﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nowi">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31116-8/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2007-2008</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="rel_1_0_5_7__1.1" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST117178</ordernr>
    <vergjaar>2007-2008</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>31 116</nummer>
      <naam>Wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de
regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Wet deskundige
in strafzaken)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>8</nummer>
      <titel>TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING</titel>
      <datum>Ontvangen 9 april 2008</datum>
      <al>Artikel I van het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onderdeel E wordt als volgt gewijzigd:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>1</al>
      <al>De aanhef komt te luiden:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na artikel 150 (nieuw) worden drie artikelen 150a, 150b en 150c ingevoegd
die luiden:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>2</al>
      <al>Artikel 150a, derde lid, komt te luiden:</al>
      <al>3. De verdachte kan naar aanleiding van de uitslag binnen twee weken
na kennisgeving daarvan om een tegenonderzoek verzoeken. Hij geeft daarbij
aan om welke redenen hij het doen verrichten van een tegenonderzoek aangewezen
acht. Hij geeft voorts aan welke deskundige het onderzoek, dat gelijkwaardig
moet zijn aan het eerste onderzoek, zou moeten uitvoeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>3</al>
      <al>Na artikel 150b wordt artikel 150c ingevoegd dat luidt:</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 150c</tuskop>
      <al>1. Indien de officier van justitie op grond van artikel 150a, derde
lid, of de rechter-commissaris op grond van artikel 150b, derde lid, een tegenonderzoek
gelast, verleent hij daartoe opdracht aan een deskundige. Hij doet daarvan
schriftelijk mededeling aan de verdachte.</al>
      <al>2. De deskundige die het tegenonderzoek verricht, wordt in staat
gesteld dit uit te voeren; hij verkrijgt daartoe toegang tot het onderzoeksmateriaal
en de desbetreffende gegevens uit het eerste onderzoek.</al>
      <al>3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het onderzoek bedoeld in het
eerste lid.</al>
      <tuskop letat="vet">Toelichting</tuskop>
      <al>Op grond van het voorgestelde artikel 150a, derde lid, Wetboek van Strafvordering,
heeft de verdachte het recht om naar aanleiding van de uitslag van een in
opdracht van de officier van justitie verricht onderzoek, binnen twee weken
na kennisgeving daarvan een tegenonderzoek te verzoeken.</al>
      <al>Wanneer de officier van justitie het verzoek weigert, kan de verdachte
zijn verzoek herhalen bij de rechter-commissaris. De officier van justitie
respectievelijk rechter-commissaris zal ter beoordeling van dit verzoek moeten
afwegen in hoeverre het verzoek in het belang van het onderzoek zal zijn.
Van de verdachte mag worden verwacht dat hij ten behoeve van die afweging
aangeeft om welke redenen hij meent dat het verrichte onderzoek niet de juiste
conclusies bevat. Tevens mag van hem worden verlangd dat hij aangeeft welk
instituut of welke deskundige naar zijn mening in staat zou zijn een gelijkwaardig
tegenonderzoek te verrichten. Het bij deze tweede nota van wijziging voorgestelde
artikel 150a, derde lid, beoogt daaraan uitdrukking te geven.</al>
      <al>Het moet in ieder geval gaan om een gelijkwaardig onderzoek. Als de verdachte
voorstelt het tegenonderzoek te laten verrichten door een deskundige die voor
beantwoording van de vraagstelling aanmerkelijk minder gespecialiseerd is
dan de deskundige die het eerder onderzoek heeft verricht, kan dat aanleiding
vormen het verzoek af te wijzen. Als de verdachte daarentegen een deskundige
of een instituut voorstelt die daadwerkelijk in staat moet worden geacht tot
het verrichten van gelijkwaardig onderzoek, dan zal dat zijn verzoek versterken.
Daarbij is het uiteraard ook mogelijk dat de verdachte een deskundige voorstelt
die meer gespecialiseerd is op het onderwerp waarop hij het eerder verrichte
onderzoek betwist. Ook dan mag worden verwacht dat een goede onderbouwing
een positieve invloed zal hebben op de haalbaarheid van zijn verzoek. Aangenomen
mag worden dat deskundigen die zijn geregistreerd in het Nederlands register
gerechtelijke deskundigen voldoende kwaliteit vertegenwoordigen om gelijkwaardig
tegenonderzoek te kunnen verrichten. Naar verwachting zal dit register een
goede bijdrage leveren aan de beschikbaarheid van deskundigen die voldoen
aan een bepaald kwaliteitsniveau. Op grond van artikel 198, derde lid, Sv
en het Besluit van 4 december 1925 inzake observatie-inrichtingen gedetineerden,
Stb. 1925, 461, is een aantal instellingen als observatie-inrichting gedetineerden
aangewezen, welke geacht worden observatieonderzoek te kunnen doen dat gelijkwaardig
is aan dat van het Pieter Baan Centrum. Ook voor verdachten bij wie een psychotische
stoornis wordt verondersteld, is het derhalve mogelijk om te verzoeken om
gelijkwaardig tegenonderzoek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 150c zijn bepalingen opgenomen, waarin wordt geregeld dat de
officier van justitie daadwerkelijk opdracht verleent aan een deskundige tot
het uitvoeren van een tegenonderzoek en dat de desbetreffende deskundige voor
zijn tegenonderzoek de beschikking krijgt over het oorspronkelijke onderzoeksmateriaal
en de resultaten van het eerste deskundigenonderzoek. Nadat de opdracht is
verleend, zijn de overige bepalingen van artikelen 51i en 51j omtrent de uitvoering
van de opdracht, de rapportage en de bekostiging daarvan van toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aanvankelijk was in artikel 150a, derde lid, bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur nadere regels konden worden gesteld omtrent de wijze
van uitvoering van tegenonderzoek. Deze bepaling is thans verplaatst naar
artikel 150c en verbreed naar de uitvoering van het tegenonderzoek in het
algemeen.</al>
      <al>Bij nadere beschouwing is het thans niet noodzakelijk om tot bijzondere
normering van het uit te voeren onderzoek over te gaan. Bij het in kaart brengen
van de te regelen materie bleek dat de reeds bestaande regelingen
betreffende het uitvoeren van tegenonderzoek betrekking hebben op sterk gestandaardiseerd
en geprotocolleerd onderzoek (namelijk het alcoholonderzoek en het DNA-onderzoek).
De hier aan de orde zijnde onderzoeken kunnen evenwel op velerlei soorten
deskundigenonderzoek betrekking hebben; deze laten zich thans niet in aard
en omvang voorzien. Om deze reden kan thans worden volstaan met het stellen
van algemene regels waaraan een verzoek tot het uitvoeren van een tegenonderzoek
moet voldoen en een bepaling op grond waarvan het onderzoek kan worden uitgevoerd.
Ik acht het goed denkbaar dat in de toekomst, mede op initiatief van het nieuwe
College voor de gerechtelijke deskundige wel normen kunnen worden ontwikkeld
voor bepaalde terreinen, opdat zij een formele status kunnen krijgen. Indien
dat het geval is, kan de mogelijkheid van artikel 150c, derde lid, alsnog
worden benut.</al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Justitie,</functie>
        <naam>E. M. H. Hirsch Ballin</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>