﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31066-1541/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>31 066</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Belastingdienst</titel>
    </dossier>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>25 087</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Internationaal fiscaal (verdrags)beleid</titel>
    </dossier>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>36 812</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">1541</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-06-08">8 juni 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de volgende brieven:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Fiscale geheimhoudingsplicht (Kamerstuk 
                        <extref doc="kst-31066-1510" soort="document" status="actief">
                           31 066 nr.1510</extref>)</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Vervolgonderzoek trailing taks (Kamerstuk <extref doc="kst-25087-356" soort="document" status="actief">25 087 nr. 356</extref>)</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking (Kamerstuk <extref doc="kst-25087-357" soort="document" status="actief">25 087 nr. 357</extref>)</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Onderzoek verschillen commerciële en fiscale jaarrekeningen (Kamerstuk <extref doc="kst-31066-1524" soort="document" status="actief">31 066 nr. 1524</extref>)</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling (Kamerstuk <extref doc="kst-36812-117" soort="document" status="actief">36 812 nr. 117</extref>)</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>De vragen en opmerkingen zijn op 27 maart 2026 aan de Staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 8 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Jansen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>Adjunct-griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Lips</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Staatssecretaris van Financiën</tussenkop>
            <al>Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA en CDA over de op 15 december 2025 toegezonden brief inzake een vervolgonderzoek met betrekking tot een trailing tax<noot id="ID-1253966-d40e136" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-31066-1510" soort="document" status="actief">31 066, nr. 1510</extref>.</noot.al></noot>, de op 17 december toegezonden brief inzake een onderzoek naar verschillen tussen de commerciële en fiscale winstberekening<noot id="ID-1253966-d40e145" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-31066-1524" soort="document" status="actief">31 066, nr. 1524</extref>.</noot.al></noot>, de op 12 januari 2026 toegezonden brief inzake overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling<noot id="ID-1253966-d40e154" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-117" soort="document" status="actief">36 812, nr. 117</extref>.</noot.al></noot> en de op 27 maart 2026 toegezonden brief inzake o.a. Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.<noot id="ID-1253966-d40e163" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-25087-357" soort="document" status="actief">25 087, nr. 357</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>Ook heb ik met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van VVD en GroenLinks-PvdA over de fiscale geheimhoudingsplicht naar aanleiding van de op 21 juli 2025 naar uw Kamer verzonden brief.<noot id="ID-1253966-d40e173" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-31066-1510" soort="document" status="actief">31 066, nr. 1510</extref>.</noot.al></noot> Het kabinet hoort de roep vanuit de Kamer om meer transparantie. Het kabinet kan tegelijkertijd, onder meer in het kader van de gestelde vragen, niet voldoende benadrukken dat de fiscale geheimhoudingsplicht het belang van compliance en een doelmatige belastingheffing en inning dient, en daarmee het belang van de Staat dient en daarnaast het belang van de bescherming van privacy van belanghebbenden. Bij iedere mogelijke doorbreking van de fiscale geheimhoudingsplicht een belangenafweging worden gemaakt tussen deze belangen en het belang van transparantie als het gaat om informatieverstrekking aan het parlement.</al>
            <al>Bij de beantwoording is voorts zo veel mogelijk de volgorde van het verslag van het schriftelijk overleg aangehouden, tenzij een aanleiding bestond om vragen samen te voegen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Financiën over de overwogen opties voor de dekking van de budgettaire gevolgen van het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de liquidatieverliesregeling.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden onderstrepen het belang van een gelijk speelveld binnen Europa en stabiliteit en voorspelbaarheid voor ondernemers. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat het belastingstelsel doelmatig en uitvoerbaar is, met oog voor het beperken van regeldruk en administratieve lasten. Deze leden hebben nog enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen de Staatssecretaris om nader toe te lichten hoe de structurele derving van 65 miljoen euro is opgebouwd en welke type bedrijven hier met name aan bijdragen. Tevens vragen deze leden in hoeverre het kabinet verwacht dat deze derving zich in de komende jaren zal ontwikkelen, ook als gevolg van reacties op het niet afschaffen van de liquidatieverliesregeling.</nadruk>
            </al>
            <al>De structurele derving van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025<noot id="ID-1253966-d40e194" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.</noot.al></noot> wordt ingeschat op € 65 miljoen per jaar en betreft name grote internationale ondernemingen. Het arrest heeft betrekking op de vraag of de Ierse group-reliefregeling toepassing van de liquidatieverliesregeling in de weg staat. De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. Reden hiervoor is dat verlies vanwege de liquidatie van die deelneming niet meer bij die deelneming in mindering worden gebracht en hierdoor anders voorgoed verloren zou gaan. Het liquidatieverlies kan, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, op de Nederlandse belastbare grondslag in mindering worden gebracht.<noot id="ID-1253966-d40e203" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2020/21, <extref doc="kst-35568-3" soort="document" status="actief">35 568, nr. 3</extref>, p. 3.</noot.al></noot> Eén van de wettelijke voorwaarden is dat er geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven.</al>
            <al>In navolging van de rechtbank en het hof, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beoordeling of geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» moet worden uitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. De Hoge Raad oordeelt dat het daarbij om die reden niet zo kan zijn dat onder «enigerlei tegemoetkoming» mede de tegemoetkomingen vallen die zijn verkregen of hadden kunnen worden verkregen door toepassing van de Ierse group-reliefregeling voorafgaand aan het moment van liquidatie van de dochtervennootschap.<noot id="ID-1253966-d40e215" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, rechtsoverweging 3.3.1.</noot.al></noot> De crux zit in het moment waarop wordt getoetst of van «enigerlei tegemoetkoming» sprake is.<noot id="ID-1253966-d40e224" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Zie ook: Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-16" soort="document" status="actief">36 812, nr. 16</extref>, p. 115.</noot.al></noot> Het is niet de verwachting dat met het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025<noot id="ID-1253966-d40e233" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.</noot.al></noot> de derving zal stijgen, omdat bedrijven in het algemeen minder sturen op het maken van verliezen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet verschillende opties heeft verkend om de budgettaire verliezen binnen de liquidatieverliesregeling zelf te dekken, maar uiteindelijk concludeert dat deze opties niet leiden tot een betere uitkomst in termen van uitvoerbaarheid, EU-rechtelijke houdbaarheid en vestigingsklimaat. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de effecten op het vestigingsklimaat zijn afgezet tegen het belang van het beperken van de budgettaire derving en hoe deze balans in dit geval is beoordeeld?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden constateren dat opties 3 en 4 worden afgewezen vanwege complexiteit, terwijl de gekozen maatregel buiten de regeling eveneens technisch complex lijkt. Kan de Staatssecretaris concreet toelichten waarom de uitvoeringslasten van de gekozen maatregel lager of beter beheersbaar zijn dan die van de overwogen opties binnen de regeling? Hoe wordt geborgd dat de nieuwe maatregel niet leidt tot een toename van administratieve lasten voor bedrijven, in strijd met de ambitie om deze juist te verminderen?</nadruk>
            </al>
            <al>Er zijn verschillende opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025<noot id="ID-1253966-d40e248" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.</noot.al></noot> in de liquidatieverliesregeling onderzocht. Deze opties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijke aspecten, budgettaire impact, uitvoeringsgevolgen en vestigingsklimaat. Hoewel het belangrijk is dat de dekkingsmaatregel budgettair dekkend is, zijn alle aspecten belangrijk, waaronder de effecten op het vestigingsklimaat. Op basis van een analyse, waarin alle aspecten in zijn totaliteit en in samenhang zijn beoordeeld, bleek dekking binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorige kabinet voorgesteld de budgettaire derving van het arrest te dekken door middel van een technische aanpassing met ingang van 1 januari 2027 van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht.<noot id="ID-1253966-d40e257" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36800-1" soort="document" status="actief">36 800, nr. 1</extref>, p. 48.</noot.al></noot> Met deze aanpassing wordt een onevenwichtigheid in de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten weggenomen. Een concept wettekst en toelichting zijn recent ter internetconsultatie aangeboden.<noot id="ID-1253966-d40e266" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling" soort="URL" status="actief">https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling</extref>.</noot.al></noot> Op deze internetconsultatie zijn vijf reacties binnengekomen, waarin onder andere de complexiteit van deze maatregel wordt benadrukt. Het kabinet weegt op dit moment de binnengekomen reacties en vindt het belangrijk dat een toename van de administratieve lasten voor bedrijven en uitvoeringskosten voor de Belastingdienst zoveel mogelijk wordt beperkt.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden hebben kennisgenomen van de eerdere brieven over de monitoring van belastingontwijking van en het vervolgonderzoek naar de trailing taks beide van 15/12/2025. In de monitoringsbrief wordt geconcludeerd dat bepaalde maatregelen effectief zijn, maar dat ontwijkingsgedrag zich kan verplaatsen. In hoeverre is bij de huidige problematiek rond de liquidatieverliesregeling sprake van verplaatsing van fiscale structuren, en hoe is dat meegewogen?</nadruk>
            </al>
            <al>De liquidatieverliesregeling stimuleert ondernemerschap in Nederland en over de grens en hiermee kunnen belastingplichtigen op de buitenlandse markten onder fiscaal gelijke omstandigheden met lokale bedrijven blijven concurreren.<noot id="ID-1253966-d40e281" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2020/21, <extref doc="kst-35568-3" soort="document" status="actief">35 568, nr. 3</extref>, p. 3.</noot.al></noot> De liquidatieverliesregeling is de afgelopen jaren verschillende malen herzien en ingeperkt om oneigenlijk gebruik tegen te gaan.<noot id="ID-1253966-d40e290" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld de Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling (<nadruk type="cur">Stb.</nadruk> 202, 539).</noot.al></noot> Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de liquidatieverliesregeling als zodanig aanleiding geeft tot verplaatsing van fiscale structuren.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden lezen in het onderzoek naar de trailing tax juist dat nationale maatregelen vaak beperkt effectief zijn door internationale beperkingen. In hoeverre spelen dergelijke internationale beperkingen ook een rol bij de keuze om de liquidatieverliesregeling zelf niet aan te passen, maar de oplossing te zoeken in de fiscale behandeling van valutaresultaten?</nadruk>
            </al>
            <al>Zoals in de Kamerbrief van 15 december 2026 is uiteengezet<noot id="ID-1253966-d40e306" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-25087-356" soort="document" status="actief">25 087, nr. 356</extref>.</noot.al></noot>, zou het effect van een trailing tax de komende jaren beperkt zijn, omdat Nederland een uitgebreid verdragennetwerk heeft en een trailing tax in beginsel niet geëffectueerd kan worden als er een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. Aanpassing van een belastingverdrag is – zeker als de wens daarvoor slechts bij een van de twee landen bestaat – vaak lastig en een langdurend proces. Bij de deelnemingsvrijstelling en de liquidatieverliesregeling speelt dit niet, aangezien het hier gaat om winst uit onderneming en Nederland door een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting in beginsel niet in het heffingsrecht wordt beperkt. Daarnaast zijn de EU-rechtelijke aspecten meegewogen bij de overwogen opties om de liquidatieverliesregeling aan te passen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hechten eraan dat nationale fiscale keuzes niet leiden tot verstoringen van het gelijke speelveld binnen Europa. In hoeverre wijken de huidige vormgeving van de liquidatieverliesregeling en de gekozen dekkingsmaatregel af van regelingen in andere EU-lidstaten en hoe wordt geborgd dat hierdoor geen ongelijk speelveld ontstaat voor Nederlandse bedrijven die internationaal opereren?</nadruk>
            </al>
            <al>Op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie<noot id="ID-1253966-d40e319" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld het Marks &amp; Spencer arrest (HvJ 13 december 2005, zaak C–446/03).</noot.al></noot>, zijn EU-lidstaten verplicht definitieve verliezen van een buitenlandse dochtermaatschappij in de lidstaat van de moedermaatschappij te verrekenen. De exacte invulling van deze regeling kan per lidstaat verschillen. Nederland biedt deze mogelijkheid voor deelnemingen in de vorm van de liquidatieverliesregeling.<noot id="ID-1253966-d40e328" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor vaste inrichtingen met de objectvrijstelling en de stakingsverliesregeling een vergelijkbare methode geldt om economisch dubbele belasting te voorkomen en definitieve verliezen in aanmerking te kunnen nemen.</noot.al></noot> De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat economisch dubbele belastingheffing binnen een concern wordt voorkomen. De door de dochtermaatschappij (deelneming) uitgedeelde winsten worden door de werking van de deelnemingsvrijstelling niet nogmaals bij de moedermaatschappij belast. Onder de deelnemingsvrijstelling zijn winsten ontvangen van een binnenlandse of buitenlandse dochtervennootschap onder voorwaarden vrijgesteld, maar zijn ook verliezen niet aftrekbaar. Dit is een internationaal gebruikelijke methode en de Europese moederdochterrichtlijn is ook op een dergelijk uitgangspunt gebaseerd.<noot id="ID-1253966-d40e337" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-117" soort="document" status="actief">36 812, nr. 117</extref>, p. 1–2.</noot.al></noot> Door de liquidatieverliesregeling is een (liquidatie)verlies op een deelneming onder voorwaarden wel aftrekbaar. Reden hiervoor is dat verlies als gevolg van de liquidatie niet meer bij die deelneming in mindering kan worden gebracht en daarmee anders voorgoed verloren zou gaan.</al>
