Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731083 nr. 54

31 083 Corporate governance

Nr. 54 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 juni 2017

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de brief van 28 maart 2017 over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 747) (Kamerstuk 31 083, nr. 53).

De vragen en opmerkingen zijn op 12 mei 2017 aan de ministier van Veiligheid en Justitie voorgelegd. Bij brief van 20 juni 2017 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie, Visser

De griffier van de commissie, Hessing-Puts

Inhoudsopgave

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie van de Minister

4

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Met interesse hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van bovengenoemd ontwerpbesluit. Dit besluit strekt tot de wettelijke verankering van de Nederlandse corporate governance code die in 2016 is herzien. Voornoemde leden staan positief tegenover deze nieuwe corporate governance code en de wettelijke verankering ervan. Wel hebben zij nog enkele vragen.

Deze vragen zien met name op de reikwijdte van de toetsing van de accountant van de corporate governance verklaring. Uit voorliggend besluit volgt dat de accountant moet toetsen of de corporate governance verklaring alle voorgeschreven elementen bevat en of twee specifieke onderdelen verenigbaar zijn met de jaarrekening. De aan het woord zijnde leden zijn door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants gewezen op een eventuele discrepantie tussen deze toetsing en de recente wijziging van artikel 2:393, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Op grond daarvan moet de accountant immers ook materiele onjuistheden signaleren in het bestuursverslag. Daarnaast lijkt dit evenmin te stroken met het Besluit bekendmaking niet-financiële informatie (Stb. 2017, nr. 100) waarin expliciet is bepaald dat de accountant de niet-financiële verklaring op dezelfde wijze onderzoekt als de rest van het bestuursverslag. Dit alles kan tot gevolg hebben dat indien voorliggend besluit ongewijzigd wordt vastgesteld de accountant de informatie die hij heeft opgedaan bij het controleren van de jaarrekening niet kan meenemen bij de toetsing van de corporate governance verklaring. Dit lijkt ten koste te gaan van een efficiënte en daadwerkelijk controle door de accountant van het bestuursverslag. Hoe kijkt u hier tegen aan? Deelt u deze redenering en de daarbij opgemerkte kritische kanttekeningen? Zo ja, bent u bereid deze discrepantie op te lossen? En zo ja, kan worden aangegeven op welke wijze dit zal worden gedaan? Om er voor te zorgen dat de accountantscontrole volledig en accuraat wordt uitgevoerd, in die mate dat gebruikers er daadwerkelijk zekerheid aan kunnen ontlenen, is het naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie goed om de toetsing in deze uit te breiden zodat ook wordt getoetst of zich materiële onjuistheden voordoen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de nota van toelichting van het ontwerpbesluit. Zij hebben hierbij nog een vraag.

Deze leden lezen dat het kabinet de herziene code verwelkomt omdat door de code de vennootschap meer rekening dient te houden met de bredere, maatschappelijke context waarbinnen ze opereert. Vennootschappen zullen over het naleven van die code moeten rapporteren. Kan nader gespecificeerd worden hoe u denkt dat de top van het bedrijfsleven deze cultuuromslag daadwerkelijk zal realiseren en de top van het bedrijfsleven integer zal handelen?

De leden van de D66-fractie hebben met positieve belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit met nadere voorschriften over de inhoud van het jaarverslag. Deze leden verwelkomen de herziene corporate governance code en de wettelijke verankering hiervan. Zij hebben nog enkele vragen over de controle op de naleving van de code.

Voornoemde leden lezen in de toelichting bij het ontwerpbesluit dat de herziene code ongewijzigd moet worden nageleefd conform het beginsel «pas toe of leg uit». Verantwoording van de naleving vindt plaats in het bestuursverslag. Klopt daarbij de constatering dat in het voorliggende besluit de toetsing door een externe accountant van de corporate governance verklaring beperkter is dan de toetsing van de overige onderdelen van het bestuursverslag? Zo ja, waarom is voor die beperktere toetsing gekozen?

