﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE officiele-publicatie PUBLIC "-//Overheid//Officiele publicaties 1.0//NL" "http://standaarden.overheid.nl/op/dtd/offpublicatie.dtd"[]>
<officiele-publicatie>
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30982-7/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2011-2012</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>30 982</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel status="officieel">Beleidsdoorlichting Sociale Zaken en Werkgelegenheid</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">7</ondernummer></stuknr>
      <titel status="officieel">BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID</titel>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
            <al>Den Haag, 14 november 2011</al>
            <al>Hierbij ontvangt u de beleidsdoorlichting van artikel 41 van mijn
				begroting.<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</noot.al></noot> De algemene doelstelling van dit begrotingsartikel luidt:
				<nadruk type="cur">zorgdragen voor een evenwichtige en activerende
				inkomensontwikkeling</nadruk>. De beleidsdoorlichting maakt voor de periode
				2002–2010 inzichtelijk hoe de koopkracht en arbeidsmarktprikkels zich hebben
				ontwikkeld voor groepen huishoudens en wat het effect van het inkomensbeleid
				van het kabinet hierop is geweest. Ook is onderzocht of de huidige wijze van
				meten en rapporteren toereikend is.</al>
            <al>Als onafhankelijk expert heeft prof.dr. C.A. de Kam
				(Rijksuniversiteit Groningen) een positief oordeel gegeven over de opzet en
				inhoud van de beleidsdoorlichting. Zijn oordeel is integraal opgenomen in het
				eindrapport. Tevens is bij aanvang van de doorlichting een klankbordgroep
				ingesteld van externe experts die heeft geadviseerd over de te volgen methoden,
				aanpak en rapportage.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">De verantwoordelijkheid van de
				Rijksoverheid bij het inkomensbeleid</tussenkop>
            <al>Het kabinet beïnvloedt de inkomensontwikkeling van huishoudens
				direct via het fiscaal beleid en het beleid ten aanzien van sociale zekerheid
				en inkomensondersteunende regelingen, waaronder de toeslagensystematiek. Andere
				factoren als de hoogte van de inflatie, de ontwikkeling van ziektekosten- en
				pensioenpremies en de contractloonontwikkeling zijn echter medebepalend voor de
				inkomensontwikkeling. Hiernaast hebben juist ook persoonlijke beslissingen en
				omstandigheden een grote impact op de werkelijke inkomenspositie van
				huishoudens.</al>
            <al-groep>
              <al>In de SZW-begroting wordt jaarlijks de <nadruk type="cur">statische koopkrachtontwikkeling</nadruk> voor het komende jaar
				  geraamd. Hierbij wordt de impact van het inkomensbeleid in beeld gebracht,
				  zonder rekening te houden met veranderingen in persoonlijke omstandigheden,
				  zoals baanveranderingen en veranderingen in de huishoudsamenstelling. Ik
				  gebruik hiervoor:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>Het standaard koopkrachtbeeld, dat wil zeggen de
						koopkrachtontwikkeling van 18 voorbeeldhuishoudens (artikel 41);</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>Puntenwolken, waarin de koopkrachtontwikkeling van een
						steekproef van huishoudens grafisch is weergegeven (bijlage specifieke
						inkomenseffecten);</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>Frequentietabellen, waarin is aangegeven hoeveel procent
						van de huishoudens in een groep naar verwachting te maken heeft met bepaalde
						koopkrachteffecten (bijlage specifieke inkomenseffecten).</al>
                </li>
              </lijst>
            </al-groep>
            <al>Ik wil benadrukken dat de statische koopkracht een zinvolle maat
				is om inzicht te krijgen in het effect van overheidsbeleid op het inkomen van
				huishoudens. Het is in de meeste gevallen echter geen goede voorspeller van de
				werkelijke (dynamische) inkomensontwikkeling van individuele huishoudens.