            <al>Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen de derving van het arrest te dekken door aanpassing van de fiscale behandeling van het ingeprijsde valutaresultaat op een afdekkingsinstrument dat op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kan worden gebracht. De reden daarvan is dat ten aanzien van het afdekkingsinstrument in de regel rentekosten in mindering worden gebracht op het resultaat (inclusief de renteopslag die betrekking heeft op het verwachte valutarisico). Daartegenover staat een even grote ingeprijsde (dat wil zeggen verwachte) valutawinst op het afdekkingsinstrument. Bedrijfseconomisch vallen deze componenten tegen elkaar weg, terwijl fiscaal het ingeprijsde valutaresultaat kan zijn vrijgesteld door toepassing van de deelnemingsvrijstelling.<noot id="ID-1253966-d40e348" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-16" soort="document" status="actief">36 812, nr. 16</extref>, p. 116.</noot.al></noot> Het kabinet heeft geen overzicht of in andere EU-lidstaten het resultaat op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling kan worden gebracht, en zo ja of en hoe andere EU-lidstaten deze onevenwichtigheid aanpakken.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende brieven over belastingontwijking. Deze leden hebben nog enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht dat de fiscale geheimhoudingsplicht strikt is vormgegeven en dat alle informatie over individuele belastingplichtigen hieronder valt. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat goede informatieverstrekking aan het parlement essentieel is voor zijn controlefunctie. Hoe beoordeelt het kabinet de huidige balans tussen fiscale geheimhouding en het recht van de Kamer op informatie en acht het kabinet aanvullende waarborgen nodig om te voorkomen dat informatieachterstanden van de Kamer ontstaan?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet stelt voorop dat er veel informatie aan de Tweede Kamer verstrekt kan worden en wordt, en dat het de ruimte binnen de kaders van de fiscale geheimhoudingsplicht neemt. In de gevallen waar u vraagt om informatie over een specifieke belastingplichtige, dient op grond van artikel 68 van de Grondwet telkens een afweging gemaakt te worden tussen het informatierecht van uw Kamer en het belang van de Staat. Waar de fiscale geheimhoudingsplicht zich verzet tegen openbaarmaking, wordt informatie waar mogelijk vertrouwelijk verstrekt. Het uitgangspunt is dat stukken openbaar worden gemaakt als dat kan, en waar het moet stukken vertrouwelijk ter inzage worden gelegd. Daarmee is er naar mijn mening voldoende balans tussen fiscale geheimhouding en het recht op informatie van de Kamer en zijn er geen aanvullende waarborgen nodig om te voorkomen dat er een risico op een informatieachterstand ontstaat.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De brief stelt dat Nederland internationaal niet uniek is in de strikte toepassing van fiscale geheimhouding. Ook is aangegeven dat recent onderzoek geen aanleiding is om het Nederlandse beleid te versoepelen. Daarbij is opgemerkt dat andere landen soms verschillen in detailinvulling kennen. Is het kabinet bereid een overzicht te verstrekken van landen waar wél meer parlementaire transparantie over fiscale dossiers wordt geboden, om te beoordelen of onderdelen daarvan mogelijk wenselijk zijn voor het Nederlandse stelsel?</nadruk>
            </al>
            <al>De IBFD heeft, in opdracht van het Ministerie van Financiën, reeds eerder onderzoek gedaan naar de fiscale geheimhoudingsplicht in andere landen.<noot id="ID-1253966-d40e370" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-31066-1324" soort="document" status="actief">31 066, nr. 1324</extref>.</noot.al></noot> Naar aanleiding van dat onderzoek is ook gekeken of onderdelen van de wijze waarop dit is geregeld in andere landen enige toegevoegde waarde zou kunnen hebben voor Nederland. Op ambtelijk niveau is gesproken met medewerkers van de Franse belastingdienst. In Frankrijk hebben twee aangewezen leden van het Franse parlement op verzoek toegang tot de fiscale gegevens van individuele belastingdossiers ter uitoefening van hun taak. De fiscale geheimhoudingsplicht wordt vervolgens verlegd naar die leden van het parlement, waarmee het ook in dat geval niet in het publieke debat kan worden betrokken. De conclusie die daaruit getrokken is, is dat er dus beperkte aanknopingspunten zijn gebleken voor een (nadere) aanpassing van het Nederlandse beleid. Dit omdat reeds de mogelijkheid bestaat tot vertrouwelijke informatieverstrekking aan het parlement.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de brief wordt aangegeven dat vertrouwelijke verstrekking aan de Kamer een waardevol instrument is, maar wel een inbreuk vormt op de belangen van geheimhouding. Volgens de brief moet per geval zorgvuldig worden afgewogen of vertrouwelijke verstrekking proportioneel is. Kan nauwkeurig worden aangegeven onder verwijzing naar relevante bronnen in de wetsgeschiedenis (van de invoering van artikel 67 van de AWR in huidige vorm) en/of jurisprudentie waarom de conclusie in het advies van de Landsadvocaat van 29 november 2023 over niet-herleidbare gegevens en artikel 67 van de AWR onjuist is en waarom de conclusie van B.M. van der Sar in zijn proefschrift getiteld «Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld» onjuist is? Bij de beantwoording van vraag 26 van het schriftelijk overleg over de Jaarrapportage Belastingdienst 2024 is hierop niet inhoudelijk ingegaan: waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al>Zoals eerder ook in het antwoord op de vraag zoals die gesteld is bij de Jaarrapportage Belastingdienst (BD) 2024 is aangegeven, het volgende. De fiscale geheimhoudingsplicht ziet op alle gegevens die in het kader van de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander zijn verkregen. Deze is strikt vormgegeven: alle fiscale informatie over en van een individuele belastingplichtige valt hieronder. Dit kan in beginsel ook geanonimiseerde of geaggregeerde gegevens betreffen.<noot id="ID-1253966-d40e383" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2005/06, <extref doc="kst-30322-3" soort="document" status="actief">30 322, nr. 3</extref>, p. 20–21.</noot.al></noot> Dit is ook door de Landsadvocaat geconcludeerd.<noot id="ID-1253966-d40e392" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Advies van de Landsadvocaat van 29 november 2023 inzake verhouding artikel 67 AWR en de Woo.</noot.al></noot> Voorgaande kabinetten hebben steeds het standpunt ingenomen dat niet-herleidbare gegevens wel gedeeld kunnen worden. Dit standpunt is in de beantwoording bij de jaarrapportage BD 2024 met uw Kamer gedeeld. Ik voeg daaraan toe dat wat precies moet worden verstaan onder «niet herleidbare informatie» afhangt van de omstandigheden en van geval tot geval zal moeten worden bekeken.</al>
            <al>Het kabinet erkent dat er kritisch moet worden gekeken naar welke informatieverstrekking mogelijk is. Om die reden komt het kabinet tegemoet aan de wens vanuit de Kamer om met een nader inhoudelijk antwoord meer duidelijkheid omtrent de verhouding tussen niet-herleidbare gegevens (geanonimiseerd of geaggregeerd) en de fiscale geheimhoudingsplicht te geven. Het kabinet zal dit onderzoeken. Daarbij zal gericht en scherp worden onderzocht welke informatieverstrekking binnen de kaders mogelijk is, op welke manier die informatie verstrekt kan worden en welke waarborgen hiervoor noodzakelijk (kunnen) zijn. U zal hierover worden geïnformeerd.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Is het kabinet het ermee eens dat voor de interpretatie van een wettelijke bepaling zoals artikel 67 van de AWR alleen de parlementaire geschiedenis tijdens de behandeling van de wet relevant kan zijn en dat dus latere uitlatingen, die zijn gedaan door de Staatssecretaris niet zijn gedaan in de hoedanigheid van (mede) wetgever, maar in de hoedanigheid van uitvoerder?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet is het ermee eens dat voor de bedoeling van een wettelijke bepaling, zoals artikel 67 van de AWR, gekeken moet worden naar de parlementaire geschiedenis van de specifieke wettelijke bepaling, inclusief enige latere wijzigingen daarvan.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan het kabinet toezeggen aan de Kamer om alsnog in artikel 67 van de AWR te regelen dat niet-herleidbare gegevens gepubliceerd mogen worden om zo verdere schendingen van de fiscale geheimhoudingsplicht door de Belastingdienst te voorkomen? Zo niet, wat zijn dan de potentiële (strafrechtelijke) gevolgen mocht een rechter oordelen dat publicatie van dergelijke gegevens wél in strijd is met artikel 67 van de AWR?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet kan die toezegging niet doen, maar zoals bij een eerdere vraag aangegeven is het kabinet voornemens hier onderzoek naar te doen. Daarbij kan het kabinet geen inschatting maken van welke gevolgen een rechter hieraan zou kunnen verbinden als de rechter tot de slotsom komt dat in strijd met artikel 67, AWR wordt gehandeld.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet streeft naar maximale transparantie binnen de wettelijke kaders, onder meer via rulingpublicaties en technische briefings. Tegelijkertijd worden grenzen zichtbaar bij informatie over individuele belastingplichtigen. Welke aanvullende mogelijkheden ziet het kabinet om geanonimiseerde of geaggregeerde informatie toegankelijker te maken voor de Kamer, zonder de fiscale geheimhoudingsplicht te doorbreken?</nadruk>
            </al>
            <al>In het algemeen spant het kabinet zich in om in gevallen waarin informatie wordt verstrekt, zoals bij de openbaarmaking van samenvattingen van rulings, dit op een zo toegankelijk mogelijke manier te doen. Zo worden samenvattingen van rulings op de website van de BD geplaatst. Daarnaast wordt er ieder jaar een jaarverslag gemaakt die wordt aangeboden aan uw Kamer. Dit jaarverslag bevat niet alleen geaggregeerde financiële informatie over de aantallen afgegeven en niet afgegeven rulings, maar ook uitgebreide informatie over «beeldbepalende standpunten» die aan de orde zijn geweest in een specifiek jaar. Daarnaast wordt bij antwoorden op Kamervragen de fiscaaltechnische toelichting zo begrijpelijk mogelijk gemaakt. Daarmee worden de bestaande mogelijkheden voor toegankelijk naar het oordeel van het kabinet reeds maximaal benut.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van het vervolgonderzoek naar een trailing tax dat blijkt dat het verwachte budgettaire belang van een trailing tax relatief gering is: circa 16–38 miljoen euro per jaar, afhankelijk van de duur van de regeling. Tegelijkertijd zou de uitvoering omvangrijke lasten veroorzaken bij zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst, mede door langdurige monitoring en lastig te verkrijgen informatie bij niet-verdragslanden. Hoe beoordeelt het kabinet de proportionaliteit van een maatregel met zo’n beperkte opbrengst en zulke hoge uitvoeringskosten en welke concrete drempel hanteert het kabinet bij de afweging tussen opbrengst, uitvoerbaarheid en privacy-impact?</nadruk>
            </al>
            <al>Het effect van de onderzochte trailing tax op inkomen zou inderdaad beperkt zijn, omdat de heffing met het uitgebreide belastingverdragennetwerk van Nederland richting veel landen niet kan worden geëffectueerd. Er is daarbij een reëel risico dat zeer vermogende personen hun activiteiten zo structureren dat zij geen trailing tax hoeven te betalen, waardoor het resultaat zou kunnen zijn dat met name emigraties zonder fiscaal motief geraakt worden. Gecombineerd met de complexe handhaafbaarheid en de grote uitvoeringslasten voor de Belastingdienst, kiest het kabinet niet voor een trailing tax.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de brief wordt aangegeven dat vermogende personen de maatregel eenvoudig kunnen ontwijken door eerst naar een hoger-belast land te verhuizen en daarna door te migreren naar een laagbelastend land. Dergelijke constructies zouden de effectiviteit aanzienlijk ondermijnen. Welke opties ziet de Staatssecretaris om dergelijke step-up-emigraties te voorkomen zonder de regeling disproportioneel complex te maken?</nadruk>
            </al>
            <al>Het is lastig om constructies te vermijden waarbij belastingplichtigen met de intentie om belasting te ontduiken eerst naar een hogerbelastend land en later naar een laagbelastend land migreren.</al>
            <al>Eventuele maatregelen om dergelijke step-up-emigraties te vermijden hangen sterk samen met de beschikbare informatie over die step-up-emigratie, om ervoor te zorgen dat die belastingplichtigen ook bij latere emigraties naar laagbelastende landen in beeld blijven. Voor de Belastingdienst is het heel lastig om deze informatie te verkrijgen. Ook als er een bi- of multilateraal verdrag over informatie-uitwisseling of bijstand bij invordering met het hogerbelastende land is gesloten – krijgt de Belastingdienst niet spontaan een melding van het hogerbelastende land dat een natuurlijk persoon geëmigreerd is. De Belastingdienst zou dus specifiek om die informatie moeten vragen als het vermoeden bestaat dat een belastingplichtige geëmigreerd is. Daarbij kan het zijn dat het hogerbelastende land niet bijhoudt waarheen iemand emigreert of dat de belastingplichtige niet aan diens administratieve verplichtingen in het hogerbelastende land heeft voldaan. Het is dan complex om te achterhalen waar een belastingplichtige die bewust niet meewerkt zich bevindt en of en hoeveel trailing tax hij zou moeten betalen. Dit is al helemaal het geval wanneer hij naar een land is geëmigreerd waarmee Nederland geen afspraken over informatie-uitwisseling of bijstand bij invordering heeft.</al>
            <al>Indien tot de invoering van een trailing tax zou worden besloten, zouden bepaalde informatieverplichtingen opgenomen kunnen worden voor potentiële belastingplichtigen die aan de inkomens- of vermogensgrens van een dergelijke belasting voldoen. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een meldingsplicht als na emigratie uit Nederland wordt geëmigreerd naar een laagbelastend land (binnen een bepaalde periode), wat een minder verdergaande verplichting is, of een verdergaande informatieverplichting zoals een (jaarlijkse) aangifteplicht na emigratie uit Nederland. Als bijvoorbeeld bepaald zou worden dat de trailing tax bij iedere migratie van een potentiële belastingplichtige van toepassing is, tenzij hij gedurende de potentiële toepassing van de trailing tax aannemelijk maakt dat hij naar een hogerbelastend land is geëmigreerd, zou dat tot aanzienlijke lasten voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst leiden. Dat zou bijvoorbeeld ook betekenen dat personen die niet naar laagbelastende landen emigreren, alsnog aan die bewijslast moet voldoen. Zowel de proportionaliteit als de bruikbaarheid van die informatie voor de Belastingdienst zouden afhangen van de precieze verplichtingen. Dit geldt overigens alleen voor belastingplichtigen die uit zichzelf aan hun verplichtingen voldoen. Belastingplichtigen die gebruik zouden maken van deze constructie met de intentie om belasting te ontduiken zullen zeer waarschijnlijk niet aan deze verplichtingen voldoen en in dat geval is de handhaving erg complex. In het verlengde van voornoemde kan in situaties dat niet wordt voldaan aan de informatieverplichting na emigratie naar een laagbelastend land een verlengde navorderingstermijn van toepassing zijn.</al>
            <al>Een andere denkrichting zou zijn om bij de emigratie van een potentiële belastingplichtige uit Nederland voldoende zekerheid op vermogensbestanddelen in Nederland te verlangen, zodat (een geschat bedrag aan) trailing tax ingevorderd kan worden indien de belastingplichtige niet aan zijn informatieverplichtingen voldoet of niet op een andere manier achterhaald kan worden of hij al dan niet trailing tax dient te betalen. Deze systematiek doet denken aan een exitheffing met een conserverende aanslag, maar lijkt op het eerste oog aanzienlijk complexer en juridisch kwetsbaarder. Zo zou gewerkt moeten worden met geschatte bedragen en wordt zekerheid gevraagd voor inkomen dat nog niet genoten is. Ik verwijs hiervoor ook graag naar het antwoord op de vraag hieronder.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen dat een exitheffing op vermogen mogelijk effectiever is dan een trailing tax, omdat deze vóór emigratie kan worden geheven en minder door verdragen wordt beperkt. Tegelijkertijd zijn er juridische en uitvoeringsvragen. Is het kabinet bereid om voor de Kamer een verkennende analyse te sturen van de uitvoerbaarheid, juridische grenzen en mogelijke varianten van een exitheffing gericht op laagbelastende bestemmingen?</nadruk>
            </al>
            <al>Een mogelijk alternatief voor een trailing tax zou inderdaad een vorm van een exitheffing kunnen zijn om het emigreren naar een laagbelastend land te ontmoedigen. Een voorbeeld daarvan is een regeling waarbij zeer vermogende personen die emigreren naar een laagbelastend land aan een exitheffing worden onderworpen die wordt berekend over het vermogen op het moment van vertrek. Een dergelijke exitheffing zou in beginsel verenigbaar moeten zijn met belastingverdragen en kan daarmee effectiever zijn. Wel is het belangrijk dat een dergelijke exitheffing in overeenstemming is met het Europese recht, met name het vrije verkeer van vestiging. Verder spelen hier ook vergelijkbare ontwijkingsmogelijkheden als bij een trailing tax, zoals de mogelijkheid om eerst te verhuizen naar een land met een hogere belastingdruk.</al>