Deelt u het belang dat enige mate van zekerheid ontleend moet kunnen worden aan de juistheid van het bestuursverslag en de accountantscontrole? Op welke wijze kan de accountant straks bij zijn onderzoek van het bestuursverslag de daarin opgenomen informatie toetsen aan de informatie die hem tijdens zijn onderzoek van de jaarstukken ter kennis is gekomen, bijvoorbeeld over risico’s en corporate governance en de in-controlverklaring van het bestuur ten aanzien van de beheersing van de financiële verslaggevingsrisico’s? Hoe wordt gewaarborgd dat de accountant die een en ander leest in de corporate governance verklaring dat niet strookt met informatie uit de jaarrekening controle, daar ook iets mee kan doen? In hoeverre ziet u aanleiding en mogelijkheden middels het onderhavige ontwerpbesluit de accountantscontrole ten aanzien van de corporate governance code nader te versterken door het gelijk te trekken met de controle van de overige onderdelen van het bestuursverslag?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Zij hebben hierbij enkele vragen en opmerkingen.

Deze leden lezen in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit dat het onderwerp cultuur wordt geïntroduceerd in de nieuwe corporate governance code, waardoor gedrag en integriteit een meer centrale positie zullen innemen binnen de onderneming en dat in de code risicobeheersing, inrichting van bestuur en toezicht, beloningsbeleid en verantwoording daarover een belangrijke functie krijgen. Deze leden lezen in de herziene code dat in overnamesituaties de raad van bestuur en de raad van commissarissen zich in hun handelen moeten laten leiden door het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het belang van de vennootschap in dit geval naar de mening van het kabinet tevens moet worden opgevat als een streven naar continuïteit en integriteit van de onderneming en, indien dit niet het geval is, op welke wijze dit volgens het kabinet wel zou kunnen worden verzorgd.

Voornoemde leden lezen in de nota van toelichting dat de renumeratiecommissie aan de raad van commissarissen verantwoording aflegt over het beloningsbeleid. Deze leden zijn benieuwd op welke wijze de ondernemingsraad wordt betrokken bij het beloningsbeleid. Deelt u de mening dat de beloning van bestuurders van een onderneming gebaseerd is op de prestaties van de onderneming en daarmee op de prestaties van de medewerkers? Zo ja, bent u bereid te streven naar grotere inspraak van werknemers op het beloningsbeleid om zo dit beloningsbeleid beter in evenwicht te brengen?

De aan het woord zijnde leden lezen in de nota van toelichting dat de code moet worden nageleefd conform het beginsel «pas toe of leg uit». Zij zijn benieuwd naar de ervaringen met dit beginsel bij corporate governance, in hoeveel gevallen de gedragscode uit 2008 niet is toegepast sinds haar inwerkingtreding en in hoeveel gevallen dit is uitgelegd. Tevens zijn deze leden benieuwd hoe, als het niet toepassen niet werd uitgelegd, hierop werd gehandeld, of er maatregelen zijn genomen en of recidive hiermee werd voorkomen. Deze leden vernemen daarnaast graag of, indien het niet toepassen werd uitgelegd, dit heeft geleid tot afwijkingen van de corporate governance code. Indien afwijkingen niet zijn voorgekomen zijn voornoemde leden benieuwd of toekomstige afwijkingen op enige wijze gesanctioneerd kunnen worden. Zo ja,door welke instantie?

De aan het woord zijnde leden lezen in de corporate governance code dat een diversiteitsbeleid ten aanzien van het bestuur en de raad van commissarissen door de raad van commissarissen wordt opgesteld. Deze leden zijn benieuwd of op enige wijze minimumeisen worden gesteld aan het te hanteren diversiteitsbeleid.

Voornoemde leden lezen dat de corporate governance code in werking treedt op 1 januari 2017 of in het boekjaar dat na deze datum aanvangt. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het feit dat dit besluit op 1 januari 2018 in werking treedt hiervoor enige gevolgen heeft. Indien dat het geval is vernemen deze leden graag welke dit zijn.

De leden van de SP-fractie merken op dat in de corporate governance code 2008 meer nadrukkelijke aandacht werd besteed aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze leden zijn benieuwd waarom in de nieuwe code hier geen nadrukkelijke aandacht naar uit gaat. Deze leden zijn tevens benieuwd in hoeverre het kabinet, dat met bijvoorbeeld het afsluiten van convenanten maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland heeft willen stimuleren, het betreurt dat dit onderwerp geen specifieke aandacht krijgt in de nieuwe code.

