijk onderzoek. Rinnooy Kan zegt daar treffend over: «Een
goede leraar streeft er ook naar om rechtstreeks kennis met collega’s
uit te wisselen en te creëren. De leraar zelf vormt zo ook de basis voor
een meer «evidence based» onderwijs: innoveren omdat de leraar
dit samen met vakgenoten heeft uitgezocht en heeft gemerkt dat het onderwijzen
op een andere manier beter werkt.» In het Actieplan Leerkracht van 23 november
2007 is deze aanpak voluit gehonoreerd. Het is een benadering waarbij de docent
systematischer en onderzoeksmatiger reflecteert op de effecten van zijn manier
van lesgeven, zodat dit de kwaliteit van zijn professionele handelen ten goede
komt, en de «wetenschap van het leren» verder bevorderd wordt.
Een «wat-werkt»-website, zoals de onderzoekers die voorstellen
naar het model van de What Works website in de Verenigde Staten, is in dit
verband een verkenning waard.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede plaats is de betrokkenheid van belanghebbenden en partners
van de school van belang: zoals leerlingen, ouders, bedrijven, sport, cultuur, jeugdzorg, gemeenten en vrijwilligersorganisaties. Bijvoorbeeld:
de klachten van de studenten- en leerlingenorganisaties dit voorjaar illustreren
dat deze belanghebbenden een duidelijke stem willen hebben in de kwaliteit
van het onderwijs (TK 30 800 VIII, nr. 140). Het laat zien dat impulsen
voor kwaliteitsversterking niet alleen van de overheid (hoeven te) komen,
maar ook van partijen in de directe omgeving van de school. Die partijen zijn
bovendien van belang omdat ze ook zelf een bijdrage kunnen leveren aan het
leerproces van jongeren; scholen werken dan ook steeds vaker samen met partners
uit het bedrijfsleven, de sport, de cultuur, het vrijwilligerswerk en jeugdzorg
om jongeren een zo krachtig mogelijke leeromgeving te bieden. De maatschappelijke
stage, leerwerklandschappen, combinatiefuncties en de brede school zijn daar
voorbeelden van. Ik beraad me op de wijze waarop deze ontwikkeling sterker
kan worden gemaakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de derde plaats: meer wetenschappelijk fundering van en begeleiding
bij vernieuwende onderwijspraktijken. Effectonderzoek is daarbij van belang:
wat zijn de merites van verschillende onderwijspraktijken voor zaken als leerprestaties,
motivatie, talentontwikkeling en dergelijke? Het onderhavige onderzoek is
daarvan een voorbeeld. De resultaten van een onderzoek als dit zullen dan
ook onderdeel moeten zijn van het wetenschappelijke en publieke discours over
innovatie in het voortgezet onderwijs. Dat geldt ook voor de onderzoeken en
verkenningen die ik eerder in deze brief genoemd heb. Ik wil toe naar een
meer programmatische aanpak om die kennisbasis over effecten van innovaties
te versterken en te verdiepen. Dit is ook van belang met het oog op het actuele
publieke debat over onderwijsvernieuwing. Overigens bevat ook het programma
van het PROO voor 2008–2011 een lijn «Onderwijsleerprocessen en
opbrengsten». Tenslotte attendeer ik u op de recente oprichting van
het «Instituut voor Evidence Based Onderwijs», dat op dit terrein
ook een belangrijke rol zal gaan vervullen.</al>
      <tuskop letat="vet">Tot slot</tuskop>
      <al>Scholen en docenten hebben de verantwoordelijkheid en de vrijheid het
onderwijs zo in te richten dat de kwaliteiten en talenten van jongeren optimaal
uit de verf komen, en dat jongeren de kennis en vaardigheden verwerven die
ze nodig hebben om volwaardig in onze kennissamenleving kunnen functioneren.
De Kwaliteitsagenda VO vormt voor de komende jaren het kader en de inspiratie
voor dit perspectief. Het realiseren ervan vraagt een gedegen afweging van
scholen en docenten in samenspraak met belanghebbenden en samenwerkingspartners
van de school. Inzet van wetenschap is daarbij onontbeerlijk. In een goed
samenspel tussen scholen, docenten, belanghebbenden en wetenschap moet het
voorgezet onderwijs substantieel beter worden. Waar nodig zal ik dat samenspel
bevorderen en bewaken.</al>
      <ondtek>
        <functie>De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
        <naam>J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>