            <al>Nederland tracht in de huidige wetgeving belastingclaims op in Nederland opgebouwd vermogen (zoals aanmerkelijk belang, pensioenen of lijfrenten) veilig te stellen met een exitheffing door middel van een conserverende aanslag bij emigratie. Om te kunnen beoordelen of een nieuwe exitheffing zoals hiervoor beschreven effectief zou zijn, wordt op dit moment met een beleidsevaluatie onderzocht of de huidige exitheffingen in box 1 en 2 en de inwonerschapsfictie (trailing tax) in de schenk- en erfbelasting in de praktijk hun doelstelling behalen, namelijk het verzekeren dat Nederland belasting kan heffen over het inkomen of de vermogensaanwas die in Nederland is opgebouwd. Het kabinet wacht daarom eerst de resultaten van dit onderzoek af voordat eventueel besloten wordt tot een verkennende analyse naar de door de leden van de VVD-fractie gevraagde variant.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking dat de inzet op internationale ontwikkelingen zoals Pijler 1 en 2, Unshell en FASTER belastingontwijking verder moet terugdringen. Tegelijkertijd worden zorgen geuit over administratieve lasten en uitvoerbaarheid. Hoe borgt het kabinet dat nieuwe Europese en internationale maatregelen niet leiden tot stapeling van verplichtingen voor bedrijven, en wordt daarbij structureel toetsing op uitvoering vooraf gedeeld met de Kamer? De leden van de VVD-fractie lezen dat in EU-verband wordt gewerkt aan DAC10 en verdere harmonisatie van gegevensuitwisseling. De brief benoemt dat dit de kwaliteit van informatie-uitwisseling moet verbeteren, maar dat harmonisatie complex is. Is de Staatssecretaris bereid de Kamer vroegtijdig te informeren over Nederlandse inzet bij DAC10, inclusief de gewenste balans tussen informatiebehoefte, proportionaliteit en uitvoerbaarheid? Kan het kabinet een update geven over de aanstaande omnibusrichtlijn directe belastingen en de aanpassing van de DAC-richtlijn? Kan het kabinet delen wat er qua wijzigingen in de tekstvoorstellen staan? Zo niet, kan dit met de commissie worden gedeeld in een besloten technische briefing? Is het kabinet voornemens om de omnibusrichtlijn en de aanpassing van de DAC-richtlijn aan te grijpen om Nederlandse koppen op Europese fiscale wetgeving terug te draaien? Zo ja, om welke koppen gaat het dan? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al>In het kader van vereenvoudiging en verminderen van administratieve lasten werkt de Europese Commissie aan twee richtlijnvoorstellen, de Omnibus directe belastingen en een herziening van de administratieve samenwerkingsrichtlijn (DAC-recast). Ter voorbereiding op deze voorstellen heeft de Europese Commissie verschillende werkgroepen georganiseerd met de lidstaten om beleidsopties en wensen te inventariseren. Beleidsopties zien hoofdzakelijk op versterking van het EU-concurrentievermogen, het verduidelijken van definities, het terugdringen van minder relevante of overlappende rapportageverplichtingen en het verminderen van fragmentatie in implementatie. Nederland heeft hierbij bijvoorbeeld ambitieus ingezet op het verminderen van rapportageverplichtingen en administratieve lasten waar dit mogelijk is tegelijkertijd rekening houdend met de administratieve informatiebehoefte en het behoud van effectieve anti-misbruikmaatregelen.</al>
            <al>Volgens de meest recente berichten worden beide voorstellen naar verwachting gelijktijdig gepubliceerd in juni of juli 2026. Er zijn om die reden nog geen tekstvoorstellen beschikbaar om met uw Kamer te delen of toe te lichten tijdens een technische briefing. Zodra de richtlijnvoorstellen gepubliceerd zijn wordt uw Kamer per voorstel geïnformeerd middels een BNC-fiche, zoals gebruikelijk bij EU-voorstellen. In het BNC-fiche wordt de voorgestelde kabinetsinzet aan uw Kamer voorgelegd. Hierin wordt onder meer ingegaan op proportionaliteit en uitvoerbaarheid. Met het BNC-fiche maakt het kabinet zodoende ook structureel een eerste inschatting van de gevolgen van nieuwe Europese en internationale voorstellen voor zowel bedrijven als uitvoeringsinstanties. De eventuele stapeling van administratieve verplichtingen is daarbij ook een aandachtspunt. Indien uw Kamer dat wenst is het kabinet bereid in een (besloten) technische briefing nadere toelichting te geven op basis van de BNC-fiches. Omdat de richtlijnvoorstellen nog niet bekend zijn, loopt het kabinet niet vooruit op eventueel te maken nationale implementatiekeuzes. Zoals afgesproken in het regeerakkoord implementeert het kabinet Europese richtlijnen en regelgeving zoveel mogelijk 1-op-1.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorraad directe buitenlandse investeringen sterk is gedaald bij doorstroomvennootschappen, maar niet bij ondernemingen met reële activiteiten. Dit wordt gekoppeld aan effectiviteit van anti-ontwijkingsmaatregelen.In hoeverre acht het kabinet aanvullende maatregelen nodig om resterende doorstroomstructuren af te bouwen en hoe voorkomt het kabinet tegelijkertijd dat legitieme internationale bedrijven worden geraakt?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet acht op dit moment geen aanvullende maatregelen nodig om de resterende doorstroomstructuren af te bouwen. De cijfers laten een afname van investeringen in doorstroomvennootschappen zien sinds 2018. Hoewel de voorraad aan buitenlandse investeringen in Nederland nog steeds relatief hoog is, hoeft dit niet per se met belastingontwijking te maken te hebben. Het bestaan van doorstroomvennootschappen kan ook te maken hebben met niet-fiscale motieven. Veel reële investeringen dragen ook bij aan hoge buitenlandse investeringen, zoals hoofdkantoren met veel investeringen in het buitenland. Een deel van de doorstroomvennootschappen zijn bijvoorbeeld beursgenoteerde topholdings in Nederland zonder substantiële bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijn sommige structuren met een oorspronkelijk fiscaal motief blijven bestaan, maar leiden zij door de aanpak van belastingontwijking niet langer tot belastingbesparing.</al>
            <al>In de aanpak van internationale belastingontwijking ligt de focus van het kabinet op een gecoördineerde internationale benadering. Internationale belastingontwijking het meest effectief kan worden aangepakt door internationale of Europese afspraken. Ten aanzien van doorstroomvennootschappen werkt de Europese Commissie aan het opstellen van een hernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied<noot id="ID-1253966-d40e452" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve</noot.al><noot.al>samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG.</noot.al></noot>, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratieve samenwerking die in de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Het kabinet sluit aan bij deze afspraken en kiest ervoor om af te zien van eenzijdige nationale koppen op nieuw beleid. Op deze manier wordt zo veel mogelijk voorkomen dat legitieme internationale bedrijven geraakt worden door extra regelgeving en blijft het ondernemingsklimaat voor reële investeringen behouden.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan het kabinet aangeven of het wenselijk is dat buitenlandse directe investeringen significant zijn afgenomen de afgelopen jaren? In welke mate zijn reële buitenlandse directe investeringen misgelopen door te strenge Nederlandse belastingwetgeving? Wat is de geschatte belastingopbrengsten en welvaart die Nederland hierdoor is misgelopen?</nadruk>
            </al>
            <al>Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directe buitenlandse investeringen ten opzichte van het bbp aanzienlijk gedaald, zoals de Kamerbrief is aangegeven.<noot id="ID-1253966-d40e467" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025–2026, <extref doc="kst-25087-357" soort="document" status="actief">25 087, nr. 357</extref>.</noot.al></noot> Een daling van buitenlandse directe investeringen is onwenselijk indien het een daling van reële investeringen in de economie betreft. Directe buitenlandse investeringen in Nederland beperken zich echter niet tot reële investeringen in de Nederlandse economie. Uit de gegevens van DNB en CBS blijkt dat de desinvesteringen en overeenkomstige daling van de voorraad directe buitenlandse investeringen alleen plaatsvond bij doorstroomvennootschappen, die steeds vaker worden ontmanteld. Bij de overige vennootschappen, waar reële investeringen in Nederland een groter aandeel vormen, is juist geen daling van de dbi waargenomen, maar een gestage toename. Zowel DNB als CBS benoemen daarom de aanpak van belastingontwijking als de vermoedelijke oorzaak van de daling van de totale voorraad aan dbi.<noot id="ID-1253966-d40e476" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>CBS (2025), Nederland Handelsland, p. 147 – 151.</noot.al></noot> Het lijkt er daarom niet op dat reële directe buitenlandse investeringen in de Nederlandse economie per saldo zijn afgenomen. In lijn hiermee is de verwachting dat invloed van de maatregelen op de belastingopbrengsten en de welvaart klein is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van het onderzoek naar verschillen tussen commerciële en fiscale jaarrekeningen ook dat een belangrijk deel van het totale verschil (gemiddeld 4,6 miljard euro) bestaat uit posten die niet herleidbaar zijn. Welke maatregelen neemt de Belastingdienst om de transparantie van deze correcties te verbeteren, en kan de Kamer voortaan jaarlijks inzicht krijgen in de categorieën waar deze verschillen ontstaan?</nadruk>
            </al>
            <al>Een verklaring van de door deze leden genoemde verschillen is dat de aanslag vennootschapsbelasting afwijkt van de ingediende aangifte als gevolg van correctie dan wel uitspraak op bezwaar of ambtshalve vermindering. In het rapport wordt aanbevolen te onderzoeken of de huidige invulling van het fiscale winstbegrip nog passend is bij de hedendaagse praktijk. In dergelijk onderzoek kan ook verkend worden of en welke maatregelen getroffen kunnen worden om meer inzicht te krijgen in het genoemde verschil. Vooruitlopend daarop worden nu geen nadere maatregelen voorgesteld. Voor de wijze waarop de Belastingdienst het afgelopen jaar zijn toezichtstaken heeft verricht, verwijs ik naar de jaarlijks te publiceren jaarrapportage van de Belastingdienst.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling dat als blijkt dat de aanpassing van de deelnemingsvrijstelling voor wat betreft valutaresultaten negatief is voor het vestigingsklimaat, een alternatief zou worden overwogen? Welke signalen heeft het kabinet tot nu toe ontvangen over de impact van de voorgestelde wijziging op het Nederlandse vestigingsklimaat?</nadruk>
            </al>
            <al>Er zijn verschillende opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025<noot id="ID-1253966-d40e494" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.</noot.al></noot> in de liquidatieverliesregeling onderzocht. Deze opties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijke aspecten, budgettaire impact, uitvoeringsgevolgen en vestigingsklimaat. Gegeven deze randvoorwaarden bleek dekking binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorige kabinet voorgesteld de budgettaire derving van het arrest te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van het zogenoemde ingeprijsde valutaresultaat op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aan te passen.<noot id="ID-1253966-d40e503" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36800-1" soort="document" status="actief">36 800, nr. 1</extref>, p. 48.</noot.al></noot> Een concept wettekst en toelichting zijn recent ter internetconsultatie aangeboden.<noot id="ID-1253966-d40e512" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling" soort="URL" status="actief">https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling</extref>.</noot.al></noot> Op deze internetconsultatie zijn vijf reacties binnengekomen. In enkele van deze reacties wordt aandacht gevraagd voor de gevolgen van de voorgenomen technische aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten voor het Nederlandse vestigingsklimaat. Tegelijkertijd wordt de door het kabinet beschreven onevenwichtigheid in andere reacties niet ontkend. Het kabinet weegt op dit moment de binnengekomen reacties.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de Nederlandse overheid alle zeilen bij moet zetten om belastingontwijking tegen te gaan. Deze leden hebben dan ook veel vragen over de brieven over dit onderwerp.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden merken ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht op dat het lid Stultiens eerder vroeg naar de mogelijkheden om de fiscale geheimhoudingsplicht conform artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) te versoepelen. De brief van een ambtsvoorganger van de huidige Staatssecretaris van 21 juli 2025 noemt echter nul daadwerkelijke mogelijkheden. Deze leden lezen slechts dat de toenmalige Staatssecretaris «geen reden» zag om het beleid aan te passen. De vraag was echter niet of de staatssecretarissen redenen zag: deze leden zien die redenen namelijk wel. De vraag was welke mogelijkheden hij zag. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarom of de Staatssecretaris alsnog kan verkennen wat de mogelijkheden zijn. Verder merken deze leden op dat het kabinet in de reactie op de motie Stultiens (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-25087-351" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">25 087 nr. 351</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) over transparantie over de belastingafdracht van multinationals niet is in ingegaan op de voorbeelden die in die motie worden genoemd, namelijk het aanscherpen van fiscale verslaggevingsstandaarden en het openbaar maken van verrekenprijsrapporten. De ambtsvoorganger van de Staatssecretaris noemt wel wat het huidige beleid is, maar niet welke mogelijkheden voor verbetering er zijn. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris dit alsnog kan doen.</nadruk>
            </al>
            <al>Ik ben van mening dat het kabinet al veel doet ten aanzien van transparanties binnen de gegeven kaders. Het klopt dat mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven geen reden te zien om het beleid aan te passen, omdat het huidige wettelijke kader al de mogelijkheid biedt om de Kamer vertrouwelijk inzage te verlenen en andere mogelijkheden die eerder onderzocht zijn geen aanknopingspunten boden om tot eventuele versoepeling over te gaan. Ik wil voorstellen in ieder geval ervaringen met de publieke country-by-country reporting af te wachten, alvorens eventueel wordt besloten tot een nadere verkenning. Het kabinet verwacht dat deze publieke country-by-country reporting voor een groot deel zal voldoen aan de behoefte van de Kamer.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Specifiek valt het deze leden op dat in de brief wordt genoemd dat «de mogelijke voordelen» van het verstrekken van processuele informatie «beperkt» lijken. Deze leden lezen echter in één van de meegestuurde beslisnota’s dat het verstrekken van processuele informatie «mogelijk in een behoefte kan voorzien». Deze leden vragen daarom of deze Staatssecretaris bereid is processuele informatie in individuele belastingdossiers met de Kamer te delen. Zo nee, kan de Staatssecretaris toelichten waarom niet? Welke inhoudelijke argumenten ziet de Staatssecretaris om dit niet te doen?</nadruk>
            </al>
            <al>Ik ben bereid en zie ruimte om (meer) informatie over processuele handelingen die de BD jegens een specifieke belastingplichtige verricht te verstrekken. Daarbij maak ik het uitdrukkelijke voorbehoud dat daardoor geen informatie over de fiscale positie van die belastingplichtige wordt prijsgegeven. Bij procesinformatie die verstrekt kan worden denk ik bijvoorbeeld aan informatie over het wel of niet opleggen van een belastingaanslag, het wel of niet voeren van (voor)overleg en het wel of niet lopen van een bezwaar- of beroepsprocedure. De fiscale geheimhoudingsplicht laat naar mijn mening echter geen ruimte om informatie te verstrekken over de fiscale positie van een specifieke belastingplichtige, dus bijvoorbeeld niet het soort of de hoogte van een belastingaanslag, het (niet) opleggen van een fiscale boete of de inhoud van een (voor)overleg. Deze laatstgenoemde informatie kan, na de door art. 68 van de Grondwet voorgeschreven afweging, in voorkomende gevallen alleen vertrouwelijk verstrekt worden.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voorts vragen deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen een optie uit het Bouwstenenrapport 2024, namelijk een wijziging van de huidige praktijk door de Belastingdienst de mogelijkheid te geven een wijziging van de huidige wetgeving omtrent de fiscale geheimhoudingsplicht, waardoor de Belastingdienst meer mogelijkheden verkrijgt om inhoudelijke informatie over individuele belastingdossiers openbaar te delen met de Kamer. Kan de Staatssecretaris aangeven welke inhoudelijke argumenten er zijn om dit niet te doen?</nadruk>
            </al>
            <al>In de inleiding heb ik aangegeven dat en waarom (een strikte uitleg van) de fiscale geheimhoudingsplicht essentieel is. Bij een verruiming zou het belang van de staat in gedrang kunnen komen. Voor een doelmatige heffing en inning van belastingen is de inspecteur sterk afhankelijk van informatie die door belastingplichtigen wordt aangeleverd. Het is niet te overzien welke gevolgen een dergelijk aanpassingsvoorstel heeft voor de bereidwilligheid van (potentiële) belastingplichtige(n) om informatie te verstrekken aan de inspecteur. Daarnaast zou een verruiming een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer, meer concreet het recht op bescherming van de privacy, van de desbetreffende belastingplichtige(n). Omdat er binnen het bestaande kader reeds voldoende mogelijkheden zijn om uw Kamer adequaat te informeren, zie ik geen aanleiding om art. 67 van de AWR aan te passen in door de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA voorgestelde richting.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen ook wat de conclusies waren van de ambtelijke verkenning uit 2023 naar de mogelijkheden van verdergaande informatieverstrekking onder de fiscale geheimhoudingsplicht en welke mogelijkheden tot verruiming van informatieverstrekking onder de fiscale geheimhoudingsplicht nog meer in kaart zijn gebracht. Kan de Staatssecretaris per mogelijkheid aangeven of hij deze mogelijkheid in de praktijk wil brengen en zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris daarbij per mogelijkheid toelichten welke inhoudelijke argumenten de Staatssecretaris ziet om deze niet uit te voeren?</nadruk>
            </al>