II. Reactie van de Minister

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PVV, D66 en de SP van 12 mei 2017 over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 2014, nr. 747) (hierna: het ontwerpbesluit), dat bij brief van 28 maart 2017 in verband met de voorgeschreven voorhangprocedure is voorgelegd (Kamerstuk 31 083, nr. 53).

De leden van de VVD-fractie vragen naar de reikwijdte van de toetsing van de accountant van de corporate governance verklaring. Zij wijzen op een eventuele discrepantie tussen deze toetsing en de recente wijziging van artikel 2:393 lid 3 BW, op grond waarvan de accountant ook materiële onjuistheden moet signaleren in het bestuursverslag. Evenmin lijkt deze toetsing te stroken met het Besluit bekendmaking niet-financiële informatie, waarin expliciet is bepaald dat de accountant de niet-financiële verklaring op dezelfde wijze onderzoekt als de rest van het bestuursverslag. Dit kan tot gevolg hebben dat de accountant de informatie die hij heeft opgedaan bij het controleren van de jaarrekening niet kan meenemen bij de toetsing van de corporate governance verklaring, aldus de leden. De leden vragen of ik deze redenering deel en zo ja, of ik bereid ben deze discrepantie op te lossen. Het is naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie goed om de toetsing uit te breiden zodat ook wordt getoetst of zich materiële onjuistheden voordoen. Ook de leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat de toetsing door de externe accountant van de corporate governance verklaring beperkter is dan de toetsing van de overige onderdelen van het bestuursverslag en, zo ja, waarom voor die beperktere toetsing is gekozen. Zij vragen op welke wijze de accountant bij zijn onderzoek van het bestuursverslag de daarin opgenomen informatie kan toetsen aan de informatie die hem tijdens zijn onderzoek van de jaarstukken ter kennis is gekomen. Zij vragen in hoeverre er aanleiding en mogelijkheden zijn om door middel van het ontwerpbesluit de accountantscontrole ten aanzien van de corporate governance code nader te versterken door deze gelijk te trekken met de controle van de overige onderdelen van het bestuursverslag.

De toetsing door de accountant van de verklaring inzake corporate governance is geregeld in artikel 3c van het Besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 2014, nr. 747) (hierna: het Besluit). Dit artikel wordt niet door het ontwerpbesluit gewijzigd. Op grond van artikel 3c van het Besluit geldt voor de meeste onderdelen van de verklaring inzake corporate governance dat de accountant nagaat of die onderdelen in de verklaring zijn opgenomen (aanwezigheidstoets). Dit is in overeenstemming met de EU-richtlijn jaarrekening 2013/34/EU waarin is opgenomen wat er in de verklaring inzake corporate governance dient te staan en hoe de accountant de verklaring toetst. Op grond van de genoemde EU-richtlijn jaarrekening dient slechts voor twee onderdelen van de verklaring de toets te worden toegepast die geldt voor de overige onderdelen van het bestuursverslag. Dat betreft de informatie over het beheers- en controlesysteem van de vennootschap rond het proces van financiële verslaggeving en de informatie ingevolge het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn (artikel 3a onder a en artikel 3b van het Besluit).

De leden pleiten ervoor om de toetsing van de verklaring inzake corporate governance gelijk te stellen met de toetsing van de overige onderdelen van het bestuursverslag. Dat is mogelijk op grond van de EU-richtlijn. Naar aanleiding van dit verzoek zal ik het ontwerpbesluit aanpassen zodat de accountant alle onderdelen van de verklaring inzake corporate governance toetst op dezelfde wijze als het bestuursverslag waarvan de verklaring deel uitmaakt. Het onderzoek van het bestuursverslag houdt in dat de accountant in het kader van de controle van de jaarrekening nagaat of het bestuursverslag conform de wettelijke vereisten is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is. Ook dient de accountant te onderzoeken of er, in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag zijn opgenomen (vgl. artikel 2:393 lid 3 BW). Deze aanpassing heeft tot gevolg dat de accountant bij zijn onderzoek van het bestuursverslag ook de daarin opgenomen verklaring inzake corporate governance in zijn geheel toetst op de informatie die hem tijdens zijn onderzoek van de jaarstukken ter kennis is gekomen. Dit biedt aan gebruikers meer zekerheid over de betrouwbaarheid van de informatie. Deze wijziging sluit ook aan bij de wijze waarop de accountant de niet-financiële verklaring toetst die door grote organisaties van openbaar belang in het bestuursverslag moet worden opgenomen (vgl. artikel 5 van het Besluit bekendmaking niet-financiële informatie).