				Individuele beslissingen en omstandigheden kunnen immers, zoals gezegd, een
				aanzienlijk groter effect hebben op het inkomen. Denk bijvoorbeeld aan
				werkaanvaarding, baanverlies, promotie of een veranderende samenstelling van
				het huishouden.</al>
            <al>Tot slot rapporteer ik in de SZW-begroting jaarlijks over de
				ontwikkeling van <nadruk type="cur">de financiële prikkels voor
				werkaanvaarding</nadruk> voor 16 voorbeeldhuishoudens.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Belangrijkste conclusies
				beleidsdoorlichting</tussenkop>
            <al>De beleidsdoorlichting is uitgevoerd door mijn medewerkers en
				leidt tot de volgende conclusies:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>– </li.nr>
                <al>Van vrijwel alle huishoudens is de koopkracht tussen 2002 en
					 2010 verbeterd (zie navolgende figuur). Het inkomensbeleid van
					 achtereenvolgende kabinetten heeft vooral een gunstig effect gehad op de
					 koopkracht van alleenstaande ouders en AOW-ers.</al>
                <plaatje>
                  <illustratie kleur="nee" type="lijn" uitlijning="start" formaat="png" naam="kst-30982-7-001.png" breedte="110mm" hoogte="68mm" />
                  <bijschrift locatie="boven">Figuur: Gerealiseerde (statische)
						koopkrachtontwikkeling 2002–2010</bijschrift>
                </plaatje>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>In alle jaren doen zich afwijkingen voor tussen de raming (in
					 de begroting voor het komende jaar) en realisatie (achteraf) van de
					 koopkrachtontwikkeling. Voor de meeste werkenden vallen de plussen in het ene
					 jaar weg tegen de minnen in het andere jaar. Bij inactieven lijkt gemiddeld
					 genomen in de onderzochte periode de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling iets
					 positiever uit te pakken dan de raming.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>De analyse wijst verder uit dat financiële prikkels om
					 (meer) te gaan werken licht zijn toegenomen. Toch zijn de prikkels voor
					 bepaalde groepen nog steeds klein. Dit speelt vooral bij werkaanvaarding vanuit
					 een uitkering. Zo krijgen alleenstaande ouders die 4 dagen gaan werken tegen
					 minimumloon zelfs te maken met een inkomens<nadruk type="cur">achteruitgang</nadruk> van 4%. Hierop kom ik later in deze brief
					 terug.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>De huidige wijze van rapporteren over de statische
					 koopkrachtontwikkeling biedt accurate informatie voor het beoordelen van
					 overheidsmaatregelen die de inkomens van huishoudens raken. Een voldoende
					 representatief inzicht wordt verkregen in de effecten van maatregelen op
					 bepaalde groepen huishoudens.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>De beleidsdoorlichting laat tot slot zien dat ook voor de
					 financiële prikkels voor werkaanvaarding de gekozen voorbeeldhuishoudens in
					 het algemeen representatief zijn voor de achterliggende «echte» huishoudens.
					 Wel hebben enkele van de voorbeeldhuishoudens slechts betrekking op een zeer
					 klein aantal echte huishoudens.</al>
              </li>
            </lijst>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Aandachtspunten voor toekomstige
				beleidsvorming</tussenkop>
            <al>Een beleidsdoorlichting biedt de gelegenheid om te leren van
				ervaringen uit het verleden en levert daarmee relevante aandachtspunten op voor
				toekomstige beleidsvorming. De bevindingen uit de beleidsdoorlichting beschouw
				ik als een aansporing voor het kabinetsbeleid om werken lonender te maken.
				Daarnaast is de doorlichting voor mij aanleiding om enkele verbeteringen door
				te voeren in hoe gerapporteerd wordt over inkomensontwikkelingen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Werk moet lonen</tussenkop>
            <al>Uitgangspunt van het kabinet is dat iedereen zelf zoveel mogelijk
				in zijn inkomen voorziet. Om mensen te stimuleren (meer) te gaan werken is het
				essentieel dat werken loont. Uit de beleidsdoorlichting blijkt eens te meer dat
				de financiële prikkels voor werkaanvaarding voor bepaalde groepen huishoudens
				nog steeds klein zijn en ook nauwelijks zijn vergroot in de achterliggende
				jaren. Deze zogeheten armoedevalproblematiek speelt vooral bij alleenstaande
				ouders en paren, wanneer iemand vanuit een uitkeringssituatie tegen het
				minimumloon aan de slag gaat.</al>
            <al>Het kabinet heeft besloten tot een aantal maatregelen die de
				arbeidsmarktprikkels moeten vergroten. Deze doorlichting benadrukt nog eens de
				noodzaak van deze koers. Twee van deze maatregelen noem ik hier expliciet.