            <al>In de ambtelijke verkenning is destijds geconcludeerd dat dat er weinig concrete situaties te herkennen zijn waarbij het belang van transparantie zwaarder zou wegen dan het belang van de Staat. De bestaande mogelijkheid om vaker meer algemene informatie te verstrekken of voorlichting te geven, wordt reeds in de praktijk gebracht.<noot id="ID-1253966-d40e544" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. <extref doc="ah-tk-20252026-269" soort="document" status="actief">269</extref>.</noot.al></noot> Daarnaast heb ik hiervoor aangegeven in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA dat ik bereid ben en ruimte zie om meer procesinformatie te delen, met het daarbij gemaakte voorbehoud. Andere mogelijkheden om in de praktijk te brengen zijn er niet. De enige optie om de verhouding tussen artikel van de 67 AWR en artikel 68 van de Grondwet (verder) te veranderen is dus een wetswijziging. Ik verwijs daarvoor naar hetgeen ik in de inleiding aangegeven heb.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken ook op dat artikel 67 van de AWR in 2008 nog is herzien. Kan de Staatssecretaris beschrijven wat die herziening inhield en in hoeverre deze wat de Staatssecretaris betreft succesvol is geweest?</nadruk>
            </al>
            <al>De directe aanleiding voor de herziening van artikel 67 van de AWR in 2008 was een rapport van de Registratiekamer (de voorganger van de Autoriteit Persoonsgegevens).Het rapport constateerde dat het destijds bestaande ontheffingensysteem van artikel 67 van de AWR geen adequate wettelijke grondslag was voor verstrekking van persoonsgegevens door de BD, waardoor er onvoldoende waarborgen waren tegen ongewenste inbreuken op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De bepaling is toen aangepast om de wettelijke regeling inzake gegevensverstrekking door de BD duidelijker en transparanter te maken, op een wijze die voldoet aan de nationale en internationale normen van privacybescherming. Ik wil benadrukken dat het daarbij niet ging om de informatieverstrekking richting het parlement, maar om gegevensverstrekking door de BD aan andere bestuursorganen/overheidsinstanties. Deze wijziging is wat mij betreft, gelet op het doel dat met de wijziging beoogd is te bereiken, succesvol geweest.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor een nieuwe herziening van dit artikel met als doel om ruimere informatieverstrekking in het kader van het tegengaan van belastingontwijking mogelijk te maken?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet wil benadrukken dat het zich inzet voor het tegengaan van belastingontwijking, uw Kamer wordt hier jaarlijks ook per brief over geïnformeerd, recent nog in december 2025.<noot id="ID-1253966-d40e563" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al><extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/22b98f9f-358f-4a19-870d-3ea14d80f8e6/file" soort="URL" status="actief">Kamerstukken</extref> II 2025/26, <extref doc="kst-25087-357" soort="document" status="actief">25 087, nr. 357</extref>.</noot.al></noot> Het kabinet hecht aan de inzet van uw fractie, en de rest van de Kamer, in het tegengaan van belastingontwijking. Echter, zoals hiervoor toegelicht, ziet het kabinet geen realistische mogelijkheden tot versoepeling van artikel 67 van de AWR. Daarbij is versoepeling van artikel 67 van de AWR volgens het kabinet ook niet een oplossing voor het tegengaan van belastingontwijking. Als met een versoepeling van artikel 67 van de AWR de bereidwilligheid informatie te verstrekken inderdaad afneemt, kan dit het opsporen van belastingontwijking moeilijker maken.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden zijn blij om te lezen dat het vorige kabinet zich wilde inzetten voor het maken van internationale afspraken over de belastingheffing van zeer vermogende personen. Deze leden hopen dat dit voor het huidige kabinet ook geldt. Tegelijkertijd merken deze leden op dat er op dit moment helaas internationaal onvoldoende draagvlak is voor het maken van dergelijke afspraken en dat dit dus een zaak van de lange adem is. Deelt de Staatssecretaris deze inschatting? Deze leden zijn dan ook van mening dat het goed zou zijn als vooruitstrevende landen het voortouw nemen en niet wachten op internationale consensus, ook als het gaat het om het belasten van zeer vermogende personen. Is de Staatssecretaris het daarmee eens?</nadruk>
            </al>
            <al>Het huidige kabinet zet zich actief in voor het maken van internationale afspraken over de belastingheffing van zeer vermogende personen en blijft daarin het voortouw nemen met gelijkgestemde landen. Nederland is van mening dat met het oog op een effectieve aanpak van de effectieve belastingdruk van zeer vermogenden het in de internationale samenwerking van belang is om stap voor stap te werk te gaan en te beginnen met de vraag wat er nodig is om de meest vermogenden in de wereld effectief te belasten. Nederland vindt het bijvoorbeeld belangrijk om te kijken naar mogelijkheden om internationale transparantie over vermogensbezit te vergroten en het waar nodig verbeteren van bestaande internationale informatie-uitwisseling. Ook het adresseren van schadelijke belastingregimes is een belangrijke doelstelling van Nederland. Dergelijke voorstellen zullen in OESO, EU of VN verband ook op meer steun kunnen rekenen dan een roep om bepaalde oplossingsrichtingen. Nederland zet actief in op constructieve internationale samenwerking. Dit kan helpen om te voorkomen dat landen al bij voorbaat een negatieve houding tegenover bepaalde oplossingsrichtingen hebben.</al>
            <al>De stappen die Nederland al heeft gezet zijn de volgende. Allereerst heeft Nederland er bij herhaling voor gepleit dat de OESO dit onderwerp oppakt. De OESO is hiermee inmiddels aan de slag, op concreet verzoek van de G20. Ook heeft Nederland samen met Frankrijk het initiatief genomen om fiscaal voordelige regimes voor zeer vermogenden binnen de EU te agenderen. Beide landen hebben samen een non-paper opgesteld over dit onderwerp dat op 31 oktober vorig jaar met uw Kamer is gedeeld. In het afgelopen najaar heeft daarop een discussie met de andere EU-lidstaten plaatsgevonden over fiscaal gemotiveerde migratie door personen. Op basis hiervan is duidelijk dat de opvattingen tussen de Europese lidstaten erg verdeeld zijn. Een belangrijk deel van de lidstaten is er niet van overtuigd dat verdere besprekingen hierover toegevoegde waarde hebben. Er is daarom geen steun voor het voorstel van Nederland om de EU-gedragscodegroep het mandaat te geven om met dit onderwerp aan de slag te gaan. Het ligt helaas niet in de lijn der verwachting dat dit op korte termijn veranderd of dat er anderszins binnen de EU momentum ontstaat om verdere stappen te zetten in de aanpak van fiscaal gemotiveerde migratie door personen. Tegelijkertijd blijft Nederland zich inspannen voor en in discussies op EU- en OESO-niveau, onder andere door een actieve inzet op het onderwerp «Tax, Inequality and Growth» bij de OESO.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie snappen ten aanzien van het vervolgonderzoek naar trailing tax dat trailing taxes in kunnen gaan tegen bestaande belastingverdragen. Deze leden vragen daarom of de Staatssecretaris een lijst kan maken van landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft en in welke gevallen een trailing tax relevant kan zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>De landen die voor het vervolgonderzoek naar een trailing tax als (potentieel) laagbelastende landen zijn aangemerkt en waarmee geen belastingverdrag is gesloten zijn: Anguilla, Antigua en Barbuda, Bahama's, Belize, Bermuda, Botswana, Britse maagdeneilanden, Brunei, Centraal-Afrikaanse Republiek, Costa Rica, Djibouti, El Salvador, Eritrea, Eswatini, Frans-Polynesië, Gibraltar, Grenada, Guatemala, Guinea, Guinea-Bissau, Honduras, Iran, Isle of Man, Jemen, Jersey, Kaaimaneilanden, Macau, Malawi, Micronesië, Monaco, Namibië, Nicaragua, Niger, Palau, Palestina, Paraguay, Seychellen, St. Kitts en Nevis, Timor-Leste, Turkmenistan, Turks- en Caicoseilanden, Uruguay, en Vanuatu. Daarnaast wordt voor de volledigheid opgemerkt dat met de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) (een als laagbelastend aangemerkt land) weliswaar een belastingverdrag is afgesloten, maar dit verdrag in de regel geen verdragsvoordelen biedt aan Nederlanders die naar de VAE zijn geëmigreerd, waardoor een trailing tax geëffectueerd zou kunnen worden.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen ook hoe andere landen, zoals Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk, omgaan met belastingverdragen en hun respectievelijke trailing taxes. Zijn deze ook alleen van toepassing richting landen waarmee geen belastingverdrag is afgesloten of is hierover iets opgenomen in de relevante verdragen?</nadruk>
            </al>
            <al>Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kunnen ook slechts hun trailing taxes effectueren richting landen waarmee geen belastingverdrag is afgesloten of waarmee een specifieke regeling overeengekomen is. Zo bevat het belastingverdrag tussen Frankrijk en Monaco een bijzondere bepaling die Frankrijk toelaat om inwoners van Monaco met de Franse nationaliteit als Franse inwoners te belasten. Finland heeft in een tiental verdragen een bepaling opgenomen waardoor de trailing tax onder omstandigheden geëffectueerd kan worden, maar heeft dat in recente verdragen niet af kunnen spreken. Voor toepassing van de Duitse trailing tax zijn nog bepaalde economische banden met Duitsland vereist, waardoor deze doorgaans ook onder belastingverdragen geëffectueerd kan worden, maar ook minder effectief is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse gelezen over de potentiële opbrengst van een trailing tax. Deze leden lezen dat voor de inschatting is uitgegaan van een vermogensdrempel gebaseerd op de één procent grootste vermogens in Nederland en vragen of de Staatssecretaris kan kwantificeren hoe hoog de drempel dan zou zijn in euro’s.</nadruk>
            </al>
            <al>In het onderzoek is gekeken naar personen met een vermogen vanaf 1.327.844 euro voor het jaar 2022 en 1.438.366 euro voor het jaar 2023.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden merken daarbij op dat zeer vermogende individuen in Nederland op dit moment al heel weinig belasting betalen. Een inschatting van de opbrengst kan daarmee een (forse) onderschatting zijn, indien de trailing tax wordt gecombineerd met het aanscherpen van de binnenlandse belastingheffing van zeer vermogende individuen. Is de Staatssecretaris het daarmee eens? Deze leden verwijzen daarbij naar de zogenaamde Zucman tax, oftewel het voorstel om zeer vermogende individuen altijd minimaal twee procent van de nettowaarde van hun vermogen aan inkomstenbelasting te laten betalen. Deze leden merken op dat een trailing tax of exitheffing kan helpen bij het voorkomen van kapitaalvlucht, indien de Zucman tax daadwerkelijk ingevoerd zou worden. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie noemen bijvoorbeeld een vermogensdrempel van 10 miljoen euro, waarbij de trailing tax wordt geheven op het moment dat individuen met een groter vermogen verhuizen naar een jurisdictie waarin zij jaarlijks minder dan twee procent van hun vermogen aan belasting hoeven af te dragen. Deze leden merken op dat daarbij gekozen kan worden voor een exitheffing in het geval van laagbelaste landen waarbij de trailing tax niet kan worden geëffectueerd vanwege belastingverdragen. Kan de Staatssecretaris toelichten in hoeverre deze variant wat hem betreft uitvoerbaar, juridisch houdbaar en doelmatig is? Deze leden vragen voorts of de Staatssecretaris bereid is de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid en proportionaliteit van een dergelijke exitheffing verder te onderzoeken. Ook vragen deze leden wanneer de Staatssecretaris van plan is de in de brief genoemde beleidsevaluatie van bestaande exitheffingen naar de Kamer te sturen.</nadruk>
            </al>
            <al>Zoals in de brief «Minimumvermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen» is vermeld, gaat het voorstel van Zucman voor een minimumbelasting voor zeer vermogenden gepaard met een verlengde belastingplicht na emigratie, een trailing tax, om een kapitaalvlucht te voorkomen.<noot id="ID-1253966-d40e598" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025–26, <extref doc="kst-32140-290" soort="document" status="actief">32 140, nr. 290</extref>.</noot.al></noot> Het voorstel van Zucman is op papier een logische manier om ervoor te zorgen dat mensen met veel vermogen jaarlijks tenminste minimumpercentage van hun vermogen aan belasting betalen. Dat geldt ook voor het daarnaast invoeren van een verlengde minimumbelastingplicht voor een aantal jaren (bijvoorbeeld 5 of 10 jaar) voor zeer vermogende personen die emigreren. Het voorstel van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waarbij van zeer vermogende personen een trailing tax wordt geheven als zij verhuizen naar een laagbelastend land waarmee Nederland geen verdrag heeft, en een exitheffing als zij verhuizen naar een laagbelastend land waarmee wel een verdrag bestaat, zou een variant kunnen zijn om de gedragseffecten die spelen bij het in isolatie invoeren van een trailing tax te verminderen. Het voorstel zou echter wel nader onderzoek vergen, waaronder de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid en doeltreffendheid. Om te kunnen beoordelen of een nieuwe exitheffing of een variant zoals de GroenLinks-PvdA-fractie die beschrijft effectief zou zijn, worden op dit moment voor de bestaande exitheffingen in de inkomstenbelasting en de inwonerschapsfictie (trailing tax) in de schenk- en erfbelasting onderzocht in welke mate deze hun doelstelling halen. Ik verwacht de resultaten van deze beleidsevaluatie voor het einde van dit jaar naar uw Kamer te sturen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op het punt van de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking verheugd te lezen dat de bronbelasting effectief lijkt in het tegengaan van ongewenste geldstromen naar laagbelastende jurisdicties. Deze leden vragen of de Staatssecretaris mogelijkheden ziet voor het verder verbeteren van de bronbelasting.</nadruk>
            </al>
            <al>Op 1 januari 2021 is de Wet bronbelasting 2021 in werking getreden. Het doel van deze bronbelasting is om Nederland minder aantrekkelijk te maken voor doorstroomstructuren naar laagbelastende jurisdicties. Daarnaast beoogt de bronbelasting het risico van belastingontwijking door het verschuiven van (Nederlandse) belastinggrondslag naar laagbelastende jurisdicties te verkleinen. Op basis van deze wet wordt in bepaalde gevallen bronbelasting ingehouden. Het gaat om een bronbelasting die wordt geheven over renten, royalty’s en – sinds 2024 – ook dividenden, die een in Nederland gevestigd lichaam betaalt aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. De afgelopen jaren is de inkomensstroom naar deze laagbelastende jurisdicties fors gedaald. De totale inkomensstroom naar laagbelastende jurisdicties bedroeg in 2024 € 6,5 miljard waar dit in 2019 nog € 37 miljard was. Hieruit kan worden afgeleid dat de bronbelasting effectief is.<noot id="ID-1253966-d40e611" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-25087-357" soort="document" status="actief">25 087, nr. 357</extref>, blz. 3.</noot.al></noot> Het kabinet ziet daarom op dit moment geen aanleiding om de bronbelasting aan te passen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Daarnaast vragen deze leden of het tarief in de bronbelasting meestijgt met eventuele stijgingen van het reguliere tarief in de vennootschapsbelasting.</nadruk>
            </al>
            <al>Het tarief van de bronbelasting is gelijk aan het hoogste statutaire tarief in de vennootschapsbelasting, zoals opgenomen in artikel 22 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969). Als gevolg van de verwijzing naar artikel 22 Wet Vpb 1969 werken wijzigingen in het hoogste tarief in de vennootschapsbelasting (momenteel 25,8%) direct door naar het tarief in de bronbelasting.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorraad aan inkomende directe buitenlandse investeringen weliswaar niet meer stijgt, maar wel zeer groot blijft en dat dit deels kan komen door structuren die oorspronkelijk een belastingbesparing als doel hadden en nu blijven bestaan, ondanks dat ze niet meer daadwerkelijk tot een belastingbesparing leiden. Kan de Staatssecretaris verklaren waarom deze voorraad niet verplaatst wordt naar andere landen, die meer voor de hand liggen als het doel nog steeds is om een belastingbesparing te bereiken?</nadruk>
            </al>
            <al>De afgelopen jaren zijn er veel internationale maatregelen tegen belastingontwijking genomen, waardoor er internationaal gezien minder mogelijkheden tot belastingontwijking zijn. Een voorbeeld daarvan is de minimumbelasting voor multinationals, die ervoor zorgt dat een bedrijf altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betaalt. Het gevolg daarvan is dat er steeds minder mogelijkheden voor bedrijven zijn om belasting te besparen door hun internationale bedrijfsstructuur op min of meer gekunstelde wijze te verplaatsen. In combinatie daarmee kan het ontmantelen van een bedrijfsstructuur tijdrovend en kostbaar zijn, met name indien het bedrijf (inmiddels) een zekere reële aanwezigheid heeft opgebouwd in Nederland.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen ook naar de evaluatie van de ATAD-richtlijn door de Europese Commissie. Klopt het dat de resultaten hiervan in het tweede kwartaal van 2026 worden verwacht? Wat verwacht de Staatssecretaris inhoudelijk van deze evaluatie?</nadruk>
            </al>