De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet de herziene code verwelkomt omdat door de code de vennootschap meer rekening dient te houden met de bredere, maatschappelijke context waarbinnen zij opereert. Zij vragen of nader kan worden gespecificeerd hoe de top van het bedrijfsleven deze cultuuromslag daadwerkelijk zal realiseren en de top van het bedrijfsleven integer zal handelen.

Het uitgangspunt van de herziene code is het creëren van waarde op de lange termijn (vgl. hoofdstuk 1 van de herziene code). Waarde wordt daarbij breed gedefinieerd en draait niet enkel om winst. Onderdeel van langetermijnwaardecreatie is het meewegen van de belangen van stakeholders van de onderneming. Daarnaast wordt in de herziene code de rol van cultuur binnen de onderneming uitdrukkelijk benoemd. In principe 2.5 is opgenomen dat het bestuur verantwoordelijk is voor het vormgeven van een cultuur die gericht is op langetermijnwaardecreatie. Het bestuur is verantwoordelijk voor het inbedden van waarden die bijdragen aan deze cultuur binnen de onderneming waarbij aandacht is voor zowel de cultuur binnen de top als binnen de bredere onderneming. Verder bevat de code bepalingen die gericht zijn op het voorkomen van misstanden en onregelmatigheden. Op grond van principe 2.6 stelt het bestuur een regeling op voor het melden van (vermoedens van) misstanden en onregelmatigheden en dient het bestuur meldingen adequaat op te volgen. De raad van commissarissen houdt toezicht op de uitvoering van deze regeling.

Uiteraard kan de code geen garantie bieden dat alle misstanden worden voorkomen. De code zorgt er wel voor dat bestuurders en commissarissen van beursgenoteerde vennootschappen actief aan de slag gaan met de uitvoering van de codebepalingen. Dit betekent dat zij, voor zover nodig, aanpassingen zullen maken in de processen en procedures die binnen de onderneming gelden en ook aandacht zullen besteden aan de cultuur binnen de onderneming en hun eigen gedrag. Hierdoor zullen gedrag en integriteit een meer centrale positie innemen binnen de onderneming.

De leden van de SP-fractie lezen in de herziene code dat in overnamesituaties het bestuur en de raad van commissarissen zich in hun handelen moeten laten leiden door het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Zij vragen in hoeverre het belang van de vennootschap in dit geval tevens moet worden opgevat als een streven naar continuïteit en integriteit van de onderneming en, indien dit niet het geval is, op welke wijze dit zou kunnen worden verzorgd.

Het algemene uitgangspunt van de herziene code is dat het bestuur zich richt op de langetermijnwaardecreatie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en daartoe de in aanmerking komende belangen van de stakeholders weegt (principe 1.1). Dit kan worden gezien als een uitwerking van het in artikel 2:129 BW neergelegde beginsel dat het bestuur zich bij de vervulling van zijn taak richt naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. In de rechtspraak is bepaald dat indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, het vennootschapsbelang in de regel vooral wordt bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming (arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 inzake Inversiones c.s./Cancun Holding I c.s., ECLI:NL:HR:2014:799). De herziene code gaat er tevens van uit dat het bestuur verantwoordelijk is voor het vormgeven van een cultuur binnen de vennootschap die is gericht op langetermijnwaardecreatie (principe 2.5). Naar mijn idee kan een streven naar integriteit daaronder worden gebracht. In dat kader kan ook worden gewezen op de nieuwe regeling in best practice bepaling 2.6.1 over het melden van (vermoedens van) misstanden en onregelmatigheden binnen de vennootschap.

De vennootschap zal doorgaans continuïteit nastreven. Er zijn echter situaties denkbaar dat het in het belang van de vennootschap en alle stakeholders is om (een deel van) de onderneming af te stoten dan wel (een deel van) de onderneming over te dragen. In de herziene code wordt in principe 2.8 aandacht besteed aan overnamesituaties. Daarin is opgenomen dat bij een overnamebod zowel het bestuur als de raad van commissarissen voor een zorgvuldige weging van de betrokken belangen van de stakeholders moeten zorgen en belangenverstrengeling voor commissarissen of bestuurders moeten voorkomen. Deze voorschriften dienen ertoe dat wordt voorkomen dat het bestuur en de raad van commissarissen in een overnamesituatie hun eigen belang nastreven. Ik verwijs ook naar de brief van 20 mei jl. over overnames van bedrijven die door de Minister van Economische Zaken aan uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 29 826, nr. 70).

