﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="meto">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31008-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2006-2007</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="v2_9__3.8" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST106453</ordernr>
    <vergjaar>2006-2007</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>31 008</nummer>
      <naam>Intrekking van diverse wetten, die haar betekenis verloren hebben, op
het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
      <tuskop letat="vet">I. Algemeen</tuskop>
      <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat uitsluitend
opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel
b, van de Wet op de Raad van State).In het kader van de rijksbrede «herijking
van bestaande regelgeving» wordt per ministerie alle regelgeving tegen
het licht gehouden. De eerste vraag die zich daarbij welhaast vanzelfsprekend
aandient is die naar de actualiteit van de regelgeving: werkt de regeling
nog of is zij uitgewerkt?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit wetsvoorstel behelst de intrekking van een aantal uitgewerkte wetten;
dat wil zeggen dat deze wetten hun effect inmiddels geheel en al gehad hebben
en hun juridische voortbestaan als «geldende wet» geen enkel juridisch
doel meer dient.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een opruimingsactie als de onderhavige is – nog – geen traditie.
Immers, uitgewerkte wetten waren tot voor kort een rustig bezit, dat in oude
Staatsbladen in archieven lag te liggen totdat mogelijk een in de geschiedenis
geïnteresseerde nog eens zou komen kijken. Met de komst van het internet
en het daarop ook beschikbaar maken van de hele Nederlandse wet- en regelgeving «zoals
die vandaag-de-dag geldig is» wordt dat rustige bezit tot last en tot
overbodige ballast. Een – in de toekomst periodieke – opruiming
van wat niet meer van betekenis is kan ertoe bijdragen dat het geldende stellige
recht van Nederland goed toegankelijk is en blijft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De nu in te trekken wetten vormen op het BZK-terrein een eerste tranche.
Het is de verzameling, die bij de eerste snelle en daardoor min of meer oppervlakkige
doorloop van alle BZK-wetten onmiddellijk als obsoleet kon worden gekwalificeerd.
Er is zeker méér, maar op diverse terreinen verdient het de
voorkeur om een deel van het opruimingswerk mee te laten lopen in andere wetgevingsprojecten,
zoals bij voorbeeld de herziening van het politiebestel en die van het kiesstelsel.
In andere gevallen – bij voorbeeld de overgangsregelingen rond de privatisering
van de ambtelijke pensioenen – is aanmerkelijk meer studie nodig om
vast te stellen of wetgeving inderdaad is uitgewerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de grootste groep van als categorie te duiden wetten – die tot
gemeentelijke en/of provinciale (her)indeling: enige honderden sinds 1830 – is voorlopig nog even buiten beschouwing gebleven. Op het eerste
gezicht zijn dat wetten met een eenmalig en onmiddellijk effect, maar in vroeger
tijden is wel voorgekomen dat in herindelingwetten beloftes of garanties zijn
gedaan, bevestigd of overgedragen, waarop vandaag de dag nog een beroep wordt
gedaan of kan worden gedaan.</al>
      <tuskop letat="vet">II. Artikelsgewijze toelichting</tuskop>
      <al>De meeste van de nu in te trekken wetten strekken tot wijziging van andere
wetten; zij hebben alle gemeen dat zij voor dat gedeelte onmiddellijk zijn
geëffectueerd en dus zijn uitgewerkt. De toelichting hierná is
steeds een aanvulling op die constatering.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel I:</tuskop>
      <al>a. Deze wet behelst een aanvulling op wetgeving, die sindsdien in zijn
geheel is herzien. Door die herziening heeft deze wet geen betekenis meer.</al>
      <al>b. Deze wet behelst een éénmalige uitkeringen met betrekking
tot het jaar 1992 voor wie in dát jaar belanghebbende was en is dus
uitgewerkt.</al>
      <al>c. Deze wet bepaalt dat in afwijking van de artikelen 5 en 12a van de
Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer enkele bedragen opnieuw kunnen worden
vastgesteld per 1 april 1992 en 1 januari 1993 en een opdracht tot
tekstplaatsing. Inmiddels zijn de genoemde artikelen vervallen en kan dus
ook een afwijking ervan niet meer relevant zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel II:</tuskop>
      <al>a. Deze wet behelst dat alleen bij de twee in 1994 gehouden verkiezingen
artikel M 13, tweede lid, van de Kieswet buiten toepassing is gebleven.</al>
      <al>b. Deze wet behelst een eenmalige instructie aan burgemeester en wethouders
van ’s-Gravenhage bij gelegenheid van de eerste verkiezingen na inwerkingtreding
van deze wet.</al>
      <al>c. Deze wet bevat een eenmalige opdracht aan alle colleges van burgemeester
en wethouders bij gelegenheid van de Europese verkiezingen van 1999.</al>
      <al>d. Deze wet bevat enkele specifieke voorzieningen voor het kalenderjaar
2001, onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel III:</tuskop>
      <al>a. Deze wet bepaalt zelf dat de D(eregulerings)experimenten en de daarvoor
benodigde experimentele bepalingen slechts tweeëneenhalf jaar zullen
gelden of zoveel langer als nodig is om een of meer «experimentele bepalingen»
in wet- en regelgeving te vervangen door definitieve bepalingen. Het D’experiment
is inmiddels lang beëindigd.</al>
      <al>b. Deze wet regelt een overgangstermijn van vier jaren vanaf medio 1992.