            <al>Het klopt dat de evaluatie in het tweede kwartaal wordt verwacht, de verwachting is dat publicatie gelijktijdig plaatsvindt met het richtlijnvoorstel omnibus directe belastingen eind juni. Het lijkt mij niet opportuun om op dit moment te speculeren over de uitkomsten van een evaluatie die nog niet gepubliceerd is. Afgaand op eerdere signalen ligt het echter in de lijn der verwachting dat de ATAD grotendeels als effectief zal worden beoordeeld.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden zijn blij te lezen dat ATAD1 en ATAD2 ons belastingstelsel robuuster hebben gemaakt tegen belastingontwijking. Deze leden maken zich echter wel zorgen om de impact van de ATAD-richtlijn op woningcorporaties. De richtlijn is immers bedoeld om belastingontwijking tegen te gaan, niet om de investeringsmogelijkheden van woningcorporaties te beperken. Is de Staatssecretaris het daarmee eens? Wat vindt de Staatssecretaris ervan dat de Nederlandse implementatie van de richtlijn als neveneffect heeft dat de lastendruk voor woningcorporaties is toegenomen, waardoor zij minder kunnen investeren in volkshuisvesting en verduurzaming, terwijl zij niet relevant zijn als het gaat om internationale belastingontwijking? Deze leden vragen of de Staatssecretaris het ermee eens is dat de in het coalitieakkoord afgesproken middelen voor de corporatiesector niet voldoende zijn om de negatieve gevolgen van de richtlijn ongedaan te maken? Welke mogelijkheden ziet hij om corporaties hierin te ondersteunen?</nadruk>
            </al>
            <al>In de vraagstelling wordt enkel verwezen naar de ATAD-richtlijn. De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat de earningsstrippingmaatregel uit ATAD-richtlijn wordt bedoeld, omdat deze maatregel in dit verband geregeld wordt aangehaald. Sinds 2019 hebben woningcorporaties, net als andere vennootschapsbelastingplichtigen, te maken met een generieke renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting (Vpb). Deze zogenoemde earningsstrippingmaatregel vloeit voort uit de implementatie van de ATAD-richtlijn. De Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit de ATAD-richtlijn heeft naast bestrijden grondslaguitholling ook als doel om meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen te bewerkstelligen. Om die reden is de earningsstrippingmaatregel in de Vpb strenger vormgegeven dan de voorgeschreven minimumnorm uit de ATAD-richtlijn.</al>
            <al>De ATAD-richtlijn biedt lidstaten een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Zo kent de richtlijn onder meer een uitzondering voor leningen aan langlopende openbare infrastructuurprojecten, een vrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten en een groepsuitzondering. De toepassing van de hiervoor genoemde uitzonderingen doet in brede zin afbreuk aan het doel om te komen tot een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, aangezien alle belastingplichtigen en niet alleen de woningcorporaties zullen profiteren van deze maatregel. Daarnaast zal een dergelijke uitzondering een aanzienlijk budgettair effect hebben op de rijksbegroting.</al>
            <al>In het regeerakkoord is onder meer afgesproken dat een faciliteit in de vennootschapsbelasting wordt geïntroduceerd om de Vpb-lasten van woningcorporaties te verlagen. Hiervoor wordt per 2028 een bedrag van € 250 miljoen per jaar beschikbaar gesteld, oplopend naar structureel € 325 miljoen per jaar in 2032. Momenteel wordt onderzocht op welke wijze deze faciliteit het beste kan worden vormgegeven. Hierbij wordt onder meer gekeken naar verschillende opties die in de dilemmanotitie huurbevriezing van vorig jaar aan bod zijn gekomen, waaronder een bestedingsreserve.<noot id="ID-1253966-d40e641" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-27926-394" soort="document" status="actief">27 926, nr. 394</extref>.</noot.al></noot>Bij de verdere uitwerking van een faciliteit in de Vpb dient rekening te worden gehouden met onder andere uitvoerbaarheid, de budgettaire gevolgen en juridische houdbaarheid, waaronder de staatssteunregels en het (overige) EU-recht. Bovendien neemt het kabinet aanvullende maatregelen om de investeringscapaciteit van woningcorporaties te verbeteren, onder meer door meer passende huurgelden te vragen in relatie tot het inkomen van huurders en woningcorporaties meer ruimte te geven om te bouwen voor zogeheten niet-Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB)-activiteiten. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal uw Kamer voor de zomer informeren over de voorgenomen uitwerking van deze punten.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van het onderzoek naar verschillen in commerciële en fiscale jaarrekeningen voorts dat de belastbare winst van bedrijven tussen 2010 en 2020 gemiddeld zo’n 29 miljard euro lager lag dan de commerciële winst en dat dit «grotendeels te verklaren valt door de deelnemingsvrijstelling en verliesverrekening». Deze leden vragen om een nadere toelichting op deze verklaring. Klopt het dat de winsten van dochterondernemingen dubbel geteld zijn in de commerciële winst? Zo nee, hoe kan de deelnemingsvrijstelling dan het verschil tussen de commerciële winst en fiscale winst verklaren?</nadruk>
            </al>
            <al>In de commerciële winst, zoals gemeten in de Statistiek Financiën Grote Ondernemingen (SFGO) van het CBS, gaat het om de geconsolideerde winst van ondernemingen in Nederland. Winsten van deelnemingen in Nederland zijn dus niet dubbel geteld, maar geconsolideerd. Buiten de consolidatie blijven buitenlandse deelnemingen. Op buitenlandse deelnemingen worden ook deelnemingsresultaten behaald welke worden vrijgesteld via de deelnemingsvrijstelling gezien de winsten in de buitenlandse deelneming reeds zijn belast bij de deelneming. Hierdoor wordt dubbele belasting voorkomen. Echter, deze buitenlandse deelnemingsresultaten worden wel opgenomen in het commerciële resultaat en om vervolgens een vergelijking te kunnen maken tussen het fiscaal belastbare bedrag en de commerciële winst moet voor deze deelnemingsresultaten worden gecorrigeerd.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen verder of verliezen in de onderzochte periode ook in mindering zijn gebracht op de totale commerciële winst. Zo ja, zou de verliesverrekening dan niet van beperkte invloed moeten zijn op het verschil tussen de fiscale en commerciële winst, omdat verliezen bij bedrijven er ook toe kunnen leiden dat de totale fiscale winst van de onderzochte bedrijven hoger uitpakt dan de commerciële winst? Kan de Staatssecretaris toelichten in hoeverre de Staatssecretaris verwacht dat dit effect en het effect van de verliesverrekening elkaar opheffen?</nadruk>
            </al>
            <al>In de figuren over de totale commerciële winst zijn verliezen gesaldeerd met winsten tussen verschillende ondernemingengroepen. Het moment dat een verlies commercieel wordt gemaakt wordt deze in het rapport dus in feite direct gesaldeerd. Op het totaal valt de commerciële winst hierdoor lager uit dan het belastbare bedrag. In latere periodes zal fiscaal pas voorwaartse verliesverrekening plaatsvinden waardoor dan het belastbare bedrag lager uitvalt dan de commerciële winst. Onder het kopje verliesverrekening in het rapport valt uitsluitend dit laatste effect. Het effect van het salderen van verliezen in de commerciële cijfers die tussen verschillende ondernemingengroepen plaatsvindt wordt niet afzonderlijk vermeld of vergeleken met de fiscale verliesverrekening. Dit geldt te meer omdat fiscale verliesverrekening binnen dezelfde onderneming plaatsvindt over de loop van de tijd waardoor het vergelijken met de gesaldeerde verliezen tussen ondernemingengroepen onzuiver zou zijn. Wanneer deze twee typen effecten gezamenlijk bekeken zouden worden is het op voorhand inderdaad niet duidelijk welk effect groter is: het leeglopen van verliesvoorraden of de in het jaar in totaal geleden verliezen. Over de onderzochte periode (2010–2020) geldt in algemene zin dat meer verliesvoorraad is geactiveerd dan dat er bij de onderzochte groep in het totaal aan verliezen zijn geleden. Dit is ook te rijmen met de gedachte dat tijdens de financiële recessie in aanzienlijke mate verliezen zijn geleden die in latere jaren zijn ingelopen en dat over de periode 2015–2019 er sprake was van sterke economische groei en er per saldo minder verliezen bij de onderzochte bedrijven waren.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden merken op dat het rapport aanbeveelt om de bepalingen omtrent afschrijvingen zoals opgenomen in artikel 3.30 en 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 op te nemen in de evaluatieagenda. Daarnaast wordt aanbevolen om «nader te bekijken waardoor de herwaarderingen – met name bij valutaresultaten – optreden», en om «te bezien of het dichter aan te laten sluiten van de belastingwetgeving bij de commerciële verslaggevingsregel wenselijk is». Tot slot bevelen de onderzoekers aan om verder te onderzoeken of de gehanteerde beginselen van het fiscale totaalwinst- en jaarwinstbegrip nog passend zijn. Deze leden vragen of de Staatssecretaris van plan is om deze aanbevelingen op te volgen en zo nee, waarom niet. Kan de Staatssecretaris dit per aanbeveling aangeven?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet zal nader onderzoek doen naar de verschillen tussen de commerciële en fiscale winstbepaling die ontstaan vanwege afschrijvingen en bijzondere waardevermindering of -vermeerdering (herwaarderingen). Hierbij zal gewogen worden of verdere aansluiting bij de commerciële winst voor de hand ligt op deze punten. Onderdeel van dit onderzoek zal ook zijn het aangaan van het gesprek met de fiscale uitvoeringspraktijk en de belastingwetenschap. In dit kader zal ook in bredere zin worden stilgestaan bij de beginselen van het fiscale totaalwinst- en jaarwinstbegrip. Voor een goede en prudente weging van de beginselen is echter meer verdiepend onderzoek nodig. Aan de hand van de uitkomsten van de gevoerde gesprekken waarin gekeken zal worden naar aanwijzingen hiervoor, zal het kabinet bekijken dit nadere opvolging verdient.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ook vragen deze leden of bedrijven op dit moment ook hun commerciële winst rapporteren aan de Belastingdienst en zo nee, of de Staatssecretaris dit wil verplichten. Zo de Staatssecretaris dit niet wil, kan hij toelichten waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al>Uit het rapport blijkt dat hoewel er grote verschillen tussen de commerciële en fiscale winst bestaan, er niet kan worden geconcludeerd dat het rapporteren van de commerciële jaarrekening aan de fiscus directe meerwaarde heeft. In de praktijk is het wel al het geval dat voor fiscale eenheden al commerciële gegevens aan de fiscus worden aangeleverd. Het verder verbreden van deze verplichting naar alle ondernemingen levert administratieve lasten op die op dit moment niet noodzakelijk zijn voor belastingplichtigen om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Gelet op het voorgaande wil ik bedrijven nu niet verplichten hun commerciële winst aan de Belastingdienst te rapporteren.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van de overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad in de liquidatieverliesregeling dat de zes verschillende dekkingsopties in de liquidatieverliesregeling beoordeeld zijn op EU-rechtelijke aspecten, budgettaire gevolgen, uitvoering en vestigingsklimaat. Deze leden menen dat op basis hiervan een afweging kan worden gemaakt, mits duidelijk is wat prioriteit heeft. Deze leden vragen daarom of de Staatssecretaris een rangorde kan aanbrengen: welke aspecten vindt de Staatssecretaris het belangrijkst?</nadruk>
            </al>
            <al>Er zijn meerdere opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 over de liquidatieverliesregeling onderzocht. Deze opties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijke aspecten, budgettaire impact, gevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst en het vestigingsklimaat. Hoewel het belangrijk is dat de dekkingsmaatregel budgettair dekkend is, zijn alle aspecten belangrijk. Zo heeft het bijvoorbeeld niet de voorkeur van het kabinet om een dekkingsoptie voor te stellen die wetstechnisch haalbaar is, maar door de Belastingdienst niet kan worden uitgevoerd. Op basis van een analyse, waarin alle aspecten in zijn totaliteit en in samenhang zijn beoordeeld, bleek dekking binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorige kabinet een alternatief dekkingsvoorstel aangekondigd.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden lezen dat de «voor-zover-benadering» in optie 4 afwijkt van het voorstel in het amendement Stultiens (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-36812-69" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">36 812, nr. 69</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) en tot een grotere toename in complexiteit leidt, maar dat de benadering uit het amendement Stultiens wel een optie zou kunnen zijn. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom deze optie niet is meegenomen in de brief en wat de voor- en nadelen van deze optie verder zijn?</nadruk>
            </al>
            <al>Aan de door het kabinet onderzochte «voor-zover-benadering» lag onder meer ten grondslag dat de buitenlandse verliezen naar Nederlandse maatstaven zouden worden omgerekend. Door een dergelijke omrekening komt in een grensoverschrijdende situatie niet meer of minder verlies voor aftrek in aanmerking dan in een binnenlandse situatie. Hoewel het omrekenen naar Nederlandse maatstaven in de vennootschapsbelasting vaker voor komt, is dit bewerkelijk in de uitvoering. Het amendement van het lid Stultiens bevat een dergelijke omrekening niet. Dit amendement is daarmee voor de uitvoering door de Belastingdienst minder bewerkelijk dan de door het kabinet onderzochte optie. Het amendement van het lid Stultiens kent wel het risico dat de belastingplichtige meer of minder verliezen kan verrekenen dan het geval zou zijn geweest als die verliezen in Nederland zouden zijn geleden. Voor beide opties geldt dat de Belastingdienst moet kunnen controleren in hoeverre in het buitenland de juridische mogelijkheid bestond om verliezen te kunnen verrekenen. Dat betekent dat beide «voor-zover-benaderingen» tot gevolg hebben dat de complexiteit van de al complexe liquidatieverliesregeling verder toeneemt. Bij de vormgeving van de liquidatieverliesregeling is er vanwege grote praktische bezwaren bewust voor gekozen om bij de bepaling van de omvang van het te nemen liquidatieverlies geen koppeling te maken met de omvang van de bij de ontbonden dochter onverrekenbaar gebleven verliezen.<noot id="ID-1253966-d40e675" type="voet"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom.</noot.al></noot> In de brief is verder niet uitgebreid op deze optie ingegaan, omdat het kabinet voorrang gaf aan de uitwerking van een alternatieve dekkingsoplossing door middel van een technische aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten. Bovendien is de budgettaire opbrengst van het amendement van het lid Stultiens niet voldoende om de derving van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 te dekken.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden willen ook graag meer weten over de alles-of-niets-benadering die genoemd is in de brief, die zou leiden tot een budgettaire opbrengst van 300 à 400 miljoen euro. Kan de Staatssecretaris deze variant verder toelichten? Klopt het dat de Belastingdienst vóór het genoemde arrest van de Hoge Raad zelf uitging van een alles-of-niets-benadering? Zou het terugbrengen van een dergelijke benadering daarmee niet de meest logische reparatie van de wet zijn en dus ook de meest logische dekkingsoptie voor de genoemde budgettaire tegenvaller?</nadruk>
            </al>
            <al>Op grond van de huidige wettekst komt, samengevat, een liquidatieverlies slechts in aftrek mits bij de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven. In feite kent de huidige wettekst van de liquidatieverliesregeling daarmee reeds een alles-of-niets-benadering. De crux zit in het moment waarop wordt getoetst of van «enigerlei tegemoetkoming» sprake is.<noot id="ID-1253966-d40e689" type="voet"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-16" soort="document" status="actief">36 812, nr. 16</extref>, p. 115.</noot.al></noot> De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beoordeling of geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat moet worden uitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid.<noot id="ID-1253966-d40e698" type="voet"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, r.o. 3.3.1.</noot.al></noot> Als dat toetsmoment wordt aangepast, bijvoorbeeld naar vijf jaar voorafgaand aan de vereffening van de deelneming, is een voorzichtige eerste en grove inschatting dat de structurele opbrengst in de ordergrootte van € 300 miljoen tot € 400 miljoen per jaar bedraagt.<noot id="ID-1253966-d40e707" type="voet"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-117" soort="document" status="actief">36 812, nr. 117</extref>, p. 7.</noot.al></noot> Het kabinet is hier echter geen voorstander van, omdat een dergelijke optie een Europeesrechtelijk risico kent. Deze optie betekent dat in veel meer – zo niet bijna alle – gevallen de import van buitenlandse verliezen wordt geweigerd doordat de meeste landen een vorm van een fiscale eenheidsregime kennen en hierdoor voorzien in een tegemoetkoming. Het weigeren van de import van buitenlandse verliezen is door het Hof van Justitie van de Europese Unie toegestaan op grond van dwingende redenen van algemeen belang, waaronder het voorkomen van dubbele verliesverrekening. Bij de uitwerking van rechtvaardigingsgronden wordt standaard getoetst aan het algemene Europeesrechtelijke beginsel van proportionaliteit. In het licht van dit beginsel is een dergelijke alles-of-niets-benadering een Europeesrechtelijk aandachtspunt.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Klopt het dat de «alternatieve dekkingsoptie die ter internetconsultatie wordt aangeboden» buiten de liquidatieverliesregeling valt en daarmee afwijkt van het uitgangspunt dat aan het begin van de brief is genoemd?</nadruk>