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de ondernemingsraad wordt betrokken bij het beloningsbeleid. Zij vragen of de mening wordt gedeeld dat de beloning van bestuurders gebaseerd is op de prestaties van de onderneming en daarmee op de prestaties van de werknemers. Indien dat het geval is, vragen zij of er zou moeten worden gestreefd naar grotere inspraak van werknemers op het beloningsbeleid om zo het beloningsbeleid beter in evenwicht te krijgen.

De beloning van bestuurders zal mede afhankelijk zijn van hoe goed de onderneming presteert, en hoe goed de onderneming presteert, hangt samen met de prestaties van de werknemers. Het samenstel van wet en code voorziet reeds in een belangrijke mate van betrokkenheid van de werknemers bij de totstandkoming van het beloningsbeleid. Principe 3.1 van de herziene code betreft het beloningsbeleid van het bestuur. De raad van commissarissen is verantwoordelijk voor het formuleren van het beloningsbeleid en houdt daarbij tevens rekening met de interne beloningsverhoudingen binnen de onderneming. Op grond van artikel 2:135 BW wordt de ondernemingsraad (indien de vennootschap deze op grond van de wet heeft ingesteld) in de gelegenheid gesteld een standpunt te bepalen over het beloningsbeleid voordat het beleid aan de algemene vergadering ter vaststelling wordt voorgelegd. Het standpunt van de ondernemingsraad wordt vervolgens aan de algemene vergadering aangeboden, zodat deze het standpunt kan betrekken bij de besluitvorming. De ondernemingsraad kan het standpunt in de algemene vergadering toelichten.

De beloning van de individuele bestuurders wordt met inachtneming van het beloningsbeleid vastgesteld (artikel 2:135 BW en principe 3.2). De herziene code bepaalt dat bij de vaststelling van de beloning ook rekening wordt gehouden met de beloningsverhoudingen binnen de vennootschap. Zo dient het beloningsvoorstel voor de individuele bestuurders in te gaan op de beloningsverhoudingen (best practice bepaling 3.2.1) en dient de bestuurder de beloningsverhoudingen te betrekken bij zijn visie op zijn eigen beloning (best practice bepaling 3.2.2). In het remuneratierapport, waarin de raad van commissarissen verantwoording aflegt over de uitvoering van het beloningsbeleid, wordt verslag gedaan van de beloningsverhoudingen binnen de vennootschap en, indien van toepassing, de wijzigingen in deze verhoudingen ten opzichte van voorgaande boekjaar (best practice bepaling 3.4.1).

Hierbij kan ook worden gewezen op EU-richtlijn 2017/828 betreffende het bevorderen van langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders (PbEU 2017, L 132). Daarin is opgenomen dat in het bezoldigingsbeleid wordt toegelicht hoe rekening is gehouden met de loon- en arbeidsvoorwaarden van de werknemers van de vennootschap bij de vaststelling van het bezoldigingsbeleid. Ook dient in het bezoldigingsverslag te worden ingegaan op de verhouding tussen de verandering in de gemiddelde beloning van de bestuurder en de werknemers in de afgelopen vijf jaar. De richtlijn dient op 10 juni 2019 in Nederlandse regelgeving te zijn omgezet.

Voor de volledigheid wordt vermeld dat bij de Tweede Kamer aanhangig is het wetsvoorstel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders (Kamerstuk 34 494). Het voorstel expliciteert bestaande verplichtingen waardoor een jaarlijks gesprek tussen de bestuurder en de ondernemingsraad over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen, inclusief die van het bestuur, verplicht wordt gesteld. In verband met de demissionaire status van het kabinet is de behandeling van het wetsvoorstel controversieel verklaard.