Door de inwerkingtreding van de nieuwe Provinciewet en de nieuwe Gemeentewet
op 1 maart 1993, waarin hetzelfde vrijwel identiek werd geregeld, verloor
deze wet toen al zijn betekenis.</al>
      <al>c. Deze wet regelt een eenmalige bijdrage aan gemeenten, die kosten moesten
maken omdat zij door deze wet genoodzaakt waren over te gaan van oppervlaktegrondslag
naar waardegrondslag bij de heffing van de onroerende zaakbelasting.</al>
      <al>d. Deze wet regelt bij de afschaffing van preventief toezicht op belastingverordeningen
welke besluiten nog wel en welke niet meer aan voorafgaande goedkeuring onderworpen
waren.</al>
      <al>e. Deze wet stelt enkele geldbedragen ten laste van het Provinciefonds
voor alleen de kalenderjaren 1992 en 1993 vast en verklaart de Kroon bevoegd te bepalen over welk jaar voor het eerst jaarverslagen-nieuwe-stijl
zullen worden gemaakt.</al>
      <al>f. Deze wet stelt de oude rechten op passieve verkiesbaarheid van belanghebbenden
(zittende raadsleden en potentiële opvolgers in vacatures) voor de zittingsduur
van de bij inwerkingtreding van de wet in 1997 zittende gemeenteraden veilig
en heeft dus zijn betekenis verloren bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen
van 1998 – of bij een enkele herindeling in 1999.</al>
      <al>g. Deze wet behelst nog slechts een overgangsbepaling voor 2001 en een
citeertitel.</al>
      <al>h. Deze verzamelwet tot invoering van het GBA-stelsel in allerlei specifieke
wetgeving behelst nog drie artikelen: één uitgewerkte overgangsbepaling
en één bepaling dat diverse onderdelen op verschillende momenten
in werking zullen kunnen treden, hetgeen geschied is; de derde nog «levende»
bepaling levert iets curieus op: zij bepaalt dat drie jaar nadat het laatste
onderdeel van de (verzamel)wet in werking zal zijn getreden, een evaluatie
van deze wet op werking en effectiviteit moet worden gemaakt. Echter, het
laatste onderdeel van deze wet – dit artikel – is nimmer in werking
getreden. Niettemin is het evaluatieverslag gemaakt en aan de Staten-Generaal
aangeboden (Kamerstukken II, 2004–2005, 30 185, nr. 1). Er is dus
geen materieel bezwaar om ook dit laatste artikel in te trekken.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel IV:</tuskop>
      <al>a en   c. Twee wetten, waarin nog uitsluitend zijn overgebleven
wat eenmalig werkende bepalingen in verband met de instelling van het LSOP,
respectievelijk met de overgang van het beheer over het Korps Landelijke Politiediensten
van het ministerie van Justitie naar dat van Binnenlandse Zaken.</al>
      <al>b. Deze wet houdt twee uitgewerkte bepalingen in van de strekking dat
bestuursorganen twee, respectievelijk drie jaar de tijd hebben alvorens zij
voor het eerst daadwerkelijk aan de nieuwe verplichtingen moeten voldoen.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel V:</tuskop>
      <al>Beide wetten bevatten nog slechts uitgewerkte overgangsbepalingen.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel VI:</tuskop>
      <al>Over de intrekking van ieder van de wetten, genoemd in dit artikel, is
overleg geweest met de uitvoeringsorganisaties, die belast waren of nog zijn
met de uitvoering ervan. Zij hebben in alle gevallen kunnen bevestigen dat
de intrekking van deze wetten geen afbreuk kan of zal doen aan aanspraken
van personen.</al>
      <al>a. Deze wet is uitgewerkt, want er kunnen anno 2006 geen gewezen KNIL-militairen
meer zijn, die nog geen 65 jaar oud zijn, zijnde dat de maximum-leeftijd waarop
van een wachtgeld sprake kan zijn.</al>
      <al>b, c  en d. Deze wetten zijn uitgewerkt: zij behelzen elk een éénmalige
uitkering die binnen twee jaren na in werkingtreding van deze wetten (1981
respectievelijk 1993 en 1998) aangevraagd moest zijn.</al>
      <al>e tot en met l en n. Al deze wetten hebben hun betekenis reeds vanwege
de intrekking van de Algemene burgerlijke pensioenwet verloren.</al>
      <al>m, o, p, q en t. Deze wetten bevatten nog slechts uitgewerkte inwerkingtredingsbepalingen.</al>
      <al>r. Deze wet is uitgewerkt, want had slechts betrekking op 1991 en 1992.</al>
      <al>s. Deze wet wijzigde inmiddels ingetrokken wetten.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel VII:</tuskop>
      <al>Deze wetten bevatten alle vier de destijds vanwege het toenmalige artikel
29 van de Comptabiliteitswet 1966 benodigde machtiging tot (mede-)oprichting
van een privaatrechtelijke rechtspersoon en ten aanzien van beide vennootschappen
de machtiging tot deelneming door de Staat in die vennootschappen. Verder
bevatten de RBB- en de RCC-wet alsook de Wet Stichting CAOP een aantal procedurevoorschriften
met betrekking tot de overgang van personeel naar de nieuwe vennootschappen.
Ten overvloede zij hier vermeld dat de vergelijkbare wet met betrekking tot
de voormalige staatsdrukkerij, thans NV Sdu, niet kan worden ingetrokken,
omdat daarin ten minste één bepaling staat, die nog steeds effect
heeft.</al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>G. ter Horst</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>