            </al>
            <al>De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling en in die zin onderdeel daarvan. Omdat dekking binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk bleek, heeft het vorige kabinet voorgesteld de budgettaire derving van het arrest te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aan te passen. Daarmee valt de dekking van de derving van het arrest binnen het domein winst.<noot id="ID-1253966-d40e720" type="voet"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-34" soort="document" status="actief">36 812, nr. 34</extref>, p. 40.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris ook kan kijken naar enkele specifieke aspecten van optie 5 (codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling). Kan de Staatssecretaris aangeven welke Europeesrechtelijke risico’s volgens hem aan deze optie kleven? Deze leden vragen of de Staatssecretaris daarbij aandacht kan besteden aan de aantekening van de heer Ruijschop in NLFiscaal 2026/0081, die zich afvraagt of de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie «niet al voldoende ruimte biedt om verliezen waarvoor een grouprelieffaciliteit of andersoortige regeling heeft opengestaan, buiten de deur te houden». Is de Staatssecretaris het met deze auteur eens dat optie 5 wel degelijk reëel is te noemen?</nadruk>
            </al>
            <al>Ruijschop<noot id="ID-1253966-d40e732" type="voet"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al>M. Ruijschop, Overwogen opties voor dekking budgettaire gevolgen van arrest over liquidatieverliesregeling, NLF2026/0081.</noot.al></noot> geeft aan dat, om tegemoet te komen aan het Unierecht, een wettelijke uitzondering kan worden opgenomen voor «definitieve verliezen». Ik vat dat zo op dat alleen in het geval het verlies definitief niet meer in het buitenland in aanmerking kan worden genomen, dat verlies voor verrekening in aanmerking zou komen. Deze eis geldt – in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie – ook onder de huidige bepaling. Op grond van de huidige wettekst komt, samengevat, een liquidatieverlies slechts in aftrek mits <nadruk type="cur">bij de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven</nadruk>. De vraag is op welk moment zulks wordt getoetst. De Hoge Raad heeft in het arrest van 21 maart 2025 geoordeeld dat onder de huidige wettekst de beoordeling of geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat moet worden uitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid.<noot id="ID-1253966-d40e748" type="voet"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al>Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, r.o. 3.3.1.</noot.al></noot> De codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling houdt in dat de beoordeling of geen recht op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat moet plaatsvinden gedurende het gehele bestaan van de deelneming tot en met het moment van het voltooien van de vereffening. Dat betekent dat de beoordeling of geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» naar voren wordt gehaald. Het kabinet is op dit moment geen voorstander van deze optie. De reden daarvan is dat deze optie een negatieve impact op het vestigingsklimaat heeft, de budgettaire opbrengst te laag is om de derving van het arrest te denken, en dat (ook) deze optie een Europeesrechtelijk risico kent. Ook hier geldt dat, net als hiervoor is beschreven, het weigeren van de import van buitenlandse verliezen door het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegestaan op grond van dwingende redenen van algemeen belang, waaronder het voorkomen van dubbele verliesverrekening. Bij de uitwerking van rechtvaardigingsgronden wordt standaard getoetst aan het algemene Europeesrechtelijke beginsel van proportionaliteit.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden merken op dat het opvallend is om zes dekkingsopties voor te leggen aan de Kamer, om vervolgens te concluderen dat alle opties afgekeurd zijn. Deze leden merken ook op dat de brief zoals gezegd niet ingaat op het voorstel in het genoemde amendement Stultiens, maar wel concludeert dat een combinatie tussen dat voorstel en het verlagen van de drempel (optie 6) niet wenselijk is «vanwege de verwachte negatieve impact op het bedrijfsleven, in het bijzonder het mkb». De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris hier nog steeds achter staat en of de Staatssecretaris dit nader kan toelichten. Waarom zou deze maatregel in bijzonder schadelijk zijn voor het mkb?</nadruk>
            </al>
            <al>Het vorige kabinet heeft verschillende dekkingsopties onderzocht. Eén van de onderzochte dekkingsopties was het introduceren van een zogenoemde «voor-zover-benadering». Deze benadering houdt kortgezegd in dat het in aanmerking te nemen liquidatieverlies wordt verminderd met verliezen die bij de deelneming of een daarmee verbonden lichaam zijn verrekend of hadden kunnen worden verrekend. De in het amendement van het lid Stultiens opgenomen «voor-zover-benadering» is in onderdeel 3.5 van de brief belicht als variant op de door het kabinet onderzochte «voor-zover-benadering».<noot id="ID-1253966-d40e761" type="voet"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-117" soort="document" status="actief">36 812, nr. 117</extref>, p. 6.</noot.al></noot> Dit amendement wijkt af van de door het kabinet onderzochte «voor-zover-benadering» omdat in het amendement geen rekening wordt gehouden met een omrekening van het buitenlandse verlies naar Nederlandse maatstaven. Het amendement is door de Tweede Kamer verworpen.<noot id="ID-1253966-d40e770" type="voet"><noot.nr>43</noot.nr><noot.al>Handelingen II 2025/26, nr. <extref doc="h-tk-20252026-19-5" soort="document" status="actief">19, item 5</extref>, p. 2.</noot.al></noot></al>
            <al>Het kabinet kiest op dit moment niet voor het introduceren van een «voor-zover-benadering» in de liquidatieverliesregeling. Door een «voor-zover-benadering» zal de complexiteit van de al complexe liquidatieverliesregeling verder toenemen en zal daarmee leiden tot een toename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en een toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Daarbij geldt wel dat de door het kabinet onderzochte benadering (dat wil zeggen met omrekening naar Nederlandse maatstaven) voor de uitvoering complexer is dan de door het lid Stultiens voorgestelde benadering. Tegelijkertijd bestaat de kans dat, als er geen omrekening naar Nederlandse maatstaven plaatsvindt, door de belastingplichtige meer of minder verlies kan worden verrekend dan wanneer het ontbonden (buitenlandse) lichaam in Nederland zou zijn gevestigd.</al>
            <al>Daarnaast geldt dat de budgettaire opbrengst van een «voor-zover-benadering» niet voldoende is om de derving van het arrest volledig te dekken. De door het kabinet onderzochte optie en het amendement van het lid Stultiens leiden op basis van een eerste inschatting tot een budgettaire opbrengst van € 25 miljoen.<noot id="ID-1253966-d40e782" type="voet"><noot.nr>44</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-117" soort="document" status="actief">36 812, nr. 117</extref>, p. 7.</noot.al></noot> Om de resterende structurele derving van het arrest van € 40 miljoen te dekken, is onderzocht wat een aanvullende dekkingsoptie zou kunnen zijn. Het kabinet heeft aangegeven dat op basis van een voorzichtige eerste inschatting de drempel voor zowel de liquidatieverliesregeling als de stakingsverliesregeling zou kunnen worden verlaagd van € 5 miljoen naar € 2 miljoen.</al>
            <al>Voor deze aanvullende dekkingsoptie is om verschillende redenen niet gekozen. Een verlaging van de drempel brengt naar verwachting een (grote) verslechtering van het Nederlandse ondernemingsklimaat en het investeringsklimaat met zich, omdat een groot aantal bedrijven, waarbij voor een groot deel ook het midden- en kleinbedrijf (mkb), zal worden geraakt. Door de verlaging van de drempel zal het mkb namelijk eerder met een beperking van de liquidatieverliesregeling te maken krijgen dan nu het geval. Hierdoor treedt een herverdelingseffect op in het nadeel van het mkb. Bij een eerdere aanpassing van de liquidatieverliesregeling<noot id="ID-1253966-d40e793" type="voet"><noot.nr>45</noot.nr><noot.al>Initiatiefwetsvoorstel Wet aanpassing liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting, 16 april 2019, van de leden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer (PvdA).</noot.al></noot> is door verschillende belangstellenden als reactie op de internetconsultatie gewezen op de potentiële impact van een verlaging van de drempel op het mkb.<noot id="ID-1253966-d40e802" type="voet"><noot.nr>46</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2020/21, <extref doc="kst-35568-3" soort="document" status="actief">35 568, nr. 3</extref>, p. 15.</noot.al></noot> In dit kader is toen juist besloten de drempel van € 1 miljoen te verhogen naar € 5 miljoen om het mkb te ontzien. Daarnaast wordt een toename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en een toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verwacht.</al>
            <al>Omdat aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk was heeft het vorige kabinet voorgesteld voor om de structurele derving te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aan te passen</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen voorts of de Staatssecretaris de voorgestelde dekkingsoptie verder kan toelichten. In hoeverre vindt het kabinet het aanpassen van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht sowieso een goed idee? Zijn er bestaande rapporten of adviezen waarin deze maatregel genoemd wordt?</nadruk>
            </al>
            <al>Onder de deelnemingsvrijstelling zijn winsten ontvangen van een binnenlandse of buitenlandse deelneming onder voorwaarden vrijgesteld, maar zijn ook verliezen niet aftrekbaar. Op verzoek van de belastingplichtige is de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing op resultaten die worden behaald met afdekkingsinstrumenten (zoals leningen en valutatermijntransacties) die dienen ter beperking van het valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen. Hierdoor kan er echter een onevenwichtigheid ontstaan, omdat rentekosten op afdekkingsinstrument in de regel in aftrek worden gebracht (inclusief de renteopslag die betrekking heeft op het verwachte valutarisico), maar het hiermee corresponderende ingeprijsde (verwachte) valutaresultaat op het afdekkingsinstrument doorgaans onder de deelnemingsvrijstelling wordt vrijgesteld. De samenhang tussen het ingeprijsde valutaresultaat en de rente op een afdekkingsinstrument wordt ook in de literatuur onderkend.<noot id="ID-1253966-d40e818" type="voet"><noot.nr>47</noot.nr><noot.al>Het verband tussen rente en valutaresultaten wordt in verschillende economische literatuur toegelicht en in fiscale literatuur nader besproken, zie bijvoorbeeld Q.W.J.C.H. Kok, De invloed van de samenhang tussen rente en valutaresultaten op de renteaftrekbeperkingen en de groepsrentebox, WFR 2007/253 en Q.W.J.C.H. Kok, Vreemde valuta en de deelnemingsvrijstelling, WFR 2009/115</noot.al></noot> Het kabinet heeft met de voorgestelde aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten tot doel om deze onevenwichtigheid weg te nemen door voortaan enkel niet-ingeprijsde (niet verwachte) valutaresultaten onder de deelnemingsvrijstelling te laten vallen. Het ingeprijsde (verwachte) valutaresultaat valt hierdoor voortaan niet onder de deelnemingsvrijstelling en valt dus in de belaste sfeer. Dit heeft tot gevolg dat wanneer het ingeprijsde valutaresultaat een winst is, deze in de heffing wordt betrokken, en wanneer dit resultaat een verlies is, het aftrekbaar is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele overige vragen en vragen naar de huidige stand van zaken rondom de aanpak van onwenselijke belastingconstructies met familiestichtingen. Zijn er inmiddels nieuwe inzichten? In hoeverre is de Staatssecretaris bereid hiernaar verder onderzoek te doen?</nadruk>
            </al>
            <al>Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat nationale en internationale fiscaliteit op 11 maart 2026<noot id="ID-1253966-d40e831" type="voet"><noot.nr>48</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36812-123" soort="document" status="actief">36 812, 123</extref>.</noot.al></noot>, stuur ik uw Kamer op korte termijn een vervolgbrief over de ANBI-regeling. In die brief wordt nader ingegaan op de verplichtingen voor voormalige ANBI’s en een mogelijke constructiemogelijkheid van ANBI’s met NSW-landgoederen. Daarnaast kunt u in juni 2026 een brief over de vennootschapsbelastingplicht van stichtingen verwachten.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden hebben vergelijkbare vragen als het gaat om de aanpak van schenken op papier om erfbelasting te ontwijken. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris daartoe? Wat is de huidige stand van zaken?</nadruk>
            </al>
            <al>In bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026<noot id="ID-1253966-d40e844" type="voet"><noot.nr>49</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36915-1" soort="document" status="actief">36 915, nr. 1</extref>.</noot.al></noot> zijn twee mogelijke maatregelen beschreven die de fiscale voordelen van papieren schenkingen zouden kunnen beperken of in zijn geheel wegnemen. De eerste maatregel betreft het actualiseren van de rente die de schenker jaarlijks verschuldigd is over de papieren schenking. Deze rente is gelijk aan de rekenrente in de schenk- en erfbelasting en bedraagt momenteel 6%. In het aan het begin van dit jaar uitgewerkte ambtelijke moderniseringsvoorstel van de forfaits in de schenk- en erfbelasting wordt geadviseerd de rekenrente te actualiseren op basis van de huidige marktrentes en deze periodiek te actualiseren.<noot id="ID-1253966-d40e853" type="voet"><noot.nr>50</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-32140-288" soort="document" status="actief">32 140, nr. 288</extref>.</noot.al></noot> De gemoderniseerde rekenrente per 1 januari 2028 werd in het voorstel geraamd op 3%. Bij papieren schenkingen zou dat tot een lastenrelevante opbrengst van € 37 miljoen structureel leiden. Het moderniseren van de forfaits vergt een zorgvuldige beleidsvoorbereiding met onder meer een internetconsultatie, een uitvoeringstoets en het inwinnen van advies bij de afdeling Advisering van de Raad van State. De tweede mogelijke maatregel betreft de introductie van een fictieve verkrijging in de schenk- en erfbelasting bij aflossing van de papieren schenking of bij overlijden van de schenker. Deze maatregel neemt het progressievoordeel van een papieren schenking in zijn geheel weg. Naar verwachting zal er nauwelijks meer op papier worden geschonken als deze maatregel wordt getroffen. De lastenrelevante opbrengst van de tweede maatregel bedraagt € 162 miljoen structureel in de situatie dat de rekenrente in de schenk- en erfbelasting niet wordt geactualiseerd. Beide maatregelen zijn als mogelijke opties beschreven in de genoemde bijlage van de Voorjaarsnota. Er heeft hierover nog geen besluitvorming door het kabinet plaatsgevonden.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris bekend is met het artikel «Ces 13 335 millionnaires qui ne paient aucun impôt sur le revenu» (Le Monde, 18 februari 2026). Deze leden willen graag weten of een vergelijkbare inventarisatie gemaakt kan worden voor Nederland. Hoeveel miljonairs in Nederland betalen geen of nauwelijks inkomstenbelasting? Als dit niet bekend is, is de Staatssecretaris dan bereid het te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Hoe kan het dat dit in Frankrijk wel bekend is en in Nederland niet?</nadruk>
            </al>
            <al>Ik ben bekend met het betreffende artikel uit Le Monde. In het artikel staat dat er in 2024 18.525 huishoudens met een vastgoedbezit van minstens € 1,3 miljoen euro geen inkomstenbelasting hebben betaald in Frankrijk. Als gecorrigeerd wordt voor de huishoudens die niet fiscaal in Frankrijk wonen maar wel vastgoed in Frankrijk bezitten en voor personen die in de loop van het jaar zijn overleden, blijven er 13.335 huishoudens over met een vastgoedbezit van minstens 1,3 miljoen die in 2024 geen inkomstenbelasting betalen. Dat is 9,8% van de huishoudens die onderworpen zijn aan de Franse belasting op vastgoedvermogen (IFI). Dat percentage loopt op tot bijna 15% bij de 4.144 huishoudens met een vastgoedvermogen van meer dan € 7,3 miljoen en die gemiddeld € 14 miljoen aan vastgoed bezitten. Het gaat hier dus om een specifiek groep namelijk vastgoedbezitters. Frankrijk kent namelijk een vermogensbelasting, die feitelijk een vastgoedbelasting betreft. Deze vermogensbelasting in Frankrijk geldt vanaf een vermogensgrens (= waarde van het vastgoedbezit) vanaf € 1,3 miljoen. In Nederland kennen we een dergelijke belasting niet.<noot id="ID-1253966-d40e871" type="voet"><noot.nr>51</noot.nr><noot.al>Wel geldt een onroerend goed zaakbelasting (OZB) voor alle eigenaren van woningen en eigenaren van bedrijfspanden, daarvoor geldt geen vermogensdrempel. De OZB is een gemeentelijke heffing.</noot.al></noot> Het is voor de Nederlandse situatie een vele malen ingewikkelder exercitie om specifiek voor alle huishoudens met een totale waarde aan vastgoed van meer dan € 1 miljoen na te gaan wat zij in enig jaar aan inkomstenbelasting hebben betaald. Tot de waarde van het vastgoed behoren de waarde van de eigen woning, tweede en meerdere woningen en bedrijfspanden. Daarbij wordt net name bij rijkere personen vastgoed ook als belegging in een vennootschap aangehouden. Vastgoed in vennootschappen wordt in Nederland niet naar (de achterliggende) personen of huishoudens geadministreerd. Dat het Franse parlement heeft gevraagd naar het aantal personen met een bezit van meer dan € 1,3 miljoen aan vastgoed heeft alles te maken dat voor deze groep personen een specifieke belasting geldt.</al>