De leden van de SP-fractie vragen naar de ervaringen met het beginsel van «pas toe of leg uit». Zij vragen in hoeveel gevallen de code uit 2008 niet is toegepast en hoe vaak dit is uitgelegd. Ook zijn zij benieuwd hoe werd gehandeld als het niet-toepassen niet werd uitgelegd. Zij vragen of uitleg van het niet-toepassen heeft geleid tot afwijkingen van de code. Ook vragen zij of afwijkingen gesanctioneerd worden.

Het «pas toe of leg uit»-beginsel betekent dat een beursvennootschap een bepaling uit de code toepast of gemotiveerd uitlegt waarom een bepaling niet wordt toegepast. In beide gevallen is er sprake van naleving van de code. Het bestuur en de raad van commissarissen leggen in het bestuursverslag verantwoording af aan de algemene vergadering over de naleving van de code. Aandeelhouders vormen hier een oordeel over en treden zo nodig in dialoog met het bestuur en de raad van commissarissen. Zij kunnen tijdens de aandeelhoudersvergadering waarin zij stemmen over de vaststelling van de jaarrekening, de inhoud van het bestuursverslag aan de orde stellen. Op grond van afdeling 16 van titel 9 boek 2 BW kunnen belanghebbenden, zoals aandeelhouders of de ondernemingsraad, in een civielrechtelijke procedure aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam verzoeken om een bevel te geven aan de beursvennootschap om het bestuursverslag overeenkomstig de wettelijke voorschriften in te richten. De AFM kan toetsen of de corporate governance verklaring in het bestuursverslag is opgenomen en of de inhoud van deze verklaring consistent is met de inhoud van de rest van het bestuursverslag en van andere openbare informatie.

Van belang is tevens dat de naleving jaarlijks wordt gemonitord door de Monitoring Commissie Corporate Governance Code. Uit het meest recente monitoringrapport van deze commissie over het boekjaar 2015 blijkt dat de code goed wordt nageleefd: de naleving is gemiddeld 97%, waarbij de code voor bijna 95% wordt toegepast en er in 2,1% van de gevallen gemotiveerd wordt afgeweken van bepalingen. In gemiddeld 3% van de gevallen werd de code niet nageleefd. De bepalingen uit de code van 2008 die in boekjaar 2015 het vaakst niet werden nageleefd, betreffen het overzicht van het bezoldigingsbeleid in het remuneratierapport, het beleid voor bilaterale contacten met aandeelhouders en de profielschets van de raad van commissarissen. Wat betreft de bepaling over de profielschets is in het monitoringrapport geconstateerd dat hoewel vennootschappen wel een profielschets opstelden, regelmatig een toelichting op het al dan niet behalen van de diversiteitsdoelstellingen ontbrak. De commissie signaleerde dat alhoewel de naleving hoog is, er nog ruimte is voor verbetering en heeft alle fondsen opgeroepen om een nalevingsscore van 100% na te streven (zie http://www.mccg.nl/?page=4886). Ook in eerdere boekjaren is de gemiddelde naleving en toepassing van de code hoog. Omdat het van belang is dat een afwijking van een codebepaling voldoende wordt gemotiveerd, zijn in de herziene code duidelijkere eisen gesteld aan de uitleg die bij afwijking wordt gegeven. Indien blijkt dat een vennootschap in vergelijking tot andere vennootschappen veel bepalingen niet naleeft, spreekt de commissie de individuele vennootschap daarop aan.

De leden van de SP-fractie vragen of op enige wijze minimumeisen worden gesteld aan het diversiteitsbeleid voor het bestuur en de raad van commissarissen.