				<nadruk type="cur">Ten eerste</nadruk> heeft het kabinet ervoor gekozen om de
				huidige dubbele heffingskorting in het zogeheten referentieminimumloon over een
				periode van 20 jaar geleidelijk af te bouwen naar één heffingskorting. Dit in
				aansluiting op de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene
				heffingskorting in de fiscaliteit. Deze maatregel zorgt ervoor dat uitkeringen
				op een sociaal minimum in de pas blijven lopen met het wettelijk minimumloon
				van werkende kostwinners. Op dit moment stijgt de bijstandsuitkering sneller
				dan het netto minimumloon van een kostwinner. De maatregel zorgt voor een
				aanzienlijke afname van de armoedeval. <nadruk type="cur">Ten tweede
				</nadruk>heb ik eerder dit jaar maatregelen aangekondigd om het aantal
				kindregelingen te beperken en het stelsel te vereenvoudigen. Bij de herziening
				van het stelsel van kindregelingen wil ik de inkomensondersteuning van gezinnen
				met kinderen, meer dan nu het geval is, zo inrichten dat arbeidsparticipatie
				aantrekkelijker wordt. Dit jaar nog kom ik met een voorstel op dit punt,
				waarbij ook specifiek ingegaan zal worden op het terugdringen van de armoedeval
				bij alleenstaande ouders.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Wijziging in de indicatoren voor
				arbeidsmarktprikkels</tussenkop>
            <al>Bij de jaarlijkse augustusbesluitvorming, wanneer wordt besloten
				over de lastenkant van de begroting, gaat vaak relatief veel aandacht uit naar
				het koopkrachtbeeld. Vraag daarbij is hoe de veranderingen in het
				inkomensbeleid doorwerken op de verschillende groepen huishoudens. Het risico
				bestaat dat de effecten op de armoedeval van huishoudens minder aandacht
				krijgen. Om in beleidsdiscussies (ook) de focus te houden op de armoedeval ben
				ik van plan om, naast de bestaande indicatoren, één maatstaf te ontwikkelen
				voor de macro-effecten van beleid op de arbeidsdeelname.</al>
            <al>De overige indicatoren blijven uiteraard relevant voor verdere
				nuancering en verbijzondering. Wel blijkt uit deze beleidsdoorlichting, zoals
				gezegd, dat enkele van deze indicatoren slechts beperkte maatschappelijke
				relevantie hebben. Omwille van de overzichtelijkheid schrap ik daarom een
				aantal van deze indicatoren uit de standaardrapportages in de begroting.
				Anderzijds wil ik bij de herintreders- en deeltijdval ook een of meer situaties
				toevoegen met realistischer inkomenshoogten. Per saldo streef ik ernaar het
				aantal indicatoren te verkleinen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Periodieke analyse van de langjarige
				koopkrachtontwikkeling</tussenkop>
            <al>Het is in deze beleidsdoorlichting nuttig gebleken over een
				langere periode terug te kijken naar de <nadruk type="cur">gerealiseerde</nadruk> koopkrachtontwikkeling. Hiermee kan namelijk
				in beeld worden gebracht of bepaalde groepen een structureel gunstiger of
				minder gunstige koopkrachtontwikkeling hebben doorgemaakt en hoe de realisaties
				zich verhouden tot de ramingen. Daarbij is het ook zinvol de langjarige
				statische en dynamische koopkrachtontwikkeling met elkaar vergelijken, zodat de
				werkelijke inkomensontwikkeling van groepen in de samenleving kan worden
				gevolgd. Ik ben daarom van plan iedere vier jaar de gerealiseerde
				koopkrachtontwikkeling over de achterliggende tien jaar in beeld te brengen,
				zowel statisch als dynamisch. Ik zie dit als een zinvolle toevoeging op de
				analyses in de SZW-begroting, die naar de aard vooral <nadruk type="cur">vooruit</nadruk>blikken en inzicht geven in voorziene effecten van
				beleid.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Onderzoek naar mogelijkheden om
				koopkrachtontwikkeling zelfstandigen in beeld te brengen</tussenkop>
            <al>Omdat de groep zelfstandigen steeds groter wordt en een steeds
				prominentere plaats inneemt in beleidsdiscussies, zal ik de mogelijkheden
				onderzoeken om de koopkrachtmutaties van zelfstandigen in beeld te brengen.