            <al>Als gekeken wordt naar wat de rijkste huishoudens aan inkomstenbelasting in enig jaar of meerdere jaren, dan is het relevanter om te kijken naar het gehele vermogen van huishoudens. Dat wordt in het artikel in Le Monde ook benoemd. En dan speelt het totale aanmerkelijk belangbezit een grote rol omdat de rijkste huishoudens het grootste deel van het aanmerkelijk belang. Verder vormt het aanmerkelijk belang verreweg de grootste vermogenscomponent voor de rijkste huishoudens. De waarde van de aandelen van de vennootschappen waarin de huishoudens een aanmerkelijk hebben, wordt onder meer bepaald door de vermogensbestanddelen van die vennootschap Zie ook mijn brief «Minimumvermogensbelasting van 2% voor zeer rijke personen» die ik op 6 maart jl. naar de Tweede Kamer heb gestuurd.<noot id="ID-1253966-d40e888" type="voet"><noot.nr>52</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-32140-290" soort="document" status="actief">32 140, nr. 290</extref>.</noot.al></noot> Om de opbouw van het gehele vermogen van huishoudens beter in kaart te brengen, is nader onderzoek vereist. Het vermogen van vennootschappen wordt namelijk niet geadministreerd naar huishoudens. Daarnaast dient dan de waarde in het economisch verkeer van het vermogen dat in vennootschappen zit, te worden bepaald. Dit geldt met name voor aanmerkelijk belangvermogen waarvan de aandelen niet op de beurs worden verhandeld en waarvoor doorgaans geen marktwaardering voorhanden is. Vervolgens moet dan worden gekeken welk deel van deze personen er in enig jaar per saldo geen inkomstenbelasting betaalt. Idealiter wordt dan over meerdere jaren gekeken. U vraagt hoeveel miljonairs, ik zou me ook kunnen voorstellen deze vraag te beperken tot huishoudens vanaf een bepaalde vermogensgrens. Ik wou dan het volgende in overweging geven.</al>
            <al>Er is door het CPB een diepgaande analyse gemaakt in 2024 waarbij over een langere periode (2011–2019) is gekeken naar de belastingdruk van personen met de hoogste inkomens waarbij ingehouden winsten in vennootschappen ook meegeteld zijn als inkomen. Door ook ingehouden winsten mee te nemen, heeft CPB grotendeels dezelfde personen in Nederland met de grootste vermogens te pakken. En door een langere periode in beschouwing te nemen om de belastingdruk op het inkomen van deze personen te bepalen, wordt ook rekening gehouden met incidentele uitschieters in enig jaar, door bijvoorbeeld slechte of zeer goede bedrijfsresultaten en winstuitkeringen. Uit deze CPB-analyse kwam dat de top 0,01% rijkste personen in Nederland (dat zijn ongeveer 1400 personen) gemiddeld een belastingdruk op het inkomen (ingehouden winsten toegerekend aan het inkomen) van 28% hebben ervaren in de periode 2011–2019, dat is lager dan de gemiddelde belastingdruk van alle andere huishoudens. Voor midden- en hoge inkomens lag in die periode de gemiddelde belastingdruk tussen de 30% en 35%. Bij de bepaling van de belastingdruk is naast de inkomstenbelasting ook rekening gehouden met de vennootschapsbelasting. Het vermogen van rijkste huishoudens bestaat immers grotendeels uit aanmerkelijk belang, zodat de belastingdruk op hun inkomen vooral door de vennootschapsbelasting (Vpb) en box 2-belastingen wordt bepaald. Uit de analyse bleek verder dat hoe groter het aanmerkelijk belangvermogen, hoe lager de belastingdruk op het inkomen. Door geen winst uit te keren wordt box 2 belasting uitgesteld, zodat de hoogste inkomens (en daarmee ook grotendeels de huishoudens met de hoogste vermogens) relatief weinig inkomstenbelasting betalen.<noot id="ID-1253966-d40e900" type="voet"><noot.nr>53</noot.nr><noot.al>Bij het uitkeren van winst is wel box 2 verschuldigd, Evenals als aandelen worden verkocht. Op de ingehouden winst ligt dus een latente belastingclaim, die langdurig kan worden uitgesteld en veel gevallen ook kan worden doorgeschoven naar de volgende generatie door doorschuifregelingen inde inkomstenbelasting.</noot.al></noot> De belastingdruk op hun inkomen wordt voornamelijk bepaald door de jaarlijkse vennootschapsbelasting.</al>
            <al>Dus voor de Nederlandse situatie is bekend dat gemiddeld genomen de belastingdruk op het inkomen van de rijksten relatief laag is en dat dit gemiddelde verder afneemt met de waarde van het aanmerkelijk belang. Mede vanwege de analyse van het CPB en het IBO Vermogensverdeling is in 2023 het lage Vpb tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000. Daarnaast is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd. Sindsdien wordt het deel van de leningen bij de eigen bv dat boven de € 500.000 (in 2023 nog € 700.000 en sinds 2024 € 500.000) uitkomt, belast als fictief dividend in box 2. Ook is in 2024 een gedifferentieerd tarief ingevoerd in box 2. Dit zijn belangrijke maatregelen geweest in het zwaarder belasten van inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook is in het IBO Vermogensverdeling de casus geschetst waarin door zelf een ANBI op te richten en gebruik te maken van de periodieke giftenaftrek, vermogende huishoudens de inkomstenbelasting fors kunnen reduceren. Tot 2023 kon dat onbeperkt. Het toenmalige kabinet heeft in 2023 een maximum per jaar ingevoerd. Dat maximum bedroeg in 2023 en 2024 € 250.000 en bedraagt sinds 2025 € 1.500.000 per jaar. Daarmee is het voordeel van de giftenaftrek flink ingeperkt ten opzichte van de situatie voor 2023.</al>
            <al>Aangenomen mag worden dat deze maatregelen hebben geleid tot een evenwichtiger belastingdruk op de inkomens uit van de meest vermogende huishoudens in Nederland. Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen.</al>
            <al>Het is uiteraard mogelijk een analyse te maken van hoeveel huishoudens vanaf een bepaalde vermogensgrens geen of weinig inkomstenbelasting betalen in enig jaar of een bepaalde periode. Idealiter laat ik deze aantallen vergezeld gaan van een analyse van de achterliggende oorzaken (inkomens- en vermogenssamenstelling, fiscale regelingen, etc) dat deze vermogende huishoudens weinig tot geen inkomstenbelasting dienen te betalen. Dit zal wel het nodige beslag leggen op de capaciteit van het Ministerie van Financiën. Kennis van exacte aantallen personen of huishoudens die zeer weinig tot geen inkomstenbelasting in enig jaar of gedurende een langere periode betalen is op dit moment niet perse noodzakelijk om op dit moment doeltreffende en doelmatige maatregelen te kunnen nemen om de belastingdruk van huishoudens vanaf een bepaalde vermogensgrens te herzien. De analyse waarom de belastingdruk relatief laag is, is immers gemaakt door het CPB en in diverse ambtelijke rapporten. Het meest recent in het rapport Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel dat in februari 2024 naar de Kamer is gestuurd. Daarna is de evaluatie van het lage Vpb-tarief geëvalueerd en eind 2024 naar de Kamer gestuurd. Verder wordt de Wet excessief lenen nog dit jaar geëvalueerd en de introductie van het progressieve tarief in box 2 volgend jaar.<noot id="ID-1253966-d40e919" type="voet"><noot.nr>54</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2026/OWB/IX/onderdeel/9814637" soort="URL" status="actief">
                              Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda | Ministerie van Financiën – rijksoverheid</extref>.</noot.al></noot> Deze evaluaties beschouw ik als zeer waardevol voor de maatschappelijke discussie en deze evaluaties leggen ook beslag op de capaciteit van het Ministerie van Financiën. Rest mij nog te zeggen dat het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 een belangrijke volgende stap zal zijn in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen, zoals ook in het IBO Vermogensverdeling en in de «Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel» wordt benadrukt. Deze wet zal drie jaar na invoering worden ingevoerd. Dit alles wil ik de fractie van GroenLinks-PvdA graag in overweging geven bij hun verzoek.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of en zo ja welke, gevolgen de Staatssecretaris ziet voor de Nederlandse vennootschapsbelasting van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJ-EU) van 25 februari 2026 (Commissie vs. België), C-524-/23, ECLI:NL:C:2026:11, over de Belgische implementatie van CFC-model B van de anti-belastingontwijkingsrichtlijn. Klopt het dat Nederland CFC-model A toepast via het algemene zakelijkheidsbeginsel en dat het Europese Hof van Justitie heeft beslist dat EU-lidstaten onder dit model een verrekening moeten geven van buitenlandse winstbelasting?</nadruk>
            </al>
            <al>De anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD) legt EU-lidstaten de verplichting op een CFC-maatregel in te voeren gericht tegen het verschuiven van winsten naar laagbelaste lichamen en vaste inrichtingen. ATAD biedt EU-lidstaten twee benaderingen om het inkomen van de CFC-maatregel in de belastinggrondslag van een belastingplichtige te betrekken, namelijk Model A en Model B. Bij toepassing van Model A wordt bij een belastingplichtige direct belasting geheven over niet-uitgekeerd passief inkomen (zoals rente, financial lease, royalty’s, dividenden) van laagbelaste lichamen en vaste inrichtingen. Bij de toepassing van de CFC-regel in de vorm van Model B wordt bij de belastingplichtige alleen het inkomen van de CFC in de belastingheffing betrokken dat voortkomt uit kunstmatige structuren die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen. Deze benadering sluit aan bij de thans geldende transfer pricingregels (arm’s-lengthbeginsel), dat reeds is verankerd in de Wet Vpb 1969.</al>
            <al>Nederland past derhalve feitelijk Model B toe door de toepassing van het thans geldende arm’s-lengthbeginsel. Daarnaast heeft Nederland aanvullend Model A geïmplementeerd door de invoering van een wettelijke bepaling in de Wet Vpb 1969.<noot id="ID-1253966-d40e938" type="voet"><noot.nr>55</noot.nr><noot.al>Artikel 13ab Wet Vpb 1969.</noot.al></noot> Deze bepaling geldt voor CFC’s in laagbelastende staten en staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. In deze bepaling is expliciet voorzien in een mogelijkheid tot verrekening conform ATAD. De toepassing van de aanvullende CFC-maatregel volgens model A heeft tot gevolg dat Nederland ook inkomen dat op grond van het arm’s-lengthbeginsel niet aan Nederland is toe te rekenen belast.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Hoe schat de Staatssecretaris de kans in dat belastingplichtigen met dit arrest in de hand een verrekening van buitenlandse winstbelasting kunnen claimen over winst die volgens het zakelijkheidsbeginsel in Nederland thuishoort?</nadruk>
            </al>
            <al>Er is op dit moment voor Nederland geen aanleiding om wetgeving aan te passen of anderszins concrete gevolgen te voorzien. De Nederlandse en Belgische situatie op CFC-vlak zijn niet direct vergelijkbaar. Volledigheidshalve merkt het kabinet op dat Nederland een memorie van interventie heeft ingediend in deze procedure. Dit betekent echter niet dat de Nederlandse wetgeving voorwerp is geworden van de procedure. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (en de Europese Commissie) heeft zich dus ook niet uitgelaten over de Nederlandse situatie.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de Staatssecretaris een schatting maken van de budgettaire gevolgen van een dergelijke verrekeningsmogelijkheid, ook buiten CFC-gevallen?</nadruk>
            </al>
            <al>Bij de implementatie van Model A is in artikel 13ab, zesde lid, Wet Vpb 1969, expliciet voorzien in een mogelijkheid tot verrekening conform ATAD. Voor Model B geldt dat op basis van het thans geldende toepassing van het arm’s lengthbeginsel wordt voorzien in een corresponderende neerwaartse correctie in het andere land op basis van belastingverdragen, in het geval Nederland tot het juiste bedrag heeft gecorrigeerd conform het arm’s-lengthbeginsel. Een dubbele belasting kan in voorkomende gevallen mogelijk in een overlegprocedure worden opgelost. In Nederland wordt dus in beide modellen in het algemeen al rekening gehouden met de heffing in het andere land. Als gevolg van het arrest worden voor Nederland geen concrete gevolgen voorzien en verwacht het kabinet dat er ook geen budgettaire gevolgen zullen zijn.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of en zo ja welke, gevolgen de Staatssecretaris ziet voor de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting van het arrest van het Europese Hof van Justitie van 3 april 2025 (Nordcurrent), C-228/24, ECLI:NL:C:2025:239. Klopt het dat EU-lidstaten (mede) op grond van dit arrest de verplichting hebben om misbruik van nationale deelnemingsvrijstellingen te bestrijden?</nadruk>
            </al>
            <al>Lidstaten moeten misbruik van de Moeder-dochterrichtlijn tegengaan op grond van de algemene antimisbruikbepaling van deze richtlijn.<noot id="ID-1253966-d40e960" type="voet"><noot.nr>56</noot.nr><noot.al>Artikel 1, tweede lid Moeder-dochterrichtlijn.</noot.al></noot> Het arrest Nordcurrent<noot id="ID-1253966-d40e969" type="voet"><noot.nr>57</noot.nr><noot.al>HvJ 3 april 2025, zaak C–228/24.</noot.al></noot> ziet op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de algemene antimisbruikbepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn<noot id="ID-1253966-d40e978" type="voet"><noot.nr>58</noot.nr><noot.al> Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (herschikking).</noot.al></noot>. Het Hof van Justitie van de Europese Unie concludeert in dit arrest dat de algemene antimisbruikbepaling van de Moeder-dochterrichtlijn ook geldt voor misbruik van de deelnemingsvrijstelling. De algemene antimisbruikbepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn strekt ertoe om misbruik ten aanzien van de nationale deelnemingsvrijstelling tegen te gaan, voor zover de nationale deelnemingsvrijstelling dient tot implementatie van de van de Moeder-dochterrichtlijn. De verplichting om misbruik van richtlijnvoordelen tegen te gaan vloeit voort uit het Unierechtelijke antimisbruikbeginsel, zoals ook uit de Deense arresten volgt.<noot id="ID-1253966-d40e987" type="voet"><noot.nr>59</noot.nr><noot.al>HvJ 26 februari 2019, zaak C-116/16 en C-117/16.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Zo ja, maakt de Belastingdienst daar werk van? Is er een plan van aanpak, en zo ja, kan dat met de Kamer worden gedeeld?</nadruk>
            </al>
            <al>Misbruik wordt op de gebruikelijke wijze bestreden en de wet biedt daarvoor in principe voldoende mogelijkheden. Zo zijn in de deelnemingsvrijstelling daarvoor reeds een aantal toetsen opgenomen, zoals de onderworpenheidstoets en de bezittingentoets die van belang zijn voor de kwalificatie van een beleggingsdeelneming. Daarnaast kan in voorkomende gevallen misbruik worden bestreden met het jurisprudentieleerstuk fraus legis, de algemene antimisbruikbepaling (afgekort de GAAR) uit de anti-belastingontwijkingsrichtlijn worden toegepast die wettelijk is verankerd in artikel 29i Wet Vpb 1969. Tot slot hebben lidstaten op grond van het Unierechtelijke antimisbruikbeginsel de plicht om misbruik van richtlijnvoordelen tegen te gaan zoals ook uit de Deense arresten volgt.<noot id="ID-1253966-d40e999" type="voet"><noot.nr>60</noot.nr><noot.al>HvJ 26 februari 2019, zaak C–116/16 en C–117/16.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het bijzonder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de Belastingdienst structuren bestrijdt waarin met behulp van een buitenlandse brievenbusmaatschappij (tussenhoudster) goede en foute bezittingen worden gemengd met het oog op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van de bezittingentoets. Zijn er nog andere structuren die Nederland volgens de Staatssecretaris moet bestrijden vanwege misbruik van de deelnemingsvrijstelling?</nadruk>
            </al>
            <al>In zijn algemeenheid kan niet worden gesteld dat bepaalde structuren per definitie als misbruik dienen te worden bestempeld. Uit het arrest Nordcurrent<noot id="ID-1253966-d40e1011" type="voet"><noot.nr>61</noot.nr><noot.al>HvJ 3 april 2025, zaak C–228/24.</noot.al></noot> blijkt dat misbruik altijd moet worden beoordeeld aan de hand van het geheel van feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Zoals bij de beantwoording van vraag 86 aangegeven, bieden de wet en (Europese) jurisprudentie in principe voldoende aanknopingspunten om misbruik te bestrijden.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat er opnieuw een heffingslek dreigt in de subjectieve belastingplicht van de vennootschapsbelasting, ditmaal met betrekking tot zorg-BV’s. Hoeveel zorg-BV’s doen een beroep doen op de zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting, terwijl de Belastingdienst vindt dat vrijstelling niet van toepassing is vanwege de winstbestemmingseis? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe groot de budgettaire derving is als de Belastingdienst de bij de Hoge Raad aanhangige procedure over de belastingplicht van een zorg-BV verliest<noot id="ID-1253966-d40e1022" type="voet"><noot.nr>62</noot.nr><noot.al>Conclusie van 22 augustus 2025, ECLI:NL:PHR:2025:874.</noot.al></noot>. Klopt het dat de advocaat-generaal de Hoge Raad heeft geadviseerd om de zorgvrijstelling toe te passen op een zorg-BV, terwijl er geen garantie is dat de vrijgestelde winst ten goede komt aan de zorg in plaats van aan de private equity-aandeelhouders? Vindt de Staatssecretaris het net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onwenselijk dat vrijgestelde winst in de zakken van private equity belandt? Ziet de Staatssecretaris aanleiding voor een wetswijziging om het dreigende heffingslek de pas af te snijden, bijvoorbeeld door de introductie van een compartimenterings- of eindafrekeningsregeling?</nadruk>