Best practice bepaling 2.1.5 bepaalt dat de raad van commissarissen een diversiteitsbeleid opstelt voor de samenstelling van het bestuur, de raad van commissarissen en, indien aanwezig, het executive committee. In het beleid wordt ingegaan op de concrete doelstellingen ten aanzien van diversiteit en de voor de vennootschap relevante aspecten van diversiteit, zoals nationaliteit, leeftijd, geslacht en achtergrond inzake opleiding en beroepservaring. Op grond van best practice bepaling 2.1.6 dient in de corporate governance verklaring verantwoording te worden afgelegd over de uitvoering van het diversiteitsbeleid. Hierbij moet worden ingegaan op de doelstellingen van het beleid, de wijze waarop het beleid is uitgevoerd en de resultaten van het beleid in het afgelopen boekjaar. Indien de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen afwijkt van de doelstellingen van het diversiteitsbeleid van de vennootschap wordt in de corporate governance verklaring tevens toegelicht wat de stand van zaken is, welke maatregelen worden genomen om de nagestreefde situatie wel te bereiken en op welke termijn. Ook wanneer wordt afgeweken van het streefcijfer voor de verhouding man-vrouw dient dit op basis van deze bepaling te worden toegelicht. Hiermee wordt gedoeld op de regeling van het wettelijk streefcijfer voor de verhouding man-vrouw in de artikelen 2:166 en 276 jo 391 lid 7 BW (Wet van 10 februari 2017, Stb. 2017, nr. 68). Grote NV’s en BV’s dienen te streven naar een evenwichtige verdeling van zetels in het bestuur en de raad van commissarissen. De zetels zijn evenwichtig verdeeld indien ten minste 30% van de zetels door vrouwen en ten minste 30% van de zetels door mannen wordt bezet.

De voorschriften in de code over het diversiteitsbeleid sluiten aan bij het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid (Stb. 2016, nr. 559), waarmee ter uitvoering van richtlijn 2014/95/EU het Besluit is aangevuld. Beursvennootschappen dienen in de verklaring inzake corporate governance ook melding te maken van het diversiteitsbeleid met betrekking tot de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen. In overeenstemming met deze EU-richtlijn geldt deze verplichting alleen voor beursvennootschappen die in het jaarrekeningenrecht als groot worden beschouwd, terwijl de codebepaling geldt voor alle beursvennootschappen ongeacht hun grootte.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt een verschrijving in artikel 1 lid 4 van het Besluit te herstellen. Dit artikellid ziet erop dat beursvennootschappen alleen mededeling doen over hun diversiteitsbeleid voor het bestuur en de raad van commissarissen indien zij als grote rechtspersoon worden beschouwd in het jaarrekeningenrecht. Per abuis is in het lid een dubbele ontkenning opgenomen. Dit wordt hersteld.

De leden van de SP-fractie merken op dat de corporate governance code in werking treedt op 1 januari 2017 of in het boekjaar dat na deze datum aanvangt. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het feit dat dit besluit op 1 januari 2018 in werking treedt hiervoor enige gevolgen heeft.

In de herziene code is opgenomen dat de code in werking treedt vanaf het boekjaar beginnend op of na 1 januari 2017. Dit komt overeen met artikel 4 van het ontwerpbesluit waarin is opgenomen dat de artikelen van het besluit van toepassing zijn op een bestuursverslag dat betrekking heeft op een boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2017. Dit betekent dat beursvennootschappen in bestuursverslagen over boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2017 nog mededeling moeten doen over de code uit 2008. Daarnaast is in artikel II van het ontwerpbesluit opgenomen dat het besluit in werking treedt op 1 januari 2018. Dit betekent dat in 2018 voor de eerste keer over de naleving van herziene code mededeling wordt gedaan in het bestuursverslag. Dan is immers het boekjaar 2017 afgerond en kan over dat boekjaar de financiële verslaggeving worden opgesteld (vgl. artikel 2:394 BW).

De leden van de SP-fractie vragen naar de aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen in de herziene code ten opzichte van de code uit 2008. Tevens vragen zij of het kabinet betreurt dat dit onderwerp geen specifieke aandacht krijgt in de nieuwe code.

Net zoals in de code uit 2008 heeft de herziene code aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). In beide codes dient het bestuur relevante maatschappelijke aspecten van ondernemen bij de taakvervulling te betrekken. In de herziene code gebeurt dit als onderdeel van het ontwikkelen van de visie op langetermijnwaardecreatie van de vennootschap. De herziene code vraagt in best practice bepaling 1.1.1 van ondernemingen om in de strategie aandacht te besteden aan voor de vennootschap en de met haar verbonden onderneming relevante aspecten van ondernemen, zoals milieu, sociale enpersoneelsaangelegenheden, de keten waarin de onderneming opereert, eerbiediging van mensenrechten en bestrijding van corruptie en omkoping. De raad van commissarissen wordt bij het formuleren van de strategie betrokken en houdt toezicht op de wijze waarop het bestuur de strategie voor langetermijnwaardecreatie uitvoert. Ik ben dan ook van mening dat het gedachtegoed van MVO stevig is verankerd in de code.