				Hierbij benadruk ik dat de spreiding in het inkomen van zelfstandigen zeer
				groot is; groter dan bij werknemers. Hetzelfde geldt voor fluctuaties in het
				inkomen tussen opeenvolgende jaren. Onderzoek moet uitwijzen hoe de
				koopkrachtontwikkeling van zelfstandigen, gelet op deze spreiding, het best in
				beeld gebracht kunnen worden.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Nader overleg over raming exogene
				factoren</tussenkop>
            <al>De koopkrachtontwikkeling van huishoudens wordt, behalve door het
				inkomensbeleid, minstens zo sterk beïnvloed door de ontwikkeling van factoren
				waarop de overheid niet of maar in beperkte mate kan sturen: inflatie,
				contractloonontwikkeling, pensioenindexering, pensioenpremies en zorgpremies.
				De realisatie van deze factoren ligt, gemiddeld over meerdere jaren bezien,
				dicht tegen de ramingen aan die voor de koopkrachtberekeningen in de
				SZW-begroting worden gebruikt. Echter, bij met name de raming van de
				pensioen-/VUT-premies en de hoogte van de pensioenfranchise doen zich binnen
				een individueel jaar grote afwijkingen tussen raming en realisatie voor.</al>
            <al>Hoewel ramingen altijd kunnen afwijken van realisaties, roepen de
				afwijkingen in de pensioen-/VUT-premies en de pensioenfranchise de vraag op in
				hoeverre het mogelijk is de raming van deze bepalende factoren te verbeteren.
				Dit is des te meer belangrijk omdat pensioen-/VUT-premies verschillend
				uitpakken voor verschillende groepen huishoudens. Deze hebben immers alleen
				betrekking op actieven, terwijl de inflatie bijvoorbeeld over de hele linie
				hetzelfde uitwerkt. Ik ben voornemens om hierover nader overleg te voeren met
				het Centraal Planbureau.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Tot slot</tussenkop>
            <al>Het zorgdragen voor een evenwichtige en activerende
				inkomensontwikkeling behoort tot de kerndoelen van het sociaaleconomische
				beleid. Tegen de achtergrond van de problematische economische en financiële
				situatie heeft het kabinet in voldoende mate invulling gegeven aan deze doelen.
				Wel ben ik, zoals gezegd, overtuigd van de noodzaak om de activerende werking
				van de inkomensontwikkeling in de komende jaren te versterken.</al>
            <al>Gelet op de kerndoelen van het inkomensbeleid heeft het kabinet
				ook voor 2012 de koopkrachteffecten van bezuinigingen zo evenwichtig mogelijk
				verdeeld over de verschillende groepen. Dit is gedaan door zowel goed te kijken
				naar de invulling van de bezuinigingen als door het nemen van aanvullende
				maatregelen in de sfeer van belastingen en premies. Het is zo gelukt om de pijn
				– die onlosmakelijk verbonden is aan de noodzaak van bezuinigingen –
				gelijkmatig te verdelen over de inkomensgroepen.</al>
            <al>Het kabinet koerst daarbij – zowel voor 2012 als voor latere
				jaren – aan op maximale arbeidsdeelname en minimale
				uitkeringsafhankelijkheid. Dit is essentieel, zeker in een tijd waarin het
				aantal mensen in de werkzame leeftijd niet meer groeit, het aantal ouderen aan
				het verdubbelen is en de overheidsfinanciën onder druk staan. Het kabinet
				neemt daarvoor de noodzakelijke maatregelen, waarvan ik twee voorbeelden heb
				genoemd in deze brief. Dit leidt niet alleen tot minder krapte op de
				arbeidsmarkt, maar ook tot gezondere overheidsfinanciën, een hogere welvaart
				en een betere zelfredzaamheid van mensen.</al>
            <al>Het inkomensbeleid, en daarmee artikel 41 in mijn begroting,
				heeft mijn volle aandacht. Om het belang dat ik eraan hecht nog eens te
				onderstrepen en de samenhang in de begroting te versterken ben ik voornemens de
				structuur van de begroting voor 2013 zodanig aan te passen dat alle relevante
				inkomensontwikkelingen in een en dezelfde begrotingsparagraaf worden
				gepresenteerd.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De minister van
			 Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
            <naam>
              <voornaam>H. G. J.</voornaam>
              <achternaam>Kamp</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>