            </al>
            <al>Op dit moment loopt er bij de Hoge Raad inderdaad een procedure inzake een bv die zorginstellingen exploiteert en zorg- en dienstverlening aanbiedt. Hierbij is in geschil of deze bv voldoet aan de voorwaarden voor de zorgvrijstelling, met name de voorwaarde (in art. 4 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971) dat de belanghebbende haar winst «uitsluitend kan aanwenden ten bate van een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang». Daarbij heeft de advocaat-generaal, kort gezegd, geadviseerd dat deze zogenoemde winstbestemmingseis moet worden toegepast op basis van de statuten en de feiten in het desbetreffende belastingjaar en eventueel op zich sindsdien feitelijk voorgedaan hebbende statutenwijzigingen of feiten, maar niet op onbekende toekomstige eventualiteiten.</al>
            <al>Als de Hoge Raad dit advies opvolgt, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat naar de mening van het kabinet onvoldoende geborgd is dat naar de toekomst toe de met toepassing van de zorgvrijstelling vrijgestelde winsten uitsluitend kunnen worden aangewend ten bate van een ingevolge de zorgvrijstelling vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang. Op dit moment wordt daarom onderzocht welke maatregelen dan passend zijn om dit wel afdoende te borgen en daarmee een budgettaire derving te voorkomen.</al>
            <al>Het is niet precies aan te geven hoeveel zorg-bv’s een beroep doen op de zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting, terwijl de Belastingdienst vindt dat de vrijstelling niet van toepassing is vanwege de winstbestemmingseis. In ieder geval zal het op dit moment gaan om een beperkt aantal. Hoe groot een eventuele budgettaire derving is als de Belastingdienst de bij de Hoge Raad aanhangige procedure over de belastingplicht van een zorg-bv verliest en er geen passende maatregelen zouden worden getroffen, is mede afhankelijk van het precieze oordeel van de Hoge Raad en eventuele gedragseffecten naar aanleiding van het oordeel.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voorts vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of het klopt dat de Belastingdienst zekerheid vooraf verstrekt in de vorm van belastingrulings over constructies die als hoofddoel of één van meerdere hoofddoelen de ontwijking van de wereldwijde minimumbelasting hebben. Is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter in 2023 aangepast om medewerking van de Belastingdienst aan dergelijke constructies mogelijk te maken? Geldt dit zelfs voor agressieve constructies waarbij stille reserves die dreigen te worden belast met de minimumbelasting om zeep worden geholpen? Deze leden vragen waarom de Belastingdienst meewerkt aan de constructie die is gepubliceerd als kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst van 17 februari 2026 (20260217, RULOV 000012 (V-N 2026/10.9)?</nadruk>
            </al>
            <al>De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Zekerheid vooraf vervult niet alleen voor belastingplichtigen, maar ook in het toezicht van de Belastingdienst een waardevolle functie.</al>
            <al>Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.</al>
            <al>Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan.<noot id="ID-1253966-d40e1046" type="voet"><noot.nr>63</noot.nr><noot.al>Besluit van 19 december 2023, nr. 2023–0000020007 (<extref doc="stcrt-2023-25745" soort="document" status="actief">Stcrt. 2023, 25745</extref>) kent drie uitzonderingen: (i) ontmanteling belastingontwijkende structuur met wegneming belastingontwijkende elementen, (ii) gevraagde zekerheid vooraf heeft betrekking op derdentransacties bij de toepassing van de innovatiebox en de toepassing van de tonnageregeling of op de fiscale gevolgen van derdentransacties bij het sluiten van een APA en (iii) gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 voor zover de gevraagde zekerheid ziet op directe transacties met entiteiten die gevestigd zijn in laagbelastende jurisdicties.</noot.al></noot> Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen.</al>
            <al>De Belastingdienst kijkt scherp naar het doel van de specifieke <?xpp afbreek?>(rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Dit blijkt ook uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen. Hierin wordt een overweging opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt.</al>
            <al>Van zowel toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd. Nieuwe ontwikkelingen worden ook jaarlijks in het jaarverslag nader toegelicht aan de hand van opgedane ervaring. Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld.<noot id="ID-1253966-d40e1069" type="voet"><noot.nr>64</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-31066-1463" soort="document" status="actief">31 066, nr. 1463</extref>, bijlage.</noot.al></noot> De algemene indruk van de onderzoekscommissie is dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op de agenda van het schriftelijk overleg en merken op dat enkele thema’s reeds in het commissiedebat fiscaliteit van 11 maart 2026 besproken zijn. Deze leden hebben nog wel enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de brief over monitoring van effecten van de aanpak van belastingontwijking, lijkt een vrij positief beeld te ontstaan over effectiviteit van maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen. De monitor laat minder gebruik van belastingontwijkingsstructuren, een daling van doorstroomconstructies via Nederland en minder fiscale «kunstmatige» investeringsstromen zien. Tegelijkertijd zien we dat belastingontwijking nog niet volledig verdwenen is, bijvoorbeeld ten aanzien van dividenden, transparantie structuren en verdragslekken, en dat internationale samenwerking cruciaal blijft. Waar zit voor Nederland nog handelingsperspectief? Waar moet volgens de Staatssecretaris Europees of internationaal wordt opgetrokken?</nadruk>
            </al>
            <al>In de aanpak van internationale belastingontwijking ligt de focus van het kabinet op een gecoördineerde internationale benadering. Internationale belastingontwijking het meest effectief kan worden aangepakt door internationale of Europese afspraken. Ten aanzien van doorstroomvennootschappen werkt de Europese Commissie aan het opstellen van een hernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied<noot id="ID-1253966-d40e1086" type="voet"><noot.nr>65</noot.nr><noot.al>Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve</noot.al><noot.al>samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG.</noot.al></noot>, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratieve samenwerking die in de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Het kabinet sluit aan bij deze afspraken en kiest ervoor om af te zien van eenzijdige nationale koppen op nieuw beleid. Op deze manier wordt zo veel mogelijk voorkomen dat legitieme internationale bedrijven geraakt worden door extra regelgeving en blijft het ondernemingsklimaat voor reële investeringen behouden. Het kabinet acht op dit moment geen aanvullende maatregelen nodig.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie lezen in het onderzoek over de verschillen tussen de commerciële en fiscale jaarrekening dat de grootste verschillen goed fiscaal verklaarbaar zijn, maar dat er ook ruimte is voor onderzoek of bepaalde gehanteerde beginselen nog van deze tijd zijn. Deze leden vragen of de Staatssecretaris van plan is dit nadere onderzoek te doen en, zoals het rapport adviseert, samen met onder andere de belastingwetenschap en fiscale adviespraktijk.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet zal nader onderzoek doen naar de verschillen tussen de commerciële en fiscale winstbepaling die ontstaan vanwege afschrijvingen en bijzondere waardevermindering of -vermeerdering (herwaarderingen). Hierbij zal gewogen worden of verdere aansluiting bij de commerciële winst voor de hand ligt op deze punten. Onderdeel van dit onderzoek zal ook zijn het aangaan van het gesprek met de fiscale uitvoeringspraktijk en de belastingwetenschap. In dit kader zal ook in bredere zin worden stilgestaan bij de beginselen van het fiscale totaalwinst- en jaarwinstbegrip. Voor een goede en prudente weging van de beginselen is echter meer verdiepend onderzoek nodig. Aan de hand van de uitkomsten van de gevoerde gesprekken waarin gekeken zal worden naar aanwijzingen hiervoor, zal het kabinet bekijken dit nadere opvolging verdient.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie merken op dat de overheid nooit in staat zal zijn alle vormen van belastingontwijking met wetgeving dicht te regelen. Daarom is het ook van belang dat burgers en bedrijven zelf moreel gedrag vertonen, want als een deel van de belastingbetalers niet bijdraagt, dan liften zij mee op een kleinere groep die meer zal moeten opbrengen. Deze leden vragen wat de overheid op dit moment doet om moreel gedrag te stimuleren.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet is het eens met de observatie dat wetgeving niet alle vormen van belastingontwijking kan voorkomen. Het kabinet zal daarom bedrijven blijven wijzen op hun maatschappelijk verantwoordelijkheid rondom belastingen. Voor goed nalevingsgedrag is het nodig dat burgers en bedrijven het fiscale stelsel als rechtvaardig ervaren. Daarbij moet de overheid ervoor zorgen dat het naleven van de regels makkelijk is. Het kabinet blijft oog houden voor opmerkelijke belastingconstructies en de aanpak daarvan.<noot id="ID-1253966-d40e1106" type="voet"><noot.nr>66</noot.nr><noot.al>Zie bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026: Kamerstukken II 2025/26, <extref doc="kst-36915-1" soort="document" status="actief">36 915, nr. 1</extref>, p. 258 e.v.</noot.al></noot> Het kabinet streeft naar vereenvoudiging van het belastingstelsel en de Belastingdienst werkt continu aan het verbeteren van de dienstverlening.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ook merken deze leden op dat enkele jaren geleden een Tax Governance Code is opgesteld door VNO-NCW. Deze is niet verplicht zoals de Corporate Governance Code in Nederland. Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan nagaan wat het bereik van de Tax Governance Code nu is, hoeveel bedrijven zich hieraan committeren en wat de effecten zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>Sinds de publicatie van de Tax Governance Code is het aantal deelnemende bedrijven toegenomen. Inmiddels zijn dat er bijna 50. Sinds 2022 voeren deelnemende bedrijven ook een jaarlijkse peer review uit. De resultaten daarvan zijn te vinden op de website van VNO-NCW.<noot id="ID-1253966-d40e1119" type="voet"><noot.nr>67</noot.nr><noot.al><extref soort="URL" doc="https://www.vno-ncw.nl/taxgovernancecode" status="actief">https://www.vno-ncw.nl/taxgovernancecode</extref></noot.al></noot> Blijkens de peer reviews neemt de compliance van de Tax Governance Code jaarlijks toe, waarbij de grootste winst nog valt te behalen bij het onderdeel «Fiscale transparantie en rapportage». De Belastingdienst toetst niet of een bedrijf voldoet aan de Tax Governance Code of een vergelijkbare code. Deelname aan een dergelijke code is voor de Belastingdienst wel aanleiding voor een gesprek, met als doel inzicht te krijgen in de betekenis daarvan voor het toezicht. In dat gesprek wordt besproken hoe het bedrijf de open normen van de code concretiseert en hoe deze binnen de organisatie zijn ingebed. Indien de Belastingdienst de indruk heeft dat het feitelijke gedrag van het bedrijf afwijkt van hetgeen in de code is beschreven, wordt dit met het bedrijf besproken en heeft dit gevolgen voor de inrichting en intensiteit van het toezicht.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden merken op dat een dergelijk kader in sommige landen, zoals het Verenigd Koninkrijk of Australië, wel verplicht is en vragen of de Staatssecretaris de effecten hiervan op transparantie bij zijn collega belastingdiensten kan nagaan.</nadruk>
            </al>
            <al>De Tax Governance Code is bedoeld om bedrijven vrijwillig te stimuleren op een transparante en verantwoorde manier om te gaan met belastingen. Het kabinet verkent niet de mogelijkheden om dergelijke rapportage verplicht te stellen. Dat zou niet aansluiten op de wens van dit kabinet om de regeldruk te beperken. Maar bovenal gelooft het kabinet dat vrijwilligheid zorgt voor intrinsieke motivatie bij bedrijven. Juist wanneer bedrijven er zelf voor kiezen om verantwoord belastinggedrag te tonen en open te zijn over hun fiscale strategie, leidt dat tot meer draagvlak en blijvend effect.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie lazen in het Financieel Dagblad van 10 maart 2026 over agressieve internationale belastingconstructies van mkb-ers, waar de fiscus zo’n 40 miljoen euro aan naheffingen over oplegde. Deze fiscale schijnconstructies met verkapte dividenduitkeringen hebben jarenlang bestaan en deze leden vragen of dit type constructie nu is opgelost of dat dit nog steeds kan plaatsvinden. In het verleden zijn enkele andere grootschalig toegepaste constructies ook al dichtgezet. Deze leden vragen of de Belastingdienst nog meer zulke agressieve fiscale constructies in het vizier heeft, en of zulke constructies in de tijd minder/moeilijker worden gezien aanvullende regels ten aanzien van compliance en transparantie.</nadruk>
            </al>
            <al>De genoemde belastingconstructies worden door de Belastingdienst, voor zover mogelijk, effectief bestreden. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat de Belastingdienst in de (hoger) beroep in het gelijk is gesteld in meerdere fiscale procedures met betrekking tot dividendstructuren. Verder blijft dit kabinet werk maken van het op nationaal niveau aanpakken van belastingconstructies in de brede zin van het woord, zie in dat kader ook de bijlage bij de Voorjaarsnota met een lijst van opmerkelijke belastingconstructies. Daarin zijn, waar mogelijk, ook opties opgenomen om deze met beleid te adresseren.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Tot slot willen de leden van de CDA-fractie wijzen op de problematiek rondom plof-BV's, een frauduleuze constructie waarbij een vennootschap vaak via turboliquidatie wordt leeggetrokken en achtergelaten met schulden, waar crediteuren en de Belastingdienst de dupe van zijn. Deze leden vragen of de Belastingdienst en FIOD deze problematiek ook op de radar hebben en of wat mogelijke manieren zijn om dit aan te pakken.</nadruk>
            </al>
            <al>De Belastingdienst (inclusief FIOD) is bekend met de problematiek van het misbruik van turboliquidaties, hoewel de omvang hiervan lastig is vast te stellen. De zorgen over misbruik van turboliquidatie is aanleiding geweest voor de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Deze wet bevat een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Schuldeisers kunnen zo beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Als het bestuur deze verantwoordingsverplichting niet heeft nageleefd, kunnen schuldeisers inzicht krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon. Daarnaast bevat de wet een aantal sancties in geval van niet-naleving, zoals een bestuursverbod en een strafbaarstelling. De strafrechtelijke handhaving van de verantwoordingsverplichting wordt uitgevoerd door de Dienst financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën in samenspraak met het Openbaar Ministerie.</al>
            <al>Afgelopen zomer is het WODC-rapport naar de werking van de tijdelijke wet aan Uw kamer aangeboden. De onderzoekers concluderen dat de tijdelijke wet bij naleving bijdraagt aan meer transparantie en de verbetering van de rechtspositie van schuldeisers, maar in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik. De ambtsvoorganger van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Daarnaast is naar aanleiding van het rapport de tijdelijke wet met twee jaar verlengd, tot 15 november 2027.</al>
            <al>Daarnaast bekijkt J&amp;V samen met het Ministerie van EZ naar de verschillende mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KvK te versterken. De Belastingdienst en de FIOD volgen deze ontwikkelingen actief en sluiten aan bij het wetgevingstraject van het Ministerie van J&amp;V.</al>
            <al>De Belastingdienst voert toezicht uit op het naleven van fiscale regels, zoals op het tijdig betalen van belastingschulden. Als er aanwijzingen zijn dat mogelijk niet fiscaal compliant is gehandeld bij turboliquidaties, dan kan de Belastingdienst dit in onderzoek nemen en waar nodig handhavend optreden. De FIOD wordt betrokken als er vermoedens zijn van fraude.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>